Regeling van de Minister van Justitie van 15 april 2008, nr. 5526399/08, houdende nadere regels betreffende de eisen met betrekking tot de kennis van en het inzicht in het strafrecht waaraan moet worden voldaan voor benoeming als rechterlijk ambtenaar bij het openbaar ministerie in geval van toepasselijkheid van artikel 38c, vierde lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren (Regeling nadere beroepsvereisten rechterlijke ambtenaren bij het openbaar ministerie)

Type Ministeriële regeling
Publication 2011-09-24
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 38c, vijfde lid, van Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren;

Besluit:

Artikel 1

In geval van toepasselijkheid van artikel 2a, vierde lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren dient voor een benoeming als rechterlijk ambtenaar, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, onder 5° tot en met 7°, van de Wet op de rechterlijke organisatie, kennis van en inzicht in het strafrecht, met inbegrip van het strafprocesrecht, te zijn verkregen door het met goed gevolg afgelegd hebben van tentamens voor de volgende door een universiteit als bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, aangeboden:

Artikel 2

Deze regeling treedt in werking met ingang van 15 april 2008.

Artikel 3

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling nadere beroepsvereisten rechterlijke ambtenaren bij het openbaar ministerie.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant geplaatst worden.

Artikel 1a

Deze regeling berust op artikel 2a, vijfde lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenaren.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant geplaatst worden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.