Besluit van 4 februari 2009, houdende regels met betrekking tot de eigen bijdrage voor de rechtzoekende in geval van verlening van gesubsidieerde rechtsbijstand alsmede enige nadere regels omtrent de vaststelling van de financiële draagkracht van de rechtzoekende (Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand)
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Justitie van 9 december 2008, nr. 5577912/08/6;
Gelet op de artikelen 25, zesde lid, 34a, vierde lid, 34d, derde lid, en 35 van de Wet op de rechtsbijstand;
De Raad van State gehoord (advies van 7 januari 2009, nr. W03.08.0545/II);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Justitie van 23 januari 2009, nr. 5583098/09/6;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Hoofdstuk 1. Algemeen
Artikel 1
In dit besluit wordt verstaan onder:
- diagnosedocument: een schriftelijk document, opgesteld in het kader van de verlening van rechtshulp door een voorziening als bedoeld in artikel 7, tweede lid, of artikel 8, tweede lid, van de wet, waarin is opgenomen een analyse van het juridisch probleem en een advies over dat probleem, met zo nodig een verwijzing naar ter zake doende instanties en rechtsbijstandverleners;
- draagkracht: draagkracht zoals die overeenkomstig de wet wordt berekend;
- eigen bijdrage: eigen bijdrage, bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de wet;
- opvolgend deskundigenoordeel: het oordeel van een opvolgend rechtsbijstandverlener als bedoeld in de artikelen 9 en 20 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 over een zaak waarvoor een toevoeging is verleend aan een andere rechtsbijstandverlener die niet werkzaam is in hetzelfde samenwerkingsverband, met als doel de twijfel die de rechtzoekende heeft over het oordeel van die andere rechtsbijstandverlener weg te nemen;
- wet: Wet op de rechtsbijstand.
Hoofdstuk 2. Eigen bijdrage
Artikel 2
Onverminderd het bepaalde in artikel 2a, bedraagt de eigen bijdrage, die een natuurlijk persoon verschuldigd is voor de verlening van rechtsbijstand op basis van een toevoeging in gevallen waarin uitsluitend zijn inkomen of vermogen in aanmerking wordt genomen:
- a. € 196,– per 1 januari 2026: € 257, indien het inkomen niet hoger is dan € 17.700,–per 1 januari 2026: € 25.200;
- b. € 360,– per 1 januari 2026: € 475, indien het inkomen meer dan € 17.700,–per 1 januari 2026: € 25.200 en ten hoogste € 18.400,– per 1 januari 2026: € 25.900 bedraagt;
- c. € 514,– per 1 januari 2026: € 678, indien het inkomen meer dan € 18.400,–per 1 januari 2026: € 25.900 en ten hoogste € 19.400,– per 1 januari 2026: € 27.500 bedraagt;
- d. € 669,– per 1 januari 2026: € 882, indien het inkomen meer dan € 19.400,–per 1 januari 2026: € 27.500 en ten hoogste € 21.300,– per 1 januari 2026: € 29.800 bedraagt; en
- e. € 823,– per 1 januari 2026: € 1.084, indien het inkomen meer dan € 21.300,–per 1 januari 2026: € 29.800 en ten hoogste € 25.200,– per 1 januari 2026: € 35.400 bedraagt.
Onverminderd het bepaalde in artikel 2a, bedraagt de eigen bijdrage, die een natuurlijk persoon verschuldigd is voor de verlening van rechtsbijstand op basis van een toevoeging in andere gevallen:
- a. € 196,– per 1 januari 2026: € 257, indien het inkomen niet hoger is dan € 24.800,–per 1 januari 2026: € 35.000;
- b. € 360,– per 1 januari 2026: € 475, indien het inkomen meer dan € 24.800,–per 1 januari 2026: € 35.000 en ten hoogste € 25.700,–per 1 januari 2026: € 36.200 bedraagt;
- c. € 514,– per 1 januari 2026: € 678, indien het inkomen meer dan € 25.700,–per 1 januari 2026: € 36.200 en ten hoogste € 27.000,–per 1 januari 2026: € 37.900 bedraagt;
- d. € 669,– per 1 januari 2026: € 882, indien het inkomen meer dan € 27.000,–per 1 januari 2026: € 37.900 en ten hoogste € 30.100,–per 1 januari 2026: € 42.400 bedraagt; en
- e. € 823,– per 1 januari 2026: € 1.084, indien het inkomen meer dan € 30.100,–per 1 januari 2026: € 42.400 en ten hoogste € 35.600,–per 1 januari 2026: € 50.000 bedraagt.
In afwijking van het eerste onderscheidenlijk tweede lid en artikel 2a bedraagt de eigen bijdrage, die een natuurlijk persoon verschuldigd is voor de verlening van rechtsbijstand bestaande uit het geven van eenvoudig rechtskundig advies, in gevallen waarin uitsluitend zijn inkomen of vermogen in aanmerking wordt genomen onderscheidenlijk in andere gevallen:
- a. € 77,– per 1 januari 2026: € 101, indien het inkomen ten hoogste € 18 400,–per 1 januari 2026: € 25.900 onderscheidenlijk ten hoogste € 25 700,–per 1 januari 2026: € 36.200 bedraagt; en
- b. € 129,– per 1 januari 2026: € 170, indien het inkomen meer dan € 18 400,–per 1 januari 2026: € 25.900 en ten hoogste € 25 200,–per 1 januari 2026: € 35.400 onderscheidenlijk meer dan € 25 700,–per 1 januari 2026: € 36.200 en ten hoogste € 35 600,–per 1 januari 2026: € 50.000 bedraagt.
Indien een natuurlijk persoon blijkens een betalingsbewijs de eigen bijdrage, bedoeld in het derde lid, heeft voldaan, wordt deze in mindering gebracht op de eigen bijdrage die hij in geval van een wijziging van de toevoeging als bedoeld in artikel 24a, tweede lid, van de wet overeenkomstig het eerste of tweede lid voor de verlening van rechtsbijstand op basis van een toevoeging is verschuldigd.
De eigen bijdrage, die een rechtspersoon verschuldigd is voor de verlening van rechtsbijstand op basis van een toevoeging, bedraagt € 823,– per 1 januari 2026: € 1.084.
Indien aan een rechtzoekende, alvorens deze een toevoeging aanvraagt, in persoon rechtshulp is verleend met betrekking tot zijn individuele rechtsbelang door een voorziening als bedoeld in artikel 7, tweede lid, of artikel 8, tweede lid, van de wet, en in het kader daarvan een diagnosedocument is opgesteld en aan de rechtzoekende ter beschikking is gesteld, wordt de op grond van het eerste, tweede onderscheidenlijk vijfde lid verschuldigde eigen bijdrage met € 53,– per 1 januari 2026: € 69 verlaagd.
In afwijking van het zesde lid wordt de eigen bijdrage, die een natuurlijke persoon verschuldigd is voor de verlening van rechtsbijstand op basis van een toevoeging, verlaagd met € 53,– per 1 januari 2026: € 69 indien de rechtsbijstand wordt verleend:
- a. in een strafzaak in eerste aanleg jegens een verdachte als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000;
- b. bij de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel a, van de Vreemdelingenwet 2000;
- c. bij het inbrengen van een zienswijze tegen het voornemen tot afwijzen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 33 van de Vreemdelingenwet 2000;
- d. bij het inbrengen van een zienswijze tegen het voornemen tot afwijzen van de aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000;
- e. bij het inbrengen van een zienswijze tegen het voornemen om een verblijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 28 en 33 van de Vreemdelingenwet 2000 in te trekken;
- f. in een zaak omtrent het opleggen van een sanctie als bedoeld in artikel 5:2 van de Algemene wet bestuursrecht;
- g. in een zaak in hoger beroep of cassatie.
Het bestuur kan beslissen om de op grond van het eerste, tweede onderscheidenlijk vijfde lid verschuldigde eigen bijdrage met € 53,– per 1 januari 2026: € 69 te verlagen indien van de rechtzoekende, gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de persoonlijke omstandigheden van de rechtzoekende, redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat is voldaan aan het bepaalde in het zesde lid alvorens een toevoeging aan te vragen.
In de gevallen bedoeld in de artikelen 2b en 2c, vindt de verlaging van de eigen bijdrage, genoemd in het zesde, zevende en achtste lid, geen toepassing.
Artikel 3
De inkomensgrenzen, bedoeld in artikel 2, eerste tot en met derde lid, en artikel 2a, tweede tot en met vierde lid, de hoogten van de eigen bijdragen, bedoeld in de artikelen 2, 2a, tweede tot en met vierde lid, en 4, alsmede het bedrag waarmee de eigen bijdrage wordt verlaagd, bedoeld in artikel 2, zesde, zevende en achtste lid, en artikel 4, tweede en derde lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast met het percentage waarmee het indexcijfer van de lonen op 31 oktober van het voorafgaande jaar afwijkt van het overeenkomstige indexcijfer op 31 oktober in het daaraan voorafgaande jaar, met dien verstande dat de aan te passen inkomensgrenzen worden afgerond op het naastliggende veelvoud van € 100,– en de aan te passen hoogten van de eigen bijdragen en het bedrag waarmee de eigen bijdrage wordt verlaagd, bedoeld in artikel 2, zesde, zevende en achtste lid, en artikel 4, tweede en derde lid, worden afgerond op het naastliggende veelvoud van € 1,–. Artikel 1 van het Besluit omschrijving indexcijfer is van overeenkomstige toepassing.
Onze Minister maakt jaarlijks de geïndexeerde bedragen, bedoeld in het eerste lid, bekend door publicatie in de Staatscourant.
Artikel 4
In afwijking van artikel 2, eerste en tweede lid, en artikel 2a, tweede en derde lid, bedraagt de eigen bijdrage, die een natuurlijk persoon verschuldigd is voor de verlening van rechtsbijstand op basis van een toevoeging, € 196 per 1 januari 2026: € 257, indien het gaat om de verlening van rechtsbijstand:
- a. in hoger beroep tegen de afwijzing van het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling, bedoeld in artikel 292 van de Faillissementswet;
- b. in de periode waarin de rechtzoekende in staat van faillissement verkeert;
- c. in de periode waarin de schuldsaneringsregeling, bedoeld in titel III van de Faillissementswet, van toepassing is; of
- d. in de periode gedurende welke een schriftelijk vastgelegd akkoord met betrekking tot een buitengerechtelijke schuldsanering, ondertekend door alle schuldeisers en de schuldenaar, overeenkomstig de daarin opgenomen verplichtingen wordt uitgevoerd en daarin in elk geval zijn opgenomen:
- 1°. alle vorderingen van de schuldeisers alsmede een opgave van de inkomsten en het vermogen van de schuldenaar;
- 2°. een beschrijving van het saneringsplan;
- 3°. het bedrag dat buiten de boedel wordt gelaten en berekend is overeenkomstig het rekenmodel dat door de rechter-commissaris in het faillissement wordt gebruikt voor de berekening van het inkomen, bedoeld in artikel 295 van de Faillissementswet;
- 4°. de verplichting voor de schuldenaar om de schulden, opgenomen in het saneringsplan, binnen een zo kort mogelijke termijn te betalen;
- 5°. de termijn gedurende welke het saneringsplan van kracht is, met een maximum van drie jaar; en
- 6°. dat, indien een organisatie de sanering begeleidt, deze organisatie telkens na verloop van zes maanden ten behoeve van de schuldeisers een verslag uitbrengt over de uitvoering van het saneringsplan alsmede een voorstel doet voor de aanpassing van het bedrag dat buiten de boedel wordt gelaten.
Indien aan een rechtzoekende, alvorens deze een toevoeging aanvraagt, in persoon rechtshulp is verleend met betrekking tot zijn individuele rechtsbelang door een voorziening als bedoeld in artikel 7, tweede lid, of artikel 8, tweede lid, van de wet, en in het kader daarvan een diagnosedocument is opgesteld en aan de rechtzoekende ter beschikking is gesteld, wordt de op grond van het eerste lid verschuldigde eigen bijdrage met € 53,– per 1 januari 2026: € 69 verlaagd.
Het bestuur kan beslissen om de op grond van het eerste lid verschuldigde eigen bijdrage met € 53,– per 1 januari 2026: € 69 te verlagen indien van de rechtzoekende, gelet op de omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de persoonlijke omstandigheden van de rechtzoekende, redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat is voldaan aan het bepaalde in het tweede lid alvorens een toevoeging aan te vragen.
In de gevallen bedoeld in de artikelen 2b en 2c, vindt de verlaging bedoeld in het tweede lid geen toepassing.
Artikel 5
Vervallen
Artikel 5a
Indien een toevoeging ten behoeve van rechtsbijstand wordt verleend in een zaak waarin reeds een toevoeging ten behoeve van mediation is verleend, wordt op de eigen bijdrage, die de rechtzoekende voor de verlening van rechtsbijstand verschuldigd is, het bedrag dat de rechtzoekende als eigen bijdrage voor de verlening van mediation verschuldigd was in mindering gebracht.
Artikel 6
Het bestuur legt geen eigen bijdrage op in geval van een toevoeging ten behoeve van rechtsbijstand aan:
- a. personen die uitsluitend zijn aangewezen op verstrekkingen, weergegeven in zowel de Regeling opvang asielzoekers als de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005;
- b. personen wier vrijheid rechtens is ontnomen en die geen inkomsten meer hebben uit een dienstbetrekking, beroep of bedrijf, sociale verzekering of sociale voorziening;
- c. minderjarigen ten behoeve van wie een bijzonder curator als bedoeld in artikel 250 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek is benoemd; en
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.