Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 14 juli 2008, nr. WJZ 8086374, houdende regels ten aanzien van het afnemen van examens ten behoeve van frequentiegebruik (Examenregeling frequentiegebruik 2008)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 11, eerste lid, onder b en c, en tweede lid, en 20, eerste lid, van het Frequentiebesluit en gelet op de artikelen 5 en 6 van het Besluit vergoedingen Telecommunicatiewet;

Besluit:

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2
1.

De minister:

2.

De minister:

Artikel 3

Vervallen

Artikel 4
1.

Indien een kandidaat zich schuldig heeft gemaakt aan onregelmatigheden voor, tijdens of na een examen, kan de minister het examen van de desbetreffende kandidaat ongeldig verklaren.

2.

Indien feiten of omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de minister beslissen dat het examen geheel of gedeeltelijk opnieuw moet worden afgenomen.

3.

De minister informeert de betrokken kandidaat over de verdere gang van zaken met betrekking tot het geconstateerde voorval binnen een redelijke termijn na de datum waarop de minister het besluit, bedoeld in het eerste of tweede lid, heeft genomen.

Artikel 5

Vervallen

Artikel 6
1.

Examens worden in Nederland afgenomen.

2.

De kandidaat legitimeert zich voor de toelating tot een examen.

Paragraaf 2. Bepalingen met betrekking tot de examens ten behoeve van het gebruik van frequentieruimte ten dienste van het opdoen van vaardigheden, het communiceren via de radio en het doen van onderzoekingen

Artikel 7

Een radiozendamateur voldoet aan de in artikel 4, tweede lid, van de Regeling gebruik van frequentieruimte met meldingsplicht 2015 opgenomen voorwaarde dat hij met goed gevolg een examen afgelegd moet hebben, indien:

Artikel 8
1.

De minister verleent op verzoek een N-certificaat, indien de minister heeft vastgesteld dat een kandidaat met goed gevolg een examen voor de categorie N heeft afgelegd.

2.

De minister verstrekt op verzoek een HAREC-certificaat, indien de minister heeft vastgesteld dat een kandidaat met goed gevolg een examen voor de categorie F heeft afgelegd.

Artikel 9
1.

De examens in de categorie N, genoemd in artikel 7, onder a, b en c en de examens in de categorie F, genoemd in artikel 7, onder d, e en f, voldoen aan respectievelijk de eisen, bedoeld in ERC Report 32 en CEPT Recommendation T/R 61-02.

2.

De examens in de categorie N, bedoeld in het eerste lid, omvatten de volgende onderdelen:

3.

De examens in de categorie F, bedoeld in het eerste lid, omvatten de volgende onderdelen:

Artikel 10

Vervallen

Artikel 11

Vervallen

Paragraaf 3. Bepalingen met betrekking tot de examens ter verkrijging van een maritiem certificaat van bediening

Artikel 12

Aan de in artikel 4, eerste lid, van de Regeling gebruik van frequentieruimte met meldingsplicht 2015 of aan de in artikel 5 Regeling aanvraag en toelating van vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte opgenomen voorwaarde dat de gebruiker dan wel vergunninghouder voor maritiemmobiele communicatie dient te beschikken over een certificaat van bediening is voldaan, indien:

Artikel 13
1.

De minister verleent op verzoek een basiscertificaat marifonie, indien de minister heeft vastgesteld dat een kandidaat met goed gevolg het theorie-examen basiscertificaat marifonie heeft afgelegd.

2.

De minister verleent op verzoek een beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie, indien de minister heeft vastgesteld dat een kandidaat met goed gevolg het theorie-examen voor het basiscertificaat marifonie en de module GMDSS-B en het praktijkexamen voor het beperkt certificaat maritieme radiocommunicatie heeft afgelegd.

3.

De minister verleent op verzoek een algemeen certificaat maritieme radiocommunicatie, indien de minister heeft vastgesteld dat een kandidaat met goed gevolg het theorie-examen voor de module voorschriften, procedures & techniek en voor de module Engels, alsmede het praktijkexamen voor het algemene certificaat maritieme radiocommunicatie heeft afgelegd.

4.

Een verzoek als bedoeld in het eerste tot en met derde lid wordt uiterlijk vijf jaar na het met goed gevolg afleggen van het examen of de examens ingediend.

Artikel 14
1.

De examens, bedoeld in artikel 13, eerste, tweede en derde lid, voldoen aan respectievelijk de eisen gesteld in het Regionaal akkoord ERC/DEC/(99)/01 Annex 1 en ERC/DEC/(99)/01 Annex 2.

2.

Het theorie-examen basiscertificaat marifonie, bedoeld in artikel 13, eerste lid, omvat de volgende onderdelen:

3.

Het theorie-examen basiscertificaat marifonie en de module GMDSS-B, bedoeld in artikel 13, tweede lid, omvatten de volgende onderdelen:

4.

Het theorie-examen algemene certificaat maritieme radiocommunicatie, bedoeld in artikel 13, derde lid, omvat de volgende onderdelen:

Artikel 15

De minister kan een kandidaat die een voltijdopleiding volgt aan een zeevaartschool, vrijstelling geven voor het onderdeel Engels, indien de kandidaat in het kader van zijn opleiding aan die zeevaartschool voor de toets op dit onderdeel ten minste een 6,0 heeft behaald.

Artikel 16

Bij een praktijkexamen heeft een kandidaat het examen met goed gevolg afgelegd indien de minister aan de hand van de door de erkende instelling verstrekte gegevens heeft vastgesteld dat de kandidaat ten aanzien van het betreffende over voldoende kennis bezit op het gebied van radiotechniek en de voorschriften.

Artikel 17

Voor deelname aan een examen als bedoeld in artikel 13 moet de kandidaat de leeftijd van elf jaar hebben bereikt.

Artikel 18
1.

De minister erkent op verzoek als geldige maritieme certificaten van bediening:

2.

Het verzoek wordt door de kandidaat schriftelijk onderbouwd ingediend bij de Rijksinspectie Digitale Infrastructuur van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat.

Paragraaf 4. Erkende instellingen

Artikel 19
1.

De minister kan op aanvraag instellingen erkennen waar kandidaten het praktijkexamen afleggen.

2.

De erkenning wordt afgegeven voor ten hoogste vijf jaar en is niet overdraagbaar.

3.

De minister kan op aanvraag een erkenning verlengen met een door hem te bepalen termijn die niet langer is dan vijf jaar.

Artikel 20
1.

De aanvraag heeft betrekking op één of meer praktijkexamensoorten.

2.

De Minister toetst de aanvraag aan de eisen, bedoeld in artikel 21.

Artikel 21

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.