← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 25 maart 2009, houdende regels inzake de volledige liberalisering van de postmarkt en de garantie van de universele postdienstverlening (Postwet 2009)

Geldende tekst a fecha 2012-11-08

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het, rekening houdend met richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst (PbEG 1998 L 15), wenselijk is de bepalingen met betrekking tot het postvervoer aan te passen aan een volledig geliberaliseerde markt voor postdiensten;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

§ 1.1. Begripsbepalingen

Artikel 1
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Bij besluit van Onze Minister kunnen de vindplaatsen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, worden gewijzigd. Van dit besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 2
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, wordt onder postvervoer niet verstaan:

Artikel 3
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

In deze wet wordt onder «wet» mede verstaan: een krachtens artikel 66, vijfde lid, onderdeel b, aangewezen voorschrift uit een postverordening of een gedelegeerde verordening.

Hoofdstuk 2. Regels voor postvervoerbedrijven

§ 2.1. Briefgeheim

Artikel 4

Een postvervoerbedrijf zorgt ervoor dat bij de uitvoering van postvervoerdiensten het grondwettelijk briefgeheim niet wordt geschonden.

Artikel 5

Gesloten poststukken die in het kader van postvervoerdiensten als onbestelbaar zijn aan te merken en niet aan de afzender kunnen worden teruggegeven, kunnen slechts worden geopend op last van de kantonrechter te ’s-Gravenhage, zulks uitsluitend ter opsporing van de voor teruggave of aflevering nodige gegevens omtrent de afzender of de geadresseerde.

Artikel 6

Beslag op poststukken welke in het kader van postvervoerdiensten aan een postvervoerbedrijf zijn toevertrouwd, is slechts toegelaten in de gevallen dat de wet een zodanig beslag uitdrukkelijk regelt.

§ 2.2. Klachtbehandeling door postvervoerbedrijven

Artikel 7
1.

Een postvervoerbedrijf voorziet in een procedure voor de behandeling van klachten van afzenders en ontvangers over de door hem uitgevoerde postvervoerdiensten.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de procedure, bedoeld in het eerste lid.

§ 2.3. Arbeidsvoorwaarden

Artikel 8

Een postvervoerbedrijf heeft met een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen minimumpercentage van de postbezorgers die voor hem postvervoer verrichten een arbeidsovereenkomst. Bij algemene maatregel van bestuur wordt de datum bepaald met ingang waarvan een postvervoerbedrijf aan een minimumpercentage moet voldoen. De toepassing van een minimumpercentage kan daarbij worden beperkt tot bepaalde categorieën postvervoerbedrijven of bepaalde omstandigheden.

Hoofdstuk 3. Onderlinge dienstverlening

Artikel 9
1.

Indien een postvervoerbedrijf, dat beschikt over een netwerk waarmee poststukken op ten minste vijf dagen per week kunnen worden bezorgd op alle adressen in Nederland, met gebruikmaking van dat netwerk postvervoer verricht tegen speciale voorwaarden en tarieven, verricht hij dit postvervoer voor andere postvervoerbedrijven tegen non-discriminatoire en transparante voorwaarden en tarieven ten opzichte van andere afzenders en andere postvervoerbedrijven. Onder andere postvervoerbedrijven vallen ook groepsmaatschappijen die in een groep verbonden zijn in de zin van artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek met het postvervoerbedrijf dat beschikt over een netwerk als bedoeld in de eerste volzin.

2.

Indien blijkt dat op de nationale postmarkt of een onderdeel daarvan daadwerkelijke concurrentie ontbreekt, kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regels worden gesteld met betrekking tot de voorwaarden en tarieven die worden gehanteerd bij het verrichten van postvervoerdiensten tegen speciale voorwaarden en tarieven door postvervoerbedrijven die over een netwerk beschikken als bedoeld in het eerste lid.

3.

Een postvervoerbedrijf als bedoeld in het eerste lid zorgt ervoor dat de geldende speciale voorwaarden en tarieven voor eenieder kenbaar zijn.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen in aanvulling op het eerste lid regels worden gesteld over het verlenen van toegang tot het in dat lid bedoelde netwerk. Deze regels kunnen inhouden dat:

5.

Het college brengt uiterlijk een jaar na de inwerkingtreding van dit artikel aan Onze Minister verslag uit over de doeltreffendheid en effecten in de praktijk van het eerste lid en verstrekt daarbij advies over de wenselijkheid om toepassing te geven aan het vierde lid. Onze Minister zendt het verslag, vergezeld van zijn bevindingen, aan de Staten-Generaal.

Artikel 10
1.

Een ieder die een postcodesysteem beheert of exploiteert is verplicht binnen redelijke termijn en tegen kostengeoriënteerde tarieven een ieder uit dit systeem combinaties van adressen en postcodes ter beschikking te stellen die voor postbezorging nodig zijn.

2.

Een ieder die een postcodesysteem exploiteert of beheert, is verplicht een jaar voor de beëindiging van dit systeem, deze beëindiging aan te kondigen.

Artikel 11

Een ieder die een systeem met adresgegevens, betreffende de verhuisgegevens van een geadresseerde of de gegevens over het tijdelijk stopzetten van de postbezorging op verzoek van de geadresseerde, exploiteert of beheert is verplicht binnen redelijke termijn en tegen redelijke, objectief gerechtvaardigde, transparante en non-discriminatoire voorwaarden en tarieven de voor doelmatige postbezorging benodigde gegevens uit dit systeem aan postvervoerbedrijven te verstrekken.

Artikel 12
1.

Indien een poststuk terecht komt in de poststroom van een ander postvervoerbedrijf dan het postvervoerbedrijf waaraan het poststuk door de afzender is aangeboden, geschiedt de afhandeling binnen redelijke termijn en tegen redelijke, objectief gerechtvaardigde, transparante en non-discriminatoire voorwaarden en tarieven.

2.

Postvervoerbedrijven maken afspraken voor de afhandeling van gevallen als bedoeld in het eerste lid.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de toepassing van het eerste lid.

Artikel 13

Een ieder die postbussen exploiteert, is verplicht aan postvervoerbedrijven toegang te verlenen tot zijn postbussen tegen redelijke, objectief gerechtvaardigde, transparante en non-discriminatoire voorwaarden en tarieven.

Hoofdstuk 4. Universele postdienst

§ 4.1. Algemeen

Artikel 14

Dit hoofdstuk is van toepassing op de verlener van de universele postdienst voor zover deze postvervoerdiensten verricht die tot de universele postdienst behoren.

§ 4.2. Aanwijzing verlener van universele postdienst

Artikel 15
1.

Onze Minister wijst op basis van een transparante selectieprocedure voor onbepaalde tijd een postvervoerbedrijf aan dat belast is met de universele postdienst of een gedeelte hiervan.

2.

Onze Minister kan een aanwijzing geheel of gedeeltelijk intrekken indien:

3.

Onze Minister maakt het voornemen om de aanwijzing geheel of gedeeltelijk in te trekken aan het aangewezen postvervoerbedrijf bekend en doet hiervan mededeling in de Staatscourant.

4.

De aanwijzing wordt niet ingetrokken vóórdat is voorzien in een aanwijzing van een postvervoerbedrijf voor de universele postdienst of het gedeelte van de universele postdienst waarop de aanwijzing die wordt ingetrokken, betrekking heeft.

5.

Een postvervoerbedrijf waarvan de aanwijzing wordt ingetrokken, is verplicht deel te nemen aan de selectieprocedure.

6.

Een aanwijzing wordt niet gegeven aan een aanvrager die naar verwachting de universele dienst niet naar behoren zal kunnen verzorgen.

7.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de selectieprocedure.

8.

De voordracht voor een krachtens het zevende lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

§ 4.3. Omvang universele postdienst

Artikel 16
1.

De universele postdienst betreft het postvervoer binnen Nederland van ten minste de volgende poststukken:

2.

De universele postdienst betreft het postvervoer van of naar gebieden buiten Nederland van ten minste de volgende poststukken:

3.

De universele postdienst omvat binnen Nederland ten minste de volgende postvervoerdiensten:

4.

Onder de universele postdienst vallen bij postvervoer van en naar gebieden buiten Nederland ten minste de postvervoerdiensten, opgenomen in de akten van de Wereldpostunie.

5.

Een verlener van de universele postdienst haalt ten minste zes dagen per week poststukken op uit de voor het publiek bestemde brievenbussen dan wel uit andere daartoe bestemde inrichtingen, en voert ten minste zes dagen per week overal in Nederland een bestelling uit.

6.

Een verlener van de universele postdienst zorgt ervoor dat de brieven, die overeenkomstig de daartoe gestelde voorwaarden aan hem worden aangeboden voor postvervoer binnen Nederland met de standaard overnight service, per kalenderjaar in ten minste gemiddeld 95% van de gevallen worden besteld op de dag, niet zijnde een zon- of officiële feestdag, volgend op de dag van aanbieding.

7.

De verlener van de universele postdienst zorgt ervoor dat het net van dienstverleningspunten voor het aanbieden van postzendingen en voor het verrichten van andere met het postvervoer samenhangende handelingen ten minste 2000 dienstverleningspunten omvat, waarvan ten minste 902 met een volledig assortiment aan diensten. Bovendien zorgt de verlener van de universele postdienst ervoor dat dit net voldoet aan de volgende spreidingsmaatstaven:

8.

De verlener van de universele postdienst zorgt ervoor dat in woonkernen met meer dan 5000 inwoners binnen een straal van 500 meter een voor het publiek bestemde brievenbus is om voor postvervoer bestemde poststukken aan te bieden. Buiten deze woonkernen zorgt de verlener van de universele postdienst ervoor dat binnen een straal van 2500 meter voor het publiek bestemde brievenbussen zijn.

9.

Indien het gestelde in het achtste lid redelijkerwijs niet haalbaar is, draagt de verlener van de universele postdienst er zorg voor dat bij de bestelling gelegenheid wordt geboden om daartoe geschikte postzendingen ten vervoer aan te bieden.

Artikel 17
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over de universele postdienst. Deze regels kunnen betrekking hebben op:

2.

De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

§ 4.4. Verplichtingen voor de universele postdienstverlener

Artikel 18
1.

Een verlener van de universele postdienst verzorgt binnen Nederland en van of naar gebieden buiten Nederland de universele postdienst.

2.

De verplichting, bedoeld in het eerste lid, geldt alleen indien poststukken zijn aangeboden aan een verlener van de universele postdienst in overeenstemming met de regels, bedoeld in artikel 17, eerste lid, onderdeel e.

Artikel 19
1.

Een verlener van de universele postdienst weigert de uitvoering van de universele postdienst indien dit strijdig is met de wet of gevaar oplevert voor personen of zaken.

2.

Een verlener van de universele postdienst kan de uitvoering van de universele postdienst weigeren indien dit strijdig is met de eisen die met het oog op een doelmatig postvervoer in zijn algemene voorwaarden zijn gesteld.

Artikel 20
1.

Bij ministeriële regeling worden regels omtrent plaats, afmetingen en andere hoedanigheden van de voor aflevering van poststukken bestemde brievenbussen vastgesteld.

2.

Een verlener van de universele postdienst kan poststukken die naar hun aard en omvang in aanmerking komen voor aflevering in een brievenbus, als onbestelbaar aanmerken indien het opgegeven adres niet beschikt over een brievenbus die voldoet aan de regels, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 21
1.

Een verlener van de universele postdienst kan gedeelten van de universele postdienst door anderen onder zijn verantwoordelijkheid doen uitvoeren.

2.

Een verlener van de universele postdienst rekent de kosten die anderen in rekening brengen voor het uitvoeren van gedeelten van de universele postdienst slechts toe aan de universele postdienst voor zover die kosten overeenkomstig de op grond van de artikelen 22, tweede lid, en 25, zesde lid, vastgestelde regels zijn toe te rekenen aan de universele postdienst.

3.

Een verlener van de universele postdienst maakt de toerekening van de kosten van anderen, bedoeld in het tweede lid, inzichtelijk voor ieder gedeelte van de universele postdienst dat hij door anderen laat uitvoeren.

4.

Een verlener van de universele postdienst die gedeelten van de universele postdienst door anderen laat uitvoeren waarborgt de volledige en juiste uitvoering van de door de anderen uitgevoerde gedeelten van de universele postdienst.

Artikel 22
1.

Een verlener van de universele postdienst brengt een boekhoudkundige scheiding aan tussen de kosten en opbrengsten van de universele postdienst en de kosten en opbrengsten van andere activiteiten.

2.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld met betrekking tot de inrichting van de boekhouding en de wijze van toerekening van de kosten van de universele postdienst.

Artikel 23
1.

Een verlener van de universele postdienst verstrekt jaarlijks aan het college een rapportage over de uitvoering van de universele postdienst. Deze rapportage bevat de resultaten van regelmatige metingen van de kwaliteit van de universele postdienstverlening en de hierbij behorende kwaliteitsnormen, alsmede een overzicht van de kosten en opbrengsten van de universele postdienstverlening, bedoeld in artikel 22, eerste lid.

2.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over de rapportage. Deze regels kunnen betrekking hebben op de inrichting van de rapportage, op de metingen, bedoeld in het eerste lid, alsmede op de op te nemen financiële gegevens.

§ 4.5. Voorwaarden en tarieven voor de universele postdienst

Artikel 24
1.

Een verlener van de universele postdienst stelt voorwaarden en tarieven vast voor de onderscheiden postvervoerdiensten binnen de universele postdienst en maakt deze bekend.

2.

De tarieven zijn uniform en op de kosten gebaseerd.

3.

De voorwaarden en tarieven zijn non-discriminatoir en transparant.

Artikel 25
1.

Bij ministeriële regeling, gehoord het college, wordt bepaald:

2.

Bij ministeriële regeling kan, gehoord het college, voor een afzonderlijk jaar een ander percentage dan bedoeld in het eerste lid worden vastgesteld indien dit noodzakelijk is om te voldoen aan het vereiste dat de tarieven op de kosten gebaseerd zijn.

3.

Met inachtneming van bij ministeriële regeling te stellen regels worden, in afwijking van het eerste en tweede lid, zes maanden na inwerkingtreding van dit artikel de tarieven voor de te onderscheiden postvervoerdiensten binnen de universele postdienst gebaseerd op de daadwerkelijke kosten van de universele postdienst en een redelijk rendement. Bij de ministeriële regeling, bedoeld in de eerste volzin, kan worden bepaald dat de tarieven voor de onderscheiden postvervoerdiensten binnen de universele postdienst in enig ander jaar kunnen worden aangepast op basis van de daadwerkelijke kosten van de universele postdienst en een redelijk rendement.

4.

Het eerste en het tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de tarieven, bedoeld in het derde lid.

5.

In afwijking van de artikelen 24 en 27 worden de tarieven, bedoeld in het derde lid, door het college vastgesteld.

6.

Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het derde lid, worden regels vastgesteld met betrekking tot de elementen van de tarieven, de wijze van berekening van de tarieven en de toerekening van de kosten.

7.

Het college brengt advies uit over de ministeriële regeling, bedoeld in het derde lid.

8.

Het ontwerp voor een krachtens het derde lid vast te stellen ministeriële regeling en het advies van het college worden gelijktijdig aan beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De ministeriële regeling wordt niet eerder vastgesteld dan vier weken na de overlegging van het ontwerp.

Artikel 26

In afwijking van de artikelen 24 en 25 worden de kosten van het vervoer van poststukken die in hoofdzaak tekst bevatten in voor blinden bestemde tekens en die elk afzonderlijk ten hoogste zeven kilogram wegen door de verlener van de universele postdienst gedragen.

Artikel 27
1.

De tarieven, bedoeld in artikel 24, en de wijzigingen hiervan worden niet eerder vastgesteld dan een maand na het tijdstip waarop zij aan het college zijn toegezonden ter toetsing aan artikel 24, tweede en derde lid, en aan het bepaalde krachtens artikel 25.

2.

Bij ministeriële regeling kunnen voorschriften worden gegeven over de procedure van de toetsing, alsmede over de wijze en het tijdstip van de toetsing aan artikel 24.

Artikel 28
1.

Een verlener van de universele postdienst kan, met het oog op de doelmatige wijze van uitvoeren van de universele postdienst, in de algemene voorwaarden regels stellen over de verpakking en adressering van poststukken.

2.

Indien de algemene voorwaarden van een verlener van de universele postdienst bepalingen bevatten over het gebruik van een postcode, zorgt hij ervoor dat afzenders kosteloos en op eenvoudige wijze de bij een adres behorende postcode kunnen verkrijgen.

§ 4.6. Aansprakelijkheid verlener van de universele postdienst

Artikel 29
1.

Een verlener van de universele postdienst is voor schade als gevolg van verlies, beschadiging of vertraagde aflevering van binnenlandse poststukken slechts aansprakelijk indien door de afzender gebruik wordt gemaakt van een wijze van vervoer waarbij een poststuk volgens daartoe in de algemene voorwaarden van het postvervoerbedrijf te stellen regels wordt geregistreerd.

2.

De aansprakelijkheid bedoeld in het eerste lid bestaat niet indien de schade uitsluitend het gevolg is van een of meer van de volgende omstandigheden:

3.

Vorderingen kunnen slechts worden ingediend door de afzender. Indien de schade is geleden door een ander dan de afzender, is de afzender van rechtswege bevoegd ten behoeve van die ander, hetzij op eigen naam hetzij als diens vertegenwoordiger, de vordering in te stellen.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur worden bedragen vastgesteld waarboven de aansprakelijkheid, bedoeld in het eerste lid, zich niet uitstrekt, waarbij de hoogte van de afzonderlijke bedragen kan worden bepaald naar gelang van onder meer de soorten van registratie alsmede naar gelang van de aard en de waarde van een poststuk.

5.

Een verlener van de universele postdienst kan zich niet beroepen op een uit de voorgaande leden van dit artikel voortvloeiende uitsluiting of beperking van zijn aansprakelijkheid voor zover de schade is ontstaan uit zijn eigen handelen of nalaten, geschied hetzij met het opzet die schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met de wetenschap dat die schade er waarschijnlijk uit zou voortvloeien.

6.

Ter zake van het postvervoer van of naar gebieden buiten Nederland is een verlener van de universele postdienst slechts aansprakelijk overeenkomstig de bepalingen van de akten van de Wereldpostunie dan wel andere voor Nederland bindende verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

7.

Nietig is ieder beding, waarbij van dit artikel wordt afgeweken.

§ 4.7. Financiering van de universele postdienst

Artikel 30
1.

Een verlener van de universele postdienst meldt uiterlijk drie maanden voor de afloop van het kalenderjaar aan het college dat in het daaropvolgende kalenderjaar nettokosten worden verwacht voor de uitvoering van de universele postdienst. Daarbij wordt aangegeven hoe hoog de voor dat kalenderjaar verwachte nettokosten zullen zijn.

2.

De nettokosten zijn de kosten die een verlener van de universele postdienst voor de aan hem opgedragen universele postdiensten maakt waartegenover door toepassing van de regels, bedoeld in artikel 25, geen vergoeding staat, verminderd met andere op geld waardeerbare voordelen die verband houden met de verlening van de universele postdienst, waaronder begrepen immateriële voordelen.

3.

Een postvervoerbedrijf dat ingevolge het eerste lid nettokosten heeft aangekondigd, kan binnen een half jaar na afloop van het kalenderjaar waarin de nettokosten zijn ontstaan, bij het college een aanvraag indienen om vergoeding van de in het afgelopen kalenderjaar gemaakte nettokosten.

4.

Een vergoeding wordt slechts toegekend voorzover naar het oordeel van het college het bestaan en de hoogte van de nettokosten voldoende is aangetoond.

5.

Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de berekening van de nettokosten, bedoeld in het tweede lid.

Artikel 31
1.

De vergoeding aan een universele postdienstverlener wordt omgeslagen over alle postvervoerbedrijven, met uitzondering van de postvervoerbedrijven die voldoen aan bij ministeriële regeling te bepalen criteria met betrekking tot de relevante omzet van een postvervoerbedrijf in Nederland.

2.

Bij ministeriële regeling wordt de wijze van berekening van de vergoeding vastgesteld aan de hand van de relevante netto-omzet van een postvervoerbedrijf in Nederland.

3.

Het college doet aan een postvervoerbedrijf mededeling van het door hem verschuldigde bedrag.

4.

Een postvervoerbedrijf is verplicht binnen een daarbij te bepalen termijn de door het college vastgestelde vergoeding te betalen aan de desbetreffende verlener van de universele postdienst.

Hoofdstuk 5. Wereldpostunie

Artikel 32
1.

Een verlener van de universele postdienst is gehouden bij de uitvoering van de op hem rustende verplichtingen terzake van de universele postdienst van of naar gebieden buiten Nederland de voor Nederland bindende verplichtingen na te komen die voortvloeien uit de akten van de Wereldpostunie dan wel uit andere verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

2.

Een verlener van de universele postdienst is gerechtigd voor de toepassing van akten van de Wereldpostunie op te treden als Nederlandse postadministratie.

3.

Onze Minister geeft in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken bij ministeriële regeling voorschriften welke strekken tot:

Hoofdstuk 6. Overige bepalingen

Artikel 33
1.

Het college verzamelt, analyseert en bewerkt systematisch inlichtingen en gegevens met betrekking tot de werking van de nationale markt voor postvervoerdiensten.

2.

Het college zendt jaarlijks een verslag van zijn bevindingen aan Onze Minister.

Artikel 34

De gemeenteraad kan voor de plaatsing van brievenbussen aan de openbare weg regels stellen, tenzij door het stellen van regels:

Artikel 35

De afbeelding van de Koning op een postzegel of postzegelafdruk behoeft Diens goedkeuring.

Artikel 36
1.

Het is aan andere postvervoerbedrijven dan verleners van de universele postdienst verboden postzegels of postzegelafdrukken te vervaardigen, te verspreiden of ter verspreiding in voorraad te hebben met daarop de vermelding «Nederland».

2.

Het is verboden zegels, zegelafdrukken, stempelafdrukken of aanduidingen op zodanige wijze te bezigen, dat zij ten onrechte de indruk kunnen wekken, dat de bescheiden of voorwerpen, waarop zij voorkomen, door een verlener van de universele postdienst behandeld of van een verlener van de universele postdienst afkomstig zijn.

Hoofdstuk 7. Toezicht en handhaving

§ 7.1. Algemeen

Artikel 37
1.

Het college is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van hoofdstuk 11.

2.

De bij besluit van het college aangewezen ambtenaren zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van hoofdstuk 11. Van het besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 38
1.

Onze Minister is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 11.

2.

De bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 11. Van het besluit wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 39
1.

Een ieder verstrekt het college desgevraagd de gegevens en inlichtingen en verschaft hem desgevraagd inzage in de gegevens en bescheiden die redelijkerwijs nodig zijn voor de uitvoering van hem bij of krachtens deze wet opgedragen taken.

2.

Onze Minister kan van een ieder de gegevens en inlichtingen verlangen die hij nodig heeft voor de juiste uitvoering van de hem bij of krachtens deze wet opgedragen taken.

3.

Degene aan wie een verzoek is gedaan om gegevens en inlichtingen te verstrekken, is verplicht binnen een door het college respectievelijk Onze Minister gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.

4.

Gegevens en inlichtingen welke in verband met enige werkzaamheid ten behoeve van de uitvoering van deze wet zijn verkregen, mogen uitsluitend voor de toepassing van deze wet en de Mededingingswet worden gebruikt.

5.

Met inachtneming van een goede vervulling van zijn toezichthoudende taken ingevolge deze wet draagt het college er zorg voor dat het verzamelen van de gegevens of inlichtingen, bedoeld in het eerste lid, op zodanige wijze geschiedt dat de daaruit voortvloeiende administratieve lasten voor postvervoerbedrijven of andere bedrijven en instellingen zo laag mogelijk zijn.

Artikel 40
1.

Voorzover bij de uitoefening van bevoegdheden van het college begrippen worden uitgelegd die worden gehanteerd bij de toepassing van artikel 24 van de Mededingingswet, geschiedt de uitoefening van die bevoegdheden door het college in overeenstemming met de door de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit vastgestelde richtlijnen. Van die richtlijnen doet de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit mededeling in de Staatscourant.

2.

Het college en de raad van bestuur van de mededingingsautoriteit maken in het belang van een effectieve en efficiënte besluitvorming gezamenlijk afspraken over de wijze van behandeling van aangelegenheden van wederzijds belang.

§ 7.2. Registratie

Artikel 41

Een postvervoerbedrijf deelt aan het college in ieder geval de naam, het adres, de vestigingsplaats en een beschrijving van de aangeboden postvervoerdiensten mee.

Artikel 42
1.

Het college stelt vast welke andere gegevens dan genoemd in artikel 41 bij de mededeling aan het college worden overgelegd, alsmede de wijze waarop de mededeling wordt gedaan.

2.

De gegevens, bedoeld artikel 41 en het eerste lid, worden slechts verzameld ten behoeve van de goede uitvoering van deze wet.

3.

Het college registreert het postvervoerbedrijf na ontvangst van de in artikel 41 bedoelde mededeling en de daarbij behorende gegevens.

4.

Een postvervoerbedrijf geeft wijzigingen van de gegevens, bedoeld in artikel 41 en het eerste lid, onverwijld aan het college door.

Artikel 43
1.

Het college gaat niet over tot registratie als bedoeld in artikel 42, derde lid, indien:

2.

Het college beëindigt de registratie indien de grond voor registratie is vervallen.

Artikel 44
1.

In het belang van de goede uitvoering van deze wet wordt door het college een register van de registraties bijgehouden.

2.

Het register ligt voor eenieder kosteloos ter inzage op een door het college te bepalen plaats. De gegevens uit het register zijn kosteloos op elektronische wijze te raadplegen.

3.

Het college brengt het register in overeenstemming met de wijzigingen die voortvloeien uit artikel 42, vierde lid, en artikel 43, tweede lid.

4.

Het college kan de gegevens met betrekking tot de registratie wijzigen indien dit noodzakelijk is om feitelijke onjuistheden van eenvoudige aard weg te nemen.

Artikel 45
1.

Het college verstrekt zo spoedig mogelijk na de registratie, bedoeld in artikel 42, derde lid, aan het postvervoerbedrijf een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat de mededeling, bedoeld in artikel 41, aan het college is gedaan.

2.

Het college verstrekt binnen een week na ontvangst van een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van een postvervoerbedrijf een verklaring.

Artikel 46

Het college is verantwoordelijke in de zin van artikel 1, onderdeel d, van de Wet bescherming persoonsgegevens voor de gegevensverzameling, bedoeld in artikel 42, tweede lid, en voor het register, bedoeld in artikel 44, eerste lid.

§ 7.3. Aanwijzingen

Artikel 47
1.

Het college kan bindende aanwijzingen geven in verband met de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet, met uitzondering van hoofdstuk 11.

2.

Onze Minister kan bindende aanwijzingen geven in verband met de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 11.

3.

Een beschikking als bedoeld in het eerste of tweede lid, wordt gepubliceerd in de Staatscourant.

§ 7.4. Bestuursdwang

Artikel 48
1.

Het college is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen, met uitzondering van de verplichtingen bij of krachtens hoofdstuk 11.

2.

Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens hoofdstuk 11 gestelde verplichtingen.

§ 7.5. Bestuurlijke boete

Artikel 49
1.

Het college kan in geval van overtreding van een bindende aanwijzing als bedoeld in artikel 47, eerste lid, alsmede overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5, 8, 9, 10, 12, 13, 16, vijfde tot en met negende lid, 18, 19, 22, 23, 24, 26, 27, 28, 31, vierde lid, 32, 35, 36, 39, eerste en derde lid, 41, 59, 61, 63, tweede lid, en 64 van deze wet, alsmede artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht de overtreder per overtreding een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 450 000 of, indien dat meer is, 10% van de relevante netto-omzet van de onderneming in Nederland.

2.

Onze Minister kan in geval van overtreding van een bindende aanwijzing als bedoeld in artikel 47, tweede lid, alsmede overtreding van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 11 de overtreder per overtreding een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste € 450 000 of, indien dat meer is, 10% van de relevante netto-omzet van de onderneming in Nederland.

3.

De berekening van de netto-omzet, bedoeld in het eerste en het tweede lid,

Artikel 50

Vervallen

Artikel 51

Vervallen

Artikel 52

Vervallen

Artikel 53

Vervallen

Artikel 54

Vervallen

Artikel 55
1.

Een beschikking waarbij een last onder dwangsom dan wel een bestuurlijke boete als bedoeld in artikel 49 wordt opgelegd wordt, nadat zij bekend is gemaakt, ter inzage gelegd bij het college respectievelijk Onze Minister.

2.

Van de beschikking wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 56

Verzet schorst de tenuitvoerlegging van een dwangbevel dat strekt tot invordering van de bestuurlijke boete.

Artikel 57

De te betalen geldsom van de door het college opgelegde bestuurlijke boete, de verbeurde dwangsommen bij een door het college opgelegde last en de als gevolg van die boete en dwangsom verschuldigde wettelijke rente, komen toe aan de Staat.

Hoofdstuk 8. Geschillenbeslechting

Artikel 58
1.

Indien tussen postvervoerbedrijven, tussen een postvervoerbedrijf en iemand die postbussen exploiteert, tussen een postvervoerbedrijf en iemand die een systeem met adresgegevens als bedoeld in artikel 11 exploiteert of beheert of tussen een postvervoerbedrijf en iemand die een postcodesysteem exploiteert of beheert een geschil is ontstaan inzake de nakoming van de verplichtingen bedoeld in hoofdstuk 3, beslecht het college op aanvraag van een bij dat geschil betrokken partij het geschil voor zover naar het oordeel van het college verdere onderhandelingen redelijkerwijs niet meer zullen leiden tot overeenstemming.

2.

Het college is onbevoegd tot het beslechten van een op grond van het eerste lid voorgelegd geschil indien de bij dat geschil betrokken partijen het college verzoeken het geschil niet langer te beslechten.

Artikel 59
1.

Op vordering van het college verstrekken de bij een geschil betrokken partijen binnen een door het college te bepalen redelijke termijn aan het college alle gegevens die relevant zijn voor de beoordeling van het geschil.

2.

De bij het geschil betrokken partijen zijn verplicht binnen de door het college gestelde redelijke termijn alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs kan vorderen ten behoeve van de beoordeling van het geschil.

Artikel 60
1.

Het college beslist op een aanvraag als bedoeld in artikel 58, eerste lid, binnen zeventien weken na ontvangst van de aanvraag.

2.

In uitzonderlijke gevallen kan het college de termijn, bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste acht weken verlengen. Het college stelt de betrokken postvervoerbedrijven hiervan in kennis en geeft de termijn aan waarbinnen het college het geschil zal beslechten.

3.

Het college kan in spoedeisende gevallen een voorlopig besluit nemen dat tussen de betrokken postvervoerbedrijven geldt tot het definitieve besluit van het college in werking treedt.

Artikel 61

Een postvervoerbedrijf volgt het door het college op grond van artikel 60 genomen besluit op. Het college kan daarbij een termijn stellen.

Artikel 62

Het college doet mededeling in de Staatscourant van een besluit als bedoeld in artikel 60.

Artikel 63
1.

Indien een partij door het college in het gelijk wordt gesteld en hij voor het beslechten van een geschil een vergoeding aan het college verschuldigd is, kan het college bepalen dat die vergoeding door de bij het geschil betrokken andere partij wordt vergoed.

2.

Een bij een geschil betrokken partij volgt de door het college op grond van het eerste lid gegeven voorschriften op. Het college kan daarbij termijnen stellen.

Hoofdstuk 9. Kosten werkzaamheden college

Artikel 64
1.

Postvervoerbedrijven zijn ter dekking van de kosten die verband houden met de werkzaamheden van het college ter uitvoering van deze wet, jaarlijks een vergoeding verschuldigd.

2.

Van de vergoeding zijn uitgezonderd de kosten verbonden aan de behandeling van bezwaar- en beroepschriften.

3.

Van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, zijn uitgezonderd bedrijven die voldoen aan een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen criterium met betrekking tot de relevante omzet van een postvervoerbedrijf in Nederland.

Artikel 65
1.

Onze Minister stelt de hoogte van de vergoeding, bedoeld in artikel 64, eerste lid, vast.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels nadere gesteld over de vergoeding, bedoeld in artikel 64. Deze regels kunnen mede betrekking hebben op de wijze waarop de vergoeding wordt vastgesteld, geheven en ingevorderd.

Hoofdstuk 10. Implementatie van Europese richtlijnen en verordeningen

Artikel 66
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen ter implementatie van postrichtlijnen en liberalisatierichtlijnen regels worden gesteld.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld ter implementatie van een bindende overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en een derde land of een internationale organisatie die betrekking heeft op een onderwerp dat wordt bestreken door een postrichtlijn ofverordening.

3.

Bij ministeriële regeling kunnen voor een goede uitvoering van postverordeningen en gedelegeerde verordeningen regels worden gesteld.

4.

Bij ministeriële regeling kunnen ter implementatie van gedelegeerde richtlijnen regels worden gesteld.

5.

Bij de regels, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, kunnen:

Hoofdstuk 11. Buitengewone omstandigheden

Artikel 67

In bijzondere omstandigheden in verband met de handhaving van de internationale rechtsorde of met de internationale betrekkingen is Onze Minister bevoegd om in overeenstemming met Onze Minister van Buitenlandse Zaken aan een verlener van de universele postdienst en zo nodig aan een ander postvervoerbedrijf aanwijzingen te geven met betrekking tot het postvervoer van of naar gebieden buiten Nederland.

Artikel 68
1.

Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden kan, ingeval buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, voor het gehele land of een deel daarvan artikel 70 in werking worden gesteld.

2.

Wanneer het in het eerste lid bedoelde besluit is genomen, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepaling.

3.

Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan wordt bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.

4.

Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, wordt de bepaling die ingevolge het eerste lid in werking is gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.

5.

Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking.

6.

Het besluit, bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.

Artikel 69

In geval voor Nederland of een gedeelte daarvan, op grond van de artikelen 7, eerste lid, of 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden, bepalingen uit de Oorlogswet voor Nederland in werking zijn gesteld, oefent Onze Minister de in artikel 70, eerste lid, bedoelde bevoegdheid uit in overeenstemming met Onze Minister van Defensie.

Artikel 70

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Artikel 71
1.

Bij toepassing van artikel 14 van de Wet buitengewone bevoegdheden burgerlijk gezag is een verlener van de universele postdienst verplicht de krachtens het eerste lid van genoemd artikel aangewezen autoriteiten alle medewerking te verlenen, daaronder begrepen het uitvoeren van door die autoriteiten gegeven opdrachten.

2.

Bij toepassing van artikel 31 van de Oorlogswet voor Nederland is een verlener van de universele postdienst verplicht het militair gezag of een orgaan als bedoeld in het tweede lid van genoemd artikel alle medewerking te verlenen, daaronder begrepen het uitvoeren van door dat gezag of dat orgaan gegeven opdrachten.

Artikel 72

Onze Minister geeft aan een verlener van de universele postdienst voorschriften ten aanzien van de door deze te nemen organisatorische en personele maatregelen met betrekking tot de voorbereiding van de uitvoering van de universele postdienst in buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 68 en de door deze daarover aan Onze Minister te verstrekken informatie. Onze Minister bepaalt in die voorschriften welke kosten van de uitvoering redelijkerwijs ten laste van een verlener van de universele postdienst komen.

Hoofdstuk 12. Beroep

Artikel 73

In afwijking van artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrecht is voor beroep tegen besluiten op grond van deze wet de rechtbank te Rotterdam bevoegd.

Hoofdstuk 13. Wijziging in andere wetten

§ 13.1. Ministerie van Justitie

Artikel 74

Wijzigt het Burgerlijk Wetboek Boek 8.

Artikel 75

Wijzigt de Faillissementswet.

Artikel 76

Wijzigt de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie.

Artikel 77

Wijzigt het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 78

Wijzigt het Wetboek van Strafvordering.

§ 13.2. Ministerie van Binnenlandse Zaken

Artikel 79

Wijzigt de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden.

§ 13.3. Ministerie van Financiën

Artikel 80

Wijzigt de Postbankwet.

Artikel 81

Wijzigt de Wet op de omzetbelasting 1968.

§ 13.4. Ministerie van Verkeer en Waterstaat

Artikel 82

Wijzigt de Luchtvaartwet.

§ 13.5. Ministerie van Economische Zaken

Artikel 83

Wijzigt de Wet Onafhankelijke post- en telecommunicatieautoriteit.

Hoofdstuk 14. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 84

In afwijking van artikel 15, eerste lid, wordt met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 15, eerste lid, een bij besluit van Onze Minister te bepalen rechtspersoon aangewezen als verlener van de universele postdienst.

Artikel 85

Onze Minister zendt binnen vier jaar na de inwerkingtreding van deze wet en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

Artikel 86

De Machtigingswet Koninklijke PTT Nederland NV wordt ingetrokken.

Artikel 87

De Postwet wordt ingetrokken.

Artikel 88
1.

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

2.

De voordracht voor het koninklijk besluit bedoeld in het eerste lid wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 89
1.

Artikel 8 vervalt op een bij koninklijk besluit te bepalen datum.

2.

De voordracht voor het koninklijk besluit bedoeld in het eerste lid wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 90

Deze wet wordt aangehaald als: Postwet met vermelding van het jaartal van het Staatsblad waarin zij zal worden geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.