← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 10 december 2008, nr. PO&I/2008/34894, houdende de inrichting van de organisatie van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid alsmede verdeling van taken en verlening van vertegenwoordigingsbevoegdheden (Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009)

Geldende tekst a fecha 2015-10-01

Gelet op de artikelen 2, eerste lid, van het Coördinatiebesluit organisatie en formatie rijksdienst 2007 en 10:3 van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Begripsbepaling

Artikel 1. Begrippen

In deze regeling en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Organisatie

Artikel 2. Organisatie ministerie

Het ministerie bestaat uit de volgende organisatieonderdelen:

Artikel 3. Collegiaal overleg
1.

De volgende functionarissen voeren regelmatig collegiaal overleg over de belangrijke aspecten van beleidsontwikkeling en -uitvoering en over de departementale bedrijfsvoering:

2.

Het in het eerste lid bedoelde overleg staat onder voorzitterschap van de secretaris-generaal en elk van de functionarissen neemt daaraan deel met volledig behoud van de eigen verantwoordelijkheden en bevoegdheden. Uit hoofde van zijn functie van inspecteur-generaal, genoemd in artikel 36 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, neemt de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan dit overleg deel op een zodanige wijze, dat dit in overeenstemming is met zijn verantwoordelijkheid voor de onafhankelijke uitvoering van de taken, genoemd in artikel 37 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen.

Hoofdstuk 3. Verantwoordelijkheden en bevoegdheden secretaris-generaal, plaatsvervangend secretaris-generaal, directeuren-generaal en inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Artikel 4. Verantwoordelijkheden secretaris-generaal
1.

De secretaris-generaal is, gelet op het koninklijk besluit van 18 oktober 1988, houdende regeling van de functie en verantwoordelijkheid van de secretaris-generaal (Stb. 1988, 499), belast met de ambtelijke leiding van het ministerie.

2.

De secretaris-generaal geeft rechtstreeks leiding aan de functionarissen, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdelen b tot en met f, en aan de functionarissen die leiding geven aan de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 2, onderdeel a.

3.

De secretaris-generaal kan een meerjarenplan voor het ministerie vaststellen. De secretaris-generaal stelt voorts de jaarplannen vast van de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 2, onderdeel a. De secretaris-generaal kent aan de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal, de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de functionarissen die leiding geven aan de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 2, onderdeel a, de budgetten toe waarover de genoemde functionarissen mogen beschikken. De secretaris-generaal bewaakt de voortgang van de uitvoering van het meerjarenplan en van de jaarplannen van de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 2, onderdeel a.

4.

De secretaris-generaal is verantwoordelijk voor:

Artikel 5. Bevoegdheden secretaris-generaal
1.

De secretaris-generaal is bevoegd om namens een bewindspersoon besluiten te nemen, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten en handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.

2.

De bevoegdheden van de secretaris-generaal, bedoeld in het eerste lid, omvatten in elk geval mandaat, volmacht en machtiging ten aanzien van de volgende aangelegenheden:

3.

De secretaris-generaal is bevoegd tot uitoefening van alle bevoegdheden die zijn verleend aan onder hem ressorterende functionarissen, met dien verstande dat hij gehouden is om door de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangeboden inspectiebevindingen, jaarplannen, meerjarenplannen en jaarverslagen met betrekking tot inspectietaken van de Inspectie SZW ongewijzigd door te sturen naar de desbetreffende bewindspersoon of -personen. Op het jaarplan en het jaarverslag voor de gehele Inspectie SZW is artikel 38 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen van toepassing.

4.

De secretaris-generaal kan departementale projectorganisaties instellen en projectdirecteuren benoemen die leiding geven aan deze projectorganisaties.

Artikel 6. Verantwoordelijkheden plaatsvervangend secretaris-generaal
1.

De plaatsvervangend secretaris-generaal vervangt de secretaris-generaal bij diens afwezigheid of verhindering. Hij treedt alsdan in de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de secretaris-generaal.

2.

De plaatsvervangend secretaris-generaal geeft rechtstreeks leiding aan de functionarissen die leiding geven aan de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 2, onderdeel b.

3.

De plaatsvervangend secretaris-generaal stelt de jaarplannen vast van de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 2, onderdeel b. Gegeven het budget dat door de secretaris-generaal aan de plaatsvervangend secretaris-generaal ter beschikking is gesteld, kent de plaatsvervangend secretaris-generaal aan de functionarissen die leiding geven aan de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 2, onderdeel b, het budget toe waarover zij mogen beschikken. De plaatsvervangend secretaris-generaal bewaakt de voortgang van de uitvoering van de jaarplannen van de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 2, onderdeel b.

4.

De plaatsvervangend secretaris-generaal is belast met de beleids- en bedrijfsvoering betreffende de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 2, onderdeel b, en hij is tevens verantwoordelijk voor een departementsbrede samenhangende bedrijfsvoering. Het werkterrein van de plaatsvervangend secretaris-generaal omvat in brede zin:

5.

De plaatsvervangend secretaris-generaal is verantwoordelijk voor:

6.

De plaatsvervangend secretaris-generaal vervult bij het ministerie de rol van Chief Information Officer.

Artikel 7. Bevoegdheden plaatsvervangend secretaris-generaal
1.

De plaatsvervangend secretaris-generaal is bevoegd om namens een bewindspersoon besluiten te nemen, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten en handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn, voor zover zij verband houden met zijn werkterrein als bedoeld in artikel 6 en voor zover zij niet zijn voorbehouden aan een bewindspersoon of de secretaris-generaal. Van de volmacht, bedoeld in de eerste volzin, is evenwel uitgezonderd het aangaan van:

2.

De bevoegdheden van de plaatsvervangend secretaris-generaal, bedoeld in het eerste lid, omvatten in elk geval mandaat, volmacht en machtiging ten aanzien van de volgende aangelegenheden:

Artikel 8. Verantwoordelijkheden directeuren-generaal en inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid
1.

Elke directeur-generaal en de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid geven rechtstreeks leiding aan de hoofden van de organisatieonderdelen welke ingevolge artikel 2 rechtstreeks onder elk van hen ressorteren.

2.

Elke directeur-generaal stelt de jaarplannen vast van de onder elk van hen ressorterende organisatieonderdelen. De inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt een jaarplan voor de gehele Inspectie SZW vast. Gegeven het budget dat door de secretaris-generaal aan de betreffende directeur-generaal respectievelijk de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid ter beschikking is gesteld, kennen de directeuren-generaal en de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de functionarissen die leiding geven aan de onder hen ressorterende organisatieonderdelen, de budgetten toe waarover zij mogen beschikken. De directeuren-generaal bewaken de voortgang van de uitvoering van jaarplannen van de onder hen ressorterende organisatieonderdelen. De inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid bewaakt de voortgang van de uitvoering van het jaarplan van de gehele Inspectie SZW.

3.

De directeuren-generaal zijn verantwoordelijk voor:

4.

Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid, met dien verstande dat hij voor de toepassing van onderdeel f verantwoordelijk is voor het rapporteren aan de secretaris-generaal over de uitvoering van het jaarplan van de gehele Inspectie SZW.

Artikel 9. Bevoegdheden directeuren-generaal en inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid
1.

Elke directeur-generaal is bevoegd om namens een bewindspersoon besluiten te nemen, privaatrechtelijke rechtshandelingen te verrichten en handelingen te verrichten die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn, voor zover zij verband houden met zijn werkterrein en voor zover zij niet zijn voorbehouden aan een bewindspersoon of de secretaris-generaal. Van de volmacht, bedoeld in de eerste volzin, is evenwel uitgezonderd het aangaan van de volgende overeenkomsten:

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid, met dien verstande dat hij tevens bevoegd is tot:

3.

De in het eerste en tweede lid bedoelde bevoegdheden van de directeuren-generaal en de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid omvatten in elk geval mandaat, volmacht en machtiging ten aanzien van de volgende aangelegenheden:

4.

De uitzonderingen, genoemd in het eerste lid, onderdelen c, d, f, h en i, gelden niet voor de in het eerste lid genoemde bevoegdheden die de directeur-generaal Participatie en Inkomenswaarborg heeft in verband met zijn werkterrein beschreven in artikel 10, aanhef en onderdelen s en t.

Artikel 10. Werkterrein directeur-generaal Participatie en Inkomenswaarborg

De directeur-generaal Participatie en Inkomenswaarborg is belast met de beleids- en bedrijfsvoering betreffende de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 2, onderdeel c. Het werkterrein van de directeur-generaal Participatie en Inkomenswaarborg omvat in brede zin:

Artikel 11. Werkterrein directeur-generaal Werk

De directeur-generaal Werk is belast met de beleids- en bedrijfsvoering betreffende de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 2, onderdeel d. Het werkterrein van de directeur-generaal Werk omvat in brede zin:

Artikel 12. Werkterrein inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid
1.

De inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid is belast met de beleids- en bedrijfsvoering betreffende de Inspectie SZW, die bestaat uit de organisatieonderdelen, genoemd in artikel 2, onderdeel e. Het werkterrein van de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid omvat in brede zin:

2.

De inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid geeft op verzoek van een der kamers van de Staten Generaal of een commissie uit een van die kamers een toelichting op het jaarverslag of een andere rapportage van de Inspectie SZW nadat het desbetreffende stuk aan de kamers ter kennisname is gebracht. De inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid beperkt zich daarbij tot het geven van inlichtingen van feitelijke aard. De inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt de minister terstond in kennis van een verzoek als hier bedoeld.

3.

De inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid is verantwoordelijk voor de verspreiding van jaarverslagen en inspectierapportages ten aanzien van de daarin opgenomen bevindingen, nadat de secretaris-generaal en de bewindslieden van het jaarverslag en de inspectierapportage kennis hebben kunnen nemen.

4.

De Inspectie SZW vervult de rol van verbindingsbureau detacheringsarbeid, bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 96/71/EG.

5.

De Inspectie SZW is verantwoordelijk voor het Informatieknooppunt SZW.

Artikel 13. Opvolging van bevoegdheden door directies Inspectie SZW
1.

Waar in wet- en regelgeving bevoegdheden zijn toegekend aan de Arbeidsinspectie, ambtenaren van de Arbeidsinspectie dan wel aan de algemeen directeur van de Arbeidsinspectie, worden deze bevoegdheden uitgeoefend door de Inspectie SZW, ambtenaren van de Inspectie SZW respectievelijk de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Waar in enig wettelijk voorschrift ambtenaren van de Arbeidsinspectie zijn aangewezen als ambtenaren belast met toezicht op de naleving of opsporing, gelden die aanwijzingen nu voor de ambtenaren van de Inspectie SZW, die daartoe bij die Inspectie SZW zijn aangesteld.

2.

De directie Opsporing is de bijzondere opsporingsdienst, bedoeld in artikel 2, aanhef en onderdeel d, van de Wet op de bijzondere opsporingsdiensten. Waar in wet- en regelgeving bevoegdheden zijn toegekend aan de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst dan wel ambtenaren van de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst, worden deze bevoegdheden uitgeoefend door de directie Opsporing respectievelijk ambtenaren van de directie Opsporing van de Inspectie SZW.

3.

Waar in wet- en regelgeving bevoegdheden zijn toegekend aan de Inspectie Werk en Inkomen, genoemd in artikel 36, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, worden deze bevoegdheden uitgeoefend door de Inspectie SZW.

Hoofdstuk 4. Algemene bepalingen ten aanzien van de uitoefening van taken en bevoegdheden

Artikel 14. Uitoefening bevoegdheden
1.

De uitoefening van vertegenwoordigingsbevoegdheden geschiedt binnen de grenzen van de vastgestelde taken en met inachtneming van het terzake geldende recht alsmede de voor de rijksdienst en voor het ministerie geldende beleids- en uitvoeringsregels.

2.

De algemene bepalingen inzake organisatie, mandaat, volmacht en machtiging in dit besluit zijn tevens van toepassing ten aanzien van de uitoefening van bevoegdheden die krachtens ondermandaat respectievelijk doorverlening van volmacht en machtiging worden uitgeoefend.

3.

Het uitoefenen van vertegenwoordigingsbevoegdheden die betrekking hebben op aangelegenheden met (mogelijke) financiële gevolgen geschiedt, onverminderd het bepaalde in het eerste lid, met inachtneming van:

4.

Verleningen van mandaat, volmacht en machtiging zijn niet van toepassing:

Artikel 15. Wijze van ondertekening
1.

De afdoening van alle stukken waarvan de bewindspersonen aangeven dat zij deze zelf wensen af te doen, geschiedt door een bewindspersoon.

2.

Tenzij de bewindspersonen anders te kennen geven, worden brieven ter beantwoording van persoonlijke brieven, gericht aan (een van) de bewindspersonen, ondertekend door een bewindspersoon.

3.

De vertegenwoordigingsbevoegde is gehouden in de ondertekening van stukken die op basis van mandaat, volmacht of machtiging worden ondertekend, zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid tot uitdrukking te brengen door opneming van de volgende formule:

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

namens deze,

handtekening van de betrokken vertegenwoordigingsbevoegde,

naam van de betrokken vertegenwoordigingsbevoegde,

functie betrokken vertegenwoordigingsbevoegde.

4.

Stukken kunnen met goedvinden van een bewindspersoon overeenkomstig de door hen geparafeerde minute worden ondertekend door de secretaris-generaal dan wel door een door de bewindspersoon aan te wijzen andere functionaris. Daartoe wordt de volgende formule opgenomen:

Overeenkomstig het door de Minister genomen besluit,

handtekening van de betrokken vertegenwoordigingsbevoegde,

naam van de betrokken vertegenwoordigingsbevoegde,

functie betrokken vertegenwoordigingsbevoegde.

5.

In afwijking van het bepaalde in het derde en vierde lid, wordt in de ondertekening van stukken die betrekking hebben op een aangelegenheid die volgens de geldende taakverdeling tussen de bewindspersonen behoort tot het takenpakket van een staatssecretaris, in plaats van ‘Minister’ vermeld: Staatssecretaris. Indien het ministerie meer dan een staatssecretaris heeft, wordt daaraan de naam van de betreffende staatssecretaris toegevoegd.

Artikel 16. Bevoegdheden voorbehouden aan bewindspersonen
1.

Stukken, bestemd voor:

worden vastgesteld en ondertekend door een bewindspersoon.

2.

Ministeriële regelingen houdende algemeen verbindende voorschriften worden vastgesteld en ondertekend door een bewindspersoon. Indien bij of krachtens de wet waarbij de bevoegdheid tot het vaststellen van een ministeriële regeling wordt verleend in de mogelijkheid van mandaatverlening is voorzien, kan een ministeriële regeling namens de bewindspersoon worden vastgesteld en ondertekend door hetzij de functionaris die daartoe bij of krachtens die wetsbepaling is aangewezen, hetzij de functionaris die daarvoor op grond van deze regeling in aanmerking komt.

3.

Besluiten inzake het verlenen van goedkeuring aan, het schorsen of het vernietigen van dan wel het onthouden van goedkeuring aan besluiten van een ander bestuursorgaan worden genomen en ondertekend door een bewindspersoon.

4.

Besluiten inzake de definitieve buiteninvorderingstelling van vorderingen op derden van meer dan € 500.000,– worden genomen en ondertekend door een bewindspersoon.

5.

Besluiten inzake kwijtschelding van vorderingen op derden van meer dan € 500.000,– worden genomen en ondertekend door een bewindspersoon.

6.

Besluiten tot instelling van een externe of interdepartementale commissie of een adviescollege in de zin van de Kaderwet adviescolleges en de benoeming van de leden van deze organen dan wel de inschakeling van externe personen die op verzoek van een bewindspersoon op persoonlijke titel en op individuele basis een bepaalde taak verrichten, worden genomen en ondertekend door een bewindspersoon.

Artikel 17. Commissies en adviescolleges
1.

Een voorstel tot het nemen van een besluit als bedoeld artikel 16, zesde lid, wordt na schriftelijke instemming van de secretaris-generaal aan een bewindspersoon voorgelegd.

2.

Besluiten tot de toekenning van vergoedingen en beloningen aan een externe of interdepartementale commissie, een adviescollege in de zin van de Kaderwet adviescolleges, dan wel aan externe personen die op verzoek van een bewindspersoon op persoonlijke titel en op individuele basis een bepaalde taak verrichten, worden genomen na schriftelijke instemming van de secretaris-generaal.

Artikel 18. Plaatsvervanging

Bij afwezigheid of verhindering van een vertegenwoordigingsbevoegde worden, voor de duur van de afwezigheid of verhindering, diens taken en bevoegdheden waargenomen door een daartoe aan te wijzen plaatsvervanger, behoudens de bevoegdheid tot het verlenen, wijzigen of intrekken van mandaten, volmachten en machtigingen.

Artikel 19. Bevoegdheid leidinggevende

Tenzij in deze regeling anders is bepaald, is de leidinggevende van een vertegenwoordigingsbevoegde te allen tijde bevoegd de aan deze verleende bevoegdheden zelf uit te oefenen.

Artikel 20. Eigen personeelsaangelegenheden

Een vertegenwoordigingsbevoegde is niet bevoegd tot het nemen van besluiten over en het vaststellen en ondertekenen van stukken op het gebied van personeelsaangelegenheden die betrekking hebben op hemzelf.

Artikel 21. Subsidies

Vervallen

Artikel 22. Overeenkomsten en opdrachten
1.

Het gebruik van een afgesloten raamovereenkomst is verplicht, behoudens toestemming van de houder van de raamovereenkomst om hiervan af te wijken.

2.

Indien een organisatieonderdeel overweegt om een voorgenomen opdracht met een waarde die minimaal gelijk is aan de laagste drempel voor aanbesteding conform de Europese aanbestedingsrichtlijnen niet aan te besteden, omdat het van mening is dat de betreffende opdracht niet onder het regime van een van de Europese aanbestedingsrichtlijnen valt, dan wel dat een beroep kan worden gedaan op uitzonderingsbepalingen binnen die richtlijnen, is inschakeling van de directeur Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden verplicht, ongeacht of de Haagse Inkoop Samenwerking hierover heeft geadviseerd.

3.

Indien de geraamde waarde van een voorgenomen opdracht € 15.000,– exclusief BTW of meer bedraagt, is inschakeling van de Haagse Inkoop Samenwerking verplicht.

4.

Het eerste tot en met het derde lid zijn niet van toepassing ten aanzien van het Agentschap SZW en de Inspectie Werk en Inkomen.

5.

Een opdracht voor de externe inhuur van interim-management, organisatie- en formatieadviezen, communicatieadvies of beleidsadvies wordt slechts verleend na voorafgaande instemming van een van de functionarissen, genoemd in artikel 3, eerste lid.

6.

Het vijfde lid is niet van toepassing op de RCN-unit Sociale Zaken, gevestigd te Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Artikel 23. Doorverlening bevoegdheden
1.

De secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen hun vertegenwoordigingsbevoegdheden in een door hen te bepalen omvang mandateren of doorverlenen aan onder hen ressorterende functionarissen. Zij kunnen daarbij bepalen dat deze ondermandaat kunnen verlenen respectievelijk volmacht en machtiging kunnen doorverlenen aan rechtstreeks onder hen ressorterende functionarissen.

2.

Bevoegdheden ten aanzien van de volgende aangelegenheden kunnen niet worden doorverleend aan andere dan de in artikel 3, eerste lid, genoemde functionarissen:

3.

Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid kunnen de secretaris-generaal, de plaatsvervangend secretaris-generaal, de directeuren-generaal en de inspecteur-generaal Sociale Zaken en Werkgelegenheid hun bevoegdheden eveneens doorverlenen aan functionarissen die niet onder hen ressorteren, mits de betreffende functionaris daarmee schriftelijk instemt.

4.

De (door)verlening van (onder-)mandaat, volmacht en machtiging kan uitsluitend bij een schriftelijk besluit geschieden.

Artikel 24. Kennisgeving doorverlening bevoegdheden
1.

De vertegenwoordigingsbevoegde brengt de door hem vastgestelde organisatie- mandaat- en volmachtbesluiten onmiddellijk en in elk geval voor de bekendmaking ter kennis aan de mandaat- respectievelijk volmachtgever en – indien deze niet tevens de directe leidinggevende is – aan de directe leidinggevende, alsmede aan de secretaris-generaal.

2.

Binnen het ministerie wordt een mandaat-, volmacht- en machtigingsregister SZW bijgehouden. De vertegenwoordigingsbevoegde draagt zorg voor een juiste, volledige en tijdige aanlevering van de door hem vastgestelde besluiten tot doorverlening van mandaten, volmachten en machtigingen, alsmede van aanwijzingen van plaatsvervangers als bedoeld in artikel 18, aan de beheerder van het mandaat-, volmacht- en machtigingsregister SZW.

Artikel 25. Aanwijzingen
1.

Aan de uitoefening van de bij dit besluit opgedragen taken en van de bij en krachtens dit besluit verleende bevoegdheden kunnen door iedere leidinggevende algemene en bijzondere aanwijzingen aan zijn ondergeschikten worden verbonden.

2.

De vertegenwoordigingsbevoegde is gehouden de algemene en bijzondere aanwijzingen op te volgen.

3.

Elke leidinggevende is gehouden toe te zien op de naleving door zijn ondergeschikten van deze en andere mandaat- en volmachtbesluiten en van de aan de uitoefening van het mandaat, de volmacht of machtiging verbonden algemene en bijzondere aanwijzingen.

4.

De vertegenwoordigingsbevoegde is gehouden met inachtneming van de door zijn leidinggevende(n) te geven algemene en bijzondere aanwijzingen aan zijn leidinggevende(n) te rapporteren over de wijze waarop hij zijn taken heeft uitgeoefend en van zijn vertegenwoordigingsbevoegdheden gebruik heeft gemaakt. De leidinggevende(n) kan/kunnen algemene en bijzondere aanwijzingen geven omtrent de vorm, inhoud, tijdstippen en perioden van de rapportage.

5.

Alle in deze regeling genoemde bedragen zijn inclusief BTW, met uitzondering van het bedrag, genoemd in artikel 22, derde lid.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 26. Wijziging andere regeling

Wijzigt het Mandaatbesluit Tijdelijke SZW-borgstellingsregeling startende ondernemers vanuit een uitkering.

Artikel 27. Wijziging andere regeling

Wijzigt het Mandaatbesluit SZW-Subsidieregeling preventie van arbeidsuitval 2004.

Artikel 28. Wijziging andere regeling

Wijzigt het Mandaat projectdirectie Leren en Werken.

Artikel 29. Intrekking en nieuwe grondslag regelingen
2.

Na de inwerkingtreding van deze regeling berusten de volgende regelingen die genomen zijn krachtens artikel 22, eerste lid, van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2004 op artikel 23, eerste lid, van deze regeling:

3.

Na de inwerkingtreding van deze regeling berusten de volgende regelingen die genomen zijn krachtens artikel 22, eerste en derde lid, van het Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2004 op artikel 23, eerste en derde lid, van deze regeling:

Artikel 30. Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2009, met dien verstande dat artikel 26, onderdeel A terugwerkt tot en met 1 juli 2007.

Artikel 31. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Organisatie-, mandaat- en volmachtbesluit SZW 2009.

Deze regeling zal met de toelichting (en de bijlage(n)) in de Staatscourant worden geplaatst.