Regeling van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 19 september 2008, nr. TRCJZ/2007/3190, houdende samenvoeging en vereenvoudiging van diverse regelingen op het gebied van de visserij (Uitvoeringsregeling visserij)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-07-11
Laatst bijgewerkt 2026-07-14
State In force
Source BWB
artikelen 216
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 1, tweede lid, onderdelen a en b, en vijfde lid, 2c, eerste lid, 17, eerste en derde lid, en 24 van de Visserijwet 1963;

Gelet op de artikelen 3, 4 en 6d van het Reglement zee- en kustvisserij 1977;

Gelet op de artikelen 1, eerste lid, onderdeel g, tweede en derde lid, 6, derde lid, 8, 10a, eerste en tweede lid, 11, 12 en 13 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Aanwijzingsbepalingen

§ 2.1. Aanwijzingen op grond van de Visserijwet 1963

Artikel 2

Als vissen, onderscheidenlijk schaal- en schelpdieren als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel b, van de wet, worden aangewezen de in de bijlage 1 opgenomen soorten.

Artikel 3

Vervallen

Artikel 4

Als middelen, bedoeld in artikel 2c, eerste lid, van de wet, waarmee het verboden is vis te bedwelmen, te verwonden of te doden, worden aangewezen:

Artikel 5

Als water waarvoor de bepalingen van paragraaf 5 van de wet betreffende de huur en verhuur van visrecht niet gelden, wordt aangewezen: het Grevelingenmeer.

§ 2.2. Aanwijzingen op grond van het Reglement voor de binnenvisserij 1985

Artikel 6

Vervallen

Artikel 7
1.

Degene die vissen van de vissoorten alver, baars, barbeel, beekforel, blankvoorn, bot, brasem, giebel, graskarper, karper, kolblei, kopvoorn, kroeskarper, pos, rietvoorn, riviergrondel, rivierprik, roofblei, snoek, snoekbaars, spiering, winde, witvingrondel, zeelt, niet inheemse rivierkreeft en Chinese wolhandkrab aanvoert, degene die in de uitoefening van een beroep of bedrijf deze vissoorten afneemt en degene die bemiddeling verleent bij het veilen van deze vissoorten als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, zijn verplicht dagelijks een administratie bij te houden van de overdracht en de opslag van deze vissoorten.

2.

Degene die bemiddeling verleent bij het veilen van de vissoorten, genoemd in het eerste lid, is verplicht er voor zorg te dragen dat op bij de op de veiling aanwezige vissoorten de naam van de aanvoerder is vermeld alsmede de herkomst van de vissoorten.

Artikel 8
1.

In het geval een aanvoerder van aal als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, deze soort onder zich houdt, blijkt uit de administratie, bedoeld in artikel 7, eerste lid:

2.

In het geval een aanvoerder van vis meer dan 5 kilogram, die in overeenstemming met artikel 7a van het Reglement voor de binnenvisserij 1985 is gevangen, onder zich houdt, als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, moet uit de administratie, bedoeld in artikel 7, eerste lid, blijken:

3.

In het geval de vissoorten, bedoeld in het eerste en tweede lid, zonder bemiddeling van een veiling of visafslag worden verkocht, moet uit de administratie, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de afnemer blijken:

4.

In het geval de vissoorten, bedoeld in het eerste en tweede lid, via de bemiddeling van een veiling ter verkoop worden aangeboden, moet uit de administratie, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van degene die deze bemiddeling verleent, blijken:

Artikel 9

Alle bewijsstukken of bescheiden waarin de gegevens, bedoeld in artikel 8, zijn vastgelegd, moeten vanaf het tijdstip van hun opstelling of verkrijging tot het tijdstip waarop drie kalenderjaren zijn verlopen, worden bewaard.

Artikel 10

De verplichting om een administratie bij te houden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, is niet van toepassing op:

Hoofdstuk 3. Verbodsbepalingen

§ 3.1. Verbodsbepalingen visserijzone, zeegebied en kustwateren

Artikel 11

Het is verboden te vissen in het gebied, genoemd in bijlage 3.

Artikel 12
1.

Het is verboden te vissen in het zeegebied en de kustwateren met een aalfuik, staand want, hoekwant, aalkistje, ankerkuil of enig ander vast vistuig, niet zijnde een vistuig, bestemd voor het vangen van schelpdieren.

2.

Het is verboden in de kustwateren te vissen met een zegen.

Artikel 13

Het is verboden te vissen met:

Artikel 14
1.

Het is verboden in het zeegebied en de kustwateren te vissen met:

2.

Het is verboden in de kustwateren, genoemd in artikel 2, eerste lid, van het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970, te vissen met een kuilnet waarvan de maaswijdte kleiner is dan 17 mm.

3.

Het is verboden in de kustwateren, genoemd in artikel 2, derde tot en met zevende lid, van het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970, met de hierna genoemde vistuigen te vissen, indien de maaswijdte kleiner is dan het aantal millimeters, vermeld achter het desbetreffende vistuig:

4.

Het is verboden in de kustwateren te vissen met een vistuig, waarvoor een minimummaaswijdte is vastgesteld, indien met betrekking tot dat vistuig enige handeling is verricht of enig middel is aangewend, waardoor het ontsnappen van vis kan worden bemoeilijkt of belet.

Artikel 15

Het is verboden de visserij uit te oefenen met een vissersvaartuig waarvan het motorvermogen groter is dan het motorvermogen dat staat vermeld op de ten behoeve van dat vissersvaartuig verleende vergunning als bedoeld in artikel 70, eerste lid.

Artikel 16

Het is verboden te vissen met mechanische vistuigen, geschikt voor het vangen van kokkels in de kustwateren, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970.

Artikel 17

Het is verboden te vissen met enig vistuig, geschikt voor het vangen van schelpdieren, in:

Artikel 18
1.

Het is verboden schaal- en schelpdieren te rapen in de visserijzone, het zeegebied en de kustwateren tussen één uur na zonsondergang en één uur vóór zonsopgang.

2.

Het is verboden schelpdieren te rapen in het gebied, genoemd in bijlage 3.

3.

Het is verboden schelpdieren te rapen in het gebied, genoemd in bijlage 5.

Artikel 19

Het is verboden schelpdieren uit te zaaien of uit te zetten in de visserijzone, het zeegebied en de kustwateren.

Artikel 20

Het is verboden te vissen met vistuigen, geschikt voor het vangen van garnalen in het gebied, genoemd in bijlage 6.

Artikel 21

Het is verboden te vissen met enig vistuig geschikt voor het vangen van garnalen in de visserijzone, het zeegebied en de kustwateren met uitzondering van de Westerschelde.

Artikel 22

Het is verboden om van vrijdag 12.00 uur tot de daaropvolgende zondag 24.00 uur buiten de haven te zijn met een vaartuig dat enig vistuig aan boord heeft geschikt voor het vangen van garnalen.

Artikel 23

Het is verboden op of in de nabijheid van enig water, behorend tot de visserijzone, het zeegebied of de kustwateren, een vistuig voorhanden te hebben, indien en voor zover het gebruik van dat vistuig in dat water ingevolge het bepaalde in de artikelen 11 tot en met 22 verboden is.

§ 3.2. Verbodsbepalingen binnenwateren

Artikel 24

Als wateren waarin het ingevolge artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, is verboden te vissen tussen twee uur na zonsondergang en één uur vóór zonsopgang worden aangewezen de in bijlage 2 opgenomen wateren.

Artikel 25

Als water waarin het verboden is te vissen met de hengel in de periode van 1 april tot en met 31 mei, wordt aangewezen de in bijlage 7 opgenomen wateren.

Artikel 26

Als water, waarin het verboden is te vissen met enig vistuig wordt aangewezen: de Geul, bovenstrooms van de grens tussen de gemeenten Valkenburg en Meerssen en haar zijbeken, de Voerenbeek en de Noorbeek met dien verstande, dat het van 1 april tot en met 30 september toegestaan is te vissen met de hengel, voor zover deze niet is geaasd met worm of nabootsing daarvan.

Artikel 27

Vervallen

Artikel 28

Het uitzetten van graskarpers is verboden in:

§ 3.3. Verbodsbepalingen IJsselmeer

Artikel 29
1.

Het is verboden te vissen in het IJsselmeer met:

2.

Het is verboden te vissen in het IJsselmeer met het staand net, het aalhoekwant of het aalkistje van vrijdagmiddag 16.00 uur tot de daaropvolgende maandagmorgen 8.00 uur.

3.

Het is verboden te vissen in het IJsselmeer met de aaskuil van donderdag zonsondergang tot de daaropvolgende maandag 8.00 uur en voorts dagelijks van zonsondergang tot de daaropvolgende morgen 8.00 uur.

4.

Het is buiten de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, eveneens verboden met de zegen te vissen in het IJsselmeer op acht of meer, of ingeval van een overdracht als bedoeld in artikel 75, zesde lid, of 75a, een veelvoud van het aantal dagen, waarop het toegestaan is om met de zegen te vissen.

5.

Het is verboden met de zegen te vissen in het IJsselmeer op een dag waarvoor door de vergunninghouder niet ten minste twee werkdagen daarvoor melding is gedaan aan de minister.

6.

Voor zover nodig vanuit het oogpunt van visstandbeheer, kan de minister in de vergunning, bedoeld in artikel 8 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, het aantal dagen waarop het is toegestaan om met de zegen te vissen, bedoeld in het vierde lid, voor dat visseizoen reduceren. In dat geval is het, in afwijking van het vierde lid, eveneens verboden om buiten de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, met de zegen te vissen in het IJsselmeer op meer dagen dan het aantal dagen waarop het overeenkomstig de vergunning toegestaan is met de zegen te vissen.

Artikel 30
1.

Het is verboden te vissen met de schietfuik binnenvisserij in de gebieden in het IJsselmeer, genoemd in bijlage 8.

2.

Het is verboden te vissen met de schietfuik binnenvisserij in het IJsselmeer in andere gebieden dan die genoemd in bijlage 8 zonder hierbij gebruik te maken van een naar behoren werkende overlevingsbun.

Artikel 31

Het is verboden te vissen met de aaskuil in de gebieden in het IJsselmeer, genoemd in bijlage 9.

Artikel 32
1.

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 29 tot en met 31, is het verboden te vissen in het IJsselmeer gedurende een door de Minister te bepalen periode, met alle vistuigen behalve de hengel en de peur.

2.

De periode waarin het verboden is te vissen op grond van het vorige lid, wordt jaarlijks vastgesteld en bekendgemaakt in de Staatscourant.

Hoofdstuk 4. Vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen

§ 3.2. Verbodsbepalingen binnenwateren

Artikel 33
1.

Bij het verlenen van vrijstellingen of ontheffingen alsmede bij het daaraan verbinden van voorschriften en het verlenen onder beperkingen, als bedoeld in artikel 6d, tweede lid, van het Reglement zee- en kustvisserij 1977, en de artikel 11 en 12, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, wordt mede rekening gehouden met de belangen van de natuurbescherming.

2.

Aan vrijstellingen, ontheffingen en vergunningen als bedoeld in onderhavige regeling, kunnen voorschriften worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend. Zij kunnen worden ingetrokken.

3.

Niet naleven van beperkingen of voorschriften als bedoeld in het eerste lid, wordt aangemerkt als handelen zonder vrijstelling, ontheffing of vergunning als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 34

Een vrijstelling als bedoeld in artikel 33, wordt niet verleend voor het rapen van schelpdieren in het gebied, genoemd in bijlage 3.

Artikel 35
1.

Een vergunning als bedoeld in artikel 33, wordt niet verleend voor:

2.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, kan wel een vergunning worden verleend voor het zonder mechanische hulpmiddelen vissen op kokkels in de gebieden, genoemd in bijlage 5a.

Artikel 36
1.

De in de artikelen 12, 17, onderdelen b, c en d, 19, 21, 32a, eerste en tweede lid, en 32b, tweede lid, gestelde verboden, gelden niet voor degene, die is voorzien van een vergunning van de Minister.

2.

Een vergunning als bedoeld in het eerste lid voor de visserij in het zeegebied en de kustwateren met een vistuig als genoemd in artikel 12, wordt na 31 december 2010 niet verleend voor de recreatieve visserij.

3.

Een vergunning als bedoeld in het eerste lid voor het gebruik van de vistuigen, genoemd in artikel 32a, eerste lid, wordt enkel verleend indien de vangst van aal met de desbetreffende vistuigen aantoonbaar beperkt is.

Artikel 37

Het verbod, bedoeld in artikel 23, geldt niet indien het vistuig zodanig is verpakt of in zodanige toestand is, dat dadelijk gebruik daarvan niet mogelijk is.

§ 4.2. Vrijstellingen sleepnetvisserij

Artikel 38
1.

Van het bepaalde in artikel 6c, eerste lid, van het Reglement zee- en kustvisserij 1977 wordt vrijstelling verleend:

2.

De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, wordt slechts verleend voor vaartuigen met één boomkor met een maximale breedte van 150 centimeter, gemeten tussen de uiteinden van de constructie, zonder dat er voorzieningen zijn getroffen waardoor de boomkor kan worden uitgeschoven of verlengd.

3.

De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, wordt slechts verleend:

4.

In afwijking van het derde lid, onderdeel b, onder 1º, wordt voor de gerichte riviervisserij op garnalen de vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, verleend voor vaartuigen met ten hoogste twee boomkorren waarvan de individuele lengte niet meer bedraagt dan 12 meter, gemeten tussen de uiteinden van de constructie, zonder dat er voorzieningen zijn getroffen waardoor de boomkor kan worden uitgeschoven of verlengd.

5.

Vaartuigen ten aanzien waarvan de in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, bedoelde vrijstelling is verleend, staan vermeld op de door de bevoegde Belgische autoriteiten vastgestelde lijst van de Belgische zeeschepen onder ‘Schelde Fishing Vessels’. Deze lijst is beschikbaar via internetadres: https://mobilit.belgium.be/nl/Resources/publicaties/scheepvaart/pub_koopvaardij_lijst_belg_schepen.

Artikel 39

Van het bepaalde in artikel 21, wordt vrijstelling verleend voor het vissen in de visserijzone en het zeegebied:

Artikel 40

Van artikel 79, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij wordt vrijstelling verleend voor vaartuigen, andere dan vissersvaartuigen:

Artikel 41

De vrijstellingen, bedoeld in de artikelen 39 en 40, worden slechts verleend voor vaartuigen met één boomkor als bedoeld in artikel 38, tweede lid, of met één bordennet waarvan de hoogte van de visborden niet meer bedraagt dan 70 centimeter en waarvan de lengte van de bovenpees, inclusief stroppen en kabels, niet meer bedraagt dan 225 centimeter, gemeten vanaf de achterzijde van het ene tot de achterzijde van het andere bord.

Artikel 42
1.

Aan de vrijstellingen, bedoeld in artikel 38, eerste lid, aanhef en onder a, artikel 39 en artikel 40, worden de volgende voorschriften verbonden:

2.

Aan de vrijstelling, bedoeld in artikel 38, eerste lid, aanhef en onder b, worden de volgende voorschriften verbonden:

3.

De opgave, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, vindt plaats door middel van het indienen van het logboek, bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de controleverordening, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij.

4.

Het indienen van het logboek, bedoeld in het derde lid, vindt plaats door overhandiging aan een functionaris of aan een ambtenaar van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit of deponering van het formulier in een opgavebus als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling zeevisserij.

Artikel 43
1.

Van het verbod in de artikelen 13, onderdeel a, en 21, voor wat betreft de Oosterschelde ten oosten van de Oosterscheldekering, is degene die op 15 april 2007 in het bezit was van een vergunning als bedoeld in artikel 36, vrijgesteld onder de voorwaarden dat:

2.

Indien degene als bedoeld in het eerste lid, met een ander vissersvaartuig vist dan met het vaartuig waarvoor de in het eerste lid bedoelde vergunning is verleend, maakt hij hiervan twee weken van tevoren schriftelijk melding bij de Minister.

§ 4.1. Algemeen

Artikel 44

Van het bepaalde in artikel 17 wordt vrijstelling verleend voor het vissen met enig vistuig geschikt voor het vangen van:

Artikel 45

Van het verbod in artikel 19 wordt vrijstelling verleend voor zover het betreft het uitzetten of uitzaaien van mosselen, kokkels, oesters en Japanse oesters.

Artikel 46

De vrijstelling, bedoeld in artikel 44, wordt slechts verleend voor zover de som van de totale breedte van de gebruikte mosselkorren, binnenwerks gemeten over het mes, maximaal 7,60 meter, per vissersvaartuig bedraagt.

Artikel 47

Onverminderd het bepaalde in artikel 46 is het vissen van mosselen, zeesterren en oesters, met uitzondering van het vissen op verwaterpercelen, verboden:

§ 3.4. Verbodsbepalingen voor alle wateren

Artikel 48

Van het verbod in artikel 18, derde lid, wordt vrijstelling verleend aan:

§ 4.1. Algemeen

Artikel 49

Van het verbod, bedoeld in artikel 21, is vrijgesteld degene, die anders dan met behulp van een vaartuig op garnalen vist.

Artikel 50

Het verbod, bedoeld in artikel 22, geldt niet

§ 4.2. Vrijstellingen sleepnetvisserij

Artikel 51

Van het verbod in artikel 12 wordt vrijstelling verleend aan de rechthebbende op het visrecht in staatswateren om te vissen in een visvak met die vaste vistuigen, waarop het visrecht betrekking heeft.

Artikel 52
1.

Aan de vrijstelling, bedoeld in artikel 51, zijn de volgende voorschriften verbonden:

2.

Onderdeel b is niet van toepassing op permanent onder water staande schietfuiken in de kustwateren, genoemd in artikel 2, tweede tot en met het zevende lid, van het Besluit aanwijzing zeegebied en kustwateren 1970.

§ 4.2. Vrijstellingen sleepnetvisserij

Artikel 53

Van het bepaalde in artikel 2, eerste lid en artikel 5, eerste lid, van het Reglement voor de Binnenvisserij 1985 wordt vrijstelling verleend voor zover het betreft het vissen met de oesterkor in het Grevelingenmeer.

§ 4.5. Vrijstellingen garnalenvisserij

Artikel 54

Van het bepaalde in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985 wordt vrijstelling verleend voor zover het betreft het vissen met de hengel, geaasd met enig kunstaas, in het Oostvoornsemeer.

§ 4.3. Vrijstellingen schelpdiervisserij

Artikel 55
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, is niet van toepassing op de visrechthebbende en de houder van een schriftelijk toestemming, die:

2.

Het verbod, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, is niet van toepassing op het vissen in een binnen een afgesloten erf gelegen viswater, dat geen voor het doorlaten van vis geschikte verbinding met andere wateren bezit, alsmede op het vissen in een viskwekerij.

3.

Bij de bepaling van het areaal, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt mede begrepen het oppervlak aan viswater waarvoor vergunning is verleend ingevolge de artikelen 12 en 36, met uitzondering van het viswater waarvoor vergunning is verleend voor recreatief vissen voor uitsluitend eigen gebruik met maximaal twee fuiken of met beperkte lengte hoekwant tot maximaal 200 meter, of met beperkte lengte staand want tot maximaal 150 meter.

4.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdelen c en d, kan een rapport als bedoeld in die onderdelen gezamenlijk voor ten minste tien verschillende meldingen worden ingediend, indien uit dat rapport blijkt dat ten aanzien van ten minste 25% van degenen waarop de aanvraag ziet door de accountant bij wijze van steekproef is vastgesteld dat aan de criteria, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is voldaan.

5.

Het aantal personen waarvan op grond van het vierde lid bij wijze van steekproef de gegevens wordt gecontroleerd, wordt, in voorkomend geval, afgerond op het naaste hele getal.

Artikel 56
1.

Het verbod, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, is niet van toepassing op de visrechthebbende en de houder van een schriftelijk toestemming, die:

2.

De in het eerste lid bedoelde vrijstelling van het in artikel 7a, eerste lid, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985 bedoelde verbod, geldt gedurende een periode van twee jaren, te rekenen vanaf de melding, bedoeld in onderdeel b.

3.

In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, onder 2˚, kan een rapport als bedoeld in dat onderdeel gezamenlijk voor ten minste tien verschillende meldingen worden ingediend, indien uit dat rapport blijkt dat ten aanzien van ten minste 25% van degenen waarop de aanvraag ziet door de accountant bij wijze van steekproef is vastgesteld dat aan het criterium, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is voldaan.

4.

Het aantal personen waarvan op grond van het vierde lid bij wijze van steekproef de gegevens wordt gecontroleerd, wordt, in voorkomend geval, afgerond op het naaste hele getal.

Artikel 57

Van het verbod, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, is vrijgesteld degene die de visrechthebbende of de houder van de schriftelijke toestemming, bedoeld in de artikelen 55, eerste lid, en 56, eerste lid, behulpzaam is bij het vissen met een vistuig, dat niet door één persoon kan worden bediend.

Artikel 58

Werknemers die vissen in dienst van de visrechthebbende of de houder van een schriftelijke toestemming, bedoeld in de artikelen 55, eerste lid, en 56, eerste lid, hebben het bewijs van dit dienstverband bij de uitvoering van de visserij bij zich.

Artikel 59

De Minister bevestigt binnen drie weken de ontvangst van de melding, bedoeld in de artikelen 55, eerste lid, onderdeel b, en 56, eerste lid, onderdeel b, en de ontvangst van het assurance-rapport, bedoeld in artikel 55, eerste lid, onderdeel c.

Artikel 60
1.

Indien degene die zich heeft gemeld op grond van artikel 55 , eerste lid, onderdeel b, niet meer voldoet aan het criterium, bedoeld in artikel 55, eerste lid, onderdeel a, doet hij hiervan zo spoedig mogelijk mededeling aan de Minister.

2.

Indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in het eerste lid, kan de Minister besluiten dat de vrijstelling, bedoeld in artikel 55, eerste lid, niet geldt gedurende een periode van maximaal 2 jaar, te rekenen vanaf de datum van dit besluit.

§ 4.4. Vrijstelling rapen schelpdieren

Artikel 61
1.

Van het bepaalde in artikel 6, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985 en van het bepaalde in artikel 2, aanhef en onderdeel a, van het Reglement minimummaten en gesloten tijden 1985, voor zover het betreft de vissoorten baars, snoek, en snoekbaars wordt jaarlijks vrijstelling verleend vanaf de laatste zaterdag in mei tot en met 31 mei.

2.

De vrijstelling, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op het vissen in het IJsselmeer.

§ 4.4. Vrijstelling rapen schelpdieren

Artikel 62
1.

In afwijking van het verbod van artikel 28, onderdeel d, is het uitzetten van graskarpers toegestaan indien:

2.

Het hekwerk, bedoeld in het eerste lid, moet:

§ 4.4. Vrijstelling rapen schelpdieren

Artikel 63

Vervallen

§ 4.5. Vrijstellingen garnalenvisserij

Artikel 64
1.

Van het bepaalde in artikel 4, derde lid, van het Reglement voor de binnenvisserij 1985 wordt voor de spieringvisserij op het IJsselmeer een vrijstelling verleend voor de periode die door de Minister kan worden vastgesteld krachtens artikel 65.

2.

Vis van andere soorten dan spiering dient onmiddellijk nadat deze is opgehaald weer in hetzelfde water te worden teruggezet.

Artikel 65

In afwijking van het bepaalde in artikel 29, eerste lid, onderdelen a en b, is het toegestaan te vissen met de grote fuik en de schietfuik binnenvisserij ten behoeve van de vangst van spiering gedurende een periode die de Minister daartoe jaarlijks kan vaststellen, welke periode maximaal drie weken duurt en een aanvang neemt na 1 maart.

Artikel 66

Het verbod, bedoeld in artikel 30, geldt niet gedurende de door de Minister krachtens artikel 65 vastgestelde periode.

Artikel 67
1.

Van het verbod, bedoeld in artikel 32, wordt vrijstelling verleend indien de Minister:

2.

Een vrijstelling als bedoeld in het eerste lid:

3.

De Minister kan de in het eerste lid bedoelde vrijstelling intrekken, indien naar zijn oordeel niet langer is voldaan aan één of meer van de in het eerste lid, onderdelen a tot en met d, bedoelde voorwaarden.

4.

De Minister komt in ieder geval tot het oordeel dat niet langer aan het eerste lid, onderdeel d, is voldaan, indien het bestuur van een erkende producentenorganisatie voor het IJsselmeer naar zijn oordeel onvoldoende zorgdraagt voor:

Artikel 68
1.

Goedkeuring door de Minister van een visplan als bedoeld in artikel 67, eerste lid, onderdeel c, kan slechts plaatsvinden indien:

2.

In afwijking van het eerste lid kan ten genoegen van de Minister een andere datum dan 1 januari worden aangehouden mits deze zich naar het oordeel van de Minister verdraagt met het doel en de effectiviteit van het visplan.

Artikel 69

Aan de aangeslotenen bij de Coöperatieve Producentenorganisatie Nederlandse Vissersbond-IJsselmeer U.A. wordt vrijstelling verleend als bedoeld in artikel 67, eerste lid.

§ 4.8. Vrijstelling kunstaasvisserij in het Oostvoornsemeer

Artikel 70
1.

Een vergunning als bedoeld in artikel 36, bestemd voor het vissen met enig vistuig geschikt voor het vangen van garnalen in de visserijzone, het zeegebied of de kustwateren, bevat met ingang van 1 januari 2002 de volgende gegevens:

2.

Indien de Minister niet binnen de in artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid heeft beslist en de aanvraag is in overeenstemming met het bepaalde in het derde, vierde en vijfde lid, is de vergunning van rechtswege verleend overeenkomstig de aanvraag.

3.

Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt ten aanzien van een vissersvaartuig slechts verleend indien:

4.

In afwijking van het derde lid, onderdelen a en b, kan de Minister op hun verzoek aan twee houders van vergunningen als bedoeld in het eerste lid, nieuwe vergunningen verlenen ten aanzien van hun vissersvaartuigen, onder de voorwaarde dat de som van het motorvermogen van die vaartuigen niet toeneemt.

5.

De vergunning, bedoeld in het eerste lid, wordt ingetrokken indien:

6.

De Minister kan de vergunning, bedoeld in het eerste lid voor een periode van twee weken schorsen, indien naar het oordeel van de Minister met het vissersvaartuig ten behoeve waarvan de vergunning is toegekend is gehandeld in strijd met artikel 22, of met artikel 50.

7.

Indien binnen een jaar na afloop van de schorsing, als bedoeld in het vorige lid, naar het oordeel van de Minister nogmaals met het vaartuig in strijd met artikel 22, of met artikel 50, wordt gehandeld, kan de Minister de vergunning voor een periode van vier weken schorsen.

Artikel 71

Vervallen

§ 4.8. Vrijstelling kunstaasvisserij in het Oostvoornsemeer

Artikel 72

Een vergunning, als bedoeld in artikel 8 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, wordt slechts verleend, voor zover:

Artikel 73
1.

Een vergunning als bedoeld in artikel 8 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, wordt slechts verleend aan een ondernemer ten behoeve van een vissersvaartuig, dat in het visserijregister, bedoeld in artikel 4 van het Besluit registratie visservaartuigen 1998, staat geregistreerd.

2.

De Minister verleent aan de ondernemer die op 31 mei 1996 om 24.00 uur op grond van artikel 8 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985 gerechtigd was te vissen in het IJsselmeer, voor het desbetreffende vissersvaartuig een vergunning als bedoeld in van het Reglement voor de binnenvisserij 1985.

3.

De reikwijdte van de vergunning, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld met inachtneming van de historische rechten waarover de desbetreffende ondernemer in de periode van 1 juni 1995 tot en met 31 mei 1996 op basis van artikel 8 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985 kon beschikken, met een minimum van 30 merkjes.

4.

Voor zover de vergunning, bedoeld in het tweede lid, betrekking heeft op het gebruik van het staand net, wordt die slechts verleend onder de beperking dat het aantal staand netten dat in een jaar mag worden ingezet ten behoeve van de schubvisvisserij ten hoogste het aantal is dat op basis van een dergelijke vergunning in de onmiddellijk aan dat jaar voorafgaande periode van zeven jaar ten hoogste als zodanig mocht worden ingezet.

5.

Indien de Minister niet binnen de in artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht gestelde termijn op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid heeft beslist en de aanvraag is in overeenstemming met het bepaalde in het eerste, tweede, derde en vierde lid, is de vergunning van rechtswege verleend overeenkomstig de aanvraag.

Artikel 74
1.

Overdracht van een gehele vergunning als bedoeld in artikel 8 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, is slechts mogelijk in het geval dat :

2.

De instemming van de pandhouder, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is slechts vereist indien de pandhouder de Minister door middel van een afschrift van de akte van verpanding in kennis heeft gesteld van het gevestigde pandrecht.

3.

De overdracht vindt plaats door een gelijktijdige kennisgeving door de Minister aan de aanvrager en aan de ondernemer aan wie de vergunning van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, wordt overgedragen, dat laatstgenoemde deze vergunning is verleend.

Artikel 75
1.

Overdracht van een deel van de vergunning, als bedoeld in artikel 8 van het Reglement voor de binnenvisserij 1985, is slechts mogelijk voor zover daarin is voorzien door het goedgekeurde visplan, bedoeld in artikel 67, eerste lid, onderdeel c, en kan tijdelijk zijn of voor onbepaalde tijd. Een tijdelijke overdracht kan slechts betrekking hebben op een aaneengesloten periode van ten hoogste 12 maanden, gerekend vanaf 1 juli.

2.

Een overdracht als bedoeld in het eerste lid, ongeacht of deze tijdelijk dan wel voor onbepaalde tijd is, is slechts mogelijk indien:

3.

In geval van een overdracht als bedoeld in het eerste lid, wijzigt een erkende producentenorganisatie voor het IJsselmeer namens de Minister de desbetreffende vergunningen dienovereenkomstig, op verzoek van de betrokken aangeslotenen, mits is voldaan aan het tweede lid.

4.

In afwijking van het eerste en het tweede lid is een overdracht van een deel van een vergunning mogelijk, indien niet is voorzien in een goedgekeurd visplan en indien de vrijstelling, bedoeld in artikel 67, eerste lid, niet van kracht is, voor zover die overdracht ziet op het gebruik van het aalkistje, de schietfuik, de grote fuik en het staand net.

5.

Een overdracht als bedoeld in het vierde lid dat op het gebruik ziet van het staand net, is slechts mogelijk, voor zover het aantal verhuurde staand netten in de periode van 1 juli tot en met 31 mei niet het aantal staand netten overschrijdt dat de verhuurder maximaal mag inzetten in deze vergunningsperiode.

6.

In afwijking van het eerste en tweede lid, is een overdracht van een deel van een vergunning mogelijk, indien niet is voorzien in een goedgekeurd visplan en indien de vrijstelling, bedoeld in artikel 67, eerste lid, niet van kracht is, voor zover deze overdracht ziet op het gebruik van de zegen en voor onbepaalde tijd wordt aangevraagd. Een overdracht krachtens dit lid betekent tevens een overdracht van de dagen, bedoeld in artikel 29, vierde lid.

7.

Een overdracht als bedoeld in het eerste, vierde en zesde lid, ongeacht of deze tijdelijk dan wel voor onbepaalde tijd is, is slechts mogelijk, indien daarvan uiterlijk op 1 april voorafgaand aan de eerstvolgende vergunningsperiode waarvoor de overdracht geldt, een aanvraag is ingediend bij de Minister.

Artikel 76
1.

Een erkende producentenorganisatie voor het IJsselmeer wijzigt namens de Minister jaarlijks, voor zover nodig, de vergunningen van de aangeslotenen, om de reductie te bereiken van de visserij-inspanning, zoals vastgesteld in het goedgekeurde visplan, bedoeld in artikel 67, eerste lid, onderdeel c.

2.

Indien met het oog op de te bereiken reductie, bedoeld in het eerste lid, een erkende producentenorganisatie voor het IJsselmeer merkjes van aangeslotenen inneemt en op hun naam reserveert, vindt de berekening ten behoeve van de wijziging van de vergunningen, bedoeld in het eerste lid, plaats aan de hand van de omrekentabel, opgenomen in bijlage 12 bij deze regeling.

3.

Het bepaalde in het eerste lid is slechts van toepassing indien de vrijstelling in artikel 67, eerste lid, van kracht is.

Artikel 77

Vervallen

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 78

De volgende regelingen worden ingetrokken:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)