Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Letteren vanaf 1965 (Stichting fonds voor de Letteren)

Type Archiefselectielijst
Publication 2008-03-14
State In force
Source BWB
artikelen 1
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 30 januari 2008, bca-2008.04316/1);

Besluiten:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Stichting fonds voor de Letteren en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Letteren over de periode vanaf 1965’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Basisselectiedocument

Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdrager

Het bestuur van Stichting Fonds voor de Letterenop het beleidsterrein Letteren 1965–

In opdracht van het Fonds voor de Letteren

Amsterdam 2007

1. Lijst van afkortingen

2. Verantwoording

2.1 Doel en werking van het Basis Selectiedocument

Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst.

De selectielijst richt zich op de (administratieve) neerslag van het handelen door overheidsorganen, die vallen onder de werking van de Archiefwet 1995. De selectielijst komt tot stand op grond van een wettelijk voorgeschreven procedure.

Een BSD wordt opgesteld op basis van een institutioneel onderzoek. In het rapport institutioneel onderzoek (RIO) worden de taken en bevoegdheden van overheidsorganen beschreven en in hun functionele context geplaatst.

In het BSD zijn de handelingen uit het RIO overgenomen en geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.

2.2 Definitie van het beleidsterrein

Zie hiervoor het Rapport Vrijheid van meningsuiting gereguleerd gegarandeerd, 1945–1999.

Het letterenbeleid maakt organisatorisch en beleidsmatig deel uit van het media- en bibliotheekbeleid. Tot 1988 was het letterenbeleid gekoppeld aan het beleidsterrein ‘Kunsten’. Na de Tweede Wereldoorlog was het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKW) verantwoordelijk voor het letterenbeleid. In 1965 werd het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen gesplitst in een Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk (CRM) en een Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen (O&W).1Het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk werd ingesteld bij Koninklijk Besluit van 14 april 1965 (Stb. 1965/146). Voor het letterenbeleid had de departementale herindeling enkele consequenties. De verantwoordelijkheid voor het lees- en literatuuronderwijs kwam te liggen bij O&W. Het Ministerie van CRM kreeg zeggenschap over de andere terreinen van het letterenbeleid, waarbij de afdeling Letteren een onderdeel ging vormen met de Directie Kunsten. Deze situatie bleef ongewijzigd nadat in 1982 het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) werd ingesteld.2Het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur werd ingesteld bij Koninklijk Besluit van 4 november 1982 (Stb. 1982/613).

In het najaar van 1988 kwam het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) met concrete plannen om de Afdeling Letteren van de Directie kunsten van het Ministerie van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) onder te brengen bij de Directie Radio, Televisie en Pers. De Raad voor de Kunst, niet gekend in de plannen, kwam met een ongevraagd negatief advies. Zij vroeg zich af of de reorganisatie van het departement consequenties zou hebben voor het letterenbeleid. In haar ongevraagd advies vroeg de raad waarborgen dat het letterenbeleid niet tot een afgeleide van het brede mediabeleid zou worden.

Na een reorganisatie in 1988 werden de beleidsterreinen letteren en bibliotheekwerk, samen met de beleidsterreinen radio, televisie en pers, ondergebracht in de nieuwe Directie Media, Letteren en Bibliotheken (MLB). In 1994 keerde de Directie Media, Letteren en Bibliotheken terug op het oude nest van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW).3Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen werd ingesteld bij Koninklijk Besluit van 22 augustus 1994, Stb. 166.

Het overheidshandelen op het beleidsterrein media, letteren en bibliotheken werd beschreven in het institutioneel onderzoek Vrijheid van meningsuiting gereguleerd gegarandeerd, 1945–1999.4Vrijheid van meningsuiting gereguleerd gegarandeerd, een institutioneel onderzoek naar het handelen van overheidsorganen op het beleidsterrein media, letteren en bibliotheken, Den Haag 2000.

Het media-, het letteren- en het bibliothekenbeleid hebben ieder een eigen traditie en eigen beleidsinstrumenten, maar delen een gemeenschappelijke basis. Op grond van de, in de Grondwet verankerde, zorgplicht is de overheid verantwoordelijk voor de pluriformiteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van informatie.

Het begrip letterenbeleid bestaat uit enkele onderdelen: het algemene beleid voor het boek, het leesbevorderingsbeleid en het beleid dat zich richt op het bevorderen en het verspreiden van de Nederlandstalige en Friese literatuur in hun verschillende verschijningsvormen.

2.3 Afbakening van het beleidsterrein

In dit BSD worden de beleidsterreinen media en bibliotheken buiten beschouwing gelaten.

Het beleid, dat zich richt op het bevorderen en het verspreiden van de Nederlandstalige en Friese literatuur in hun verschillende verschijningsvormen, wordt aangeduid met specifiek letterenbeleid.

Zwaartepunt van het specifieke letterenbeleid ligt bij het Fonds voor de Letteren, dat is gericht op het scheppen van voorwaarden in materiële zin, waardoor schrijvers en vertalers hun tijd kunnen besteden aan literair werk.

2.4 Aanvullend onderzoek

In het RIO Vrijheid van meningsuiting gereguleerd gegarandeerd, 1945–1999 wordt het Fonds voor de Letteren beknopt beschreven. De handelingen van het Fonds voor de Letteren zijn niet opgenomen. Aanvullend institutioneel onderzoek was nodig.

2.5 Doelstellingen en taken op het beleidsterrein letteren

2.5.1 Rijksbeleid

‘Filantropie jegens oude armen’, zo typeerde Boekman het vooroorlogse letterenbeleid.

De vroegste vorm van overheidsbeleid op het gebied van de letteren was de instelling van de zogenaamde eregelden. Een enkele keer werden in de vooroorlogse periode literaire uitgaven gesubsidieerd, zoals de monumentale uitgave van het complete werk van Joost van den Vondel door de Wereldbibliotheek in 1927.

Het Letterenbeleid neemt in feite werkelijk een aanvang na de Tweede Wereldoorlog. Adviescommissies, zoals de Rijkscommissie van Advies voor het verlenen van opdrachten aan scheppende kunstenaars op het gebied der letterkunde en de Rijkscommissie van Advies voor het verlenen van opdrachten aan scheppende kunstenaars op het gebied der literatuurhistorie werden in het leven geroepen. Over de samenstelling van deze commissies mocht de (Voorlopige) Raad voor de Kunst advies uitbrengen. In 1947 werd de P.C. Hooftprijs, de Nederlandse staatsprijs voor de letterkunde ingesteld en in 1956 de Prijs der Nederlandse letteren.5De hulpbehoevende mecenas: Particulier initiatief, overheid en cultuur 1940–1990 onder redactie van C.B. Smithuijsen, Zutphen, 1990. In de jaren vijftig van de vorige eeuw kwam er aandacht voor de zorg voor het nationale literaire erfgoed, via het subsidiëren van het Nederlands Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (1954) en het Fries Letterkundig Museum en Documentatiecentrum (1959). In 1964 werd de Staatsprijs voor Kinder- en Jeugdliteratuur (Theo Thijssenprijs) ingesteld.

De bemoeienis van de overheid begon vanaf 1962 structurele vormen aan te nemen. Het beleid concentreerde zich op het bevorderen en het verspreiden van de Nederlandstalige literatuur in al haar verschijningsvormen. Deze toename van overheidsaandacht voor de literatuur was mede te danken aan de protestacties van letterkundigen in het najaar van 1962. Vijfenzestig schrijvers vroegen in een circulaire aandacht voor hun slechte materiële positie.6Pauline Micheels, Over de oprichting van het Fonds voor de Letteren, in: Het Schrijvershuis, (Fonds voor de Letteren). Het schrijversprotest kan worden beschouwd als een episode in een langdurige vestigingsstrijd. Schrijvers organiseerden zich als beoefenaars van een zelfstandig beroep, met uitsluiting van amateurs, en vroegen de overheid om erkenning en bescherming, die een onbelemmerde uitoefening van hun beroep mogelijk moest maken. Het schrijversprotest is de geschiedenis ingegaan als een keerpunt in de naoorlogse verhouding tussen letterkundigen en de overheid.

Met de instelling van het Fonds voor de Letteren (1965) werd een belangrijk deel van de advisering en van de subsidietoewijzing bij dit fonds ondergebracht. Er kwamen andere regelingen bij, zoals de Regeling voor het aanvragen van subsidie ten behoeve van literaire debuten (1977).

Vanaf 1980 kwam er meer aandacht voor ‘leesbevorderingsbeleid’. In het kader van het Kunstenplan (1988-1992) werden door de rijksoverheid extra middelen beschikbaar gesteld voor gericht ‘leesbevorderingsbeleid’. Een van de instellingen die de rijksoverheid subsidieert is de Stichting Schrijvers School Samenleving (SSS). De SSS bemiddelt en adviseert bij het organiseren van lezingen door schrijvers. Hoofddoelstelling van SSS is de bevordering van het lezen, in het bijzonder van literatuur. Een van de belangrijkste middelen om die doelstelling te realiseren, is de organisatie van lezingen van schrijvers en dichters. SSS is advies- en bemiddelingsbureau voor deze activiteiten. SSS bemiddelt bij de organisatie van lezingen van schrijvers en dichters op scholen, in bibliotheken, voor culturele verenigingen, bedrijven en andere organisaties. SSS bemiddelt zowel voor auteurs voor volwassenen als voor jeugdboekenauteurs en illustratoren.

Op 9 september 1980 kwam het Verdrag tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden inzake de Nederlandse Taalunie tot stand. Deze intergouvernementele organisatie heeft tot doel de integratie van Nederland en de Nederlandse gemeenschap in België op het terrein van de Nederlandse taal en letteren te bevorderen. Tevens is de Taalunie verantwoordelijk voor de organisatie en toekenning van enkele literaire prijzen, waaronder de driejaarlijkse Prijs der Nederlandse Letteren. De activiteiten van de Taalunie worden voor eenderde door Vlaanderen en voor tweederde door Nederland bekostigd. Het beleid van de taalunie wordt vastgesteld door het Comité van Ministers: de Vlaamse en Nederlandse bewindslieden voor onderwijs en cultuur. Een Interparlementaire Commissie, samengesteld uit tweeëntwintig Nederlandse en Vlaamse volksvertegenwoordigers controleert de Taalunie. Het adviesorgaan van de Taalunie is de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren.

In 1988 verscheen de eerste cultuurnota over het letterenbeleid, de Nota Letterenbeleid van minister D’Acona van het Ministerie van WVC, gevolgd in 1990 door de Letterenbrief. In deze beleidsnota’s werd het letterenbeleid als volgt geformuleerd: ‘het bevorderen van een bloeiend literair leven in Nederland waarvan de Nederlandse literatuur het belangrijkste onderdeel uitmaakt. Het behoud van het nationale literaire erfgoed en de bevordering van de ontwikkeling van de Nederlandse en Friese literatuur; het ontsluiten van de Nederlandse en Friese literatuur en het bevorderen van de participatie in de Nederlandse en Friese literatuur’.7Nota Letterenbeleid, p.11.

In de Letterenbrief van minister Hedy d’Acona (WVC) werd het inmiddels klassieke onderscheid gemaakt tussen het ‘specifiek letterenbeleid’ en het ‘generiek letterenbeleid’

Het specifiek letterenbeleid van de rijksoverheid heeft betrekking op het waarborgen van de productie van literair werk, het subsidiëren van de productie van minder gangbaar literair werk en debuten, het bevorderen van de toneelschrijfkunst en het toekennen van prijzen, beurzen en stipendia op het gebied van de letterkunde. Het generiek letterenbeleid bestaat uit marktaanvullende en marktcorrigerende maatregelen waar dat voor de vervulling van de culturele functie van het boek noodzakelijk is met medewerking van andere ministers. Onderdelen van generiek beleid zijn:

Het belangrijkste generieke beleid waar de sector letteren mee te maken heeft, is de wetgeving inzake het auteursrecht, wettelijk geregeld in de Auteurswet 1912. Schrijvers en vertalers zijn beiden ‘makers’. In de Auteurswet wordt aan de ‘makers’ bepaalde bevoegdheden toegekend. Alleen de schrijver is bevoegd om te beslissen of een bepaald literair werk wordt uitgegeven of niet. De schrijver kan (financiële) voorwaarden verbinden aan zijn toestemming.

In 1963 stelde de Raad voor de Kunst de Commissie Uitleenrecht in onder leiding van L. Brummel. Uitgangspunt om de auteur financiële compensatie te verschaffen voor het feit, dat velen zijn werk lezen, zonder hem daarvoor te belonen. Dit feit hield een onbillijkheid in. Het thema van het uitleenrecht was al in 1953 onderdeel van bespreking in de Voorlopige Raad voor de Kunst. Een commissie bracht rapport uit naar aanleiding van plannen om de Auteurswet 1912 te herzien. In 1957 kwam het thema opnieuw aan de orde. De Raad voor de Kunst wilde een onderzoek naar de toepassingen van het uitleenrecht in de Scandinavische landen.

In haar eindrapport Het bibliotheekwezen en het Fonds voor de Letteren bepleitte de Commissie Uitleenrecht een wettelijke regeling.8De commissie ad hoc bestond uit L. Brummel (voorzitter), mw. M. Wijnstroom, N.A. Donkersloot, C. Reedijk, J. Starink en J. Kassies, secretaris van de Raad voor de Kunst. Diverse mogelijkheden passeerden de revue. De commissie erkende dat de meest zuivere methode van het vaststellen van compensatie aan auteurs in relatie zou moeten staan tot de mate waarin hun werk door de bibliotheken zou worden gebruikt. Deze methode werd door de commissie op grond van beheertechnische redenen, afgewezen. De voorkeur van de commissie ging uit naar een financiële bijdrage aan het Fonds voor de Letteren, gerelateerd aan het aankoopbudget van de gezamenlijke bibliotheken.

In 1986 werd in Nederland een regeling leenvergoedingen van kracht (Tijdelijk Besluit Leenvergoedingen). De leenvergoedingsregeling heeft betrekking op de uitleen van publicaties door gesubsidieerde openbare bibliotheken. Voor de uitleen krijgen twee groepen een vergoeding: de auteur en de uitgever. Eind 1990 werd de Stichting Leenrecht opgericht door organisaties van rechthebbenden. Het doel van deze stichting is het bevorderen van adequate wetgeving terzake van het leen- en verhuurrecht. Voorts stelt de stichting zich ten doel de feitelijke exploitatie van het leenrecht en indien gewenst, het verhuurrecht ter hand te nemen.

Nederland kent een vaste boekenprijs. Dat wil zeggen dat de uitgever dwingend aan de boekhandelaar kan voorschrijven voor welke prijs het boek in de boekwinkel te koop zal worden aangeboden.9De vaste boekenprijs is een bijzondere overheidsmaatregel binnen de in Nederland en EG geldende economische regels, die dwingende verkoopprijzen van een product verbiedt. In verband met Europese regelgeving geldt de vaste boekenprijs alleen voor Nederlandse boeken. De Raad voor de Kunst bepleitte in 1985 een wettelijke regeling. Een van de voornaamste argumenten voor de handhaving van de vaste boekenprijs betrof de zogenaamde interne subsidiëring. Dat wil zeggen, dat uitgeverijen cultureel waardevolle, economisch minder rendabele boeken kunnen financieren uit de verkoop van bestsellers. Over deze kwestie vroeg de minister van Cultuur ook advies aan de Commissie Economische Mededinging. Zij adviseerde de minister de ontheffing van het verbod op de collectieve, verticale prijsbinding te handhaven en af te zien van een wettelijke regeling.

In 2005 werd de vaste boekenprijs wettelijk verankerd.10Wet van 9 november 2004, houdende regels omtrent de vaste boekenprijs en Besluit van 3 mei 2005, houdende regels ter uitvoering van bepalingen van de Wet op de vaste boekenprijs, Stb. 2005/269. De wet was nodig, omdat het Reglement Handelsverkeer, waarin de afspraken rond de vaste boekenprijzen werden vastgelegd , in 2005 verviel.11Van 1923 tot 2004 was de vaste boekenprijs geregeld in een brancheovereenkomst, genaamd Reglement Handelsverkeer. Het reglement was opgesteld door het boekenvak. De uitvoering was in handen van de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak (KVB). Daarmee verviel ook de vaste boekenprijs zoals die in Nederland functioneerde. Deze vaste prijs was een vorm van verticale prijsbinding, die mogelijk werd gemaakt door een ontheffing op de mededingingswetgeving. De laatste ontheffing, die werd verleend op cultuurpolitieke gronden, liep af op 1 januari 2005.

Bovendien wordt de mededingingswetgeving nog verder verscherpt. Er komt een wetswijziging aan, die schrijft voor dat uitzonderingen op de mededingingswetgeving alleen nog via een wet geregeld kunnen worden. Dit in navolging van een wijziging in de Europese regelgeving die in mei van dit jaar van kracht wordt.

Een wet was de enige manier om de vaste boekenprijs voor het Nederlandse taalgebied te behouden. Ook in veel andere Europese landen is al een wet op de vaste boekenprijs. Een recent voorbeeld is Duitsland, dat in 2003 de vaste boekenprijs wettelijk regelde.

Een College voor de vaste boekenprijs zal toezicht houden op de naleving van de wet. Dit College is in feite een wettelijke uitvoering van de huidige commissie handelsverkeer, alleen met meer bevoegdheden. Zo kan het college toegang eisen tot de stukken en zo nodig de ‘sterke arm’ inzetten om ergens binnen te komen.

Het college kan, net als de commissie handelsverkeer, boetes en dwangsommen opleggen. De beslissingen van het college zijn bestuurlijke besluiten waarop de Algemene Wet Bestuursrecht van toepassing is.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.