Regeling van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 maart 2009, MEVA/BO-2819721, houdende regels inzake de periodieke registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg
Besluit:
Artikel 1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- b. register: register, genoemd in artikel 3 van de wet;
- c. minister: Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
- d. cliënt: een ieder die zorg vraagt of aan wie zorg wordt verleend.
Artikel 2
Voor de opname van een aantekening in een van de registers op basis van artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van de wet is een periodiek registratie certificaat vereist waaruit blijkt dat betrokkene beschikt over de voor het betrokken beroep benodigde kerncompetenties, genoemd in de artikelen 4, 5, 6a tot en met 6h. Het periodiek registratie certificaat is op het moment van het indienen van de aanvrage voor opname van een aantekening in een van de registers op basis van artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van de wet, niet ouder dan twee jaar.
Het periodiek registratie certificaat wordt verstrekt door een onderwijsinstelling die opleidingen verzorgt die leiden tot een getuigschrift dat recht geeft op inschrijving in het register van fysiotherapeut, verloskundige, verpleegkundige, arts, tandarts, apotheker, gezondheidszorgpsycholoog, psychotherapeut physician assistant, orthopedagoog-generalist of klinisch technoloog. Het periodiek registratie certificaat wordt verstrekt indien blijkt dat de beroepsbeoefenaar beschikt over alle voor het betrokken beroep benodigde kerncompetenties, genoemd in de artikelen 4, 5, 6a tot en met 6h, op het niveau van de initiële opleiding die recht geeft op inschrijving in een van de hiervoor genoemde registers.
De te volgen scholing houdt verband met het beroep waarvoor een aantekening in het register wordt aangevraagd en is gericht op het verwerven van kennis, inzicht en vaardigheden in de kerncompetenties, genoemd in de artikelen 4, 5, 6a tot en met 6h.
Bij de aanvraag tot opneming in het register van een aantekening van de datum bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van de wet overlegt betrokkene het periodiek registratie certificaat, dat tenminste gegevens bevat met betrekking tot:
- a. de naam, de geboortedatum en indien aanwezig het BIG-registratienummer van de betrokkene;
- b. een verklaring dat de betrokkene beschikt over alle voor het betrokken beroep benodigde kerncompetenties op het niveau van de initiële opleiding, die leidt tot een getuigschrift dat recht geeft op inschrijving in het register;
- c. de datum van afgifte van het certificaat.
Voor de opname van een aantekening in een van de registers op basis van artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van de wet, kan in plaats van een periodiek registratie certificaat worden overgelegd:
- a. een bewijs van inschrijving in het register van een specialistenopleiding ingeval het een opleiding betreft die leidt tot een wettelijk erkende specialistentitel als bedoeld in artikel 14, eerste lid van de wet, dan wel
- b. een getuigschrift waaruit blijkt dat de betrokkene met goed gevolg het examen ter afsluiting van een opleiding tot verpleegkundige heeft afgelegd die is opgenomen in het Centrale register voor opleidingen hoger onderwijs, genoemd in artikel 6.13 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek. Het hiervoor vermelde getuigschrift is op het moment van het indienen van de aanvrage voor opname van een aantekening in het register van verpleegkundigen op basis van artikel 8, tweede lid, onderdeel b, van de wet, niet ouder dan twee jaar.
Artikel 3
De in artikel 8, tweede lid, onderdeel c, van de wet bedoelde werkzaamheden,
- a. worden verricht binnen de individuele gezondheidszorg, bedoeld in artikel 1 van de wet, en
- b. vallen binnen het deskundigheidsgebied van het beroep, bedoeld in hoofdstuk III van de wet, waarvoor betrokkene is ingeschreven in een register, en op het verrichten waarvan de opleiding tot dat beroep, bedoeld bij of krachtens hoofdstuk III van de wet, is gericht.
Indien de werkzaamheden worden uitgeoefend in een ander beroep dan het beroep waarvoor betrokkene is geregistreerd in het bedoelde register, geldt naast de in het eerste lid genoemde eisen, de eis dat de werkzaamheden worden verricht op tenminste hetzelfde niveau als het niveau van de opleiding tot het beroep dat leidt tot een getuigschrift dat recht geeft op inschrijving in het register, waarin betrokkene is geregistreerd.
Artikel 4
Voor het beroep van fysiotherapeut gelden de volgende kerncompetenties en kernvaardigheden:
- a. De fysiotherapeut brengt op basis van een hulpvraag, op methodische wijze, de dreigende en bestaande gezondheidsproblemen in kaart en relateert deze aan het bewegen en bewegend participeren van de cliënt. Op basis van de resultaten van een eerste screening van de hulpvraag of van de gezondheidsproblemen van de cliënt en de bevindingen gedaan bij fysiotherapeutisch onderzoek neemt de fysiotherapeut in samenspraak met de cliënt, besluiten over de in te stellen behandeling, dan wel geeft hij advies of verwijst hij de cliënt.
- b. De fysiotherapeut voert, op methodische wijze en in samenwerking met de cliënt, naar de laatste stand van de kennis het behandelplan uit. De cliënt wordt geïnformeerd, begeleid en ondersteund door de fysiotherapeut tijdens de behandeling. De fysiotherapeut evalueert daarbij periodiek de effecten van interventies op het bewegen en de gezondheidstoestand van de cliënt en stelt het behandelplan zonodig bij om optimale resultaten te bereiken.
Artikel 5
Voor het beroep van verloskundige gelden de volgende kerncompetenties en kernvaardigheden:
- a. diagnose stellen op basis van afgenomen anamnese en verricht verloskundig onderzoek;
- b. opstellen van een behandelplan en bepalen verloskundig beleid;
- c. verlenen van verloskundige zorg;
- d. evalueren en vastleggen van verloskundige zorg.
Het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde aspect is zodanig ingericht dat de verloskundige in staat is om een anamnese af te nemen op basis van de zorgvraag, op methodische wijze de gezondheidstoestand dan wel de dreigende of reeds bestaande gezondheidsproblemen van een vrouw in kaart te brengen en op grond van de verzamelde informatie en eventueel lichamelijk onderzoek een diagnose te stellen.
Het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde aspect is zodanig ingericht dat de verloskundige in staat is om, op grond van de resultaten van onderzoek en bevindingen, problemen en risico’s met betrekking tot de vrouw te inventariseren en om in samenspraak met haar besluiten te nemen over de in te stellen behandeling, dan wel advies of voorlichting te geven dan wel te verwijzen naar een andere zorgverlener.
De verloskundige stelt een behandelplan op, bespreekt dat met de vrouw en consulteert of verwijst zo nodig naar andere deskundigen.
Het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde aspect is zodanig ingericht dat de verloskundige in staat is om, op methodische wijze en in samenwerking met de vrouw, verloskundige zorg te verlenen, de vrouw te begeleiden en het behandelplan naar de laatste stand van de kennis uit te voeren.
Het in het eerste lid, onderdeel d, genoemde aspect is zodanig ingericht dat de verloskundige in staat is om periodiek de effecten van de zorginterventies op de gezondheidstoestand van de vrouw te evalueren en het behandelplan zodanig bij te stellen dat optimale resultaten bereikt kunnen worden.
Artikel 6
Voor het beroep van verpleegkundige gelden de volgende kerncompetenties en kernvaardigheden:
- a. afnemen van een anamnese;
- b. onderkennen van dreigende of bestaande gezondheidsproblemen;
- c. opstellen van een verpleegplan;
- d. uitvoeren van de verpleegkundige zorg;
- e. evalueren en vastleggen van verleende verpleegkundige zorg.
Het in het eerste lid, onderdeel a, genoemde aspect is zodanig ingericht dat de verpleegkundige in staat is snel inzicht te krijgen in de zorgbehoefte van de cliënt. De verpleegkundige kan daarbij verantwoordelijkheid dragen voor het zelfstandig verzamelen en interpreteren van gegevens rond een individuele cliënt en het interpreteren en registreren van de effecten hiervan. Naar aanleiding hiervan kan de verpleegkundige de benodigde verpleegkundige activiteiten en interventies plannen en uitvoeren.
Het in het eerste lid, onderdeel b, genoemde aspect is zodanig ingericht dat de verpleegkundige aan de hand van standaardprocedures en combinaties van procedures de dreigende of bestaande gezondheidsproblemen van de cliënt kan onderkennen en rekeninghoudend daarmee de verpleegkundige zorg kan plannen en uitvoeren.
Het in het eerste lid, onderdeel c, genoemde aspect is zodanig ingericht dat een verpleegkundige in staat is een verpleegproces in een verpleegplan neer te leggen. Tevens is de verpleegkundige in staat een eigen werkplanning te maken, voorwaarden te formuleren die wenselijk zijn voor de te verlenen zorg en efficiënt en kostenbewust om te gaan met beschikbare materiële en financiële middelen.
Het in het eerste lid, onderdeel d, genoemde aspect is zodanig ingericht dat de verpleegkundige in staat is tot het verlenen van basiszorg zowel op somatisch als op psychosociaal gebied, zoals het helpen van een cliënt bij persoonlijke verzorging, opname van voeding en vocht, uitscheiding, mobiliteit en het bewaken van vitale functies, het toedienen van medicijnen, het beïnvloeden van de lichaamstemperatuur en het verzorgen van wonden. Ook is een verpleegkundige in staat tot het uitvoeren van verpleegtechnische handelingen, zoals het geven van subcutane, intramusculaire en intraveneuze injecties, het verrichten van blaascatheterisaties bij volwassenen en venapuncties, het inbrengen van een maagsonde of infuus, het verrichten van een hielprik bij neonaten, het toedienen van zuurstof en het uitzuigen van mond- en keelholten. De verpleegkundige kan de vereiste basiszorg en verpleegtechnische handelingen efficiënt en met flexibiliteit uitvoeren.
Het in het eerste lid, onderdeel e, genoemde aspect is zodanig ingericht dat een verpleegkundige in staat is om periodiek de effecten van de zorgverlening op de gezondheidstoestand van de cliënt te evalueren en het behandelplan zodanig bij te stellen dat optimale resultaten bereikt kunnen worden. De verpleegkundige roept de beroepsbeoefenaar die de cliënt heeft toegewezen in consult, wanneer er sprake is van veranderingen in de zorgvraag of in de omgeving van de cliënt die de competentie of de verantwoordelijkheid van de verpleegkundige te boven gaan.
Artikel 7
Als werkzaamheden die worden gelijkgesteld met werkzaamheden op het gebied van de beroepsuitoefening van de fysiotherapeut wordt aangewezen het verzorgen van onderwijs in het centrale vakgebied fysiotherapie, voor zover onderwijs gegeven wordt in de vakken genoemd in artikel 3, eerste lid, van het Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied fysiotherapeut en voor zover het onderwijs wordt gegeven aan een onderwijsinstelling die opleidingen verzorgt die leiden tot een getuigschrift dat recht geeft op inschrijving in het register van fysiotherapeut.
Als werkzaamheden die worden gelijkgesteld met werkzaamheden op het gebied van de beroepsuitoefening van de verloskundigen wordt aangewezen het verzorgen van onderwijs dat gericht is op het verwerven van kennis van en inzicht en vaardigheid in de competenties genoemd in artikel 4, eerste tot en met vijfde lid, van het Besluit opleidingseisen en deskundigheidsgebied verloskundige 2008 en voor zover het onderwijs wordt gegeven aan een onderwijsinstelling die opleidingen verzorgt die leiden tot een getuigschrift dat recht geeft op inschrijving in het register van verloskundige, bedoeld in artikel 3 van de wet.
Als werkzaamheden die worden gelijkgesteld met werkzaamheden op het gebied van de beroepsuitoefening van de verpleegkundige wordt aangewezen het verzorgen van onderwijs in het centrale vakgebied verpleegkunde, voor zover onderwijs gegeven wordt in de vakken genoemd in artikel 3, eerste lid, van het Besluit opleidingseisen verpleegkundige 2011 en voor zover het onderwijs wordt gegeven aan een onderwijsinstelling die opleidingen verzorgt die leiden tot een getuigschrift dat recht geeft op inschrijving in het register van verpleegkundige, bedoeld in artikel 3 van de wet, dan wel voor zover het onderwijs wordt gegeven in het kader van:
- a. een specialistenopleiding, die leidt tot een wettelijk erkende specialistentitel als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet.
- b. een van de navolgende door Stichting College Zorg Opleidingen te Utrecht erkende verpleegkundige vervolg opleidingen. Het betreft de opleiding tot: Ambulance verpleegkundige, Cardiac Care verpleegkundige, Dialyse verpleegkundige, Geriatrie verpleegkundige, Intensive Care verpleegkundige, Intensive Care Kinderverpleegkundige, Intensive Care Neonatologie verpleegkundige, Kinderverpleegkundige, Obstetrie verpleegkundige, Oncologie verpleegkundige, Recovery verpleegkundige en Spoedeisende Hulp verpleegkundige.
Als werkzaamheden die worden gelijkgesteld met werkzaamheden op het gebied van de beroepsuitoefening van de arts wordt aangewezen het verzorgen van onderwijs dat gericht is op het verwerven van competenties als bedoeld in artikel 3 van het Besluit opleidingseisen arts, voor zover het onderwijs wordt gegeven aan een onderwijsinstelling die opleidingen verzorgt die leiden tot een getuigschrift dat recht geeft op inschrijving in het register van artsen bedoeld in artikel 3 van de wet, dan wel voor zover het onderwijs wordt gegeven in het kader van een specialistenopleiding, die leidt tot een wettelijk erkende specialistentitel als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de wet.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.