Rijkswet van 25 februari 2008, houdende regeling van de taken en bevoegdheden, alsmede het beheer en beleid van de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba (Rijkswet Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba)

Type Rijkswet
Publication 2010-10-10
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om, gelet op artikel 38, eerste, tweede en derde lid, alsmede op artikel 3, eerste lid, onder a en b, van het Statuut voor het Koninkrijk, te voorzien in een structurele regeling betreffende de Kustwacht voor de Nederlandse Antillen en Aruba;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State van het Koninkrijk gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, de bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1
1.

In deze rijkswet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur, op voordracht van Onze Minister, worden regels vastgesteld met betrekking tot de uiterlijke kentekenen van kustwachtschepen en kustwachtluchtvaartuigen.

3.

Voor de toepassing van deze rijkswet gelden Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten elk afzonderlijk als een rechtsgebied.

4.

Het bij of krachtens deze rijkswet bepaalde met betrekking tot kustwachtschepen onderscheidenlijk vaartuigen en hun opvarenden is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot kustwachtluchtvaartuigen onderscheidenlijk luchtvaartuigen en hun bemanningsleden.

Hoofdstuk II. Taken en bevoegdheden

Artikel 2
1.

Er is een Kustwacht voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten alsmede voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

2.

De Kustwacht is belast met toezichthoudende en opsporingstaken alsmede met dienstverlenende taken, welke in ondergeschiktheid aan het bevoegd gezag worden uitgevoerd.

3.

De toezichthoudende en opsporingstaken zijn:

4.

De dienstverlenende taken zijn:

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de in dit artikel bedoelde taken van de Kustwacht.

Artikel 3

De Kustwacht oefent haar taken uit in de volgende wateren en het luchtruim daarboven:

Artikel 4
1.

Ter uitvoering van de toezichthoudende en opsporingstaken is de door Onze Minister aangewezen commandant bevoegd van een gezagvoerder te vorderen:

2.

Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden vastgesteld omtrent de wijze waarop de vorderingen, bedoeld in het eerste lid, worden gedaan.

Artikel 5
1.

Voor zover zulks redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van de toezichthoudende en opsporingstaken zijn de commandant en de door hem aangewezen opvarenden bevoegd:

2.

De houder van de zaken, bedoeld in het eerste lid, onder c, d en e is alsdan verplicht op eerste vordering van de in het eerste lid genoemde personen medewerking te verlenen overeenkomstig de hem door deze personen gegeven aanwijzingen en, indien door hen gevorderd, de nodige hulpmiddelen en bijstand kosteloos te verlenen.

3.

Wordt aan een van de in het tweede lid vermelde verplichtingen niet voldaan, dan kunnen de personen, bedoeld in het eerste lid, op kosten en risico van de houder in het nodige voorzien. Tot verhaal van de kosten, bedoeld in de vorige volzin, zijn de landen van het Koninkrijk gelijkelijk bevoegd.

Artikel 6

Voor zover de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 5 eerste lid, aanhef en onder a, betreft het binnentreden van een plaats in gebruik als woonverblijf, zijn de artikelen 162 en 163 van het Wetboek van Strafvordering van Aruba, Curaçao, onderscheidenlijk Sint Maarten van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7
1.

Voor zover zulks redelijkerwijs nodig is voor de uitoefening van de toezichthoudende en opsporingstaken zijn de commandant en de door hem aangewezen opvarenden bevoegd:

2.

Bij regeling van Onze Minister na overleg met de betrokken ministers kunnen regels worden vastgesteld ten aanzien van het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onder b.

Artikel 8

De commandant is bevoegd de maatregelen te treffen welke naar zijn redelijk oordeel noodzakelijk zijn om feitelijke nakoming van de vorderingen, in dit hoofdstuk bedoeld, te verzekeren.

Artikel 9

Kustwachtschepen zijn bevoegd tot uitoefening van het achtervolgingsrecht, bedoeld in artikel 111 van het zeerechtverdrag. De in dat artikel omschreven bevelen en signalen worden slechts gegeven door of op aanwijzing van de commandant.

Artikel 10
1.

De commandant en de door hem aangewezen opvarenden zijn bevoegd om in de rechtmatige uitoefening van bevoegdheden ter uitvoering van de taken van de Kustwacht, geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Aan het gebruik van geweld gaat zo mogelijk een waarschuwing vooraf.

2.

De uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, dient in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd te zijn.

3.

Bij algemene maatregel van rijksbestuur, op voordracht van Onze Minister, worden regels vastgesteld over het gebruik van geweld of vrijheidsbeperkende middelen, bedoeld in het eerste en tweede lid.

Artikel 11

De bevoegdheden bij deze wet toegekend ten behoeve van de uitoefening van de in artikel 2, derde lid, bedoelde taken kunnen buiten de territoriale zee van de landen van het Koninkrijk worden uitgeoefend voorzover het volkenrecht en het interregionale recht dit toelaten.

Hoofdstuk III. Beheer, beleid en gezag

Artikel 12
1.

Er is een kustwachtcommissie, die tot taak heeft het beleidsplan, het operationeel jaarplan, de begroting, het jaarverslag en de jaarlijkse financiële verantwoording van de Kustwacht voor te bereiden ten behoeve van de indiening door Onze Minister bij de Raad van Ministers van het Koninkrijk.

2.

De kustwachtcommissie is samengesteld uit ambtelijke vertegenwoordigers van de bij de taakuitoefening van de Kustwacht betrokken Ministers van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten.

3.

Er is een presidium van de kustwachtcommissie. De landen zijn hierin op voet van gelijkwaardigheid vertegenwoordigd. Het presidium verricht de afstemming van de hoofdlijnen van het beleid, het beheer en de middelen. Het presidium bereidt ten behoeve van de kustwachtcommissie de in het eerste lid genoemde documenten voor en regelt het voorzitterschap.

4.

Er is een secretariaat van de kustwachtcommissie. Onze Minister benoemt de algemeen secretaris.

Artikel 13
1.

De landen van het Koninkrijk dragen gezamenlijk de financiële middelen bij ten behoeve van de Kustwacht.

2.

De Raad van Ministers van het Koninkrijk stelt, onverminderd artikel 14, het beleid voor de Kustwacht met betrekking tot de uitoefening van haar taken vast.

3.

De Raad van Ministers van het Koninkrijk stelt daartoe de in artikel 12, eerste lid, genoemde documenten vast.

4.

Onze Minister draagt, na instemming van Onze Minister voor Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties, zorg voor het indienen bij de Raad van Ministers van het Koninkrijk van de in artikel 12, eerste lid genoemde documenten. Onze Minister gaat niet tot indiening van de genoemde documenten over dan nadat de bij de taakuitoefening van de Kustwacht betrokken ministers van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze daarover aan hem kenbaar te maken.

5.

Het presidium ziet toe op de uitvoering van het beleidsplan en het in acht nemen van de begroting.

Artikel 14
1.

Onze Ministers van Justitie van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten voeren regelmatig overleg over het justitieel beleid ten behoeve van de uitoefening van de taken van de Kustwacht en stellen dit beleid gezamenlijk vast.

2.

Voorstellen voor het justitieel beleid kunnen worden gedaan door het overleg van de procureurs-generaal van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en een lid van het college van procureurs-generaal in Nederland.

3.

Bij gebrek aan overeenstemming tussen Onze Ministers van Justitie beslist de Raad van Ministers van het Koninkrijk.

Artikel 15
1.

Onze Minister is binnen de overeengekomen budgettaire randvoorwaarden verantwoordelijk voor het beheer en de inrichting van de Kustwacht alsmede de wijze waarop de taken door de Kustwacht worden uitgevoerd, zoals vastgelegd in het beleidsplan en het operationeel jaarplan.

2.

De directeur van de Kustwacht is belast met de algehele leiding van de Kustwacht. Deze functie wordt vervuld door de Commandant der Zeemacht in het Caribisch gebied.

3.

Onze Minister stelt in het Caribisch gebied aanwezige defensiemiddelen en defensiepersoneel ter beschikking van de Kustwacht voor zover deze voor de taakuitoefening van de Kustwacht geschikt zijn en deze niet voor andere defensietaken behoeven te worden ingezet.

Artikel 16
1.

Onze bij de taakuitoefening van de Kustwacht betrokken Ministers van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dragen er zorg voor dat de directeur en het personeel van de Kustwacht toezichthoudende en opsporingsbevoegdheid wordt verleend die nodig is voor de goede uitoefening van de taken van de Kustwacht.

2.

De bij de taakuitoefening van de Kustwacht betrokken Ministers van Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, alsmede de onder hen ressorterende diensten, verschaffen aan de directeur de inlichtingen die nodig zijn voor een goede uitoefening van de taken van de Kustwacht.

Artikel 17
1.

Bij landsbesluit kunnen aanwijzingen inzake de uitvoering van toezichthoudende en dienstverlenende taken worden gegeven. Ten aanzien van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba worden deze aanwijzingen bij algemene maatregel van bestuur vastgesteld.

2.

De procureur-generaal van het betrokken land kan inzake de uitvoering van opsporingstaken rechtstreeks aanwijzingen geven.

3.

De directeur van de Kustwacht volgt de aanwijzingen van het bevoegd gezag met betrekking tot de uitvoering van de toezichthoudende, opsporings- en dienstverlenende taken op.

Artikel 18

De Gouverneur van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten, dan wel het bestuurscollege van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, is bevoegd in geval van rampen, ongevallen en storingen in het verkeer of de verbindingen, welke geen samenhang vertonen met andere verstoringen van de inwendige veiligheid of de openbare orde, delen van de Kustwacht ter beschikking te stellen van de regering van Aruba, Curaçao onderscheidenlijk Sint Maarten. In andere noodgevallen gebeurt zulks niet dan in overleg met Onze Minister.

Artikel 19

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.