← Geldende tekst · Geschiedenis

Besluit van 21 november 2008, houdende regels voor het verstrekken van subsidies door de Minister van Economische Zaken op het gebied van het technologiebeleid, het beleid met betrekking tot het midden- en kleinbedrijf en het ruimtelijk economisch beleid (Kaderbesluit EZ-subsidies)

Geldende tekst a fecha 2016-07-01

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken van 14 juli 2008, nr. WJZ / 8086267;

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies;

De Raad van State gehoord (advies van 29 augustus 2008, nr. W10.08.0292 III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken van 17 november 2008, nr. WJZ / 8177535;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Verstrekken van subsidie

Artikel 2
1.

Subsidies die worden verstrekt krachtens een ministeriële regeling op de gebieden, genoemd in artikel 2 van de Kaderwet EZ-subsidies, en die niet zijn uitgesloten op grond van artikel 1a, worden verstrekt volgens de regels van dit besluit.

2.

Onze Minister kan op aanvraag voor de activiteiten op de gebieden, genoemd in het eerste lid, subsidie verstrekken volgens bij ministeriële regeling bepaalde regels.

3.

Onze Minister stelt regels als bedoeld in het tweede lid uitsluitend over activiteiten die tevens een positieve bijdrage leveren aan de economische, ecologische of sociale dimensie van duurzaamheid.

Artikel 3
1.

Een subsidie wordt verstrekt aan een natuurlijke persoon, rechtspersoon of vennootschap die voor eigen rekening en risico activiteiten uitvoert die ten goede komen aan de Nederlandse economie of andere Nederlandse belangen.

2.

Geen subsidie wordt verstrekt aan een provincie, gemeente of openbaar lichaam als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen, tenzij bij ministeriële regeling is bepaald dat daaraan wel subsidie wordt verstrekt.

Artikel 4

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over:

Hoofdstuk 3. Hoogte subsidie

§ 1. Hoogte subsidie

Artikel 5
1.

Bij ministeriële regeling wordt de wijze van berekenen van de subsidie of de hoogte van de subsidie bepaald.

2.

Bij ministeriële regeling kan een minimum en maximum subsidiebedrag worden bepaald.

§ 2. Cumulatie verschillende subsidies

Artikel 6
1.

Indien reeds door een bestuursorgaan of de Europese Commissie subsidie, met uitzondering van subsidie aan een financier, is verstrekt voor de subsidiabele kosten of een deel daarvan, wordt slechts een zodanig bedrag aan subsidie verstrekt dat het totale bedrag aan subsidies niet meer bedraagt dan het bedrag dat krachtens dit besluit kan worden verstrekt noch meer bedraagt dan toegestaan volgens de toepasselijke Europese steunkaders.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing voor zover de verstrekte subsidie geldmiddelen betreft die één van Onze Ministers onder door hem gestelde voorschriften ter beschikking stelt als bijdrage in de algemene exploitatie- en investeringskosten die een onderzoeksorganisatie maakt.

3.

Indien bij ministeriële regeling is aangegeven dat een bijdrage van een gemeente, provincie of openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen of een ander bestuursorgaan aangemerkt wordt als publieke cofinanciering, kunnen bij ministeriële regeling van het eerste lid afwijkende regels worden gesteld.

Artikel 7
1.

Voor zover dit is toegestaan op grond van de toepasselijke Europese steunkaders kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat bepaalde subsidieregelingen of bijdragen van de Europese Commissie bij de toepassing van artikel 6 buiten beschouwing blijven.

2.

Voor zover dit is toegestaan op grond van de toepasselijke Europese steunkaders kunnen bij ministeriële regeling met betrekking tot de subsidie aan een financier regels worden gesteld over de cumulatie van subsidie bij ondernemingen aan wie als gevolg van de subsidie aan een financier kapitaal wordt verstrekt.

Artikel 8

Indien bij ministeriële regeling is bepaald dat toepassing is gegeven aan een Europees steunkader, wordt het bedrag van de subsidie verlaagd voor zover dit nodig is op basis van het van toepassing zijnde Europees steunkader.

§ 3. Hoogte subsidie voor andere activiteiten dan opgenomen in de bijlage

Artikel 9

Vervallen

Hoofdstuk 4. Subsidiabele kosten

§ 1. Subsidiabele kosten

Artikel 10
1.

Voor subsidie komen de redelijk gemaakte kosten in aanmerking die direct verbonden zijn met de uitvoering van een activiteit.

2.

Vóór indiening van de aanvraag door de subsidieontvanger gemaakte kosten komen niet voor subsidie in aanmerking.

3.

De eventuele restwaarde van specifiek voor de subsidiabele activiteiten aangeschafte apparatuur maakt geen deel uit van de subsidiabele kosten.

4.

De kosten worden in aanmerking genomen met inbegrip van omzetbelasting, indien de subsidieontvanger die de kosten heeft gemaakt, omzetbelasting niet in aftrek kan brengen.

5.

Winstopslagen bij transacties binnen een groep worden alleen in aanmerking genomen voor zover het gebruikelijk is die winstopslagen ook bij soortgelijke transacties buiten de groep in rekening te brengen.

6.

Bij subsidie aan een ondernemer waar een Europees steunkader op van toepassing is, komen alleen de kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van het desbetreffende steunkader.

7.

Afschrijvingskosten van apparatuur en gebouwen worden lineair berekend als fractie van de aanschafprijs op basis van bedrijfseconomische grondslagen en normen, met een minimale afschrijvingstermijn van vijf jaar.

§ 2. Standaardmethoden van berekenen subsidiabele kosten

Artikel 11
1.

Tenzij bij ministeriële regeling in verband met een toepasselijk Europees steunkader een specifieke wijze van berekening van de subsidiabele kosten is aangewezen, kiest de aanvrager voor de berekening van de subsidiabele kosten uit:

2.

De subsidiabele kosten worden berekend op basis van een voor de subsidieontvanger gebruikelijke en controleerbare methode, die is gebaseerd op bedrijfseconomische grondslagen en normen die in het maatschappelijk verkeer als aanvaardbaar worden beschouwd en die de subsidieontvanger stelselmatig toepast.

3.

De kosten van aangeschafte apparatuur en verbruikte materialen en hulpmiddelen worden berekend op basis van historische aanschafprijzen.

4.

Indien het aantal direct productieve uren niet blijkt uit de methode, bedoeld in het tweede lid, wordt het aantal direct productieve uren voor een fulltime dienstverband gesteld op 1650 uur.

Artikel 12
1.

Indien de aanvrager kiest voor de integrale kostensystematiek, berekent de aanvrager de directe en indirecte kosten per kostendrager in een tarief per eenheid van deze kostendrager.

2.

De subsidiabele kosten worden berekend door het aantal eenheden van de kostendragers te vermenigvuldigen met de ingevolge het eerste lid berekende tarief, vermeerderd met de aan derden betaalde kosten voor zover deze geen deel uitmaken van het ingevolge het eerste lid vastgestelde tarief.

3.

Bij een aanvraag om subsidie van € 125.000 of meer dient de subsidieontvanger uiterlijk bij de aanvraag om subsidievaststelling een afschrift in van een rapport van feitelijke bevindingen over de uitkomst van het onderzoek van een accountant betreffende de door de subsidieontvanger gehanteerde integrale kostensystematiek.

4.

Bij ministeriële regeling worden voorschriften gegeven over het rapport, bedoeld in het derde lid en kunnen andere rapporten worden aangewezen die in plaats van het rapport, bedoeld in het derde lid, worden ingediend.

Artikel 13
1.

Indien de aanvrager kiest voor de loonkosten plus vaste-opslag-systematiek, worden de subsidiabele kosten berekend door de directe loonkosten per uur te vermenigvuldigen met het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt, vermeerderd met:

2.

Voor zover geen loonkosten worden gemaakt, maar niettemin arbeid wordt verricht, wordt voor de berekening van de kosten van die arbeid inclusief de opslag voor indirecte kosten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, uitgegaan van een bij ministeriële regeling vast te stellen vast uurtarief.

Artikel 14

Indien de aanvrager kiest voor de vaste-uurtarief-systematiek, worden de subsidiabele kosten berekend door het aantal uren dat de direct bij de subsidiabele activiteiten betrokken personen ten behoeve van deze activiteiten hebben gemaakt te vermenigvuldigen met een bij ministeriële regeling vast te stellen vast uurtarief waarin zowel de directe loonkosten als daaraan toegerekende indirecte kosten zijn begrepen, vermeerderd met:

§ 3. Delegatiebepaling

Artikel 15

Bij ministeriële regeling kan worden afgeweken van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 10 of de wijze van berekenen van de subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 11, eerste lid, en kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitleg van in dit hoofdstuk gebruikte, voor de berekening van de subsidiabele kosten relevante begrippen.

Hoofdstuk 5. Wijze van verdelen en subsidieplafond

Artikel 16

Bij ministeriële regeling wordt een subsidieplafond vastgesteld voor het verstrekken van subsidies op in een bepaalde periode ontvangen aanvragen op grond van dit besluit. Daarbij kunnen afzonderlijke subsidieplafonds worden vastgesteld voor bepaalde categorieën van aanvragers, ondernemingen of activiteiten of voor bepaalde thema’s of voor bepaalde vormen van subsidie.

Artikel 17
1.

Bij ministeriële regeling wordt gekozen voor:

2.

Indien wordt gekozen voor verdeling op volgorde van binnenkomst of verdeling van het subsidieplafond door loting, kan bij ministeriële regeling worden bepaald op welke wijze wordt omgegaan met meerdere aanvragen van één aanvrager of aanvragers binnen één groep.

3.

Indien de subsidie wordt verdeeld op volgorde van rangschikking, worden bij ministeriële regeling rangschikkingscriteria vastgesteld en, indien meerdere rangschikkingscriteria worden vastgesteld, de onderlinge weging hiervan.

4.

Indien subsidie wordt verdeeld op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, op volgorde van rangschikking van de aanvragen, door loting, of evenredig wordt verdeeld over de ingediende aanvragen worden bij ministeriële regeling perioden vastgesteld waarbinnen aanvragen om subsidie moeten zijn ontvangen.

5.

Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op vooraanmeldingen als bedoeld in artikel 21.

6.

Bij ministeriële regeling wordt een datum vastgesteld waarvoor het maximumbedrag per financier als bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel d, wordt aangevraagd en vastgesteld.

7.

Bij ministeriële regeling kunnen criteria worden bepaald voor de vaststelling van een maximumbedrag per financier en kunnen regels worden gesteld over wijziging van het maximumbedrag per financier.

Hoofdstuk 6. Adviescommissies

Artikel 18
1.

Bij ministeriële regeling kan, als het maximale subsidiebedrag per aanvraag gelijk is aan of meer bedraagt dan € 25.000 of als een subsidie wordt verstrekt aan een financier, worden bepaald dat over aanvragen om subsidie ten behoeve van de beoordeling hiervan advies wordt ingewonnen bij een adviescommissie. In dat geval kan bij ministeriële regeling worden bepaald waarover de adviescommissie adviseert. Indien aanvragen worden voorgelegd aan een adviescommissie, gelden het tweede tot en met twaalfde lid.

2.

De adviescommissie heeft tot taak Onze Minister op zijn verzoek te adviseren omtrent aanvragen om subsidie.

3.

De adviezen van de adviescommissie gaan vergezeld van een deugdelijke motivering.

4.

De adviescommissie bestaat uit een voorzitter en een aantal leden. De leden zijn deskundig op het terrein waarop de adviescommissie een taak heeft. De voorzitter en de leden zijn geen ambtenaren, werkzaam bij het Ministerie van Economische Zaken of andere ministeries die voor de subsidie verantwoordelijk zijn of mede verantwoordelijk zijn.

5.

Bij ministeriële regeling wordt het aantal leden en de benoemingstermijn van de voorzitter en van de leden van de adviescommissie vastgesteld.

6.

De voorzitter en de leden worden door Onze Minister benoemd en ontslagen. Zij zijn telkens opnieuw benoembaar voor de termijn, bedoeld in het vijfde lid.

7.

De adviescommissie stelt haar eigen werkwijze schriftelijk vast.

8.

Een lid van de adviescommissie neemt niet deel aan de voorbereiding en vaststelling van een advies, indien hij een persoonlijk belang heeft bij de beschikking op de aanvraag.

9.

Onze Minister kan waarnemers aanwijzen, die het recht hebben de vergaderingen van de adviescommissie bij te wonen.

10.

In het secretariaat van de adviescommissie wordt door Onze Minister voorzien.

11.

Het beheer van de bescheiden betreffende de werkzaamheden van de adviescommissie geschiedt op overeenkomstige wijze als bij het Ministerie van Economische Zaken. De bescheiden worden na beëindiging van de werkzaamheden van de adviescommissie bewaard in het archief van dat ministerie.

12.

De adviescommissie verstrekt desgevraagd aan Onze Minister de voor de uitoefening van zijn taak benodigde inlichtingen. Onze Minister kan inzage vorderen van zakelijke gegevens en bescheiden, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig is.

Hoofdstuk 6. Adviescommissies

Artikel 19
1.

Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat door Onze Minister beschikbaar wordt gesteld.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld aan de aanvraag om subsidie.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over het tijdstip van indienen van de aanvraag.

Artikel 20

Indien aanvragers van subsidie samenwerken in een samenwerkingsverband, dient de penvoerder namens hen de subsidieaanvraag in.

Artikel 21
1.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een aanvraag vergezeld gaat van een advies van een adviescommissie, uitgebracht aan de aanvrager op basis van een vooraanmelding.

2.

De vooraanmelding bevat een voorlopige opgave van de gewenste te subsidiëren activiteiten en van de wijze waarop aan de toepasselijke voorschriften naar verwachting zal kunnen worden voldaan.

3.

Bij de toepassing van het eerste lid vindt vooraanmelding plaats met gebruikmaking van een middel dat door Onze Minister beschikbaar wordt gesteld en kunnen bij ministeriële regeling nadere eisen worden gesteld.

4.

Artikel 18, derde tot en met twaalfde lid, is van overeenkomstige toepassing op de adviescommissie, bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 8. Afwijzingsgronden

Artikel 22
1.

Onze Minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing voor zover in een door de Europese Commissie op grond van artikel 42, 106, derde lid, 107 of 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie verleende goedkeuring anders is bepaald.

Artikel 23

Onze Minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, niet zijnde een subsidie aan een financier, voor zover:

Artikel 24

Onze Minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie aan een financier indien:

Artikel 25

Bij ministeriële regeling kunnen andere afwijzingsgronden dan de afwijzingsgronden, bedoeld in de artikelen 22 tot en met 24, worden opgenomen.

Hoofdstuk 9. Beslissing op de aanvraag

Artikel 26
1.

Onze Minister geeft een beschikking op een aanvraag om subsidie binnen de in onderstaande tabel aangegeven termijn.

2.

Indien een beschikking niet binnen de in de tabel aangegeven termijn kan worden gegeven, kan deze termijn eenmaal met de in de tabel aangegeven termijn worden verlengd.

Wijze van verdelen Bij ministeriële regeling is wel/niet aangegeven dat een bijdrage van een gemeente, een provincie, een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen of een ander bestuursorgaan aangemerkt wordt als publieke cofinanciering Wel/geen advies ingewonnen bij een adviescommissie Beslistermijn
Volgorde van binnenkomst (artikel 17, eerste lid, onderdeel a) Geen sprake van publieke co-financiering Over aanvragen om subsidie wordt geen advies ingewonnen bij een adviescommissie 8 weken na ontvangst van de aanvraag
Volgorde van binnenkomst (artikel 17, eerste lid, onderdeel a) Geen sprake van publieke co-financiering Over aanvragen om subsidie wordt advies ingewonnen bij een adviescommissie 13 weken na ontvangst van de aanvraag
Volgorde van binnenkomst (artikel 17, eerste lid, onderdeel a) Wel sprake van publieke co-financiering 22 weken na ontvangst van de aanvraag
Volgorde van rangschikking (artikel 17, eerste lid, onderdeel b) Geen sprake van publieke co-financiering 13 weken na de laatste dag van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend
Volgorde van rangschikking (artikel 17, eerste lid, onderdeel b) Wel sprake van publieke co-financiering 22 weken na de laatste dag van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend
Evenredige verdeling van het subsidieplafond over de ingediende aanvragen (artikel 17, eerste lid, onderdeel c) Geen sprake van publieke co-financiering 13 weken na de laatste dag van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend
Evenredige verdeling van het subsidieplafond over de ingediende aanvragen (artikel 17, eerste lid, onderdeel c) Wel sprake van publieke co-financiering 22 weken na de laatste dag van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend
Maximumbedrag per financier (artikel 17, eerste lid, onderdeel d) Voor de bij ministeriële regeling bepaalde datum
Verdeling van het subsidieplafond door loting (artikel 17, eerste lid, onderdeel e) Geen sprake van publieke co-financiering 13 weken na de laatste dag van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend
Wel sprake van publieke co-financiering 22 weken na de laatste dag van de periode waarin aanvragen kunnen worden ingediend
Artikel 27
1.

Indien bij ministeriële regeling wordt gekozen voor verdeling van het subsidieplafond op volgorde van binnenkomst van de aanvragen, komt de aanvraag die het eerst is binnengekomen, het eerst voor subsidie in aanmerking.

2.

Indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, geldt met betrekking tot de verdeling de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften als dag van binnenkomst.

3.

Indien Onze Minister op de dag dat het subsidieplafond wordt bereikt meer dan één aanvraag ontvangt, stelt hij de onderlinge rangschikking van die aanvragen vast door middel van loting.

Artikel 28
1.

Indien bij ministeriële regeling wordt gekozen voor verdeling van het subsidieplafond op volgorde van rangschikking van de aanvragen, komt de aanvraag die naar het oordeel van de minister in de hoogste mate aan de rangschikkingscriteria voldoet, het eerst voor subsidie in aanmerking.

2.

Voor zover het subsidieplafond wordt overschreden, stelt de minister de onderlinge rangschikking van die aanvragen die bij de beoordeling gelijk zijn gerangschikt vast door middel van loting.

Artikel 29

Indien de subsidie wordt verstrekt aan deelnemers in een samenwerkingsverband, verzendt Onze Minister de beschikkingen tot subsidieverlening aan de penvoerder.

Hoofdstuk 10. Voorwaarden voor de subsidie-ontvanger

§ 1. Voorwaarden voor de subsidie-ontvanger indien deze een financier is

Artikel 30
1.

De beschikking tot verlenen van een subsidie aan een financier wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen acht weken na de beschikking een overeenkomst tot stand is gekomen tussen de Staat en de financier.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing indien tussen de Staat en de financier reeds een overeenkomst is gesloten.

3.

Bij ministeriële regeling kan een van het eerste lid afwijkende termijn worden vastgesteld waarbinnen een overeenkomst tot stand moet zijn gekomen.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen, in aanvulling op de artikelen 31 tot en met 33, nadere regels worden gesteld over de inhoud van de overeenkomst.

5.

Bij ministeriële regeling wordt een model voor de overeenkomst vastgesteld.

Artikel 31

De overeenkomst, bedoeld in artikel 30, bevat in ieder geval:

Artikel 32
1.

Indien de overeenkomst, bedoeld in artikel 30, een overeenkomst van borgstelling of garantstelling is, bevat deze overeenkomst in aanvulling op artikel 31 in ieder geval:

2.

In de overeenkomst kan worden bepaald dat de financier kredietovereenkomsten kan sluiten voor zover het totaal van de verstrekte kredieten niet hoger is dan het maximale bedrag van de borgstelling.

3.

Bij ministeriële regeling wordt de hoogte van de vergoeding of de wijze van berekenen van de provisie vastgesteld.

Artikel 33
1.

Indien de overeenkomst, bedoeld in artikel 30, een overeenkomst van krediet is, bevat deze overeenkomst in aanvulling op artikel 31 in ieder geval:

2.

Bij ministeriële regeling wordt de hoogte van de vergoeding of de wijze van berekenen van de rente vastgesteld.

§ 2. Voorwaarden voor de subsidie-ontvanger algemeen

Artikel 34
1.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de voorwaarden waaronder een subsidie wordt verleend.

2.

Indien een subsidie wordt verleend aan de deelnemers in een samenwerkingsverband, kan bij ministeriële regeling of bij de beschikking tot subsidieverlening als voorwaarde worden gesteld dat binnen een bepaalde termijn een overeenkomst wordt verstrekt waarin de samenwerking tussen de deelnemers in het samenwerkingsverband is geregeld.

Hoofdstuk 11. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger niet zijnde een financier

§ 2. Voorwaarden voor de subsidieontvanger algemeen

Artikel 35

De in dit hoofdstuk opgenomen verplichtingen gelden voor een ontvanger van een subsidie, niet zijnde een financier.

Artikel 36

De subsidieontvanger en de penvoerder doen onverwijld schriftelijk mededeling aan Onze Minister van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot het op hem toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, tot verlening van surseance van betaling aan hem of tot faillietverklaring van hem.

Artikel 37
1.

Indien de beschikking tot subsidieverlening betrekking heeft op een plan, voert de subsidieontvanger de activiteiten uit overeenkomstig dit plan.

2.

De subsidieontvanger meldt aan Onze Minister indien de subsidiabele kosten zoals opgenomen in de mijlpalen in het plan in het desbetreffende kwartaal of, indien er geen mijlpalenplanning is, in het desbetreffende kalenderjaar meer dan 25% afwijken van de begroting.

3.

Onze Minister kan voor het vertragenof het essentieel wijzigen van de wijze van uitvoering van de activiteiten op voorafgaand verzoek van de subsidieontvanger ontheffing verlenen van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, tenzij hierdoor afbreuk wordt gedaan aan doelstellingen als omschreven in het plan. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

Artikel 38
1.

De subsidieontvanger voert een zodanige administratie dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze is af te leiden:

2.

De administratie wordt tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling bewaard.

3.

Indien de subsidie minder bedraagt dan € 125.000 en de aanvraag voor vaststelling van de subsidie niet vergezeld dient te gaan van een verklaring als bedoeld in artikel 50, derde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing; in dat geval beschikt de subsidieontvanger tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling over die gegevens die nodig zijn om desgevraagd aan te tonen dat de subsidiabele activiteiten zijn verricht.

Artikel 39
1.

Indien de periode van uitvoering van de activiteiten die voor subsidie in aanmerking komen meer dan twaalf maanden in beslag neemt, wordt bij de beschikking tot subsidieverlening de verplichting opgelegd tot indiening van één of meer rapportages, maar ten hoogste één rapportage per jaar, waarbij rekening wordt gehouden met de mijlpalen van de activiteiten.

2.

Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, dienen zij hun rapportages in via een penvoerder.

3.

Indien de subsidie minder bedraagt dan € 25.000 is het eerste lid niet van toepassing.

Artikel 40
1.

De subsidieontvanger draagt zorg voor een verantwoord gebruik van de uit de activiteiten voortvloeiende resultaten overeenkomstig de subsidie-aanvraag.

2.

De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt gedurende vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidievaststelling.

Artikel 41

Vervallen

§ 2. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger bij subsidie met terugbetalingsverplichting

Artikel 42
1.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een subsidie wordt verstrekt met de verplichting dat de subsidieontvanger de verstrekte subsidie volgens een in de beschikking tot subsidieverlening vastgelegd schema terugbetaalt aan Onze Minister. In dat geval wordt in de ministeriële regeling geregeld wanneer en onder welke voorwaarden de subsidie wordt terugbetaald.

2.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de subsidie die wordt terugbetaald, wordt vermeerderd met:

3.

Voor zover dit is toegestaan op grond van de toepasselijke Europese steunkaders kan Onze Minister ontheffing verlenen van de verplichting de verstrekte subsidie, inclusief eventuele rente of opslag, terug te betalen.

4.

De ontheffing, bedoeld in het derde lid, kan worden verleend indien eerder een ontheffing is verleend voor het vertragen, essentieel wijzigen of stopzetten van de activiteiten in verband met onoverkomelijke problemen of het verloren gaan van het marktperspectief.

5.

De subsidieontvanger kan Onze Minister nadat een aanvraag tot subsidievaststelling is ingediend, verzoeken om ontheffing te verlenen van de verplichting subsidie, inclusief eventuele rente of opslag, terug te betalen volgens het bij de beschikking tot subsidieverlening vastgelegde schema.

6.

Aan de ontheffingen, bedoeld in het derde en vijfde lid, kunnen voorschriften worden verbonden.

§ 2. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger bij subsidie met terugbetalingsverplichting

Artikel 43

Onze Minister kan bij de beschikking tot subsidieverlening bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften nader invullen.

Artikel 44
1.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat een of meer van de in dit hoofdstuk opgenomen verplichtingen niet van toepassing zijn.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen andere verplichtingen dan de in dit hoofdstuk opgenomen verplichtingen worden opgelegd.

Hoofdstuk 12. Voorschotten

Artikel 45
1.

Onze Minister verstrekt ambtshalve voorschotten voor een subsidie, niet zijnde een subsidie aan een financier, die nog niet is vastgesteld.

2.

De hoogte en het moment van verstrekking van de voorschotten worden bepaald door de regels, genoemd in de vijfde kolom van onderstaande tabel voor de situaties als bedoeld in de eerste vier kolommen van de tabel.

Soort subsidie Maximaal bedrag subsidie Wel of geen begroting per mijlpaal Duur subsidie volgens regeling Regels voor voorschotten
Subsidie met terugbetalingsverplichting € 25.000 of minder Artikel 47, eerste en derde lid
Subsidie met terugbetalingsverplichting Meer dan € 25.000 maar niet meer dan € 125.000 Eén jaar of minder Artikel 47, eerste en derde lid
Subsidie met terugbetalingsverplichting Meer dan € 25.000 maar niet meer dan € 125.000 Wel begroting per mijlpaal Meer dan één jaar Artikel 46, eerste tot en met derde, vijfde, zesde en tiende lid
Subsidie met terugbetalingsverplichting Meer dan € 25.000 maar niet meer dan € 125.000 Geen begroting per mijlpaal Meer dan één jaar Artikel 46, eerste tot en met derde, vijfde, zevende en tiende lid
Subsidie met terugbetalingsverplichting Meer dan € 125.000 Wel begroting per mijlpaal Artikel 46, eerste tot en met derde, vijfde, zesde en tiende lid
Subsidie met terugbetalingsverplichting Meer dan € 125.000 Geen begroting per mijlpaal Artikel 46, eerste tot en met derde, vijfde, zevende en tiende lid
Andere subsidies dan subsidie met terugbetalingsverplichting € 25.000 of minder Artikel 47, eerste en derde lid
Andere subsidies dan subsidie met terugbetalingsverplichting Meer dan € 25.000 maar niet meer dan € 125.000 Eén jaar of minder Artikel 47, eerste en tweede lid
Andere subsidies dan subsidie met terugbetalingsverplichting Meer dan € 25.000 maar niet meer dan € 125.000 Wel begroting per mijlpaal Meer dan één jaar Artikel 46, eerste tot en met vierde, zesde en tiende lid
Andere subsidies dan subsidie met terugbetalingsverplichting Meer dan € 25.000 maar niet meer dan € 125.000 Geen begroting per mijlpaal Meer dan één jaar Artikel 46, eerste tot en met vierde, zevende en tiende lid
Andere subsidies dan subsidie met terugbetalingsverplichting Meer dan € 125.000 Wel begroting per mijlpaal Artikel 46, eerste tot en met vierde, zesde en tiende lid
Andere subsidies dan subsidie met terugbetalingsverplichting Meer dan € 125.000 Geen begroting per mijlpaal Artikel 46, eerste tot en met vierde, zevende en tiende lid
Artikel 46
1.

Onze Minister verstrekt het eerste voorschot ambtshalve binnen twee weken na aanvang van de activiteiten.

2.

De volgende voorschotten worden ambtshalve verstrekt binnen twee weken na 1 januari, 1 april, 1 juli en 1 oktober voor de in het desbetreffende kwartaal te maken kosten.

3.

Als datum van aanvang van de activiteiten geldt de dag na de verzending van de beschikking tot subsidieverlening of, indien deze later is, de datum die in het plan is opgenomen voor de start van de activiteiten.

4.

Het voorschot bedraagt 90% van het bedrag dat in het desbetreffende kwartaal maximaal voor subsidie in aanmerking komt.

5.

Het voorschot bedraagt 100% van het bedrag dat in het desbetreffende kwartaal maximaal voor subsidie in aanmerking komt.

6.

Onze Minister berekent de hoogte van het maximaal voor subsidie in aanmerking komende bedrag door de in de periode tussen twee mijlpalen te maken subsidiabele kosten te vermenigvuldigen met een bij ministeriële regeling bepaald subsidiepercentage en te delen door het aantal voorschotmomenten in deze periode.

7.

Onze Minister berekent de hoogte van het maximaal voor subsidie in aanmerking komende bedrag door de volgens het plan in de gehele subsidieperiode te maken subsidiabele kosten te vermenigvuldigen met een bij ministeriële regeling bepaald subsidiepercentage en te delen door het aantal voorschotmomenten in deze periode.

8.

De volgende voorschotten worden ambtshalve verstrekt telkens binnen twee weken na het verstrijken van twaalf maanden na de aanvang van de activiteiten.

9.

Het bedrag van het voorschot wordt berekend door 90% van het maximale subsidiebedrag te delen door het aantal voorschotmomenten tijdens de gehele subsidieperiode. Bij ministeriële regeling kan een andere berekeningswijze worden vastgesteld.

10.

Het geheel van voorschotten bedraagt niet meer dan het voorschotpercentage maal de maximale hoogte van de subsidie.

Artikel 47
1.

Het voorschot wordt ambtshalve verstrekt binnen twee weken na de datum van de beschikking tot subsidieverlening.

2.

Het voorschot bedraagt 90% van de maximale hoogte van de subsidie.

3.

Het voorschot bedraagt 100% van de maximale hoogte van de subsidie.

Artikel 48
1.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat het voorschot een ander percentage bedraagt dan genoemd in artikel 46, vierde en vijfde lid en artikel 47, tweede en derde lid of dat geen voorschot wordt verstrekt.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen voor publiekrechtelijke rechtspersonen en andere, bij ministeriële regeling aangewezen instellingen of organisaties, van de artikelen 45 tot en met 47 afwijkende bepalingen over voorschotten worden opgenomen.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen van artikelen 45 tot en met 47 afwijkende bepalingen over voorschotten worden opgenomen indien bij de verstrekking van een subsidie nauw wordt aangesloten bij subsidies als bedoeld in artikel 1a, onderdelen a en b.

4.

Bij ministeriële regeling kan in afwijking van artikel 45, tweede lid, voor subsidies waarvan het maximaal voor subsidie in aanmerking komende bedrag meer bedraagt dan € 25.000 maar niet meer dan € 125.000 en waarvan de duur van de subsidie meer dan één jaar kan bedragen, worden bepaald dat voor de bevoorschotting de regels gelden van artikel 46, eerste, derde, achtste en negende lid.

5.

Indien de subsidie minder bedraagt dan € 25.000 is het eerste lid niet van toepassing.

Hoofdstuk 12. Voorschotten

Artikel 49

De in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen gelden voor een ontvanger van een subsidie, niet zijnde een subsidie aan een financier.

Artikel 50
1.

Tenzij de beschikking tot subsidieverlening tevens de subsidievaststelling inhoudt, dient de subsidieontvanger zijn aanvraag om subsidievaststelling in uiterlijk dertien weken na het tijdstip waarop de activiteiten moeten zijn voltooid.

2.

De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een middel dat door Onze Minister beschikbaar wordt gesteld. De aanvraag gaat vergezeld van de bij ministeriële regeling bepaalde bescheiden, waaronder in ieder geval:

3.

In afwijking van het tweede lid, kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat de aanvraag uitsluitend vergezeld gaat van een verklaring van de subsidieontvanger waaruit blijkt:

4.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere eisen worden gesteld aan de aanvraag.

5.

De controleverklaring, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wordt vastgesteld met inachtneming van bij ministeriële regeling te bepalen regels.

6.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de controleverklaring, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, wordt vervangen door een rapport van feitelijke bevindingen van een accountant of accountant-administratieconsulent over de in artikel 4:45 van de Algemene wet bestuursrecht bedoelde voorschriften.

7.

Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat, in afwijking van het tweede lid, onderdeel c, de aanvraag niet vergezeld hoeft te gaan van een controleverklaring.

8.

In afwijking van het eerste lid kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt de datum waarop:

9.

Indien door Onze Minister krachtens dit besluit een subsidie wordt verleend van minder dan € 25.000, wordt de subsidie ambtshalve vastgesteld, tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald.

Artikel 51

Indien subsidieontvangers samenwerken in een samenwerkingsverband, dient de penvoerder namens hen de aanvraag tot subsidievaststelling in.

Artikel 52

Onze Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.

Artikel 53
1.

Bij ministeriële regeling kunnen voor bij ministeriële regeling aangewezen instellingen of organisaties, van de artikelen 50 tot en met 52 afwijkende bepalingen over de subsidievaststelling worden opgenomen.

2.

Artikel 50 is niet van toepassing op de verstrekking van specifieke uitkeringen.

Hoofdstuk 14. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 54
1.

De volgende besluiten worden ingetrokken:

met dien verstande dat deze besluiten van toepassing blijven op de aanvragen om subsidie die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn ingediend en op subsidies die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn verstrekt.

2.

De overeenkomsten, gesloten op basis van artikel 10 van het Besluit borgstelling MKB-kredieten 1997, worden geacht in stand te blijven tot een nieuwe overeenkomst is gesloten of, indien dit eerder is, tot twee jaar na de datum van inwerkingtreding van dit besluit, behoudens beëindiging van een overeenkomst.

Artikel 55

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 2009.

Artikel 56

Dit besluit wordt aangehaald als: Kaderbesluit nationale EZ-subsidies.

Bijlage. (artikel 5, eerste lid)

Kleine onderneming Middelgrote onderneming Grote onderneming en onderzoeksorganisaties voor zover het betreft economische activiteiten
Onderzoek & Ontwikkeling Onderzoek & Ontwikkeling Onderzoek & Ontwikkeling Onderzoek & Ontwikkeling Onderzoek & Ontwikkeling
Fundamenteel onderzoek 75 75 75
Industrieel onderzoek Basis 70 (80)1De tussen haken opgenomen getallen zijn van toepassing bij krediet met rente en opslag. 60 (70) 50 (60)
Industrieel onderzoek – samenwerking tussen ondernemingen voor grote ondernemingen: samenwerking grensoverschrijdend of met ten minste één kleine of middelgrote onderneming of – samenwerking van een onderneming met een onderzoeksorganisatie of – verspreiding van resultaten 80 (80) 75 (80) 65 (75)
Experimentele ontwikkeling Basis 45 (60) 35 (50) 25 (40)
Experimentele ontwikkeling – samenwerking tussen ondernemingen voor grote ondernemingen: samenwerking grensoverschrijdend of met ten minste één kleine of middelgrote onderneming of – samenwerking van een onderneming met een onderzoeksorganisatie 60 (75) 50 (65) 40 (55)
Technische haalbaarheidstudie voor technische haalbaarheidstudies ter voorbereiding van activiteiten op het gebied van industrieel onderzoek 75 75 65
voor studies ter voorbereiding van activiteiten op het gebied van experimentele ontwikkeling 50 50 40
Innovatie Innovatie Innovatie Innovatie Innovatie
Innovatieve starters die minder dan 6 jaar bestaan op tijdstip van subsidieverlening. NB mag cumuleren Innovatieve starters die minder dan 6 jaar bestaan op tijdstip van subsidieverlening. NB mag cumuleren Max. 1 miljoen euro
proces- en organisatie-innovatie op het gebied van diensten Basis 35 25
Bij samenwerking met kleine of middelgrote ondernemingen en een minimum van 30% van de kosten ten laste omen van de kleine of middelgrote ondernemingen 15
Opzetten, uitbreiden en aansturen van Innovatieclusters t.b.v. de rechtspersoon die het cluster exploiteert Investeringssteun: – opleidingsfaciliteiten en onderzoekcentra; – open access-onderzoeksinfrastructuur: laboratoria, testfaciliteiten; – breedbandnetwerk-infrastructuur. 35 25 15
Exploitatiesteun: – Aansturen clusters Over 5 jaar: – 50; of – ineair aflopend van 100 naar 0. Over 5 jaar: – 50; of – ineair aflopend van 100 naar 0. Over 5 jaar: – 50; of – ineair aflopend van 100 naar 0.
MKB MKB MKB MKB MKB
Steun voor investeringen in materiële en immateriële activa. Steun voor investeringen in materiële en immateriële activa. 20 10
Advies- en andere diensten en werkzaamheden: – diensten van externe adviseurs (niet regulier) – Deelneming vakbeurzen en tentoonstellingen Advies- en andere diensten en werkzaamheden: – diensten van externe adviseurs (niet regulier) – Deelneming vakbeurzen en tentoonstellingen 50 50
Verkrijging en validering industriële eigendomsrechten Verkrijging en validering industriële eigendomsrechten Hetzelfde steunpeil als zou gelden ten aanzien van O&O-steun voor de onderzoeksactiviteiten die in de eerste plaats in de betrokken industriële eigendomsrechten hebben geresulteerd. Hetzelfde steunpeil als zou gelden ten aanzien van O&O-steun voor de onderzoeksactiviteiten die in de eerste plaats in de betrokken industriële eigendomsrechten hebben geresulteerd.
innovatieadviesdiensten en voor diensten inzake innovatieondersteuning Basis 75 met een maximum van 200.000,– per subsidieontvanger over een periode van 3 jaar. 75 met een maximum van 200.000,– per subsidieontvanger over een periode van 3 jaar.
Uitlenen hooggekwalificeerd personeel Uitlenen hooggekwalificeerd personeel 50 50
Opleiding Opleiding Opleiding Opleiding Opleiding
Algemene opleiding Algemene opleiding 70 [80]2De tussen haken opgenomen getallen zijn van toepassing op een opleiding voor kwetsbare of gehandicapte werknemers als bedoeld in deel 9 van dealgemene groepsvrijstellingsverordening. 70 [80] 50 [60]
Specifieke opleiding Specifieke opleiding 35 [45] 35 [45] 25 [35]
Scheepsbouwsteun Scheepsbouwsteun Scheepsbouwsteun Scheepsbouwsteun Scheepsbouwsteun
Steun voor scheepsbouwinnovatie Steun voor scheepsbouwinnovatie 20 20 20

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 14a

Vervallen

§ 3. Delegatiebepaling

Hoofdstuk 5. Wijze van verdelen en subsidieplafond

Hoofdstuk 6. Adviescommissies

Hoofdstuk 7. Indienen van de aanvraag

Hoofdstuk 8. Afwijzingsgronden

Hoofdstuk 9. Beslissing op de aanvraag

Hoofdstuk 10. Voorwaarden voor de subsidie-ontvanger

§ 1. Voorwaarden voor de subsidie-ontvanger indien deze een financier is

§ 2. Voorwaarden voor de subsidie-ontvanger algemeen

Hoofdstuk 11. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger niet zijnde een financier

§ 1. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger algemeen

§ 2. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger bij subsidie met terugbetalingsverplichting

§ 3. Nadere uitwerking verplichtingen

Hoofdstuk 12. Voorschotten

Hoofdstuk 13. Subsidievaststelling

Hoofdstuk 14. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. (artikel 5, eerste lid)

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 36a

De subsidieontvanger doet onverwijld schriftelijk mededeling aan Onze Minister zodra aannemelijk is dat:

§ 2. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger bij subsidie met terugbetalingsverplichting

Hoofdstuk 12. Voorschotten

Hoofdstuk 13. Subsidievaststelling

Hoofdstuk 14. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. (artikel 5, eerste lid)

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 1a

Dit besluit is niet van toepassing op:

Hoofdstuk 2. Verstrekken van subsidie

Hoofdstuk 3. Hoogte subsidie

§ 1. Hoogte subsidie

§ 2. Cumulatie verschillende subsidies

§ 3. Hoogte subsidie voor andere activiteiten dan opgenomen in de bijlage

Hoofdstuk 4. Subsidiabele kosten

§ 1. Subsidiabele kosten

§ 2. Standaardmethoden van berekenen subsidiabele kosten

§ 3. Delegatiebepaling

Hoofdstuk 5. Wijze van verdelen en subsidieplafond

Hoofdstuk 7. Indienen van de aanvraag

Hoofdstuk 8. Afwijzingsgronden

Hoofdstuk 9. Beslissing op de aanvraag

Artikel 28a

Indien bij ministeriële regeling is gekozen voor verdeling van het subsidieplafond door loting, verdeelt Onze Minister het beschikbare bedrag in de volgorde van rangschikking zoals door loting is bepaald.

Hoofdstuk 10. Voorwaarden voor de subsidieontvanger

§ 1. Voorwaarden voor de subsidieontvanger indien deze een financier is

Hoofdstuk 11. Verplichtingen van de subsidieontvanger niet zijnde een financier

§ 1. Verplichtingen van de subsidieontvanger algemeen

§ 3. Nadere uitwerking verplichtingen

Hoofdstuk 12. Voorschotten

Hoofdstuk 13. Subsidievaststelling

Hoofdstuk 14. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage. (artikel 5, eerste lid)

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 39a

Een onderneming die op het tijdstip van de verlening van de subsidie geen vaste inrichting of dochteronderneming in Nederland heeft, draagt er zorg voor dat deze onderneming voor de eerste voorschotbetaling een vaste inrichting of dochteronderneming in Nederland heeft.

§ 2. Verplichtingen van de subsidieontvanger bij subsidie met terugbetalingsverplichting

§ 3. Nadere uitwerking verplichtingen

Hoofdstuk 13. Subsidievaststelling

Hoofdstuk 14. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 54a

Op aanvragen om subsidie die zijn ingediend tijdens een openstellingsperiode van een subsidie-instrument waarvan de begindatum ligt voor 1 juli 2016 en de einddatum daarna, en op subsidies die voor 1 juli 2016 zijn verstrekt, blijven de artikelen 45 en 51 van toepassing zoals deze golden voor die datum.

Bijlage. (artikel 5, eerste lid)

Vervallen

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.