Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Media, Letteren en Bibliotheken vanaf 1945 (Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds)

Type Archiefselectielijst
Publication 2008-03-30
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;

De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 25 mei 2006 nr. arc-2006.03029/4);

Besluit:

Artikel 1

De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van het Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds op het beleidsterrein Media, Letteren en Bibliotheken over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.

Basisselectiedocument van het handelen van de rijksoverheid en andere actoren op het beleidsterrein media, letteren en bibliotheken, 1945–

Samensteller: Huib Sauter

Ministerie van OCW

Versie: Vastgesteld

1. Lijst van gebruikte afkortingen

Amvb: Algemene maatregel van bestuur

AVRO: Algemeene Vereeniging Radio Omroep

BNN: Bart News Network

CRM: (Ministerie van) Cultuur Recreatie en Maatschappelijk Werk

EDUCOM: Educatieve omroepinstelling

EG: Europese Gemeenschap

EO: Evangelische Omroep

EZ: (Ministerie van) Economische Zaken

Fin.: (Ministerie van) Financiën

HMG: Holland Media Groep

ICT: Informatie- en Communicatietechnologie

IKOR: Interkerkelijk Overleg in Radioaangelegenheden

IPO: Interprovinciaal Overleg

HCB: Handboek Cultuurbeleid

KB (kb): Koninklijk Besluit

KB: Koninklijke Bibliotheek

KPN: Koninklijke PTT Nederland N.V.

KRO: Katholieke Radio Omroep

MLB: (directie) Media Letteren en Bibliotheken

NBD: Stichting Nederlandse Bibliotheekdienst

NBLC: Nederlands Bibliotheek- en Lectuur Centrum

NCRV: Nederlandse Christelijke Radiovereniging

NDP: Nederlandse Dagbladpers

NICAM: Nederlands Instituut voor Classificatie van Audiovisuele Media

NLPV: Stichting Nederlands Literair Productie- en Vertalingenfonds

Nma: Nederlandse Mededingingsautoriteit

NOB: Nederlands Omroepproductie Bedrijf

NOS: (1967–1987 en 1994–): Nederlandse Omroep Stichting

NOS: (1987–1994): Nederlandse Omroepprogramma Stichting

NOZEMA: Nederlandse Omroep Zender Maatschappij

NPS: Nederlandse Programma Stichting

NRU: Stichting Nederlandse Radio Unie

NTS: Nederlandse Televisie Stichting

NUV: Nederlands Uitgevers Verbond

NVJ: Nederlandse Vereniging van Journalisten

OCenW: (Ministerie van) Onderwijs Cultuur en Wetenschappen

OKW: (Ministerie van) Onderwijs Kunsten en Wetenschappen

OPTA: Onafhankelijke Post- en Communicatieautoriteit

O&W: (Ministerie van) Onderwijs en Wetenschappen

PCB: Provinciale Bibliotheek Centrale

PIVOT: Project invoering verkorting overbrengingstermijn

PTT: Post Telegraaf en Telefoon

RABIN: Raad van Advies voor het bibliotheekwezen en de informatieverzorging

REM: Reclame Expliotatie Maatschappij

RIO: Rapport Institutioneel Onderzoek

RTL: Radio Televisie Luxemburg

RVU: Radio Volksuniversiteit

SBS6: SBS Broadcasting

Stb.: Staatsblad

Stcrt.: Staatscourant

STER: Stichting Ether Reclame

TK: Tweede Kamerstukken

VARA: Vereniging van Arbeiders Radio-amateurs

VOO: Veronica Omroep Organisatie

VPRO: Vrijzinnig Protestantse Radio Omroep

VenW: (Ministerie van) Verkeer en Waterstaat

WEM: Wet Economische Mededinging

Wereldomroep: Stichting Radio Nederland Wereldomroep

WVC: (Ministerie van) Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur

2. Inleiding

Het institutioneel onderzoek op het beleidsterrein media, letteren en bibliotheken, uitgevoerd binnen het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, in overeenstemming met de afspraken die bij convenant van 9 februari 1995 tussen de Loco Secretaris-Generaal van het Ministerie van OCenW en de Algemene Rijksarchivaris zijn gemaakt, heeft geleid tot het rapport Vrijheid van meningsuiting, gereguleerd gegarandeerd, een institutioneel onderzoek naar het handelen van overheidsorganen op het beleidsterrein Media, letteren en bibliotheken, 1945–1999. Het is opgesteld volgens de methode die is ontwikkeld door de Rijksarchiefdienst in het kader van het Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn (PIVOT) en beschrijft de taken en handelingen van alle actoren op het beleidsterrein media, letteren en bibliotheken.

Dit rapport vormt de basis voor het hier voorliggende concept basisselectiedocument (BSD). In dit BSD wordt de neerslag van de handelingen gewaardeerd, op basis waarvan de daadwerkelijke selectie van archiefbescheiden, zoals bedoeld in de Archiefwet 1995, uitgevoerd kan worden. Onder archiefbescheiden worden zowel de papieren bescheiden als gedigitaliseerde bescheiden verstaan; deze gedigitaliseerde bestanden vallen namelijk ook onder de Archiefwet 1995.

Tevens kan dit BSD dienen als leidraad bij de inrichting of herinrichting van de documentaire informatievoorziening.

Het BSD is als volgt samengesteld:

De vaststelling van het BSD geschiedt volgens de voorschriften van het Archiefbesluit.

Na verkregen instemming van alle actoren zal het ontwerp BSD met de voorgestelde waarderingen van de handelingen (bewaren of vernietigen en de vernietigingstermijnen) voor advies worden ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC). Elk hoofdstuk wordt beschouwd als een afzonderlijke selectielijst van de desbetreffende actor. Een verslag van dit schriftelijke instemmingsoverleg wordt met het ontwerp-BSD aan de RvC meegezonden.

Aan het overleg zal op verzoek ook een deskundige van de Archiefcommissie van het Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap deelnemen.

Voordat het ontwerp-BSD bij de RvS ingediend wordt, zal het eerst voor een periode van acht weken ter publieke inzage worden gelegd bij de registratiebalie van het Nationaal Archief en in de bibliotheken van het Ministerie van OCW en de rijksarchieven in de provincie, zoals zal worden aangekondigd in de Staatscourant en in het Archievenblad.

Na de ingewonnen adviezen zal het BSD door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap worden vastgesteld.

3. Verantwoording van het onderzoek

3.1 MLB

Het institutioneel onderzoek voor de beleidsterreinen media, letteren en bibliotheken, dat aan dit BSD ten grondslag ligt, beperkt zich in het overheidshandelen tot de wetgeving en het beleid uit de periode 1945–1999. Vanaf 1988 zijn deze beleidsterreinen aan één – gelijknamige – directie toevertrouwd. Vóór die tijd nam organisatorisch gezien niet alleen het mediabeleid een aparte plaats in ten opzichte van het letteren- en bibliotheekbeleid, maar hadden deze laatste twee beleidsterreinen zelf ook geheel gescheiden invalshoeken, namelijk de culturele aan de ene kant en de sociaal-culturele, vanuit het vormings- en ontwikkelingswerk, aan de andere.

Deze gescheiden ontwikkeling is vanuit wet- en regelgevingsoptiek natuurlijk niet van de ene op de andere dag, in 1988, teniet gedaan. De Mediawet en de Welzijnswet die de grondslag vormden voor het openbare bibliotheekwerk waren net, in 1987, in werking getreden en de steunverlening aan de letteren ging op de oude voet verder. Maar waar het letteren- en bibliotheekbeleid steeds meer raakvlakken gingen vertonen, afgezien van misschien al een zekere natuurlijke verwantschap, bleven de media toch een geheel eigen plaats innemen.

De Mediawet is met de daaruit voortvloeiende besluiten een allesomvattend stuk wetgeving die het gehele mediaveld bestrijkt. Dit zijn de persmedia (kranten, nieuwsbladen en tijdschriften) en de omroepmedia (radio en televisie). Hieronder worden tevens verstaan: nieuwe technieken voor de productie en distributie van – vooral elektronische – informatie.

In art. 1b van de Mediawet wordt dit kort en goed omschreven als: ‘alle gedrukte en elektronische vormen van massacommunicatie’.

In de Mediawet is vroegere regelgeving op deelterreinen is samengebracht.

Letteren en bibliotheken ontmoeten elkaar vooral op het stuk van de leenvergoeding die voor het eerst in de Welzijnswet van 1987 wordt geregeld. Via de Tijdelijke wet leenvergoeding komt deze regeling in 1995 in de Auteurswet 1912.

Overigens blijft de ondersteuning van de letteren als één van de scheppende kunsten geregeld in de Fondsenwet scheppende kunsten en vervolgens in de Wet specifiek cultuurbeleid.

Alles bijeengenomen was in het institioneel onderzoek niet te ontkomen aan een aparte behandeling van de media enerzijds en letteren en bibliotheken anderzijds.

De ontwikkelingen op het gebied van de media gaan sneller en zijn complexer dan die bij de andere deelbeleidsterreinen. Dit heeft ook gevolgen voor het tempo van de aanpassingen die nodig zijn op de beleidsterreinen media enerzijds en letteren en bibliotheken anderzijds vanaf 2000.

De instituties op het terrein van de media, letteren en bibliotheken die onderwerp van onderzoek zijn geweest, zijn beperkt tot overheidsinstellingen en de instellingen of personen aan wie een overheidstaak is toebedeeld. Dit zijn bijvoorbeeld door de overheid ingestelde rechtspersonen met een privaatrechtelijke rechtsvorm (bv. een stichting) alsmede de personen die namens deze optreden.

Buiten beschouwing blijven, ten aanzien van de media, de omroepverenigingen en -stichtingen gezien het overwegend privaatrechtelijk karakter ervan, gelet op de wijze van ontstaan en de taak die hen is toebedeeld.

3.2 Andere beleidsterreinen

Kunsten

Bij de afbakening van MLB met andere beleidsterreinen valt, althans wat letteren betreft, de begrenzing dan wel het raakvlak met het beleidsterrein Kunsten het meest in het oog. Als scheppende kunst staat letteren immers op één lijn met de andere scheppende kunsten als beeldende kunsten, de toonkunst, architectuur enz. De in verschillende opzichten parallel lopende beleidsuitgangspunten van letteren en bibliotheken én het sterk ‘mediale’ karakter van de uitoefening van deze discipline zijn overwegingen geweest om het deelbeleidsterrein letteren bij Media en Bibliotheken te trekken. Dat laat echter onverlet dat veel wet- en regelgeving die op de kunsten en de kunstbeoefening in het algemeen betrekking hebben onverkort ook van toepassing zijn op letteren. Dit geldt de Fondsenwet scheppende kunsten (Stb. 1981, 355), de Wet op het specifiek cultuurbeleid (Stb. 1993, 193) en het Bekostigingsbesluit cultuuruitingen (Stb. 1994, 473). Deze wetten worden in extenso behandeld in het Rapport Institutioneel Onderzoek (RIO) betreffende het beleidsterrein Kunsten: ‘Volgens de regelen der kunst’. Een institutioneel onderzoek naar het handelen van overheidsorganen op het beleidsterrein kunsten, 1965–1999 (PIVOT-rapport 71).

De adviesraden die zich bezighouden met het terrein van de letteren zijn de Raad voor de Kunst en zijn opvolger de Raad voor Cultuur. Voor de behandeling hiervan wordt verwezen naar het hiervoorgenoemde RIO Kunsten respectievelijk het RIO betreffende het beleidsterrein Cultuurbeheer: ‘Cultuurbeheer’. Een institutioneel onderzoek naar het cultuurbeheer van de rijksoverheid in de periode 1945–2000 (PIVOT-rapport 125).

Alleen voor zover hierin regelingen voorkomen die specifiek betrekking hebben op letteren worden deze hier behandeld. Dit is bijvoorbeeld het geval met de op grond van de Fondsenwet ingestelde letteren-, productie- en vertalingenfondsen.

Het mediabeleid, te beginnen met telefonie en telegrafie en later ook radio, was allereerst in handen van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Het waren immers ook transportmiddelen, ditmaal voor berichtenverkeer en als zodanig onderwerp van beleid en regelgeving van dit Ministerie. Het hielp de technische randvoorwaarden te verwezenlijken die nodig waren om dit verkeer, in het algemeen belang, mogelijk te maken, bereidde maatregelen voor en voerde ze uit om de diverse belangen op elkaar af te stemmen.

De Minister van Verkeer en Waterstaat was verantwoordelijk voor de eerste mediawet, de Telegraaf- en telefoonwet van 11-1-1904 (Stb. 7) en het Tijdelijk Telegraaf-, telefoon- en Radiobesluit van 1944 (Stb. E188). 1n 1948 ging zijn verantwoordelijkheid voor wat betreft de voorbereiding, samenstelling en uitvoering van voor het publiek bestemde radio- en televisieprogramma’s over op de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen.

Het beleidsterrein van de Minister van Verkeer en Waterstaat voor wat zijn aandeel in de telecommunicatie betreft wordt beschreven in het RIO ‘Telecommunicatie en post in Nederland’, 1945–1990. Een institutioneel onderzoek op het beleidsterrein telecommunicatie en post, 1945–1990 (PIVOT-publicatie nr. 4).

In dit BSD worden begrotingsaangelegenheden beschreven, voor zover het specifiek op het letterenbeleid en de uitvoering ervan betrekking heeft (subsidiëring, uitkeringen, prijzengelden). Voor de procedure van het vaststellen van de rijksbegroting voor het kunstenbeleid in het algemeen wordt verwezen naar het RIO ‘Per slot van rijksrekening’. Een institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein beheer van de rijksbegroting, 1940–1993 (PIVOT-publicatie nr. 15).

Het Ministerie van Justitie is verantwoordelijk voor de Auteurswet en de Wet op de naburige rechten. Met deze wetgeving wordt beoogd de creatieve prestaties op het gebied van letterkunde, wetenschap of kunst te beschermen door een vergoeding te geven aan de maker ervan voor de uitlening, duplicering en verhuur van hun werk. Dit is beschreven in het RIO ‘Ere wie ere toekomt’. Een institutioneel onderzoek naar het handelen van de overheid op het beleidsterrein auteursrecht, (1912) 1945–2000 (PIVOT-publicatie nr. 118).

Het bibliotheekbeleid valt uiteen in enerzijds de zorg voor het openbare bibliotheekwerk, gericht op en bestemd voor de algemene gebruiker en anderzijds het wetenschappelijke bibliotheekwerk, dat wordt uitgeoefend binnen wetenschappelijke instituten of verbonden is aan instellingen voor wetenschappelijk onderwijs en HBO. Als zodanig fungeren de bibliotheek van de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen (KNAW), de Koninklijke Bibliotheek (KB) en de Universiteits- en HBO-bibliotheken. De eerste twee bibliotheekinstellingen vallen onder de verantwoordelijkheid van de Minister voor Wetenschapsbeleid, voor de laatstgenoemde bibliotheken is de Minister van Onderwijs en Wetenschappen verantwoordelijk. Dit blijft onveranderd na de departementale herindeling in 1994; het beleidsterrein openbare bibliotheek, dat met ‘Cultuur’ naar Onderwijs en Wetenschappen was overgegaan, bleef onder Cultuur vallen.

De voornoemde beleidsterreinen Wetenschapsbeleid en Wetenschappelijk onderwijs worden in twee afzonderlijke Rapporten Onderzoek behandeld:

3.3 Bronnen

Als bronnen voor dit onderzoek zijn in de eerste plaats de wet- en regelgeving gebruikt op het gebied van de media vanaf de eerste op dit gebied fungerende wet van 1904, voor zover nog van kracht na 1945 tot de laatste wijzigingswet van de Mediawet uit 1999. Voor de bibliotheken gold tot 1975 nog de rijkssubsidieregeling 1921 (zoals gewijzigd in 1961). De eerste structurele (kader)wetgeving op het gebied van de letteren dateert pas van 1981.

Op Europees niveau zijn in dit BSD alleen Europese Richtlijnen bron voor het onderzoek. MLB-regelgeving die rechtstreekse werking heeft in de lidstaten van de Europese Unie zoals de Europese verordeningen van de Europese Commissie, is er (nog) niet.

Een volledig overzicht van de gebruikte wet- en regelgeving is in het laatste hoofdstuk opgenomen.

Deze gegevens werden aangevuld met informatie uit beleidsdocumenten en literatuur en informatie van personen die op dit beleidsterrein actief zijn (geweest). Deze informatie is verkregen uit interviews met en commentaren op het concept RIO van

Van de kant van het Nationaal Archief zijn commentaren ontvangen en verwerkt van

Voorts zijn opmerkingen ontvangen en verwerkt van:

3.4 Structuur van het onderzoek

Het institutioneel onderzoek volgde de richtlijn die voor onderzoeksrapporten in het kader van PIVOT is uitgezet. In hoofdstuk 4 volgt een overzicht van de ambtelijke organisatie waarbinnen de afdelingen fungeerden. Het vijfde hoofdstuk geeft een beschrijving van de belangrijkste organen en actoren die op de beleidsterreinen MLB in de periode vanaf 1945 een rol hebben gespeeld.

Na hoofdstuk 6 waarin een uiteenzetting wordt gegeven over selectie en selectielijsten volgt de Selectielijst met de handelingen op de beleidsterreinen Media en Letteren en Bibliotheken. Deze handelingen geven het geheel van taken en taakgebieden weer van de onderscheiden actoren. Bij het institutioneel onderzoek is van de systematiek van de Mediawet is gebruik gemaakt om alle vanaf 1945 voorkomende handelingen in een logisch verband samen te brengen. Alleen de handelingen die voortvloeien uit de wetgeving betreffende het perswezen van 1946–1987 vielen buiten deze systematiek. Vlak na de oorlog moest de zuivering van het perswezen worden geregeld en tot 1987, het jaar van de invoering van de Mediawet, droeg de perswetgeving daarvan de sporen. Pas in de Mediawet is de perswetgeving tot maatschappelijk proporties teruggebracht zodat een integraal media-wetgevingssysteem kon ontstaan waarin ook het perswezen een plaats kreeg.

Bij het samenstellen van het BSD is de systematiek vervangen door een hoofdstuksgewijze indeling van het BSD in selectielijsten per actor. De oorspronkelijke volgnummers van de handelingen zijn in het BSD overgenomen.

De bijlagen bevatten ten slotte het overzicht van de geraadpleegde wet- en regelgeving en van de geraadpleegde literatuur.

Tot slot een korte beschouwing omtrent handelingen betreffende het voorbereiden van amvb’s.

Bij deze handelingen gaat het om delegatie van diverse regelgeving door een bepaalde wet aan de Kroon, die zijn neerslag krijgt in één amvb.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.