Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Toezicht Verzekeringsbedrijf vanaf 1940 (Minister van Buitenlandse Zaken)
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 21 februari 2008 (nr. bca-2008.04435/2));
Besluiten:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Buitenlandse Zaken en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein Toezicht Verzekeringsbedrijf over de periode vanaf 1940’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Basisselectiedocument
Instrument voor de selectie – ter vernietiging dan wel blijvende bewaring – van de administratieve neerslag van de zorgdragers
Minister van Financiën
Minister van Justitie
Minister van Economische Zaken
Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
College van Beroep voor het Bedrijfsleven
Eindredactie: PWAA
Lijst van gebruikte afkortingen
BSD: Basis Selectiedocument
IZR: Interprovinciale Ziektekosten Regeling
SER: Sociaal Economische Raad
Wab: Wet Assurantiebemiddeling
Wabb: Wet Assurantiebemiddelingsbedrijf
WAM: Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
WOL: Wet op het Levensverzekeringbedrijf
WOS: Wet op het Schadeverzekeringsbedrijf
WTN: Wet toezicht natura-uitvaartverzekeringsbedrijf
WTS: Wet toezicht schadeverzekeringsbedrijf
WTV 1993: Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993
WTV: Wet toezicht verzekeringsbedrijf
WWTS: Wijzigingswet toezicht schadeverzekeringsbedrijf
Verantwoording
Doelstellingen van de overheid op het beleidsterrein
Een van de taken van de Minister van Financiën (en rechtsvoorganger de Minister van Justitie) is het reguleren van en het (doen) houden van toezicht op de financiële infrastructuur (instellingen en markten). In het kader hiervan regelt de Minister ook het toezicht op het verzekeringswezen.
Een van de belangrijkste redenen voor overheidstoezicht op het verzekeringsbedrijf is bescherming van de consument. Een andere reden voor toezicht op het verzekeringsbedrijf komt voort uit de belangrijke economische rol die verzekeraars spelen. Het verzekeringsbedrijf heeft zowel een stabiliserende als stimulerende functie in de economie. Vandaar dat de overheid ook uit overwegingen van algemeen belang toezicht houdt op de bedrijfstak.
Het toezichtstelsel zoals dat in Nederland met de Wet op het Levensverzekeringbedrijf (1922) geïmplementeerd werd, was een zogenaamd ‘normatief toezichtsysteem'. In dit systeem is een verzekeraar vrij in de uitoefening van zijn onderneming, maar verplicht bepaalde gegevens openbaar te maken zodat het publiek zich een beeld kan vormen van zijn financiële gezondheid. Deze openbaarheid wordt aangevuld met periodiek financieel toezicht achteraf door een toezichthouder, in dit geval de Verzekeringskamer. Verder worden toetredingsnormen tot de bedrijfstak vastgelegd in wetgeving, evenals de financiële eisen waaraan een verzekeraar moet voldoen om het verzekeringsbedrijf te mogen (blijven) uitoefenen.
Tegenover het normatief toezichtsysteem staat het ‘materieel toezichtsysteem’ waarbij een verzekeraar naast financiële rapportages achteraf, ook verplicht is vooraf zaken als polisvoorwaarden en premietarieven te laten goedkeuren door een toezichthouder. Hoewel het normatieve toezichtsysteem in Nederland ook in latere wetgeving gehandhaafd bleef, zijn er na de jaren zestig wel steeds meer materiële elementen ingeslopen. Te denken valt hierbij aan voor de hele bedrijfstak geldende voorschriften met betrekking tot beleggingslimieten voor activa en prudente actuariële grondslagen, en het vooraf toetsen van de deskundigheid en betrouwbaarheid van bestuurders en de geschiktheid van grote aandeelhouders in verzekeraars.1Vermaat & Oosenbrug (1994) 27, 30, 46.
Na de jaren zestig begon Europese regelgeving in toenemende mate een rol te spelen. Een van de doelstellingen van de Europese Economische Gemeenschap is het tot standbrengen van een Europese binnenmarkt voor financiële diensten (banken, effectenhuizen en verzekeringen).2Borchardt (1994) p. 8; Borchardt (1995) p. 25. Voor het verzekeringsbedrijf betekende dit (minimum)harmonisatie van de toezichtswetgeving van de verschillende Lid-Staten, neergelegd in drie generaties van Europese richtlijnen.3Vermaat & Oosenbrug (1994) 30. Nederland was verplicht deze richtlijnen in haar wetgeving te implementeren.4Verdrag van Rome van 25 maart 1957.
Een indirect gevolg van de totstandkoming van de Europese binnenmarkt was een sterke drang tot schaalvergroting. Dit leidde tot een golf van fusies en overnames, waardoor in eerste instantie grote nationale, maar later ook internationale verzekeringsgroepen ontstonden. Om adequaat toezicht op deze conglomeraten te kunnen uitoefenen, werd het preventief kunnen toetsen van zeggenschapsverhoudingen en financiële transacties binnen zo’n groep noodzakelijk geacht.5Vermaat & Oosenbrug (1994) 31–33.
Daarnaast ontstond er bij banken en verzekeraars een toenemende behoefte aan samenwerking. Dit laatste had gevolgen voor het zogenaamde structuurbeleid. Dit beleid zoals dat in Nederland sinds de jaren zeventig door de Nederlandsche Bank NV gevoerd werd, was gericht op het voorkomen van te grote machtsconcentraties en verstrengeling van risico’s in de Nederlandse financiële sector. In het begin had dit beleid vooral betrekking op de activiteiten van banken.6Zie hiervoor PIVOT-rapport ‘Geregeld Toezicht’. Na overleg tussen het Ministerie van Financiën, de Nederlandsche Bank NV, de Verzekeringskamer en de representatieve organisaties van het krediet- en verzekeringswezen, werd dit beleid in 1981 uitgebreid tot het verzekeringswezen. Het aanbrengen en handhaven van een scheiding tussen het bank- en verzekeringswezen werd toen als belangrijkste doel geformuleerd.7Zie voor het Memorandum inzake het ten aanzien van banken en verzekeringsmaatschappijen te voeren structuurbeleid en de wijzigingen daarin de brieven van de Minister van Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 14 mei 1981 (TK 1980–1981, 15612, nr. 5), 11 februari 1982 (TK 15612, no. 6), 29 december 1983 (TK 15612, no. 7) en 25 juni 1986 (1985–1986, 19200 Hoofdst.IXB, no. 43).
In de loop van de jaren tachtig werd het structuurbeleid geleidelijk verruimd totdat het per 1 januari 1990 definitief geliberaliseerd werd. Dit betekend niet dat het structuurtoezicht is opgeheven. Nog steeds wordt per geval getoetst of het samengaan van banken en verzekeraars zal leiden tot ongewenste ontwikkelingen in het bank- of verzekeringswezen.
Totstandkoming BSD en afbakening beleidsterrein
Dit basisselectiedocument (BSD) is gebasseerd op het PIVOT-rapport nr. 67 Toezicht Verzekerd, een institutioneel onderzoek naar het overheidshandelen op het beleidsterrein toezicht op het verzekeringsbedrijf, 1940–1996.
Dit BSD en het rapport zijn een gevolg van het op 25 juni 1992 gesloten convenant tussen de Secretaris-Generaal van het Ministerie van Financiën en de Algemene Rijksarchivaris. In dit convenant inzake de overbrenging en overdracht van na 1940 gevormde archieven, zijn afspraken gemaakt over het doen van institutioneel onderzoek ‘naar taakontwikkeling en de daaraan gekoppelde organisatorische ontwikkeling van het Ministerie in de periode na 1940’.
Het rapport beschrijft de taken en handelingen van de van de Minister van Financiën, zijn rechtsvoorganger de Minister van Justitie en andere actoren op het terrein van het toezicht op het verzekeringsbedrijf. In dit BSD wordt de neerslag van de handelingen gewaardeerd, op basis waarvan de daadwerkelijke selectie van archiefbescheiden uitgevoerd kan worden. Onder archiefbescheiden worden zowel de papieren bescheiden als de gedigitaliseerde bescheiden verstaan; deze gedigitaliseerde bescheiden vallen namelijk ook onder de archiefwet 1995.
De selectielijsten zijn opgesteld naar zorgdrager en daarna naar actor. Binnen de lijsten is, voor zover van toepassing, met koppen aangegeven waar in het RIO de betreffende handelingen zijn terug te vinden.
Met betrekking tot de koppen:
moet worden opgemerkt dat deze corresponderen met het de paragraaftitels van de deelbeleidsterreinen in het RIO. De jaartallen slaan niet op de activiteiten van de actor, maar geven de periode aan waarin het deelbeleidsterrein relevant was. Binnen de paragrafen in het RIO zijn de handelingen steeds thematisch geordend onder kopjes die voorzover van toepassing zijn overgenomen in de selectielijsten.
Aan het BSD zijn (ten opzichte van het RIO) enkele algemene handelingen toegevoegd. Deze handelingen zijn genummerd van 573 tot en met 581.
Doordat er algemene handelingen zijn opgenomen voor verschillende ministers, zijn een aantal handelingen uit het RIO en oorspronkelijke concept-BSD overbodig geworden. Deze handelingen zijn daarom uit het BSD verwijderd. Het gaat om de handelingen 1–8, 21–22, 32, 179–187, 213–214, 226, 230–231, 290–297, 306, 307–308, 317–322, 380–387, 402, 403–404, 421, 500–507, 517–519, 531.
Daarnaast zijn ook de handelingnummers 98, 99 en 100 verwijderd. Deze handelingen zijn hetzelfde als handeling 97. De handelingen zelf zijn dus gehandhaafd, maar hebben het nummer 97 gekregen.
De verwijderde handelingen zijn wel in het RIO blijven staan, omdat reeds gedrukte RIO’s niet meer worden aangepast. Om diezelfde reden zijn ook de algemene handelingen die zijn toegevoegd aan dit BSD, slechts opgenomen in dit BSD en niet opnieuw vastgesteld in het RIO. Bovendien is de aanvullende contextinformatie ook alleen in dit BSD terug te vinden.
Een groot aantal zorgdragers en actoren dat een rol speelt op het beleidsterrein en waarvoor handelingen in het RIO zijn opgenomen, zijn buiten dit BSD gelaten. Sommige actoren hebben de beschikking over een eigen selectielijst, voor andere actoren is een selectielijst in de maak. Het eerste geldt bijvoorbeeld voor de Kamers van Koophandel en fabrieken, waaronder ook de Commissie bijzondere maatregelen voor buitenlandse verzekeringsmaatschappijen (Stcrt. 2006/71), het College van Beroep voor het Bedrijfsleven en rechtsvoorganger het Scheidsgerecht voor het Bedrijfsleven (Stcrt. 2006/43) en de Sociaal Economische Raad (Stcrt. 1999/216). Onder de archiefzorg van de Sociaal Economische Raad vallen bovendien de actoren Commissie van toezicht vakbekwaamheidsexamens wet assurantiebemiddelingsbedrijf, Commissie vakproeven assurantiebemiddelingsbedrijf en ‘door de Minister van Financiën daartoe bevoegd verklaarde personen’.
De actor Stichting Examens Assurantiebedrijf is komen te vervallen, omdat het een onafhankelijke stichting is, waar de Minister van Financiën toezicht op houdt.
Voor de Nederlandsche Bank en de Pensioen- en Verzekeringskamer, een belangrijke actor op dit beleidsterrein, wordt momenteel een selectielijst vervaardigd. De actor Staatstdrukkerij- en Uitgeverijbedrijf is niet in dit BSD opgenomen, omdat de Archiefwet niet van toepassing is op deze Naamloze Vennootschap.
Vaststellingsprocedure
In 2007 is het ontwerp-BSD door ministers van Financiën, Justitie, Economische Zaken, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven aan de Minister van OC&W aangeboden, waarna deze het ter advisering heeft ingediend bij de Raad voor Cultuur (RvC).
Van het gevoerde driehoeksoverleg over de waarderingen van de handelingen is een verslag gemaakt, dat tegelijk met het BSD naar de RvC is verstuurd.
Vanaf 1 februari 2008 lag de selectielijst gedurende zes weken ter publieke inzage op de website van het Nationaal Archief, op de website van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en bij de informatiebalie in de studiezaal van het Nationaal Archief, , hetgeen was aangekondigd in de Staatscourant.
Op 21 februari 2008 bracht de RvC advies uit (bca-2008.04435/2), hetwelk aanleiding heeft gegeven tot de volgende wijzigingen in de ontwerp-selectielijst:
De waardering van handeling 433, handeling 434, handeling 435, handeling 42 en handeling 44 zijn aangepast conform de selectielijst P-direkt (Staatscourant 225 d.d. 20 november 2007).
Daarop werd het BSD op 5 maart 2008 door de waarnemend algemene rijksarchivaris, namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de ministers van Financiën (C/S&A/08/528), Justitie(C/S&A/08/529) , Economische Zaken(C/S&A/08/530) , Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties(C/S&A/08/531) , Sociale Zaken en Werkgelegenheid (C/S&A/08/532)en het College van Beroep voor het Bedrijfsleven(C/S&A/08/533) vastgesteld.
Selectiedoelstelling
In de productbeschrijving BSD van maart 2004 is de selectiedoelstelling van het Nationaal Archief als volgt verwoord. ‘De doelstelling van het Nationaal Archief bij de selectie van overheidsarchieven is dat de belangrijkste bronnen van de Nederlandse samenleving en cultuur veilig worden gesteld voor blijvende bewaring. Met het te bewaren materiaal moet het mogelijk zijn om een reconstructie te maken van de hoofdlijnen van het handelen van de rijksoverheid ten opzichte van haar omgeving, maar ook van de belangrijkste historisch-maatschappelijke gebeurtenissen en ontwikkelingen, voor zover deze zijn te reconstrueren uit overheidsarchieven.’
Selectiecriteria
De selectiedoelstelling van de Rijksarchiefdienst is dat met de te bewaren gegevens een reconstructie van het handelen van de rijksoverheid op hoofdlijnen ten opzichte van haar omgeving mogelijk moet zijn. Daartoe worden de bronnen om deze reconstructie mogelijk te maken voor blijvende bewaring veilig gesteld.
Om de selectiedoelstelling te realiseren, worden 6 selectiecriteria gebruikt om tot een waardering te komen:
Handelingen die worden gewaardeerd met B(ewaren)
Handelingen die betrekking hebben op voorbereiding en bepaling van beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan agendavorming, het analyseren van informatie, het formuleren van adviezen met het oog op toekomstig beleid, het ontwerpen van beleid of het plannen van dat beleid, alsmede het nemen van beslissingen over de inhoud van beleid en terugkoppeling van beleid. Dit omvat het kiezen en specificeren van de doeleinden en de instrumenten.
Handelingen die betrekking hebben op evaluatie van beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan het beschrijven en beoordelen van de inhoud, het proces of de effecten van beleid. Hieronder valt ook het toetsen van en het toezien op beleid. Hieruit worden niet perse consequenties getrokken zoals bij terugkoppeling van beleid.
Handelingen die betrekking hebben op verantwoording van beleid op hoofdlijnen aan andere actoren
Toelichting: Hieronder valt tevens het uitbrengen van verslag over beleid op hoofdlijnen aan andere actoren of ter publicatie.
Handelingen die betrekking hebben op (her)inrichting van organisaties belast met beleid op hoofdlijnen
Toelichting: Hieronder wordt verstaan het instellen, wijzigen of opheffen van organen, organisaties of onderdelen daarvan.
Handelingen die bepalend zijn voor de wijze waarop beleidsuitvoering op hoofdlijnen plaatsvindt
Toelichting: Onder beleidsuitvoering wordt verstaan het toepassen van instrumenten om de gekozen doeleinden te bereiken.
Handelingen die betrekking hebben op beleidsuitvoering op hoofdlijnen en direct zijn gerelateerd aan of direct voortvloeien uit voor het Koninkrijk der Nederlanden bijzondere tijdsomstandigheden en incidenten
Toelichting: Bijvoorbeeld in het geval de ministeriële verantwoordelijkheid is opgeheven en/of wanneer er sprake is van oorlogstoestand, staat van beleg of toepassing van noodwetgeving.
Ingevolge artikel 5, onder e, van het Archiefbesluit 1995 kan neerslag van bepaalde, als te vernietigen gewaardeerde handelingen betreffende personen en/of gebeurtenissen van bijzonder cultureel of maatschappelijk belang, van vernietiging worden uitgezonderd.
De onderzoeksperiode van dit BSD begint in 1940, daarom komen in dit BSD handelingen voor die beginnen in 1940 en doorlopen tot ver na de oorlog. Deze handelingen zijn vaak gewaardeerd met V(ernietigen), maar worden voor de perdiode 1940-1945 gewaardeerd met B(ewaren).
Actorenoverzicht
Voorzover bekend is tussen haakjes aangegeven wanneer de actor (binnen de onderzoeksperiode) actief was op het beleidsterrein verzekeringswezen.
De Minister van Financiën was vanaf 1945 verantwoordelijk voor het toezicht op onderlinge molestverzekeraars. In 1952 kreeg hij de verantwoordelijkheid voor het assurantiebemiddelingsbedrijf en in 1963 voor het schadeverzekeringsbedrijf. Op grond van het laatste was de Minister medeverantwoordelijk voor het beleid met betrekking tot de Verzekeringskamer. Sinds 1980 is de Minister primair verantwoordelijk voor het hele verzekeringsbedrijf. Hij draagt zorg voor de totstandkoming, wijziging en intrekking van wet- en regelgeving en is verantwoordelijk voor de coördinatie van het beleid. Hij is verantwoordelijk voor de informatievoorziening aan de Kroon en de Staten-Generaal. Sinds 1986 is de Minister politiek verantwoordelijk voor de Verzekeringskamer. De handelingen van de Secretaris-Generaal voor Financiën gedurende de bezettingsperiode zijn in een aparte lijst opgenomen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.