Besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 19 februari 2008, nr. P&O/2007/53275, houdende vaststelling van het Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008 (Organisatie- en mandaatbesluit OCW 2008)
Gelet op artikel 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht;
Gehoord de departementale ondernemingsraad;
Besluit:
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. Ministerie: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
- b. bewindspersoon: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of een Minister zonder portefeuille, ondergebracht bij het Ministerie, of een Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
- c. minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
- d. staatssecretaris: Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
- e. secretaris-generaal: secretaris-generaal van het Ministerie,
- f. plaatsvervangend secretaris-generaal: plaatsvervangend secretaris-generaal van het Ministerie,
- g. directeur-generaal: directeur-generaal van het Ministerie,
- h. hoofd van een inspectie: inspecteur-generaal van het onderwijs of de directeur van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed,
- i. directeur: degene die aan het hoofd staat van een beleidsdirectie, een ondersteunende directie, of een ondersteunend bureau als bedoeld in de bijlage bij dit besluit,
- j. budgethouder: functionaris die verantwoordelijk is voor een rechtmatig en doelmatig financieel beheer van de aan hem toegewezen budgetten,
- k. direct-leidinggevende: degene die binnen het Ministerie belast is met de dagelijkse leiding van medewerkers en ten aanzien van die medewerkers personeelsbevoegdheden heeft,
- l. bestuursraad: bestuursraad van het ministerie bestaat uit de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en de inspecteur-generaal van het Onderwijs,
- m. budget: aan een budgethouder toegewezen verplichtingen- en kasbedrag(en) alsmede de te realiseren ontvangsten ter uitvoering van een deel van de begroting,
- n. bestedingsplan: plan ter uitvoering van de begroting, opgesteld ten behoeve van het aangaan van verplichtingen anders dan in het kader van:
- –. de reguliere of aanvullende bekostiging van onderwijs en onderzoek,
- –. de verstrekking van subsidies als bedoeld in de artikelen 4a en 4c van de Wet op het specifiek cultuurbeleid, en
- –. de verstrekking van subsidies als bedoeld in artikel 7.3, eerste lid, van de Erfgoedwet,
- o. managementafspraak: afspraak omtrent de vertaling van beleidsdoelen in de begroting en de doelstellingen voor de interne bedrijfsvoering naar concrete acties en activiteiten, benodigde middelen en bevoegdheden of de prestatie- en kwaliteitsnormen ten aanzien van de te leveren producten of diensten, dan wel beide, met inbegrip van het bestedingsplan,
- p. personeelsreglement: verzameling van decentraal gemaakte collectieve afspraken en instructies ten behoeve van de ambtenaren die op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst zijn bij de Staat der Nederlanden en werkzaam zijn bij OCW.
Artikel 2. Mandaat, volmacht en machtiging
Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt met de verlening van mandaat gelijkgesteld de verlening van:
- a. volmacht om in naam van een bewindspersoon privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten, en
- b. machtiging om in naam van een bewindspersoon handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.
Artikel 3. Organisatie van het Ministerie
Het Ministerie bestaat uit:
- a. ondersteunende directies,
- b. directoraten-generaal,
- c. inspecties,
- d. Nationaal Archief, en
- e. bureaus.
De Dienst Uitvoering Onderwijs en het Nationaal Archief zijn baten-lastendienst.
De organisatie van het Ministerie wordt nader vastgesteld door middel van de bij dit besluit behorende bijlage.
Wijziging van de bijlage geschiedt door de secretaris-generaal.
De directeur Organisatie & Bedrijfsvoering draagt zorg voor bekendmaking van de bijlage door plaatsing op het intranet en de internetsite van het Ministerie.
Artikel 4. Voorbehouden aan bewindspersonen
Aan de bewindspersoon is voorbehouden het afdoen en ondertekenen van stukken:
- a. gericht aan de Koning,
- b. gericht aan de Raad van Ministers van het Koninkrijk, de Raad van Ministers en de daaruit gevormde colleges,
- c. gericht aan ministers en staatssecretarissen,
- d. gericht aan autoriteiten in binnen- en buitenland, gelijk of hoger in rang dan een minister of Staatssecretaris,
- e. gericht aan de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal en de voorzitters van de uit die Kamers gevormde commissies,
- f. gericht aan de Raad van State van het Koninkrijk en de Raad van State,
- g. gericht aan de Algemene Rekenkamer,
- h. houdende algemeen verbindende voorschriften,
- i. betreffende het instellen van beroep tegen een besluit van een ander bestuursorgaan, en
- j. betreffende het uitoefenen van de bevoegdheid, genoemd in artikel 15, derde lid, van de Archiefwet 1995, voor zover het archiefbescheiden betreft die zijn overgebracht door de zorgdragers als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Archiefwet 1995 en die betrekking hebben op het Koninklijk Huis.
Aan de minister is voorbehouden het afdoen en ondertekenen van stukken houdende het sluiten van huur-, huurkoop- en leaseovereenkomsten voor een bedrag van meer dan € 2.500.000 voor de duur van de overeenkomst.
De secretaris-generaal kan de stukken, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a tot en met h, afdoen en ondertekenen indien daarover afspraken zijn gemaakt tussen een bewindspersoon en de secretaris-generaal. De directeur Bestuursondersteuning en Advies draagt zorg voor bekendmaking van de afspraken en door plaatsing op het intranet en de internetsite van het Ministerie.
Artikel 5. Mandaat aan SG
De secretaris-generaal heeft mandaat voor al hetgeen het Ministerie betreft met inachtneming van de managementafspraak tussen de minister en de secretaris-generaal.
De secretaris-generaal geeft rechtstreeks leiding aan de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en de hoofden van de volgens de bijlage onder de secretaris-generaal ressorterende dienstonderdelen.
Voor zover de secretaris-generaal rechtstreeks leiding geeft aan de hoofden van de volgens de bijlage onder hem ressorterende dienstonderdelen, zijn de voorschriften die van toepassing zijn op directeuren-generaal, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 6. Mandaat aan de plaatsvervangend secretaris-generaal en de DG’s
De plaatsvervangend secretaris-generaal en directeuren-generaal hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden op hun werkterrein.
De plaatsvervangend secretaris-generaal en directeuren-generaal geven rechtstreeks leiding aan de hoofden van volgens de bijlage onder hen ressorterende dienstonderdelen.
De plaatsvervangend secretaris-generaal en directeuren-generaal zijn budgethouder voor de hen door de secretaris-generaal toegewezen budgetten. De plaatsvervangend secretaris-generaal en directeuren-generaal kennen aan de volgens de bijlage onder hen ressorterende hoofden de budgetten toe waarover zij kunnen beschikken.
Artikel 7. Mandaat aan de hoofden van inspecties
De inspecteur-generaal van het onderwijs heeft, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal, met inachtneming van de Wet op het onderwijstoezicht en binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op zijn werkterrein.
De directeur van de Inspectie Overheidsinformatie en Erfgoed heeft, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op zijn werkterrein.
De hoofden van de inspecties, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn budgethouder voor de hun door de secretaris-generaal toegewezen budgetten.
Onverminderd het eerste lid heeft de inspecteur-generaal van het onderwijs mandaat om:
- a. de bekostiging voor ten hoogste vijftien procent in te houden of geheel of gedeeltelijk op te schorten, op grond van artikel 155 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 123 van de Wet primair onderwijs BES, artikel 133 van de Wet op de expertisecentra, artikel 10.1 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, artikel 38 van de Wet medezeggenschap op scholen, artikel 11.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 10.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES of artikel 15.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;
- b. een subsidie lager vast te stellen, te wijzigen, of gedeeltelijk in te trekken of terug te vorderen op grond van de afdelingen 4.2.5 tot en met 4.2.7 van de Algemene wet bestuursrecht,
- c. bij of krachtens de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet voortgezet onderwijs 2020, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs BES of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek correcties aan te brengen of bedragen in mindering te brengen op de bekostiging;
- d. voor zover het niet de enige opleiding in zijn soort betreft, een waarschuwing als bedoeld in de artikelen 6.1.5, 6.1.5b, 6.2.3, 6.2.3b en 6.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de artikelen 6.2.3, 6.2.4 en 6.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES te geven, of een besluit als bedoeld in de artikelen 6.1.4, 6.1.5b, 6.2.2, 6.2.3b en 6.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de artikelen 6.2.1, 6.2.4 en 6.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES te nemen;
- e. de bestuurlijke boete op te leggen, bedoeld in artikel 27 van de Leerplichtwet 1969, artikel 39 van de Leerplichtwet BES, artikel 15.7, derde lid, en artikel 15.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, artikel 11.2, tweede lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs, alsmede artikel 4.3 van de Wet NLQF, of
- f. in afwijking van artikel 14b te beslissen op een aan de Inspectie van het Onderwijs gericht verzoek om informatie in de zin van de Wet open overheid, alsmede op een tegen een dergelijk besluit of een besluit als bedoeld in de onderdelen a tot en met e ingediend bezwaarschrift.
Artikel 8. Mandaat aan het hoofd van de baten-lastendienst Nationaal Archief
Het hoofd van het Nationaal Archief heeft, onverminderd artikel 4, eerste lid, onderdeel l, en de mandaatverlening aan de secretaris-generaal en de directeur-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van alle aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op zijn werkterrein.
Het hoofd van het Nationaal Archief is budgethouder voor de hem door de secretaris-generaal toegewezen budgetten.
Artikel 9. Mandaat aan directeuren
De directeuren hebben, onverminderd de mandaatverlening aan de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal en de directeuren-generaal, binnen het kader van de managementafspraak mandaat ten aanzien van de aangelegenheden die verband houden met de taken en verantwoordelijkheden op hun werkterrein.
De directeuren zijn budgethouder voor de hun door de secretaris-generaal, plaatsvervangend secretaris-generaal of directeur-generaal toegewezen budgetten.
Artikel 10. Managementafspraken
De secretaris-generaal maakt managementafspraken met de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en met de volgens de bijlage onder de secretaris-generaal ressorterende hoofden van de in de bijlage opgenomen organisatieonderdelen.
De plaatsvervangend secretaris-generaal en de directeuren-generaal maken managementafspraken met de volgens de bijlage onder hen ressorterende hoofden van de in de bijlage opgenomen organisatieonderdelen.
⋯
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.