Regeling van de Staatssecretaris van Justitie van 29 januari 2008, nr. 5519777/07/DJI, houdende regels over de melding van ongeoorloofde afwezigheid uit penitentiaire inrichtingen, inrichtingen voor verpleging van ter beschikking gestelden en justitiële jeugdinrichtingen

Type Ministeriële regeling
Publication 2025-09-04
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5a, tweede lid, van de Penitentiaire beginselenwet, artikel 7a, tweede lid, van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden en artikel 5, tweede lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1. Begripsbepalingen

In deze Regeling wordt verstaan onder:

Artikel 1.2. Aanvang en einde van ongeoorloofde afwezigheid
1.

Ongeoorloofde afwezigheid vangt aan op de dag van het zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging bedoeld in artikel 1.1, onder a.

2.

Ongeoorloofde afwezigheid eindigt op de dag dat de ongeoorloofd afwezige zichzelf meldt of wordt aangehouden.

Artikel 1.3. Meldingsprocedure ongeoorloofde afwezigheid

De directeur dan wel het hoofd van de inrichting bedoeld in respectievelijk hoofdstuk 2, 3 en 4 van deze regeling meldt ongeoorloofde afwezigheid en het einde daarvan aan de Minister van Veiligheid en Justitie, de politie en overige betrokkenen volgens de procedure beschreven in het betreffende hoofdstuk.

Hoofdstuk 2. Meldingsprocedure bij ongeoorloofde afwezigheid als bedoeld in artikel 5a, tweede lid, van de penitentiaire beginselenwet

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 2.1. Begripsbepalingen

Op dit hoofdstuk zijn de begripsbepalingen, bedoeld in artikel 1 van de Penitentiaire beginselenwet, van toepassing

Artikel 2.2. Ontstaan ongeoorloofde afwezigheid

Ongeoorloofde afwezigheid als bedoeld in dit hoofdstuk is het gevolg van het zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging op één van de navolgende wijzen:

Artikel 2.3. Verantwoordelijkheid voor de meldingen bij ongeoorloofde afwezigheid

De verantwoordelijkheid voor de in de paragrafen 2 en 3 bedoelde meldingen en inlichtingen bij ongeoorloofde afwezigheid berust bij de directeur van de inrichting vanwaar de gedetineerde zich heeft onttrokken. In de gevallen waarin de ongeoorloofd afwezige zich met toestemming buiten de inrichting bevond op het moment van zijn onttrekking, bedoeld in artikel 2.2, onder b, c, d, f en g, berust die verantwoordelijkheid bij de directeur van de inrichting waar hij staat ingeschreven.

Artikel 2.4. Indeling ongeoorloofd afwezigen

In dit hoofdstuk worden met het oog op de te volgen meldingsprocedure de navolgende twee groepen ongeoorloofd afwezigen onderscheiden:

Paragraaf 2. Meldingen bij aanvang ongeoorloofde afwezigheid

Artikel 2.5. Melding bij constatering op heterdaad

Bij constatering van een onttrekking, terwijl deze plaatsvindt of terstond nadat deze heeft plaatsgevonden, belt de directeur onmiddellijk het alarmnummer van de politie met het oog op de aanhouding van degene die zich onttrekt.

Artikel 2.6. Meldingen na constatering ongeoorloofde afwezigheid groep A
1.

De directeur meldt de ongeoorloofde afwezigheid behorend tot groep A onmiddellijk na constatering ervan telefonisch aan:

2.

De directeur zendt binnen één uur na constatering van de ongeoorloofde afwezigheid het door het hoofd van de DJI vastgestelde meldingsformulier per elektronische post aan het Landelijk Meldpunt.

3.

De directeur zendt uiterlijk de eerstvolgende werkdag het door het hoofd van de DJI vastgestelde meldingsformulier per elektronische post aan de divisiedirecteur GW/VB; de directeur zendt dit formulier daartoe aan de door de divisiedirecteur aangewezen ambtenaar.

4.

De directeur meldt de ongeoorloofde afwezigheid uiterlijk de eerstvolgende werkdag elektronisch aan de divisiedirecteur IZ door middel van registratie in het Centraal Register Onttrekkingen.

5.

De directeur zendt zo spoedig mogelijk het penitentiair dossier van de ongeoorloofd afwezige naar de divisiedirecteur IZ.

Artikel 2.7. Meldingen na constatering ongeoorloofde afwezigheid groep B
1.

De directeur meldt de ongeoorloofde afwezigheid behorend tot groep B, onder 1°, onmiddellijk na constatering ervan aan:

2.

De directeur meldt de ongeoorloofde afwezigheid van degene die zich heeft onttrokken aan vreemdelingenbewaring, behorend tot groep B, onder 2°, onmiddellijk na constatering ervan telefonisch aan:

3.

De directeur zendt zo spoedig mogelijk na de meldingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, het door het hoofd van de DJI vastgestelde meldingsformulier per elektronische post aan:

4.

De directeur meldt de ongeoorloofde afwezigheid uiterlijk de eerstvolgende werkdag elektronisch aan de divisiedirecteur IZ door middel van registratie in het Centraal Register Onttrekkingen.

5.

De directeur zendt zo spoedig mogelijk het penitentiair dossier van de ongeoorloofd afwezige naar de divisiedirecteur IZ.

Paragraaf 3. Overige inlichtingen

Artikel 2.8. Overige inlichtingen
1.

De directeur verstrekt aan de divisiedirecteur GW/VB, naast de in paragraaf 2 bedoelde informatie, te allen tijde alle benodigde inlichtingen.

2.

De directeur verstrekt aan het Landelijk Meldpunt, het CJIB, dan wel de politie, naast de in paragraaf 2 bedoelde informatie, te allen tijde alle benodigde inlichtingen.

Paragraaf 4. Meldingen bij einde ongeoorloofde afwezigheid

Artikel 2.9. Meldingen bij einde ongeoorloofde afwezigheid
1.

Indien de ongeoorloofd afwezige behorend tot groep A zichzelf meldt, informeert de directeur van de inrichting waar hij zich heeft gemeld, dan wel de directeur van de inrichting waar hij staat ingeschreven, hierover:

2.

Indien de ongeoorloofd afwezige behorend tot groep B zichzelf meldt, informeert de directeur van de inrichting waar hij zich heeft gemeld, dan wel de directeur van de inrichting waar hij staat ingeschreven, hierover zo spoedig mogelijk per elektronische post:

Hoofdstuk 3. Meldingsprocedure bij ongeoorloofde afwezigheid als bedoeld in artikel 7a, tweede lid, van de beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 3.1. Begripsbepalingen
1.

Op dit hoofdstuk zijn de begripsbepalingen, bedoeld in artikel 1 van de Beginselenwet verpleging ter beschikking gestelden, van toepassing.

2.

In dit hoofdstuk van deze Regeling wordt verstaan onder:

Artikel 3.2. Ontstaan ongeoorloofde afwezigheid

Ongeoorloofde afwezigheid als bedoeld in dit hoofdstuk is het gevolg van het zich onttrekken van een verpleegde aan de tenuitvoerlegging op één van de navolgende wijzen:

Artikel 3.3. Verantwoordelijkheid voor de meldingen bij ongeoorloofde afwezigheid

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.