Besluit van 24 juni 2008 tot vaststelling van regels ten aanzien van tegemoetkomingen en vergoedingen voor reis-, verblijf- en verhuiskosten van de politie (Besluit reis-, verblijf-, en verhuiskosten politie)

Type AMvB
Publication 2025-09-23
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 30 mei 2008, nummer 2008-0000229974, directoraat-generaal Veiligheid, directie Politie, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid;

Gelet op artikel 50, eerste lid, van de Politiewet 1993;

De Raad van State gehoord (advies van 18 juni 2008, nr. W04.08.0203/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 19 juni 2008, nr. 2008-0000278080, directoraat-generaal Veiligheid, directie Politie, afdeling Arbeidsvoorwaardenbeleid;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

In dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel 2. Samenloop

Indien uit anderen hoofde aanspraak bestaat op een tegemoetkoming, vergoeding of voorziening voor de in dit besluit bedoelde uitgaven, wordt de tegemoetkoming, vergoeding of voorziening, bedoeld in dit besluit, slechts toegekend tot het bedrag, waarmee deze de eerstbedoelde aanspraak overschrijdt.

Hoofdstuk II. Woon-werkverkeer

§ 1. Algemeen

Artikel 3. Aanspraak
1.

De ambtenaar heeft aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten voor het dagelijks reizen tussen:

2.

De ambtenaar kan voor de reizen, bedoeld in het eerste lid, onder de voorwaarden genoemd in dit besluit aanspraak maken op een tegemoetkoming in de kosten voor:

§ 2. Reizen met openbaar vervoer

Artikel 4. Openbaar vervoer
1.

Voor reizen, als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdelen a en c, verstrekt het bevoegd gezag een vervoersbewijs op basis van het tarief van de tweede klasse.

2.

Indien de ambtenaar een vervoersbewijs wenst op basis van eerste klasse of indien de ambtenaar een vervoersbewijs wenst welke ruimere mogelijkheden biedt dan bedoeld in het eerste lid, komen de meerkosten hiervan voor rekening van de ambtenaar.

3.

Behalve voor de reizen, bedoeld in het eerste lid, gebruikt de ambtenaar het vervoersbewijs ter voldoening van de gemaakte kosten voor:

4.

In het geval de ambtenaar niet beschikt over het vervoersbewijs, bedoeld in het eerste lid, kan het bevoegd gezag de ambtenaar de door hem op grond van het eerste en derde lid gemaakte kosten vergoeden.

Artikel 5. Berekening en procedures bij reizen met openbaar vervoer
1.

De ambtenaar, aan wie een tegemoetkoming of een vervoersbewijs is verstrekt als bedoeld in artikel 4 dient zijn vervoersbewijzen direct na afloop van de geldigheid in te leveren bij het bevoegd gezag.

2.

De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, dient wijzigingen die van invloed zijn op het vervoersbewijs of de hoogte van de tegemoetkoming onverwijld en schriftelijk door te geven aan het bevoegd gezag.

3.

Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, nalaat de wijzigingen, bedoeld in het tweede lid, niet uiterlijk de eerste van de maand waarin de wijziging plaatsvindt door te geven, kan het bevoegd gezag de teveel gemaakte kosten terugvorderen, tenzij de ambtenaar aannemelijk heeft kunnen maken dat hij niet in staat was de wijziging tijdig door te geven.

4.

Indien de ambtenaar, aan wie een vervoersbewijs is verstrekt als bedoeld in het eerste lid, voorziet dat hij twee maanden of langer afwezig is, wordt het verstrekte vervoersbewijs of combinatie van vervoersbewijzen vóór de periode van afwezigheid ingeleverd bij het bevoegd gezag.

5.

Indien de ambtenaar, aan wie een vervoersbewijs is verstrekt als bedoeld in het eerste lid, onvoorzien langer dan twee maanden afwezig is, wordt het verstrekte vervoersbewijs of combinatie van vervoersbewijzen direct na twee maanden van afwezigheid ingeleverd bij het bevoegd gezag.

6.

Indien de afwezigheid van de ambtenaar wordt veroorzaakt door de dienst, draagt het bevoegd gezag zorg voor inname van het vervoersbewijs.

7.

Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, gebruik maakt van het openbaar vervoer wordt de reistijd boven een halfuur enkele reis aangemerkt als diensttijd, mits de ambtenaar aannemelijk heeft kunnen maken dat er werkzaamheden worden verricht.

§ 3. Reizen met eigen vervoer al of niet in combinatie met openbaar vervoer

Artikel 6. Eigen vervoer al of niet in combinatie met openbaar vervoer
1.

Voor reizen waarbij gebruik wordt gemaakt van eigen vervoer, wordt voor woon-werkverkeer een tegemoetkoming van € 0,23 per afgelegde kilometer verstrekt. Voor iedere combinatie van reizen met openbaar vervoer en reizen met eigen vervoer, wordt voor de afzonderlijke delen een vergoeding toegekend, gelijk aan de voor eigen vervoer en openbaar vervoer vastgestelde vergoedingen.

2.

Voor de tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, geldt een maximum van 300 kilometer per enkele reis.

3.

In afwijking van het tweede lid geldt voor de ambtenaar, die geleider is van een surveillancehond of een politiespeurhond, die niet de beschikking heeft over een dienstvoertuig, en voor wie het noodzakelijk is dat hij in het kader van zijn dienstuitoefening met een surveillancehond of een politiespeurhond met eigen vervoer reist, voor de afstand tussen de woning en de plaats van tewerkstelling of oefenterrein het maximum van 300 km niet.

4.

Indien één van de trajecten als bedoeld in artikel 3, eerste lid, leidt over een brug, veer of weg waarvoor brug-, veer-, of tolgeld moet worden betaald, worden de daarvoor werkelijk gemaakte kosten volledig vergoed op basis van overgelegde bewijsstukken.

5.

De tegemoetkoming voor reizen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, bedraagt ten hoogste het bedrag van de tegemoetkoming voor reizen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a.

6.

Bij ministeriële regeling kan in geval van een reorganisatie als bedoeld in hoofdstuk VII.b van het Besluit algemene rechtspositie politie, van de beperking van het maximum aantal kilometers enkele reis, zoals bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken ter voorkoming van negatieve financiële gevolgen voor de ambtenaar.

Artikel 7. Berekening en procedure eigen vervoer al of niet in combinatie met openbaar vervoer
1.

De tegemoetkoming, bedoeld in artikel 6, wordt toegekend op declaratiebasis, tenzij het bevoegd gezag bepaalt dat de tegemoetkoming als vaste tegemoetkoming per maand wordt toegekend.

2.

Bij de berekening van de vaste tegemoetkoming, bedoeld in het eerste lid, wordt bij een gemiddelde werkweek van vijf dagen uitgegaan van 206 werkdagen per kalenderjaar.

3.

Indien het aantal te werken dagen minder is dan vijf, wordt de vaste tegemoetkoming berekend naar rato.

4.

In het geval er sprake is van meerdere plaatsen van tewerkstelling, als bedoeld in artikel 10, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie wordt de vaste tegemoetkoming per dienst bepaald door een gemiddelde afstand die de ambtenaar in een periode van vier weken moet afleggen.

5.

Het bevoegd gezag kan van de termijn, bedoeld in het vierde lid, bij een aspirant, afwijken indien het meer voor de hand ligt om het gemiddelde per kwartiel te berekenen.

6.

De vaste tegemoetkoming wordt stopgezet:

7.

De ambtenaar dient wijzigingen die van invloed zijn op de vaste tegemoetkoming onverwijld en schriftelijk door te geven aan het bevoegd gezag.

8.

Het bevoegd gezag kan de te veel betaalde tegemoetkoming terugvorderen, indien de ambtenaar nalaat de wijzigingen, bedoeld in het zevende lid, niet uiterlijk de eerste van de maand waarin de wijziging plaatsvindt door te geven, tenzij de ambtenaar aannemelijk heeft kunnen maken dat hij niet in staat was de wijziging tijdig door te geven.

9.

Geen aanspraak op tegemoetkoming dan wel een vergoeding in reiskosten bestaat indien de aanvraag of de declaratie van de in een kalendermaand gemaakte kosten niet binnen drie maanden na die kalendermaand bij het bevoegd gezag is ingediend, tenzij het overschrijden van de termijn niet aan de ambtenaar verwijtbaar is.

Hoofdstuk III. Dienstreizen

§ 1. Dienstreizen binnenland

Artikel 8. Dienstreis
1.

Onder dienstreis wordt in deze paragraaf verstaan: het door de ambtenaar, in het kader van zijn werkzaamheden, reizen en verblijven binnen Nederland en buiten de plaats van tewerkstelling, tenzij de ambtenaar kiest om zijn werkzaamheden te verrichten op een andere locatie dan de plaats van tewerkstelling.

2.

Indien aan de ambtenaar meerdere plaatsen van tewerkstelling zijn aangewezen op grond van artikel 10, derde lid, van het Besluit algemene rechtspositie politie, wordt wanneer de ambtenaar binnen één dienst reist tussen de aangewezen plaatsen van tewerkstelling, deze reis aangemerkt als dienstreis. De dienstreis eindigt in dit geval op het moment dat de ambtenaar zijn andere plaats van tewerkstelling heeft bereikt.

3.

Dienstreizen die binnen Nederland zijn begonnen, waarbij het reisgedeelte buiten Nederland gering is, of waarbij de grensoverschrijding niet leidt tot uitgaven voor maaltijden of overnachting in het buitenland worden eveneens aangemerkt als dienstreis.

Artikel 9. Begin- en eindpunt van de dienstreis
1.

Voor de tegemoetkoming in reis- en verblijfkosten wordt uitgegaan van de plaats van tewerkstelling als begin- en eindpunt van een dienstreis.

2.

Het bevoegd gezag kan van het gestelde in het eerste lid afwijken door de woning van de ambtenaar als begin- en/of eindpunt van de dienstreis aan te wijzen.

Artikel 10. Dienstreis met beschikbaar gesteld vervoer
1.

Wordt de dienstreis gemaakt met een door de dienst beschikbaar gesteld vervoermiddel, dan heeft de ambtenaar geen aanspraak op een tegemoetkoming in de reiskosten.

2.

Het bevoegd gezag en de ambtenaar kunnen overeenkomen dat het door de dienst beschikbaar gesteld vervoermiddel, bedoeld in het eerste lid, een fiets is.

3.

Het bevoegd gezag kan bepalen dat de ambtenaar tijdens de dienstreis gebruik maakt van een door het bevoegd gezag gehuurd vervoermiddel of een taxi. De hieraan verbonden kosten worden aan de ambtenaar vergoed op basis van overgelegde bewijsstukken.

4.

Indien de ambtenaar gebruik maakt van een dienstvoertuig of een door de dienst gehuurd vervoermiddel en er tijdens de dienstreis parkeer-, brug-, tol-, of veerkosten worden gemaakt, worden de gemaakte kosten volledig vergoed op basis van overgelegde bewijsstukken.

Artikel 11. Dienstreis met openbaar vervoer
1.

Indien er geen door de dienst beschikbaar gesteld vervoermiddel voorhanden is, wordt de dienstreis met openbaar vervoer gemaakt met gebruikmaking van het vervoersbewijs, bedoeld in artikel 4, eerste lid. De ambtenaar kan gebruikmaken van de eerste vervoersklasse.

2.

Indien het noodzakelijk is, dat tijdens een dienstreis vóór of na gebruik van het openbaar vervoer gebruik wordt gemaakt van een taxi of eigen vervoer, worden deze kosten eveneens vergoed.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.