Besluit van de Minister van Justitie van 30 maart 2009, nummer WBN 2009/1, houdende wijziging van de tekst van de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap toegespitst op buiten het Koninkrijk afgelegde optieverklaringen en ingediende naturalisatieverzoeken

Type Circulaire
Publication 2026-02-01
State In force
Source BWB
artikelen 3
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap, toegespitst op buiten het Koninkrijk afgelegde optieverklaringen en ingediende naturalisatieverzoeken

1. Voorwoord

Algemeen

Deze aanvulling op de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 is bestemd voor medewerkers van de diplomatieke en consulaire posten, medewerkers van de Regionale Service Organisaties (RSO’s) in het buitenland en voor IND-medewerkers. Dit onderdeel dient als handreiking voor de behandeling van optieverklaringen en verzoeken om naturalisatie in het buitenland.

Enige nadruk wordt hier gelegd op het woord ‘handreiking’. Omdat de optie- en naturalisatieprocedure in het buitenland overeenkomt met de wijze waarop dat in Nederland gebeurt, is hier geen sprake van een zelfstandig onderdeel van de Handleiding voor Nederland.

In de toelichting bij de artikelen die in dit onderdeel worden behandeld, wordt daarom in de eerste plaats verwezen naar de Handleiding voor Nederland. Voor artikelen die niet in dit onderdeel zijn opgenomen – maar waarop wel een beroep in het buitenland kan worden gedaan – wordt verwezen naar de toelichting in de Handleiding voor Nederland.

De procedurebeschrijvingen voor optie en naturalisatie onder artikel 6, derde lid respectievelijk artikel 7 RWN zijn hieronder in hun geheel opgenomen en afgestemd op de situatie in het buitenland. Deze gedeelten kunnen dan ook onafhankelijk gelezen worden van de toelichting in de Handleiding voor Nederland. Toch wordt de gebruiker ook hier gewezen op het belang van de procedures in Nederland, dat immers als uitgangspunt voor de procedures in het buitenland gelden.

Opties in het buitenland zijn alleen mogelijk in de gevallen genoemd in artikel 6, eerste lid, onder c, d, i t/m p, artikel 28 RWN, artikel II van de van de Rijkswet van 27 juni 2008 (Stb. 270 – Besluit DNA-onderzoek vaderschap) en artikel 7, tweede lid, Toescheidingsovereenkomst Suriname (TOS). Voor deze gevallen geldt immers niet het vereiste van toelating en hoofdverblijf in het Koninkrijk. Het betreft bijvoorbeeld minderjarige vreemdelingen die onder (ingesteld) gezamenlijk gezag van een Nederlander en een niet-Nederlander staan of minderjarige vreemdelingen die erkend zijn door een Nederlandse man.

Sinds 1 maart 2009 zijn artikel 4 en artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Rijkswet gewijzigd. Het sinds 1 maart 2009 geldende artikel 4, tweede, derde en vierde lid RWN (Stb. 270) betreft alleen erkenningen en wettigingen die op of ná 1 maart 2009 gerealiseerd zijn. Voor kinderen die nog vreemdeling zijn en op of na 1 april 2003, maar vóór 1 maart 2009 zijn erkend of gewettigd, zijn overgangsbepalingen opgesteld die deze kinderen met een optierecht zoveel mogelijk dezelfde rechten geeft als de regelgeving. Deze overgangsbepalingen zijn opgenomen in artikel II van de Rijkswet van 27 juni 2008 (Stb. 270)

De bovengenoemde artikelen worden niet toegelicht in dit deel van de Handleiding. De toelichting die in de Handleiding voor Nederland bij bovengenoemde artikelen is opgenomen, volstaat.

Het aantal personen dat in het buitenland een inburgeringsexamen wil afleggen, is relatief gering. Het betreft oud-Nederlanders en oud-Nederlandse onderdanen, personen die gehuwd zijn met – of een geregistreerd partnerschap hebben met – een Nederlander en met deze Nederlander samenwonen, en personen die tijdens meerderjarigheid in het Koninkrijk zijn geadopteerd door een Nederlander. Voor deze personen gelden niet de vereisten van toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk. Het gaat in deze gevallen om toepassing van artikel 8, tweede lid en artikel 11, zesde lid RWN. Ook bij een beroep op artikel 10 RWN kan worden afgezien van de vereisten van toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk.

Artikel 8 , tweede lid, RWN – de verzoeker voor wie de vereisten van vijf jaar toelating en hoofdverblijf binnen het Koninkrijk voorafgaande aan het verzoek niet gelden – wordt in dit onderdeel op enkele punten kort toegelicht. Bij deze categorie verzoekers wordt ambtshalve bekeken of zij in aanmerking zouden komen voor verblijf van niet-tijdelijke aard binnen het Koninkrijk. Ook wordt een korte toelichting gegeven op de wijze waarop samenwoning met een Nederlander in het buitenland kan worden aangetoond.

Artikel 8 , eerste lid, onder d RWN – het inburgeringvereiste – ten slotte geldt ook voor bovengenoemde categorie verzoekers. Omdat met name de wijze waarop het inburgeringsexamen op de diplomatieke of consulaire post wordt afgenomen, verschilt met de wijze waarop dit in Nederland gebeurt, is dit onderdeel van de procedure uitgebreider beschreven.

1. Optieverklaringen in het buitenland

Artikel 6-2

2. Optieverklaringen in het buitenland

Paragraaf 1. toelichting bij artikel 6, tweede lid

Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door optie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij het afleggen van de optieverklaring een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid is een nieuw vereiste. De eis een bereidverklaring te ondertekenen en op een later moment, in beginsel tijdens de naturalisatieceremonie, de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als de optieverklaring op of na 1 maart 2009 wordt afgelegd. Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd (zie ook toelichting bij artikel 60a, derde lid, BVVN en artikel 2, vijfde lid, artikel 7, artikel 8, eerste lid, onder e, artikel 11, vierde en vijfde lid, artikel 23, artikel 26 en artikel 28 RWN). Immers het besluit tot bevestiging wordt dan niet bekendgemaakt/uitgereikt (zie tevens paragraaf 2.2.4.1 Bereidverklaring afleggen van verklaring van verbondenheid (model 1.36a) in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN).

De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige optant. Zij rust daarnaast ook op minderjarigen die op het tijdstip waarop de optieverklaring wordt afgelegd zestien jaar of ouder zijn, ongeacht of zij zelfstandig opteren dan wel verzocht is hen te laten delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door een van hun ouders (zie tevens paragraaf 2.2.4.1 Bereidverklaring afleggen van verklaring van verbondenheid (model 1.36a) en 2.12.4 Afleggen verklaring van verbondenheid in de toelichting bij artikel 6, derde lid, RWN).

Met ingang van 1 maart 2009 is de verklaring van verbondenheid een nieuwe voorwaarde voor verkrijging van het Nederlanderschap door optie en een verplicht onderdeel van de naturalisatieceremonie. Niet alleen is het ondertekenen van de bereidverklaring bij het afleggen van de optieverklaring een vereiste voor het verkrijgen van het Nederlanderschap, maar ook het daadwerkelijk afleggen van de verklaring van verbondenheid is een nieuw vereiste. De eis een bereidverklaring te ondertekenen en op een later moment, in beginsel tijdens de naturalisatieceremonie, de verklaring van verbondenheid af te leggen, geldt alleen als de optieverklaring op of na 1 maart 2009 wordt afgelegd. Het Nederlanderschap wordt niet verkregen indien de verklaring van verbondenheid niet wordt afgelegd (zie ook toelichting bij artikel 60a, derde lid, BVVN en artikel 2, vijfde lid, artikel 7, artikel 8, eerste lid, onder e, artikel 11, vierde en vijfde lid, artikel 23, artikel 26 en artikel 28 RWN). Immers het besluit tot bevestiging wordt dan niet bekendgemaakt/uitgereikt (zie ook de toelichting bij artikel 6, derde lid, paragraaf 21.3.2.4, HRWN.

De verplichting tot bereidverklaring en het afleggen van de verklaring van verbondenheid rust op de meerderjarige optant. Zij rust daarnaast ook op minderjarigen die op het tijdstip waarop de optieverklaring wordt afgelegd zestien jaar of ouder zijn, ongeacht of zij zelfstandig opteren dan wel verzocht is hen te laten delen in de verkrijging van het Nederlanderschap door een van hun ouders (zie ook de toelichting bij artikel 6, derde lid, paragraaf 21.3.2.4, HRWN en bij artikel 6, derde lid, paragraaf 21.3.12.5, HRWN).

Vanaf 1 maart 2009 moet zowel de meerderjarige optant als de minderjarige optant die op het tijdstip waarop de optieverklaring wordt afgelegd zestien jaar of ouder is, zich bij het afleggen van de optieverklaring bereid verklaren de verklaring van verbondenheid te zullen afleggen bij de bekendmaking van de optiebevestiging. Bij de minderjarige van zestien jaar of ouder, is het niet van belang of hij zelfstandig opteert dan wel is verzocht hem te laten delen in de verkrijging van het Nederlanderschap van één van de ouders.

Betrokkene verklaart bereid te zijn de verklaring van verbondenheid af te leggen, door het ondertekenen van de ‘Bereidverklaring afleggen verklaring van verbondenheid’ (model 1.36a). De verklaring van verbondenheid legt hij vervolgens in principe in persoon op een naturalisatieceremonie mondeling af voordat de optiebevestiging aan hem wordt uitgereikt (zie ook de toelichting bij artikel 6, derde lid, paragraaf 21.3.12.5, HRWN).

Van de verplichting van het ondertekenen van de bereidverklaring en het vervolgens afleggen van de verklaring van verbondenheid wordt alleen vrijstelling gegeven, indien het afleggen van de verklaring van verbondenheid redelijkerwijs niet gevraagd kan worden (zie daarvoor toelichting bij artikel 60a, vijfde lid en zesde lid, BVVN). Zie de toelichting bij artikel 6, derde lid, paragraaf 21.3.2.4, HRWN voor de uitzonderingssituaties.

Uitgangspunt is dat de verklaring van verbondenheid mondeling en in persoon wordt afgelegd tijdens de naturalisatieceremonie waarbij de bevestiging tot verkrijging van het Nederlanderschap wordt uitgereikt. Indien het hoofd komt tot een andere wijze van bekendmaking dan uitreiking in persoon, wordt de verklaring van verbondenheid schriftelijk afgelegd (artikel 5, vierde lid, onder d, RVVN en artikel 60a, vijfde lid, BVVN). De verklaring van verbondenheid wordt in het Nederlands afgelegd.

Artikel 6-3

6-3. Toelichting ad artikel 6, derde lid

Paragraaf 1. Algemeen

In artikel 21 RWN is bepaald dat bij algemene maatregel van rijksbestuur de autoriteiten en ambtenaren worden aangewezen die bevoegd zijn tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen tot verkrijging van het Nederlanderschap. Voorts is bepaald dat bij algemene maatregel van rijksbestuur nadere voorschriften gesteld kunnen worden betreffende de wijze van inontvangstneming van de verklaringen en de bevestigingen van de verkrijging van het Nederlanderschap, alsmede betreffende de verdere administratieve behandeling van de verkrijging van het Nederlanderschap. In het BVVN zijn deze voorschriften opgenomen en vorenbedoelde autoriteiten en ambtenaren aangewezen. In artikel 2, aanhef en onder d, BVVN is bepaald dat in het buitenland de Minister van Buitenlandse Zaken bevoegd is tot het in ontvangst nemen van optieverklaringen ter verkrijging van het Nederlanderschap.

De vormvoorschriften, procedurele vereisten en administratieve behandeling van de verklaringen zijn voor het buitenland beschreven in de artikelen 25 tot en met 30 BVVN. In de hierna opgenomen procedurebeschrijving is de volgorde van het BVVN aangehouden.

Hierop wordt echter een uitzondering gemaakt voor de eerste procedurestap: ‘Informatieverstrekking’ die zich naar zijn aard niet leent voor opname in het BVVN, maar in de uitvoeringspraktijk over het algemeen wel aan het afleggen van de optieverklaring vooraf zal gaan.

Paragraaf 2. Procedure

Paragraaf 2.1. Informatieverstrekking

Hierop wordt echter een uitzondering gemaakt voor de eerste procedurestap: ‘Informatieverstrekking’ die zich naar zijn aard niet leent voor opname in het BVVN, maar in de uitvoeringspraktijk over het algemeen wel aan het afleggen van de optieverklaring vooraf zal gaan.

Indien de optant zich bij de Minister van Buitenlandse Zaken vervoegt om een optieverklaring af te leggen, ligt het in de rede eerst te onderzoeken of de optant alle voor de aanvraag benodigde documenten heeft verzameld, geld bij zich heeft om de optiegelden te betalen en voor zover mogelijk te toetsen of aan de voorwaarden voor optie wordt voldaan. Indien een optant (nog) niet aan de voorwaarden voor verkrijging van het Nederlanderschap voldoet, of indien hij (nog) niet in staat is de benodigde documenten over te leggen, wordt hem ontraden een verklaring af te leggen. Indien de optant er niettemin op staat een verklaring af te leggen, ondanks het feit dat hij (nog) niet aan de voorwaarden voor bevestiging van de verklaring voldoet, dient de Minister van Buitenlandse Zaken de verklaring in ontvangst te nemen.

Paragraaf 2.3.1. informatieverstrekking

Paragraaf 2.2.1. Vormvereisten: afleggen in persoon

Paragraaf 2.2.1.1. Meerderjarige optant

Omdat in het kader van optie van belang is dat wordt aangetoond dat de optant degene is die hij opgeeft te zijn, dient de optant bij het afleggen van zijn verklaring in beginsel in persoon te verschijnen (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, eerste lid, BVVN). De Minister van Buitenlandse Zaken die de optieverklaring in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen over de identiteit van de optant. Daartoe wordt de optant verzocht om – zoveel mogelijk – een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. Daarnaast wordt de optant – ter meerdere zekerheid – gevraagd andere bewijsstukken, zoals een geboorteakte, over te leggen. Zie hierna onder paragraaf 2.2.5 (Overige) over te leggen documenten.

Een optieverklaring ten behoeve van een optant die wegens handelingsonbekwaamheid onder curatele is gesteld, wordt afgelegd door zijn curator.

Paragraaf 2.3.2.1.1. meerderjarige optant

Omdat in het kader van optie van belang is dat wordt aangetoond dat de optant degene is die hij opgeeft te zijn, dient de optant bij het afleggen van zijn verklaring in beginsel in persoon te verschijnen (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, eerste lid, BVVN). De Minister van Buitenlandse Zaken die de optieverklaring in ontvangst neemt, moet zich door middel van onderzoek de nodige zekerheid verschaffen over de identiteit van de optant. Daartoe wordt de optant verzocht om – zoveel mogelijk – een geldig buitenlands reisdocument over te leggen. Daarnaast wordt de optant – ter meerdere zekerheid – gevraagd andere bewijsstukken, zoals een geboorteakte, over te leggen. Zie hierna onder paragraaf 2.3.2.5, HRWN.

Een optieverklaring ten behoeve van een optant die wegens handelingsonbekwaamheid onder curatele is gesteld, wordt afgelegd door zijn curator.

Het verdient wel de voorkeur. De minderjarige optant wordt derhalve mondeling (indien aanwezig bij optieverklaring) of per brief gewezen op de mogelijkheid om in persoon dan wel schriftelijk een zienswijze te geven omtrent de verkrijging (model 1.2a, 1.18a en 1.19a) (zie toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).

Voor een minderjarige optant wordt de optieverklaring afgelegd door (een van) zijn wettelijk vertegenwoordiger(s). In beginsel dient de wettelijk vertegenwoordiger in persoon te verschijnen (artikel 2, tweede lid, RWN; artikel 3, eerste lid, BVVN) en zich met een geldig identiteitsbewijs te legitimeren. Van verschijning in persoon door de wettelijk vertegenwoordiger kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie artikel 2, tweede lid, RWN en artikel 3, tweede lid, BVVN). De minderjarige optant die jonger dan 12 jaar is, wordt niet in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen omtrent de verkrijging van het Nederlanderschap (zie toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).

Paragraaf 2.2.1.3. Kinderen van de optant

Het verdient wel de voorkeur. De minderjarige optant wordt derhalve mondeling (indien aanwezig bij optieverklaring) of per brief gewezen op de mogelijkheid om in persoon dan wel schriftelijk een zienswijze te geven omtrent de verkrijging (model 1.2a, 1.18a en 1.19a) (zie toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).

Naar analogie van artikel 6, derde lid, BVVN dient de minderjarige optant vanaf 16 jaar in persoon te verschijnen om een verklaring van instemming met de verkrijging van het Nederlanderschap af te leggen (model 1.2a). Van verschijning in persoon kan slechts om zwaarwegende redenen worden afgeweken (zie toelichting bij artikel 2, tweede en vierde lid, RWN).

Voor dit kind is niet voorgeschreven dat het in persoon verschijnt om een zienswijze naar voren te brengen omtrent de verkrijging van het Nederlanderschap. Het verdient wel de voorkeur. Het kind wordt derhalve mondeling (indien aanwezig bij optieverklaring) of per brief gewezen op de mogelijkheid om in persoon dan wel schriftelijk een zienswijze te geven omtrent de verkrijging (1.2a, 1.18a en 1.19a) (zie toelichting bij artikel 2, vierde lid, RWN).

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.