Verordening van het Productschap Tuinbouw van 26 september 2000, houdende de vaststelling van een bestemmingsheffing ten behoeve van maatregelen gericht op verbetering van de energie-efficiëntie voor het jaar 2001 (Verordening PT heffing verbruik aardgas 2001)

Type Pbo
Publication 2008-06-29
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

op voorstel van de Sectorcommissie voor energie;

gelet op artikel 126 van de Wet op de bedrijfsorganisatie en op de artikelen 14, 15 en 19 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998;

besluit:

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1
1.

In deze verordening worden overgenomen de begripsbepalingen van de artikelen 2 en 3 van de Instellingsverordening Productschap Tuinbouw 1998.

2.

In deze verordening wordt verstaan onder:

a. productschap: het Productschap Tuinbouw;
b. bestuur: het bestuur van het productschap;
c. voorzitter: de voorzitter van het productschap;
d. onderneming: de onderneming waarvoor het productschap is ingesteld;
e. ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die de onderneming drijft;
f. heffingsplichtige: de ondernemer die ingevolge deze heffingsverordening heffing verschuldigd is.
g. energiebedrijf: het energiebedrijf waarvan de heffingsplichtige aardgas of warmte afneemt;
h. groeiproces van tuinbouwproducten: het groeiproces van tuinbouwproducten als bedoeld in de beschikking van de staatssecretaris van Financiën, inzake de toepassing van post a 32 van de bij de Wet op de Omzetbelasting 1968 behorende tabel I;
i. warmte/kracht-installatie: een voorziening, strekkende tot gecombineerde opwekking van warme en kracht, waarbij de daarbij opgewekte warmte wordt aangewend ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten, door het installeren van krachtwerktuigen en daarbij behorende voorzieningen;
j. indirect aardgasverbruik: het door de heffingsplichtige afnemen van warmte van het energiebedrijf, waarbij deze warmte is vrijgekomen door verbranding van aardgas;
k. aardgasequivalent: een in m3 aardgas omgerekende hoeveelheid energie, waarbij 1 equivalent gelijk is aan 1 m3 aardgas.

§ 2. Heffingsplicht

Artikel 2

De ondernemer die gedurende het jaar 2001 tenminste 30.000 m3 aardgas op directe of indirecte wijze verbruikt voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten is aan het productschap over dat jaar een heffing verschuldigd ten behoeve van de financiering van maatregelen gericht op verbetering van de energie-efficiëntie.

§ 3. Grondslag en hoogte

Artikel 3

De heffing wordt berekend naar de door het energiebedrijf gefactureerde hoeveelheid m3 aardgas of aardgasequivalent die gedurende een bepaalde periode is verbruikt voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten, afhankelijk van de wijze waarop het energiebedrijf het definitief toegerekende verbruik heeft gefactureerd:

Artikel 4
1.

De heffing, te berekenen overeenkomstig artikel 3, bedraagt ten hoogste 0,75 cent per m3 aardgas.

2.

Het bedrag van de heffing per m3 aardgas wordt door het bestuur vastgesteld.

Artikel 5
1.

In afwijking van de artikelen 2 en 3 wordt terzake van de heffingsplichtige die eigenaar is van een warmte/kracht-installatie ten behoeve van de tuinbouwonderneming de heffing berekend over 70% van de door het energiebedrijf gefactureerde hoeveelheid m3 aardgas of aardgasequivalent, verbruikt voor verwarming ter bevordering van het groeiproces van tuinbouwproducten.

2.

In het geval dat de situatie in zijn onderneming vergelijkbaar is met de situatie waar het eerste lid betrekking op heeft, kan de voorzitter op verzoek van de heffingsplichtige besluiten het eerste lid van overeenkomstige toepassing te verklaren.

§ 3. Oplegging en inning

Artikel 6

Indien de heffingsplichtige de gegevens die hem krachtens deze verordening of de Verordening PT Algemene bepalingen ten behoeve van de onderhavige verordening zijn gevraagd, niet, niet tijdig of niet volledig verstrekt, wordt de heffing berekend over de dan te ramen omvang van de grondslag die op de heffingsplichtige ingevolge deze verordening van toepassing is, in welk geval de heffing met ƒ 90,– wordt verhoogd in verband met administratiekosten.

Artikel 7
1.

De oplegging van de krachtens deze verordening verschuldigde heffing vindt plaats na afloop van het jaar waarover de heffing verschuldigd is en geschiedt door toezending of uitreiking aan de heffingsplichtige van een heffingsnota.

2.

Iedere heffingsnota is gedagtekend en bevat:

3.

In afwijking van het eerste lid kan de heffingsplichtige een voorlopige heffing worden opgelegd tot het bedrag waarop de heffing vermoedelijk zal worden vastgesteld. De voorlopige heffing wordt verrekend met de krachtens deze verordening verschuldigde heffing.

4.

De voorzitter kan de in het derde lid bedoelde voorlopige aanslag inkleden in een uitnodiging periodiek voorschotten te voldoen op de krachtens deze verordening verschuldigde heffing.

Bedoelde periodieke voorschotten zullen door het energiebedrijf op basis van en tegelijk met de maandelijkse (voorschot) facturering van het verbruikte aardgas aan de heffingsplichtige in rekening worden gebracht. Door betaling van dit voorschot op de krachtens deze verordening verschuldigde heffing aan het energiebedrijf, dat te dezer zake optreedt als gemachtigde van het Productschap Tuinbouw, is de heffingsplichtige gekweten voor wat betreft de voorlopige aanslag.

Artikel 8

Indien uit de ter beschikking gekomen gegevens blijkt dat de verstrekking van de gegevens of een raming als bedoeld in artikel 6, niet in overeenstemming is met de werkelijkheid, kan een opgelegde heffing aan de hand van deze gegevens worden herzien en opnieuw worden opgelegd.

Artikel 9
1.

Betaling geschiedt binnen 30 dagen na dagtekening van de heffingsnota.

2.

In afwijking van het eerste lid is de nota terstond invorderbaar:

3.

Indien sprake is van voorschotten als bedoeld in artikel 7, vierde lid, geschiedt betaling binnen de door het energiebedrijf aangegeven periode.

Artikel 10

Aan de heffingsplichtige, die niet of niet geheel binnen de in artikel 9 bedoelde termijn heeft betaald, kunnen de daaruit voortvloeiende extra kosten van maximaal ƒ 50,– in rekening worden gebracht, alsmede de wettelijke interest over het niet betaalde bedrag, te berekenen vanaf de dag waarop de betaling diende te zijn verricht ingevolge de aanmaning bedoeld in artikel 127, tweede lid van de Wet op de bedrijfsorganisatie.

Artikel 11

De voorzitter is belast met het opleggen van de aanslagen en de voorlopige aanslagen.

§ 4. Slotbepalingen

Artikel 12
1.

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening PT heffing verbruik aardgas 2001.

2.

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2001.

3.

Indien het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie waarin deze verordening wordt geplaatst, wordt uitgegeven na 31 december 2000 treedt zij in werking met ingang van de dag na de datum van publicatie in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie waarin zij wordt geplaatst en werkt zij terug tot en met 1 januari 2001.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.