Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 18 december 2008, nr. WJZ/84447 (8240), houdende uitvoeringsregels van de Mediawet 2008 (Mediaregeling 2008)
Gelet op de artikelen 2.20, derde lid, 2.30, vierde lid, 2.44, tweede lid, 2.69, 2.157, eerste lid, 2.165, 2.187, tweede lid, 3.1, derde lid, 3.30, tweede lid, 6.5, tweede lid, 8.8, eerste lid, en artikel 9.6 van de Mediawet 2008 en de artikelen 6 en 29 van het Mediabesluit 2008;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze regeling wordt verstaan onder:
- groep: een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek;
- minister: Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
- Stimuleringsfonds: Stimuleringsfonds voor de pers, genoemd in artikel 8.1 van de wet;
- wet: Mediawet 2008.
Hoofdstuk 2. Publieke mediadiensten
Afdeling 2.1. Landelijke publieke mediadienst
Artikel 2. Indiening concessiebeleidsplan
De NPO dient het concessiebeleidsplan in vóór 1 november van het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan een nieuwe erkenningperiode.
Artikel 3. Indiening aanvraag erkenning
Omroeporganisaties dienen de aanvraag voor een erkenning of voorlopige erkenning, bedoeld in artikel 2.30 van de wet, vóór 1 februari van het kalenderjaar dat voorafgaat aan een nieuwe erkenningperiode in bij het Commissariaat.
Omroeporganisaties dienen de nieuwe aanvraag, bedoeld in artikel 2.31, vierde lid, eerste volzin, van de wet, uiterlijk één maand na de dagtekening van het besluit van de minister daartoe in bij het Commissariaat.
De minister besluit op de aanvragen, bedoeld in het eerste en tweede lid, vóór 1 augustus van het kalenderjaar dat voorafgaat aan een nieuwe erkenningperiode.
Artikel 4. Inrichting aanvraag erkenning
Een aanvraag als bedoeld in artikel 3, eerste en tweede lid, bevat:
- a. voor zover beschikbaar de opgave van het door het Commissariaat vastgestelde aantal leden van de omroepverenigingen, bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de wet;
- b. een beschrijving van de structuur, bedoeld in artikel 2.142a, eerste lid, van de wet, van de omroeporganisatie, waarbij, indien van toepassing, specifiek wordt aangegeven op welke punten deze afwijkt van de gedragscode, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, van de wet;
- c. een beschrijving van de inrichting, sturing en beheersing van bedrijfsprocessen en van de financiële en administratieve organisatie van de omroeporganisatie;
- d. een overzicht van de financiën van de omroeporganisatie, wat voor de aanvraag voor een erkenning van een omroeporganisatie, niet zijnde een samenwerkingsomroep, in elk geval inhoudt: de jaarrekening over het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar van de indiening van de aanvraag van die omroeporganisatie of van de omroepverenigingen waaruit die organisatie gevormd is; en
- e. in geval van een samenwerkingsomroep:
- 1°. de statuten en reglementen van de omroepverenigingen die de samenwerkingsomroep vormen;
- 2°. een beschrijving van de structuur, bedoeld in artikel 2.142a, eerste lid, van de wet, van de omroepverenigingen die de samenwerkingsomroep vormen, gelet op artikel 2.142a, derde lid;
- 3°. een beschrijving van de inrichting, sturing en beheersing van bedrijfsprocessen en van administratieve organisatie van de omroepverenigingen die de samenwerkingsomroep vormen;
- 4°. een overzicht van de financiën van de omroepverenigingen die de samenwerkingsomroep vormen, en in elk geval de jaarrekening over het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar van de indiening van de aanvraag van die omroepverenigingen; en
- 5°. notariële akten en overeenkomsten, anders dan bedoeld onder 1° tot en met 4°, die betrekking hebben op de samenwerking binnen de samenwerkingsomroep.
In geval van een aanvraag voor een voorlopige erkenning bevat de aanvraag de notariële akten en overeenkomsten die betrekking hebben op de samenwerking met de NTR of de omroeporganisatie waaraan de aanvrager de verzorging van haar media-aanbod heeft opgedragen.
Een aanvraag gaat vergezeld van vier kopieën.
Afdeling 2.2. Regionale en lokale publieke mediadiensten
§ 2.2.1. Aanwijzing
Artikel 5. Indiening aanvraag aanwijzing
De aanvraag voor een aanwijzing, bedoeld in artikel 2.65 van de wet, gaat vergezeld van:
- a. een exemplaar van de notarieel vastgelegde statuten;
- b. een overzicht van de belangrijkste in de gemeente respectievelijk provincie voorkomende maatschappelijke, culturele, godsdienstige en geestelijke stromingen van waaruit leden worden benoemd in het in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c, van de wet bedoelde orgaan;
- c. een overzicht van de leden van het orgaan, bedoeld in artikel 2.61, tweede lid, onderdeel c, van de wet; en
- d. een aanduiding van het gebied waarbinnen het media-aanbod zal worden verspreid.
Artikel 6. Advisering door provinciale staten en gemeenteraad
Het Commissariaat legt een aanvraag voor een aanwijzing van een regionale publieke media-instelling respectievelijk een lokale publieke media-instelling binnen vier weken na ontvangst daarvan ter advisering voor aan de desbetreffende provinciale staten respectievelijk gemeenteraad.
Provinciale staten brengen respectievelijk de gemeenteraad brengt binnen achttien weken na ontvangst van de aanvraag advies uit aan het Commissariaat.
Het Commissariaat beslist binnen vier weken na ontvangst van het advies, bedoeld in het tweede lid, op de aanvraag en bepaalt daarbij de ingangsdatum van de aanwijzing.
Artikel 7. Aanvraagtermijn aansluitende periode regionale publieke media-instelling
Als een aangewezen regionale publieke media-instelling voor een aansluitende periode van vijf jaar aangewezen wil worden, dient zij uiterlijk zes maanden voor het einde van de lopende aanwijzingsperiode de aanvraag voor een nieuwe aanwijzing in.
Artikel 8. Afwijken van adviseringsprocedure
Het Commissariaat kan in bijzondere gevallen afwijken van artikel 6.
Artikel 9. Intrekken aanwijzing
Een besluit tot intrekking van de aanwijzing op grond van artikel 2.67, eerste lid, en 2.68. eerste lid, onderdelen a en b, van de wet, gaat onmiddellijk in.
§ 2.2.2. Reclame- en telewinkelboodschappen
Artikel 10. Boekhouding
Lokale en regionale publieke media-instellingen die reclame- en telewinkelboodschappen in het media-aanbod opnemen, voeren een behoorlijke boekhouding.
De boekhouding bevat ten minste gegevens over de kosten en opbrengsten, verdeeld naar:
- a. de kosten en opbrengsten van de exploitatie van reclame- en telewinkelboodschappen;
- b. de kosten en opbrengsten van ander media-aanbod; en
- c. de kosten en opbrengsten van alle andere activiteiten.
Artikel 11. Jaarrekening
Lokale media-instellingen die reclame- en telewinkelboodschappen in het media-aanbod opnemen, zenden jaarlijks vóór 1 juni de jaarrekening aan het Commissariaat.
De jaarrekening gaat vergezeld van een verklaring van een accountant-administratieconsulent of een registeraccountant omtrent de getrouwheid ervan.
Het Commissariaat kan voor bepaalde categorieën lokale media-instellingen vrijstelling verlenen van het tweede lid.
Afdeling 2.3. Nadere voorschriften publieke mediadiensten
Artikel 12. Voorschotten landelijke publieke media-instellingen
De landelijke publieke media-instellingen ontvangen voorschotten in twaalf maandelijkse termijnen. De raad van bestuur kan hiervan afwijken.
De raad van bestuur bepaalt de hoogte van de voorschotten mede op basis van de begroting, bedoeld in artikel 2.147 van de wet, en zonodig een liquiditeitsprognose van de desbetreffende instelling.
Indien de raad van bestuur hierom verzoekt, zenden de landelijke publieke media-instellingen voor 1 november van het jaar, voorafgaande aan het begrotingsjaar een liquiditeitsprognose ter kennisneming aan de raad van bestuur.
Het totaal aan voorschotten in enig jaar is niet hoger dan het voor dat jaar vastgestelde totale budget.
Artikel 13. Berekening budget
Het moment, bedoeld in artikel 2.152 van de wet, is 1 januari 2014.
Artikel 14. Tijdstip uitbrengen rapport evaluatiecommissie
De evaluatiecommissie, bedoeld in artikel 2.185 van de wet, brengt vóór 1 augustus van het tweede kalenderjaar dat voorafgaat aan een nieuwe erkenningperiode rapport uit als bedoeld in artikel 2.187, tweede lid, van de wet.
Hoofdstuk 3. Commerciële omroepdiensten
§ 3.1. Aanvraag toestemming
Artikel 15. Aanvraag toestemming
De aanvraag voor toestemming, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, van de wet, gaat vergezeld van:
- a. een exemplaar van de statuten van de aanvrager;
- b. een opgave van de feitelijke vestigingsplaats als deze afwijkt van de statutaire zetel;
- c. een aanduiding of de aanvraag voor toestemming betrekking heeft op televisieomroep of op radio-omroep; en
- d. een overzicht van de organisatorische en juridische structuur van de aanvrager en een overzicht van zijn bestuurders en aandeelhouders.
Artikel 16. Indiening aanvraag aansluitende periode
Een commerciële media-instelling die een toestemming, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de wet, heeft verkregen, dient de aanvraag voor een toestemming voor een aansluitende periode uiterlijk vijf maanden voor het einde van de lopende toestemmingsperiode in.
§ 3.2. Toezichtskosten
Artikel 17
Een commerciële media-instelling is voor elke verkregen toestemming, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de wet, en voor elke van haar mediadiensten op aanvraag, bedoeld in artikel 3.29a van de wet, jaarlijks aan het Commissariaat toezichtskosten verschuldigd berekend volgens de bij deze regeling gevoegde bijlage.
Hoofdstuk 3. Commerciële mediadiensten
Artikel 18. Aanvraag aanwijzing
De aanvraag voor aanwijzing van uren ten behoeve van overheidsvoorlichting, bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, van de wet, wordt ingediend in de maand september.
Het Commissariaat beslist uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar waarin de aanvraag is ingediend.
Hoofdstuk 4. Overheid
§ 5.1. Inkomsten uit reclame- en telewinkelboodschappen
Artikel 19. Percentage inkomsten voor Stimuleringsfonds
Het percentage, bedoeld in artikel 8.8, eerste lid, onderdeel a, van de wet, bedraagt nul. In afwijking van de eerste volzin wordt in het jaar 2009 ten hoogste vier procent van de inkomsten uit reclame- en telewinkelboodschappen van de landelijke publieke mediadienst in 2008 uitgekeerd ten behoeve van het Stimuleringsfonds voor de pers.
§ 5.2. Subsidieverstrekking
Artikel 20. Aanvraagvereisten
Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 8.11, 8.12, 8.14 respectievelijk 8.13 van de wet, wordt ingediend door de uitgever van een persorgaan respectievelijk de uitgevers van de betrokken persorganen gezamenlijk en bevat in ieder geval:
- a. gegevens over de financiële positie van het persorgaan respectievelijk de persorganen;
- b. een omschrijving van de juridische structuur van de bij de aanvraag betrokken persorganen;
- c. als een betrokken uitgever deel uit maakt van een groep, een omschrijving van de structuur van de groep en een omschrijving van de juridische en economische verhoudingen tussen de uitgever en de andere vennootschappen van de groep;
- d. gegevens over oplage en verspreiding; en
- e. een activiteitenplan als bedoeld in artikel 8.11, tweede lid, 8.12, tweede lid, dan wel 8.13, tweede lid, van de wet en voor wat betreft een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 8.14 van de wet, een voorstel voor opzet en uitvoering van het beoogde organisatieonderzoek.
Een aanvraag voor subsidie op grond van artikel 8.15 van de wet wordt ingediend door de voor het onderzoek verantwoordelijke natuurlijke persoon of personen, of de voor het onderzoek verantwoordelijke rechtspersoon of rechtspersonen en bevat in ieder geval:
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.