Besluit vaststelling selectielijst neerslag handelingen beleidsterrein Gezondheid en welzijn van dieren vanaf 1945 (Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit)
Gelet op artikel 5, tweede lid, onder b, van de Archiefwet 1995;
De Raad voor Cultuur gehoord (advies van de Raad voor Cultuur van 18 maart 2008 nr. bca-2008.04829/2);
Besluiten:
Artikel 1
De bij dit besluit gevoegde ‘selectielijst voor de neerslag van de handelingen van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de onder hem ressorterende actoren op het beleidsterrein ‘Gezondheid en welzijn van dieren’ over de periode vanaf 1945’ en de daarbij behorende toelichting worden vastgesteld.
Artikel 2
Uit de ‘lijst Gezondheid en welzijn van dieren’ (vastgesteld bij beschikking van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, nr. [nr. beschikking] d.d. [datum] (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 63 d.d. 31 maart 2003 en Staatscourant nr. 64 d.d. 1 april 2003)) worden de volgende handelingen ingetrokken:
127, 187, 203, 207, 209, 230, 247, 262, 264, 268, 631, 57, 65, 79, 90, 92, 96, 97, 113, 119, 125, 128-140, 144-146, 153, 155, 156, 162, 163, 170-171, 174, 178, 180-181, 188, 189, 190, 194-195, 200, 204, 208, 219, 242, 253, 256, 266-267, 271, 276, 279, 280, 298, 321, 345, 447, 477, 491, 494, 508, 533, 534, 540.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst.
Basisselectiedocument voor de administratieve neerslag van de zorgdrager
Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
op het beleidsterrein Gezondheid en welzijn van dieren
over de periode vanaf 1945
ACTUALISATIE
Digital display (Rob van Disseldorp / mr. Peter Brand) in opdracht van Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en van de Voedsel- en Warenautoriteit (VWA)
Versie juni 2008
1. Lijst van afkortingen
AID: Algemene Inspectiedienst
AMvB: Algemene maatregel van bestuur
APR: Adviescommissie Product Registratie
art.: artikel
BBD: Bureau Bijwerkingen Diergeneesmiddelen
BD: Bureau Diergeneesmiddelen
BRD: Bureau Registratie Diergeneesmiddelen
BSD: Basis selectie document
BSE: bovine spongieuze encefalopathie
CAS: Centrale Archief Selectiedienst
CBG: College voor de Beoordeling van Geneesmiddelen
CDI: Centraal Diergeneeskundig Instituut
CMD(v): Coordination group for Mutual recognition and Decentralised procedures (veterinary)
CRD: Commissie Registratie Diergeneesmiddelen
CRM: (minister(ie) van) Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk
CVO: Chief Veterinary Officer
CVMP: Committee for Veterinary Medicinal Products = Europees Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik
DLO: Dienst Landbouwkundig onderzoek
EEG: Europese Economische Gemeenschap
EER: Europese Economische Ruimte
EG: Europese Gemeenschappen (vanaf 1993)
EHS: Economische Hoofdstructuur
EMEA: European Medicines Agency
EU: Europese Unie
EZ: (ministerie van) Economische Zaken
GVE: Groot Vee Eenheid. Rekeneenheid voor vee waarbij bijvoorbeeld runderen/eenhoevigen = 1 GVE zijn; varken = 0,33 GVE en schaap = 0,15 GVE.
GWWD: Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
ID-DLO: Instituut voor Dierhouderij en Diergezondheid
IKB: Integrale Ketenbeheersing
KB: Koninklijk Besluit
KI: Kunstmatige inseminatie
KNHG: Koninklijk Nederlands Historisch Genootschap
LenV: 1960–1989 (ministerie van) Landbouw en Visserij
LNV: 1989–2003 (ministerie van) Landbouw, Natuur en Visserij 2003– (ministerie van) Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit
MB: Ministerieel besluit
NA: Nationaal Archief
NBOR: (hoofd)directie Natuurbescherming en Openluchtrecreatie
OCW: (minister(ie) van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (voorheen: Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen)
OIE: Office International des Epizoöties
OKW: (minister(ie) van) Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen
Pb: Publikatieblad (van de EG)
PBO: Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie/PBO blad
PCVD: Permanent Comité voor de Voedselketen en Diergezondheid = Standing Committee on the Food Chain and Animal Health (SCFCAH)
PIVOT: Project Invoering Verkorting Overbrengingstermijn
PWAA: Project Wegwerken Archiefachterstanden
RAD: Rijksarchiefdienst
RIO: Rapport institutioneel onderzoek
RVV: Rijksdienst voor (de keuring van) Vee en Vlees
Stb.: Staatsblad
Stcrt.: Staatscourant
TK: Tweede Kamer (Kamerstukaanduiding)
VenW: (ministerie van) Verkeer en Waterstaat
VbBo: Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie
VD: Veeartsenijkundige Dienst/ Veterinaire Dienst
VMRFG: Veterinary Mutual Recognition Facilitation Group
VoMil: (minister(ie) van) Volksgezondheid en Milieuhygiëne
VROM: (minister(ie) van) Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
VWS: (minister(ie) van) Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Wet Bo: Wet op de Bedrijfsorganisatie
WVC: (ministerie van) Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur
2. Inleiding en verantwoording
2.1. Doel en werking van het Basis Selectiedocument
Een Basis Selectiedocument (BSD) is een bijzondere vorm van een selectielijst. In de regel heeft een BSD niet zozeer betrekking op (alle) archiefbescheiden van één (enkele) organisatie, als wel op het geheel van de bescheiden die de administratieve neerslag vormen van het overheidshandelen op een bepaald beleidsterrein.
Het BSD geldt dus voor de archiefbescheiden van verschillende overheidsorganen (veelal ook diverse zorgdragers), en wel voor zover de desbetreffende actoren op het terrein in kwestie werkzaam zijn (geweest). Dit betekent dat er geen handelingen van particuliere actoren worden opgenomen.
Een BSD wordt normaliter opgesteld op basis van institutioneel onderzoek. In het rapport institutioneel onderzoek (RIO) wordt dan het betreffende beleidsterrein beschreven, evenals de taken en bevoegdheden van de betrokken organen. De handelingen van de overheid op het beleidsterrein staan in het RIO in hun functionele context geplaatst. In het BSD zijn de handelingen overgenomen, alleen nu geordend naar de actor. Bovendien is bij elke handeling aangegeven of de administratieve neerslag hiervan bewaard dan wel vernietigd moet worden.
Door de beleidsterreingerichte benadering komen verschillende aspecten betreffende het beheer van de eigen organisatie van de zorgdrager (personeelsbeleid, financieel beleid, etc.) niet aan bod. Voor het selecteren van de administratieve neerslag die betrekking heeft op de instandhouding en ontwikkeling van de eigen organisaties van overheidsorganen dienen een aantal zogeheten ‘horizontale’ BSD’s. Deze horizontale BSD’s zijn van toepassing op alle organisaties van de rijksoverheid.
Het niveau waarop geselecteerd wordt, is dus niet dat van de stukken zelf, maar dat van de handelingen waarvan die archiefbescheiden de administratieve neerslag vormen. Een BSD is derhalve geen opsomming van (categorieën) stukken, maar een lijst van handelingen van overheidsactoren, waarbij elke handeling is voorzien van een waardering en indien van toepassing een vernietigingstermijn.
2.1.1. Doel en werking van de actualisatie van het Basis Selectiedocument
In 2003 werd de selectielijst voor Gezondheid en welzijn van dieren vastgesteld voor het ministerie van LNV als zorgdrager (Stcrt 2003/63). In 2007 volgde een aanvulling (Stcrt 2007/105) van één handeling.
Deze actualisatie van de selectielijst is een aanvulling, in het bijzonder voor de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) en de voorganger Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV). De Voedsel en Waren Autoriteit is op 10 juli 2002 opgericht. De VWA valt beheersmatig onder het ministerie van LNV. Het ministerie van LNV is de zorgdrager voor alle documentaire neerslag van de VWA. Voor de VWA zijn nieuwe handelingen geformuleerd: vanaf 699.
Alle reeds vastgestelde handelingen voor de Rijksdienst voor de keuring van Vee en Vlees (RVV) zijn opnieuw opgenomen. Daarvan zijn soms de vernietigingstermijnen aangepast en is er een opmerking geplaatst.
Ook van de minister van LNV zijn handelingen uit de reeds vastgestelde selectielijst overgenomen. In een enkel geval zijn handelingen verplaatst van de actor RVV naar de actor LNV.
2.2. De definitie van het beleidsterrein
Het beleidsterrein Gezondheid en Welzijn van Dieren richt zich op de bescherming van de gezondheid en het welzijn van individuele dieren die afhankelijk zijn van de mens, vanuit hun eigen waarde en vanuit de waarde voor de mens.
2.3. Totstandkoming van het BSD
In een eerder traject was er sprake van een organisatiespecifieke selectielijst voor de VWA én rechtsvoorgangers vanaf 1945. Daartoe werd Digital display de opdracht gegeven: na een grondige analyse van de door de VWA uitgevoerde processen bleek dat de huidige (concept)lijsten niet volledig waren en niet goed aansluiten op de huidige bedrijfsvoering, werkprocessen en documentaire neerslag van de VWA. De geactualiseerde handelingen sluiten beter aan bij de (werk)processen die de organisatie uitvoert en de archieven die de VWA beheert. De handelingen zijn zo goed bruikbaar is voor de selectie van archieven. De handelingen uit dit BSD zullen, net als die van Voedings- en productveiligheid en die van Verslavingsbeleid, worden opgenomen in het ordeningsplan dat voor de VWA zal worden opgesteld.
Van de organisatiespecifieke lijst was sprake in het reeds vastgestelde BSD Voedsel- en productveiligheid (Stc. 2007/ 47). Uiteindelijk is daar geen toestemming voor verleend. De VWA is een agentschap en ressorteert onder het zorgdragerschap van LNV. De handelingen die de VWA (en haar voorlopers) uitvoert moeten in bestaande BSD-beleidsterreinen ondergebracht worden, te weten:
Daarnaast vallen handelingen van de VWA onder bestaande (vastgestelde) selectielijsten, zoals Algemeen LNV-beleid (PIVOT-rapport 165) en BSDs met betrekking tot ondersteunende handelingen (personeel, voorlichting, organisatie rijksoverheid, etc.).
Primaire zorgdrager voor het BSD Voedings- en productveiligheid en voor het BSD Verslavingszorg ligt bij het ministerie van VWS. Het BSD Gezondheid en welzijn van dieren en het BSD Algemeen LNV-beleid vallen onder het primaire zorgdragerschap van het ministerie van LNV.
3. De Voedsel en Warenautoriteit in context
3.1.1. Missie
De missie van de Voedsel en Waren Autoriteit is: werken aan zichtbare risicoreductie op het gebied van voedsel en consumentenproducten met betrekking tot volksgezondheid en dierenwelzijn.
De VWA draagt dus bij aan het beheersen en verminderen van gezondheids- en veiligheidsrisico’s. De VWA bewaakt hiervoor de veiligheid van voedsel, consumentenartikelen en diergezondheid in de hele productie- en handelsketen.
3.1.2. Taken
De VWA wil haar missie realiseren door het uitoefenen van drie kerntaken, die samen de strategische driehoek vormen:
Naast deze drie kerntaken houdt de VWA zich ook bezig met incidenten- en calamiteitenmanagement, het adviseren van de minister over het beleid en het onderhouden van internationale contacten.
De VWA bewaakt de veiligheid van voedsel en consumentenproducten en de gezondheid van dieren. Medewerkers van de VWA controleren daarom of bedrijven en instellingen zich wel aan de geldende wetten en regels houden. Dat doen zij bij alle onderdelen van de productieketen, van grondstof en hulpstof tot eindproduct of consumptie.
De VWA beoordeelt mogelijke risico’s op basis van wetenschappelijke kennis en ervaring. Hoe eerder een risico gesignaleerd wordt, hoe beter de VWA hierop kan inspelen. Voorbeelden van zulke risico’s zijn biologische veranderingen van ziekteverwekkende organismen of nieuwe chemische of technologische technieken en producten.
Risicocommunicatie is het uitwisselen van informatie over bestaande en gesignaleerde risico’s. Het doel is te komen tot het beheersen en verminderen van risico’s. Natuurlijk doet de VWA dit op basis van betrouwbare, wetenschappelijk verantwoorde informatie.
Soms gaat het toch mis. Een fout in het productieproces, bedorven voedsel, een risico zit soms in een klein hoekje. De VWA is het centrale meldpunt voor consumenten, bedrijven, laboratoria, maar ook voor de Europese Commissie en andere landen. De VWA kan goed inschatten hoe groot het risico van een klacht of melding is. Op basis van die inschatting onderneemt de VWA verdere actie. Naar de producent, de importeur, de handelaar, maar ook richting de consument.
De ministers van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) zijn de opdrachtgevers van de VWA. Zij zijn dus primair politiek verantwoordelijk voor de taken van de VWA. De VWA brengt adviezen uit aan de ministers van VWS en LNV. De adviezen hebben betrekking op de effecten, kwaliteit en uitvoerbaarheid van wet- en regelgeving. Maar ook op de normstellingen voor de veiligheid van voedsel, waren en dierziektes.
Internationale contacten zijn voor de VWA belangrijk. De veiligheid van voedsel en waren stopt niet bij de landsgrenzen. Daarnaast vindt de wet- en regelgeving op het werkterrein van de VWA sinds jaren zijn oorsprong op Europees niveau in Brussel. Op internationaal niveau heeft de VWA met verschillende partijen te maken.
3.2. Handhaving van wet- en regelgeving door de VWA
De VWA is belast met de handhaving van de bij of krachtens een aantal wetten gestelde voorschriften. Onder andere deze wet- en regelgeving vormt de juridische basis van de werkzaamheden van de Voedsel en Waren Autoriteit:
3.3. Geschiedenis van de VWA en haar rechtsvoorgangers
De Voedsel en Waren Autoriteit is op 10 juli 2002 opgericht. Bij de Tweede Kamer en betrokken maatschappelijke organisaties was er sterke behoefte aan één krachtige organisatie op het gebied van voedsel- en productveiligheid. Dit was het gevolg van een aantal crises en incidenten op het gebied van voedselveiligheid.
Ook internationale ontwikkelingen vroegen om een autoriteit: een partij die de integrale verantwoordelijkheid kan dragen voor zowel het toezicht als voor de risicobeoordeling en risicocommunicatie.
In 2002 werden de Keuringsdienst van Waren (KvW) en de Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees (RVV) ondergebracht in de nieuwe VWA. Deze twee organisaties hebben tot 2006 als werkmaatschappijen gewerkt binnen de VWA. Sinds 1 januari 2006 zijn KvW en RVV gefuseerd tot één agentschap: de Voedsel en Waren Autoriteit.
De VWA functioneert onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). De opdrachtgevers zijn het ministerie van LNV en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).
3.3.1. De periode tot 1985
De keuring van vlees was aan het begin van de twintigste eeuw een aangelegenheid van de consument zelf. Dit paste in het liberale gedachtegoed van die tijd. In die tijd bestonden er al wel gemeentelijke keuringsdiensten van waren. De eerste gemeentelijke keuringsdienst van waren is al in 1858 door de gemeente Amsterdam opgericht. De doelstelling van die keuringsdienst was het controleren van drinkwater dat bestemd was voor de consument. Een groot aantal steden volgde het voorbeeld van Amsterdam met de oprichting van zo’n keuringsdienst.
De afwezigheid van een landelijke keuring betekende echter toch een gevaar voor de volksgezondheid. Er zijn verhalen bekend van particulieren die hun reeds rottende kadavers inleverden bij de plaatselijke worstfabriek, zonder dat er hierbij enige vorm van keuring of controle aan te pas kwam.
Mede hierdoor veranderde de houding van de overheid langzaam. In 1902 kwam er een facultatieve keuring van exportvlees die in 1907 werd omgezet in een verplichte keuring.
De eerste wet die eisen stelde aan de kwaliteit van vlees en vleesproducten was de in 1919 vastgestelde Vleeskeuringswet (Stb. 1919, 524), die in 1922 volledig in werking trad.
De Vleeskeuringswet kwam tot stand in de periode na de mislukte opstand van Troelstra, die een poging deed om in Nederland een revolutie van de grond te krijgen. Als reactie daarop maakte de Nederlandse regering grote haast met het opzetten van sociale wetgeving.
Ondanks het feit dat als algemeen doel van de Vleeskeuringswet werd geformuleerd het weren van ondeugdelijk vlees, diende de wet tevens om belemmeringen in de vleeshandel op te heffen, die ontstaan waren door verschillen in gemeentelijke verordeningen. De Veterinaire Inspectie van de Volksgezondheid hield toezicht op de naleving van de Vleeskeuringswet.
Een eerste echte wettelijke regeling voor het keuren van waren kwam er na de Eerste Wereldoorlog. Tijdens deze oorlog kwamen surrogaten meer en meer in zwang en werd er vaak minderwaardig en schadelijk voedsel verkocht aan voornamelijk de minst draagkrachtigen. Deze bittere ervaring resulteerde in de Warenwet van 1919 (Stb. 581), die in beginsel tot doel had, de bescherming van de volksgezondheid en de bevordering van de eerlijkheid in de handel.
Maar in de Warenwetgeving werden niet alleen voorschriften opgenomen over de veiligheid en samenstelling van levensmiddelen, maar op grond van het Besluit van 26 maart 1921 (Stb. 1921, 638) ‘tot aanwijzing van artikelen, welke volgens artikel 1, van de Warenwet 1919 (Stb. 1919, 581) zullen worden beschouwd als ‘waren’ in de zin der wet’, werden ook grondstoffen voor de bereiding van levensmiddelen opgenomen en ook alle artikelen die bestemd waren om te worden gebruikt voor het verpakken van levensmiddelen. Diverse materialen, stoffen en producten die weinig met levensmiddelen te maken hebben, zoals behangsels, zowel van papier als van andere grondstof vervaardigd, meubelstof en gordijnstof, kinderspeelgoed, caoutchoucartikelen voor zover zij gebruikt worden voor de voeding van kinderen, toilet- en cosmetische artikelen, eet- en drinkgerei en gasmaskers, kapok en beddengoed,etc. moesten tevens voldoen aan eisen die de Warenwet stelde.
Met het in werking treden van de Warenwet werd het voor de overheid mogelijk om keuringsgebieden vast te leggen en dus gemeenten te verplichten om een keuringsdienst in te stellen of de werkzaamheden van zo’n dienst te ondersteunen. Het toezicht op de naleving van de Warenwet kwam te liggen bij deze gemeentelijke keuringsdiensten van waren.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.