Wet van 1 april 2008, houdende regels over de parlementaire enquête (Wet op de parlementaire enquête 2008)
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, mede gelet op artikel 70 van de Grondwet, wenselijk is de huidige Wet op de Parlementaire Enquête te moderniseren en te vervangen door een nieuwe Wet op de parlementaire enquête, onder meer met het oog op de uitbreiding en verduidelijking van de bevoegdheden van de enquêtecommissie en met het oog op de verbetering en verduidelijking van de positie van personen die verplicht zijn tot medewerking aan een parlementaire enquête, de samenloop met ander onderzoek en de regeling van de openbaarheid dan wel vertrouwelijkheid bij een parlementaire enquête;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Hoofdstuk 1. Algemene bepaling
Artikel 1
In deze wet wordt verstaan onder:
- a. Kamer: Eerste Kamer, Tweede Kamer of de verenigde vergadering der Staten-Generaal;
- b. commissie: commissie als bedoeld in artikel 2, tweede lid;
- c. document: schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.
In deze wet wordt mede verstaan onder ambtenaar: de ambtenaar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van de Wet ambtenaren defensie en de dienstplichtige als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Kaderwet dienstplicht.
Hoofdstuk 2. De instelling van een parlementaire enquête
Artikel 2
De Kamer kan op voorstel van één of meer leden besluiten een parlementaire enquête te houden.
Een parlementaire enquête wordt uitgevoerd door een commissie van de Kamer.
Het besluit tot het houden van een parlementaire enquête bevat een omschrijving van het onderwerp waarop de parlementaire enquête betrekking zal hebben. De Kamer kan, al dan niet op voorstel van de commissie die de parlementaire enquête verricht, de omschrijving wijzigen.
De Kamer benoemt de leden van de commissie uit haar midden. De Kamer kan een lid van de commissie, al dan niet op zijn verzoek, in zijn hoedanigheid van lid van de commissie ontslaan.
De voorzitter van de Kamer doet van de besluiten, bedoeld in dit artikel, mededeling in de Staatscourant.
Artikel 3
De Kamer stelt de raming op van de uitgaven, uitgesplitst naar begrotingsjaren, die naar haar oordeel voor een parlementaire enquête nodig zijn, en brengt deze ter kennis van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
De uitgaven worden verwerkt in de begroting van de Staten-Generaal, bedoeld in artikel 4.5 van de Comptabiliteitswet 2016.
Hoofdstuk 3. De bevoegdheden van de commissie
Paragraaf 1. Algemene bepaling
Artikel 4
De commissie kan de haar bij deze wet verleende bevoegdheden uitoefenen met ingang van de dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het besluit tot het houden van een parlementaire enquête bekend is gemaakt tot de dag met ingang waarvan de enquête door de Kamer wordt beëindigd.
De commissie oefent de haar bij deze wet verleende bevoegdheden slechts uit voor zover dat naar het redelijk oordeel van de commissie voor de vervulling van haar taak nodig is.
De bevoegdheden en werkzaamheden van de commissie worden niet beëindigd door het verstrijken van de zittingsduur of de ontbinding van de Kamer.
De commissie kan persoonsgegevens, waaronder tevens worden begrepen gegevens betreffende de gezondheid en justitiële en strafvorderlijke gegevens, verwerken.
Paragraaf 2. De bevoegdheden van de enquêtecommissie
Artikel 5
De commissie kan schriftelijke inlichtingen vorderen.
De commissie kan de wijze waarop de schriftelijke inlichtingen worden verstrekt bepalen.
Artikel 6
De commissie kan afschrift van, inzage in of kennisneming van documenten vorderen.
De commissie kan bepalen op welke wijze afschriften worden verstrekt, inzage wordt gegeven onderscheidenlijk kennisneming wordt verleend.
Artikel 7
De commissie kan, zonder toestemming van de rechthebbende, met de door haar aangewezen personen elke plaats in Nederland, daaronder begrepen de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, betreden.
In afwijking van het eerste lid is voor het betreden van woningen toestemming van de bewoner of een machtiging vereist. In afwijking van artikel 3 van de Algemene wet op het binnentreden is de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag bevoegd tot het verlenen van de machtiging. De artikelen 25, eerste lid, tweede volzin, tot en met 27 zijn van toepassing op de verlening van de machtiging.
De commissie geeft, voor zover dit niet in strijd is met het belang van de parlementaire enquête, schriftelijk kennis aan de rechthebbende van een plaats van een voornemen een plaats te betreden. Indien sprake is van verhuur, dan wordt de kennisgeving gegeven aan de huurder.
De leden van de commissie en de door haar aangewezen personen dragen bij het betreden van de plaats een legitimatiebewijs bij zich, dat is uitgegeven door de voorzitter van de Kamer. Zij tonen het legitimatiebewijs desgevraagd aanstonds.
De commissie maakt een schriftelijk verslag op van het betreden van een plaats.
Voor de toepassing van dit artikel is de Algemene wet op het binnentreden tevens van toepassing in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Artikel 8
De commissie kan een besloten voorgesprek houden met personen die zij mogelijk als getuige of deskundige zal horen.
Niemand is verplicht om medewerking te verlenen aan een voorgesprek. Artikel 14 is niet van toepassing.
De leden van de commissie bewaren geheimhouding over hetgeen hun tijdens het voorgesprek ter kennis komt.
Hetgeen een persoon met wie de commissie een voorgesprek heeft gehouden of zijn bijstandsverlener, tijdens het voorgesprek ter kennis komt, wordt niet openbaar gemaakt.
Van het voorgesprek worden een vertrouwelijke geluidsregistratie en een vertrouwelijk verslag gemaakt.
Artikel 9
De commissie kan personen als getuige of deskundige horen.
De commissie kan een getuige of deskundige uitsluitend horen, indien ten minste drie leden aanwezig zijn.
Paragraaf 3. Bijzondere bepalingen ten aanzien van de bevoegdheid van de commissie getuigen en deskundigen te horen
Artikel 10
De voorzitter van de commissie roept een persoon die zij als getuige of deskundige wil horen bij aangetekende brief op, hetzij in persoon, hetzij op de woonplaats, hetzij op het werkadres van de persoon. De voorzitter kan de oproeping bij deurwaardersexploot doen betekenen.
Het verhoor vindt niet eerder plaats dan op de achtste dag na de ontvangst van de oproeping.
De oproeping maakt melding van dag, uur en plaats van het verhoor, van de feiten waaromtrent informatie wordt verlangd en van de gevolgen, verbonden aan het niet verschijnen op het verhoor.
In afwijking van het tweede lid kan de commissie bepalen dat het verhoor eerder plaats vindt dan op de achtste dag na ontvangst van de oproeping, indien:
- a. naar het redelijk oordeel van de commissie in het belang van de parlementaire enquête een verhoor op een kortere termijn nodig is, of
- b. de betrokken getuige of deskundige met een kortere termijn instemt.
Artikel 11
Een getuige of deskundige wordt in een openbare zitting van de commissie gehoord.
De commissie kan, al dan niet op verzoek van de getuige of deskundige, om gewichtige redenen besluiten dat van een openbare zitting geen beeld- of geluidsregistraties door derden mogen worden gemaakt.
Van een openbare zitting worden een geluidsregistratie en een openbaar verslag gemaakt.
Artikel 12
De commissie kan, al dan niet op verzoek van de getuige of deskundige, om gewichtige redenen besluiten een verhoor of een gedeelte daarvan in een besloten zitting van de commissie af te nemen.
De leden van de commissie bewaren geheimhouding over hetgeen hun tijdens de besloten zitting ter kennis komt.
Van een besloten zitting worden een vertrouwelijke geluidsregistratie en een vertrouwelijk verslag gemaakt.
Artikel 13
Voorafgaande aan het verhoor legt een getuige, mits deze de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, in handen van de voorzitter de eed of de belofte af dat hij de gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen, tenzij de commissie besluit het verhoor zonder voorafgaande eed of belofte te doen plaatsvinden.
Voorafgaand aan het verhoor legt een deskundige in handen van de voorzitter de eed of de belofte af dat hij zijn verslag onpartijdig en naar beste weten zal uitbrengen.
Hoofdstuk 4. De positie van personen die verplicht zijn medewerking te verlenen aan een parlementaire enquête
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Artikel 14
Elke Nederlander, elke ingezetene van Nederland, elke natuurlijke persoon die in Nederland verblijf houdt, elke rechtspersoon die in Nederland is gevestigd en elke rechtspersoon die haar bedrijfsactiviteiten geheel of gedeeltelijk in Nederland uitoefent, is verplicht de commissie binnen de door haar gestelde termijn alle medewerking te verlenen die deze vordert bij de uitoefening van de haar bij deze wet verleende bevoegdheden, behoudens de mogelijkheid van verschoning overeenkomstig de artikelen 19 tot en met 24.
In dit artikel worden onder Nederland mede begrepen: de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Voor de toepassing van het eerste lid worden zij die als ingezetene zijn ingeschreven in de basisregistratie personen of in de basisadministratie persoonsgegevens van een van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba, geacht ingezetene van Nederland te zijn.
Artikel 15
De verplichting tot medewerking geldt eveneens voor degene voor wie een verplichting tot geheimhouding geldt, ook indien deze verplichting bij wet is opgelegd, behoudens de mogelijkheid van verschoning overeenkomstig de artikelen 19 tot en met 24.
Degene die bij wet verplicht is tot geheimhouding en ten behoeve van een ander werkzaam is of is geweest, is slechts verplicht tot medewerking voor zover de persoon ten behoeve van wie hij werkzaam is of is geweest, hem op vordering van de commissie schriftelijk van de verplichting tot geheimhouding heeft ontheven. Indien de commissie ontheffing van de geheimhoudingsverplichting vordert, is de persoon ten behoeve van wie hij werkzaam is of is geweest, verplicht deze ontheffing te verlenen, behoudens de mogelijkheid van verschoning overeenkomstig de artikelen 19 tot en met 24.
Artikel 16
Een ambtenaar die ten behoeve van een minister werkzaam is of is geweest, verleent ten aanzien van informatie die betrekking heeft op de periode van zijn ambtsvervulling uitsluitend door tussenkomst van Onze Minister wie het aangaat medewerking aan een vordering van de commissie als bedoeld in artikel 5 of 6.
Artikel 17
Een ieder kan zich in het verkeer met de commissie doen bijstaan.
De commissie kan om gewichtige redenen besluiten dat iemand zich tijdens een voorgesprek of een verhoor niet mag laten bijstaan.
De commissie stelt de betrokkene onverwijld van een weigering in kennis.
Artikel 18
Voor een vergoeding van de commissie overeenkomstig het krachtens artikel 26 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken bepaalde komen in aanmerking:
- a. personen met wie de commissie een voorgesprek heeft gehouden, en
- b. personen die de commissie heeft gehoord.
Paragraaf 2. Verschoningsgronden
Artikel 19
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.