Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Vermogensrecht vanaf 1945 (Minister van Verkeer en Waterstaat)
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 februari 2008, nr. bca-2008.04373/2);
Besluiten:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Verkeer en Waterstaat en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Vermogensrecht over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
BASISSELECTIEDOCUMENT Vermogensrecht (1945–)
Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdragers
Versie SDU, maart 2008
Rijksarchiefdienst/PIVOT
Ministerie van Justitie - PIVOT
Eindredactie: Project Wegwerken Archief Achtersatnden (PWAA)
Lijst van Afkortingen
Ab 1995: Archiefbesluit 1995
AMVB: algemene maatregel van bestuur
ARA: Algemeen Rijksarchief
Aw: 1995 Archiefwet 1995
Awb: Algemene wet bestuursrecht
BSD: Basis Selectiedocument
BW: Burgerlijk Wetboek
CBB: Centraal Bureau van Bijstand
CRM: Cultuur Recreatie en Maatschappelijk Werk
CTR: Centraal Testamentenregister
DRJB: Directie Rechtsbijstand en Juridische Beroepen
G.S.: Gedeputeerde Staten
GW: Grondwet
Jo: In verbinding met, in verband met, ter verwijzing naar schakelbepalingen, waarbij de wetgever gemakshalve regels voor een bepaalde rechtsfiguur ook, voorzover mogelijk, van toepassing verklaart op vergelijkbare rechtsfiguren
K.b.: Koninklijk besluit
KNB: tot 1999: Koninklijke Notariële Broederschap vanaf 1999: Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie KNHG Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap
MIO: Methode van Institutioneel Onderzoek
N.B.I.: Nederlands Beheersinstituut
OCenW: Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
PCDIN: Permanente Commissie Documentaire Informatievoorziening
PIVOT: Project Invoering Verkorting OverbrengingsTermijn
RAD: Rijksarchiefdienst
RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek
SER: Sociaal Economische Raad
Stb.: Staatsblad (wetten in formele zin, algemene maatregelen van bestuur)
Stcrt.: Staatscourant (ministeriële regelgeving)
UNCITRAL: United Nations Commission on International Trade Law
UNIDROIT: International Institute for the Unification of Private Law
ZBO: Zelfstandig bestuursorgaan
Verantwoording
Doel en Werking van het Basis Selectiedocument
Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein.
Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.
Een BSD wordt normaliter opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In het rapport institutioneel onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken organen. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.
Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (financieel beleid, bijvoorbeeld) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.
Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.
Definitie en afbakening van het beleidsterrein
Binnen het recht wordt onderscheid gemaakt tussen publiek- en privaatrecht. Publiekrecht regelt de inrichting van de staat en de staatsorganen en de verhouding tussen de overheid en haar burgers. Tot het publiekrecht behoort het staatsrecht, administratief recht of bestuursrecht, het strafrecht en het belastingrecht.
Het privaatrecht regelt de rechtsbetrekkingen tussen de burgers onderling. Het geeft hun de vrijheid, binnen het kader van dwingend voorgeschreven rechtsregels, hun eigen rechtsbetrekkingen gestalte te geven. Het privaatrecht is eerst en vooral in het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Koophandel te vinden. Deze twee wetboeken behandelen ook het vermogensrecht.
InBoek 3 van het Burgerlijk Wetboek wordt van vermogensrechten de volgende definitie gegeven:
Rechten die, hetzij afzonderlijk hetzij tezamen met een ander recht, overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel, zijn vermogensrechten. (Burgerlijk Wetboek Boek 3, art. 6) .
Met andere woorden: het vermogensrecht zoekt naar antwoorden op de vraag wie aanspraak kan maken op het bezit, het gebruik of genot van zaken, tegen een bepaalde vergoeding of compensatie in allerlei vormen.
Het vermogensrecht wordt zoals gezegd behandeld in het Burgerlijk Wetboek. Ons Burgerlijk Wetboek geldt sinds 1838. In 1947 is een begin gemaakt met vernieuwing van dit wetboek. Vanaf 1januari 1989 werd het vermogensrechtelijke deel van het nieuwe Burgerlijk Wetboek (NBW) in gedeelten geïntroduceerd. Op 1april 1991 is Boek 8 van kracht geworden. Per 1 januari 1992 zijn de Boeken 3, 5, 6 en 7 helemaal in werking getreden. Pas op 1januari 2003 is Boek 4 in werking getreden. Deze introductie in gedeelten verklaart ook waarom er bij sommige handelingen sprake is van een afwijkende periodisering.
Nu wordt het vermogensrecht behandeld in Boek 3 t/m 8. De titels van deze Boeken luiden als volgt:
Behalve het Burgerlijk Wetboek ligt aan de handelingen in dit BSD nog andere regelgeving ten grondslag. Het is voornamelijk regelgeving die voortkomt uit het Burgerlijk Wetboek, zoals de Wet commissies standaardregelingen en regelgeving die aan het Burgerlijk Wetboek aanverwant is, zoals de Wet op het Consumentenkrediet.
Ook in het Wetboek van Koophandel wordt het vermogensrecht dus behandeld. Dit Wetboek, dat sinds 1838 van kracht is, bestaat uit twee Boeken. De titels hiervan luiden:
Alle handelingen met betrekking tot de scheepvaart zijn echter opgenomen in een afzonderlijk RIO, De stuurlui aan wal.
In onderliggend BSD wordt getracht een zo compleet mogelijk overzicht te geven van alle handelingen van de overheid op het beleidsterrein vermogensrecht, binnen het beleidsterrein privaatrecht. (Publieksrechtelijk vermogensrecht bestaat ook, maar valt buiten het bestek van dit document.)
De grenzen van het beleidsterrein vermogensrecht zijn niet duidelijk aan te geven. Sommige onderwerpen liggen namelijk op een grensgebied van twee of meer terreinen, bijvoorbeeld vermogensrecht en familierecht (huwelijksvermogensrecht). Men heeft bij het rapport institutioneel onderzoek steeds afgewogen of een bepaalde handeling uit zo’n grensgebied al of niet in het onderzoek werd opgenomen op basis van het gegeven of een dergelijke handeling reeds in een ander onderzoek aan bod was gekomen. Er bestaan namelijk voor een groot aantal deelbeleidsterreinen of rechtsgebieden van vermogensrecht andere Rapporten Institutioneel Onderzoek.
Voor een overzicht van deze grensgebieden van het vermogensrecht en de rapportages die hierover zijn gemaakt verwijzen wij dan ook naar het RIO ‘(Z)onder voorwaarden’.
In dit BSD is de indeling en volgorde van handelingen uit het RIO aangehouden. Deze volgorde is als volgt te verklaren; de plekken waar de handelingen in het Burgerlijk Wetboek te vinden zijn, liggen zo ver uit elkaar dat een onderlinge samenhang in de meeste gevallen ontbreekt. Om toch enige lijn in de volgorde van de handelingen te kunnen blijven zien, zijn ze in grofweg dezelfde volgorde opgesteld, waarin ze ook in het Burgerlijk Wetboek voorkomen. Van deze hoofdindeling is afgeweken, wanneer er wel onderlinge samenhang tussen handelingen bleek te bestaan.
Zoals hierboven bleek is de belangrijkste bron voor dit deelbeleidsterrein het Burgerlijk Wetboek in de huidige vorm. Daarin staan voornamelijk rechten van burgers beschreven. Een Rapport Institutioneel Onderzoek en dit bijbehorende BSD richt zich echter op het handelen en de bevoegdheden van de overheid. Dat aspect komt in het Burgerlijk Wetboek minder aan bod. Het aantal handelingen dat in dit rapport is opgenomen, is mede om die reden zeer beperkt, hoewel het beleidsterrein vermogensrecht een groot aantal onderwerpen omvat. Het aantal handelingen wordt tevens beperkt, doordat er in het RIO ‘(Z)onder voorwaarden’ zoveel mogelijk naar andere RIO’s wordt doorverwezen om doublures te voorkomen.
Doelstellingen van de overheid op het beleidsterrein
Zoals hierboven beschreven is, was het nieuwe Burgerlijk Wetboek in 1992 voor het grootste gedeelte ingevoerd. Dit NBW is het resultaat van een omvangrijk wetgevingsproject dat op 25 april 1947 van start is gegaan toen E.M.Meijers bij Koninklijk Besluit de opdracht kreeg een nieuw Burgerlijk Wetboek te ontwerpen, dat het oude van 1838 diende te vervangen1Brahn/Reehuis (2007), Zwaartepunten van het vermogensrecht: 5.. Een dergelijke hercodificatie was noodzakelijk geworden omdat de wetstekst inmiddels overschaduwd werd door de jurisprudentie2Hallebeek (2006), Fons et origo iuris. Een historische inleiding tot het vermogensrecht: 285–286. en aanzienlijk verouderd was3Hartkamp (2002), Aard en opzet van het nieuwe vermogensrecht: 7.. De overheid wilde met de hercodificatie ook het burgerlijk recht overzichtelijker, minder ingewikkeld en beter kenbaar maken4Hartkamp (2002), Aard en opzet van het nieuwe vermogensrecht: 8, 31..
Van overheidswege is het handelen op het beleidsterrein vermogensrecht er op gericht de kwaliteit van de wetgeving en een grote rechtszekerheid te waarborgen. Hierbij wil het Rijk het algemeen belang en de sociaal en economisch zwakkeren beschermen5Hartkamp (2002), Aard en opzet van het nieuwe vermogensrecht: 38..
De laatste decennia wordt het Nederlandse vermogensrecht geconfronteerd met een verregaande digitalisering; de overheid houdt zich bijvoorbeeld bezig met de vraag in hoeverre het vermogensrecht ook toepasbaar is in een elektronische omgeving6Bron: www.justitie.nl, Nota Wetgeving voor de elektronische snelweg (1998).. De overheid stelt zich hierbij tot doel om in de elektronische omgeving dezelfde bescherming en rechtszekerheid te bieden als in de traditionele omgeving.
Het is, met het oog op de ontwikkeling van de elektronische handel, belangrijk om na te gaan of de bestaande wettelijke regelingen (bijvoorbeeld die van het contractenrecht) toegepast kunnen worden in een elektronische omgeving. De toepassing van moderne communicatietechnieken kan tenslotte worden belemmerd door geldende regels op het gebied van vermogensrecht (zoals de rechtsgeldigheid van verbintenissen, (verzending van) verklaringen, bewijsrecht en op afstand gesloten overeenkomsten).
De regelgeving met betrekking tot vermogensrecht is echter technologie-onafhankelijk en het hoge abstractieniveau staat de (verdere) ontwikkeling van het vermogensrechtelijke elektronisch rechtsverkeer niet in de weg.
Daarnaast wordt het vermogensrecht geconstitutionaliseerd7Bron: www.law.leidenuniv.nl/onderzoek/onderzoeksprogrammas/vraagstukkenvermogensrecht.jsp (vooral door de instelling van transnationale, Europese verdragen) en moet Nederlandse regelgeving op het gebied van het vermogensrecht gewijzigd of ingetrokken worden. De overheid probeert waar mogelijk versnippering van het vermogensrecht te voorkomen.
Tot slot moet gemeld worden dat, sinds de invoering van het nieuwe Burgerlijk Wetboek in 1992, veel nieuwe richtlijnen zijn verschenen: oneerlijke contractsbedingen, koop van timeshares, e-commerce en consumentenkoop.
Totstandkoming BSD
Het onderliggende BSD is gebaseerd op het RIO (Z)onder voorwaarden. Een institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein vermogensrecht, inclusief handelingen met betrekking tot het notarisambt. Onderdeel van een institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein Privaatrecht in de periode 1945–2001. Dit is een gezamenlijke uitgave van de Rijksarchiefdienst en het Ministerie van Justitie (mei 2002).
In mei 2002 is het bijbehorende BSD geschreven. Dit is echter nooit vastgesteld. Het onderliggende BSD is dan ook een bewerking van de versie uit 2002. In verband met het bestaan van het BSD Notarissen zijn alle handelingen met betrekking tot het notarisambt
uit de oorspronkelijke versie verwijderd.
De handelingen betreffende het Centraal Register Testamenten (handelingen 17 en 19) zijn verwijderd uit onderliggend BSD; ook zij worden voldoende afgedekt door meerdere handelingen in het BSD Notarissen.
In verband met de vaststelling van P-Direct is handeling 18 overbodig geworden en daarom eveneens geschrapt.
Handeling: 14 voor de Minister van Defensie is, met het oog op het BSD Militaire Operatiën, verwijderd uit het BSD Vermogensrecht.
Daarnaast zijn er twee handelingen (nummer 54 en 55) met betrekking tot onderzoek voor de actor de Minister van Justitie toegevoegd.
Ten opzichte van het RIO zijn de handelingen 20 (actor: de Hoge Raad) en 21 (actor: de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) aangepast. De grondslag voor beide handelingen, de Wet herziening bedingen bij erfstelling of legaat (de zogenaamde Museumwet), artt. 1 en 2 (Stb. 1925, 174), zoals gewijzigd bij Stb. 1956, 327 en Stb. 1997, 773), is vervallen per 1-1-2003 bij de inwerkingtreding van art. 4:134 BW. Tevens is binnen de formulering van de handeling een nadere specificatie opgenomen van het type erfstellingen en legaten welke bedoeld worden, namelijk die op het gebied van kunst of wetenschap.
Selectiedoelstelling
In de productbeschrijving BSD van maart 2004 is de selectiedoelstelling van het Nationaal Archief als volgt verwoord. ‘De doelstelling van het Nationaal Archief bij de selectie van overheidsarchieven is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.’
Selectiecriteria
Selecteren is het aanmerken van de neerslag van een handeling voor bewaren of vernietigen.
Als de neerslag aangewezen wordt ter bewaring, wil dat zeggen dat deze neerslag, ongeacht de vorm waaruit zij bestaat, voor eeuwig bewaard moet worden. De bewaarplaats waar deze neerslag na het verlopen van de wettelijke overbrengingstermijn van twintig jaar moet worden overgebracht, is het Nationaal Archief. Bij de handeling in dit BSD staat in dit geval bij waardering een B (van bewaren).
Als de neerslag van een handeling wordt aangewezen ter vernietiging, wil dat zeggen dat deze neerslag, ongeacht de vorm waaruit zij bestaat, na verloop van de in het BSD vastgestelde termijn kan worden vernietigd. De vernietigingstermijn is een minimum eis: stukken mogen niet eerder dan na het verstrijken van die termijn worden vernietigd door de voor het beheer verantwoordelijke dienst. De duur van de vernietigingstermijn wordt bepaald door de administratieve belangen en de belangen van de burgers, enerzijds ten behoeve van het adequaat uitvoeren van de overheidsadministratie en de verantwoordingsplicht van de overheid en anderzijds voor de recht- en bewijszoekende burger. Bij de handeling in dit BSD staat in dit geval bij waardering een V (van vernietigen).
Het aanwijzen van handelingen waarvan de neerslag bewaard moet blijven gebeurt op grond van criteria die tot stand zijn gekomen in overleg tussen zorgdrager en het Nationaal Archief.
De gehanteerde algemene selectiecriteria zijn:
Handelingen die worden gewaardeerd met B (Bewaren)
Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.