Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Ouderenbeleid vanaf 1945 (Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid)

Type Archiefselectielijst
Publication 2008-02-06
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 oktober 2007, aca-2007.04045/3);

Besluiten:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Ouderenbeleid over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Basisselectiedocument ouderenbeleid 1945–

Voor de zorgdragers:

de Minister van VWS

de Minister van Financiën

de Minister van OCW

de Minister van SZW

de Minister van EZ

de Minister van Verkeer en Waterstaat

de Minister van BZK

Ministerie van VWS

Directie Informatiehuishouding

Lijst van afkortingen

art.: artikel

BSD: Basis Selectie Document

b.w.: buiten werking

BZK: Minister(ie) van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

CCB: Centrale Commissie voor de Bejaardenoorden

CRM: Minister(ie) van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk

EZ: Minister(ie) van Economische Zaken

GOO: Gestructureerd Overleg Ouderenbeleid

ISB: Interdepartementale Stuurgroep Bejaardenbeleid

ISO: Interdepartementale Stuurgroep Ouderenbeleid

MaWe: Minister(ie) van Maatschappelijk Werk

NESTOR: Stuurgroep Nederlands Stimuleringsprogramma Ouderenonderzoek

OCW: Minister(ie) van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

OGA: subsidieregeling Ouderenzorg, Gehandicaptenzorg en Algemeen maatschappelijke hulpverlening

PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn

RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek

SOOM: Stuurgroep Onderzoek op het terrein van de Ouder wordende Mens

Stb.: Staatsblad

Stcrt.: Staatscourant

SZW: Minister(ie) van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

VRO: Voorlopige Raad voor het Ouderenbeleid

VWS: Minister(ie) van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

WBO: Wet op de bejaardenoorden

WVC: Minister(ie) van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur

1. Verantwoording

1.1. Wettelijk kader voor de selectie van overheidsarchieven

Ingevolge artikel 3 van de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) dient de overheid haar archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren. Onder ‘archiefbescheiden’ worden niet slechts papieren documenten verstaan, maar alle bescheiden die (ongeacht hun vorm) door een overheidsorgaan zijn ontvangen of opgemaakt en naar hun aard bestemd zijn daaronder te berusten. Ook digitaal vastgelegde informatie valt dus onder de werking van de archiefwetgeving.

Het in goede en geordende staat bewaren van archiefbescheiden houdt onder meer in dat een overheidsarchief op gezette tijden wordt geschoond. In dat verband schrijft de Archiefwet 1995 (Stb. 1995, 276) zowel een vernietigingsplicht (art. 3) als de overbrengingsplicht (art. 12) voor. Beide plichten rusten op degene die de bestuurlijke verantwoordelijkheid draagt voor het beheer van het desbetreffende archief: de zorgdrager.

De verplichting tot overbrenging bepaalt dat de zorgdrager zijn archiefbescheiden die niet voor vernietiging in aanmerking komen en ouder zijn dan twintig jaar ter blijvende bewaring overbrengt naar een archiefbewaarplaats. Wat de archiefbescheiden van de Ministeries en de Hoge Colleges van Staat betreft, is de aangewezen archiefbewaarplaats het Nationaal Archief in Den Haag. Deze instelling ressorteert onder de Minister van OCW en staat onder leiding van de Algemeen Rijksarchivaris.

In verband met de selectie van hun archiefbescheiden zijn zorgdragers verplicht hiertoe selectielijsten op te stellen. In een selectielijst dient te worden aangegeven welke archiefbescheiden voor vernietiging, dan wel voor blijvende bewaring in aanmerking komen. Voorts dient een selectielijst de termijnen aan te geven waarna de te vernietigen bestanddelen dienen te worden vernietigd.

Een selectielijst is naar haar aard een duurzaam instrument. Het ligt in de rede dat een organisatie een vastgestelde lijst niet eenmalig toepast maar (zonodig in geactualiseerde vorm) blijft hanteren om de periodieke aanwas van archiefmateriaal te selecteren. Een selectielijst vormt zo een belangrijk onderdeel van het instrumentarium voor het beheer van de documentaire informatievoorziening in een overheidsorganisatie.

Bij het ontwerpen van een selectielijst dient krachtens art. 2, lid 1 van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 671) rekening gehouden te worden met:

Voorts moeten ingevolge art. 3 van het Archiefbesluit 1995 (Stb. 1995, 671) bij het ontwerpen van een selectielijst ten minste betrokken zijn een deskundige op het gebied van de organisatie en taken van het desbetreffende overheidsorgaan, een deskundige ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van dat orgaan en (een vertegenwoordiger van) de Algemeen Rijksarchivaris.

Wat betreft de geldigheidsduur van de selectielijst wordt uitgegaan van de wettelijke periode van twintig jaar vanaf de vaststelling. Dit laat uiteraard onverlet dat de selectielijst (of een bepaald onderdeel daarvan) binnen deze termijn zal komen te vervallen, indien dit mocht worden bepaald bij de vaststelling (via de aangewezen archiefwettelijke weg) van een nieuwe dan wel herziene selectielijst.

1.2. Doel en werking van het Basis Selectiedocument

Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein. Een BSD kan bestaan uit één of meer selectielijsten.

Een BSD wordt opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In een Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) worden de taken en bevoegdheden van alle actoren op een beleidsterrein beschreven. Het niveau waarop geselecteerd wordt is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.

Het opgestelde ontwerp-BSD wordt voorgelegd aan de Raad van Cultuur en op verschillende plaatsen ter inzage gelegd. Na eventuele wijziging van het ontwerp-BSD kan worden overgegaan tot de vaststelling. Het BSD wordt vastgesteld in een gezamenlijk besluit van de Minister belast met het cultuurbeleid (tegenwoordig de Minister van OCW) en de betrokken zorgdrager(s).

1.3. Functies van het BSD

1.4. Afbakening van het beleidsterrein

Deze selectielijst is gebaseerd op het rapport institutioneel onderzoek (RIO) ‘Het bejaardenbeleid. Een onderzoek naar instituties en wet- en regelgeving inzake het ouderenbeleid, 1945–1990’ (PIVOT-rapport nummer 9; Den Haag, 1993), opgesteld door mw. drs. A.S. Fris.

In het bovenstaande rapport wordt ‘ouderenbeleid’ gedefinieerd als ‘het specifieke beleid dat zich richt op het tot stand brengen en in stand houden van het welzijn van bejaarden of ouderen.’ (zie pag. 3 van het rapport). Met de term ‘bejaarden’ of ‘ouderen’ worden personen van 65 jaar en ouder bedoeld.

Het rapport beperkt zich tot een beschrijving van het handelen van de overheid betreffende ‘die voorzieningen die uitsluitend in het leven zijn geroepen voor bejaarden, zoals bijvoorbeeld de bejaardenoorden.’(zie pag. 4 van het rapport). Overige voorzieningen voor ouderen komen in rapporten met betrekking tot andere beleidsterreinen naar voren. Dat betekent dat onderwerpen als gezondheid, zorg, wonen, mobiliteit, inkomen, arbeid, kennis en onderwijs in relatie tot ouderen hier niet aan bod komen.

De voor deze selectielijst onderzochte periode loopt van 1945 tot en met 1995. De periode 1991–1995 staat niet beschreven in het RIO, maar is in dit BSD toegevoegd. Tijdens aanvullend onderzoek bleek namelijk dat de handelingen van de actoren in dit tijdvak niet ingrijpend zijn gewijzigd.

Handelingen die eind 1995 nog werden uitgevoerd, zijn niet afgesloten; daar waar een eindjaar van een handeling na 1995 bekend is (bijv. 1996), is deze al wel ingevuld.

De handelingen in het RIO zijn niet 1:1 overgenomen in het BSD. Zowel de tekst als de nummering is aangepast. Waarom? Het RIO is in 1993 verschenen. Op dat moment was de ontwikkeling van het format voor RIO’s nog in volle gang en moesten de eerste BSD’s nog geschreven worden. Het voortschrijdend inzicht (bijv. wat wordt verstaan onder een handeling, de formulering van een handeling, de eisen die worden gesteld aan een BSD) maakt het moeilijk (zo niet onmogelijk) om bij het opstellen van dit BSD strikt vast te houden aan het RIO. In dit BSD heeft dit geleid tot:

In de concordans bij dit BSD zijn de relaties terug te vinden.

Voor dit beleidsterrein zijn momenteel nog geen selectie- of vernietigingslijsten vastgesteld.

1.5. Doelstellingen van de overheid op het beleidsterrein Ouderenbeleid

Op het beleidsterrein ‘ouderenbeleid’ kunnen de volgende hoofdlijnen worden beschreven.

Tot de Tweede Wereldoorlog kan er niet of nauwelijks worden gesproken van een ouderenbeleid van de rijksoverheid. Na de Tweede Wereldoorlog verandert dit. Het aantal bejaarden neemt snel toe en daarmee komt de overheidsbemoeienis op gang.

Door de jaren heen zijn ‘zelfstandigheid’ en ‘emancipatie’ van ouderen belangrijke items geweest in het overheidsbeleid met betrekking tot ouderen. In de jaren ’50 wordt dit vooral gestimuleerd via het verstrekken van subsidies voor bijv. sociaal onderzoek en aan belangenverenigingen van bejaarden. Als gevolg van de woningnood werd daarnaast tevens de bouw van bejaardentehuizen bevorderd.

Vanaf 1954 worden voorbereidingen getroffen voor een wet om de misstanden in de particuliere tehuizen voor bejaarden tegen te gaan. Dit leidde in 1963 tot de ‘Wet op de bejaardenoorden’. In de loop der jaren is deze wet nog een aantal malen gewijzigd.

Ook in de jaren ’60 bleven ‘zelfstandigheid’ en ‘emancipatie’ belangrijke thema’s. Dit kwam onder ander tot uiting in een rijksbijdrageregeling voor dienstencentra (1967). Deze dienstencentra kwamen in de plaats van het sociëteitswerk voor bejaarden.

In de tweede helft van de jaren ’60 wil de rijksoverheid komen tot een meer gecoördineerd beleid voor bejaarden. Dit resulteert onder meer in de oprichting van de ‘Interdepartementale Stuurgroep Bejaardenbeleid’ (1968; later gewijzigd in ‘Interdepartementale Stuurgroep Ouderenbeleid’) en van een intradepartementale stuurgroep, de ‘Coördinatiegroep bejaardenbeleid Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk’ (1974). Voor advisering met betrekking tot beleidsvoorbereiding en beleidsvorming werd de ‘Centrale commissie voor de bejaardenoorden’ in het leven geroepen (1972).

Bevordering van de zelfstandigheid van bejaarden bleef ook in deze periode een belangrijk item.

Wel werd het beleid anders ingevuld. Het ‘zelfstandig’ wonen van bejaarden werd bevorderd, waarbij de betrokkenen de noodzakelijke zorg thuis ontvingen (middels het gecoördineerd bejaardenwerk). Aanleiding voor deze beleidsombuiging was onder andere een poging de overheidsuitgaven (met name die op basis van de Algemene Bijstandswet) in toom te houden.

Eind jaren ’70 en begin jaren ’80 wilde de rijksoverheid meer inzicht verkrijgen in de problemen van de ouder wordende mens. Dit leidde in 1977 tot de oprichting van de ‘Planninggroep voor het wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de ouder wordende mens’ en in 1982, als vervolg op de Planninggroep, tot de instelling van de ‘Stuurgroep Onderzoek op het gebied van de Ouder wordende Mens’.

Tegelijkertijd bleef de bevordering van het zolang mogelijk zelfstandig functioneren van ouderen en de vermindering van de collectieve uitgaven op het gebied van het ouderenbeleid een belangrijk punt. Met name in de jaren ’80 werd bezuinigd op het budget voor ouderenbeleid. Nieuw was in deze jaren het zgn. ‘flankerend beleid’. Hierbij werd de wijkfunctie van de bejaardenoorden verstevigd. Het ‘flankerend ouderenbeleid’ kwam in 1985 onder de ‘Wet op de bejaardenoorden’ te vallen; in 1987 werd dit grotendeels onder de ‘Welzijnswet’ gebracht.

In de tweede helft van de jaren ’80 werd een adviesraad ingesteld met betrekking tot het ouderenbeleid, de Voorlopige Raad voor het ouderenbeleid (1988; later gewijzigd in: Raad voor het ouderenbeleid).

In dezelfde periode zette de rijksoverheid in op een meer gelijkwaardige positie van de ouderen in de samenleving. Oftewel: participatie en medezeggenschap van ouderen in de samenleving was het streven. En voor de zorgbehoevende ouderen hield de overheid intussen vast aan zijn verantwoordelijkheid voor de zorgverlening aan ouderen.

1.6. Actoren op het beleidsterrein, voor zover hun selectielijsten in dit BSD zijn opgenomen

Actoren op dit beleidsterrein zijn:

2. Selectiedoelstelling

De doelstelling van het Nationaal Archief bij de selectie van overheidsarchieven is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.

Deze selectiedoelstelling wordt in het BSD toegepast op het betreffende beleidsterrein.

2.1. Selectiecriteria

Uitgaande van de algemene selectiedoelstelling heeft PIVOT in 1998 een (gewijzigde) lijst van algemene selectiecriteria geformuleerd. Met behulp van die algemene criteria wordt in een BSD een waardering toegekend aan de handelingen die door middel van het institutioneel onderzoek in kaart zijn gebracht.

De algemene selectiecriteria van PIVOT zijn positief geformuleerd; het zijn bewaarcriteria. Is een handeling op grond van een criterium gewaardeerd met B (‘blijvend te bewaren’), dan betekent dit dat de administratieve neerslag van die handeling te zijner tijd geheel dient te worden overgebracht naar het Nationaal Archief.

De neerslag van een handeling die niet aan één van de selectiecriteria voldoet, wordt op termijn vernietigd. De waardering van de desbetreffende handeling luidt dan V (‘vernietigen’), onder vermelding van de periode waarna de vernietiging dient plaats te vinden. De neerslag die uit dergelijke handelingen voortvloeit, is dus niet noodzakelijk geacht voor een reconstructie van het overheidshandelen op hoofdlijnen.

1. Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.

2. Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieruit worden niet persé consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.

3. Handelingen die betrekking hebben verantwoordingvan beleid op hoofdlijnen aan andere actoren

Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.

4. Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen

Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.

5. Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt

Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.

6. Handelingen die betrekking hebben opbeleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten

Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de Ministeriele verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.

Overigens kan, ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen, betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.

De vernietigingstermijnen van de neerslag van de met ‘V’ (= vernietigen) gewaardeerde handelingen zijn vastgesteld in overleg met deskundigen van dit Ministerie op dit terrein.

3. Leeswijzer van de handelingen

De handelingen worden beschreven in handelingenblokken. Daarin worden de volgende items beschreven:

Handelingnr.: Dit is het volgnummer van de handeling.

Handeling: Dit is een complex van activiteiten die een actor verricht ter vervulling van een taak of op grond van een bevoegdheid. In de praktijk komt een handeling meestal overeen met een procedure of een werkproces.

Periode: Hier staat het tijdvak vermeld gedurende welke jaren de handeling is verricht. Wanneer er geen eindjaar staat vermeld, wordt de handeling nog steeds uitgevoerd.

Grondslag: Dit is de wettelijke basis op grond waarvan de actor de handeling verricht.

Vermeld worden:

Wanneer er geen wettelijke grondslag voor een handeling bestaat, kan de bron worden genoemd waarin de betreffende handeling staat vermeld.

Product: Hier staat het product vermeld waarin de handeling resulteert of zou moeten resulteren. Opsommingen geven een indicatie van de producten en zijn niet altijd uitputtend. Vaak wordt volstaan met een algemeen omschreven eindproduct.

Opmerking: Deze aanvullende informatie wordt slechts vermeld wanneer de strekking van de handeling toelichting behoeft.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.