Besluit van 5 juli 2008 houdende regels over de zij-instroom van leraren in het primair en voortgezet onderwijs (Besluit zij-instroom leraren primair en voortgezet onderwijs)

Type AMvB
Publication 2022-08-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 29 april 2008, nr. WJZ/11507 (2646), directie Wetgeving en Juridische Zaken, mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op de artikelen 38a, tweede lid, en 176i van de Wet op het primair onderwijs, 38a, tweede lid, en 162l van de Wet op de expertisecentra en 38, tweede lid, 118l, derde lid, onder b, en 118r van de Wet op het voortgezet onderwijs;

De Raad van State gehoord (advies van 5 juni 2008, nr. W05.08.0164/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 2 juli 2008, nr. WJZ/27997 (2646), directie Wetgeving en Juridische Zaken, mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel 2. Aanwijzing onderwijs in beroepsgerichte vakken

De beroepsgerichte vakken, bedoeld in de artikelen artikelen 152, derde lid, onderdeel b, van de Wet op de expertisecentra en 7.27, derde lid, onderdeel b, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, zijn de volgende van de in artikel 2.21, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 genoemde vakken:

Paragraaf 2. Geschiktheidsonderzoek

Artikel 3. Aanvraag geschiktheidsonderzoek en vaststelling geschiktheidsoordeel
1.

Aanvragen voor het geschiktheidsonderzoek worden gericht aan het instellingsbestuur. De aanvraag wordt gedaan door de betrokkene of het bevoegd gezag van de school die voornemens is de betrokkene in dienst te nemen. Tenzij het instellingsbestuur en de aanvrager anders overeenkomen, vangt het geschiktheidsonderzoek aan binnen twee maanden na ontvangst van de aanvraag en vindt het assessment plaats binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag. Het geschiktheidsoordeel wordt gegeven en de geschiktheidsverklaring wordt afgegeven binnen twee weken na het afsluiten van het assessment.

2.

Het instellingsbestuur stelt degenen die bij een geschiktheidsonderzoek zijn betrokken, tijdig op de hoogte van de inhoudelijke criteria van het geschiktheidsonderzoek en van de gang van zaken bij dat onderzoek.

Artikel 4. Beoordeling opleiding en maatschappelijke of beroepservaring
1.

De beoordeling of de gevolgde opleiding en de maatschappelijke of beroepservaring in onderlinge samenhang bezien van voldoende belang zijn in verhouding tot de door de betrokkene beoogde werkzaamheden aan een school, geschiedt:

2.

De betrokkene overlegt bij indiening van de aanvraag voor het geschiktheidsonderzoek de in het eerste lid bedoelde bescheiden en zet daarbij op een door het instellingsbestuur voor te schrijven wijze uiteen, op welke gronden de activiteiten waarop deze bescheiden betrekking hebben, naar zijn oordeel van voldoende belang zijn in verhouding tot de beoogde werkzaamheden.

3.

Indien de betrokkene werkzaamheden in het voortgezet onderwijs beoogt, blijkt uit de aanvraag dat de betrokkene over kennis, inzicht en vaardigheden beschikt in een vak dat relevant is in relatie tot die werkzaamheden.

Artikel 5. Criteria assessment
1.

De vaststelling van de geschiktheid van de betrokkene vindt plaats door beoordeling van kennis, inzicht en vaardigheden op het terrein van:

2.

Indien de beoordeling betrekking heeft op de geschiktheid voor het geven van basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs, omvat de in het eerste lid bedoelde vaststelling tevens beoordeling van de beroepshouding.

3.

De in het eerste lid, aanhef en onder a, bedoelde beoordeling omvat de vaststelling of de betrokkene in voldoende mate beschikt over:

4.

De in het eerste lid, aanhef en onder b, bedoelde beoordeling omvat de vaststelling of de betrokkene in voldoende mate beschikt over:

5.

De in het vierde lid, onder c, bedoelde vakdeskundigheid omvat in het bijzonder taal en rekenen/wiskunde voor zover het betreft het geven van basisonderwijs, speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs.

6.

De in het eerste lid, aanhef en onder c, bedoelde beoordeling omvat de vaststelling of de betrokkene in voldoende mate beschikt over het vermogen om met anderen samen te werken in een team of sectie. Tevens omvat deze beoordeling de vaststelling van de kennis van het onderwijs.

7.

De vaststelling, bedoeld in het derde, vierde en zesde lid, omvat tevens vaststelling van de terreinen waarop scholing en begeleiding als bedoeld in artikel 172, tweede lid, onderdeel c, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 152, tweede lid, onderdeel c, van de Wet op de expertisecentra of artikel 7.27, vierde lid, onderdeel c, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 moeten zijn gericht, alsmede van de mate van scholing en begeleiding.

Artikel 6. Wijze van uitvoering assessment

Het assessment berust op bevindingen uit praktijkopdrachten, waaronder opdrachten waaruit het gedrag blijkt in authentieke situaties, zoals in feitelijke klassituaties en op één of meer gestructureerde gesprekken met de betrokkene, waaronder ten minste een gesprek over de bevindingen.

Artikel 7. Kwaliteitswaarborging geschiktheidsonderzoek
1.

Ter waarborging van de kwaliteit van het geschiktheidsonderzoek stelt het instellingsbestuur de inrichting van het geschiktheidsonderzoek vast en draagt zorg voor een:

2.

Het instellingsbestuur draagt er zorg voor dat de in artikel 172, vijfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 152, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, artikel 7.27, zesde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, bedoelde personen die het geschiktheidsonderzoek afnemen, daarvoor voldoende geschikt zijn en onafhankelijk van hun eventuele overige werkzaamheden in dienst van of ten behoeve van die instelling, tot een professioneel oordeel kunnen komen.

3.

Het instellingsbestuur ziet toe op een zodanige verslaglegging over het geschiktheidsonderzoek dat daaruit in elk geval blijkt een deugdelijke motivering van het oordeel over de onderzoeksresultaten.

Paragaraaf 3. Scholing en begeleiding

Artikel 8. Waarborgen kwaliteit scholing en begeleiding
1.

De noodzakelijk geoordeelde scholing, bedoeld in artikel 5, zevende lid, geschiedt uitsluitend door of onder verantwoordelijkheid van personen die bevoegd zijn tot het verzorgen van onderwijs aan initiële lerarenopleidingen in het hoger onderwijs. Bij het verzorgen van de scholing wordt deze inhoudelijk steeds afgestemd op de vorderingen bij de werkzaamheden van de betrokkene aan de school.

2.

Bij de noodzakelijk geoordeelde begeleiding, bedoeld in artikel 5, zevende lid, is in elk geval betrokken een leraar die bevoegd is tot het verzorgen van de werkzaamheden die de betrokkene aan de school verricht, met dien verstande dat bij begeleiding in het voortgezet onderwijs, de leraar bevoegd dient te zijn voor het vak dat de betrokkene aan de school verzorgt.

Paragraaf 4. Bekwaamheidsonderzoek

Artikel 9. Inrichting van bekwaamheidsonderzoek
1.

Degene die zich wil onderwerpen aan een bekwaamheidsonderzoek, dient daartoe een aanvraag in bij het instellingsbestuur.

2.

Het bekwaamheidsonderzoek omvat een onderzoek naar de kennis, het inzicht en de vaardigheden van de betrokkene, alsmede de beoordeling van de uitkomsten van dit onderzoek. Het bekwaamheidsonderzoek richt zich in het bijzonder op kennis, inzicht en vaardigheden die betrokkene blijkens de beoordeling, bedoeld in artikel 172, tweede lid, onderdeel c, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 152, tweede lid, onderdeel c, van de Wet op de expertisecentra of artikel 7.27, vierde lid, onderdeel c, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, nog behoorde te verwerven.

3.

Het bekwaamheidsonderzoek is zodanig ingericht dat daarvan in ieder geval deel uitmaakt een, zonodig in tijd gespreide, beoordeling van het functioneren in de praktijk op die onderdelen waarop scholing en begeleiding noodzakelijk zijn geacht. Bij die beoordeling is in ieder geval personeel betrokken dat daartoe door het bevoegd gezag, bedoeld in artikel 172 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 152, eerste lid, van de Wet op de expertisecentra of artikel 7.27, tweede lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020, wordt aangewezen.

4.

De periode van scholing en begeleiding wordt zodanig ingericht dat daarin voor de betrokkene in elk geval tweemaal de gelegenheid bestaat het bekwaamheidsonderzoek te ondergaan.

Artikel 10. Waarborgen kwaliteit bekwaamheidsonderzoek

Ter waarborging van de kwaliteit van het bekwaamheidsonderzoek:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.