Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 17 april 2009, nr. DK/B&B/110520, houdende vaststelling van de vergoedingen van de voorzitter en overige leden van de Raad voor cultuur (Vergoedingenregeling Raad voor cultuur)
Gelet op artikel 2 van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies;
Mede gelet op artikel 4 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies;
Besluit:
Artikel 1
De voorzitter van de Raad voor cultuur ontvangt een vaste vergoeding. De salarisschaal van de voorzitter wordt vastgesteld op schaal 18 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984. De arbeidsduurfactor wordt vastgesteld op 0,5.
In afwijking van het eerste lid wordt voor de periode van 1 april 2012 tot en met 31 december 2012 de arbeidsduurfactor vastgesteld op 0,7.
Artikel 2
De overige leden van de Raad voor cultuur ontvangen een vaste vergoeding. De salarisschaal van de leden wordt vastgesteld op schaal 16 van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1984. De arbeidsduurfactor wordt vastgesteld op 0,14.
Artikel 3
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 2009.
Artikel 4
Deze regeling wordt aangehaald als: Vergoedingenregeling Raad voor cultuur.
Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 2a
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst.