Besluit van 4 december 2008, houdende regels met betrekking tot onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap en de uitvoering daarvan door UWV (Uitvoeringsbesluit onderwijsvoorzieningen voor jongeren met een handicap)

Type AMvB
Publication 2025-10-04
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Sharon A.M. Dijksma, van 6 oktober 2008, nr. WJZ/57270 (2658), directie Wetgeving en Juridische Zaken; gedaan in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op artikel 19a, zevende lid, van de Wet overige OCW-subsidies;

De Raad van State gehoord (advies van 22 oktober 2008, nr. W05.08.0425/I);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Sharon A.M. Dijksma, van 25 november 2008, nr. WJZ/72435 (2658), directie Wetgeving en Juridische Zaken; uitgebracht in overeenstemming met Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en mede namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 19a van de Wet overige OCW-subsidies in werking treedt.

Paragraaf 1. Algemeen

Artikel 1. Algemene bepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel 2. Uitgangspunten verlening voorzieningen
1.

Een voorziening als bedoeld in artikel 19a van de wet wordt niet verstrekt respectievelijk verleend indien het kosten van een voorziening of een voorziening betreft

2.

Bij de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt bij de beoordeling en berekening van de kosten en de verlening van een voorziening als bedoeld in het eerste lid uitgegaan van de goedkoopste adequate voorziening.

Artikel 3. Geen voorzieningen bij geringe kosten
1.

Een voorziening als bedoeld in artikel 19a van de wet wordt niet verstrekt indien de kosten, bedoeld in dat artikel, minder bedragen dan 1,85 maal het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75, zoals laatstgenoemd artikel luidde op 1 januari van het kalenderjaar waarin de kosten zijn gemaakt.

2.

Indien de gezamenlijke waarde van voorzieningen als bedoeld in artikel 19a van de wet die in een kalenderjaar zijn aangevraagd, een bedrag ter hoogte van 1,85 maal het minimumloon, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, gedeeld door 21,75, overtreft, kan het UWV voorzieningen verstrekken ter hoogte van die gezamenlijke waarde.

Artikel 4. Op het individu gerichte voorzieningen

Een voorziening als bedoeld in artikel 19a van de wet wordt slechts verleend indien deze in overwegende mate op het individu is gericht.

Paragraaf 2. Voorzieningen

Artikel 5. Onderwijsvoorzieningen
1.

Onder voorzieningen als bedoeld in artikel 19a, tweede lid, van de wet worden uitsluitend verstaan:

2.

Onder voorzieningen als bedoeld in artikel 19a, tweede en derde lid, van de wet worden niet verstaan:

Artikel 6. Inkomenstoets leefvervoersvoorzieningen
1.

Vervoersvoorzieningen als bedoeld in artikel 19a, derde lid, van de wet, worden niet verleend of worden beëindigd, indien het inkomen van de persoon die de voorziening aanvraagt of aan wie de voorziening is verleend, in het kalenderjaar waarin de voorziening is aangevraagd of voortzetting van een verleende voorziening wordt overwogen, meer bedraagt dan 261 maal 70% van het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen met betrekking tot een loontijdvak van een dag.

2.

Indien het inkomen van de persoon, bedoeld in het eerste lid, in betekenende mate aan fluctuaties onderhevig is, wordt voor de toepassing van het eerste lid de som van het inkomen over het in het eerste lid bedoelde kalenderjaar en het inkomen over de twee daaraan voorafgaande kalenderjaren gedeeld door drie.

3.

Onder vervoersvoorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden in elk geval verstaan een bruikleenauto, een taxikostenvergoeding en een kilometervergoeding voor het gebruik van een eigen auto of van een bruikleenauto.

4.

Bij ministeriële regeling:

5.

Beëindiging van de vervoersvoorzieningen wegens overschrijding van de inkomensgrens, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats met ingang van de datum die is gelegen zes maanden nadat de persoon aan wie de voorziening is verleend van de voorgenomen beëindiging in kennis is gesteld.

Artikel 7. Leefvervoersvoorziening
1.

Een leefvervoersvoorziening als bedoeld in artikel 19a, derde lid, van de wet wordt slechts verleend indien daarmee de uit ziekte of gebrek voortvloeiende beperkingen worden opgeheven of verminderd.

2.

Een leefvervoersvoorziening als bedoeld in artikel 19a, derde lid, van de wet wordt slechts verleend indien op grond van artikel 19a, tweede lid, van de wet een vervoersvoorziening is verleend.

3.

Na beëindiging van de vervoersvoorziening, verleend op grond van artikel 19a, tweede lid, van de wet, wordt de leefvervoersvoorziening voortgezet gedurende de termijn die is voorzien in de beschikking van UWV waarbij de voorziening is toegekend, doch ten hoogste voor de duur van twaalf maanden.

Artikel 8. Intermediaire activiteiten
1.

De verlening van een intermediaire activiteit vindt plaats door vergoeding van de kosten voor bemiddeling bij het vinden van en voor het gebruik van een intermediaire activiteit.

2.

Een intermediaire activiteit, bedoeld in het eerste lid, worden verleend indien er een verklaring is van de huisarts of de behandelend medisch specialist, waaruit blijkt dat deze persoon op het gebruik van een intermediaire activiteit is aangewezen. Deze verklaring wordt eenmalig gevraagd, tenzij het UWV op grond van artikel 73a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen deze al heeft verkregen voor de uitvoering van aan het UWV opgedragen taken. Bij de uitvoering van dit artikel is het UWV bevoegd de verklaring te gebruiken, die het UWV heeft verkregen voor de uitvoering van aanspraken op intermediaire activiteiten op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorzieningen jonggehandicapten, de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Participatiewet.

Artikel 9. Overname van voorzieningen
1.

Het UWV kan, indien een of meer feiten op grond waarvan een voorziening als bedoeld in artikel 19a, tweede lid, van de wet is verleend, zodanig wijzigen dat de verlening niet langer is aangewezen, of indien een met betrekking tot een voorziening afgesloten bruikleencontract afloopt, de desbetreffende persoon de niet in de vorm van een financiële tegemoetkoming verleende voorziening doen behouden of doen kopen, voor een prijs die de op dat moment in het maatschappelijk verkeer geldende waarde van een dergelijke voorziening niet te boven gaat.

2.

Indien de voorziening, bedoeld in het eerste lid, een vervoermiddel betreft, wordt bij het bepalen van de waarde, bedoeld in het eerste lid, uitgegaan van de voorziening zonder specifieke aanpassingen.

Paragraaf 3. Financiering en verantwoording UWV

Artikel 10. Vergoeding kosten UWV
1.

Onze Minister vergoedt aan het UWV de kosten van de voorzieningen die op grond van artikel 19a van de wet door het UWV zijn betaald.

2.

Onze Minister vergoedt aan het UWV de kosten die door het UWV bij de uitvoering van zijn taak, bedoeld in artikel 19a van de wet, worden gemaakt.

3.

Onze Minister vergoedt aan het UWV de kosten die verband houden met het beëindigen door het UWV van de werkzaamheden ter uitvoering van zijn taak bedoeld in artikel 19a van de wet.

4.

Op de kosten komen in mindering de voorzieningen die zijn terugbetaald en de baten die voortvloeien uit de uitvoering van deze regeling.

Artikel 11. Nadere regels bestuursverslag, jaarrekening, tussentijdse rapportages en accountantscontrole
1.

Het UWV biedt jaarlijks vóór 15 maart het gedeelte van het bestuursverslag dat betrekking heeft op de uitvoering van dit besluit met het gedeelte van de jaarrekening dat daarop betrekking heeft aan Onze Minister aan. De verklaring omtrent de getrouwheid, bedoeld in artikel 35 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, bevat een afzonderlijke verklaring over het gedeelte dat betrekking heeft op de uitvoering van dit besluit.

2.

De tussentijdse verslagen die het UWV opstelt op grond van artikel 49, achtste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie bevatten tevens een gedeelte over de uitvoering van dit besluit, welk gedeelte door het UWV wordt aangeboden aan Onze Minister.

3.

UWV biedt het gedeelte van de verslagen, bedoeld in het tweede lid, vóór 15 juni en 15 oktober aan.

4.

Het UWV neemt in het gedeelte van het bestuursverslag met jaarrekening, bedoeld in het eerste lid, ten minste een verslag van de werkzaamheden en het gevoerde beleid met betrekking tot de voorzieningen, bedoeld in artikel 19a van de wet, op en tevens een toelichting op het gedeelte van de jaarrekening en de balans dat betrekking heeft op de uitvoering van dit besluit.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.