Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)
Gelet op de artikelen 21, eerste en derde lid, 22, eerste, derde, vierde, en vijfde lid, 22a, eerste lid, 23, derde lid, 25a, eerste en derde lid, 25b, derde lid, 25c, 25e, vierde lid, 26, eerste en tweede lid, 30, eerste, derde en vierde lid, 31, derde lid, 34, derde en vierde lid, 58, tweede lid, onderdeel b, 60, eerste lid, onderdeel c, derde lid, vijfde lid, onderdeel c, en achtste lid, 71, 71a, 72, 75, derde lid, 76, derde lid, 81, tweede lid, 83, vierde lid, 84, eerste en tweede lid, 85a, vierde en vijfde lid, 86, zevende lid, 86a, eerste en tweede lid, 88, tweede lid, 98, 99, tweede en derde lid, 101, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
Besluit:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- aanhangwagen: voertuig van de voertuigcategorie O; in ieder geval wordt als aanhangwagen aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een aanhangwagen is;
- achterlicht: licht dat, van de achterzijde gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt en een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig;
- achteruitrijlicht: licht, bestemd voor het verlichten van de weg achter het voertuig en voor het waarschuwen van de overige weggebruikers dat het voertuig achteruit rijdt of achteruit gaat rijden;
- afneembare bovenbouw: zonder gebruik van gereedschap van een voertuig afneembare constructie met een vloeroppervlak van ten minste 5 m2, ingericht voor het vervoer van goederen of ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van personen of goederen, niet zijnde een gestandaardiseerde laadstructuur;
- ambulance: voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M en met carrosserietype SC dat bestemd is voor het vervoer van zieken of gewonden en hiertoe een speciale uitrusting heeft; in ieder geval wordt als ambulance aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een ambulance is;
- as: aslichaam, of geheel van aslichamen in geval van onafhankelijke wielophanging, met inbegrip van twee wielen in één lijn loodrecht op de lengte-as van het voertuig;
- ashefinrichting: een op een voertuig vast aangebrachte inrichting om de belasting op de as(sen) naar gelang van de beladingstoestand van het voertuig te verlagen of te verhogen door het optrekken van de wielen van de bodem of het neerlaten van de wielen op de bodem, dan wel zonder het optrekken van de wielen van de bodem, teneinde de slijtage van de banden te verminderen wanneer het voertuig niet volledig beladen is, of het wegrijden van motorvoertuigen of voertuig-combinaties op een gladde bodem te vergemakkelijken door de belasting op de aangedreven as te vergroten;
- asstel: combinatie van twee of meer assen, evenwijdig gelegen op een onderlinge afstand van minder dan 1,80 m;
- autonome aanhangwagen: aanhangwagen met carrosserietype DB met ten minste twee assen, waarvan er ten minste één een gestuurde as is, en uitgerust is met een ten opzichte van de aanhangwagen verticaal beweegbare trekinrichting dat minder dan 100 kg belasting overbrengt op het trekkende voertuig; in ieder geval wordt als autonome aanhangwagen aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een autonome aanhangwagen is;
- bedrijfsauto: voertuig van de voertuigcategorie N, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig met beperkte snelheid; in ieder geval wordt als bedrijfsauto aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een bedrijfsauto is;
- belastbare as: een as waarvan de belasting met behulp van de ashefinrichting kan worden gevarieerd zonder dat de as wordt opgetrokken;
- bestuurde as: as die rechtstreeks door middel van de stuurinrichting door de bestuurder kan worden bediend;
- bestuurd asstel: asstel dat rechtstreeks door middel van de stuurinrichting door de bestuurder kan worden bediend;
- bochtverlichting: een verlichtingsfunctie voor betere verlichting in bochten;
- bromfiets: voertuig van de voertuigcategorie L met de voertuigclassificatie L1e, L2e of L6e, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig met beperkte snelheid; in ieder geval wordt als bromfiets aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een bromfiets is;
- bus: voertuig van de voertuigcategorie M met de voertuigclassificatie M2 of M3, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig of motorrijtuig met beperkte snelheid; als bus wordt in ieder geval aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een bus is;
- CNG-installatie: het geheel van gemonteerde onderdelen dat het mogelijk maakt om als brandstof voor de voortstuwingsmotor gebruik te maken van Compressed Natural Gas (CNG);
- contourmarkering: opvallende markering die dient om de horizontale en verticale dimensie van een voertuig aan te geven;
- dagrijlicht: een licht dat voorwaarts gericht is en wordt gebruikt om het voertuig tijdens het overdag rijden beter zichtbaar te maken;
- dimlicht: licht waarmee de weg vóór het voertuig wordt verlicht zonder dat hierdoor andere weggebruikers worden verblind of gehinderd;
- dolly: aanhangwagen met carrosserietype DA, DB of DC, bestemd voor: in ieder geval wordt als dolly aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een dolly is;
- a. het koppelen van een oplegger aan een trekkend voertuig waarbij de dolly de voorzijde van een oplegger draagt;
- b. het dragen van de achterzijde van in de lengte ondeelbare lading, indien deze lading het chassis van het voertuig vervangt;
- c. het koppelen van een ontheffingsplichtige oplegger aan een trekkend voertuig, waarbij de dolly de massa van de lading verdeelt over de achteras(sen) van het trekkend voertuig en de as(sen) van de dolly; of
- d. het dragen van één van de assen van een motorvoertuig; de afsleepdolly;
- driewielig motorrijtuig: voertuig van de voertuigcategorie L met de voertuigclassificatie L5e of L7e, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig met beperkte snelheid; in ieder geval wordt als driewielig motorrijtuig aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een driewielig motorrijtuig is;
- fietsaanhangwagen: een niet-zelfaangedreven voertuig op wielen dat is ontworpen en gebouwd om door een fiets te worden getrokken;
- frontbeschermingsinrichting: een afzonderlijke constructie die bedoeld is om het buitenoppervlak boven of onder de tot de originele uitrusting van het voertuig behorende bumper bij een botsing met een object te beschermen, met dien verstande dat hieronder niet worden begrepen constructies met een massa van minder dan 0,5 kg die uitsluitend bedoeld zijn ter bescherming van de lichten;
- geconditioneerd voertuig: voertuig waarvan de vaste bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur speciaal is ingericht voor het vervoer van goederen bij een gecontroleerde temperatuur en waarvan de zijwanden, met inbegrip van de isolatie, ten minste 45 mm dik zijn;
- gehandicaptenvoertuig: voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 m en niet is uitgerust met een motor, dan wel waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km/h bedraagt indien het voertuig is uitgerust met een motor, en niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid of een landbouw- of bosbouwtrekker;
- gelede bus: bus met carrosserietype CC, CD, CG, CH, CK, CL, CO, CP, CS of CT die bestaat uit twee of meerdere starre delen die scharnierend met elkaar verbonden zijn; de passagiersruimten van elk deel zijn zodanig met elkaar verbonden dat de passagiers zich vrij van het ene naar het andere deel kunnen bewegen; de starre delen zijn permanent met elkaar verbonden zodat deze alleen kunnen worden losgemaakt door ingrepen waarvoor uitrusting benodigd is die men gewoonlijk alleen in een werkplaats aantreft; in ieder geval wordt als gelede bus aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een gelede bus is;
- gepantserd voertuig: voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M, N of O en carrosserietype SB dat bestemd is voor de bescherming van te vervoeren passagiers of goederen die voldoen aan de voorschriften inzake kogelwerende bepantsering; in ieder geval wordt als gepantserd voertuig aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een gepantserd voertuig is;
- gestandaardiseerde laadstructuur: zonder gebruik van gereedschap van een voertuig afneembare laadbak als bedoeld in ISO 668:1995 die uitsluitend is ingericht voor het vervoer van goederen, niet zijnde een lastdrager of een tot het voertuig behorende uitrusting;
- gestuurde as: as die wordt gestuurd door stuurkrachten, veroorzaakt door richtingverandering vanuit het voertuig zelf of vanuit het trekkend voertuig;
- gestuurd asstel: asstel dat wordt gestuurd door stuurkrachten, veroorzaakt door richtingverandering vanuit het voertuig zelf of vanuit het trekkend voertuig;
- gordel: een geheel van banden met sluiting, verstelinrichtingen en bevestigingselementen dat in een motorvoertuig kan worden bevestigd en zodanig is ontworpen dat de kans op verwondingen voor de gebruiker bij botsing of plotselinge vertraging van het voertuig wordt verminderd doordat het de bewegingsmogelijkheid van het lichaam van de gebruiker beperkt en dat mede omvat alle onderdelen die energie kunnen opnemen of waarmee de gordel wordt ingetrokken;
- gordelbevestigingspunten: de delen van de voertuigcarrosserie of van de zitplaatsconstructie of andere delen van het voertuig waaraan gordels moeten worden vastgemaakt;
- groot licht: licht dat de weg vóór het voertuig over een grote afstand verlicht;
- handwagen met motorvermogen: motorrijtuig, hoofdzakelijk bestemd om te worden bestuurd door een voetganger;
- hefbare as: een as die door de ashefinrichting kan worden opgetrokken en neergelaten;
- hoeklicht: licht dat wordt gebruikt voor aanvullende verlichting van het deel van de weg dat zich bij de voorhoek van het voertuig bevindt, aan de kant waarnaar het voertuig gaat draaien;
- hoofdgroeven: brede groeven in het middelste gedeelte van het loopvlak van een band, welk gedeelte ongeveer 75% van de breedte van het loopvlak inneemt;
- inrichting voor indirect zicht: een inrichting om het aan het voertuig grenzende gebied waar te nemen dat niet rechtstreeks kan worden waargenomen, zijnde een spiegel, een camera-monitor of een andere inrichting die de bestuurder informatie over het indirecte gezichtsveld geeft;
- kampeerwagen: voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M en met carrosserietype SA waarvan de constructie woonaccommodatie bevat die ten minste bestaat uit de volgende uitrusting welke vast in de woonafdeling zijn bevestigd, met dien verstande dat de tafel zodanig mag zijn ontworpen dat zij gemakkelijk kan worden verwijderd: in ieder geval wordt als kampeerwagen aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een kampeerwagen of kampeerauto is;
- 1°. zitplaatsen en een tafel;
- 2°. slaapaccommodatie die met behulp van de zitplaatsen mag worden gecreëerd;
- 3°. kookgelegenheid, en
- 4°. opbergfaciliteiten;
- kermis- en circusvoertuig: voertuig, niet zijnde een voertuig op rupsbanden, dat feitelijk wordt gebruikt voor het kermis- of circusbedrijf;
- kinderbeveiligingssysteem: een geheel van onderdelen, eventueel bestaande uit een combinatie van riemen of flexibele componenten met een sluiting, verstelinrichtingen en bevestigingselementen, soms tevens voorzien van een zitje of botsingsscherm, dat kan worden bevestigd aan een motorvoertuig, met het oogmerk de kans op verwonding van de gebruiker bij een botsing of een abrupte vertraging van het voertuig te verminderen doordat het de bewegingsmogelijkheid voor het lichaam van de gebruiker beperkt;
- klapstoel: extra zitplaats om bij gelegenheid te worden gebruikt en die gewoonlijk is weggeklapt;
- klimaatregelingssysteem: apparatuur die hoofdzakelijk bestemd is om de luchttemperatuur en de vochtigheid in de passagiersruimte van een voertuig te doen dalen;
- lading: alle personen, dieren, goederen, lastdragers, alsmede zonder gebruik van gereedschap van het voertuig los te nemen laad- en losinrichtingen en voertuiguitrustingen, het reservewiel alsmede verwisselbare uitrustingsstukken daaronder niet begrepen;
- landbouw- of bosbouwtrekker: voertuig van de voertuigcategorie T niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid of gehandicaptenvoertuig, of motorvoertuig op rupsbanden, met motor, ten minste twee assen en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet minder dan 6 km/h, die voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de land- of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van aanhangwagens voor de land- of bosbouw en niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid of gehandicaptenvoertuig. Hij kan zijn ingericht om een lading te vervoeren voor landbouw- of bosbouwdoeleinden en/of kan worden uitgerust met zitplaatsen voor meerijders;
- lastdrager: afneembare of uitschuifbare constructie die is bestemd voor het vervoer van goederen, met inbegrip van hulpmiddelen en die:
- a. aan de bumper, op de trekhaak of op het dak van een personenauto, bedrijfsauto, of driewielig motorrijtuig is aangebracht , dan wel is geïntegreerd in de achterzijde van het voertuig;
- b. aan de achterzijde, op de trekdriehoek of trekboom van een (middenas) aanhangwagen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg is aangebracht, of
- c. uitsluitend voor het vervoer van glas of ander plaatmateriaal aan één of beide zijkanten van een bedrijfsauto of aanhangwagen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg is aangebracht;
- lijkwagen: voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M en met carrosserietype SD dat bestemd is voor het vervoer van overledenen en hiertoe een speciale uitrusting heeft; in ieder geval wordt als lijkwagen aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een lijkwagen of begrafeniswagen is;
- lijnmarkering: opvallende markering die dient om de horizontale dimensie van een voertuig aan te geven door middel van een doorlopende lijn;
- loopvlak: deel van de band dat gemeten symmetrisch ten opzichte van het midden, 50 mm minder bedraagt dan de breedte in de maataanduiding van de band;
- LPG-installatie: het geheel van gemonteerde onderdelen dat het mogelijk maakt om als brandstof voor de voortstuwingsmotor gebruik te maken van Liquefied Petroleum Gas (LPG);
- luchtband: band waarin zich in normale, bedrijfsvaardige toestand gas bevindt onder een hogere spanning dan de atmosferische;
- markeringslicht: licht dat op het breedste punt van het voertuig zo hoog mogelijk is aangebracht, waardoor duidelijk de totale breedte van het voertuig wordt aangegeven. Dit licht is bestemd om voor bepaalde voertuigen en aanhangwagens de breedte- en achterlichten aan te vullen door in het bijzonder de aandacht te vestigen op de omvang;
- massa ledig voertuig voor voertuigen van de voertuigcategorieën M en N: massa van het voertuig in rijklare toestand verminderd met 100 kg;
- massa ledig voertuig voor voertuigen van de voertuigcategorie O: massa van het voertuig in rijklare toestand;
- massa ledig voertuig voor voertuigen van de voertuigcategorie L: massa van het voertuig, gereed voor normaal gebruik, inclusief:
- a. de aanvullende uitrusting die alleen voor het beschouwde normale gebruik is vereist;
- b. de volledige elektrische installatie, met inbegrip van de door de fabrikant geleverde verlichtings- en lichtsignaalinrichting;
- c. de instrumenten en voorzieningen die vereist zijn bij de wet waarvoor de meting van de ledige massa van het voertuig geschiedt;
- d. de vloeistoffen die nodig zijn om de goede werking van alle delen van het voertuig te garanderen. De brandstof of mengsmering wordt bij deze meting niet meegerekend, doch met vloeistoffen zoals accuzuur, de vloeistof voor de hydraulische circuits, de koelvloeistof en de motorolie moet wel rekening worden gehouden;
- massa in rijklare toestand voor voertuigen van de voertuigcategorie M, N en O: massa van het voertuig met carrosserie, in bedrijfsklare toestand, met inbegrip van koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof, reservewiel, gereedschap, bestuurder en voor bussen een bijrijder voor zover daarvoor een zitplaats aanwezig is; voor het vaststellen van de massa moet de brandstoftank voor 90% zijn gevuld en wordt de massa van de bestuurder en de bijrijder elk op 75 kg gesteld;
- massa in rijklare toestand voor voertuigen van de voertuigcategorie L: massa van het voertuig met carrosserie, in bedrijfsklare toestand, met inbegrip van koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof, reservewiel en gereedschap; voor het vaststellen van de massa moet de brandstoftank voor 90% zijn gevuld;
- massa in rijklare toestand voor voertuigen van de voertuigcategorie T: massa van een rijklare landbouw- of bosbouwtrekker met inbegrip van de kantelbeveiligingsinrichting, zonder facultatieve accessoires, maar met koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof, outillage en bestuurder; voor het vaststellen van de massa wordt de massa van de bestuurder op 75 kg gesteld;
- massieve band: band zonder luchtkamers, geheel vervaardigd van een elastisch materiaal;
- mechanische koppelinrichting: alle onderdelen en inrichtingen op onderstellen, dragende gedeelten van de carrosserie en het chassis van voertuigen, waarmee het trekkend voertuig en het getrokken voertuig met elkaar kunnen worden verbonden; tevens behoren hiertoe vaste of demontabele onderdelen voor de bevestiging, afstelling of het gebruik van de bovenvermelde koppelinrichtingen;
- meeneemheftruck: motorrijtuig met beperkte snelheid, zonder laadruimte, uitgerust met een hefinrichting waarvan het zwaartepunt van de te heffen last tussen de wielen ligt en dat zelfstandig voor laad- en losactiviteiten kan worden ingezet;
- metalen band: band waarvan het loopvlak geheel van vormvast materiaal is vervaardigd;
- middenasaanhangwagen: aanhangwagen met carrosserietype DC en met een stijve dissel waarvan de as(sen), indien gelijkmatig belast, zich dicht bij het zwaartepunt van het voertuig bevindt (bevinden), zodat slechts een geringe statische verticale belasting van ten hoogste 10% van de met de technisch toegestane maximummassa van de aanhangwagen overeenkomende belasting of van 1.000 kg, waarbij de lichtste belasting is van toepassing is, wordt overgebracht op het trekkende voertuig; in ieder geval wordt als middenasaanhangwagen aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een middenasaanhangwagen is;
- mistachterlicht: licht dat het voertuig bij dichte mist aan de achterzijde beter waarneembaar maakt;
- mistvoorlicht: licht dat dient voor een betere verlichting van de weg bij mist, sneeuwval, hevige regenval of stofwolken;
- mobiele kraan: voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie N met de voertuigclassificatie N3 en met carrosserietype SF dat niet is uitgerust voor het vervoer van goederen, maar zijn voorzien van een kraan waarvan het hefmoment ten minste 400 kNm bedraagt; in ieder geval wordt als mobiele kraan aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een mobiele kraan is;
- mobiliteitshandicap: eigenschap die het gebruik van het openbaar vervoer bemoeilijkt, bijvoorbeeld als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke handicap, meereizende kinderen of meegevoerde goederen;
- motorfiets: voertuig van de voertuigcategorie L met de voertuigclassificatie L3e of L4e, niet zijnde een gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig met beperkte snelheid; in ieder geval wordt als motorfiets aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een motorfiets is;
- motorrijtuig met beperkte snelheid: motorvoertuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 25 km/h, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker of een bromfiets, niet ingericht voor het vervoer van personen en ingericht voor het bij op korte afstand van elkaar gelegen plaatsen afleveren of ophalen van goederen; onder motorrijtuig met beperkte snelheid wordt mede verstaan:
- a. motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker of een bromfiets, niet ingericht voor het vervoer van personen en wel ingericht voor het uitvoeren van werkzaamheden buiten wegen, aan wegen of aan werken op, in, langs en boven wegen;
- b. motorrijtuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 45 km/h, met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker of een bromfiets, dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen;
- motorvoertuig: een motorrijtuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de wet;
- ondeelbare lading: lading die ten behoeve van het vervoer over de weg niet in twee of meer ladingen kan worden gesplitst zonder dat zulks overmatige kosten of risico van schade meebrengt;
- onderdeel: inrichting als bedoeld in de richtlijnen 2002/24/EG, 2003/37/EG of 2007/46/EG, die bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig waarvoor onafhankelijk van een voertuig typegoedkeuring kan worden verleend;
- oplegger: aanhangwagen met carrosserietype DA dat ontworpen is om aan een opleggertrekkend voertuig of aan een dolly te worden gekoppeld en dat op het trekkende voertuig of de dolly een aanzienlijke statische verticale belasting overbrengt; in ieder geval wordt als oplegger aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een oplegger is;
- overig voertuig voor speciale doeleinden: motorvoertuig of aanhangwagen voor speciale doeleinden met carrosserietype SG niet zijnde een caravan, gepantserd voertuig, kampeerwagen, lijkwagen, ambulance, mobiele kraan of een voor een rolstoel toegankelijk voertuig; in ieder geval wordt als overig voertuig voor speciale doeleinden aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een overig voertuig voor speciale doeleinden is;
- parkeerlicht: licht, bestemd om de aanwezigheid van een geparkeerd voertuig aan te geven;
- pendelas: samenstel van twee of meer assen in één lijn loodrecht op de lengte-as van het voertuig zodanig ingericht dat de belasting op alle wielen gelijkmatig verdeeld wordt overgebracht op het wegdek. Een samenstel van wielen op één wielnaaf wordt aangemerkt als één wiel;
- personenauto: voertuig van de voertuigcategorie M met de voertuigclassificatie M1 niet zijnde een gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig met beperkte snelheid; in ieder geval wordt als personenauto aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een personenauto is;
- remlicht: een licht dat wordt gebruikt om de weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden kenbaar te maken dat de longitudinale beweging van het voertuig opzettelijk wordt vertraagd;
- retroreflector: inrichting, bestemd om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet tot dat voertuig behorende lichtbron, waarbij de waarnemer zich nabij deze lichten bevindt;
- richtingaanwijzer: een licht, bestemd om andere weggebruikers kenbaar te maken dat de bestuurder het voornemen heeft naar links of naar rechts van richting te veranderen;
- rijdend werktuig: bedrijfsauto of motorrijtuig met beperkte snelheid, ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen;
- samenstel van voertuigen trekkend voertuig met een of meer aanhangwagens;
- schadevoertuig: voertuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel u, van de wet. Onder een schadevoertuig wordt in ieder geval verstaan een voertuig:
- 1°. waarvan de dragende carrosseriedelen ernstig zijn vervormd;
- 2°. waarvan de langsbalken van het chassis ernstig zijn vervormd;
- 3°. waarvan één of meer deurstijlen ernstig zijn vervormd;
- 4°. waarvan het dak is verwijderd of de deur- of raamstijlen zijn doorgeknipt;
- 5°. waarvan één of meer wielophangingen ernstig zijn vervormd in combinatie met één van de overige punten;
- 6°. met ernstige brand- of waterschade, of
- 7°. waarvan het frame ernstig is beschadigd;
- staaklicht: licht dat voor de bestuurder de lengte van het voertuig kenbaar maakt;
- stadslicht: licht dat, van de voorzijde gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt en een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig;
- taxi: personenauto bestemd voor taxivervoer als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, van de Wet personenvervoer 2000; in ieder geval wordt als taxi aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een taxi is;
- technische eenheid: als onderdeel van een voertuig bedoelde inrichting, die aan de eisen van een bijzondere richtlijn als bedoeld in de richtlijnen 2002/24/EG, 2003/37/EG of 2007/46/EG moet voldoen en waarvan de betrokken bijzondere richtlijn een afzonderlijke typegoedkeuring mogelijk maakt uitsluitend in samenhang met een of meer bepaalde typen voertuigen;
- terreinvoertuig: voertuig zoals gedefinieerd in bijlage II, onder A, onder punt 4, van richtlijn 2007/46/EG;
- T100-bus: bus, die blijkens het afgegeven kentekenbewijs of blijkens het kentekenregister is goedgekeurd voor een maximumsnelheid van 100 km/h;
- trekker: bedrijfsauto met carrosserietype BC; in ieder geval wordt als trekker aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een trekker is;
- verlicht transparant: verlichting op een voertuig dat uitsluitend informatie biedt over de bestemming of het gebruik van het voertuig, dan wel aanwijzingen weergeeft voor het overige wegverkeer;
- verwisselbare getrokken machine: in de landbouw of bosbouw gebruikte inrichting die is ontworpen om door een landbouw- of bosbouwtrekker te worden getrokken en die de landbouw- of bosbouwtrekker een andere of extra functie geeft. Een verwisselbare getrokken machine kan een laadplatform omvatten dat ontworpen en gebouwd is om de voor de uitvoering van de werkzaamheden noodzakelijke gereedschappen en hulpstukken te dragen en om het tijdens het werk geproduceerde of benodigde materiaal tijdelijk op te slaan. Een voertuig dat bestemd is om door een landbouw- of bosbouwtrekker of een motorrijtuig met beperkte snelheid te worden getrokken en van een vast gemonteerd werktuig is voorzien of voor de bewerking van materiaal is ontworpen, wordt gelijkgesteld met een verwisselbare getrokken machine, indien de verhouding tussen de technisch toegestane massa en de lege massa van dit voertuig kleiner is dan 3,0;
- verwisselbaar uitrustingsstuk: inrichting die is ontworpen om door een voertuig te worden gedragen of aan een voertuig te worden gekoppelden waarmee aan het voertuig een extra functie wordt gegeven;
- voertuig voor speciale doeleinden: een voertuig dat bedoeld is voor het verrichten van diensten waarvoor een bijzondere carrosserie-uitvoering of uitrusting vereist is. Deze categorie omvat voertuigen die toegankelijk zijn voor rolstoelen;
- voertuigen van de voertuigcategorie L: motorvoertuigen op twee, drie of vier wielen, al dan niet met dubbellucht, gedefinieerd overeenkomstig de volgende voertuigclassificatie:
- a. L1e: tweewielige motorvoertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/h met de volgende kenmerken: een motor met:
- 1°. een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 indien het een motor met inwendige verbranding betreft, of
- 2°. een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft;
- b. L2e: driewielige motorvoertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/h met de volgende kenmerken: een motor met:
- 1°. een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 indien het een motor met elektrische ontsteking betreft, of
- 2°. een nettomaximumvermogen van ten hoogste 4 kW voor andere soorten motoren met inwendige verbranding, of
- 3°. een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft;
- c. L3e: tweewielige motorvoertuigen zonder zijspanwagen, uitgerust met een motor met een cilinderinhoud van meer dan 50 cm³, indien het een motor met inwendige verbranding betreft, of met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45 km/h;
- d. L4e: tweewielige motorvoertuigen met zijspanwagen, uitgerust met een motor met een cilinderinhoud van meer dan 50 cm³, indien het een motor met inwendige verbranding betreft, of met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45 km/h;
- e. L5e: driewielers, dat wil zeggen motorvoertuigen op drie symmetrisch geplaatste wielen, met een motor waarvan de cilinderinhoud meer dan 50 cm³ bedraagt indien het een motor met inwendige verbranding betreft, of met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 45 km/h;
- f. L6e: lichte vierwielige motorvoertuigen met een lege massa van ten hoogste 350 kg, exclusief de massa van de accu’s in elektrische motorvoertuigen, met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 45 km/h, en
- 1°. een motor met een cilinderinhoud van ten hoogste 50 cm3 voor motoren met een elektrische ontsteking, of
- 2°. een nettomaximumvermogen van ten hoogste 4 kW voor andere soorten motoren met inwendige verbranding, of
- 3°. een nominaal continu maximumvermogen van ten hoogste 4 kW indien het een elektrische motor betreft;
- g. L7e: andere vierwielige motorvoertuigen dan motorvoertuigen van de categorie L6e met een lege massa van ten hoogste 400 kg, of 550 kg voor motorvoertuigen die bestemd zijn voor goederenvervoer, exclusief de massa van de accu’s in elektrische motorvoertuigen, en met een nettomaximumvermogen van ten hoogste 15 kW;
- voertuigen van de voertuigcategorie M: voor het vervoer van personen ontworpen en gebouwde motorvoertuigen met tenminste vier wielen, gedefinieerd overeenkomstig de onderstaande voertuigclassificatie: Motorvoertuigen met de voertuigclassificatie M2 en M3 kunnen de volgende carrosserietypen hebben: Motorvoertuigen met de voertuigclassificatie M2 en M3 van klasse I als bedoeld in richtlijn 2001/85/EG kunnen de volgende carrosserietypen hebben: Motorvoertuigen met de voertuigclassificatie M2 en M3 van klasse II als bedoeld in richtlijn 2001/85/EG kunnen de volgende carrosserietypen hebben: Motorvoertuigen met de voertuigclassificatie M2 en M3 van klasse III als bedoeld in richtlijn 2001/85/EG kunnen de volgende carrosserietypen hebben: Motorvoertuigen met de voertuigclassificatie M2 en M3 van klasse A als bedoeld in richtlijn 2001/85/EG kunnen de volgende carrosserietypen hebben: Motorvoertuigen met de voertuigclassificatie M2 en M3 van klasse B als bedoeld in richtlijn 2001/85/EG kunnen de volgende carrosserietypen hebben:
- a. M1: voor het vervoer van personen ontworpen en gebouwde motorvoertuigen met ten hoogste acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekend en welke de volgende carrosserietypen kan hebben:
- –. AA: sedan;
- –. AB: hatchback;
- –. AC: stationwagen;
- –. AD: coupé;
- –. AE: cabriolet;
- –. AF: MPV, met dien verstande dat voldaan dient te worden aan de in richtlijn 2007/46/EG gestelde voorwaarden;
- –. SA: kampeerwagen;
- –. SB: gepantserd voertuig;
- –. SC: ambulance;
- –. SD: lijkwagen;
- –. SG: overig voertuig voor speciale doeleinden, of
- –. SH: voor rolstoelen toegankelijk voertuig;
- b. M2: voor het vervoer van personen ontworpen en gebouwde motorvoertuigen met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekenden met een technisch toegestane maximummassa van ten hoogste 5.000 kg;
- c. M3: voor het vervoer van personen ontworpen en gebouwde motorvoertuigen met meer dan acht zitplaatsen, die van de bestuurder niet meegerekenden met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 5.000 kg;
- –. SA: kampeerwagen;
- –. SB: gepantserd voertuig;
- –. SC: ambulance;
- –. SD: lijkwagen, of
- –. SG: overig voertuig voor speciale doeleinden;
- –. CA:enkeldeks;
- –. CB: dubbeldeks;
- –. CC: geleed enkeldeks;
- –. CD: geleed dubbeldeks;
- –. CE: enkeldeks met lage vloer;
- –. CF: dubbeldeks met lage vloer;
- –. CG: geleed enkeldeks met lage vloer, of
- –. CH: geleed dubbeldeks met lage vloer;
- –. CI: enkeldeks;
- –. CJ: dubbeldeks;
- –. CK: geleed enkeldeks;
- –. CL: geleed dubbeldeks;
- –. CM: enkeldeks met lage vloer;
- –. CN: dubbeldeks met lage vloer;
- –. CO: geleed enkeldeks met lage vloer, of
- –. CP: geleed dubbeldeks met lage vloer;
- –. CQ: enkeldeks;
- –. CR: dubbeldeks;
- –. CS: geleed enkeldeks, of
- –. CT: geleed dubbeldeks;
- –. CU: enkeldeks, of
- –. CV: enkeldeks met lage vloer;
- –. CW: enkeldeks;
- voertuigen van de voertuigcategorie N: voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde motorvoertuigen met ten minste vier wielen, gedefinieerd overeenkomstig onderstaande voertuigclassificatie: In het geval van een voor koppeling aan een oplegger of middenasaanhangwagen bestemd motorvoertuig met carrosserietype BC of BD is de voor indeling van het voertuig geldende massa de massa van het motorvoertuig in rijklare toestand, vermeerderd met de massa die overeenkomt met de maximale statische verticale belasting die op het motorvoertuig wordt overgebracht door de oplegger of de middenasaanhangwagen en, indien van toepassing, met de maximummassa van de eigen belasting van het motorvoertuig; Voertuigen van deze voertuigcategorie kunnen de volgende carrosserietypen hebben:
- a. N1: voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een technisch toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg;
- b. N2: voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg;
- c. N3: voor het vervoer van goederen ontworpen en gebouwde voertuigen met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 12.000 kg;
- –. BA: vrachtwagen. een motorvoertuig van categorie N1, N2 of N3 dat uitsluitend of hoofdzakelijk is ontworpen en gebouwd voor het vervoer van goederen. Een dergelijk voertuig kan ook een aanhangwagen trekken;
- –. BB: bestelwagen. Vrachtwagen met in de carrosserie geïntegreerde cabine;
- –. BC: opleggertrekkend voertuig (opleggertrekker). Een trekkend voertuig dat uitsluitend of hoofdzakelijk is ontworpen en gebouwd voor het trekken van opleggers;
- –. BD: aanhangwagen trekkend voertuig (aanhangwagentrekker). een trekkend voertuig dat uitsluitend of hoofdzakelijk is ontworpen en gebouwd voor het trekken van aanhangwagens anders dan opleggers. Een dergelijk voertuig kan uitgerust zijn met een laadplatform;
- –. SB: gepantserd voertuig;
- –. SF: mobiele kraan, of
- –. SG: overig voertuig voor speciale doeleinden;
- voertuig van de voertuigcategorie O: een niet-zelfaangedreven voertuig op wielen dat is ontworpen en gebouwd om door een motorvoertuig te worden getrokken, gedefinieerd overeenkomstig onderstaande voertuigclassificatie: In het geval van een oplegger of middenasaanhangwagen is de voor indeling van de aanhangwagen of oplegger geldende maximummassa de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen van de oplegger of middenasaanhangwagen, wanneer die aan het motorvoertuig gekoppeld is en de maximumlast draagt. Voertuigen van deze voertuigcategorie kunnen de volgende carrosserietypen hebben:
- a. O1: aanhangwagens met een technisch toegestane maximummassa van ten hoogste 750 kg;
- b. O2: aanhangwagens met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 750 kg, doch niet meer dan 3.500 kg;
- c. O3: aanhangwagens met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 10.000 kg;
- d. O4: aanhangwagens met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg;
- –. DA: oplegger;
- –. DB: autonome aanhangwagen;
- –. DC: middenasaanhangwagen;
- –. SB: gepantserd voertuig;
- –. SE: caravan, of
- –. SG: overig voertuig voor speciale doeleinden;
- voertuig van de voertuigcategorie T: motorvoertuig op wielen, met ten minste twee assen en een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet minder dan 6 km/h, die voornamelijk voor tractiedoeleinden is bestemd en in het bijzonder is ontworpen voor het trekken, duwen, dragen of in beweging brengen van bepaalde verwisselbare uitrustingsstukken die voor gebruik in de landbouw of bosbouw zijn bestemd, of voor het trekken van aanhangwagens voor de landbouw of bosbouw, welk motorvoertuig kan zijn ingericht om een lading te vervoeren voor landbouw- of bosbouwdoeleinden of kan worden uitgerust met zitplaatsen voor meerijders, gedefinieerd overeenkomstig onderstaande voertuigclassificatie:
- a. T1: landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, met een minimumspoorbreedte van de zich het dichtst bij de bestuurder bevindende as van niet minder dan 1.150 mm, met een lege massa in rijklare toestand van meer dan 600 kg en met een vrije hoogte boven het wegdek van ten hoogste 1.000 mm;
- b. T2: landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, met een minimumspoorbreedte van minder dan 1.150 mm, met een lege massa in rijklare toestand van meer dan 600 kg en met een vrije hoogte boven het wegdek van ten hoogste 600 mm, met dien verstande dat wanneer echter de waarde van de hoogte van het zwaartepunt van de landbouw- of bosbouwtrekker – ten opzichte van het wegdek gemeten –, gedeeld door het gemiddelde van de minimumspoorbreedten van elke as, meer dan 0,90 bedraagt, de door de constructie bepaalde maximumsnelheid beperkt is tot 30 km/h;
- c. T3: landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, met een lege massa in rijklare toestand van ten hoogste 600 kg;
- d. T4.2: brede landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h die door zijn grote afmetingen wordt gekenmerkt en die in het bijzonder bestemd is om grote landbouwarealen te bewerken;
- e. T5: landbouw- of bosbouwtrekkers op wielen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 40 km/h;
- voor rolstoelen toegankelijk voertuig: voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M met voertuigclassificatie M1 en met carrosserietype SH dat specifiek gebouwd of verbouwd is ten behoeve van een of meer personen die in hun rolstoel zijn gezeten, wanneer zij reizen over de weg; in ieder geval wordt voor rolstoelen toegankelijk voertuig aangemerkt een voertuig dat blijkens het afgegeven kentekenbewijs een voor rolstoelen toegankelijk voertuig is;
- waarschuwingsknipperlicht: gelijktijdige werking van alle richtingaanwijzers, bestemd om aan te geven dat het voertuig tijdelijk een bijzonder gevaar oplevert voor andere weggebruikers;
- wagens: voertuigen, met uitzondering van motorrijtuigen, aanhangwagens, niet-gemotoriseerde gehandicaptenvoertuigen, fietsen en zijspanwagens, doch met inbegrip van handwagens met motorvermogen;
- werklicht: licht, bestemd voor het verlichten van een plaats waar werkzaamheden worden verricht;
- wet: Wegenverkeerswet 1994;
- wielbasis:
- a. ten aanzien van vóór 1 april 1983 in gebruik genomen voertuigen: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste as, van het eerste samenstel van assen of van de koppelingspen en het hart van de laatste as of het hart van het laatste samenstel van assen;
- b. ten aanzien van na 31 maart 1983 in gebruik genomen voertuigen, niet zijnde opleggers of na 29 april 2009 in gebruik genomen middenasaanhangwagens: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig;
- c. ten aanzien van na 31 maart 1983 in gebruik genomen opleggers of na 29 april 2009 in gebruik genomen middenasaanhangwagens: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen de verticale hartlijn van de koppeling en het hart van de laatste as;
- zelfbalancerende bromfiets: een elektrisch aangedreven, zelfbalancerende, tweewielige, eenassige bromfiets met een wielbasis van 0 cm en met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 25 km/h;
- zelfsturende as: as die wordt gestuurd doordat, door de wrijving van de banden op het wegdek, de wielen zelfstandig een zodanige stand innemen dat zij de cirkelbaan van het voertuig volgen;
- zelfsturend asstel: asstel dat wordt gestuurd doordat, door de wrijving van de banden op het wegdek, de wielen zelfstandig een zodanige stand innemen dat zij de cirkelbaan van het voertuig volgen;
- zijmarkeringslicht: licht dat, van de zijkant gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt;
- zijspanwagen: voertuig, afneembaar verbonden aan de zijkant van een fiets, bromfiets of motorfiets;
- zitbank: een constructie, die plaats biedt aan tenminste twee volwassenen;
- zitplaats: samenstel van een zitting en een rugleuning die al dan niet een integrerend deel vormt van de constructie van het voertuig, die plaats biedt aan een volwassen persoon, met dien verstande dat de zitplaats zowel een afzonderlijke zitplaats kan zijn als een gedeelte van een bank dat plaats biedt aan één persoon en die afhankelijk van de richting als volgt wordt aangeduid:
-
- naar voren gerichte zitplaats: zitplaats die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in beweging is en die zodanig naar de voorkant van het voertuig is gericht dat het middenlangsvlak van de zitplaats een hoek van minder dan + 10° of – 10° vormt met het middenlangsvlak van het voertuig;
-
- naar achteren gerichte zitplaats: zitplaats die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in beweging is en die zodanig naar de achterkant van het voertuig is gericht dat het middenlangsvlak van de zitplaats een hoek van minder dan + 10° of – 10° vormt met het middenlangsvlak van het voertuig;
-
- zijdelings gerichte zitplaats: zitplaats die, gelet op haar gerichtheid ten opzichte van het middenlangsvlak van het voertuig, niet voldoet aan de onderdelen 1 en 2.
Afdeling 2. Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de europese unie
Artikel 1.2
In deze regeling wordt verstaan onder:
- richtlijn 2002/24/EG: richtlijn nr. 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen en de intrekking van richtlijn 92/61/EEG (PbEU L 124);
- richtlijn 2003/37/EG: richtlijn nr. 2003/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 26 mei 2003 betreffende de typegoedkeuring van landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens, verwisselbare getrokken machines, systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan en tot intrekking van richtlijn 74/150/EEG van de Raad (PbEU L 171);
- richtlijn 2007/46/EG: richtlijn nr. 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (PbEU L 263).
Artikel 1.3
De vermelding in deze regeling, voorzover daarbij niet anders is aangegeven, van een EG-richtlijn omvat mede elke in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen richtlijn tot wijziging van die richtlijn. Het totstandkomen van een dergelijke richtlijn wordt door Onze Minister bekendgemaakt in de Staatscourant.
Een wijziging van een richtlijn als bedoeld in het eerste lid, treedt voor de toepassing van deze regeling in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven, tenzij Onze Minister een eerder tijdstip van inwerkingtreding bepaalt. Indien een wijzigingsrichtlijn of een gewijzigde richtlijn de lidstaten verplicht tot dan wel de mogelijkheid biedt voor het afzonderlijk bepalen van de datum van toepassing van een of meer deelaspecten van die wijzigingsrichtlijn respectievelijk gewijzigde richtlijn, wordt deze eveneens door Onze Minister bepaald.
De in het eerste lid bedoelde bekendmaking vermeldt:
- a. de vindplaats van de wijzigingsrichtlijn;
- b. de kaderrichtlijn of de bijzondere richtlijn die wordt gewijzigd;
- c. het artikel of artikelonderdeel waarop de wijziging betrekking heeft;
- d. het in het tweede lid bedoelde tijdstip van inwerkingtreding van de wijzigingsrichtlijn, en
- e. in voorkomend geval het tijdstip van de toepassing van het in de desbetreffende bekendmaking daarbij te vermelden deelaspect van de wijzigingsrichtlijn of de gewijzigde richtlijn.
Indien een verordening of een gewijzigde verordening de lidstaten verplicht tot dan wel de mogelijkheid biedt voor het afzonderlijk bekendmaken van de datum van toepassing van een of meer deelaspecten van die verordening respectievelijk gewijzigde verordening, wordt deze datum door Onze Minister bekend gemaakt.
Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van Reglementen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE-Reglementen).
Artikel 1.4
Waar in deze regeling wordt bepaald dat voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken of voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers moeten voldoen aan het bepaalde in een EG-richtlijn of EG-verordening, mag in plaats daarvan worden voldaan aan voorschriften die door de Raad van de Europese Unie als gelijkwaardig zijn erkend en in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt.
Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
Artikel 2.1
In het kader van een aanvraag van een kentekenbewijs, een individuele goedkeuring of een door de Dienst Wegverkeer uitgevoerd onderzoek kan door de Dienst Wegverkeer het voertuigidentificatienummer worden vastgesteld.
Indien van een voertuig het voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan door de Dienst Wegverkeer een voertuigidentificatienummer worden vastgesteld, toegekend en ingeslagen.
Het voertuigidentificatienummer wordt vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze zoals vermeld in bijlage I.
Artikel 2.2
Onder de datum waarop een voertuig in gebruik is genomen, wordt in deze regeling verstaan de datum van eerste toelating van het voertuig zoals vermeld op het kentekenbewijs.
De in het eerste lid vermelde datum van eerste toelating wordt door de Dienst Wegverkeer vastgesteld op de wijze zoals vermeld in bijlage II.
Voor voertuigen waarvoor vóór 1 januari 1995 een kentekenbewijs is afgegeven waarop geen datum eerste toelating is vermeld, wordt als datum eerste toelating beschouwd de op het kentekenbewijs vermelde datum van afgifte van deel I van het kentekenbewijs. Indien op het kentekenbewijs onder ‘bijzonderheden’ een bouwjaar is vermeld, wordt als datum eerste toelating beschouwd 30 juni van dit bouwjaar.
Hoofdstuk 3. Toelating tot de weg
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 3.1
De in dit hoofdstuk vermelde categorieën voertuigen en systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers die voor deze voertuigen zijn ontworpen en gebouwd, moeten zijn goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg. Deze goedkeuring kan bestaan uit een EG-typegoedkeuring, nationale typegoedkeuring, EG-kleine serie typegoedkeuring, nationale kleine serie typegoedkeuring, individuele goedkeuring of een goedkeuring afgegeven overeenkomstig een VN/ECE-reglement.
De in dit hoofdstuk vermelde productieprocessen van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers moeten zijn goedgekeurd.
Afdeling 2. Goedkeuring voertuigen
§ 1. Typegoedkeuring
Artikel 3.2
Voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O, moeten voor het verkrijgen van een EG-typegoedkeuring voldoen aan richtlijn 2007/46/EG.
Voertuigen met de voertuigclassificatie M1 moeten voor het verkrijgen van een EG-kleine serie typegoedkeuring voldoen aan richtlijn 2007/46/EG.
Voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan het gestelde in bijlage IIIA.
Artikel 3.3
Voertuigen van de voertuigcategorie L moeten voor het verkrijgen van een EG-typegoedkeuring voldoen aan richtlijn 2002/24/EG.
Voertuigen van de voertuigcategorie L moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan het gestelde in bijlage IIIB.
Artikel 3.4
Voertuigen met de voertuigclassificatie T1 tot en met T3 moeten voor het verkrijgen van een EG-typegoedkeuring voldoen aan richtlijn 2003/37/EG.
Voertuigen met de voertuigclassificatie T4.2 en T5 moeten voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring voldoen aan het gestelde in bijlage IIIC.
Artikel 3.5
De Dienst Wegverkeer kan een voorlopige EG-typegoedkeuring als bedoeld in artikel 16, derde lid, van richtlijn 2002/24/EG, artikel 11 van richtlijn 2003/37/EG of artikel 20 van richtlijn 2007/46/EG verlenen aan voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken of voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers indien hierin nieuwe technologieën of nieuwe concepten zijn toegepast die onverenigbaar zijn met een of meer bijzondere EG-richtlijnen.
Artikel 3.6
Richtlijn 2002/24/EG is niet van toepassing op voertuigen van de voertuigcategorie L als bedoeld in artikel 1, onder a tot en met h, van richtlijn 2002/24/EG.
Richtlijn 2003/37/EG is niet van toepassing op voertuigen van de voertuigcategorie T met de voertuigclassificatie T1 tot en T3 als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van richtlijn 2003/37/EG.
Richtlijn 2007/46/EG is niet van toepassing op voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van richtlijn 2007/46/EG.
§ 2. Individuele goedkeuring
Artikel 3.7
Voertuigen van de voertuigcategorieën M, N, O, L, T en zelfbalancerende bromfietsen, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voldoen aan de eisen gesteld in bijlage IV bij deze regeling.
Artikel 3.8
De Dienst Wegverkeer kan bepalen dat voor prototypen van voertuigen of voertuigen waarin technologieën of concepten zijn verwerkt, die wegens hun specifieke aard niet aan een of meer van de voorschriften van EG-richtlijnen kunnen voldoen en waarvan bij de keuring niet kan worden vastgesteld dan wel slechts op termijn kan worden vastgesteld of aan de in dit hoofdstuk gestelde eisen wordt voldaan, tijdelijke individuele goedkeuring kan worden verleend, mits naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer er geen gevaar is voor de verkeersveiligheid.
Afdeling 3. Goedkeuring systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers
Artikel 3.9
Een systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingsstuk of voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers dat bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig van de voertuigcategorie M, N, O, L of T met de voertuigclassificatie T1 tot en met T3 en waarvoor onafhankelijk van een voertuig een typegoedkeuring kan worden verleend, moet voor het verkrijgen van een EG-typegoedkeuring voldoen aan de voorschriften van de relevante bijzondere EG-richtlijnen of EG-verordeningen opgenomen in:
- a. bijlage II, deel 2, van richtlijn 2002/24/EG;
- b. bijlage II, hoofdstuk B, van richtlijn 2003/37/EG, en
- c. bijlage IV of XI van richtlijn 2007/46/EG.
Een systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingsstuk of voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers dat bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig met de voertuigclassificatie T4.2 of T5 en waarvoor onafhankelijk van een voertuig een typegoedkeuring kan worden verleend moet voor het verkrijgen van een nationale of EG-typegoedkeuring voldoen aan de voorschriften van de relevante bijzondere EG-richtlijnen of EG-verordeningen opgenomen in bijlage II, hoofdstuk B, van richtlijn 2003/37/EG.
De systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers als bedoeld in bijlage VA moeten voor het verkrijgen van een overeenkomstig de bij het desbetreffende systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingsstuk of voorziening vermelde VN/ECE-reglement af te geven goedkeuring voldoen aan de voorschriften van het relevante VN/ECE-reglement.
Retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen en wagens moeten voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring voldoen aan de voorschriften opgenomen in bijlage VB.
Een brandstoftank, reminrichting of stuurinrichting die is bedoeld om deel uit te maken van een voertuig van de voertuigcategorie M, N, O, L en T moet voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring voldoen aan de voor het desbetreffende onderdeel relevante voorschriften opgenomen in bijlage IIIA tot en met IIIC.
Afdeling 4. Goedkeuring productieprocessen
Artikel 3.10
Het productieproces van voertuigen met de voertuigclassificaties M1 en N1 moet voor het verkrijgen van een goedkeuring van het productieproces wat betreft herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing voldoen aan de voorschriften van de relevante EG-richtlijn opgenomen in bijlage IV of XI van richtlijn 2007/46/EG.
Afdeling 5. Voertuigen met een speciaal gebruiksdoel
Artikel 3.11
De volgende voertuigen voor speciale doeleinden moeten voor het krijgen van een EG-goedkeuring voldoen aan de technische voorschriften van de relevante bijzondere richtlijnen of verordeningen opgenomen in bijlage XI van richtlijn 2007/46/EG:
- a. kampeerwagens;
- b. gepantserde voertuigen;
- c. ambulances;
- d. lijkwagens;
- e. caravans;
- f. mobiele kranen;
- g. rolstoeltoegankelijke voertuigen, en
- h. overige voertuigen voor speciale doeleinden.
Afdeling 6. Goedkeuring taxi
Artikel 3.12
Een taxi moet in het kader van de toelating tot het verkeer op de weg in aanvulling op de eisen opgenomen in afdeling 2 van dit hoofdstuk, voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen.
Artikel 3.13
Een taxi met een EG-typegoedkeuring wordt verondersteld te voldoen aan het gestelde in bijlage VI, indien het een voertuig betreft dat is typegoedgekeurd met een vaste indeling en deuren aan beide zijden van elke zitrij met een drempelhoogte van minder dan 50 cm vanaf het wegdek. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijk gesteld aan het aantal zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
Een taxi met een EG-typegoedkeuring met een vaste indeling die niet is uitgevoerd met deuren aan beide zijden van elke zitrij wordt goedgekeurd indien het voertuig voldoet aan het gestelde in bijlage VI. De zitplaatsen met deuren aan beide zijden van de zitrij worden verondersteld te voldoen aan bijlage VI. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkt gesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
Een taxi met een variabele indeling wordt per indeling goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan het gestelde in bijlage VI. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijk gesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
Overige taxi’s worden beoordeeld op de in bijlage VI gestelde eisen ten aanzien van:
- a. een vaste indeling volgens de typegoedkeuring en deuren aan beide zijden van elke zitrij;
- b. inrichtingen met zitplaatsen anders dan onder a, en
- c. de gedeelten ten behoeven van andere vormen van vervoer dan op zitplaatsen.
Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijk gesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, dan wel andere vervoersplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
Artikel 3.14
Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op personenauto’s bestemd voor openbaar vervoer als bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Wet personenvervoer 2000.
Artikel 3.15
Op het kentekenbewijs van de taxi als bedoeld in artikel 3.13, eerste en tweede lid, wordt onder bijzonderheden vermeld: ‘Taxi, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’.
Op het kentekenbewijs van de taxi als bedoeld in artikel 3.13, derde en vierde lid, wordt onder bijzonderheden vermeld: ‘Taxi, zie bijlage’.
Op het kentekenbewijs van het voertuig als bedoeld in artikel 3.14 wordt onder bijzonderheden vermeld: ‘OV-auto, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’ dan wel ‘OV-auto, zie bijlage’.
Afdeling 7. Aanvraag en toezicht
§ 1. Aanvraag en toezicht EG-typegoedkeuring en VN/ECE typegoedkeuring
Artikel 3.16
De aanvraag van een EG-typegoedkeuring voor voertuigen, onderdelen, systemen, technische eenheden, uitrustingsstukken of voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers of een EG-typegoedkeuring voor een productieproces wordt door de fabrikant ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
De aanvraag en behandeling van een EG-typegoedkeuring geschiedt met inachtneming van de in richtlijn 2002/24/EG, 2003/37/EG of 2007/46/EG daaromtrent gegeven voorschriften.
Artikel 3.17
De aanvraag van een typegoedkeuring voor onderdelen, systemen en technische eenheden op basis van een VN/ECE-reglement of een typegoedkeuring voor een productieproces op basis van een VN/ECE-reglement wordt door de fabrikant ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
De aanvraag en behandeling van een typegoedkeuring op basis van een VN/ECE-reglement geschiedt met inachtneming van de in het desbetreffende VN/ECE-reglement daaromtrent gegeven voorschriften.
Artikel 3.18
Het toezicht op een verleende EG-typegoedkeuring wordt uitgeoefend door de Dienst Wegverkeer.
Het toezicht op een EG-typegoedkeuring geschiedt met inachtneming van de in richtlijn 2002/24/EG, 2003/37/EG of 2007/46/EG daaromtrent gegeven voorschriften.
Indien er niet wordt voldaan aan de in richtlijn 2002/24/EG, 2003/37/EG of 2007/46/EG, vermelde verplichtingen, wordt de fabrikant in staat gesteld de geconstateerde tekortkomingen binnen een door de Dienst Wegverkeer te bepalen termijn te herstellen en kan het toezicht worden geïntensiveerd.
Artikel 3.19
Het toezicht op een typegoedkeuring verleend op basis van een VN/ECE-reglement wordt uitgeoefend door de Dienst Wegverkeer.
Het toezicht op een typegoedkeuring op basis van een VN/ECE-reglement geschiedt met inachtneming van de in het desbetreffende VN/ECE-reglement daaromtrent gegeven voorschriften.
Indien er niet wordt voldaan aan de in het VN/ECE-reglement op basis waarvan de typegoedkeuring wordt aangevraagd vermelde verplichtingen, wordt de fabrikant in staat gesteld de geconstateerde tekortkomingen binnen een door de Dienst Wegverkeer te bepalen termijn te herstellen en kan het toezicht worden geïntensiveerd.
Artikel 3.20
De aanvraag van een EG-kleine serie typegoedkeuring voor voertuigen wordt door de fabrikant ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
De aanvraag en behandeling van een EG-kleine serie goedkeuring geschiedt met inachtneming van de in richtlijn 2007/46/EG daaromtrent gegeven voorschriften.
Artikel 3.21
Het toezicht op een verleende EG-kleine serie goedkeuring wordt uitgeoefend door de Dienst Wegverkeer.
Het toezicht op een EG-kleine serie goedkeuring geschiedt met inachtneming van de in richtlijn 2007/46/EG daaromtrent gegeven voorschriften.
Indien er niet wordt voldaan aan de in richtlijn 2007/46/EG vermelde verplichtingen, wordt de fabrikant in staat gesteld de geconstateerde tekortkomingen binnen een door de Dienst Wegverkeer te bepalen termijn te herstellen en kan het toezicht worden geïntensiveerd.
§ 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring
Artikel 3.22
De artikelen 3.16 en 3.18 zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag van en het toezicht op een nationale typegoedkeuring voor voertuigen, onderdelen, systemen en technische eenheden.
Artikel 3.23
De aanvraag van een nationale typegoedkeuring voor taxi’s wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
De Dienst Wegverkeer houdt op de door deze dienst te bepalen wijze toezicht op de nationale typegoedkeuring voor taxi’s.
Artikel 3.24
De artikelen 3.20 en 3.21 zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag van en het toezicht op een nationale kleine serie typegoedkeuring voor voertuigen van de voertuigcategorieën M, N, O en L.
De fabrikant mag de in richtlijn 2002/24/EG en 2007/46/EG vermelde maximale aantal jaarlijks te verkopen, registreren, of in het verkeer te brengen voertuigen niet overschrijden en doet opgave aan de Dienst Wegverkeer van de per kalenderjaar verkochte, geregistreerde of in het verkeer gebrachte voertuigen.
Afdeling 8. Vervallen goedkeuringen
Artikel 3.25
Een EG-typegoedkeuring vervalt van rechtswege zodra voor de registratie, verkoop of het in het verkeer brengen van nieuwe voertuigen zwaardere eisen van kracht worden, tenzij:
- a. in richtlijn 2002/24/EG, 2003/37/EG of 2007/46/EG, of een hierop gebaseerde bijzondere EG-richtlijn, anders is bepaald, of
- b. artikel 3.26 van toepassing is.
Een typegoedkeuring op basis van een VN/ECE-reglement vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden, tenzij in het VN/ECE-reglement op basis waarvan de typegoedkeuring is verleend anders is bepaald.
Een EG-kleine serie typegoedkeuring vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden, tenzij:
- a. in 2007/46/EG, of een hierop gebaseerde bijzondere EG-richtlijn, anders is bepaald, of
- b. artikel 3.26 van toepassing is.
Een nationale kleine serie typegoedkeuring vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden, tenzij artikel 3.27 van toepassing is.
Een individuele goedkeuring vervalt zodra zwaardere eisen van kracht worden.
Afdeling 9. Restantvoorraden
Artikel 3.26
Voertuigen mogen op grond van een ingevolge richtlijn 2002/24/EG verleende goedkeuring nog gedurende een periode van 12 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 16 en bijlage VIII, onder b, van deze richtlijn.
Complete voertuigen mogen op grond van een ingevolge richtlijn 2003/37/EG verleende goedkeuring nog gedurende een periode van 24 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 10 en bijlage V, deel B, van deze richtlijn.
Voltooide voertuig mogen op grond van een ingevolge richtlijn 2003/37/EG verleende goedkeuring nog gedurende een periode van 30 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 10 en bijlage V, deel B, van deze richtlijn.
Complete voertuigen mogen op grond van een ingevolge richtlijn 2007/46/EG verleende goedkeuring nog gedurende een periode van 12 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.27 en bijlage XII, deel B, tweede gedachtestreepje, van deze richtlijn.
Voltooide voertuigen mogen op grond van een ingevolge richtlijn 2007/46/EG verleende goedkeuring nog gedurende een periode van 18 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.27 en bijlage XII, deel B, tweede gedachtestreepje, van deze richtlijn.
Met betrekking tot het opnemen van voertuigen in een restantvoorraad, als bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid, moet worden voldaan aan de in bijlage VII van deze regeling opgenomen voorschriften.
Artikel 3.27
Voertuigen mogen op grond van een verleende nationale typegoedkeuring of kleine serie typegoedkeuring nog gedurende een periode van 18 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan aan de in bijlage VII opgenomen voorschriften.
Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
Artikel 4.1
Het is verboden nieuwe voertuigen van de voertuigcategorieën M, N, O, L of T met de voertuigclassificaties T1 tot en met T3 die op grond van richtlijn 2007/46/EG, 2002/24/EG of richtlijn 2003/37/EG moeten beschikken over een EG-typegoedkeuring te verkopen of in het verkeer te brengen, indien deze voertuigen niet over een EG-typegoedkeuring beschikken.
Artikel 4.2
Het is verboden een nieuw onderdeel of technische eenheid dat bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig van de voertuigcategorieën, bedoeld in artikel 4.1, te verkopen of in het verkeer te brengen indien deze niet:
- a. voldoet aan de voorschriften van de relevante bijzondere richtlijnen of EG-verordeningen opgenomen in bijlage IV of XI van richtlijn 2007/46/EG, bijlage II, deel 2, van richtlijn 2002/24/EG, bijlage II, en hoofdstuk B, van richtlijn 2003/37/EG, of de relevante VN/ECE-reglementen, en
- b. is voorzien van het krachtens de relevante bijzondere EG-richtlijn, EG-verordening of krachtens het relevante VN/ECE-reglement vereiste typegoedkeuringsmerk.
Het eerste lid is niet van toepassing op onderdelen of technische eenheden die:
- a. speciaal worden gebouwd of ontworpen voor nieuwe voertuigen als bedoeld in artikel 3.2, eerste en tweede lid;
- b. zijn bedoeld voor montage op voertuigen als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid;
- c. zijn bedoeld voor montage op voertuigen van voertuigcategorie M, N, O, L waarvoor uit hoofde van artikel 3.2, derde lid, en artikel 3.3, tweede lid, goedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid;
- d. zijn bedoeld voor montage op voertuigen waarvoor uit hoofde van artikel 3.4, tweede lid, goedkeuringen zijn verleend die betrekking hebben op het desbetreffende onderdeel of de desbetreffende technische eenheid, of
- e. zijn bedoeld voor montage op voertuigen waarvoor goedkeuringen zijn verleend als bedoeld in artikel 3.7.
Artikel 4.3
Het is slechts toegestaan de onderdelen of uitrustingstukken die zijn opgenomen in bijlage XIII van richtlijn 2007/46/EG te verkopen, te koop aan te bieden of in het verkeer te brengen indien hiervoor toestemming is verleend overeenkomstig artikel 31 van die richtlijn, tenzij de in het derde lid van dat artikel vermelde uitzonderingen van toepassing zijn.
Hoofdstuk 5. Permanente eisen
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 5.1.1
Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig:
- a. niet deugdelijk van bouw of inrichting is, dan wel rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeert;
- b. zodanig is gebouwd of ingericht dat de bestuurder onvoldoende uitzicht naar voren of opzij heeft, of
- c. niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen.
Het is de bestuurder en de eigenaar of houder van een voertuig verboden het voertuig te laten staan, indien het voertuig niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de verplichte rode retroreflectoren aan de achterzijde van voertuigen gestelde eisen.
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid, zijn op motorvoertuigen welke niet vallen onder een van de in de afdelingen 2 tot en met 8 van dit hoofdstuk vermelde categorieën motorvoertuigen, de in afdeling 2 van dit hoofdstuk vermelde eisen van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.1.2
Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de in afdeling 18 van dit hoofdstuk ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.
Artikel 5.1.3
Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de bepalingen of voorwaarden, welke ingevolge artikel 52, tweede lid, van de wet in het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs zijn opgenomen.
Artikel 5.1.4
Gehandicaptenvoertuigen zonder motor moeten voldoen aan de in afdeling 9 van dit hoofdstuk aan fietsen gestelde eisen, met uitzondering van het in artikel 5.9.6ter zake van de afmetingen bepaalde, waarvoor artikel 5.10.6 in de plaats treedt.
Artikel 5.1.5
Artikel 72, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is niet van toepassing op:
- a. een voertuig waarvoor een kenteken is opgegeven dat de lettergroep ZZ of de enkele letter A, E, H, K, L, N, P, S, T, V, W, X of Z en twee groepen van twee cijfers bevat;
- b. een voertuig waarvoor een kenteken is opgegeven ter zake waarvan een kentekenbewijs als bedoeld in artikel 17, zesde lid, van het Kentekenreglement is afgegeven;
- c. een voertuig op de dag dat deze door ambtenaren van de Dienst Wegverkeer of door de ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, worden onderzocht in verband met de afgifte of wijziging van een kentekenbewijs of met de teruggave van het voor dat voertuig afgegeven kentekenbewijs waarvan op grond van artikel 60 van de wet de overgifte is gevorderd;
- d. rijdende werktuigen, niet zijnde motorrijtuigen met beperkte snelheid, met:
- 1°. een lengte van meer dan 12,00 m;
- 2°. een breedte van meer dan 2,55 m indien de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 10.000 kg;
- 3°. een breedte van meer dan 2,60 m indien de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 10.000 kg;
- 4°. een toegestane maximummassa van meer dan 50.000 kg, dan wel
- 5°. een toegestane maximumlast onder enige as van meer dan 10.000 kg voor een niet-aangedreven as dan wel van meer dan 11.500 kg voor een aangedreven as.
Van de in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde uitzondering wordt melding gemaakt op het kentekenbewijs.
Artikel 5.1.6
Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een referentiemassa van niet meer dan 1.305 kg, die in gebruik is genomen na 31 december 2011 en reeds vóór de datum van eerste ingebruikname van een klimaatregelingssysteem is voorzien, verboden dit klimaatregelingssysteem te vullen of te laten vullen met gefluoreerde broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150.
Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een referentiemassa van niet meer dan 1.305 kg, welke is voorzien van een klimaatregelingssysteem, verboden dit klimaatregelingssysteem te vullen of te laten vullen met gefluoreerde broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150, tenzij het voertuig ingebruik is genomen voor 1 januari 2018 en het klimaatregelingssysteem reeds dergelijke gassen bevat.
Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een referentiemassa van niet meer dan 1.305 kg, die is voorzien van een klimaatregelingssysteem waaruit een abnormale hoeveelheid koelvloeistof lekt, verboden dit klimaatregelingssysteem bij te vullen of te laten bijvullen met gefluoreerde broeikasgassen dan nadat de noodzakelijke herstelling is voltooid.
Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
Artikel 5.1a.1
Voor de vaststelling van afmetingen van voertuigen of samenstel van voertuigen wordt verstaan onder:
- a. as: de horizontale lijn die loodrecht staat op het middenlangsvlak van het voertuig en gaat door het midden van één of meer wielen wanneer deze zich in de stand van rechtuitrijden bevinden;
- b. lengte van een voertuig of samenstel van voertuigen: de horizontale afstand tussen twee verticale vlakken die loodrecht staan op het middenlangsvlak van het voertuig of het samenstel van voertuigen en gaan door de uiterste voor- en achterzijde van het voertuig of het samenstel, gemeten in de stand van rechtuitrijden op een horizontaal wegdek; de spiegels en de bevestigingsdelen daarvan worden buiten beschouwing gelaten; een zonneklep die niet meer dan 0,20 m voor het voorste verticale vlak, zoals is bepaald bij een niet gemonteerde zonneklep, uitsteekt en die met eenvoudige middelen afneembaar is, wordt buiten beschouwing gelaten;
- c. breedte van een voertuig: de horizontale afstand tussen twee verticale vlakken die evenwijdig lopen aan het middenlangsvlak van het voertuig en gaan door de uiterste linker- en rechterzijde van het voertuig, gemeten in de stand van rechtuitrijden op een horizontaal wegdek; de spiegels en de bevestigingsdelen daarvan worden buiten beschouwing gelaten;
- d. hoogte van een voertuig: de verticale afstand tussen het wegdek en een horizontaal vlak dat gaat door het hoogst gelegen deel van het voertuig, gemeten op een horizontaal wegdek in de rijstand.
Onverminderd het eerste lid worden bij de vaststelling van de afmetingen van bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg en de daarmee gevormde samenstellen van voertuigen, met inbegrip van daarmee vervoerde lading, met uitzondering van aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers of achter motorrijtuigen met beperkte snelheid, de volgende aan te wijzen delen en onderdelen buiten beschouwing gelaten:
- a. bij de vaststelling van de lengte van het voertuig of het samenstel van voertuigen:
- 1°. hefplatforms, oprijplaten en soortgelijke uitrustingen in bedrijfsklare toestand, voorzover het laadvermogen niet wordt vergroot en deze uitrustingen niet meer dan 30 cm uitsteken;
- 2°. kentekenplaten;
- 3°. koppelinrichtingen, uitgezonderd koppelinrichtingen aan aanhangwagens;
- 4°. langsaanslagen voor afneembare carrosserieën;
- 5°. luchtinlaatpijpen;
- 6°. stootrubbers en soortgelijke uitrusting;
- 7°. stroomafnemers van elektrisch aangedreven voertuigen;
- 8°. verlichtingsuitrusting;
- 9°. voetsteunen en handgrepen;
- 10°. voorzieningen voor de bevestiging van dekzeil en de afscherming daarvan;
- 11°. voorzieningen voor douaneverzegelingen en de afscherming daarvan;
- 12°. voorzieningen voor indirect zicht en kijkhulpmiddelen;
- 13°. voorzieningen voor het waarnemen van de ruimte achter het voertuig;
- 14°. wis- en sproei-inrichtingen;
- 15°. maximaal 0,80 m van een gestandaardiseerde laadstructuur in de vorm van een 45' container met een lengte van maximaal 13,72 m en een breedte van maximaal 2,50 m, indien deze container stapelbaar is en geschikt is voor vervoer op een zeeschip, mits het voertuig een oorsprong en bestemming heeft in Nederland en Nederland tussentijds niet verlaat;
- b. bij de vaststelling van de breedte van het voertuig:
- 1°. bandenspanningsmeters;
- 2°. douaneverzegelingen, alsmede de voorzieningen hiervoor en de afscherming daarvan;
- 3°. flexibele spatlappen;
- 4°. opklapbare treden;
- 5°. richtingaanwijzers;
- 6°. sneeuwkettingen;
- 7°. stadslichten;
- 8°. uitstekende flexibele delen van een overeenkomstig het bepaalde in richtlijn nr. 91/226/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 maart 1991 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake opspatafschermingssystemen bij bepaalde categorieën motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan (PbEG 23 april 1991, L 103) goedgekeurde opspatafscherming;
- 9°. verklikkerinrichtingen voor lekke banden;
- 10°. voorzieningen voor het bevestigen van dekzeil en de afscherming daarvan;
- 11°. voorzieningen voor indirect zicht en kijkhulpmiddelen;
- 12°. zijmarkerings- en markeringslichten;
- 13°. zijretroreflectoren;
- 14°. de bollingen van de banden boven het wegdek;
- 15°. in breedte uitschuifbare en uitklapbare delen, voorzover uitgeschoven of uitgeklapt, en
- 16°. indien het een bus betreft:
- –. hefplatforms, oprijplaten en soortgelijke uitrustingen in bedrijfsklare toestand, voorzover zij niet meer dan 1 cm aan de zijkant uitsteken, en in geval van oprijplaten, de hoeken en de randen zijn afgerond tot een straal van respectievelijk minstens 5 mm en 2,5 mm;
- –. niet ingetrokken intrekbare zijdelingse geleidingsinrichtingen op bussen bestemd voor gebruik op geleide bussystemen;
- c. bij de vaststelling van de hoogte van het voertuig: worden de volgende delen en onderdelen buiten beschouwing gelaten:
- 1°. antennes, en
- 2°. stroomafnemers of trolleystangen in uitgeschoven stand.
Artikel 5.1a.2
De wielbasis van een voertuig wordt gemeten bij onbeladen toestand van het voertuig met alle wielen op het wegdek en in de stand van rechtuitrijden.
De afmetingen van voertuigen alsmede de last onder de as of assen worden, onverminderd het bepaalde in afdeling 18 van hoofdstuk 5, bepaald bij onbeladen toestand van het voertuig.
Artikel 5.1a.3
Voor de bepaling van het aantal wielen wordt een samenstel van wielen die op één wielnaaf zijn gemonteerd, aangemerkt als één wiel.
In afwijking van het eerste lid worden voor het bepalen van het aantal wielen van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen twee op dezelfde as gemonteerde wielen als een wiel beschouwd, indien de afstand tussen de middens van de contactvlakken van deze wielen met de grond kleiner is dan 460 mm.
Artikel 5.1a.4
Voor de bepaling van het aantal lichten wordt als één licht aangemerkt elke combinatie van twee of meer al dan niet identieke lichten die:
- a. dezelfde functie vervullen;
- b. licht van dezelfde kleur uitstralen, en
- c. een verlichtingsinrichting vormen waarvan de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten op een zelfde verticaal vlak ten minste 60,0% beslaan van het oppervlak van de kleinste vierhoek die om de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten kan worden beschreven.
Artikel 5.1a.5
Met betrekking tot de verlichting moet voor de bepaling van de hoogte boven het wegdek en de afstand vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig, worden gemeten de kortste afstand vanaf de rand van het lichtdoorlatende gedeelte.
Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
Artikel 5.1b.1
Met betrekking tot de wijze van keuren van de in dit hoofdstuk opgenomen eisen wordt verstaan onder:
- a. bedrijfstemperatuur: de temperatuur van een motor na ongeveer vijftien minuten functioneren onder normale bedrijfsomstandigheden;
- b. stationair toerental: het toerental van de draaiende motor, waarbij:
- 1°. de koudstartinrichting of het handgas niet is ingeschakeld;
- 2°. het gaspedaal en het koppelingspedaal in ruststand zijn;
- 3°. de keuzehendel van de versnellingsbak in de neutrale stand staat bij een niet- of halfautomatische versnellingsbak dan wel in de parkeerstand of in de neutrale stand bij een volautomatische versnellingsbak, en waarbij
- 4°. lampen en andere stroomverbruikers niet zijn ingeschakeld, met uitzondering van lampen die bij het starten automatisch gaan branden;
- c. controleapparaat: controleapparaat als bedoeld in bijlage I of bijlage IB van verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PbEG L 370).
Artikel 5.1b.2
De keuring van de in dit hoofdstuk opgenomen eisen wordt uitgevoerd zonder demontage, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
De keuring van de in dit hoofdstuk opgenomen eisen wordt uitgevoerd met de banden op de juiste spanning.
De keuring van de in dit hoofdstuk opgenomen eisen wordt uitgevoerd zonder rijproef, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
De keuring van voertuigen met variabele afmetingen wordt uitgevoerd in de stand waarin het voertuig ter keuring wordt aangeboden.
Artikel 5.1b.3
Indien in dit hoofdstuk een visuele controle wordt voorgeschreven en deze controle onvoldoende uitsluitsel biedt, wordt het desbetreffende onderdeel aanvullend op één van de volgende wijzen gecontroleerd:
- a. door gebruik te maken van hulpmiddelen zoals een spiegel, hamertje, bandijzer, staalborstel of schuurpapier, en
- b. door het uitoefenen van een kracht, al dan niet met behulp van gereedschap.
Teneinde een goede controle te waarborgen, worden de hierna vermelde onderdelen verwijderd in de daarachter beschreven gevallen:
| a. | Wieldoppen; | voor zover deze de wielbevestigingsbouten afdekken; |
|---|---|---|
| b. | onderbeplating ten behoeve van stroomlijning of geluidsisolatie; | voor zover deze een visuele controle onmogelijk maakt van direct voor de verkeersveiligheid van belang zijnde aspecten, zoals de bevestiging van het stuurhuis of de wielophanging; |
| c. | kunststofbeplating in of over de wielkasten; | alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van het afgedekte onderdeel en geen andere controle mogelijk is; |
| d. | tapijt of vloerbedekking; | alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van het afgedekte onderdeel en geen andere controle mogelijk is; |
| e. | zijskirts, waaronder kunststofspoilers aan dorpels; | alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van het afgedekte onderdeel en verwijdering kan geschieden zonder lakbeschadiging (bijvoorbeeld bevestigd met parkers). Zijskirts bevestigd door middel van popnagels of andere permanente bevestigingsmiddelen mogen niet worden verwijderd; |
| f. | beschermkappen om stuurkoppelingen; | voor zover deze een visuele controle van de koppeling onmogelijk maken; |
| g. | beschermkappen om reminrichtingen; | voor zover deze een visuele controle van remschijven onmogelijk maken. |
De verwijdering van onderdelen mag alleen geschieden indien er geen gevaar voor beschadiging van het voertuig of het onderdeel bestaat. Na eventuele verwijdering moeten de desbetreffende onderdelen wederom worden gemonteerd.
In het geval dat, ondanks twijfel omtrent de conditie van het afgedekte onderdeel, niet tot verwijdering is overgegaan vanwege het gevaar voor beschadiging, moet op het keuringsrapport worden vermeld dat het afgedekte onderdeel niet is beoordeeld.
Voor het meten van voertuigafmetingen, wielbasis en spoorbreedte wordt een stalen meetband met voldoende bereik gebruikt.
Voor de beoordeling van de werking van de reminrichting mag uitsluitend tot demontage van wielen en remtrommels worden overgegaan indien twijfel bestaat omtrent:
- a. een goede bevestiging van de remvoering, of
- b. of de drager of het bevestigingsmiddel van de remvoering, de remtrommel of remschijf raken.
Artikel 5.1b.4
Indien op het kentekenbewijs deel 1A dan wel deel I onder bijzonderheden uitzonderingen op de eisen zijn vermeld moeten deze in acht worden genomen.
Afdeling 2. Personenauto’s
Artikel 5.2.0
Een personenauto moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 0. Algemeen
Artikel 5.2.1
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De personenauto moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 1, 2 en 3, van toepassing. |
| 2. | De personenauto moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten. | |
| 3. | Het voertuigidentificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle. |
| 4. | De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle. Aan de eis van het goedkeuringsmerk, wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 5. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het midden van de personenauto staat. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.2.3
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van personenauto’s mogen: | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. |
Artikel 5.2.4
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De bovenbouw van personenauto’s moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.2.6
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Personenauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de personenauto gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
Artikel 5.2.7
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De last onder de assen van personenauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten. | Lid 1 en 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De totale massa of de som van de aslasten van personenauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximummassa. |
§ 3. Motor en brandstofsystemen
Artikel 5.2.9
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van personenauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| – Indien de motor van de personenauto is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle uitgevoerd wanneer de motor wordt gevoed met de hoofdbrandstof zoals deze is vermeld op het kentekenbewijs. Het tweede brandstofsysteem wordt eveneens gecontroleerd indien het mogelijk is de motor op de tweede brandstof te laten draaien. Indien controle van het tweede brandstofsysteem niet mogelijk is, wordt dit vermeld op het keuringsrapport. | ||
| – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. | ||
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
Artikel 5.2.10
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de personenauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.2.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Lid 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | De LPG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 6. | Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | Visuele controle. |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Lid 7 en 8: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. |
Artikel 5.2.10a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de personenauto is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd artikel 5.2.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar. | Lid 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de personenruimte of laadruimte. | |
| 6. | Indien het voertuig in gebruik genomen is na 1 juli 1995, moet het voertuig zijn voorzien van een goed werkende automatische tankafsluiter. | Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het contact ingeschakeld en wordt gecontroleerd of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens wordt de motor gestart waarna de handrem wordt aangetrokken en de hoogste versnelling wordt ingeschakeld. Met behulp van de koppeling de motor laten afslaan waarna de bekrachtiging moet wegvallen. Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is, wordt de motor gestart en nadat is overgeschakeld op CNG wordt gecontroleerd of de spoel is bekrachtigd; daarna wordt met het contact uitgeschakeld gecontroleerd of de bekrachtiging is weggevallen. |
| 7. | De onderdelen van de CNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 7 tot en met 9: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 8. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 9. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. |
Artikel 5.2.11
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle, terwijl de personenauto zich met draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Personenauto’s moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging (Stb. 1990, 393). | Leden 3 tot en met 5: aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Personenauto’s moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen (Stb. 1981, 741). | |
| 5. | Personenauto’s mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 6. | De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volumepercentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1992, die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, en zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem, goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxyde van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 8. | De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 9. | Bij personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1995 en die zijn voorzien van een emissiebestrijdingssysteem, moeten de aangegeven onderdelen van dit systeem aanwezig zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 39 van toepassing. | Visuele controle. |
Artikel 5.2.12
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van personenauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van personenauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
Artikel 5.2.13
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De motorsteunen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.2.15
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. | Visuele controle. De werking en afleesbaarheid wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.2.16
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De aandrijving van personenauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 5. Assen
Artikel 5.2.18
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
Artikel 5.2.19
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van personenauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt vindt visuele controle plaats, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
Artikel 5.2.20
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers van personenauto’s mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.2.21
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielbasis van personenauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van artikel 5.2.1 getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis, links en rechts gemeten, niet meer dan 15 mm verschillen. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.2.22
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De afstanden tussen de fuseedraaipunten en twee punten aan het chassis dan wel aan de carrosserie, die symmetrisch links en rechts ten opzichte van de langsas van het voertuig zijn gelegen, mogen recht en kruiselings gemeten onderling niet meer dan 15 mm verschillen. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.2.23
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De spoorbreedte van personenauto’s mag niet meer dan 2,0% groter zijn dan de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.2.24
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van personenauto’s mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt en het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.2.26
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.2.27
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen van personenauto’s moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Lid 2 en 3: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van de personenauto. | Visuele controle. |
| 7. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 8. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve wanneer een nood- of reservewiel wordt gebruikt. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan. |
| 9. | De banden moeten een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven moet hiermee rekening gehouden worden. |
| – Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden. | ||
| – Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden. | ||
| – Wanneer er geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden. | ||
| – De banden op één as moeten een gelijke bandenspanning hebben met een maximum tolerantie van 0,1 bar. | ||
| – Bij het constateren van een te lage bandenspanning moet deze op de juiste bandenspanning worden gebracht. |
Artikel 5.2.28
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goed werkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de personenauto zo mogelijk enkele malen wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.2.29
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bestuurde wielen van personenauto’s moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid, met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15° zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de personenauto op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 5 en 6: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 51, van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; | ||
| b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. | ||
| – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. | ||
| 8. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt vindt visuele controle plaats, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 9. | De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiging mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | De wijze van keuren bij het vierde lid is van toepassing. |
| 11. | De onderdelen van de stuurbekrachtiging mogen geen ernstige lekkage vertonen. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt bij stationair draaiende motor in de uiterste stand gedraaid en gehouden. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.2.31
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat over de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | De rembekrachtiger en de remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| – Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld met draaiende motor. Hierbij wordt de as eventueel ontlast. | ||
| 3. | Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. | Controle door het rempedaal in te trappen Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700N ingetrapt. |
| 4. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 5. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 55 en 56, van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 6. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
| 7. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering zonder demontage niet zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking gesteld, terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 8. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 9. | Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit zonder demontage mogelijk is. |
| 10. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en d. mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 11. | Antiblokkeersystemen moeten goed functioneren en moeten zijn voorzien van een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het systeem faalt. | Het contact wordt ingeschakeld, waarbij het waarschuwingslampje moet gaan branden. Vervolgens wordt de motor gestart. Wanneer het waarschuwingslampje uitgaat, mag er vanuit worden gegaan dat het systeem functioneert. Indien noodzakelijk wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.2.32
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
Artikel 5.2.38
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,2 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | Lid 1 en 2: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Personenauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | |
| 3. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 4. | Personenauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. Indien er twijfel bestaat over het uitbreken van de achteras ten gevolge van overberemming, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 62, 79, 80 en 84 van toepassing. | Lid 4 en 5: de wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
| 5. | In afwijking van het eerste lid moeten ambulances, kampeerwagens en lijkwagens met een maximum toegestane massa van meer dan 2500 kg, zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van deze voertuigen is het bepaalde ten aanzien van personenauto’s in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. |
Artikel 5.2.39
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 2. | De parkeerrem van personenauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing | – |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.2.41
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De deuren van personenauto’s moeten goed sluiten. De deuren die direkt toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
Artikel 5.2.42
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95 van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Indien de personenauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Visuele controle. |
| 5. | Indien de personenauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel mag de achterruit niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.2.43
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. | Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege. |
| 2. | Personenauto’s met een voorruit, die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. | Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.2.44
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Personenauto’s met een voorruit, die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. | Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.2.45
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s, in gebruik genomen na 25 januari 2010, moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel, een rechterbuitenspiegel en een binnenspiegel. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | Indien met de in het eerste lid bedoelde binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien, behoeft deze niet aanwezig te zijn. | |
| 3. | Personenauto’s, in gebruik genomen voor 26 januari 2010, moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en een binnenspiegel. | |
| 4. | De in het derde lid bedoelde personenauto’s moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel indien met de binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn. | |
| 5. | De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. |
Artikel 5.2.46
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s, in gebruik genomen na 1 oktober 2008, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. | Visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op ambulances, personenauto’s ten dienste van de politie of brandweer en andere door Onze Minister aangewezen categorieën voertuigen ten dienste van de burgerbescherming of ordehandhaving en op zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig. | – |
| 3. | De zitplaatsen en rugleuningen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1 en 2, van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
Artikel 5.2.47
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen. | Lid 1 en 2: visuele controle. Indien in het middelste gedeelte van een doorlopende bank geen (heup)gordel aanwezig is, wordt dit gedeelte niet aangemerkt als zitplaats en behoeft geen (heup)gordel te zijn aangebracht. In geval van een kampeerauto is de controle beperkt tot de voorste zitplaatsen en tot de overige zitplaatsen voor zover deze zijn voorzien van gordels. |
| 2. | Personenauto’s die na 31 december 1989 doch voor 1 oktober 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen. | |
| 3. | Personenauto’s die na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor de zitplaats van de bestuurder en de naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover deze aan een portier grenzen. | Lid 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig. | |
| 5. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 6. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
Artikel 5.2.47a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Personenauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten voldoen aan de in artikel 5.2.78 gestelde eisen. | Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.2.48
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van personenauto’s, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Lid 3 en 4: visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van personenauto’s: a. moeten goed zijn afgeschermd; b. mogen niet meer dan 30 mm buiten de afscherming uitsteken, en c. mogen niet aanlopen. | |
| 5. | Geen deel van de buitenzijde van de personenauto mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | Visuele controle. |
Artikel 5.2.49a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s mogen niet zijn voorzien van een klimaatregelingssysteem dat gefluoreerde broeikasgassen bevat met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150. | Visuele controle. Indien uit het in de motorruimte aanwezige opschrift blijkt dat de gassen (R)12, (R)32, (R)125 of (R)134a zijn toegepast wordt niet voldaan aan deze eis. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Het eerste lid is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2012 en reeds voor de datum van eerste ingebruikname van een dergelijk klimaatregelingssysteem zijn voorzien. | – |
Artikel 5.2.50
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Frontbeschermingsinrichtingen van personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EG-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikel 112, gestelde eisen. | Visuele controle. Indien een EG-typegoedkeuringsmerk aanwezig is, blijft verdere controle achterwege. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.2.51
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikelen 115 tot en met 118, gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met l: visuele controle. – Onderdeel m tot en met p: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| c. twee stadslichten; | ||
| d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen; | ||
| e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | ||
| f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig worden beschouwd als zijrichtingaanwijzers indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts; | ||
| g. twee achterlichten; | ||
| h. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; | ||
| i. een achterkentekenplaatverlichting; | ||
| j. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| k. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | ||
| l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | ||
| m. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | ||
| n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | ||
| o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | ||
| p. een derde remlicht indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 2001, aangebracht zodanig dat: | ||
| 1°. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en | ||
| 2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in onderdeel h. | ||
| 2. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel h, worden twee extra remlichten aangebracht, indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.2.51a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de auto herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de vormgeving en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens of lichten. | |
| 3. | Het eerste lid geldt niet voor personenauto’s gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en personenauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. |
Artikel 5.2.53
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De grote lichten, dimlichten, stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 9: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
| 3. | De zijrichtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 4. | De achterlichten en mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 5. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
| 6. | Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen. | |
| 7. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. | |
| 8. | De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 9. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. Het achterste zijmarkeringslicht mag rood stralen. |
Artikel 5.2.55
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.2.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in artikel 5.2.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in artikel 5.2.51 bedoelde retroreflectoren van het voertuig mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 7. | Indien de personenauto is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling eenvoudig aan de beladingstoestand kan worden aangepast moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
| 8. | De codering van de lichtarmaturen moet in overeenstemming zijn met de voor dat armatuur bestemde licht. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, annex 6, van toepassing. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.2.56
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het dimlicht van personenauto’s moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
| 2. | Personenauto’s die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden op het kentekenbewijs, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
Artikel 5.2.57
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s mogen zijn voorzien van: | Onderdelen a tot en met u: visuele controle. |
| a. twee mistvoorlichten; | ||
| b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; | ||
| c. twee extra stadslichten; | ||
| d. twee extra achterlichten; | ||
| e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn; | ||
| f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn; | ||
| g. twee staaklichten; | ||
| h. parkeerlichten; | ||
| i. één extra mistachterlicht aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| j. één extra achteruitrijlicht; | ||
| k. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; | ||
| l. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn; | ||
| m. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien deze retroreflectoren niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | ||
| n. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| o. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn, waarbij bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing is; | ||
| p. werklichten; | ||
| q. een derde remlicht, indien dit licht niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht is,en aangebracht overeenkomstig het gestelde in artikel 5.2.51, onderdeel p; | ||
| r. twee dagrijlichten; | ||
| s. verlichte transparanten; | ||
| t. bochtlichten; | ||
| u. hoeklichten. | ||
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.2.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Personenauto’s mogen zijn voorzien van extra rode retroreflecterende voorzieningen aan de achterzijde en extra retroreflecterende voorzieningen aan de zijkanten van het voertuig, welke ambergeel moeten zijn, met uitzondering van de achterste retroreflector aan de zijkant, welke rood mag zijn. | |
| 4. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel q, kunnen twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 5. | Verlichte transparanten: a. moeten afzonderlijk zijn geschakeld; b. mogen niet breder zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd, en c. mogen niet langer zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd. | Visuele controle. |
Artikel 5.2.58
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Lid 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht. |
Artikel 5.2.59
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De mistvoorlichten en de achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 8: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen, tenzij zij zijn ingebouwd in ambergeel stralende zijrichtingaanwijzers. | |
| 3. | De extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 4. | De zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan wit of ambergeel, en naar achteren niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
| 5. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. Het achterste zijmarkeringslicht mag rood stralen. | |
| 6. | De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 7. | Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen. | |
| 8. | De dagrijlichten, bochtlichten en hoeklichten mogen niet anders dan wit stralen. |
Artikel 5.2.59a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.2.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 4. | Mistvoorlichten moeten goed werken en mogen voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 5. | De codering van de lichtarmaturen moet in overeenstemming zijn met de voor dat armatuur bestemde licht. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, annex 6, van toepassing. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.2.61
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.2.51 en 5.2.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de mistachterlichten en werklichten. | – |
Artikel 5.2.62
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.2.64
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Personenauto’s mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Het tweede lid is niet van toepassing op personenauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. |
Artikel 5.2.65
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Onverminderd het bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, mogen personenauto’s niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.2.51, 5.2.51a, 5.2.57 en in of krachtens artikel 5.2.58 is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Personenauto’s niet in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
Artikel 5.2.66
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Indien de personenauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
Artikel 5.2.67
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien een personenauto is voorzien van een koppelingskogel met een kogel met een nominale diameter van 50 mm moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Bij personenauto’s die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van een aanhangwagen dan bedoeld in het eerste lid, moet worden voldaan aan het bepaalde bij of krachtens artikel 5.3.68. | De wijze van keuren bij artikel 5.3.68 is van toepassing. |
§ 12. Diversen
Artikel 5.2.71
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld. |
| 2. | Personenauto’s mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik, diefstal van of ongeoorloofde toegang tot het voertuig te voorkomen. | Lid 2 en 3: Visuele en auditieve controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | Personenauto’s mogen, onverminderd het in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake tweetonige hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid. | |
| 4. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden gesteld betreffende de tweetonige hoorn. | – |
§ 13. Aanvullende eisen taxi’s
Artikel 5.2.73
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Een taxi waarvoor blijkens een vermelding op het kentekenbewijs blijkt dat er een bijlage is afgegeven, moet in aanvulling op de eisen opgenomen in de paragrafen 0 tot en met 12 van deze afdeling voldoen aan de in deze paragraaf opgenomen eisen. | – |
| 2. | Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op personenauto’s bestemd voor openbaar vervoer als bedoeld in artikel 1, onderdeel h, van de Wet personenvervoer 2000, hetgeen blijkt uit een vermelding op het kentekenbewijs. | – |
Artikel 5.2.74
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De inrichting van een taxi moet overeenstemmen met de bijlage bij het kentekenbewijs, tenzij in deze afdeling anders is bepaald. | Visuele controle. |
Artikel 5.2.75
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien op de bijlage bij het kentekenbewijs rails of andere bevestigingspunten voor de bevestiging van rolstoelen zijn aangegeven, mag het aantal stoelen of banken in de taxi minder zijn dan op de bijlage bij het kentekenbewijs is aangegeven en behoeft de positionering van de stoelen of banken niet overeenkomstig de bijlage bij het kentekenbewijs te zijn. | Visuele controle. |
| 2. | Indien op de rails stoelen of banken zijn bevestigd, moet de positionering ervan zodanig zijn dat voldoende doorgang naar een deur is gewaarborgd. | Lid 2 en 3: visuele controle, van voldoende doorgang is sprake indien een volwassen persoon de deur kan bereiken. |
| 3. | Aanwezige interieurdelen mogen de doorgang naar een uitgang niet belemmeren. |
Artikel 5.2.76
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien op de bijlage bij het kentekenbewijs een nooduitgang in het dak of een noodhamer is aangegeven moet één van beide aanwezig zijn. | Visuele controle. |
| 2. | De in het eerste lid vermelde nooduitgang in het dak moet van binnen en van buiten kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de nooduitgang aan de binnenzijde moet worden geopend en gesloten. |
| 3. | Indien aan de noodhamer een kabel is verbonden, moet deze een zodanige lengte hebben dat met de noodhamer het midden van de ruit waarnaast de noodhamer is bevestigd, kan worden bereikt. | Visuele controle, waarbij de noodhamer uit de inklemming worden verwijderd en moet worden gecontroleerd of het midden van de ruit kan worden bereikt waarna het noodhamer weer moet worden aangebracht. |
| 4. | Met een op de bijlage bij het kentekenbewijs bij een schuifdeur aangegeven tweede deurklink, moet de betreffende schuifdeur kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de schuifdeur aan de binnenzijde moet worden geopend en gesloten. |
Artikel 5.2.77
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de taxi mede bestemd is voor het vervoer van personen in rolstoelen, moeten een lift, oprijplaten dan wel andere middelen aanwezig zijn om de rolstoelen in de taxi te kunnen plaatsen. | Visuele controle. |
| 2. | De in het eerste lid vermelde middelen moeten deugdelijk aan de taxi kunnen worden bevestigd en de lift moet functioneren. | Visuele controle, waarbij de lift in werking moet worden gesteld. |
Artikel 5.2.78
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Op de plaats waar rolstoelen kunnen worden bevestigd moeten, met uitzondering van de plaatsen waar eventuele stoelen of banken zijn bevestigd, de bevestigingssystemen voor deze rolstoelen en de daarbij behorende gordels aanwezig zijn. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De rails of vastzetsystemen, alsmede de onderdelen ervan voor de bevestiging van rolstoelen, mogen niet zodanig zijn vervormd of beschadigd dat de sterkte en de werking ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | Vastzetsystemen moeten op de daarvoor aanwezige bevestigingspunten passend kunnen worden bevestigd. | Visuele controle, waarbij de vastzetinrichting op het betreffende bevestigingspunt moet worden aangebracht. |
| 4. | Vergrendelinrichtingen van vastzetsystemen moeten met de hand te bedienen zijn en moeten naar behoren functioneren. | Visuele controle, waarbij de vergrendelinrichting moet worden bediend. |
| 5. | Bevestigingsmiddelen niet zijnde vastzetsystemen en de daarbij behorende gordels moeten zijn voorzien van een goedwerkende sluiting en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de sterkte en werking ervan in gevaar wordt gebracht. | Visuele controle, waarbij moet worden beproefd of de sluiting van de bevestigingsmiddelen en de daarbij behorende gordels functioneren. |
Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
Artikel 5.3.0
Een bedrijfsauto, met uitzondering van een bedrijfsauto waarvoor op het kentekenbewijs de aanduiding ‘bus’ dan wel ‘autobus’ is vermeld, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 0. Algemeen
Artikel 5.3.1
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bedrijfsauto moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 1, 2 en 3, van toepassing. |
| 2. | De bedrijfsauto moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten. | |
| 3. | De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle. De eis aan het goedkeuringsmerk wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het midden van de bedrijfsauto staat. |
| 5. | Het voertuigidentificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een constructieplaat die goed leesbaar is en waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de maximummassa’s die op de constructieplaat zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa’s die zijn aangegeven in het kentekenregister en op het kentekenbewijs. | Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.3.3
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bedrijfsauto’s mogen: | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen; | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing |
Artikel 5.3.4
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bovenbouw van bedrijfsauto’s moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.3.6
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Leden 1 tot en met 3: in geval van twijfel wordt de bedrijfsauto gemeten, waarbij de in onderdeel bedoelde maat niet meer dan 1% mag afwijken. Artikel 5.1a.1 is van toepassing. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, mogen: | |
| a. rijdende werktuigen niet langer zijn dan 20,00 m, en | ||
| b. kermis- en circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m. | ||
| 3. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, mogen: | |
| a. geconditioneerde voertuigen niet breder zijn dan 2,60 m; | ||
| b. bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg, en in gebruik genomen voor 1 februari 1999, niet breder zijn dan 2,60 m, en | ||
| c. rijdende werktuigen niet breder zijn dan 3,00 m. | ||
| 4. | In de afmetingen, bedoeld in het eerste en het derde lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen. | – |
Artikel 5.3.7
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De last onder de assen van bedrijfsauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten. | Lid 1 en 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De totale massa of de som van de aslasten van bedrijfsauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximummassa. |
§ 3. Motor en brandstofsystemen
Artikel 5.3.9
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van bedrijfsauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| – Indien de motor van de bedrijfsauto is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle uitgevoerd wanneer de motor wordt gevoed met de hoofdbrandstof zoals deze is vermeld op het kentekenbewijs. Het tweede brandstofsysteem wordt eveneens gecontroleerd indien het mogelijk is de motor op de tweede brandstof te laten draaien. Indien controle van het tweede brandstofsysteem niet mogelijk is, wordt dit vermeld op het keuringsrapport. | ||
| – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. | ||
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
Artikel 5.3.10
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Lid 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | De LPG tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast, die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 6. | Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | Visuele controle. |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Lid 7 en 8: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. |
Artikel 5.3.10a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd artikel 5.3.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar. | Lid 4 en 5: visuele controle, zo nodig terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de personenruimte of laadruimte. | |
| 6. | Indien het voertuig in gebruik genomen is na 1 juli 1995, moet het voertuig zijn voorzien van een goed werkende automatische tankafsluiter. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het contact ingeschakeld en wordt gecontroleerd of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens wordt de motor gestart waarna de handrem wordt aangetrokken en de hoogste versnelling wordt ingeschakeld. Met behulp van de koppeling de motor laten afslaan waarna de bekrachtiging moet wegvallen. Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is, wordt de motor gestart en nadat is overgeschakeld op CNG wordt gecontroleerd of de spoel is bekrachtigd; daarna wordt met het contact uitgeschakeld gecontroleerd of de bekrachtiging is weggevallen. |
| 7. | De onderdelen van de CNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 7 tot en met 9: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 8. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 9. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. |
Artikel 5.3.11
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle, terwijl de bedrijfsauto zich met draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bedrijfsauto’s moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging (Stb. 1990, 393). | Lid 3 en 4: aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Bedrijfsauto’s moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen (Stb. 1981, 741). | |
| 5. | De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volume percentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 6. | Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1994, die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, en zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem, goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 8. | Bij bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997 en die zijn voorzien van een emissiebestrijdingssysteem, moeten de aangegeven onderdelen van dit systeem aanwezig zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 39 van toepassing. | Visuele controle. |
Artikel 5.3.12
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van bedrijfsauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van bedrijfsauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
Artikel 5.3.13
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De motorsteunen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.3.15
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. | Visuele controle. De werking en afleesbaarheid wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De volgende categorieën motorvoertuigen moeten zijn voorzien van een snelheidsbegrenzer: | Visuele controle aan de hand van het installatieplaatje. |
| a. bedrijfsauto’s met een dieselmotor, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg, die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen; | ||
| b. bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen, en | ||
| c. bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 12.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen. | ||
| 3. | De snelheidsbegrenzer moet zijn afgesteld opeen zodanige snelheid, dat de maximumsnelheid van bedrijfsauto’s, niet meer dan 90 km/h kan bedragen. De ingestelde snelheid is onuitwisbaar vermeld op een installatieplaatje dat op een duidelijk zichtbare plaats in de stuurcabine van het voertuig is aangebracht. | Visuele controle of het installatieplaatje de juiste snelheid aangeeft. Tevens wordt, waar toepasbaar, met een diagnosesysteem vastgesteld of de ingestelde snelheid juist is. |
| 4. | De snelheidsbegrenzer en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen moeten met behulp van een verzegeling of door de noodzaak om speciale gereedschappen te gebruiken zijn beschermd tegen niet-toegestane bijstelling of onderbreking van de stroomvoorziening. | Visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen. |
| 5. | De in het tweede lid bedoelde verplichting geldt niet voor: a. motorvoertuigen als bedoeld in artikel 29 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, en | Visuele controle. Onderdeel a: dit betreft een verwijzing naar hulpdiensten. Of het voertuig wordt gebruikt door een hulpdienst wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| b. motorvoertuigen die blijkens een aantekening op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs niet van een snelheidsbegrenzer behoeven te zijn voorzien. | ||
| 6. | Indien een bedrijfsauto met een maximummassa van meer dan 3.500 kg moet zijn voorzien van een controleapparaat als bedoeld in verordening 3821/85/EEG: a. mag de op het installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal twee jaar vanaf de installatiedatum bedraagt; b. moet het onder a bedoelde installatieplaatje zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd; | – Onderdeel a: de geldigheidsduur op het installatieplaatje van de tachograaf wordt visueel gecontroleerd. – Onderdeel b: visuele controle van de verzegeling van het installatieplaatje van de tachograaf. – Onderdeel c: bij twijfel meting van de bandenomtrek. – Onderdeel d: visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen van de tachograaf. – De wijze van gebruik van het voertuig wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| c. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het onder a bedoelde installatieplaatje is vermeld, en | ||
| d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening. |
Artikel 5.3.16
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De aandrijving van bedrijfsauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 5. Assen
Artikel 5.3.18
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. Bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
Artikel 5.3.19
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
Artikel 5.3.20
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers van bedrijfsauto’s mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zonodig een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.3.21
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielbasis van bedrijfsauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van artikel 5.3.1 getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis links en rechts gemeten niet meer dan: a.15 mm verschillen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, en b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.3.22
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De afstanden tussen de fuseedraaipunten en twee punten aan het chassis dan wel aan de carrosserie, die symmetrisch links en rechts ten opzichte van de langsas van het voertuig zijn gelegen, mogen recht en kruiselings gemeten onderling niet meer dan: | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. | |
| a. 15 mm verschillen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, en | ||
| b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg. |
Artikel 5.3.23
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De spoorbreedte van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg mag niet meer dan 2,0% groter zijn dan de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.3.24
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van bedrijfsauto’s mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt en het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.3.25
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De wielnaven van bedrijfsauto’s moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.3.26
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.3.27
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen van bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Lid 2 en 3: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van bedrijfsauto’s mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van het hiervoor bepaalde is naprofileren toegestaan indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘REGROOVABLE’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van de bedrijfsauto. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De op de band van een bedrijfsauto, in gebruik genomen na 31 december 1997, vermelde loadindex mag niet kleiner zijn dan de loadindex, behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 50, van toepassing. | |
| 8. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 9. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve wanneer een nood- of reservewiel wordt gebruikt. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan. |
| 10. | Bij bedrijfsauto’s met een maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moeten de banden een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven moet hiermee rekening gehouden worden. – Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden. |
| – Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden. | ||
| – Wanneer er geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden. | ||
| – De banden op één as moeten een gelijke bandenspanning hebben met een maximum tolerantie van 0,1 bar. | ||
| – Bij het constateren van een te lage bandenspanning moet deze op de juiste bandenspanning worden gebracht. |
Artikel 5.3.28
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zonodig een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bedrijfsauto’s die zijn voorzien van gasvering, en bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, Een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk enkele malen ingeveerd en zonodig aan een rijproef onderworpen. |
| 4. | Schokdempers van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.3.29
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bestuurde wielen van bedrijfsauto’s moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaing van ten hoogste 15°, bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en 30° bij bedrijfauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de bedrijfsauto op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 5 en 6: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 51, van toepassing | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; | ||
| b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. | ||
| – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. | ||
| 8. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 9. | De stuurbekrachiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiging mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | De wijze van keuren bij het vierde lid is van toepassing. |
| 11. | De onderdelen van de stuurbekrachtiging mogen geen ernstige lekkage vertonen. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt bij stationair draaiende motor in de uiterste stand gedraaid en gehouden. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.3.31
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| – Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld met draaiende motor. Hierbij wordt de as eventueel ontlast. | ||
| 3. | De compressor en de drukregelaar moeten goed functioneren en tijdig in werking treden. | Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen. |
| 4. | Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700N ingetrapt. |
| 5. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 55 en 56, van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 7. | Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 8. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
| 9. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 10. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 11. | Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit mogelijk is zonder demontage. |
| 12. | Bedrijfsauto’s, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van automatische remstelinrichtingen. Deze verplichting geldt niet voor bedrijfsauto’s die een aantekening in het kentekenbewijs of in het kentekenregister «G» hebben. | Visuele controle. |
| 13. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: | De wijze van keuren bij het zevende lid is van toepassing. |
| a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | ||
| b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | ||
| c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en | ||
| d. mogen geen lekkage vertonen. | ||
| 14. | Antiblokkeersystemen moeten goed functioneren en moeten zijn voorzien van een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het systeem faalt. | Het contact wordt ingeschakeld waarbij het waarschuwingslampje moet gaan branden. Vervolgens wordt de motor gestart. Wanneer het waarschuwingslampje uitgaat, mag er vanuit worden gegaan dat het systeem functioneert. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zonodig een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.3.32
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
Artikel 5.3.33
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Bedrijfsauto’s met een drukluchtremsysteem, die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de energievoorraad in een van de bedrijfsremkringen onder de vereiste minimum druk is gedaald. | Visuele of auditieve controle door om de beurt de bedrijfsremkringen leeg te laten lopen en weer te vullen. |
Artikel 5.3.34
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Bedrijfsauto’s met een veerrem, die in gebruik zijn genomen na 30 september 1975, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de veerrem in werking is gesteld. | Visuele of auditieve controle, terwijl de veerrem in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.3.35
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s met een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moeten zijn voorzien van: a. drukmeetpunten waarmee de drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcilinders op iedere as, kunnen worden gemeten; b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten, en | – Onderdelen a en b: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel c: visuele controle met behulp van manometers of de dashboardmeter(s), waarbij de bedrijfsremkringen beurtelings worden ontlucht. De resterende druk in de niet ontluchte kringen moet van een redelijk niveau zijn. |
| c. een goed functionerend meerkringsbeveiligingsventiel indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 1975. | ||
| 2. | Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed functioneren. | Visuele controle met behulp van manometers, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. Indien mogelijk wordt de controle ook uitgevoerd wanneer de drukluchtremkrachtregelaar de volle druk doorstuurt. Controle op het goed functioneren kan achterwege blijven indien een controle is uitgevoerd volgens het derde lid. |
| 3. | Bedrijfsauto’s met drukluchtremkrachtregelaars, in gebruik genomen na 30 september 1981, moeten zijn voorzien van een plaat waarop duidelijk leesbaar de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars is vermeld. De vermelde drukluchtremkrachtregelaars moeten aanwezig zijn en moeten globaal zijn afgesteld zoals voor de beladingstoestand van het voertuig is vermeld op de plaat. | – Visuele controle op de aanwezigheid, waarbij het merk en type van de drukluchtremkrachtregelaar mag afwijken. – Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast of veerbalgdruk kan worden vastgesteld, vindt de controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld waarbij de afstelling ten hoogste 0,5 bar mag afwijken van de gegevens op de plaat. |
| De volgende twee afstellingen moeten ten minste worden gecontroleerd: | ||
| a. de stand waarin de regelaar zich bevindt behorende bij de vastgestelde aslast, en | ||
| b. wanneer de regelaar de volle druk doorstuurt, voorzover dit mogelijk is zonder demontage. | ||
| – Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast of veerbalgdruk niet kan worden vastgesteld, vindt een globale controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld. | ||
| Bij een niet maximaal belaste as wordt de werking van de regelaar gecontroleerd door: | ||
| a. de druk te meten die de regelaar doorstuurt in de stand waarin deze zich dan bevindt; | ||
| b. de afstelling te meten van de stand waarin de regelaar de volle druk doorstuurt, voorzover mogelijk zonder demontage. | ||
| De onder punt b gemeten druk moet hoger zijn dan de druk vastgesteld onder punt a. Indien de betreffende as nagenoeg maximaal is belast, mag de onder punt b gemeten druk gelijk zijn aan de vastgestelde druk onder a. | ||
| 4. | De ontwateringsventielen van reservoirs moeten goed functioneren. | Visuele controle, waarbij het ontwateringsventiel, indien mogelijk, moet worden bediend. |
Artikel 5.3.36
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De slag van drukluchtremcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
| 2. | De slag van drukluchtremcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan 2/3 van de maximumslag van de betrokken remcilinder. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.3.37
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s met een tweeleidingremsysteem ten behoeve van aanhangwagens moeten aan de aansluitkop van de voorraadleiding een druk bezitten met een grenswaarde van 6,5 tot 8,5 bar, en aan de aansluitkop van de commandoleiding, bij een maximale voorraaddruk, een druk met een grenswaarde van 6,0 tot 8,5 bar. | Visuele controle met behulp van een manometer, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
| 2. | Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1997, mogen niet zijn voorzien van een éénleidingremsysteem ten behoeve van een aanhangwagen. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bij bedrijfsauto’s met een éénleidingremsysteem ten behoeve van aanhangwagens moet aan de aansluitkop de voorraaddruk van het remsysteem aanwezig zijn. Deze druk moet ten minste 5 doch niet meer dan 6 bar bedragen. | Visuele controle met behulp van een manometer. |
| 4. | Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1997, mogen niet zijn voorzien van een afzonderlijke inrichting voor de bediening van de remmen van de aanhangwagen. | Lid 4 en 5: visuele controle. |
| 5. | Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1997 moeten de voorraad- en commandoleiding zijn voorzien van goedwerkende automatische afsluiters. |
Artikel 5.3.38
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1997 moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1998, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | |
| 3. | Bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | |
| 4. | Indien de remkrachten van de bedrijfsauto groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten, die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het gestelde in het eerste lid. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
| 5. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 6. | Bedrijfsauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. Indien er twijfel bestaat over het uitbreken van de achteras ten gevolge van overeenstemming, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 62, 79, 80 en 84, van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
Artikel 5.3.39
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 2. | De parkeerrem van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van bedrijfsauto’s, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.3.41
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De deuren en de laadbakkleppen van bedrijfsauto’s moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
Artikel 5.3.42
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bedrijfsauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 96 tot en met 100, van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bedrijfsauto’s mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport |
| 4. | Indien de bedrijfsauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Visuele controle. |
| 5 | Indien de bedrijfsauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel mag de achterruit niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport |
Artikel 5.3.43
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. | Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege. |
| 2. | Bedrijfsauto’s met een voorruit, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. | Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.3.44
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Bedrijfsauto’s met een voorruit, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. | Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.3.45
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een rechterbuitenspiegel. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | In afwijking van het gestelde in het eerste lid mogen bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg zijn voorzien van een binnenspiegel in plaats van een rechterbuitenspiegel, mits met de binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte voldoende kan worden overzien. | |
| 3. | De volgende bedrijfsauto’s moeten aan de rechterzijde zijn voorzien van een trottoirspiegel: | |
| a. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg, in gebruik genomen voor 1 januari 2000; | ||
| b. rijdende werktuigen, en | ||
| c. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1999. | ||
| 4. | De verplichting, bedoeld in het derde lid, geldt niet indien het onmogelijk is om een trottoirspiegel zodanig te monteren dat geen enkel punt van de spiegel zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 5. | De volgende bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een breedtespiegel aan de rechterzijde: | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| a. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg, en | ||
| b. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1999. | ||
| 6. | De verplichting, bedoeld in het vijfde lid, geldt niet indien het voertuig is voorzien van een gezichtsveldverbeterende voorziening. | |
| 7. | Voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met frontstuur, met een toegestane maximum massa van meer dan 7.500 kg, in gebruik genomen na 25 januari 2008, moeten zijn voorzien van: | |
| a. een vooruitkijkspiegel dan wel een camera-monitorsysteem, en | ||
| b. een breedtespiegel aan de linkerzijde. | ||
| 8. | In afwijking van het zevende lid, onderdeel a, is een vooruitkijkspiegel of een camera-monitorsysteem niet verplicht wanneer vanaf de linkerzijde een recht lijnstuk kan worden overzien, gelegen op een hoogte van 1,20 m boven het wegdek en 0,30 m voor het voertuig. | Lid 8 en 9: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 9. | De verplichting, genoemd in het zevende lid, onderdeel a, geldt niet indien het onmogelijk is om een vooruitkijkspiegel of een cameramonitorsysteem zodanig te monteren dat geen enkel punt van de spiegel of het cameramonitorsysteem zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt. | |
| 10. | In afwijking van het derde lid is een trottoirspiegel niet vereist indien de bedrijfsauto is voorzien van een vooruitkijkspiegel en een breedtespiegel, mits de bestuurder met deze combinatie van spiegels het grondoppervlak gelegen aan de rechterzijde direct naast de cabine kan zien. | Leden 10 tot en met 15: visuele controle. |
| 11. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, niet zijnde kampeerauto’s, die in gebruik zijn genomen na 31 december 1977, moeten zijn voorzien van een gezichtsveldverbeterende voorziening. | |
| 12. | De verplichting, genoemd in het elfde lid, geldt niet voor bedrijfsauto’s: | |
| a. met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg die in gebruik zijn genomen na 25 januari 2008, en | ||
| b. bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen vóór 26 januari 2008 en die voldoen aan het gestelde in het derde, vijfde, en het zevende lid, onderdeel a. | ||
| 13. | De spiegels en camera-monitorsystemen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 14. | Het spiegelglas van de spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. | |
| 15. | Indien in een bedrijfsauto het stuur aan de rechterzijde is geplaatst, moeten alle verplicht aanwezige voorzieningen voor indirect zicht in spiegelbeeld geplaatst zijn ten opzichte van de situatie waarbij het stuur links is geplaatst. Een linker buitenspiegel dient altijd aanwezig te zijn. |
Artikel 5.3.46
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 19 oktober 2008, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. | Visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op ambulances, bedrijfsauto’s ten dienste van de politie of brandweer en andere door Onze Minister aangewezen categorieën voertuigen ten dienste van de burgerbescherming of ordehandhaving en op zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig. | – |
| 3. | De zitplaatsen en rugleuningen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
Artikel 5.3.47
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | bedrijfsauto’s, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor: a. de zitplaats van de bestuurder en de ernaast gelegen naar voren gerichte zitplaatsen, en b. de overige naar voren gerichte zitplaatsen indien op een afstand van maximaal 1.30 m voor de rugleuning van deze zitplaats zich geen veiligheidsscherm of rugleuning van een ervoor gelegen zitplaats bevindt. | Visuele controle. Indien in het middelste gedeelte van een bank geen gordel aanwezig is, wordt dit gedeelte niet aangemerkt als zitplaats. In geval van een kampeerauto is de controle beperkt tot de voorste zitplaatsen en tot de overige zitplaatsen voor zover deze zijn voorzien van gordels. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig. | Visuele controle. |
| 3. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 4. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, moet bij een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd. |
Artikel 5.3.47a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Bedrijfsauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten voldoen aan de in artikel 5.2.78 gestelde eisen. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.3.48
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van bedrijfsauto’s, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg in gebruik genomen na 31 december 1974, moeten zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 102 tot en met 106, van toepassing. De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto’s in gebruik genomen voor 1 januari 1975 en bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. | Leden 4 tot en met 6: visuele controle. |
| 5. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Deze verplichting geldt niet voor trekkers. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 107 tot en met 111, van toepassing. | |
| 6. | Geen deel aan de buitenzijde van de bedrijfsauto mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
Artikel 5.3.49
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten aan de achterzijde op deugdelijke wijze zijn voorzien van een stootbalk, indien de afstand van de onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen van het koetswerk op een afstand van meer dan 1,00 m achter het hart van de achterste as, meer bedraagt dan 0,70 m dan wel meer bedraagt dan 0,55 m indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Deze verplichting geldt niet voor trekkers en asfaltkippers. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1998, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1997, niet meer bedragen dan 0,55 m. | |
| 3. | Indien de bedrijfsauto in gebruik is genomen na 31 december 2004 mag de stootbalk niet meer dan 0,45 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 3,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. In afwijking hiervan geldt voor bedrijfsauto’s, ingericht als betonmolen of betonpomp, dat de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig mag zijn gelegen. | |
| 4. | Indien de bedrijfsauto in gebruik is genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2005 mag de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. | |
| 5. | De stootbalk van bedrijfsauto’s mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan: | |
| a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel | ||
| b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten. | ||
| Voor bedrijfsauto’s die zijn bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken geldt in plaats van de vermelde maat van 0,10 m een maat van 0,20 m. | ||
| 6. | De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. | Leden 6 tot en met 8: visuele controle. |
| 7. | De uiteinden van de stootbalk mogen niet naar achteren zijn omgebogen. | |
| 8. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 7500 kg, in gebruik genomen na 9 augustus 2004, moeten op deugdelijke wijze zijn voorzien van een beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden. Deze verplichting geldt niet voor bedrijfsauto’s die een aantekening in het kentekenbewijs of in het kentekenregister «G» hebben. | |
| 9. | De afstand van de onderzijde van de beschermingsinrichting tot het wegdek mag tussen de punten die meer dan 0,20 m van de zijkanten van de voorste as van het voertuig zijn gelegen, met inbegrip van de wielen, niet meer dan 0,45 m bedragen, waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten. | Lid 9 en 10: visuele controle In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 10. | De afstand van de voorzijde van het voertuig tot de voorzijde van de beschermingsinrichting mag niet meer dan 0,40 m bedragen, waarbij voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden buiten beschouwing worden gelaten. | |
| 11. | De bescherminrichting mag: | Lid 11 en 12: visuele controle. |
| a. niet breder zijn dan de breedte van het voertuig met inbegrip van de spatborden van de voorste as; | ||
| b. aan weerszijden niet meer dan 0,10 m smaller zijn dan de voorste as met inbegrip van de wielen, waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten, of | ||
| c. aan weerszijden niet meer dan 0,20 m smaller zijn dan het voertuig gemeten over de uiterste punten van de instaptrede naar de bestuurderscabine. | ||
| 12. | De beschermingsinrichting aan de voorzijde en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. |
Artikel 5.3.49a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen niet zijn voorzien van een klimaatregelingssysteem dat gefluoreerde broeikasgassen bevat met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150. | Visuele controle. Indien uit het in de motorruimte aanwezige opschrift blijkt dat de gassen (R)12, (R)32, (R)125 of (R)134a zijn toegepast in dit voertuig wordt niet voldaan aan deze eis. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Het eerste lid is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2012 en reeds voor de datum van eerste ingebruikname van een dergelijk klimaatregelingssysteem zijn voorzien. | – |
Artikel 5.3.50
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Frontbeschermingsinrichtingen van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EG-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikel 112, gestelde eisen. | Visuele controle. Indien een EG-typegoedkeuringsmerk aanwezig is blijft verdere controle achterwege. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.3.51
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikelen 115 tot en met 118, gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen g tot en met l: visuele controle. – Onderdelen m tot en met o: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| c. twee stadslichten; | ||
| d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van bedrijfsauto`s in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen; | ||
| e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | ||
| f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m dan wel na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig worden beschouwd als zijrichtingaanwijzers indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts; | ||
| g. twee achterlichten; | ||
| h. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; | ||
| i. een achterkentekenplaatverlichting; | ||
| j. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| k. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | ||
| l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | ||
| m. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | ||
| n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing. Deze lichten zijn niet verplicht voor chassiscabines; | ||
| o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing. | ||
| 2. | Onverminderd het eerste lid, voldoen begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, aan de krachtens artikel 71 van de wet gestelde eisen. | Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.3.51a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de auto herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht. genoemde striping, letters, cijfers, tekens of licht. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de vormgeving en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens of lichten. | |
| 3. | Het eerste lid geldt niet voor bedrijfsauto’s gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. |
Artikel 5.3.53
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De grote lichten, dimlichten, stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 7: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten alsmede de zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. Zijrichtingaanwijzers mogen naar de zijkant niet anders dan ambergeel uitstralen. | |
| 3. | De achterlichten en mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
| 5. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. | |
| 6. | De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 7. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. Het achterste zijmarkeringslicht mag rood stralen. |
Artikel 5.3.55
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.3.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in artikel 5.3.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in artikel 5.3.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 7. | Indien de bedrijfsauto is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling eenvoudig aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
| 8. | De codering van de lichtarmaturen moet in overeenstemming zijn met de voor dat armatuur bedoelde lichten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, annex 6, van toepassing. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.3.56
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het dimlicht van bedrijfsauto’s moet goed zijn afgesteld, hierbij is het gestelde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
| 2. | Bedrijfsauto’s die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden op het kentekenbewijs, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
Artikel 5.3.57
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van: a. twee mistvoorlichten; b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; | – Onderdelen a tot en met q: visuele controle. – Onderdelen r en s: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen t tot en met y: visuele controle. |
| c. twee extra stadslichten; | ||
| d. twee extra achterlichten; | ||
| e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn; | ||
| f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn; | ||
| g. twee staaklichten; | ||
| h. één extra mistachterlicht; | ||
| i. één extra achteruitrijlicht; | ||
| j. parkeerlichten; | ||
| k. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; | ||
| l. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn; | ||
| m. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; | ||
| n. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | ||
| o. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn, waarbij bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing is; | ||
| q. werklichten; | ||
| r. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: | ||
| 1°. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en | ||
| 2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de boven zijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.3.51, onderdeel h; | ||
| s. In afwijking van onderdeel r kunnen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd; | ||
| t. Bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg kunnen, in afwijking van onderdeel r, twee extra remlichten worden aangebracht; | ||
| u. twee dagrijlichten; | ||
| v. verlichte transparanten; | ||
| w. bochtlichten; | ||
| x. hoeklichten; | ||
| y. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg. | ||
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.3.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 tot en met 6: visuele controle. |
| 3. | Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 4. | Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van een ambergele of witte lijnmarkering aan de zijkant van het voertuig of van een ambergele, witte of rode lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig. | |
| 5. | Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van een ambergele of witte contourmarkering aan de zijkant van het voertuig of een ambergele, witte of rode contourmarkering aan de achterkant van het voertuig. Binnen de contourmarkering aan de zijkant van het voertuig mogen retroreflecterende letters of afbeeldingen zijn aangebracht, voorzover deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de contourmarkering en de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. In ieder geval mogen de retroreflecterende letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van de totale oppervlakte binnen de omtrek van de contourmarkering uitmaken. | |
| 6. | Verlichte transparanten: a. moeten afzonderlijk geschakeld; b. mogen niet breder zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd, en c. mogen niet langer zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd. |
Artikel 5.3.58
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. | |
| 3. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht. |
Artikel 5.3.59
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De mistvoorlichten en de achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 8: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen, dan wel indien zij zijn ingebouwd in de zijrichtingaanwijzers, niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 3. | De extra richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten en herhalingswaarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 4. | De zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit, en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
| 5. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. Het achterste zijmarkeringslicht mag rood stralen. | |
| 6. | De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 7. | De dagrijlichten, hoeklichten en bochtlichten mogen niet anders dan wit stralen. | |
| 8. | Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen. | |
| 9. | De markering aan de achterzijde moet bestaan uit één rechthoekig bord, dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van rood fluorescerende en geel retroreflecterende parallel lopende diagonale strepen. | Visuele controle. |
Artikel 5.3.59a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.3.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 4. | Mistvoorlichten moeten goed werken en mogen voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 5. | De codering van de lichtarmaturen moet in overeenstemming zijn met de voor dat armatuur bestemde licht. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII van toepassing. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.3.61
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.3.51 en 5.3.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de markering aan de achterzijde van het voertuig, mistachterlichten en werklichten. | – |
| 3. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de wijze of plaats van bevestiging van verlichte transparanten op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW. | – |
Artikel 5.3.62
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.3.64
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Bedrijfsauto’s mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
Artikel 5.3.65
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Onverminderd het bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, mogen bedrijfsauto’s niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.3.51, 5.3.57 en in of krachtens artikel 5.3.51a is voorgeschreven of toegestaan, en | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Bedrijfsauto’s niet in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. | |
| b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. |
§ 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
Artikel 5.3.66
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.68, tweede lid, onderdeel h. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De achtertraverse met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. |
Artikel 5.3.67
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Indien de bedrijfsauto is voorzien van een koppelingskogel met een kogel met een nominale diameter van 50 mm moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
Artikel 5.3.68
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een vangmuilkoppeling met een nominale pendiameter van: | Het kontaktgedeelte van de pen met het trekoog wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| a. 40 mm, moet de pendiameter ten minste 36,5 mm bedragen; | ||
| b. 50 mm, moet de pendiameter ten minste 46 mm bedragen; | ||
| c. 57,5 mm, moet de pendiameter ten minste 55 mm bedragen. | ||
| 2. | De in het eerste lid bedoelde koppelingen moeten voldoen aan de volgende eisen: a. de opwaartse speling van de pen mag niet meer dan 5 mm bedragen; b. de radiale speling in de onderste bus mag niet meer dan 2 mm bedragen; c. de onderste lagerbus mag niet loszitten en de bevestiging ervan mag niet zijn uitgeslagen; d. de sluit- en borginrichting moet goed functioneren; e. de radiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk mag niet meer dan 2 mm bedragen; f. axiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk is niet toegestaan; g. de bevestigingsmoer van de trekstang moet deugdelijk vastzitten en moet goed geborgd zijn, en h. het gedeelte van de vangmuil dat als geleiding voor het trekoog tijdens het aankoppelen is bedoeld, mag tekenen van vervorming, van scheuren of van uitgebroken delen vertonen, mits daardoor de sterkte of het functioneren van de koppeling met inbegrip van de sluit- en borginrichting niet wordt aangetast. Herstel daarvan door middel van lassen is toegestaan. | – Onderdeel a: de pen wordt omhoog bewogen met behulp van bijvoorbeeld een schroevedraaier, waarbij de koppeling gesloten moet zijn en de handborg of controlestift voor zover mogelijk buiten werking moet zijn gesteld, teneinde de speling in het sluitingsmechanisme en de bovenste lagerbus van de pen bij de beoordeling te betrekken. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. – Onderdeel b: in geval van twijfel meten met bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. – Onderdeel c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de koppeling wordt geopend en gesloten. – Onderdeel e: de trekstang wordt op- en neerwaarts en van links naar rechts bewogen. In geval van twijfel wordt gemeten met bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. – Onderdeel f: de trekstang wordt axiaal bewogen. – Onderdeel g: visuele controle. Een eventuele stofkap wordt verwijderd. – Onderdeel h: visuele controle. |
Artikel 5.3.69
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een schotelkoppeling van 2 of 3,5 inch, mag: a. de onvlakheid van de schotel niet meer dan 3,5 mm bedragen, en | In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen over het hart van de schotel gemeten. |
| b. de onvlakheid van de schotel, in afwijking van het bepaalde onder a, voor wat betreft de uiterste linker en rechterzijde over een breedte van 50 mm, gemeten vanaf de buitenzijde van de schotel, niet meer dan 5 mm bedragen. | ||
| Dit lid is niet van toepassing op kunststofdelen op de schotelkoppeling die bedoeld zijn als slijtvlak. | ||
| 2. | Een schotelkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | De speling in de sluitinrichting van een schotelkoppeling van 2 inch mag, uitgaande van een niet gesleten 2 inch pen, in de lengterichting van het voertuig niet meer dan 2 mm bedragen. | Controleren met behulp van: a. een standaard pen van 2 inch, die voldoet aan de nieuwmaat toleranties en voorzien is van een vlakke plaat waarbij het uitstekende deel van de pen een hoogte heeft van ten minste 82,5 en ten hoogste 82,7 mm, dan wel |
| b. een oplegger met een pen van 2 inch daarbij rekening houdend met een eventuele gemeten slijtage van de pen. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. | ||
| 4. | De sluit- en borginrichting moet goed functioneren. | Visuele controle terwijl de sluit- en borginrichting wordt geopend en gesloten. |
§ 12. Diversen
Artikel 5.3.71
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld. |
| 2. | Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. | Leden 2 tot en met 6: Visuele en auditieve controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn. | |
| 4. | Het derde lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. | |
| 5. | Krachtens artikel 71 kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende de tweetonige hoorn. | |
| 6. | Bedrijfsauto’s mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met vijfde lid. |
Afdeling 3a. Bussen
Artikel 5.3a.0
Een bus moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op een bedrijfsauto waarvoor op het kentekenbewijs de aanduiding ‘bus’ dan wel ‘autobus’ is vermeld.
§ 0. Algemeen
Artikel 5.3a.1
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bus moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De bus moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten. | |
| 3. | De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | |
| 4. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het midden van de bus staat. |
| 5. | Het voertuigidentificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | Bussen die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een constructieplaat die goed leesbaar is en waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de maximummassa’s die op de constructieplaat zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa’s die zijn aangegeven in het kentekenregister en op het kentekenbewijs. | |
| 7. | In een bus moet per mogelijke indeling op een goed zichtbare plaats zijn aangegeven het toegestane maximum aantal: a. zitplaatsen; b. staanplaatsen, en c. rolstoelplaatsen. Vermelde aantallen mogen niet hoger zijn dan waarvoor de bus is goedgekeurd. | |
| 8. | De inrichting van de bus moet blijven voldoen aan de eisen zoals deze luidden ten tijde van goedkeuring. | Visuele controle. Bij twijfel het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer raadplegen. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.3a.3
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bussen mogen: | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. |
Artikel 5.3a.4
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bovenbouw van bussen moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.3a.6
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen mogen: a. niet breder zijn dan 2,55 m, en b. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. Ingeval van twijfel wordt de bus gemeten. Artikel 5.1a.1 is van toepassing. |
| 2. | Bussen met 2 assen mogen: a. niet langer zijn dan 13,50 m, en b. indien de bus in gebruik is genomen voor 10 september 2003, mag deze in afwijking van onderdeel a tot 1 januari 2021 niet langer zijn dan 15,00 m. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. Ingeval van twijfel wordt de bus gemeten. Deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. Artikel 5.1a.1 is van toepassing. |
| 3. | Bussen met meer dan twee assen mogen niet langer zijn dan 15,00 m. | |
| 4. | Gelede bussen mogen niet langer zijn dan 18,75 m. | |
| 5. | De afmetingen bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, zijn met inbegrip van een skibox. | – |
| 6. | Het aantal aanwezige zitplaatsen, staanplaatsen en rolstoelplaatsen mag niet hoger zijn dan voor het voertuig is toegestaan. Een T100 bus mag niet zijn voorzien van staanplaatsen. | Visuele controle en toetsing aan gegevens op kentekenbewijs en indien aanwezig de plaat als bedoeld in artikel 5.3a.1, lid 7. Tijdens de periodieke keuring moet het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer worden geraadpleegd. |
Artikel 5.3a.7
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De last onder de assen van bussen mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten. | Lid 1 en 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. |
| 2. | De totale massa of de som van de aslasten van bussen mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximummassa. |
§ 3. Motor en brandstofsystemen
Artikel 5.3a.9
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van bussen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle, terwijl de bus zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| – Indien de motor van de bus is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle uitgevoerd wanneer de motor wordt gevoed met de hoofdbrandstof zoals deze is vermeld op het kentekenbewijs. Het tweede brandstofsysteem wordt eveneens gecontroleerd indien het mogelijk is de motor op de tweede brandstof te laten draaien. Indien controle van het tweede brandstofsysteem niet mogelijk is, wordt dit vermeld op het keuringsrapport. | ||
| – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. | ||
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
Artikel 5.3a.10
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bus is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3a.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Lid 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | De LPG tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast, die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 6. | Indien de bus na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | Visuele controle. |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Lid 7 en 8: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | |
| 9. | De voorzijde, de achterzijde en minimaal één deur van de bus die is voorzien van een LPG-installatie zijn voorzien van een weerbestendige sticker met het volgende herkenningsteken: | Visuele controle. |
Artikel 5.3a.10a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bus is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd artikel 5.3a.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar. | Lid 4 en 5: visuele controle, zo nodig terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de personenruimte of laadruimte. | |
| 6. | Indien het voertuig in gebruik genomen is na 1 juli 1995, moet het voertuig zijn voorzien van een goed werkende automatische tankafsluiter. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het contact ingeschakeld en wordt gecontroleerd of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens wordt de motor gestart waarna de handrem wordt aangetrokken en de hoogste versnelling wordt ingeschakeld. Met behulp van de koppeling de motor laten afslaan waarna de bekrachtiging moet wegvallen. Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is, wordt de motor gestart en nadat is overgeschakeld op CNG wordt gecontroleerd of de spoel is bekrachtigd; daarna wordt met het contact uitgeschakeld gecontroleerd of de bekrachtiging is weggevallen. |
| 7. | De onderdelen van de CNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 7 tot en met 9: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 8. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 9. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 10. | De voorzijde, de achterzijde en minimaal één deur van de bus die is voorzien van een CNG-installatie zijn voorzien van een weerbestendige sticker met het volgende herkenningsteken: | Visuele controle. |
Artikel 5.3a.11
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle, terwijl de bus zich met draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bussen moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het Besluit typekeuring motorrijtuigen luchtverontreiniging (Stb. 1990, 393). | Lid 3 en 4: aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Bussen moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen (Stb. 1981, 741). | |
| 5. | De uitlaatgassen van bussen met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volume percentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 6. | Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1994, die zijn uitgerust met een brandstofdoseringssysteem dat de mengverhouding van lucht en brandstof voortdurend aanpast aan het zuurstofgehalte van de uitlaatgassen, en zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem, goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | De uitlaatgassen van bussen met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979 mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 8. | Bij bussen met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997 en die zijn voorzien van een emissiebestrijdingssysteem, moeten de aangegeven onderdelen van dit systeem aanwezig zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 39, van toepassing. | Visuele controle. |
Artikel 5.3a.12
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van bussen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van bussen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bij bussen die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1984, moeten de stroomkringen, met uitzondering van die van de startmotor, door zekeringen of automatische schakelaars tegen overbelasting zijn beschermd. | Visuele controle. |
Artikel 5.3a.13
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De motorsteunen van bussen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.3a.15
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. | Visuele controle. De werking en afleesbaarheid wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De volgende bussen zijn voorzien van een snelheidsbegrenzer: | Visuele controle aan de hand van het installatieplaatje. |
| a. bussen met een dieselmotor, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 10.000 kg, die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen; | ||
| b. bussen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 10.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen; | ||
| c. bussen met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen. | ||
| 3. | De snelheidsbegrenzer moet zijn afgesteld op: a. een zodanige snelheid, dat de maximumsnelheid van bussen niet meer dan 100 km/h kan bedragen; | Visuele controle of het installatieplaatje de juiste snelheid aangeeft. Tevens wordt, waar toepasbaar, met een diagnosesysteem vastgesteld of de ingestelde snelheid juist is. |
| b. maximaal 100 km/h, indien het een bus betreft met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg, die voor 1 januari 2005 in gebruik is genomen. | ||
| De ingestelde snelheid is onuitwisbaar vermeld op een installatieplaatje dat op een duidelijk zichtbare plaats in de stuurcabine van het voertuig is aangebracht. | ||
| 4. | De snelheidsbegrenzer en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen moeten met behulp van een verzegeling of door de noodzaak om speciale gereedschappen te gebruiken zijn beschermd tegen niet-toegestane bijstelling of onderbreking van de stroomvoorziening. | Visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen. |
| 5. | De in het tweede lid bedoelde verplichting geldt niet voor: a. motorrijtuigen als bedoeld in artikel 29 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, en b. motorrijtuigen die blijkens een aantekening op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs niet van een snelheidsbegrenzer behoeven te zijn voorzien. | Visuele controle. Onderdeel a: Dit betreft een verwijzing naar hulpdiensten. Of het voertuig wordt gebruikt door een hulpdienst wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | Indien een bus met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg moet zijn voorzien van een controleapparaat als bedoeld in verordening 3821/85/EEG: a. mag de op het installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn vestreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal twee jaar vanaf de installatiedatum bedraagt; b. moet het onder a bedoelde installatieplaatje zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd; c. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het onder a bedoelde installatieplaatje is vermeld, en | – Onderdeel a: de geldigheidsduur op het installatieplaatje van de tachograaf wordt visueel gecontroleerd. – Onderdeel b: visuele controle van de verzegeling van het installatieplaatje van de tachograaf. – Onderdeel c: bij twijfel meting van de bandenomtrek. – Onderdeel d: visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen van de tachograaf. – De wijze van gebruik van het voertuig wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening. |
Artikel 5.3a.16
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De aandrijving van bussen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 5. Assen
Artikel 5.3a.18
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van bussen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. Bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
Artikel 5.3a.19
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bussen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
Artikel 5.3a.20
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers van bussen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zonodig een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.3a.21
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielbasis van bussen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van artikel 5.3a.1 getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis links en rechts gemeten niet meer dan: | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
| a.15 mm verschillen bij bussen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg; | ||
| b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg. |
Artikel 5.3a.22
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De afstanden tussen de fuseedraaipunten en twee punten aan het chassis dan wel aan de carrosserie, die symmetrisch links en rechts ten opzichte van de langsas van het voertuig zijn gelegen, mogen recht en kruiselings gemeten onderling niet meer dan: | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. | |
| a. 15 mm verschillen bij bussen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg; | ||
| b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg. |
Artikel 5.3a.23
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De spoorbreedte van bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg mag niet meer dan 2,0% groter zijn dan de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.3a.24
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van bussen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt en het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.3a.25
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De wielnaven van bussen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.3a.26
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.3a.27
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen van bussen moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Lid 2 en 3: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en van T100-bussen moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van bussen mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van het hiervoor bepaalde is naprofileren toegestaan indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘REGROOVABLE’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van de bus. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De op de band van een bus, in gebruik genomen na 31 december 1997, en op de band van een T100-bus vermelde loadindex mag niet kleiner zijn dan de de loadindex, behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 50, van toepassing. | |
| 8. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 9. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve in geval van nood waarbij een nood- of reservewiel wordt gebruikt. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan. |
| 10. | Bij bussen moeten de banden een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven moet hiermee rekening gehouden worden. |
| – Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden. | ||
| – Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden. | ||
| – Wanneer er geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden. | ||
| – De banden op één as moeten een gelijke bandenspanning hebben met een maximum tolerantie van 0,1 bar. | ||
| – Bij het constateren van een te lage bandenspanning moet deze op de juiste bandenspanning worden gebracht. |
Artikel 5.3a.28
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zonodig een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bussen die zijn voorzien van gasvering, en bussen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, Een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk enkele malen ingeveerd en zonodig aan een rijproef onderworpen. |
| 4. | Schokdempers van bussen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | Knielsystemen van bussen moeten goed functioneren. | Visuele controle, waarbij het systeem in werking wordt gesteld. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.3a.29
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bestuurde wielen van bussen moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaing van ten hoogste 15°, bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en 30° bij bedrijfauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de bus op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 5 en 6: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 51, van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Voor het zichtbaar maken van: |
| a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; | ||
| b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. | ||
| 8. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 9. | De stuurbekrachiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiging mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | De wijze van keuren bij het vierde lid is van toepassing. |
| 11. | De onderdelen van de stuurbekrachtiging mogen geen ernstige lekkage vertonen. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt bij stationair draaiende motor in de uiterste stand gedraaid en gehouden. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.3a.31
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| – Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld met draaiende motor. Hierbij wordt de as eventueel ontlast. | ||
| 3. | De compressor en de drukregelaar moeten goed functioneren en tijdig in werking treden. | Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen. |
| 4. | Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt. |
| 5. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 55 en 56, van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevindt. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 7. | Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 8. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
| 9. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van remvoering. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 10. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 11. | Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit mogelijk is zonder demontage. |
| 12. | Bussen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van automatische remstelinrichtingen. Deze verplichting geldt niet voor bussen die een aantekening in het kentekenbewijs of in het kentekenregister «G» hebben. | Lid 12 en 13: visuele controle. |
| 13. | Bussen, in gebruik genomen na 31 maart 2002, moeten zijn voorzien van een antiblokkeersysteem. | |
| 14. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: | De wijze van keuren bij het zevende lid is van toepassing. |
| a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | ||
| b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | ||
| c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en | ||
| d. mogen geen lekkage vertonen. | ||
| 15. | Antiblokkeersystemen moeten goed functioneren en moeten zijn voorzien van een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het systeem faalt. | Het contact wordt ingeschakeld waarbij het waarschuwingslampje moet gaan branden. Vervolgens wordt de motor gestart. Wanneer het waarschuwingslampje uitgaat, mag er vanuit worden gegaan dat het systeem functioneert. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zonodig een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.3a.32
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
Artikel 5.3a.33
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Bussen met een drukluchtremsysteem, die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de energievoorraad in een van de bedrijfsremkringen onder de vereiste minimum druk is gedaald. | Visuele of auditieve controle door om de beurt de bedrijfsremkringen leeg te laten lopen en weer te vullen. |
Artikel 5.3a.34
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Bussen met een veerrem, die in gebruik zijn genomen na 30 september 1975, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de veerrem in werking is gesteld. | Visuele of auditieve controle, terwijl de veerrem in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.3a.35
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen met een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moeten zijn voorzien van: a. drukmeetpunten waarmee de drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcilinders op iedere as, kunnen worden gemeten; b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten, en | – Onderdelen a en b: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel c: visuele controle met behulp van manometers of de dashboardmeter(s), waarbij de bedrijfsremkringen beurtelings worden ontlucht. De resterende druk in de niet ontluchte kringen moet van een redelijk niveau zijn. |
| c. een goed functionerend meerkringsbeveiligingsventiel indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 1975. | ||
| 2. | Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed functioneren. | Visuele controle met behulp van manometers, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. Indien mogelijk wordt de controle ook uitgevoerd wanneer de drukluchtremkrachtregelaar de volle druk doorstuurt. Controle op het goed functioneren kan achterwege blijven indien een controle is uitgevoerd volgens het derde lid. |
| 3. | Bussen met drukluchtremkrachtregelaars, in gebruik genomen na 30 september 1981, moeten zijn voorzien van een plaat waarop duidelijk leesbaar de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars is vermeld. De vermelde drukluchtremkrachtregelaars moeten aanwezig zijn en moeten globaal zijn afgesteld zoals voor de beladingstoestand van het voertuig is vermeld op de plaat. | – Visuele controle op de aanwezigheid, waarbij het merk en type van de drukluchtremkrachtregelaar mag afwijken. – Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast of veerbalgdruk kan worden vastgesteld, vindt de controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld waarbij de afstelling ten hoogste 0,5 bar mag afwijken van de gegevens op de plaat. De volgende twee afstellingen moeten ten minste worden gecontroleerd: |
| a. de stand waarin de regelaar zich bevindt behorende bij de vastgestelde aslast, en | ||
| b. wanneer de regelaar de volle druk doorstuurt, voorzover dit mogelijk is zonder demontage. | ||
| – Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast of veerbalgdruk niet kan worden vastgesteld, vindt een globale controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld. | ||
| Bij een niet maximaal belaste as wordt de werking van de regelaar gecontroleerd door: | ||
| a. de druk te meten die de regelaar doorstuurt in de stand waarin deze zich dan bevindt; | ||
| b. de afstelling te meten van de stand waarin de regelaar de volle druk doorstuurt, voorzover mogelijk zonder demontage. | ||
| De onder punt b gemeten druk moet hoger zijn dan de druk vastgesteld onder punt a. Indien de betreffende as nagenoeg maximaal is belast, mag de onder punt b gemeten druk gelijk zijn aan de vastgestelde druk onder a. | ||
| 4. | De ontwateringsventielen van reservoirs moeten goed functioneren. | Visuele controle, waarbij het ontwateringsventiel, indien mogelijk, moet worden bediend. |
Artikel 5.3a.36
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De slag van drukluchtremcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
| 2. | De slag van drukluchtremcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan 2/3 van de maximum slag van de betrokken remcilinder. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.3a.37
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen met een tweeleidingremsysteem ten behoeve van aanhangwagens moeten aan de aansluitkop van de voorraadleiding een druk bezitten met een grenswaarde van 6,5 tot 8,5 bar, en aan de aansluitkop van de commandoleiding, bij een maximale voorraaddruk, een druk met een grenswaarde van 6,0 tot 8,5 bar. | Visuele controle met behulp van een manometer, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
| 2. | Bussen, in gebruik genomen na 31 december 1997, mogen niet zijn voorzien van een éénleidingremsysteem ten behoeve van een aanhangwagen. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bij bussen met een éénleidingremsysteem ten behoeve van aanhangwagens moet aan de aansluitkop de voorraaddruk van het remsysteem aanwezig zijn. Deze druk moet ten minste 5 doch niet meer dan 6 bar bedragen. | Visuele controle met behulp van een manometer. |
| 4. | Bussen, in gebruik genomen na 31 december 1997, mogen niet zijn voorzien van een afzonderlijke inrichting voor de bediening van de remmen van de aanhangwagen. | Lid 4 en 5: visuele controle. |
| 5. | Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1997 moeten de voorraad- en commandoleiding zijn voorzien van goedwerkende automatische afsluiters. |
Artikel 5.3a.38
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen, in gebruik genomen na 30 juni 1967 moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Bussen, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | |
| 3. | Indien de remkrachten van de bus groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten, die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het gestelde in het eerste lid. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | |
| 4. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 5. | Bussen mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achteras. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. Indien er twijfel bestaat over het uitbreken van de achteras ten gevolge van overeenstemming, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 62, 79, 80 en 84, van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
Artikel 5.3a.39
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 2. | De parkeerrem van bussen, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moet het voertuig op een helling van 16,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van bussen, in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.3a.41
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De deuren en de laadbakkleppen van bussen moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend, ongeacht of de daarvoor benodigde energievoorziening werkt. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten, indien noodzakelijk met behulp van de aanwezige noodbedienings-inrichtingen. |
| 2. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de laadbakkleppen mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Indien een deur in een bus, in gebruik genomen na 30 juni 1984, niet rechtstreeks door de chauffeur kan worden waargenomen moet de normale bediening zodanig zijn uitgevoerd dat passagiers deze niet kunnen openen voordat de chauffeur de bediening ervan vanaf de bestuurderszitplaats heeft vrijgegeven. | |
| 4. | Bussen moeten zijn voorzien van voldoende uitgangen. | Visuele controle. Bij twijfel het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer raadplegen. |
| 5. | De hoofddoorgang, de toegang naar de uitgangen, de treden bij de bedrijfsdeuren en de treden bij de hoofddoorgang, de vereiste opschriften en de bedieningsinrichtingen van de (nood)uitgangen en trappen moeten zodanig kunnen worden verlicht dat deze duidelijk waarneembaar zijn. | Visuele controle; waarbij verlichting wordt ingeschakeld. |
| 6. | Uitgangen moeten tot een hoogte van ten minste 0,80 m boven de vloer volledig afgesloten kunnen worden. | Visuele controle, bij twijfel opmeten. |
| 7. | Noodluiken dienen van binnen en van buiten te kunnen worden geopend of verwijderd. | Noodluiken, indien mogelijk, vanaf binnenzijde bus bedienen. Indien het een type dakluik betreft dat niet zonder beschadiging kan worden geopend, nagaan of de voor opening benodigde delen in voldoende staat van onderhoud verkeren en het luik of de bediening geen beschadigingen vertoont. |
| 8. | Noodramen moeten op geschikte wijze kunnen worden geopend met een noodhamer of een bedieningsorgaan dat op een zichtbare plaats en in de nabijheid van het noodraam zijn aangebracht. | In geval van een breekraam controle op de aanwezigheid van noodhamer bij ieder noodraam. Als de noodhamer aan kabel zit, nagaan of de noodhamer het midden van de noodraam kan bereiken. Draaibare noodramen bedienen. |
| 9. | Deuren en scharnierende noodramen die niet duidelijk vanuit de bestuurderszitplaats zichtbaar zijn, dienen te zijn uitgerust met een inrichting om de bestuurder te waarschuwen wanneer deze niet zijn gesloten. | Leden 9 tot en met 11: visuele controle. |
| 10 | Een noodraam dat de vereiste opening vrijgeeft door breken van de noodraam mag niet zijn bekleed met folie tenzij dat in stukken van ten hoogste 150 cm2 of in ten minste 8 tot het midden van de noodraam reikende segmenten is gedeeld. | |
| 11. | Bij de uitgangen moeten opschriften zijn aangebracht waaruit blijkt op welke wijze de uitgang moet worden geopend in geval van een noodsituatie. | |
| 12 | Het derde tot en met elfde lid is niet van toepassing op bussen ten dienste van de politie, justitie of brandweer. | – |
Artikel 5.3a.42
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bussen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 96 tot en met 100, van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bussen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport |
| 4. | De bus moet zodanig zijn ingericht of uitgerust dat verblinding van de bestuurder door en weerkaatsing van de binnenverlichting wordt voorkomen. | Lid 4 en 5: visuele controle. |
| 5. | Bij bussen in gebruik genomen na 13 februari 2008 moeten vormen van visueel vermaak voor passagiers zich buiten het gezichtsveld van de bestuurder bevinden. |
Artikel 5.3a.43
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. | Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege. |
| 2. | Bussen die na 30 juni 1985 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. | Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.3a.44
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen die na 30 juni 1985 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
| 2. | Bussen die na 30 juni 1985 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter verwarming van de passagiersruimte. | |
| 3. | Bussen die na 30 juni 1985 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkend ventilatiesysteem voor de passagiersruimte welke voldoende luchtcirculatie waarborgt. |
Artikel 5.3a.45
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een rechterbuitenspiegel. | Leden 1 tot en met lid 3: visuele controle. |
| 2. | De spiegels zijn deugdelijk bevestigd. | |
| 3. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. |
Artikel 5.3a.46
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen behorende tot klasse III of klasse B, in gebruik genomen na 19 oktober 2008, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. | Visuele controle, waarbij het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer wordt geraadpleegd. |
| 2. | De zitplaatsen en rugleuningen van bussen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 3. | Het eerste lid is tot 21 oktober 2010 niet van toepassing op bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg behorende tot klasse III of klasse B, waarin de zijdelings gerichte zitplaatsen achterin het voertuig bijeen zijn geplaatst tot een zitgroep met maximaal 10 plaatsen, met dien verstande dat deze zijdelings gerichte zitplaatsen, onverminderd artikel 5.3a.47, zijn voorzien van een hoofdsteun en een tweepuntsgordel met oprolmechanisme en leuningen waardoor ten hoogste drie zitplaatsen ononderbroken aaneensluiten. | Visuele controle, waarbij het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer wordt geraadpleegd. |
| 4. | Het aantal aanwezige zitplaatsen mag niet groter zijn dan het maximum aantal zitplaatsen waarvoor de bus is goedgekeurd. | Visuele controle aan de hand van opschriften als bedoeld in artikel 5.3a.1, lid 7, het kentekenbewijs en het kentekenregister. In geval van twijfel wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd. |
| 5. | Bussen van klasse I, in gebruik genomen na 12 februari 2005, moeten voorzien zijn van ten minste vier voor mensen met een mobiliteitshandicap gereserveerde zitplaatsen, die voorzien zijn van handgrepen en dichtbij een geschikte bedrijfsdeur. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | Op bussen van een andere klasse dan klasse I, die in gebruik genomen na 12 februari 2005 en zijn voorzien van technische voorzieningen ter verbetering van de toegang voor personen met een mobiliteitshandicap, is het vorige lid van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat het aantal gereserveerde zitplaatsen voor mensen met een mobiliteitshandicap voor bussen van klasse II en klasse III ten minste twee bedraagt, en voor bussen van klasse A en klasse B ten minste één. Een klapstoel mag niet worden aangeduid als gereserveerde zitplaats. | |
| 7. | Voor bussen als bedoeld in het vijfde en zesde lid geldt, dat bussen van klasse I en klasse II moeten zijn voorzien van ten minste twee, en bussen van klasse A van ten minste één naar voren of naar achteren gerichte zitplaats, speciaal bedoeld en van merktekens voorzien voor andere passagiers met een mobiliteitshandicap dan rolstoelgebruikers. Deze zitplaatsen moeten dicht bij een voor deze passagiers geschikte ingang zijn geplaatst. | |
| 8. | De ruimte tussen de rugleuning van een zitplaats en een daar voor gelegen meubelstuk moet gemeten ter hoogte van de zitting ten minste 0,65 m bedragen. | Lid 8 en 9: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten en wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd. |
| 9. | De ruimte tussen twee tegenover elkaar gelegen zitplaatsen moet gemeten ter hoogte van de zitting ten minste 1,25 m bedragen. | |
| 10. | Het derde tot en met negende lid is niet van toepassing op bussen ten dienste van de politie, justitie of brandweer. | – |
Artikel 5.3a.47
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, en T100-bussen moeten zijn voorzien van gordels voor: a. de zitplaats van de bestuurder en de ernaast gelegen naar voren gerichte zitplaatsen, en | Visuele controle. In geval van een kampeerwagen is de controle beperkt tot de voorste zitplaatsen en tot de overige zitplaatsen voor zover deze zijn voorzien van gordels. |
| b. de overige naar voren gerichte zitplaatsen indien op een afstand van maximaal 1,30 m voor de rugleuning van deze zitplaats zich geen veiligheidsscherm of rugleuning van een ervoor gelegen zitplaats bevindt. | ||
| 2. | In afwijking van het eerste lid moeten de volgende bussen zijn voorzien van gordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen: | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| a. bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die na 30 september 2002 in gebruik zijn genomen, en | ||
| b. bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen. | ||
| 3. | Het eerste en tweede lid is niet van toepassing op: | |
| a. bussen welke uitsluitend zijn goedgekeurd volgens klasse A, klasse I en klasse II; | ||
| b. bussen waarbij de klasse niet is vastgesteld en die beschikken over staanplaatsen; | ||
| c. klapstoelen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig; | ||
| d. zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik bij stilstaand voertuig. | ||
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 5. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, moet bij een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd. |
Artikel 5.3a.48
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van bussen, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van bussen moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. | Leden 4 tot en met 6: visuele controle. |
| 5. | Een intrekbare trede van een bus, in gebruik genomen na 12 februari 2005, mag geen letsel kunnen toebrengen aan passagiers of mensen buiten de bus. | |
| 6. | Geen deel aan de buitenzijde van de bus mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | |
| 7. | Liften moeten deugdelijk aan de bus zijn bevestigd en goed functioneren. | Visuele controle, waarbij de lift in werking wordt gesteld. |
| 8. | Oprijplaten dan wel andere middelen bestemd om personen in rolstoelen in de bus te plaatsen, moeten deugdelijk aan de bus kunnen worden bevestigd. | Visuele controle. Eventuele oprijplaten moeten aanwezig zijn en worden aangebracht. |
| 9. | Bij het bedieningspaneel van de liftinstallatie moet een opschrift aanwezig zijn dat de bedieningsaanwijzing bevat. Het opschrift moet vanaf het liftplateau tijdens het gebruik ervan duidelijk zichtbaar zijn. | Leden 9 tot en met 11: visuele controle. |
| 10. | Op de plaats waar rolstoelen kunnen worden bevestigd moeten, met uitzondering van de plaatsen waar eventuele stoelen of banken zijn bevestigd, de vastzetinrichting voor deze rolstoelen en de daarbij behorende gordels aanwezig zijn. | |
| 11. | De rails en de vastzetinrichtingen alsmede de onderdelen ervan voor de bevestiging van rolstoelen, mogen niet zijn vervormd of beschadigd. | |
| 12. | Vastzetinrichtingen moeten op de daarvoor aanwezige bevestigingspunten passend kunnen worden bevestigd. | Visuele controle, waarbij de vastzetinrichting op het betreffende bevestigingspunt moet worden aangebracht. |
| 13. | Vergrendelinrichtingen van vastzetinrichtingen moeten met de hand te bedienen zijn en moeten functioneren. | Visuele controle, waarbij de vergrendelinrichting moet worden bediend. |
| 14. | Bevestigingsmiddelen niet zijnde vastzetinrichtingen en de daarbij behorende gordels moeten zijn voorzien van een goedwerkende sluiting en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de sterkte en werking ervan in gevaar wordt gebracht. | Visuele controle, waarbij moet worden beproefd of de sluiting van de bevestigingsmiddelen en de daarbij behorende gordels functioneren. |
| 15. | In afwijking van het gestelde in de leden 10 tot en met 14 ten aanzien van de bevestigingsmiddelen en gordels kan een rolstoelruimte zodanig zijn ontworpen dat de rolstoelgebruiker zonder bevestiging met de rolstoel naar achteren gericht tegen een steun of rugleuning wordt geplaatst. De rolstoelruimte moet dan wel zijn voorzien van voorzieningen die voorkomen dat de op de rolstoel gezeten persoon, om kan vallen. De vloer moet in dat geval met een anti-sliplaag zijn bekleed en aan een wand of buitenwand van het voertuig moet een leuning of handgreep zijn aangebracht die de rolstoelgebruiker gemakkelijk kan vastgrijpen. Naast een dergelijke rolstoelruimte moet de volgende tekst zijn aangebracht: ‘Plaats gereserveerd voor een rolstoel. Rolstoel naar achter gericht tegen de steun of de rugleuning plaatsen en vastzetten op de rem’. | Lid 15 en 16: visuele controle. |
| 16. | Het interieur mag geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel kunnen opleveren. |
Artikel 5.3a.49
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een deugdelijke beschermingsinrichting aan de achterzijde tegen klemrijden, indien de afstand van de onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen van het koetswerk op een afstand van meer dan 1,00 m achter het hart van de achterste as, meer bedraagt dan 0,70 m dan wel meer bedraagt dan 0,55 m indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De afstand van de onderzijde van de beschermingsinrichting tot het wegdek mag voor bussen, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1998, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor bussen, in gebruik genomen na 31 december 1997, niet meer bedragen dan 0,55 m. | |
| 3. | Indien de bus in gebruik is genomen na 31 december 2004 mag de beschermingsinrichting niet meer dan 0,45 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 3,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. | |
| 4. | Indien de bus in gebruik is genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2005 mag de beschermingsinrichting niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. | |
| 5. | De stootbalk van bussen mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan: | |
| a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel | ||
| b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten. | ||
| 6. | De beschermingsinrichting en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. | Visuele controle. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.3a.51
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Bussen moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikelen 115 tot en met 118, gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel g tot en met l: visuele controle. – Onderdeel m tot en met o: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. | |
| c. twee stadslichten; | ||
| d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van bussen in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen; | ||
| e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | ||
| f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m dan wel na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig worden beschouwd als zijrichtingaanwijzers indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts; | ||
| g. twee achterlichten; | ||
| h. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; | ||
| i. een achterkentekenplaatverlichting; | ||
| j. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| k. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | ||
| l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | ||
| m. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | ||
| n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | ||
| o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing. |
Artikel 5.3a.51a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de bus herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de vormgeving en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens of lichten. |
Artikel 5.3a.53
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De grote lichten, dimlichten, stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 7: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten alsmede de zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. Zijrichtingaanwijzers mogen naar de zijkant niet anders dan ambergeel uitstralen. | |
| 3. | De achterlichten en mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
| 5. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. | |
| 6. | De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 7. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. Het achterste zijmarkeringslicht mag rood stralen. |
Artikel 5.3a.55
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.3a.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in artikel 5.3a.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in artikel 5.3a.51 bedoelde retroreflectoren en de markering aan de achterzijde van het voertuig mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 7. | Indien de bus is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling eenvoudig aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
| 8. | De codering van de lichtarmaturen moet in overeenstemming zijn met de voor dat armatuur bedoelde lichten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, annex 6, van toepassing. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.3a.56
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het dimlicht van bussen moet goed zijn afgesteld, hierbij is het gestelde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
| 2. | Bussen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden op het kentekenbewijs, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
Artikel 5.3a.57
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen mogen zijn voorzien van: a. twee mistvoorlichten; b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; c. twee extra stadslichten; | – Onderdeel a tot en met q: visuele controle. – Onderdeel r en s: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel t tot en met y: visuele controle. |
| d. twee extra achterlichten; | ||
| e. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge artikel 5.3a.51 verplicht zijn; | ||
| f. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3a.51 verplicht zijn; | ||
| g. twee staaklichten; | ||
| h. één extra mistachterlicht; | ||
| i. één extra achteruitrijlicht; | ||
| j. parkeerlichten; | ||
| k. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; | ||
| l. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3a.51 verplicht zijn; | ||
| m. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; | ||
| n. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | ||
| o. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3a.51 verplicht zijn, waarbij bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing is; | ||
| q. werklichten; | ||
| r. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: | ||
| 1°. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en | ||
| 2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de boven zijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.3a.51a, onderdeel h; | ||
| s. In afwijking van onderdeel r kunnen bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd; | ||
| t. Bij bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg kunnen, in afwijking van onderdeel r, twee extra remlichten worden aangebracht; | ||
| u. twee dagrijlichten; | ||
| v. verlichte transparanten die voor het overige verkeer informatie over het gebruik of de bestemming van het voertuig bieden. De lichten moeten afzonderlijk zijn geschakeld en mogen naar achteren niet rood stralen; | ||
| w. bochtlichten; | ||
| x. hoeklichten; | ||
| y. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg en het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 1967; Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII van toepassing. | ||
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel 5.3a.51a verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.3a.53a met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 tot en met 6: visuele controle. |
| 3. | Bussen mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 4. | Bussen mogen zijn voorzien van een ambergele of witte lijnmarkering aan de zijkant van het voertuig of van een ambergele, witte of rode lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig, hierbij is het bepaalde in bijlage VIII van toepassing. | |
| 5. | Bussen mogen zijn voorzien van een ambergele of witte contourmarkering aan de zijkant van het voertuig of een ambergele, witte of rode contourmarkering aan de achterkant van het voertuig. Binnen de contourmarkering aan de zijkant van het voertuig mogen retroreflecterende letters of afbeeldingen zijn aangebracht, voorzover deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de contourmarkering en de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. In ieder geval mogen de retroreflecterende letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van de totale oppervlakte binnen de omtrek van de contourmarkering uitmaken. | |
| 6. | Verlichte transparanten: a. moeten afzonderlijk zijn geschakeld; b. mogen niet breder zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd, en c. mogen niet langer zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd. |
Artikel 5.3a.58
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Lid 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht. |
Artikel 5.3a.59
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De mistvoorlichten en de achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 8: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen, dan wel indien zij zijn ingebouwd in de zijrichtingaanwijzers, niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 3. | De extra richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten en herhalingswaarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 4. | De zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit, en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
| 5. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. Het achterste zijmarkeringslicht mag rood stralen. | |
| 6. | De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 7. | De dagrijlichten, hoeklichten en bochtlichten mogen niet anders dan wit stralen. | |
| 8. | Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen. | |
| 9. | De markering aan de achterzijde moet bestaan uit één rechthoekig bord, dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van rood fluorescerende en geel retroreflecterende parallel lopende diagonale strepen. | Visuele controle. |
Artikel 5.3a.59a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.3a.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 4. | Mistvoorlichten moeten goed werken en mogen voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 5. | De codering van de lichtarmaturen moet in overeenstemming zijn met de voor dat armatuur bestemde licht. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII van toepassing. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.3a.61
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.3a.51 en 5.3a.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de markering aan de achterzijde van het voertuig, mistachterlichten en werklichten. | – |
Artikel 5.3a.62
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.3a.64
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Bussen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
| 3. | Het tweede lid is niet van toepassing op bussen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. |
Artikel 5.3a.65
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Onverminderd het bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, mogen bussen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.3a.51, 5.3a.51a, 5.3a.57 en in of krachtens artikel 5.3a.58 is voorgeschreven of toegestaan, | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Personenauto’s niet in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. | |
| b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. |
§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
Artikel 5.3a.66
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bus is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3a.68, tweede lid, onderdeel h. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De achtertraverse met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. |
Artikel 5.3a.67
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Indien de bus is voorzien van een koppelingskogel met een kogel met een nominale diameter van 50 mm moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
Artikel 5.3a.68
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bus is voorzien van een vangmuilkoppeling met een nominale pendiameter van: a. 40 mm, moet de pendiameter ten minste 36,5 mm bedragen; b. 50 mm, moet de pendiameter ten minste 46 mm bedragen; c. 57,5 mm, moet de pendiameter ten minste 55 mm bedragen. | Het kontaktgedeelte van de pen met het trekoog wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | De in het eerste lid bedoelde koppelingen moeten voldoen aan de volgende eisen: a. de opwaartse speling van de pen mag niet meer dan 5 mm bedragen; b. de radiale speling in de onderste bus mag niet meer dan 2 mm bedragen; c. de onderste lagerbus mag niet loszitten en de bevestiging ervan mag niet zijn uitgeslagen; d. de sluit- en borginrichting moet goed functioneren; | – Onderdeel a: de pen wordt omhoog bewogen met behulp van bijvoorbeeld een schroevedraaier, waarbij de koppeling gesloten moet zijn en de handborg of controlestift voor zover mogelijk buiten werking moet zijn gesteld, teneinde de speling in het sluitingsmechanisme en de bovenste lagerbus van de pen bij de beoordeling te betrekken. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. – Onderdeel b: in geval van twijfel meten met bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. |
| e. de radiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk mag niet meer dan 2 mm bedragen; f. axiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk is niet toegestaan; g. de bevestigingsmoer van de trekstang moet deugdelijk vastzitten en moet goed geborgd zijn, en | – Onderdeel c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de koppeling wordt geopend en gesloten. – Onderdeel e: de trekstang wordt op- en neerwaarts en van links naar rechts bewogen. In geval van twijfel wordt gemeten met bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. | |
| h. het gedeelte van de vangmuil dat als geleiding voor het trekoog tijdens het aankoppelen is bedoeld, mag tekenen van vervorming, van scheuren of van uitgebroken delen vertonen, mits daardoor de sterkte of het functioneren van de koppeling met inbegrip van de sluit- en borginrichting niet wordt aangetast. Herstel daarvan door middel van lassen is toegestaan. | – Onderdeel f: de trekstang wordt axiaal bewogen. – Onderdeel g: visuele controle. Een eventuele stofkap wordt verwijderd. – Onderdeel h: visuele controle. |
§ 12. Diversen
Artikel 5.3a.71
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld. |
| 2. | Bussen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. | Lid 2 en 3: visuele en auditieve controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | Bussen mogen, onverminderd het in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b, van het RVV 1990 bepaalde inzake twee- en drietonige hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid. | |
| 4. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden gesteld betreffende de twee-of drietonige hoorn. |
Afdeling 4. Motorfietsen
Artikel 5.4.0
Een motorfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 0. Algemeen
Artikel 5.4.1
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De motorfiets moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Het voertuigidentificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | |
| 3. | De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | |
| 4. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van het motorfiets staat. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.4.3
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het frame of de zelfdragende constructie alsmede de voor- en achtervork van motorfietsen mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen; | – Onderdelen a en b: visuele controle. – Onderdeel c: visuele controle. Bij twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| b. niet zijn doorgeroest; | ||
| c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. | ||
| 2. | Onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.4.4
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Een aan een motorfiets gekoppelde zijspanwagen moet deugdelijk aan het frame of aan de zelfdragende constructie van de motorfiets zijn bevestigd. | Visuele controle. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.4.6
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4.00 m; b. niet breder zijn dan 2.00 m, en c. niet hoger zijn dan 2.50 m. | Lid 1 en 2: in geval van twijfel wordt de motorfiets gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
| 2. | Motorfietsen met zijspanwagen alsmede motorvoertuigen op drie asymmetrisch geplaatste wielen, die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1996, mogen niet breder zijn dan 2,55 m. |
§ 3. Motor en brandstofsystemen
Artikel 5.4.9
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van de brandstofsystemen van motorfietsen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 2. | De brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. Een LPG-installatie wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
Artikel 5.4.10
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.4.9, voldoen aan in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 4. | De gasvoerende slangen van rubber mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. |
Artikel 5.4.10a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd artikel 5.4.9, voldoen aan de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar. | |
| 4. | Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig. | |
| 5. | Indien het voertuig in gebruik genomen is na 1 juli 1995, moet het voertuig zijn voorzien van een goed werkende automatische tankafsluiter. | Visuele controle. De motor starten en controleren of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens de motor af laten slaan, waarna de bekrachtiging moet wegvallen. |
| Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is, wordt de motor gestart en nadat is overgeschakeld op CNG wordt gecontroleerd of de spoel is bekrachtigd. Daarna wordt door het contact uit te schakelen gecontroleerd of de bekrachtiging is weggevallen. | ||
| 6. | De onderdelen van de CNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 6 tot en met 8: visuele controle |
| 7. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. |
Artikel 5.4.11
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle bij draaiende motor. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Motorfietsen moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 3 van het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen (Stb. 1981, 741). | – |
| 4. | Motorfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 33, 34 en 35, van toepassing. | – |
| 5. | Motorfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het vierde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen te hoog geluidsniveau produceren. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 33, 34 en 35, van toepassing. | – |
Artikel 5.4.12
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van motorfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van motorfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
Artikel 5.4.13
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De motor van motorfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.4.15
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. | Visuele controle. |
Artikel 5.4.16
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van motorfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
§ 5. Assen
Artikel 5.4.18
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van motorfietsen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | Visuele controle. |
Artikel 5.4.20
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers van motorfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging van wiellagers mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.4.21
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De wielbasis van motorfietsen mag niet meer dan 60 mm afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | In geval van twijfel wordt de wielbasis gemeten, waarbij artikel 5.1a.2 van toepassing is. |
Artikel 5.4.24
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van motorfietsen mogen geen breuken, scheuren, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.4.27
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen van motorfietsen moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Lid 2 en 3: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,0 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. |
| 5. | De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | Lid 5 en 6: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 6. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 7 | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van de motorfiets. | Visuele controle. |
Artikel 5.4.28
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken. | Visuele controle, waarbij de motorfiets enkele malen wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.4.29
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 2. | De voorvork moet zonder zware punten in het balhoofd kunnen draaien. | Visuele controle, waarbij het voorwiel naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt bewogen, terwijl de massa van de motorfiets op de grond rust. |
| 3. | De balhoofdlagering mag geen zichtbare speling vertonen. | Visuele controle, waarbij de motorfiets voorwaarts wordt bewogen en de voorwielrem in werking wordt gesteld, dan wel het voorwiel wordt ontlast en de voorvork wordt bewogen. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.4.31
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen: a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle terwijl het remsysteem onder druk wordt gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt langzaam ingetrapt, totdat een kracht van 500 N (50 kg) op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Bij een remhendel wordt de drukproef uitgevoerd met maximale handkracht. |
| 2. | Remschijven mogen geen dusdanige slijtage vertonen dat gevaar op breuk ontstaat. | Visuele controle. |
| 3. | Het rempedaal onderscheidenlijk de remhendel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt. | Controle waarbij het rempedaal wordt ingetrapt met een kracht van ten hoogste 500 N (50 kg). Bij een remhendel moet dit worden uitgevoerd met de maximale handkracht. |
| 4. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 5. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechter stuurstand worden gebracht. – Onderdeel c: visuele controle. |
| De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | ||
| 6. | Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. | Visuele controle, waarbij de rem wordt bediend. |
| 7. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien. |
| 8. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 9. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle. |
| 10. | In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimum aanduiding mag bevinden. |
| 11. | Antiblokkeersystemen moeten goed functioneren en moeten zijn voorzien van een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het systeem faalt. | Het contact wordt ingeschakeld waarbij het waarschuwingslampje moet gaan branden. Vervolgens wordt de motor gestart. Wanneer het waarschuwingslampje uitgaat, mag er vanuit worden gegaan dat het systeem functioneert. Indien noodzakelijk wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 12. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: | Visuele controle. |
| a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | ||
| b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | ||
| c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en | ||
| d. mogen geen lekkage vertonen. |
Artikel 5.4.38
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen, in gebruik genomen na 31 maart 1997, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg: a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,9 m/s2 bedraagt, dan wel indien als gevolg van onvoldoende wrijving deze waarde niet kan worden bereikt, ten minste 5,2 m/s2 bij gelijktijdig gebruik van de beide remmen bedraagt; b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,6 m/s2 bedraagt, dan wel indien als gevolg van onvoldoende wrijving deze waarde niet kan worden bereikt, ten minste 5,2 m/s2 bij gelijktijdig gebruik van de beide remmen bedraagt; | Lid 1 en 2: bij twijfel, controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 40 km/h bedragen. De maximale bedieningskrachten, vermeld in het vijfde lid van artikel 5.4.38 moeten in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. |
| c. bij gebruik van de voorwielrem bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 3,2 m/s2 bedraagt; | ||
| d. bij gebruik van de achterwielrem bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 3,2 m/s2 bedraagt; | ||
| e. in geval van een gecombineerde reminrichting: | ||
| 1°. bij gebruik van de gecombineerde reminrichting en minste 4,5 m/s2 bedraagt, dan wel ten minste 4,8 m/s2 bedraagt bij aangekoppelde zijspanwagen, en | ||
| 2°. bij gebruik van de andere rem ten minste 2,2 m/s2 bedraagt. | ||
| 2. | Motorfietsen, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 1 april 1997, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg: | |
| a. bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, en bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 4,1 m/s2; | ||
| b. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,5 m/s2 bedraagt; | ||
| c. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,8 m/s2 bedraagt. | ||
| 3. | Motorfietsen, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 27 november 1975, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,2 m/s2 bedraagt. | Lid 3 en 4: bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 40 km/h bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. |
| 4. | Motorfietsen, in gebruik genomen vóór 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. | |
| 5. | De voor het gebruik van de remmen benodigde bedieningskracht mag bij motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975, bij gebruik van een remhendel niet meer dan 200 N en bij gebruik van een rempedaal niet meer bedragen dan: a. 500 N, dan wel b. 350 N indien de motorfiets na 31 maart 1997 in gebruik is genomen. | – |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.4.41
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Windschermen en stroomlijnkappen van motorfietsen mogen de bediening van de stuurinrichting, de koppeling en de remmen niet belemmeren. | Visuele controle, waarbij het stuur naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt bewogen en de handels van de koppeling en reminrichting worden bediend. |
| 2. | Windschermen, stroomlijnkappen en permanent aangebrachte inrichtingen om lading mee te kunnen vervoeren, moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.4.45
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 16 juni 2003, moeten zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | Motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975 doch voor 17 juni 2003, moeten zijn voorzien van: a. een linkerbuitenspiegel, en b. een rechterbuitenspiegel indien de maximumsnelheid van het voertuig 100 km/h of meer kan bedragen en het voertuig na 31 december 1996 in gebruik is genomen. | |
| 3. | De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 4. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. |
Artikel 5.4.46
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De zitplaats of zitplaatsen van motorfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Voetsteunen moeten deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.4.48
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk banden van motorfietsen mogen niet aanlopen. | |
| 3. | Geen deel aan de buitenzijde van een motorfiets mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.4.51
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen moeten zijn voorzien van: a. één groot licht; | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| b. één dimlicht; | ||
| c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van de motorfiets indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 december 1996; het licht van de richtingaanwijzers van motorfietsen in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen; | ||
| d. één stadslicht indien het voertuig na 31 oktober 1997 in gebruik is genomen; | ||
| e. één achterlicht; | ||
| f. één remlicht indien het voertuig in gebruik is genomen na 26 november 1975; | ||
| g. achterkentekenplaatverlichting; | ||
| h. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig. | ||
| 2. | Onverminderd het eerste lid, onderdeel c, mag, indien de motorfiets is voorzien van een zijspanwagen en in gebruik is genomen na 31 oktober 1997, de aan de motorfiets aangebrachte richtingaanwijzer aan de zijde van de zijspanwagen niet functioneren. |
Artikel 5.4.51a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de motorfiets herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of knipperlicht. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens of lichten. | |
| 3. | Het eerste lid geldt niet voor motorfietsen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en motorfietsen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. |
Artikel 5.4.52
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets, moeten zijn voorzien van: | Visuele controle. | |
| a. één richtingaanwijzer aan de voorzijde en één richtingaanwijzer aan de achterzijde indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 oktober 1997; | ||
| b. één achterlicht; | ||
| c. één stadslicht indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 oktober 1997; | ||
| d. één remlicht indien de motorfiets in gebruik in genomen na 31 oktober 1997, en | ||
| e. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig. |
Artikel 5.4.52a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar bedoelde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die het zijspan herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel of groen zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Krachtens artikel 71 van de wet voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens of lichten. | |
| 3. | Het eerste lid geldt niet voor zijspanwagens gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en zijspanwagens in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. |
Artikel 5.4.53
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De grote lichten, dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. | Visuele controle, waarbij het rempedaal wordt ingetrapt dan wel de remhendel wordt bediend. |
| 5. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. | Visuele controle, waarbij het desbetreffende licht wordt ingeschakeld. |
Artikel 5.4.54
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De afstand tussen de lichtdoorlatende gedeelten van de richtingaanwijzers aan de voorzijde bedraagt tenminste 240 mm. | Lid 1 en 2: visuele controle, In geval van twijfel wordt de afstand tussen de richtingaanwijzers gemeten. |
| 2. | De afstand tussen de lichtdoorlatende gedeelten van de richtingaanwijzers aan de achterzijde bedraagt tenminste 180 mm. |
Artikel 5.4.55
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in de artikelen 5.4.51 en 5.4.52 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. De op een motorfiets zonder zijspanwagen gemonteerde lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in de artikelen 5.4.51 en 5.4.52 bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | De retroreflector mag geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloed. | |
| 7. | Remlichten van motorfietsen moeten werken bij bediening van de achterwielrem of de voorwielrem. |
Artikel 5.4.56
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het dimlicht van motorfietsen moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
| 2. | Motorfietsen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden op het kentekenbewijs, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
Artikel 5.4.57
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen mogen zijn voorzien van: | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| a. één extra groot licht; | ||
| b. één extra dimlicht; | ||
| c. één extra stadslicht; | ||
| d. één of twee mistvoorlichten; | ||
| e. één of twee mistachterlichten; | ||
| f. waarschuwingsknipperlichten; | ||
| g. één of twee parkeerlichten; | ||
| h. ambergele retroreflectoren aan de voorste zijkanten van het voertuig, ambergele of rode retroreflectoren aan de achterste zijkanten van het voertuig; | ||
| i. één witte retroreflector aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| j. werklichten; | ||
| k. één extra achterlicht; | ||
| l. één extra remlicht. | ||
| 2. | Lichten die ingevolge artikel 5.4.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.4.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | |
| 3. | Motorfietsen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. |
Artikel 5.4.57a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar bedoelde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op motorfietsen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. | |
| 3. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden vastgesteldbetreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht. |
Artikel 5.4.58
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets, mogen zijn voorzien van: | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| a. een stadslicht; | ||
| b. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten; | ||
| c. een remlicht; | ||
| d. een witte retroreflector aan de voorzijde van de zijspanwagen; | ||
| e. een ambergele retroreflector aan elke zijkant van de zijspanwagen; | ||
| f. een parkeerlicht aan de verst van de motorfiets verwijderde zijkant van de zijspanwagen. | ||
| 2. | Zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. |
Artikel 5.4.58a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets, in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op zijspanwagens in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. | |
| 3. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht. |
Artikel 5.4.59
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het mistvoorlicht en het stadslicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 4. | Het remlicht en het mistachterlicht mogen niet anders dan rood stralen. |
Artikel 5.4.59a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.4.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 4. | Mistvoorlichten moeten goed werken en voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mag ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
Artikel 5.4.62
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een controlelampje dan wel door de stand van de schakelaar aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.4.64
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen mogen, met uitzondering van groot licht, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Motorfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. |
Artikel 5.4.65
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Motorfietsen mogen, onverminderd het bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten, niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.4.51, 5.4.52, 5.4.57 of 5.4.58 dan wel in of krachtens, de artikelen 5.4.51a, 5.4.52a, 5.4.57a of 5.4.58a is voorgeschreven of toegestaan, | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Motorfietsen niet in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. | |
| b. in of op het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. |
§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
Artikel 5.4.66
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast of vervormd. | Visuele controle. |
| 2. | Bij een inrichting als bedoeld in het eerste lid, die is voorzien van een koppelingskogel met een nominale diameter van 50 mm moet de diameter van de kogel ten minste 49 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
§ 12. Diversen
Artikel 5.4.71
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld. |
| 2. | Motorfietsen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de motorfiets of de zijspanwagen te voorkomen, alsmede van een geluidssignaal dat de bestuurder kenbaar maakt dat de richtingaanwijzer is ingeschakeld. | Lid 2 en 3: visuele en auditieve controle. |
| 3. | Motorfietsen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn. | |
| 4. | Het derde lid is niet van toepassing op motorfietsen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. | |
| 5. | Krachtens artikel 71 kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende de tweetonige hoorn. | |
| 6. | Motorfietsen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid. |
Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
Artikel 5.5.0
Een driewielig motorrijtuig moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 0. Algemeen
Artikel 5.5.1
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het driewielige motorrijtuig moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle, tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 1, 2 en 3, van toepassing. |
| 2. | Het driewielige motorrijtuig moet aan de achterzijde en mag aan de voorzijde zijn voorzien van de juiste kentekenplaat. | |
| 3. | Het voertuigidentificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle. |
| 4. | De kentekenplaten moeten deugdelijk zijn bevestigd en zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk. | Visuele controle. Aan de eis van het goedkeuringsmerk, wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 5. | De kentekenplaat aan de achterzijde mag niet zijn afgeschermd en het kenteken moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van het driewielig motorrijtuig staat. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.5.3
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van driewielige motorrijtuigen mogen: | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. | ||
| Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | ||
| 2. | Indien het driewielig motorrijtuig is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen: a. geen breuken of scheuren vertonen; b. niet zijn doorgeroest, en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | |
| 3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.5.4
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De bovenbouw van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk op het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd. | Visuele controle. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.5.6
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 31 oktober 1997 mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 2,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. | Lid 1 en 2: in geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997 mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. |
Artikel 5.5.7
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De ledige massa van driewielige motorrijtuigen die na 1 februari 1999 in gebruik zijn genomen, mag niet meer bedragen dan voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs is vermeld, en in elk geval niet meer dan 1000 kg. Bij het bepalen van de ledige massa wordt de massa van de brandstof of de massa van de batterijen in elektrische voertuigen buiten beschouwing gelaten. | Lid 1 en 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De totale massa van driewielige motorrijtuigen die na 1 februari 1999 in gebruik zijn genomen, mag niet meer bedragen dan voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs is vermeld, en in elk geval niet meer dan: | |
| a. 1300 kg voor driewielige motorrijtuigen gebruikt in het personenvervoer; | ||
| b. 2500 kg voor driewielige motorrijtuigen gebruikt in het goederenvervoer. |
§ 3. Motor en brandstofsystemen
Artikel 5.5.9
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen dan wel van de elektrische aandrijving van driewielige motorrijtuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor. |
| – Indien het driewielige motorrijtuig is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle uitgevoerd wanneer de motor wordt gevoed met de hoofdbrandstof zoals deze is vermeld op het kentekenbewijs. Het tweede brandstofsysteem wordt eveneens gecontroleerd indien het mogelijk is de motor op de tweede brandstof te laten draaien. Indien controle van het tweede brandstofsysteem niet mogelijk is, wordt dit vermeld op het keuringsrapport. | ||
| – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. | ||
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
Artikel 5.5.10
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.5.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 8: visuele controle. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De LPG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig. | |
| 6. | Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. |
Artikel 5.5.10a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd artikel 5.5.9, voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 5: visuele controle. |
| 3. | De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar. | |
| 5. | Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de personenruimte of laadruimte. | |
| 6. | Indien het voertuig in gebruik genomen is na 1 juli 1995, moet het voertuig zijn voorzien van een goed werkende automatische tankafsluiter. | Visuele controle. Hierbij wordt het contact ingeschakeld en wordt gecontroleerd of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens wordt de motor gestart waarna de handrem wordt aangetrokken en de hoogste versnelling wordt ingeschakeld. Met behulp van de koppeling de motor laten afslaan waarna de bekrachtiging moet wegvallen. Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is, wordt de motor gestart en nadat is overgeschakeld op CNG wordt gecontroleerd of de spoel is bekrachtigd; daarna wordt met het contact uitgeschakeld gecontroleerd of de bekrachtiging is weggevallen. |
| 7. | De onderdelen van de CNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 7 tot en met 9: visuele controle. |
| 8. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 9. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. |
Artikel 5.5.11
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 3 van het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen (Stb. 1981, 741). | Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn. | Auditieve controle. |
Artikel 5.5.12
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
Artikel 5.5.13
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De motorsteunen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.5.15
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 26 november 1975 moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. | Visuele controle. De werking en afleesbaarheid wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.5.16
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De aandrijving van driewielige motorrijtuigen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
§ 5. Assen
Artikel 5.5.18
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
Artikel 5.5.19
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt vindt visuele controle plaats. |
Artikel 5.5.20
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers van driewielige motorrijtuigen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.5.21
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielbasis van driewielige motorrijtuigen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, onderscheidenlijk niet meer dan 60 mm indien het een driewielig motorrijtuig met kettingaandrijving betreft. | Aan deze eis is in artikel 5.5.1 reeds getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis van driewielige motorrijtuigen op vier wielen links en rechts gemeten niet meer dan 15 mm verschillen. | Visuele controle waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.5.24
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van driewielige motorrijtuigen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.5.26
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle. |
Artikel 5.5.27
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen van driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Lid 2 en 3: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van het driewielig motorrijtuig. | Visuele controle. |
| 7. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 8. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve wanneer een nood- of reservewiel wordt gebruikt. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan. |
| 9. | De banden moeten een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven moet hiermee rekening gehouden worden. |
| – Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden. | ||
| – Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden. | ||
| – Wanneer er geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden. | ||
| – De banden op één as moeten een gelijke bandenspanning hebben met een maximum tolerantie van 0,1 bar. | ||
| – Bij het constateren van een te lage bandenspanning moet deze op de juiste bandenspanning worden gebracht. |
Artikel 5.5.28
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | Indien een driewielig motorrijtuig is voorzien van schokdempers, moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en goed werken. | Visuele controle, waarbij het driewielige motorrijtuig zo mogelijk enkele malen wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.5.29
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bestuurde wielen van driewielige motorrijtuigen moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. Terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust, wordt het stuurwiel met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 5 en 6: visuele controle. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 51, van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: |
| a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust; | ||
| b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. | ||
| In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. | ||
| 8. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
| 9. | De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts worden bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiging mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | Visuele controle. |
| 11. | De onderdelen van de stuurbekrachtiging mogen geen ernstige lekkage vertonen. | Visuele controle, terwijl het driewielig motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt bij stationair draaiende motor in de uiterste stand gedraaid en gehouden. |
Artikel 5.5.30
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een voorvork, moet deze zonder zware punten in het balhoofd kunnen draaien. | Visuele controle, waarbij het voorwiel naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt bewogen, terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de grond rust. |
| 2. | De balhoofdlagering mag geen zichtbare speling vertonen. | Visuele controle, waarbij het driewielige motorrijtuig in voorwaartse beweging wordt gebracht, waarna de voorwielrem in werking wordt gesteld, dan wel het voorwiel wordt ontlast en de voorvork wordt bewogen. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.5.31
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van de reminrichting wordt het remsysteem onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. |
| c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; | – Onderdeel e: visuele controle. | |
| d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; | ||
| e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | ||
| 2. | De rembekrachtiger en remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| – Visuele controle van de remkrachtregelaar, waarbij de rem in werking wordt gesteld met draaiende motor. Hierbij wordt de as eventueel ontlast. | ||
| 3. | Het rempedaal onderscheidenlijk de remhendel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt. |
| 4. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 5. | Remslangen mogen: | – Onderdeel a: visuele controle. |
| a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 55 en 56, van toepassing; | – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. | |
| b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | – Onderdeel c: visuele controle. | |
| c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | ||
| 6. | Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. | Visuele controle, waarbij de rem wordt bediend. |
| 7. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Visuele controle, waarbij de wielen vrij van de grond met de hand worden rondgedraaid. |
| 8. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 9. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle. |
| 10. | Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. | Visuele controle. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit zonder demontage mogelijk is. |
| 11. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: | Visuele controle. |
| a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | ||
| b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | ||
| c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en | ||
| d. mogen geen lekkage vertonen. | ||
| 12. | Antiblokkeersystemen moeten goed functioneren en moeten zijn voorzien van een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het systeem faalt. | Het contact wordt ingeschakeld waarbij het waarschuwingslampje moet gaan branden. Vervolgens wordt de motor gestart. Wanneer het waarschuwingslampje uitgaat, mag er vanuit worden gegaan dat het systeem functioneert. Indien noodzakelijk wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.5.32
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
Artikel 5.5.38
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen na 31 maart 1990, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg: a. ten minste 4,5 m/s2 bedraagt bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N onderscheidenlijk bij een kracht op de remhendel van niet meer dan 200 N; | Leden 1 tot en met 4: – De controle moet plaatsvinden door middel van een beproeving op de weg. Bij twijfel wordt met behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter de vertraging gemeten. – De snelheid moet bij de aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| b. ten minste 4,0 m/s2 bedraagt bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N onderscheidenlijk bij een kracht op de remhendel van niet meer dan 200 N, indien het een voertuig betreft dat voor 1 april 1997 in gebruik is genomen en dat is bestemd voor het vervoer van goederen; c. in geval van een gecombineerde reminrichting: | – Bij gebruik van een elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter moet de bij de remproef behaalde remvertraging als volgt worden vastgesteld: a. indien op de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de minimaal behaalde remvertraging; | |
| 1°. bij gebruik van de gecombineerde reminrichting ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, en 2°. bij gebruik van de andere bedrijfsrem of hulprem ten minste 2,2 m/s2 bedraagt. | b. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a kan worden vastgesteld, geldt de waarde die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten waarden die gelijk of groter zijn aan de minimaal vereiste remvertraging en gedurende minimaal een halve seconde zijn gemeten; | |
| c. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a of b kan worden vastgesteld, geldt als remvertraging de waarde die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld: | ||
| 1°. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de hoogst behaalde waarde van remvertraging bepalend; | ||
| 2°. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de waarde van de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend. | ||
| – Indien op een remtestinrichting kan worden vastgesteld dat de remvertraging voldoet kan de beproeving op de weg achterwege gelaten worden. De bij de remproef behaalde remvertraging wordt berekend door de remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg. | ||
| 2. | Driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van meer dan 400 kg, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch vóór 1 april 1990, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N onderscheidenlijk bij een kracht op de remhendel van niet meer dan 200 N. | |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch vóór 1 april 1990, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt, welke waarde bij voertuigen met twee reminrichtingen moet worden gehaald bij gebruik van beide remmen tezamen; bij gebruik van elke der reminrichtingen afzonderlijk moet de remvertraging ten minste 1,7 m/s2 bedragen. | |
| 4. | Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen voor 27 november 1975, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt, welke waarde bij voertuigen met twee reminrichtingen moet worden gehaald bij gebruik van beide remmen tezamen. | |
| 5. | De bedrijfsrem van driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van meer dan 400 kg moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt dan wel de remhendel licht ingedrukt, en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. |
| 6. | Driewielige motorrijtuigen mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. | Indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. Indien gebruik wordt gemaakt van een remtestinrichting mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, waarbij de wielen niet blokkeren. |
Artikel 5.5.39
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Van driewielige motorrijtuigen moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. | Terwijl één of twee wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt de vastzetinrichting onderscheidenlijk vergrendeling in werking gesteld, waarna gecontroleerd wordt of één van de assen wordt geremd. |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.5.41
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De deuren van driewielige motorrijtuigen moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
Artikel 5.5.42
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurders zitplaats aanwezige zijruiten, dan wel het windscherm van driewielige motorrijtuigen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95, van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurders zitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Indien het driewielig motorrijtuig niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Visuele controle. |
| 5. | Indien het driewielig motorrijtuig niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel mag de achterruit niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.5.43
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. | Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen met een voorruit met een ledige massa van niet meer dan 400 kg die voor 27 november 1975 in gebruik zijn genomen. | – |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen met een voorruit, die na 31 december 1994 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. | Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.5.44
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen met een voorruit, die na 16 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. | Lid 1 en 2: visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen met een voorruit en met een gesloten carrosserie, die na 31 december 1994, doch voor 17 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. |
Artikel 5.5.45
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel. Deze eis geldt niet voor voertuigen: | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| a. waarvan de ledige massa niet meer bedraagt dan 400 kg; | ||
| b. waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat hij van zijn zitplaats het achter hem gelegen weggedeelte kan overzien, en | ||
| c. die in gebruik zijn genomen vóór 27 november 1975. | ||
| 2. | Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een binnenspiegel. Deze eis geldt niet voor voertuigen die in gebruik zijn genomen voor 17 juni 2003 en voldoen aan de in het eerste lid, onderdelen a en b, vermelde voorwaarden. | |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel indien met de verplichte binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn. | |
| 4. | De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 4 en 5: visuele controle. |
| 5. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. |
Artikel 5.5.46
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De zitplaatsen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De zitplaatsen en rugleuningen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
Artikel 5.5.47
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, die na 16 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, die na 31 december 1989 doch voor 17 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen. | |
| 3. | Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaand voertuig. | |
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 5. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
Artikel 5.5.48
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van driewielige motorrijtuigen, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle waarbij in geval van twijfel wordt de hoogte gemeten. |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van driewielige motorrijtuigen mogen niet aanlopen. | Lid 4 en 5: visuele controle. |
| 5. | Geen deel aan de buitenzijde van een driewielig motorrijtuig mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.5.51
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van: | Lid 1 en 2 visuele controle. |
| a. twee grote lichten; | ||
| b. twee dimlichten; | ||
| c. twee stadslichten; | ||
| d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van driewielige motorrijtuigen die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen; | ||
| e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1996 in gebruik is genomen; | ||
| f. twee achterlichten; | ||
| g. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; | ||
| h. een achterkentekenplaatverlichting; | ||
| i. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig. | ||
| 2. | De in het eerste lid, onderdelen d en g, vermelde lichten zijn niet verplicht voor driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, in gebruik genomen voor 27 november 1975, waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat de door hem met de arm gegeven seinen zowel goed zichtbaar zijn voor het tegemoetkomend verkeer als voor het achteropkomend verkeer. | |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen met een breedte van niet meer dan 1,30 m mogen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a, b, c, f, g en i, zijn voorzien van: | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. één groot licht; | ||
| b. één dimlicht; | ||
| c. één stadslicht | ||
| d. één achterlicht; | ||
| e. één remlicht; | ||
| f. één rode retroreflector. |
Artikel 5.5.51a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar bedoelde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die het motorrijtuig herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van gele of groene zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Krachens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens of licht. | |
| 3. | Het eerste lid geldt niet voor driewielige motorrijtuigen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken en driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. |
Artikel 5.5.53
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De grote lichten, dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
| 3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
| 5. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. |
Artikel 5.5.55
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.5.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijke lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in artikel 5.5.51 vermelde lichten en retroreflectoren voor zover het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in artikel 5.5.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 7. | Indien een driewielig motorrijtuig is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling eenvoudig aan de beladingstoestand kan worden aangepast moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
| 8. | De codering van de lichtarmaturen moet in overeenstemming zijn met de voor dat armatuur bestemde licht. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, annex 6, van toepassing. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.5.56
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het dimlicht van driewielige motorrijtuigen moet goed zijn afgesteld. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen onder bijzonderheden op het kentekenbewijs, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
Artikel 5.5.57
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van: | – Onderdelen a tot en met d: visuele controle. |
| a. één of twee mistvoorlichten; | – Onderdeel e: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. | |
| b. één of twee mistachterlichten; | – Onderdelen f tot en met m: visuele controle. | |
| c. twee extra stadslichten; | ||
| d. twee extra achterlichten; | ||
| e. parkeerlichten; | ||
| f. één of twee achteruitrijlichten; | ||
| g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig; | ||
| h. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; | ||
| i. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; | ||
| j. ambergele retroreflectoren aan de voorste zijkanten van het voertuig, ambergele of rode retroreflectoren aan de achterste zijkanten van het voertuig; | ||
| k. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| l. werklichten; | ||
| m. verlichte transparanten. | ||
| 2. | Lichten die ingevolge artikel 5.5.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.5.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig. | |
| 4. | Verlichte transparanten: a. moeten afzonderlijk zijn geschakeld; b. mogen niet breder zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd, en c. mogen niet langer zijn dan het voertuig waarop de verlichting is gemonteerd. |
Artikel 5.5.58
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. | |
| 3. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht. |
Artikel 5.5.59
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De mistvoorlichten en de achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De mistachterlichten van het voertuig mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. |
Artikel 5.5.59a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Artikel 5.5.59a | ||
| 1. | De in artikel 5.5.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 4. | Mistvoorlichten moeten goed werken en mogen voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 5. | De codering van de lichtarmaturen moet in overeenstemming zijn met het voor dat armatuur bestemde licht. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, annex 6, van toepassing. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.5.61
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bij driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 1967 en breder dan 1,30 m moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.5.51, eerste en tweede lid, en 5.5.57, zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achterlichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, mistachterlichten, en werklichten. | – |
Artikel 5.5.62
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.5.64
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
Artikel 5.5.65
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Onverminderd het bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, mogen driewielige motorrijtuigen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.5.51, 5.5.57 en in of krachtens artikel 5.5.51a of 5.5.58 is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Driewielige motorrijtuigen niet in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
§ 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
Artikel 5.5.66
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging geschiedt de controle op de wijze zoals bepaald in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3. | Visuele controle. |
| 2. | Bij een inrichting als bedoeld in het eerste lid, die is voorzien van een koppelingskogel met een nominale diameter van 50 mm, moet de diameter van de kogel ten minste 49 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
§ 12. Diversen
Artikel 5.5.71
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. | Leden 2 tot en met 6: visuele en auditieve controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoefte van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, zijn voorzien van een tweetonige hoorn. | |
| 4. | Het derde lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. | |
| 5. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende de tweetonige hoorn. | |
| 6. | Driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van andere geluidsignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met het vijfde lid. |
Afdeling 6. Bromfietsen
Artikel 5.6.0
Een bromfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 0. Algemeen
Artikel 5.6.1
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bromfiets moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Het voertuigidentificatienummer is op een vast voertuigdeel ingeslagen en is goed leesbaar. | |
| 3. | De kentekenplaat is voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | |
| 4. | Het kenteken is goed leesbaar en de kentekenplaat is niet afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van het bromfiets staat. |
| 5. | Het eerste, derde en vierde lid zijn niet van toepassing op motorvoertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 6 km/h en motorvoertuigen die bestemd zijn om door een voetganger te worden meegevoerd. | – |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.6.3
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bromfietsen mogen: | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle. Bij twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | ||
| 2. | Indien de bromfiets is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen: a. geen breuken of scheuren vertonen; b. niet zijn doorgeroest, en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.6.4
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Een aan een bromfiets gekoppelde zijspanwagen moet deugdelijk aan het frame of aan de zelfdragende constructie van de bromfiets zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De bovenbouw van bromfietsen moet deugdelijk op het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.6.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4.00 m; b. niet breder zijn dan 1.00 m, en c. niet hoger zijn dan 2.50 m. | Lid 1 en 2: in geval van twijfel wordt de motorfiets gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, mogen bromfietsen op meer dan twee wielen niet breder zijn dan 2,00 m. |
§ 3. Motor en brandstofsystemen
Artikel 5.6.8
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen moeten bij voortduring blijven voldoen aan de op het kentekenbewijs of in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 128 en 129, van toepassing. | – |
| 2. | Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste lid vermelde maximumconstructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Eventueel wordt de meting opnieuw uitgevoerd. |
Artikel 5.6.9
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van de brandstofsystemen dan wel van de elektrische aandrijving van bromfietsen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 2. | De brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.10
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.6.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 8: visuele controle. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De LPG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig. | |
| 6. | Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. |
Artikel 5.6.10a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een CNG-installatie, moet deze, onverminderd artikel 5.6.9, voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 5: visuele controle. |
| 3. | De CNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | Indien de CNG-tank in gebruik is genomen na 19 juli 2002, mag de geldigheid van de goedkeuring niet verstreken zijn. CNG-tanks die voor 20 juli 2002 in gebruik zijn genomen en waarvan de gegevens omtrent de geldigheid van de goedkeuring niet beschikbaar zijn, mogen niet ouder zijn dan 10 jaar, dan wel mag het voertuig niet ouder zijn dan 10 jaar. | |
| 5. | Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die, welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de personenruimte of laadruimte. | |
| 6. | Indien het voertuig in gebruik genomen is na 1 juli 1995, moet het voertuig zijn voorzien van een goed werkende automatische tankafsluiter. | Visuele controle. De motor starten en controleren of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens de motor af laten slaan, waarna de bekrachtiging moet wegvallen. |
| Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is, wordt de motor gestart en nadat is overgeschakeld op CNG wordt gecontroleerd of de spoel is bekrachtigd. Daarna wordt door het contact uit te schakelen gecontroleerd of de bekrachtiging is weggevallen. | ||
| 7. | De onderdelen van de CNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 7 tot en met 9: visuele controle. |
| 8. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 9. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. |
Artikel 5.6.11
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Bromfietsen moeten blijven behoren tot een goedgekeurd type als bedoeld in artikel 2 van het Besluit typekeuring bromfietsen luchtverontreiniging (Stb. 1984, 525). | – |
| 4. | Bromfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 36, 37 en 38, van toepassing. | – |
| 5. | Bromfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 97 dB(A) voor bromfietsen die blijkens de gegevens in het kentekenregister of op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs zijn geconstrueerd voor een maximumsnelheid van meer dan 25 km/h en niet meer dan 90 dB(A) voor andere bromfietsen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 36, 37 en 38, van toepassing. | – |
Artikel 5.6.12
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
Artikel 5.6.13
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De motor van bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.6.15
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Bromfietsen, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.16
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
§ 5. Assen
Artikel 5.6.18
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van bromfietsen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.19
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
Artikel 5.6.20
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers van bromfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging van wiellagers mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.6.24
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van bromfietsen mogen geen breuken, scheuren ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.6.27
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen van bromfietsen moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Leden 2 tot en met 5: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn. | |
| 5. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van de bromfiets. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben. | |
| 8. | De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
Artikel 5.6.28
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken. | Visuele controle, waarbij de bromfiets enkele malen wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.29
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Van bromfietsen met twee wielen: a. moeten de voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen deugdelijk zijn bevestigd; b. moet de voorvork zonder zware punten in het balhoofd kunnen draaien, en c. mag de balhoofdlagering geen zichtbare speling vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij het voorwiel naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt bewogen, terwijl de massa van de bromfiets op de grond rust. – Onderdeel c: visuele controle, waarbij de bromfiets voorwaarts wordt bewogen en de voorwielrem in werking wordt gesteld, dan wel het voorwiel wordt ontlast en de voorvork wordt bewogen. |
| 2. | Van bromfietsen op drie of vier wielen: a. moeten de bestuurde wielen goed reageren op de draaiing van het stuurwiel; b. mogen bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien; c. moeten de voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast; | – Onderdeel a: visuele controle, waarbij met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. – Onderdeel c: visuele controle. Terwijl de massa van de bromfiets op de wielen rust, wordt het stuurwiel met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid. |
| d. moeten stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten; | – Onderdeel d: visuele controle. – Onderdeel e: visuele controle. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. | |
| e. moeten koppelingen een zichtbaar spelingvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen; | – Onderdeel f: visuele controle. – Onderdeel g: visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: | |
| f. mogen flexibele koppelingen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulcanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt; g. mogen de verbindingen in het stangenstelsel niet te veel speling vertonen, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing is; en | 1° radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van de bromfiets op de wielen rust 2° axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. | |
| h. mag, indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, dit gedeelte geen corrosie vertonen. | – Onderdeel h: visuele controle indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.6.31
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen: a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; en d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen. | – Onderdeel a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle terwijl het remsysteem onder druk wordt gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 500 N (50 kg) op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Bij een remhendel moet de drukproef worden uitgevoerd met de maximale handkracht. |
| 2. | Remschijven mogen geen dusdanige slijtage vertonen dat gevaar op breuk ontstaat. | Visuele controle. |
| 3. | Het rempedaal onderscheidenlijk de remhendel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt | Controle waarbij het rempedaal wordt ingetrapt met een kracht van ten hoogste 500 N (50kg). Bij een remhendel moet dit worden uitgevoerd met de maximale handkracht. |
| 4. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 5. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. |
| c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | – Onderdeel c: visuele controle. | |
| De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | ||
| 6. | Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. | Visuele controle, waarbij de rem wordt bediend. |
| 7. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien. |
| 8. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 9. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle. |
| 10. | In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
| 11. | Antiblokkeersystemen moeten goed functioneren en moeten zijn voorzien van een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het systeem faalt. | Het contact wordt ingeschakeld waarbij het waarschuwingslampje moet gaan branden. Vervolgens wordt de motor gestart. Wanneer het waarschuwingslampje uitgaat, mag er vanuit worden gegaan dat het systeem functioneert. Indien noodzakelijk wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 12. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: | Visuele controle. |
| a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | ||
| b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | ||
| c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en | ||
| d. mogen geen lekkage vertonen. |
Artikel 5.6.38
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen op twee wielen, in gebruik genomen na 31 december 2006, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 2,5 m/s2 bedraagt; b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, en c. bij gebruik van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan 2 wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 2. | Bromfietsen op twee wielen in gebruik genomen voor 1 januari 2007 moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen met onafhankelijke bedieningsorganen en overbrengingen, waarvan de één tenminste op het voorwiel en de ander tenminste op het achterwiel werkt. De remvertraging van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan 2 wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 3. | Bromfietsen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van een bedrijfsreminrichting waarmee, bij bediening van de voor- en achterrem tezamen, hetzij bij bediening van een gezamenlijke reminrichting, de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan 2 wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 4. | De in het derde lid bedoelde bedrijfsreminrichting moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt dan wel de remhendel licht ingedrukt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. |
Artikel 5.6.39
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Van bromfietsen op meer dan twee wielen moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond bevindt, wordt de vastzetinrichting onderscheidenlijk vergrendeling in werking gesteld, waarna gecontroleerd wordt of een van de assen wordt geremd. |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.6.41
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Windschermen en stroomlijnkappen van bromfietsen mogen de bediening van de stuurinrichting, de koppeling en de remmen niet belemmeren. | Visuele controle, waarbij het stuur naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt bewogen en de hendels van de koppeling en reminrichting worden bediend. |
| 2. | Windschermen, stroomlijnkappen en permanent aangebrachte inrichtingen om lading mee te kunnen vervoeren, moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | De deuren van bromfietsen moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 4. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel worden geopend en gesloten. |
| 5. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.42
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bromfietsen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95, van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De voorruit en en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bromfietsen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Indien de bromfiets niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Lid 4 en 5: visuele controle. |
| 5. | Indien de bromfiets niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel mag de achterruit niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. |
Artikel 5.6.43
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen met een voorruit, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. | Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege. |
| 2. | Bromfietsen met een voorruit, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. | Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.6.45
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid moeten bromfietsen op meer dan twee wielen met gesloten carrosserie, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, zijn voorzien van een binnenspiegel en een linkerbuitenspiegel dan wel zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel. | |
| 3. | De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 4. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. |
Artikel 5.6.46
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De zitplaats of zitplaatsen van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Voetsteunen moeten deugdelijk zijn aangebracht. |
Artikel 5.6.47
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen op meer dan twee wielen met een gesloten carrosserie en een ledige massa van meer dan 250 kg, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op klapstoelen. | |
| 3. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 4. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
Artikel 5.6.48
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk banden van bromfietsen mogen niet aanlopen. | |
| 3. | Geen deel aan de buitenzijde van een bromfiets mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.6.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen op twee wielen moeten zijn voorzien van: | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| a. één dimlicht; | ||
| b. één achterlicht; | ||
| c. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| d. één remlicht indien de bromfiets een vermogen van meer dan 0,5 kW en een maximumsnelheid van meer dan 25 km/h heeft en in gebruik is genomen na 31 december 2006; | ||
| e. één ambergele retroreflector aan de zijkant van het voertuig indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2006; | ||
| f. vier ambergele retroreflectoren aan de trappers voor zover de bromfiets is voorzien van niet-intrekbare trappers en in gebruik is genomen na 31 december 2006. | ||
| 2. | Bromfietsen op drie wielen moeten zijn voorzien van: | |
| a. één dimlicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee dimlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt; | ||
| b. één stadslicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2006, en twee stadslichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2006; | ||
| c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde indien het voertuig is voorzien van een gesloten carrosserie; | ||
| d. één achterlicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee achterlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt; | ||
| e. één of twee remlichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2006, en twee remlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2006; | ||
| f. één of twee rode achterretroreflectoren indien de breedte van het voertuig 1,00 m of minder bedraagt en twee rode achterretroreflectoren indien de breedte van het voertuig meer dan 1,00 m bedraagt; | ||
| g. vier ambergele retroreflectoren aan de trappers voor zover de bromfiets is voorzien van niet-intrekbare trappers en in gebruik is genomen na 31 december 2006. | ||
| 3. | Bromfietsen op vier wielen moeten zijn voorzien van: | |
| a. één dimlicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee dimlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt; | ||
| b. één stadslicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee stadslichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt; | ||
| c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde indien het voertuig is voorzien van een gesloten carrosserie; | ||
| d. één achterlicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee achterlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt; | ||
| e. één of twee remlichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee remlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt; | ||
| f. één of twee rode achterretroreflectoren indien de breedte van het voertuig 1,00 m of minder bedraagt en twee rode achterretroreflectoren indien de breedte van het voertuig meer dan 1,00 m bedraagt. |
Artikel 5.6.52
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Zijspanwagens, verbonden aan een bromfiets, moeten zijn voorzien van een rode retroreflector, aangebracht aan de achterzijde van het voertuig op ten minste 0,25 m en ten hoogste 0,90 m boven het wegdek. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.6.53
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De richtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
| 3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De remlichten mogen niet anders dan rood stralen. | Visuele controle, waarbij het rempedaal wordt ingetrapt dan wel de remhendel wordt bediend. |
Artikel 5.6.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in de artikelen 5.6.51 en 5.6.52 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt, dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in de artikelen 5.6.51 en 5.6.52 bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | De in de artikelen 5.6.51 en 5.6.52 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 7. | Remlichten van bromfietsen in gebruik genomen na 31 december 2006 moeten werken bij bediening van zowel de achterwielrem als de voorwielrem. |
Artikel 5.6.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen op twee wielen mogen zijn voorzien van: | Visuele controle. |
| a. één of twee grote lichten; | ||
| b. één extra dimlicht; | ||
| c. één of twee stadslichten; | ||
| d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde en waarschuwingsknipperlichten; | ||
| e. één extra achterlicht indien de breedte van het voertuig niet meer bedraagt dan 1.30m; | ||
| f. één of twee remlichten; | ||
| g. ambergele retroreflectoren aan de voorste zijkanten van het voertuig, ambergele of rode retroreflectoren aan de achterste zijkanten van het voertuig; | ||
| h. achterkentekenplaatverlichting; | ||
| i. één naar voren gerichte witte retroreflector. | ||
| 2. | Bromfietsen op drie of vier wielen mogen zijn voorzien van: | – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. één of twee grote lichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee grote lichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt; | – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. | |
| b. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde en waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig niet is voorzien van een gesloten carrosserie; | ||
| c. achterkentekenplaatverlichting; | ||
| d. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig; | ||
| e. naar voren gerichte witte retroreflectoren; | ||
| f. één of twee mistvoorlichten; | ||
| g. één of twee mistachterlichten; | ||
| h. één of twee achteruitrijlichten; | ||
| i. één derde remlicht. | ||
| 3. | Bromfietsen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.58
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Zijspanwagens, verbonden aan een bromfiets, mogen zijn voorzien van: | – Onderdelen a en e: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. één stadslicht aan de uiterste buitenzijde van het voertuig op ten minste 0,35 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek; | – Onderdelen b, c, d en f: visuele controle. | |
| b. één achterlicht; | ||
| c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten; | ||
| d. één remlicht; | ||
| e. een naar voren gerichte witte retroreflector aan de voorzijde van het voertuig, aangebracht aan de uiterste buitenzijde op ten minste 0,45 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek; | ||
| f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | ||
| 2. | Zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het grote licht, het mistvoorlicht, het achteruitrijlicht en het stadslicht mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | Het achterlicht, het mistachterlicht, het derde remlicht en het remlicht mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | Richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 4. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. |
Artikel 5.6.59a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.6.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 4. | Mistachterlichten moeten goed werken en voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
Artikel 5.6.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen mogen, met uitzondering van groot licht, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Bromfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. |
Artikel 5.6.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Bromfietsen mogen onverminderd het in de artikelen 29 en 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.6.51, 5.6.52, 5.6.57 en 5.6.58 is voorgeschreven of toegestaan. In of op het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen doen dit niet naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
§ 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
Artikel 5.6.66
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle. |
| 2. | Bij een inrichting als bedoeld in het eerste lid, die is voorzien van een koppelingskogel met een nominale diameter van 50 mm: moet de diameter van de kogel ten minste 49 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
§ 12. Diversen
Artikel 5.6.71
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. | Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn dan wel bel in werking wordt gesteld. |
| 2. | Bromfietsen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die er toe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de bromfiets of de zijspanwagen te voorkomen. | Lid 2 en 3: visuele en auditieve controle. |
| 3. | Bromfietsen mogen, onverminderd het in artikel 29 van het RVV 1990 bepaalde inzake twee- en drietonige hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid. |
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
Artikel 5.7.0
Een motorrijtuig met beperkte snelheid moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 0. Algemeen
Artikel 5.7.1
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een voertuigidentificatienummer dat op een vast voertuigdeel is ingeslagen dan wel op de motor is aangebracht, welk nummer goed leesbaar is. | Visuele controle. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.7.3
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen: | Onderdelen a en b: visuele controle. | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. |
Artikel 5.7.4
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bovenbouw van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.7.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,60 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Lid 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, mogen rijdende werktuigen breder zijn dan 2,60 m, doch niet breder dan voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is en niet breder dan 3,00 m. |
Artikel 5.7.7
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De last onder enig wiel van motorrijtuigen met beperkte snelheid mag niet meer bedragen dan 5.000 kg. | Leden 1 tot en met 4: in geval van twijfel moet het voertuig worden gewogen. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de last onder enig wiel van een rijdend werktuig niet meer bedragen dan 6.000 kg. | |
| 3. | De totale massa of de som van de aslasten van motorrijtuigen met beperkte snelheid mag niet meer bedragen dan 50.000 kg. | |
| 4. | In afwijking van het bepaalde in het derde lid mag de totale massa van motorrijtuigen met beperkte snelheid die zijn voorzien van rupsbanden niet meer bedragen dan 10.000 kg. |
§ 3. Motor en brandstofsystemen
Artikel 5.7.8
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten bij voortduring blijven voldoen aan de in artikel 1.1 voor motorrijtuigen met beperkte snelheid vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. | Bij twijfel een rijproef uitvoeren. |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste lid genoemde maximumconstructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
Artikel 5.7.9
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
Artikel 5.7.11
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. De verbindingen van deelbare uitlaatleidingen moeten zoveel mogelijk gasdicht zijn. | Visuele en auditieve controle. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn. | Visuele en auditieve controle. |
Artikel 5.7.12
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
Artikel 5.7.13
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De motorsteunen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk aan het chassis dan wel aan de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.7.14
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een ledige massa van meer dan 400 kg moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te rijden. | Visuele controle. |
Artikel 5.7.16
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De aandrijving van motorrijtuigen met beperkte snelheid en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
§ 5. Assen
Artikel 5.7.18
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. |
Artikel 5.7.19
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
Artikel 5.7.20
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
Artikel 5.7.24
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.7.25
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De wielnaven van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.7.26
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.7.27
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van banden of rupsbanden, waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. | |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid inzake het loopvlak is niet van toepassing op walsen en rijdende werktuigen. | |
| 3. | De luchtbanden van motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 4. | De luchtbanden mogen geen uitstulpingen vertonen. | Lid 4 en 5: visuele controle. |
| 5. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. |
Artikel 5.7.28
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien het motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.7.29
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De bestuurde wielen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | |
| 3. | De stuurinrichting mag niet zijn voorzien van een elektrische overbrenging dan wel een uitsluitend pneumatische overbrenging. | |
| 4. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 5. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle, Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van motorrijtuigen met beperkte snelheid op de wielen rust. |
| 6. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 8. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 9. | De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | Visuele controle. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.7.31
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle. Bij twijfel wordt het remsysteem onder druk gezet. – Onderdeel e: visuele controle. |
| b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | ||
| c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; | ||
| d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; | ||
| e. remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat er kans op breuk ontstaat. | ||
| 2. | De rembekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de vacuümrembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| 3. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 4. | Remslangen mogen: | – Onderdeel a: visuele controle. |
| a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | – Onderdeel b: visuele controle. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. | |
| c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel c: visuele controle. | |
| 5. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle. |
| 6. | In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
Artikel 5.7.38
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem: | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: bij twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| a. die ten minste op de wielen van één as werkt, en | ||
| b. waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt. | ||
| 2. | Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdelking 2, van toepassing. | In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
Artikel 5.7.39
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. | Visuele controle. |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.7.41
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gesloten cabines van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van ten minste twee deuren dan wel een deur en een nooduitgang, welke zijn gelegen in verschillende wanden dan wel in een wand en in het dak. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De nooduitgang moet zodanige minimumafmetingen hebben dat daarin een ellips kan worden beschreven met een korte as van 0,44 m en een lange as van 0,64 m. | |
| 3. | De deuren van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten goed sluiten. De deuren die direkt toegang geven tot de bestuurdersruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
Artikel 5.7.42
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De ruiten van motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen: a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen, en b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. |
Artikel 5.7.43
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. De installatie mag niet door handkracht worden aangedreven. | Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege. |
Artikel 5.7.45
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte van 10 m achter het voertuig, gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon, kan overzien, welk gedeelte een breedte heeft van 2,50 m en is gelegen links van het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdig liggende verticale vlak door het meest links gelegen punt van de totale breedte van het voertuig of van de daardoor voortbewogen aanhangwagen. | Lid 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte van 30 m achter het voertuig, gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon, kan overzien, welk gedeelte een breedte heeft van 3,50 m en is gelegen rechts van het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdig liggende verticale vlak door het meest rechts gelegen punt van de totale breedte van het voertuig of van de daardoor voortbewogen aanhangwagen. | |
| 3. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een lengte van meer dan 6 m die zijn voorzien van een gesloten carrosserie en die zijn ingericht voor het vervoer van goederen, moeten zijn voorzien van een trottoirspiegel waarmee de bestuurder het wegdek naast de cabine aan de rechterzijde kan overzien. | Leden 3 tot en met 6: visuele controle. |
| 4. | De trottoirspiegel moet zodanig zijn aangebracht dat geen enkel punt van de spiegel of van de steun waarop deze is gemonteerd, zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt. Indien de hoogte van de cabine zodanig is dat niet aan dit voorschrift kan worden voldaan, mag het voertuig niet van een trottoirspiegel zijn voorzien. | |
| 5. | De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 6. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. |
Artikel 5.7.46
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De zitplaatsen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld. | Visuele controle. |
Artikel 5.7.47
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Indien een motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van gordels moeten deze: | – Onderdeel a: visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. | |
| a. deugdelijk zijn bevestigd en mogen deze niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging, en b. zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Onderdeel b: visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel indien dit geen uitsluitsel biedt, moet tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd. |
Artikel 5.7.48
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van motorrijtuigen met beperkte snelheid, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | |
| 4. | Geen deel van de buitenzijde van het motorrijtuig met beperkte snelheid mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
§ 10. Lichten lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.7.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van: | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. |
| a. twee dimlichten en indien het voertuig aan de voorzijde wordt voorzien van verwisselbare uitrustingsstukken die de dimlichten afschermen, twee extra dimlichten; | – Onderdeel d: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen e tot en met g: visuele controle. – Onderdeel h: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. | |
| b. twee stadslichten en indien het voertuig aan de voorzijde wordt voorzien van verwisselbare uitrustingsstukken die de stadslichten afschermen, twee extra stadslichten; | ||
| c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, alsmede waarschuwingsknipperlichten; | ||
| d. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m; | ||
| e. twee achterlichten; | ||
| f. twee remlichten; | ||
| g. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| h. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. | ||
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel f, is niet van toepassing op motorrijtuigen met beperkte snelheid die hydrostatisch worden aangedreven en waarbij de hydrostatische aandrijving tevens dienst doet als reminrichting. | Visuele controle. |
Artikel 5.7.53
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De dimlichten en de stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 4 visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De richtingaanwijzers alsmede de zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. Zijrichtingaanwijzers mogen naar de zijkant niet anders dan ambergeel uitstralen. | |
| 3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. |
Artikel 5.7.54
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. Indien zulks voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is, mogen de dimlichten op een hoogte van meer dan 1,20 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. De extra dimlichten moeten zover mogelijk vooraan het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 3,00 m boven het wegdek. | Leden 1 tot en met 8: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw van het voertuig noodzakelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m zijn aangebracht. | ||
| 3. | De richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten moeten zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0, 25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mag het hoogste punt van het lichtdoorlatende gedeelte van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| De zijrichtingaanwijzers moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 1,80 m vanaf de voorzijde van het voertuig. | ||
| 4. | De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,40 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw van het voertuig noodzakelijk is, mogen de achterlichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 5. | De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, dan wel niet minder bedraagt dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder dan 1,40 m; | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de remlichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 6. | De rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,40 m; | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0, 25 m en niet meer dan 0,90 m indien twee retroreflectoren zijn aangebracht. Indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,20 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien vier retroreflectoren zijn aangebracht mogen de extra twee retroreflectoren niet hoger dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 7. | De retroreflectoren aan de zijkanten moeten zijn aangebracht: | |
| a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één retroreflector zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en de meest naar voren geplaatste retroreflector zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en de meest achterwaarts geplaatste retroreflector zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | ||
| b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende retroreflectoren; | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. |
Artikel 5.7.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.7.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in artikel 5.7.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 7. | De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.7.56
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Het dimlicht van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
Artikel 5.7.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van: | – Onderdelen a tot en met h: visuele controle. |
| a. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; | – Onderdeel i: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen j tot en met s: visuele controle. | |
| b. twee extra dimlichten; | ||
| c. twee extra stadslichten; | ||
| d. twee mistvoorlichten; | ||
| e. één of twee mistachterlichten; | ||
| f. twee of vier parkeerlichten; | ||
| g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.7.51 verplicht zijn; | ||
| h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| i. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | ||
| j. één of twee achteruitrijlichten; | ||
| k. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde; | ||
| l. staaklichten; | ||
| m. zijmarkeringslichten; | ||
| n. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; | ||
| o. werklichten; | ||
| p. twee extra remlichten of één derde remlicht; | ||
| q. twee dagrijlichten; | ||
| r. bochtverlichting; | ||
| s. hoeklichten. | ||
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid, mogen zijn voorzien van een ambergele of witte opvallende markering aan de zijkant van het voertuig of van een ambergele of rode opvallende markering aan de achterkant van het voertuig. |
Artikel 5.7.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De grote lichten, de mistvoorlichten en de achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 7: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. Indien de parkeerlichten zijn samengebouwd met de richtingaanwijzers, mogen zij ambergeel stralen. | |
| 4. | De zijrichtingaanwijzers en zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 5. | De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 6. | De dagrijlichten, hoeklichten en bochtlichten mogen niet anders dan wit stralen. | |
| 7 | Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen. |
Artikel 5.7.59a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.7.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 4. | Mistvoorlichten moeten goed werken en mogen voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
Artikel 5.7.60
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De grote lichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht, waarbij de buitenste randen van het lichtdoorlatende gedeelte zich niet dichter bij het punt van de grootste breedte van het voertuig mogen bevinden dan de buitenranden van het lichtdoorlatende gedeelte van de dimlichten. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De extra dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 3,00 m boven het wegdek. De extra stadslichten moeten zijn samengebouwd met de extra dimlichten. | |
| 3. | De mistvoorlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek doch niet hoger dan de dimlichten zijn aangebracht. | |
| 4. | Het mistachterlicht of de mistachterlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw niet mogelijk is, mogen het licht of de lichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. | |
| 5. | De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw niet mogelijk is, mogen het licht of de lichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | |
| 6. | De markeringslichten moeten: | Visuele controle. |
| a. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig zijn aangebracht, en | ||
| b. zo hoog mogelijk als met inachtneming van het bepaalde onder a mogelijk is zijn aangebracht. | ||
| 7. | De retroreflectoren aan de zijkanten moeten zijn aangebracht: | Leden 7 tot en met 9: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één retroreflector zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en de meest naar voren geplaatste retroreflector zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt en de meest achterwaarts geplaatste retroreflector zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | ||
| b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende retroreflectoren, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 8. | De zijmarkeringslichten aan de zijkanten moeten zijn aangebracht: | |
| a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | ||
| b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks voor de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de zijmarkeringslichten op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 9. | Het derde remlicht moet zodanig aangebracht zijn dat: | |
| a. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en | ||
| b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de boven zijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.7.51, onderdeel f. |
Artikel 5.7.62
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.7.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. |
Artikel 5.7.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen, onverminderd het in artikel 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- knipper- en flitslichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.7.51 en 5.7.57 is voorgeschreven of toegestaan. In het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen doen dit niet naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
§ 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
Artikel 5.7.66
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen moet van een deugdelijke constructie zijn en moet deugdelijk aan het motorrijtuig met beperkte snelheid zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de in het eerste lid bedoelde inrichting mogen niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn. | |
| 3. | De bedieningsorganen van de in het eerste lid bedoelde inrichting moeten gemakkelijk bereikbaar zijn en gemakkelijk en zonder gevaar te bedienen zijn. |
§ 12. Diversen
Artikel 5.7.71
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten ten minste zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld. |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. | Lid 2 en 3: visuele en auditieve controle. |
| 3. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid. |
Artikel 5.7.72
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten, met uitzondering van walsen, aan de voorzijde zijn voorzien van een bevestigingspunt ten behoeve van het slepen van het voertuig. | Visuele controle. |
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
Artikel 5.8.0
Een landbouw- of bosbouwtrekker moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 0. Algemeen
Artikel 5.8.1
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een voertuigidentificatienummer dat op een vast voertuigdeel is ingeslagen dan wel op de motor is aangebracht, welk nummer goed leesbaar is. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwtrekkers, in gebruik genomen na 30 juni 2009, moeten zijn goedgekeurd en zijn voorzien van een constructieplaat waarop de volgende gegevens zijn vermeld: a. de naam van de fabrikant; | |
| b. het type van het voertuig; | ||
| c. indien typegoedgekeurd, het typegoedkeuringsnummer van het voertuig; | ||
| d. het voertuigidentificatienummer; | ||
| e. de technische toegestane maximummassa en aslasten, en | ||
| f. de technisch toegestane te trekken aanhangwagenmassa. | ||
| 3. | Het tweede lid is niet van toepassing op landbouw- of bosbouwtrekkers van de voertuigcategorie T met de classificatie T4.1 en T4.3 en de voertuigcategorie C. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.8.3
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: | Onderdelen a en b: visuele controle. | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. |
Artikel 5.8.4
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De bovenbouw moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Visuele controle. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.8.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
Artikel 5.8.7
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De last onder enige as van landbouw- of bosbouwtrekkers mag niet meer bedragen dan: | Leden 1 tot en met 3: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. |
| a. 11.500 kg voor een aangedreven as, en | ||
| b. 10.000 kg voor een niet aangedreven as. | ||
| 2. | De totale massa of de som van de aslasten van landbouw- of bosbouwtrekkers mag niet meer bedragen dan: | |
| a. 18.000 kg voor een twee-assige landbouw- of bosbouwtrekker, en | ||
| b. 24.000 kg voor een drie-assige landbouw- of bosbouwtrekker. | ||
| 3. | De totale massa of de som van de aslasten van landbouw- of bosbouwtrekkers mag niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximummassa waarvoor het voertuig is geconstrueerd. |
§ 3. Motor en brandstofsystemen
Artikel 5.8.8
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten bij voortduring blijven voldoen aan de in de goedkeuring vermelde maximumconstructiesnelheid of indien deze niet bekend is de constructiesnelheid behorend bij de classificatie van de voertuigcategorie T, vermeerderd met 5 km/h. | Bij twijfel een rijproef uitvoeren. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste lid genoemde maximumconstructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
Artikel 5.8.9
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle, Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
Artikel 5.8.11
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. De verbindingen van deelbare uitlaatleidingen moeten zoveel mogelijk gasdicht zijn. | Visuele en auditieve controle. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn. | Visuele en auditieve controle. |
Artikel 5.8.12
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van landbouw- of bosbouwtrekkers moet deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van landbouw- of bosbouwtrekkers moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
Artikel 5.8.13
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De motorsteunen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.8.14
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De versnellingsbak van landbouw- of bosbouwtrekkers moet zijn voorzien van een achteruitversnelling die vanaf de bestuurderszitplaats kan worden bediend. | Visuele controle. |
Artikel 5.8.16
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De aandrijving van landbouw- of bosbouwtrekkers en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. |
§ 5. Assen
Artikel 5.8.18
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. |
Artikel 5.8.19
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
Artikel 5.8.20
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
Artikel 5.8.24
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.8.25
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De wielnaven van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.8.26
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.8.27
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van banden of rupsbanden, waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. | Visuele controle. |
| 2. | De luchtbanden van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De luchtbanden mogen geen uitstulpingen vertonen. | Lid 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. |
Artikel 5.8.28
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De onderdelen van het veersysteem moeten deugdelijk zijn en mogen geen breuken, ernstige lekkage of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwtrekkers die zijn voorzien van gasvering, moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. | |
| 3. | Schokdempers moeten deugdelijk zijn bevestigd. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.8.29
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De bestuurde wielen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | |
| 3. | De stuurinrichting mag niet zijn voorzien van een elektrische overbrenging of van een uitsluitend pneumatische overbrenging. | |
| 4. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 5. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle, het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de landbouw-of bosbouwtrekker op de wielen rust. |
| 6. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 8. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 9. | De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | Visuele controle. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.8.31
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een goedwerkende reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle. In geval van twijfel wordt het remsysteem onder druk gezet. – Onderdeel e: visuele controle. |
| b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | ||
| c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; | ||
| d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en | ||
| e. remschijven mogen geen ernstige slijtage vertonen. | ||
| 2. | De rembekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| 3. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 4. | Remslangen mogen: | – Onderdeel a: visuele controle. |
| a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | – Onderdeel b: visuele controle, De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. | |
| c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel c: visuele controle. | |
| 5. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle. |
| 6. | In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
| 7. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: | Visuele controle. |
| a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | ||
| b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | ||
| c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en | ||
| d. mogen geen lekkage vertonen. | ||
| 8. | Antiblokkeersystemen moeten goed functioneren en zijn voorzien van een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het systeem faalt. | Het contact wordt ingeschakeld waarbij het waarschuwingslampje moet gaan branden. Vervolgens wordt de motor gestart. Wanneer het waarschuwingslampje uitgaat, mag er vanuit worden gegaan dat het systeem functioneert. |
Artikel 5.8.38
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem die ten minste op de wielen van één as werkt; indien op meer dan één as wordt geremd, mag één as ontkoppeld zijn mits bij het in werking stellen van de bedrijfsrem deze as automatisch weer wordt gekoppeld en mits bij een storing in het koppelingssysteem dit automatisch geschiedt. | Visuele controle. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt. | Leden 2 tot en met 4: in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 3. | Landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt. | |
| 4. | Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken. |
Artikel 5.8.39
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Van landbouw- of bosbouwtrekkers moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond bevindt wordt de vastzetinrichting onderscheidenlijk vergrendeling in werking gesteld, waarna gecontroleerd wordt of een van de assen wordt geremd. |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.8.41
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gesloten cabines van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van ten minste twee deuren dan wel een deur en een nooduitgang, welke zijn gelegen in verschillende wanden dan wel in een wand en in het dak. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De nooduitgang moet zodanige minimumafmetingen hebben dat daarin een ellips kan worden beschreven met een korte as van 0,44 m en een lange as van 0,64 m. | |
| 3. | De deuren van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de bestuurdersruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
Artikel 5.8.42
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De ruiten van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen, en b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. |
Artikel 5.8.43
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Landbouw- of bosbouwtrekkers met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. De installatie mag niet door handkracht worden aangedreven. | Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege. |
Artikel 5.8.45
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte van 10 m achter het voertuig, gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon, kan overzien, welk gedeelte een breedte heeft van 2,50 m en is gelegen links van het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdig liggende verticale vlak door het meest links gelegen punt van de totale breedte van het voertuig onderscheidenlijk van de daardoor voortbewogen aanhangwagen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De spiegel moet deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Het spiegelglas van de verplichte spiegel mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. |
Artikel 5.8.46
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De zitplaatsen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld. | Visuele controle. |
Artikel 5.8.47
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van gordels moeten deze: | – Onderdeel a: visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. | |
| a. deugdelijk zijn bevestigd en mogen deze niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging, en b. zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | – Onderdeel b: visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel indien dit geen uitsluitsel biedt, moet tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd. |
Artikel 5.8.48
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van landbouw- of bosbouwtrekkers, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Geen deel van de buitenzijde van de landbouw- of bosbouwtrekker mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | Visuele controle. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.8.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van: | Onderdelen a tot en met f: visuele controle. | |
| a. twee dimlichten; | ||
| b. twee stadslichten; | ||
| c. ten minste twee richtingaanwijzers die naar voren stralen en ten minste twee richtingaanwijzers die naar achteren stralen, alsmede waarschuwingsknipperlichten; | ||
| d. twee achterlichten; | ||
| e. twee remlichten; | ||
| f. twee rode retroreflectoren; |
Artikel 5.8.53
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De dimlichten en de stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De remlichten mogen niet anders dan rood stralen |
Artikel 5.8.54
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. Indien zulks voor de bruikbaarheid als landbouw- of bosbouwtrekker noodzakelijk is, mogen de dimlichten op een hoogte van meer dan 1,20 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. De extra dimlichten moeten zover mogelijk vooraan het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 3,00 m boven het wegdek. | Leden 1 tot en met 7: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De stadslichten moeten naar voren stralen en zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw van het voertuig noodzakelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m zijn aangebracht. | ||
| 3. | De richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten moeten zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mag het hoogste punt van het lichtdoorlatende gedeelte van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 4. | De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,40 m, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw van het voertuig noodzakelijk is, mogen de achterlichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 5. | De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,40 m, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de remlichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 6. | De rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,40 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0, 25 m en niet meer dan 0,90 m indien twee retroreflectoren zijn aangebracht. Indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,20 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien vier retroreflectoren zijn aangebracht, mogen de extra twee retroreflectoren niet hoger dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht. |
Artikel 5.8.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.8.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in artikel 5.8.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 7. | De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.8.56
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Het dimlicht van landbouw- of bosbouwtrekkers moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
Artikel 5.8.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van: | Onderdelen a tot en met t: visuele controle. |
| a. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; | ||
| b. twee extra dimlichten; | ||
| c. twee extra stadslichten; | ||
| d. twee mistvoorlichten; | ||
| e. een of twee mistachterlichten; | ||
| f. twee of vier parkeerlichten; | ||
| g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig; | ||
| h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| i. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | ||
| j. één of twee achteruitrijlichten; | ||
| k. indien de breedte meer dan 2,10 m bedraagt: twee markeringslichten zichtbaar van voren en twee markeringslichten zichtbaar van achteren; | ||
| l. twee extra achterlichten; | ||
| m. twee staaklichten; | ||
| n. werklichten; | ||
| o. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; | ||
| p. zijmarkeringslichten; | ||
| q. één derde remlicht; | ||
| r. twee dagrijlichten; | ||
| s. bochtlichten; | ||
| t. hoeklichten. | ||
| 2. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Landbouw- of bosbouwtrekkers, mogen zijn voorzien van een ambergele of witte opvallende markering aan de zijkant van het voertuig of van een ambergele of rode opvallende markering aan de achterkant van het voertuig. |
Artikel 5.8.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De grote lichten, de mistvoorlichten, en de achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 7: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. Indien de parkeerlichten zijn samengebouwd met de richtingaanwijzers, mogen zij ambergeel stralen. | |
| 4. | De zijrichtingaanwijzers en zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 5. | De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 6. | De dagrijlichten, hoeklichten en bochtlichten mogen niet anders dan wit stralen. | |
| 7 | Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen. |
Artikel 5.8.59a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.7.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 4. | Mistvoorlichten moeten goed werken en mogen voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
Artikel 5.8.60
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De grote lichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht, waarbij de buitenranden van het lichtdoorlatende gedeelte zich niet dichter bij het punt van de grootste breedte van het voertuig mogen bevinden dan de buitenranden van het lichtdoorlatende gedeelte van de dimlichten. | Visuele controle. |
| 2. | De extra dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 3,00 m boven het wegdek. De extra stadslichten moeten zijn samengebouwd met de extra dimlichten. | Leden 2 tot en met 5: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 3. | De mistvoorlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek doch niet hoger dan de verplichte dimlichten zijn aangebracht. | |
| 4. | Het mistachterlicht of de mistachterlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0, 25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw niet mogelijk is, mogen het licht of de lichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. | |
| 5. | De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek Indien zulks door de vorm van de bovenbouw niet mogelijk is, mogen het licht of de lichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht. | |
| 6. | De markeringslichten moeten: a. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig zijn aangebracht; b. zo hoog mogelijk als met inachtneming van het bepaalde onder a mogelijk is zijn aangebracht. | Visuele controle. |
| 7. | De ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig moeten: | Leden 7 tot en met 9: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m evenwijdig aan het middenlangsvlak boven het wegdek zijn aangebracht. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht; | ||
| b. zodanig zijn aangebracht dat: | ||
| 1°. één retroreflector zich bevindt in het middelste derde gedeelte van de aanhangwagen; | ||
| 2°. de onderlinge afstand tussen de retroreflectoren niet meer dan 3,00 m bedraagt; | ||
| 3°. de afstand van de voorste retroreflector tot de voorzijde van de aanhangwagen niet meer dan 3,00 m bedraagt; | ||
| 4°. de afstand van de achterste retroreflector tot de achterzijde van de aanhangwagen niet meer dan 1,00 m bedraagt, waarbij het voertuiggedeelte boven de 2,00 m buiten beschouwing wordt gelaten in de afstand tot de achterzijde. | ||
| 8. | De zijmarkeringslichten aan de zijkanten moeten zijn aangebracht: | |
| a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich iet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | ||
| b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. | ||
| 9. | Het derde remlicht moet zodanig aangebracht zijn dat: | |
| a. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de boven zijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.7.51, onderdeel f, en | ||
| b. In afwijking van onderdeel a mogen twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw binnen 0.15m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. |
Artikel 5.8.62
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.8.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. |
Artikel 5.8.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, onverminderd het in artikel 29 en 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- knipper- en flitslichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.8.51 en 5.8.57 is voorgeschreven of toegestaan. In het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen doen dit niet naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
§ 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
Artikel 5.8.66
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen moet van een deugdelijke constructie zijn en moet deugdelijk aan de landbouw- of bosbouwtrekker zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de in het eerste lid bedoelde inrichting mogen niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn. | |
| 3. | De bedieningsorganen van de in het eerste lid bedoelde inrichting moeten gemakkelijk bereikbaar zijn en gemakkelijk en zonder gevaar te bedienen zijn. |
§ 12. Diversen
Artikel 5.8.71
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. | Lid 2 en 3: visuele en auditieve controle. |
| 3. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid. |
Artikel 5.8.72
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten aan de voorzijde zijn voorzien van een bevestigingspunt ten behoeve van het slepen van het voertuig. | Visuele controle. |
Afdeling 9. Fietsen
Artikel 5.9.0
Een fiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.9.3
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Het frame van fietsen mag: | Onderdelen a tot en met c: visuele controle. | |
| a. niet zodanig zijn vervormd; | ||
| b. geen zodanige breuken of scheuren vertonen, en | ||
| c. niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de stijfheid en sterkte ervan in gevaar worden gebracht. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.9.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Fietsen op twee wielen mogen niet breder zijn dan 0,75 m. | Lid 1 en 2: in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met zijspanwagen mogen niet breder zijn dan 1,50 m. |
Artikel 5.9.12
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu, indien aanwezig, van fietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van fietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.9.29
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Fietsen moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 3. | De voorvork van fietsen mag geen zodanige breuken of scheuren vertonen en niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat vervorming optreedt. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.9.38
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Fietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende rem. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Fietsen met uitsluitend velgremmen moeten zijn voorzien van twee goed werkende afzonderlijke remmen, waarmee twee wielen kunnen worden geremd. |
Artikel 5.9.39
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Van fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met zijspanwagen moet de rem of één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. | Visuele controle. |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.9.46
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De trappers van fietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd en zijn voorzien van een stroef oppervlak. | Visuele controle. |
Artikel 5.9.48
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Fietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Visuele controle. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.9.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Fietsen op twee wielen moeten zijn voorzien van: | Onderdelen a tot en met c: visuele controle. |
| a. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| b. witte of gele retroreflectoren aan de wielen, en | ||
| c. vier ambergele of gele retroreflectoren aan de trappers. | ||
| 2. | Fietsen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van: | – Onderdelen a, c en d: visuele controle. |
| a. een rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig; | – Onderdeel b: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. | |
| b. een naar voren gerichte witte retroreflector indien de fiets breder is dan 0,75 m en is voorzien van één voorwiel; | ||
| c. witte of gele retroreflectoren aan de wielen, en | ||
| d. vier ambergele of gele retroreflectoren aan de trappers. |
Artikel 5.9.52
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Zijspanwagens, verbonden aan een fiets, moeten zijn voorzien van: | Onderdelen a en b: visuele controle. | |
| a. een rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, en | ||
| b. een witte of gele retroreflector aan het wiel. |
Artikel 5.9.54
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De rode retroreflector moet zijn aangebracht: a. bij fietsen met één achterwiel tussen de bagagedrager en het spatbord, dan wel bij afwezigheid van een bagagedrager op het spatbord op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek, dan wel onder het zadel; | Onderdelen a tot en met c. visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| b. bij fietsen met twee achterwielen aan de uiterste linkerzijde, op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek, en | ||
| c. bij zijspanwagens aan de uiterste buitenzijde, op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m. | ||
| 2. | De in artikel 5.9.51, tweede lid, onderdeel b, vermelde witte retroreflector moet zijn aangebracht aan de uiterste linkerzijde van het voertuig. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten de omtrek van het wiel volgen en op of zo dicht mogelijk bij de velg zijn aangebracht, zodanig dat zij aan beide zijkanten van het voertuig zichtbaar zijn. |
Artikel 5.9.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in de artikelen 5.9.51 en 5.9.52 bedoelde retroreflectoren mogen voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De in de artikelen 5.9.51 en 5.9.52 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 3. | De rode retroreflectoren en de witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 125 en 126, van toepassing. |
Artikel 5.9.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Fietsen mogen zijn voorzien van: a. een naar voren gerichte witte retroreflector indien deze niet reeds ingevolge artikel 5.9.51 verplicht is, en b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Zijspanwagens, verbonden aan een fiets, mogen zijn voorzien van: a. een naar voren gerichte witte retroreflector, en b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 3. | Fietsen en zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. |
Artikel 5.9.60
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De witte retroreflector op de zijspanwagen moet zijn aangebracht aan de uiterste buitenzijde. | Visuele controle. |
Artikel 5.9.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Fietsen mogen, onverminderd het in artikel 29 en 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten niet zijn voorzien van meer retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.9.51, 5.9.52 en 5.9.57 is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
§ 12. Diversen
Artikel 5.9.71
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Fietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel. | Visuele en auditieve controle, waarbij de bel in werking wordt gesteld. |
Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
Artikel 5.10.0
Een gehandicaptenvoertuig voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede een gehandicaptenvoertuig uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 0. Algemeen
Artikel 5.10.1
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een voertuigidentificatienummer dat goed leesbaar is. | Visuele controle. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.10.3
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van gehandicaptenvoertuigen mogen: | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. | ||
| 2. | Indien het gehandicaptenvoertuig is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen: | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen; | ||
| b. niet zijn doorgeroest, en | ||
| c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | ||
| 3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.10.4
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De bovenbouw van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk op het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd. | Visuele controle. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.10.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
§ 3. Motor en brandstofsystemen
Artikel 5.10.8
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring blijven voldoen aan aan de in artikel 1.1 vermelde maximumconstructiesnelheid omtrent gehandicaptenvoertuigen, vermeerderd met 5 km/h. | Bij twijfel een rijproef uitvoeren. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste lid genoemde maximumconstructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
Artikel 5.10.9
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen dan wel van de elektrische aandrijving van gehandicaptenvoertuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Leden 3 tot en met 5: visuele controle. |
| 4. | Gehandicaptenvoertuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een voorziening voor het regelen van de snelheid van het voertuig alsmede van een vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare brandstofniveaumeter, tenzij het voertuig is voorzien van een brandstoftank met reservestand. | |
| 5. | Gehandicaptenvoertuigen met een elektromotor moeten zijn voorzien van een: | |
| a. aan- en uitschakelaar voor de elektromotor; | ||
| b. schakelaar voor het regelen van de snelheid van het voertuig; alsmede van een vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare; | ||
| c. aanduiding omtrent de ladingsconditie van de tractiebatterijen, en | ||
| d. aan- en uitindicator voor de elektrische installatie. |
Artikel 5.10.11
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 3. | Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn. |
Artikel 5.10.12
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu dan wel de tractiebatterij van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. | |
| 3. | Gehandicaptenvoertuigen met elektrische aandrijving moeten zijn voorzien van een beveiliging tegen overbelasting. Na een onderbreking van de stroomvoorziening moet de bestuurder deze door middel van een schakelaar, welke zich binnen het bereik van de bestuurder bevindt, kunnen herstellen. |
Artikel 5.10.13
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorsteunen van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel aan de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulcanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.10.14
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te rijden. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.16
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De onderdelen van de aandrijving van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.17
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Bij gehandicaptenvoertuigen met een verbrandingsmotor moet de aandrijving tussen motor en wielen op eenvoudige wijze kunnen worden onderbroken. | Visuele controle. |
§ 5. Assen
Artikel 5.10.18
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.19
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
Artikel 5.10.20
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
Artikel 5.10.24
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van gehandicaptenvoertuigen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.10.26
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.10.27
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 2. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | Visuele controle. |
| 3. | Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 4. | De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | Lid 4 tot en met 7: visuele controle. |
| 5. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van het driewielig motorrijtuig. | |
| 7. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben. |
Artikel 5.10.28
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien het gehandicaptenvoertuig is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.10.29
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle. |
| 2. | De bestuurde wielen van gehandicaptenvoertuigen moeten goed reageren op de beweging van het bedieningsorgaan van de stuurinrichting. | |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | |
| 4. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | |
| 5. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: |
| a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het gehandicaptenvoertuig op de wielen rust; | ||
| b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. | ||
| In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. | ||
| 7. | De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts worden bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 8. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | Visuele controle. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.10.31
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. Bij twijfel het remsysteem onder druk zetten. – Onderdeel e: visuele controle. |
| c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; | ||
| d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en | ||
| e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | ||
| 2. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 3. | Remslangen mogen: | – Onderdeel a: visuele controle. |
| a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | – Onderdeel b: visuele controle. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. | |
| c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen | – Onderdeel c: visuele controle. | |
| 4. | Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. | Visuele controle. |
| 5. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Visuele controle, waarbij de wielen vrij van de grond met de hand worden rondgedraaid. |
| 6. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 7. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.32
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
Artikel 5.10.38
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem: a. die op alle wielen werkt, en b. waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 2. | Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken. | In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
Artikel 5.10.39
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. |
| 2. | De parkeerrem, van gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie, moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. | In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 3. | Bij gehandicaptenvoertuigen, niet voorzien van een gesloten carrosserie, moet vanuit de zitpositie van de bestuurder: a. de rem of één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, dan wel b. een afzonderlijke vastzetinrichting kunnen worden bediend. | Visuele controle. |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.10.41
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De deuren van gehandicaptenvoertuigen moeten goed sluiten. De deuren die direkt toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap of het kofferdeksel aan de voorzijde van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap of het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.42
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De ruiten van gehandicaptenvoertuigen moeten uit gelaagd of gehard glas dan wel uit plastisch materiaal bestaan. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderzitplaats aanwezige zijruiten van gehandicaptenvoertuigen mogen geen ernstige beschadigingen of verkleuringen vertonen. | |
| 3. | De voorruit en de naast de bestuurderzitplaats aanwezige zijruiten van gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen, die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | |
| 4. | Indien het gehandicaptenvoertuig niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen ernstige beschadigingen of verkleuringen vertonen. | |
| 5. | Indien het gehandicaptenvoertuig niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen, die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. |
Artikel 5.10.43
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Gehandicaptenvoertuigen met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft, alsmede van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. | Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege. |
Artikel 5.10.44
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Gehandicaptenvoertuigen met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. | Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.10.45
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een binnenspiegel. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel indien met de verplichte binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn. | |
| 3. | De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. |
Artikel 5.10.46
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De zitplaatsen en rugleuningen van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aanwezige verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. | Visuele controle Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van vergrendeling. |
Artikel 5.10.47
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Indien een gehandicaptenvoertuig is voorzien van gordels moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en mogen deze niet zijn beschadigd. Het pluizen van een gordel wordt niet gezien als een beschadiging. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
Artikel 5.10.48
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van gehandicaptenvoertuigen, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | De wielen onderscheidenlijk banden van gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten goed zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. | |
| 4. | Geen deel van de buitenzijde van het gehandicaptenvoertuig mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.10.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van: | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| a. twee grote lichten; | ||
| b. twee dimlichten; | ||
| c. twee stadslichten; | ||
| d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant en waarschuwingsknipperlichten; | ||
| f. twee achterlichten; | ||
| g. twee remlichten; | ||
| h. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig. | ||
| 2. | In tegenstelling tot het eerste lid moeten gehandicaptenvoertuigen, niet voorzien van een gesloten carrosserie, zijn voorzien van één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig. |
Artikel 5.10.53
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De grote lichten, de dimlichten en de stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
| 3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. |
Artikel 5.10.54
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De grote lichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | Leden 1 tot en met 7: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De dimlichten en de stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | ||
| 3. | De richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten moeten zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | ||
| 4. | De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | ||
| 5. | De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | ||
| 6. | De rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | ||
| 7. | In tegenstelling tot het zesde lid moet bij gehandicaptenvoertuigen, niet voorzien van een gesloten carrosserie, de rode retroreflector zijn aangebracht aan de linkerzijde van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. |
Artikel 5.10.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.10.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in artikel 5.10.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 7. | Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 127, van toepassing. |
Artikel 5.10.56
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Het dimlicht van gehandicaptenvoertuigen moet goed zijn afgesteld, hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
Artikel 5.10.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie mogen zijn voorzien van: | Onderdelen a tot en met k: visuele controle. |
| a. één of twee mistachterlichten; | ||
| b. twee mistvoorlichten; | ||
| c. twee of vier parkeerlichten; | ||
| d. één of twee achteruitrijlichten; | ||
| e. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig; | ||
| g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.10.51 verplicht zijn; | ||
| h. één derde remlicht; | ||
| i. twee dagrijlichten; | ||
| j. bochtlichten; | ||
| k. hoeklichten. | ||
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen, niet voorzien van een gesloten carrosserie, mogen zijn voorzien van: | Onderdelen a tot en met h: visuele controle. |
| a. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel; | ||
| b. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel; | ||
| c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten; | ||
| d. één of twee remlichten; | ||
| e. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | ||
| g. één of twee mistachterlichten; | ||
| h. één of twee achteruitrijlichten. | ||
| 3. | Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De lichten aan de voorzijde mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 7: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. Indien de parkeerlichten zijn samengebouwd met de richtingaanwijzers, mogen zij ambergeel stralen. | |
| 3. | De mistachterlichten en het derde remlicht mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De zijrichtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 5. | De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
| 6. | De dagrijlichten, hoeklichten, bochtlichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit stralen. | |
| 7. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. |
Artikel 5.10.59a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.10.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 4. | Mistvoorlichten moeten goed werken en mogen voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
Artikel 5.10.60
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De mistvoorlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek doch niet hoger dan de dimlichten zijn aangebracht. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | |
| 3. | Het derde remlicht moet zodanig aangebracht zijn dat het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de boven zijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.10.51, onderdeel f. | |
| 4. | Het mistachterlicht of de mistachterlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. Indien het voertuig is uitgerust met één achterwiel, moet het mistachterlicht in het midden van het voertuig zijn geplaatst. De afstand tot het remlicht moet ten minste 0,10 m bedragen. |
Artikel 5.10.62
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. |
Artikel 5.10.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Gehandicaptenvoertuigen mogen onverminderd het in de artikelen 29 en 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.10.51 en 5.10.57 is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
§ 12. Diversen
Artikel 5.10.71
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | Lid 1 en 2: visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn of bel in werking wordt gesteld. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen, niet voorzien van een gesloten carrosserie, moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | |
| 3. | Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. | Lid 3 en 4: visuele en auditieve controle. |
| 4. | Gehandicaptenvoertuigen mogen onverminderd het in artikel 29 van het RVV 1990 bepaalde inzake twee- en drietonige hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid. |
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Artikel 5.11.0
Een gehandicaptenvoertuig, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.11.3
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het frame dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van gehandicaptenvoertuigen mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Indien het gehandicaptenvoertuig is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen: | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen; | ||
| b. niet zijn doorgeroest, en | ||
| c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | ||
| 3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of de daarvoor in de plaats tredende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.11.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
§ 3. Motor
Artikel 5.11.8
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring blijven voldoen aan aan de in artikel 1.1 vermelde maximumconstructiesnelheid omtrent gehandicaptenvoertuigen, vermeerderd met 5 km/h. | Bij twijfel een rijproef uitvoeren. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste lid genoemde maximumconstructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
Artikel 5.11.9
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van de elektrische aandrijving van gehandicaptenvoertuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een: a. aan- en uitschakelaar voor de elektromotor, en b. schakelaar voor het regelen van de snelheid van het voertuig. | |
| 3. | Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare: a. aanduiding omtrent de ladingsconditie van de tractiebatterijen, en b. aan- en uitindicator voor de elektrische installatie. |
Artikel 5.11.12
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De tractiebatterij van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. | |
| 3. | Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een beveiliging tegen overbelasting. Na een onderbreking van de stroomvoorziening moet de bestuurder deze door middel van een schakelaar, welke zich binnen het bereik van de bestuurder bevindt, kunnen herstellen. |
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.11.17
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Bij gehandicaptenvoertuigen moet de snelheid regelbaar zijn. | Visuele controle. |
§ 5. Assen
Artikel 5.11.18
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | Visuele controle. |
Artikel 5.11.20
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
Artikel 5.11.24
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van gehandicaptenvoertuigen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.11.27
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 2. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | Visuele controle. |
| 3. | Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 4. | De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | Leden 4 tot en met 7: visuele controle. |
| 5. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van het driewielig motorrijtuig. | |
| 7. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben. |
Artikel 5.11.28
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien het gehandicaptenvoertuig is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen en moeten deugdelijk zijn bevestigd. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.11.29
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De stuurinrichting van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | |
| 3. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | |
| 4. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 5. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het gehandicaptenvoertuig op de wielen rust; |
| b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. | ||
| In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.11.31
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een goedwerkende bedrijfsrem die ten minste op de wielen van één as werkt en waarvan de onderdelen: | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. Bij twijfel het remsysteem onder druk zetten. – Onderdeel e: visuele controle. |
| a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | ||
| b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | ||
| c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; | ||
| d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en | ||
| e. remschijven mogen geen ernstige slijtage vertonen. | ||
| 2. | Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | |
| 4. | Remslangen mogen: | – Onderdeel a: visuele controle. |
| a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | – Onderdeel b: visuele controle, De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. | |
| c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel c: visuele controle. | |
| 5. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Visuele controle, waarbij de wielen vrij van de grond met de hand worden rondgedraaid. |
| 6. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
Artikel 5.11.32
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
Artikel 5.11.38
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken. | In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
Artikel 5.11.39
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Van gehandicaptenvoertuigen moet vanuit de zitpositie van de bestuurder: | Visuele controle. | |
| a. de rem of één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, dan wel | ||
| b. een afzonderlijke vastzetinrichting kunnen worden bediend. |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.11.46
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De zitplaats en rugleuning van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.11.48
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Gehandicaptenvoertuigen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Visuele controle. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.11.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig. | Visuele controle. |
Artikel 5.11.54
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De rode retroreflector moet zijn aangebracht aan de linkerzijde van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. | Visuele controle. |
Artikel 5.11.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De rode retroreflector mag ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De rode retroreflector mag geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 3. | De rode retroreflector moet zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 127, van toepassing. |
Artikel 5.11.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van: | Onderdelen a tot en met h: visuele controle. |
| a. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel; | ||
| b. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel; | ||
| c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten; | ||
| d. één of twee remlichten; | ||
| e. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig; | ||
| g. één of twee mistachterlichten; | ||
| h. één of twee achteruitrijlichten. | ||
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | Visuele controle. |
Artikel 5.11.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De lichten aan de voorzijde, mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De mistachterlichten en de achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
| 4 | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. |
Artikel 5.11.59a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.11.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.11.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. |
Artikel 5.11.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Gehandicaptenvoertuigen mogen onverminderd het in de artikelen 29 en 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.11.51 en 5.11.57 is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
§ 12. Diversen
Artikel 5.11.71
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | Leden 1 tot en met 3: visuele en auditieve controle. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. | |
| 3. | Gehandicaptenvoertuigen mogen onverminderd het in artikel 29 van het RVV 1990 bepaalde inzake twee- en drietonige hoorns, niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid. |
Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
Artikel 5.12.0
Een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 0. Algemeen
Artikel 5.12.1
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De aanhangwagen moet in overeenstemming zijn met de op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Lid 1 en 2: visuele controle, tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 1, 2 en 3, van toepassing. |
| 2. | De aanhangwagen moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaat. | |
| 3. | De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle. De eis aan het goedkeuringsmerk wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van de aanhangwagen staat. |
| 5. | Het voertuigidentificatienummer moet op een vast voertuigdeel zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een constructieplaat die goed leesbaar is en waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de maximummassa’s die op de constructieplaat zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa’s die zijn aangegeven in het kentekenregister en op het kentekenbewijs. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.12.3
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van aanhangwagens mogen: | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen; | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. | ||
| Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. |
Artikel 5.12.4
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bovenbouw van aanhangwagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. |
Artikel 5.12.5
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van aanhangwagens, indien aanwezig, moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van aanhangwagens moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.12.6
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, mogen niet langer zijn dan 12,00 m. | Lid 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. Artikel 5.1a.1 is van toepassing. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid mogen: kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m. | |
| 3. | Van opleggers die na 31 december 1997 in gebruik worden genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,04 m en mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,00 m. | Leden 3 tot en met 8: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Van opleggers die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,05 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt. | |
| 5. | In afwijking van het derde lid mag van kermis- of circusvoertuigen de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 17,50 m. | |
| 6. | Aanhangwagens mogen niet breder zijn dan 2,55 m, met dien verstande dat aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg, die in gebruik zijn genomen voor 1 februari 1999, niet breder mogen zijn dan 2,60 m. | |
| 7. | In afwijking van het bepaalde in het zesde lid mogen geconditioneerde voertuigen niet breder zijn dan 2,60 m. | |
| 8. | Aanhangwagens mogen niet hoger zijn dan 4,00 m. | |
| 9. | In de afmetingen, bedoeld in het eerste lid, het derde lid, het zesde lid, het zevende lid en het achtste lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen. | – |
Artikel 5.12.7
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De last onder de assen van aanhangwagens mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten. Bij middenasaanhangwagens en opleggers mag de last onder de koppeling niet meer bedragen dan in het kentekenregister of op het kentekenbewijs is vermeld. | Leden 1 tot en met 3: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De totale massa van aanhangwagens mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximummassa. | |
| 3. | De som van de aslasten van autonome aanhangwagens mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximummassa. |
§ 3. Brandstofsystemen
Artikel 5.12.9
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen aan aanhangwagens moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
§ 5. Assen
Artikel 5.12.18
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van aanhangwagens moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. |
Artikel 5.12.19
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van de fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
Artikel 5.12.20
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
Artikel 5.12.21
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De wielbasis van aanhangwagens mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister. | Aan deze eis is in artikel 5.12.1 reeds getoetst. |
Artikel 5.12.24
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van aanhangwagens mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt en het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.12.26
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.12.27
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens moeten zijn voorzien van banden waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De banden van aanhangwagens mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Lid 2 en 3: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van aanhangwagens mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van het hiervoor bepaalde is naprofileren toegestaan indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘REGROOVABLE’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede en derde lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van de aanhangwagen. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De op de band van een aanhangwagen in gebruik genomen na 31 december 1997, vermelde loadindex mag niet kleiner zijn dan de loadindex, behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 50, van toepassing. | |
| 8. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 9. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
Artikel 5.12.28
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft de veerschotels voldaan wanneer deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | |
| 3. | Aanhangwagens die zijn voorzien van gasvering, en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, die zijn voorzien van schroefveren, moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goedwerkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, Een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk enkele malen ingeveerd. |
| 4. | Schokdempers van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en moeten goed werken. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.12.29
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De gestuurde wielen van aanhangwagens moeten goed kunnen reageren op het commando van de stuurinrichting van het trekkend voertuig. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen van de gestuurde assen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | |
| 3. | Stofhoezen van de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 4. | De onderdelen van het hydraulische besturingssysteem mogen geen lekkage vertonen. | |
| 5. | De slangen van het hydraulische besturingssysteem mogen: a. geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is, en b. geen bewegende delen raken. | |
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; | ||
| b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. | ||
| – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. | ||
| 7. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
Artikel 5.12.30
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De draaikransen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De axiale speling van de draaikransen mag: a. niet meer bedragen dan 3,5 mm; b. niet zodanig zijn dat de draaikranshelften op elkaar inslijten. | – Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Het zichtbaar maken van de speling geschiedt op de volgende wijze: a. door middel van een hefboom of koevoet, b. dan wel door het chassis te heffen. |
| – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. | ||
| 3. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikransen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.12.31
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen. e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle of auditieve controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Bij een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moet, indien mogelijk met de drukluchtremkrachtregelaar(s) in de stand van vol doorsturen, de maximale remdruk snel worden ingestuurd door het rempedaal van het trekkende voertuig snel in te trappen dan wel door druk vanuit een externe bron snel in te sturen. Indien de aanhangwagen is voorzien van een hydraulisch remsysteem en er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem, moet het remsysteem met behulp van het trekkende voertuig onder druk worden gebracht op de wijze zoals bepaald bij artikel 5.3.31, eerste lid, onderdeel d. |
| – Onderdeel e: visuele controle. | ||
| 2. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 55 en 56, van toepassing; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | ||
| c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | ||
| 3. | Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 4. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
| 5. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 6. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | De wijze van keuren bij het derde lid is van toepassing. |
| 7. | Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit mogelijk is zonder demontage. |
| 8. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | Visuele- of auditieve controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | ||
| c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en | ||
| d. mogen geen lekkage vertonen. | ||
| 9. | Antiblokkeersystemen moeten goed functioneren en moeten zijn voorzien van een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het systeem faalt. | Bij aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 2000 moet de juiste werking van het antiblokkeersysteem worden aangetoond door middel van het aan- respectievelijk uitgaan van een waarschuwingscontrolelampje dat is aangesloten op de stekker voor het anti-blokkkeersysteem of door middel van diagnoseapparatuur. Zonodig worden de wielen, bijvoorbeeld met een wielspinner, op snelheid gebracht. |
| 10. | Aanhangwagens, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1997, met uitzondering van opleggers en middenasaanhangwagens waarvan de som van de aslasten niet meer bedraagt dan 3.500 kg, moeten zijn voorzien van automatische remstelinrichtingen. | Visuele controle. |
Artikel 5.12.35
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens met een drukluchtremsysteem moeten zijn voorzien van: a. drukmeetpunten waarmee de drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcilinders op iedere as, kunnen worden gemeten, en | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten. | ||
| 2. | Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed functioneren. | Visuele controle met behulp van manometers, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. Indien mogelijk wordt de controle ook uitgevoerd wanneer de drukluchtremkrachtregelaar de volle druk doorstuurt. Controle op het goed functioneren kan achterwege blijven indien een controle is uitgevoerd volgens het derde lid. |
| 3. | Aanhangwagens met drukluchtremkrachtregelaars, in gebruik genomen na 30 september 1981, moeten zijn voorzien van een plaat waarop duidelijk leesbaar de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars is vermeld. De vermelde drukluchtremkrachtregelaars moeten aanwezig zijn en moeten globaal zijn afgesteld zoals voor de beladingstoestand van het voertuig is vermeld op de plaat. | – Visuele controle op de aanwezigheid, waarbij het merk en type van de drukluchtremkrachtregelaar mag afwijken. – Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast of veerbalgdruk kan worden vastgesteld, vindt de controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld waarbij de afstelling ten hoogste 0,5 bar mag afwijken van de gegevens op de plaat. |
| De volgende twee afstellingen moeten ten minste worden gecontroleerd: | ||
| a. de stand waarin de regelaar zich bevindt behorende bij de vastgestelde aslast, en | ||
| b. wanneer de regelaar de volle druk doorstuurt, voorzover dit mogelijk is zonder demontage. | ||
| – Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast of veerbalgdruk niet kan worden vastgesteld, vindt een globale controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld. | ||
| Bij een niet maximaal belaste as wordt de werking van de regelaar gecontroleerd door: | ||
| a. de druk te meten die de regelaar doorstuurt in de stand waarin deze zich dan bevindt; | ||
| b. de afstelling te meten van de stand waarin de regelaar de volle druk doorstuurt, voorzover mogelijk zonder demontage. | ||
| De onder punt b gemeten druk moet hoger zijn dan de druk vastgesteld onder punt a. Indien de betreffende as nagenoeg maximaal is belast, mag de onder punt b gemeten druk gelijk zijn aan de vastgestelde druk onder a. | ||
| 4. | De ontwateringsventielen van reservoirs moeten goed functioneren. | Visuele controle, waarbij het ontwateringsventiel, indien mogelijk, moet worden bediend. |
Artikel 5.12.36
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De slag van drukluchtremcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
| 2. | De slag van drukluchtremcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan 2/3 van de maximumslag van de betrokken remcilinder. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.12.38
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
| 2. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971, doch voor 1 januari 1998, en opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
| 3. | Aanhangwagens, in gebruik genomen voor 1 oktober 1971, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
| 4. | Indien de remkrachten van de aanhangwagen groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten, die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het gestelde in het eerste lid. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
| 5. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de bedrijfsrem bedient en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 6. | De bedrijfsrem moet zodanig werken dat de kans op blokkeren van wielen zo gering mogelijk is. | Controle hierop heeft reeds plaatsgevonden bij de artikelen 5.12.35, tweede en derde lid, en 5.12.38, zevende lid. |
| 7. | Aanhangwagens mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
Artikel 5.12.39
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens moeten zijn voorzien van een goedwerkende vastzetinrichting die ten minste op de wielen van één as werkt en welke door een geheel mechanische overbrenging met de hand in werking kan worden gesteld, ook wanneer het voertuig niet aan een motorvoertuig is verbonden. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de vastzetinrichting wordt bediend. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien: a. de aanhangwagen is voorzien van een veerrem die automatisch in werking treedt bij het ontkoppelen of drukloos maken van het remsysteem; | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| b. de aanhangwagen in gebruik genomen voor 1 januari 1998, is voorzien van een hydraulisch dan wel een elektrisch bekrachtigd remsysteem en is uitgerust met wielkeggen. |
Artikel 5.12.40
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bij het verbreken van de verbinding tussen de aanhangwagen en het trekkende voertuig moet de reminrichting van de aanhangwagen automatisch in werking treden. | Visuele controle, terwijl de luchtslang van de voorraad tussen het trekkende voertuig of een andere externe bron en de aanhangwagen wordt losgenomen. |
| 2. | Bij het koppelen van de reminrichting van de aanhangwagen aan die van het trekkende voertuig moet de reminrichting van de aanhangwagen automatisch in de bedrijfstoestand komen. | Visuele controle. Indien een losknop aanwezig is, moet deze, nadat de luchtslang van de voorraad is losgekoppeld, eerst worden bediend en moet vervolgens de luchtslang van de voorraad worden aangesloten. Hierbij moet de losknop terugkeren in zijn oorspronkelijke stand. |
| 3. | De in het eerste en tweede lid gestelde eisen gelden niet voor middenasaanhangwagens met een toegestane maximummassa van ten hoogste 1.500 kg. | Lid 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een losbreekreminrichting, moet deze goed functioneren. |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.12.41
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Het slot en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen van aanhangwagens moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de deuren en laadbakkleppen worden geopend en gesloten. |
Artikel 5.12.48
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van aanhangwagens, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. Op aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1974 is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 102 tot en met 106, van toepassing. | Leden 4 tot en met 6: visuele controle. |
| 5. | Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 107 tot en met 111, van toepassing. | |
| 6. | Geen deel aan de buitenzijde van de aanhangwagen mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
Artikel 5.12.49
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten aan de achterzijde op deugdelijke wijze zijn voorzien van een stootbalk, indien de afstand van de onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen van het koetswerk op een afstand van meer dan 1,00 m achter het hart van de achterste as, meer bedraagt dan 0,70 m, dan wel meer bedraagt dan 0,55 m indien het voertuig na 31 december 1997, in gebruik is genomen. Deze verplichting geldt niet voor dolly’s en asfaltkippers. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor aanhangwagens, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1998, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor aanhangwagens, in gebruik genomen na 31 december 1997, niet meer bedragen dan 0,55 m. | |
| 3. | Indien de aanhangwagen in gebruik is genomen na 31 december 2004 mag de stootbalk niet meer dan 0,45 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 3,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. In afwijking hiervan geldt voor aanhangwagens, ingericht als betonmolen of betonpomp, dat de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig mag zijn gelegen. | |
| 4. | Indien de aanhangwagen in gebruik is genomen na 30 juni 1967 en voor 1 januari 2005 mag de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. | |
| 5. | De stootbalk van aanhangwagens mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten. | |
| Voor aanhangwagens die zijn bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken geldt in plaats van de vermelde maat van 0,10 m een maat van 0,20 m. | ||
| 6. | De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. | Lid 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De uiteinden van de stootbalk mogen niet naar achteren zijn omgebogen. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.12.51
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens moeten zijn voorzien van: | – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. | |
| a. twee stadslichten indien het voertuig breder is dan 1,60 m en na 30 juni 1967 in gebruik is genomen; | – Onderdelen b tot en met h: visuele controle – Onderdeel i: visuele controle. | |
| b. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; c. twee achterlichten; | – Onderdelen j tot en met k: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. | |
| d. twee remlichten; | ||
| e. achterkentekenplaatverlichting | ||
| f. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| g. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; het mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | ||
| h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 is gebruik is genomen; | ||
| i. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | ||
| j. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | ||
| k. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122 van toepassing. |
Artikel 5.12.53
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 6: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De richtingaanwijzers en de remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
| 3. | De achterlichten en de mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. | |
| 5. | De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 6. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. Het achterste zijmarkeringslicht mag rood stralen. |
Artikel 5.12.55
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.12.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in artikel 5.12.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 6. | De in artikel 5.12.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 7. | De codering van de lichtarmaturen moet in overeenstemming zijn met de voor dat armatuur bedoelde lichten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, annex 6, van toepassing. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.12.57
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van: | – Onderdelen a tot en met j: visuele controle. |
| a. een of twee achteruitrijlichten; | – Onderdeel k: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. | |
| b. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig; | – Onderdelen l en m: visuele controle. – Onderdeel n: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. | |
| c. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; | – Onderdeel o: visuele controle. | |
| d. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge artikel 5.12.51 verplicht zijn; | ||
| e. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.12.51 verplicht zijn; | ||
| f. twee staaklichten; | ||
| g. één extra mistachterlicht; | ||
| h. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.12.51 verplicht zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | ||
| i. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig indien deze niet reeds ingevolge artikel 5.12.51 verplicht zijn; | ||
| j. werklichten; | ||
| k. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: | ||
| 1°. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en | ||
| 2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.12.51, onderdeel d; | ||
| l. in afwijking van onderdeel k kunnen twee extra remlichten worden aangebracht; | ||
| m. een lampje aan de voorzijde van het voertuig dat de werking van het antiblokkeer- of besturingssysteem aangeeft; | ||
| n. twee stadslichten; | ||
| o. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximum massa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg. | ||
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel 5.12.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen mits wordt voldaan aan de in artikel 5.12.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen. Zijmarkeringslichten moeten voldoen aan het bepaalde in onderdeel h van het eerste lid. | Leden 2 tot en met 5: visuele controle. |
| 3. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. | |
| 4. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van een ambergele of witte lijnmarkering aan de zijkant van het voertuig of van een ambergele, witte of rode lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig. | |
| 5. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van een ambergele of witte contourmarkering aan de zijkant van het voertuig of een ambergele, witte of rode contourmarkering aan de achterkant van het voertuig. Binnen de contourmarkering aan de zijkant van het voertuig mogen retroreflecterende letters of afbeeldingen zijn aangebracht, voorzover deze geen nadelige invloed hebben op de effectiviteit van de contourmarkering en de verplichte lichten en retroreflecterende voorzieningen. In ieder geval mogen de retroreflecterende letters of afbeeldingen niet meer dan 1/3 deel van de totale oppervlakte binnen de omtrek van de contourmarkering uitmaken. |
Artikel 5.12.58
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen voeren zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | Lid 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers of tekens. |
Artikel 5.12.59
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 3. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. Het achterste zijmarkeringslicht mag rood stralen. | |
| 4. | De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit stralen en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 5. | Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen. | |
| 6. | De markering aan de achterzijde moet bestaan uit één rechthoekig bord, dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van een rood fluorescerende omranding op een geel retroreflecterende achtergrond. | Visuele controle. |
Artikel 5.12.59a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.12.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 4. | De codering van de lichtarmaturen moet in overeenstemming zijn met de voor dat armatuur bestemde licht. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, annex 6, van toepassing. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.12.61
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bij aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.12.51 en 5.12.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover de aanhangwagen in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Lid 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, moeten de stadslichten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de markering aan de achterzijde van het voertuig, mistachterlichten en werklichten. | – |
Artikel 5.12.64
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
Artikel 5.12.65
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Onverminderd het bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, mogen aanhangwagens niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.12.51, 5.12.57 danwel in of krachtens artikel 5.12.58 is voorgeschreven of toegestaan, en | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Aanhangwagens niet in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. | |
| b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. |
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
Artikel 5.12.66
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De koppeling en de trekdriehoek of trekboom van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De trekdriehoek of trekboom alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestiging, mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van verschijnselen van corrosie van het oppervlak. | Visuele controle. |
| 3. | De trekdriehoek mag niet zodanig zijn vervormd dat een langsbeen, gemeten over een afstand van 0,90 m, een uitwijking heeft van meer dan 18 mm ten opzichte van de rechte lijn. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei gemeten. |
| 4. | Aanhangwagens waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 1.500 kg en die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van een hulpkoppeling. De hulpkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet vervormd, gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | Leden 4 tot en met 6: visuele controle. |
| 5. | Aanhangwagens die zijn voorzien van een losbreekreminrichting, mogen niet tevens zijn voorzien van een hulpkoppeling. | |
| 6 | Delen van de koppeling van aanhangwagens mogen tijdens het ontkoppelen, het losbreken of in afgekoppelde toestand het wegdek niet kunnen raken. |
Artikel 5.12.67
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een kogelkoppeling, a. moet de sluit- en borginrichting goed functioneren, en b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd. | Visuele controle, waarbij de sluit- en borginrichting met behulp van een koppelingskogel wordt gecontroleerd. |
Artikel 5.12.68
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 40 mm: a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 41,5 mm bedragen, en b. moet de dikte van het trekoog ten minste 28,0 mm bedragen. | Leden 1 tot en met 3: – Onderdelen a: er wordt in alle richtingen gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber. – Onderdelen b: ter plaatse van de slijtagevlakken wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 50 mm: | |
| a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 52,5 mm bedragen, en | ||
| b. moet de dikte van het trekoog ten minste 41,5 mm bedragen. | ||
| 3. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 57,5 mm: | |
| a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 59,5 mm bedragen, en | ||
| b. moet de dikte van het trekoog ten minste 19 mm bedragen. | ||
| 4. | Het trekoog mag niet zijn vervormd of gescheurd. | Leden 4 tot en met 6: visuele controle. |
| 5. | Het trekoog mag niet zijn voorzien van een ingelaste trekoogbus. | |
| 6. | Het trekoog mag niet zijn hersteld door middel van lassen of oplassen. | . |
Artikel 5.12.69
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 2 inch: a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 49,0 mm bedragen, en | Lid 1 en 2: er wordt gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber, waarbij het meetgedeelte van het gereedschap ter plaatse van de koppelingspen ten minste 2 mm en ten hoogste 4 mm dik is. |
| b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 70,0 mm bedragen. | ||
| 2. | Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 3,5 inch: | |
| a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 86,0 mm bedragen, en | ||
| b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 110,0 mm bedragen. | ||
| 3. | De plaat van de opleggerkoppeling mag niet in ernstige mate zijn vervormd of ingesleten. Indien een oplegger is voorzien van een 2 inch koppelingspen of een oplegger is voorzien van een 3,5 inch koppelingspen mag binnen een straal van 0,45 m gemeten vanuit het hart van de koppelingspen, de onvlakheid van de koppelingsplaat niet meer dan 3,5 mm. bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen en zo dicht mogelijk bij de koppelingspen gemeten. |
| 4. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de plaat van de opleggerkoppeling mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
Artikel 5.12.70
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Op aanhangwagens die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van voertuigen dan bedoeld in de artikelen 5.12.67 tot en met 5.12.69, zijn de artikelen 5.3.66, 5.3.67, 5.3.68 en 5.3.69 van overeenkomstige toepassing. | De wijze van keuren bij de artikelen 5.3.66, 5.3.67, 5.3.68 en 5.3.69, van de regeling voertuigen is van overeenkomstige toepassing. |
| 2. | De achtertraverse van deze aanhangwagens, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
Artikel 5.13.0
Een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 0. Algemeen
Artikel 5.13.1
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens, in gebruik genomen na 29 oktober 2012, moeten zijn voorzien van een voertuigidentificatienummer dat op een vast voertuigdeel is ingeslagen, welk nummer goed leesbaar is. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Aanhangwagens, in gebruik genomen na 29 oktober 2012, moeten zijn goedgekeurd en zijn voorzien van een constructieplaat waarop de volgende gegevens zijn vermeld: | |
| a. de naam van de fabrikant; | ||
| b. indien typegoedgekeurd, het typegoedkeuringsnummer van het voertuig; | ||
| c. het voertuigidentificatienummer, en | ||
| d. de technische toegestane maximummassa en aslasten. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.13.3
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Artikel 5.13.3 | ||
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van aanhangwagens mogen: | Onderdelen a en b: visuele controle. | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. |
Artikel 5.13.4
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bovenbouw van aanhangwagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. |
Artikel 5.13.5
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van aanhangwagens, indien aanwezig, moet deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van aanhangwagens moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.13.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m, dan wel niet langer dan 8,00 m indien het een middenasaanhangwagen betreft; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. De aanhangwagens worden in geval van twijfel gemeten. Artikel 5.1a.1 is van toepassing. Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
§ 3. Brandstofsystemen
Artikel 5.13.9
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van aanhangwagens moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
§ 5. Assen
Artikel 5.13.18
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van aanhangwagens moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. |
Artikel 5.13.20
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
Artikel 5.13.24
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van aanhangwagens mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.13.27
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens moeten zijn voorzien van banden waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De banden van aanhangwagens mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van aanhangwagens mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | Leden 5 tot en met 8: visuele controle. |
| 6. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 7. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van de aanhangwagen. | |
| 8. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben. |
Artikel 5.13.28
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. | |
| 3. | Aanhangwagens die zijn voorzien van schroefveren moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. | Visuele controle, waarbij de aanhangwagen zo mogelijk enkele malen wordt ingeveerd. |
| 4. | Schokdempers van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.13.31
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een reminrichting, moet deze zodanig werken dat het voertuig ten gevolge van de remwerking geen zijwaartse bewegingen maakt. | Bij twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 2. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een reminrichting: | – Onderdelen a, b en c: visuele controle. |
| a. moeten de onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | – Onderdeel d: visuele controle bij twijfel moet het remsysteem met behulp van het trekkende voertuig onder druk worden gebracht. | |
| b. mogen de onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; | – Onderdeel e: visuele controle. | |
| c. mogen de onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | ||
| d. mogen de onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en | ||
| e. mogen de remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | ||
| 3. | Remslangen mogen: | Visuele controle. |
| a. niet in ernstige mate zijn misvormd; | ||
| b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | ||
| c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | ||
| De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | ||
| 4. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien. |
| 5. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl de wielen zich vrij van de grond bevinden. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 6. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle. |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.13.41
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Het slot en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen van aanhangwagens moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de deuren en laadbakkleppen worden geopend en gesloten. |
Artikel 5.13.48
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van aanhangwagens, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens moeten goed zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. | Lid 4 en 5: visuele controle. |
| 5. | Geen deel van de buitenzijde van de aanhangwagen mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
Artikel 5.13.50
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat. | Visuele controle. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.13.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens moeten zijn voorzien van: | – Onderdelen a tot en met i: visuele controle. |
| a. twee stadslichten indien het voertuig breder is dan 1,60 m; | – Onderdelen j en k: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. | |
| b. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| c. twee achterlichten; | ||
| d. twee remlichten; | ||
| e. achterkentekenplaatverlichting; | ||
| f. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| g. één mistachterlicht, dit mistachterlicht moet dit zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | ||
| h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| i. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | ||
| j. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig breder is dan 2,10 m; | ||
| k. zijmarkeringslichten indien het voertuig langer is dan 6,00 m. | ||
| 2. | Het eerste lid, onderdeel g, is niet van toepassing op een aanhangwagen die wordt getrokken door een voertuig dat niet is voorzien van een mistachterlicht. | Visuele controle. |
Artikel 5.13.53
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De stadslichten mogen niet anders dan wit stralen. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle. |
| 2. | De richtingaanwijzers en de remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
| 3. | De achterlichten en het mistachterlicht mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. | |
| 5. | De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. |
Artikel 5.13.54
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig voor de eerste as zijn aangebracht: | Leden 1 tot en met 9: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 2. | De richtingaanwijzers moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de richtingaanwijzers op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 3. | De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de achterlichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 4. | De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0, 25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de remlichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 5. | De rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. | ||
| 6. | Het mistachterlicht moet zijn aangebracht: | |
| a. op ten minste 0,10 m afstand van de remlichten, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek. | ||
| 7. | De witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig moeten voor de eerste as zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand van niet minder dan 0,60 m dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 8. | De ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig moeten: | |
| a. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m evenwijdig aan het middenlangsvlak boven het wegdek zijn aangebracht. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht; | ||
| b. zodanig zijn aangebracht dat: | ||
| 1°. één retroreflector zich bevindt in het middelste derde gedeelte van de aanhangwagen; | ||
| 2°. de onderlinge afstand tussen de retroreflectoren niet meer dan 3,00 m bedraagt; | ||
| 3°. de afstand van de voorste retroreflector tot de voorzijde van de aanhangwagen niet meer dan 3,00 m bedraagt; | ||
| 4°. de afstand van de achterste retroreflector tot de achterzijde van de aanhangwagen niet meer dan 1,00 m bedraagt, waarbij het voertuiggedeelte boven de 2,00 m buiten beschouwing wordt gelaten in de afstand tot de achterzijde. | ||
| 9. | De zijmarkeringslichten moeten zijn aangebracht: | |
| a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | ||
| b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks voor de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de zijmarkeringslichten op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 10. | De markeringslichten moeten zijn aangebracht: a. zo hoog mogelijk boven het wegdek; b. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Visuele controle. |
Artikel 5.13.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.13.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijk kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in artikel 5.13.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De in artikel 5.13.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. |
Artikel 5.13.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van: | Onderdelen a tot en met k: visuele controle. |
| a. twee stadslichten, indien het voertuig breder is dan 1,60 m; | ||
| b. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge artikel 5.13.51 verplicht zijn; | ||
| c. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.13.51 verplicht zijn; | ||
| d. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.13.51 verplicht zijn | ||
| e. één of twee achteruitrijlichten; | ||
| f. werklichten; | ||
| g. één derde remlicht; | ||
| h. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| i. twee staaklichten; | ||
| j. één of twee mistachterlichten; | ||
| k. werklichten. | ||
| 2. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van: | Visuele controle. |
| a. extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde; | ||
| b. extra rode retroreflecterende voorzieningen aan de achterzijde, en | ||
| c. extra retroreflecterende voorzieningen aan de zijkanten van het voertuig, welke ambergeel moeten zijn, met uitzondering van de achterste zijreflector, welke rood mag zijn. |
Artikel 5.13.58
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens. |
Artikel 5.13.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De markeringslichten en de staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | |
| 3. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. Het achterste zijmarkeringslicht mag rood stralen. | |
| 4 | De extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 5. | De mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen. |
Artikel 5.13.59a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.13.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.13.60
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De achteruitrijlichten mogen niet lager dan 0,25 m en niet hoger dan 1,20 m boven het wegdek zijn aangebracht. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De markeringslichten moeten zijn aangebracht: | Visuele controle. |
| a. zo hoog mogelijk boven het wegdek, en | ||
| b. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig. | ||
| 3. | Het mistachterlicht of de mistachterlichten moeten zijn aangebracht: | Leden 3 tot en met 6: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. op ten minste 0,10 m afstand van de remlichten, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek. | ||
| Indien slechts één mistachterlicht aanwezig is, moet dit licht links van het middenlangsvlak van het voertuig zijn aangebracht. | ||
| 4. | De zijmarkeringslichten moeten zijn aangebracht: | |
| a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | ||
| b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de zijmarkeringslichten op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 5. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.13.51, onderdeel d. | |
| 6. | De stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig voor de eerste as zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. |
Artikel 5.13.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
Artikel 5.13.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Onverminderd het bij of krachtens de artikelen 29 tot en met 30b van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai-, flits- of knipperlichten of extra richtingaanwijzers, mogen aanhangwagens niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.13.51, 5.13.57 danwel in of krachtens artikel 5.13.58 is voorgeschreven of toegestaan, en | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Aanhangwagens niet in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. | |
| b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. |
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
Artikel 5.13.66
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De koppeling van aanhangwagens moet zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 129, van toepassing. | Leden 1 tot en met 6: visuele controle. |
| 2. | De koppeling en de trekdriehoek of trekboom van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, ernstig vervormd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | |
| 3. | De trekdriehoek of trekboom mag niet zijn doorgeroest. | |
| 4. | Aanhangwagens die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, mogen zijn voorzien van een hulpkoppeling. De hulpkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet vervormd, gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | |
| 5. | Aanhangwagens die zijn voorzien van een losbreekreminrichting, mogen niet tevens zijn voorzien van een hulpkoppeling. | |
| 6. | Delen van de koppeling van aanhangwagens mogen tijdens het ontkoppelen, het losbreken of in afgekoppelde toestand het wegdek niet kunnen raken. |
Artikel 5.13.67
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Indien de aanhangwagen is voorzien van een kogelkoppeling, a. moet de sluit- en borginrichting goed functioneren, en b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd. | Visuele controle, waarbij de sluit- en borginrichting met behulp van de koppelingskogel wordt gecontroleerd. |
Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
Artikel 5.14.0
Een aanhangwagen achter een landbouw- of bosbouwtrekkers of achter een motorrijtuig met beperkte snelheid moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
De in deze afdeling opgenomen eisen zijn van overeenkomstige toepassing op verwisselbare getrokken machines.
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.14.3
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van aanhangwagens mogen: | Onderdelen a en b: visuele controle. | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. |
Artikel 5.14.4
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bovenbouw van aanhangwagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. |
Artikel 5.14.5
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van aanhangwagens, indien aanwezig, moet deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van aanhangwagens moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.14.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. De aanhangwagens worden in geval van twijfel gemeten. Artikel 5.1a.1 is van toepassing. Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
Artikel 5.14.7
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De last onder enig wiel van aanhangwagens voorzien van luchtbanden mag niet meer bedragen dan 5000 kg. | In geval van twijfel dient het voertuig gewogen te worden. |
| 2. | De last onder enig wiel van aanhangwagens voorzien van massieve banden mag niet meer bedragen dan 120 kg per centimeter breedte van het loopvlak. | In geval van twijfel dient het voertuig gewogen te worden. |
§ 3. Brandstofsystemen
Artikel 5.14.9
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van aanhangwagens moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van een middel dat lekkage zichtbaar maakt. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
§ 5. Assen
Artikel 5.14.18
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van aanhangwagens moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. |
Artikel 5.14.19
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van aanhangwagens met een massa van meer dan 750 kg moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2 visuele controle. |
| 2. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de wielophanging van aanhangwagens met een massa van meer dan 750 kg mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | |
| 3. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
Artikel 5.14.20
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
Artikel 5.14.24
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van aanhangwagens mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Lid 1 en 2 visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.14.26
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.14.27
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens met een massa van meer dan 750 kg moeten zijn voorzien van banden waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 3. | De luchtbanden van aanhangwagens mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | |
| 4. | De luchtbanden mogen geen uitstulpingen vertonen. |
Artikel 5.14.28
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en zijn deugdelijk bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. | Leden1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Aanhangwagens die zijn voorzien van gasvering of schroefveren moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. | |
| 3. | Schokdempers van aanhangwagens zijn deugdelijk bevestigd. |
Artikel 5.14.30
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De draaikransen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. | Visuele controle. |
| 2. | De axiale speling van de draaikransen mag: a. niet meer bedragen dan 3,5 mm; | Visuele controle. Het zichtbaar maken van de speling geschiedt op de volgende wijze: |
| b. niet zodanig zijn dat de draaikranshelften op elkaar inslijten. | a. door middel van een hefboom of koevoet, dan wel | |
| b. door het chassis te heffen. | ||
| In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. | ||
| 3. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikransen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.14.31
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens met een massa van meer dan 3.500 kg moeten zijn voorzien van een goed werkende reminrichting. | |
| 2. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een reminrichting: | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. |
| a. moeten de onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | – Onderdeel d: visuele controle bij twijfel moet het remsysteem met behulp van het trekkende voertuig onder druk worden gebracht. | |
| b. mogen de onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | – Onderdeel e: visuele controle. | |
| c. mogen de onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; | ||
| d. mogen de onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en | ||
| e. mogen de remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat er kans op breuk ontstaat. | ||
| 3. | Remslangen mogen: | Visuele controle. |
| a. niet in ernstige mate zijn misvormd; | ||
| b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | ||
| c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | ||
| 4. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl de wielen zich vrij van de grond bevinden. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 5. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | Indien de oplooprem is voorzien van een automatische blokkering ten behoeve van het achteruitrijden, moet deze goed functioneren. |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.14.41
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Het slot en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen van aanhangwagens moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle waarbij de deuren en laadbakkleppen worden geopend en gesloten. |
Artikel 5.14.48
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van aanhangwagens, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle, bij twijfel meten. |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens mogen niet aanlopen. | Lid 4 en 5: visuele controle. |
| 5. | Geen deel van de buitenzijde van de aanhangwagen mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.14.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens moeten zijn voorzien van: | – Onderdeel a: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. | |
| a. twee stadslichten indien het voertuig breder is dan 1,60 m; | – Onderdelen b tot en met g: visuele controle | |
| b. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; | – Onderdeel h: visuele controle, in geval van bij twijfel wordt gemeten. | |
| c. twee achterlichten; | ||
| d. twee remlichten; | ||
| e. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| f. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| g. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | ||
| h. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig breder is dan 2,10 m. |
Artikel 5.14.53
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De stadslichten mogen niet anders dan wit stralen. | Leden 1 tot en met 4 visuele controle. |
| 2. | De richtingaanwijzers en de remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
| 3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen. |
Artikel 5.14.54
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht: | Leden 1 tot en met 7 visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 2. | De richtingaanwijzers moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de richtingaanwijzers op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 3. | De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de achterlichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 4. | De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de remlichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 5. | De rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek; indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,20 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 6. | De witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig moeten zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 7. | De ambergele retroreflectoren aan elke zijkant en het voertuig moeten: | |
| a. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht; | ||
| b. zodanig zijn aangebracht dat: | ||
| 1°. één retroreflector zich bevindt in het middelste derde gedeelte van de aanhangwagen; | ||
| 2°. de onderlinge afstand tussen de retroreflectoren niet meer dan 3,00 m bedraagt; | ||
| 3°. de afstand van de voorste retroreflector tot de voorzijde van de aanhangwagen niet meer dan 3,00 m; | ||
| 4°. de afstand van de achterste retroreflector tot de achterzijde van de aanhangwagen niet meer dan 1,00 m bedraagt, waarbij het voertuiggedeelte boven de 2,00 m buiten beschouwing wordt gelaten in de afstand tot de achterzijde. | ||
| 8. | De markeringslichten moeten zijn aangebracht: a. zo hoog mogelijk boven het wegdek, en b. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Visuele controle. |
Artikel 5.14.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.14.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in artikel 5.14.51 bedoelde lichten en retroreflectoren voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. |
Artikel 5.14.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van: | – Onderdelen a tot en met i: visuele controle. |
| a. één of twee achteruitrijlichten; | – Onderdeel j: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. | |
| b. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| c. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde, indien deze lichten reeds ingevolge artikel 5.14.51 verplicht zijn; | ||
| d. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.14.51 verplicht zijn; | ||
| e. twee staaklichten; | ||
| f. één of twee mistachterlichten; | ||
| g. zijmarkeringslichten; | ||
| h. werklichten; | ||
| i. één derde remlicht; | ||
| j. twee stadslichten indien de breedte van het voertuig minder is dan 1,60 m; | ||
| 2. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van: | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| a. extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde; | ||
| b. extra rode retroreflecterende voorzieningen aan de achterzijde, en | ||
| c. extra retroreflecterende voorzieningen aan de zijkanten van het voertuig, welke ambergeel moeten zijn, met uitzondering van de achterste zijreflector, welke rood mag zijn. | ||
| 3. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van een ambergele of witte lijn- of contourmarkering aan de zijkant van het voertuig of van een ambergele, witte of rode lijn- of contourmarkering aan de achterkant van het voertuig. |
Artikel 5.14.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. Indien het achterste zijmarkeringslicht onderdeel uitmaakt van een rood stralend licht dan wel van een rode retroreflector, mag dit licht rood stralen. | |
| 5. | Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen. |
Artikel 5.14.59a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.14.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.14.60
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Op de stadslichten en markeringslichten is artikel 5.14.54, eerste lid, onderscheidenlijk achtste lid, van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | Mistachterlicht of de mistachterlichten moeten zijn aangebracht: | Leden 3 tot en met 5: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. op ten minste 0,10 m afstand van de remlichten, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek. | ||
| Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. | ||
| 4. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: | |
| a. het midden van het lichtdoorlatende gedeelte zich bevindt in het middenlangsvlak van het voertuig of de rand van het lichtdoorlatende gedeelte op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf dit middenlangsvlak indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw kan worden bevestigd, en de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de boven zijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.14.51, onderdeel d, en | ||
| b. In afwijking van onderdeel a mogen twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw binnen 0,15m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd; | ||
| 5. | De zijmarkeringslichten moeten zijn aangebracht: | |
| a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | ||
| b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de zijmarkeringslichten op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. |
Artikel 5.14.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
Artikel 5.14.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens mogen, onverminderd het in artikel 29 en 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- knipper- en flitslichten, niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.14.51 en 5.14.57 is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen
Artikel 5.14.66
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen of tussen twee aanhangwagens moet worden gevormd door een enkele, voldoende stijve en sterke koppeling die niet kan lostrillen. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De koppeling en de trekdriehoek of trekboom van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, ernstig vervormd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. Tevens moet de sluit en borginrichting goed functioneren. | |
| 3. | De trekdriehoek of trekboom mag niet zijn doorgeroest. |
Artikel 5.14.67
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Indien de aanhangwagen is voorzien van een kogelkoppeling, a. moet de sluit- en borginrichting goed functioneren, en b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd. | Visuele controle, waarbij de sluit- en borginrichting met behulp van de koppelingskogel wordt gecontroleerd. |
Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
Artikel 5.15.0
Een aanhangwagen achter een motorfiets of bromfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.15.2
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens mogen slechts éénassig zijn. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Bij éénwielige aanhangwagens moet het wiel zodanig zijn bevestigd dat het uitsluitend draaibaar is om de eigen horizontale as. |
Artikel 5.15.3
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van aanhangwagens mogen: | Visuele controle. | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. |
Artikel 5.15.4
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bovenbouw van aanhangwagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. |
Artikel 5.15.5
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van aanhangwagens, indien aanwezig, moet deugdelijk zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van aanhangwagens moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.15.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens mogen: a. niet breder zijn dan 2,00 m, en b. niet hoger zijn dan 1,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
§ 5. Assen
Artikel 5.15.18
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De as van aanhangwagens moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mag geen breuken of scheuren vertonen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De as mag niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De as magen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De as mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest mag deze niet zijn gerepareerd. |
Artikel 5.15.20
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
Artikel 5.15.24
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van aanhangwagens mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.15.27
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Leden 1 tot en met 7: visuele controle. |
| 2. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 3. | De banden van aanhangwagens mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | |
| 4. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 5. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van de aanhangwagen. | |
| 6. | Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn | |
| 7. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben. |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.15.41
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De sloten en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen van aanhangwagens moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de deuren en laadbakkleppen worden geopend en gesloten. |
Artikel 5.15.48
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van aanhangwagens, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens moeten goed zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. | |
| 4. | Geen deel van de buitenzijde van de aanhangwagen mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
Artikel 5.15.50
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat. | Visuele controle. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.15.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens achter een motorfiets moeten zijn voorzien van: | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien de trekkende motorfiets van richtingaanwijzers is voorzien; | ||
| b. één of twee achterlichten; | ||
| c. één of twee remlichten, indien de trekkende motorfiets van een remlicht is voorzien; | ||
| d. achterkentekenplaatverlichting; | ||
| e. één of twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| f. ten minste één ambergele retroreflector aan elke zijkant van het voertuig. | ||
| 2. | Aanhangwagens achter een bromfiets moeten zijn voorzien van: | |
| a. één of twee achterlichten; | ||
| b. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| c. ten minste één ambergele retroreflector aan elke zijkant van het voertuig, en | ||
| d. achterkentekenplaatverlichting. |
Artikel 5.15.53
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De achterlichten en de remlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. |
Artikel 5.15.54
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De richtingaanwijzers moeten zijn aangebracht: | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. aan de uiterste zijden van het voertuig en op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,24 m, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. | ||
| De lichten moeten zodanig zijn aangebracht dat zij waarneembaar zijn voor een waarnemer die zich in het mediaanvlak van het voertuig bevindt op een afstand van 10 m achter het voertuig. | ||
| 2. | De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. | |
| 3. | Het remlicht of de remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. Indien één licht is aangebracht, is dit in het midden of links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. | |
| 4. | De rode retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan de uiterste zijden van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. | |
| 5. | De in artikel 5.15.51 bedoelde ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant op een hoogte van niet minder dan 0,30 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Ten minste één retroreflector moet zich bevinden in het middelste derde gedeelte van de aanhangwagen met inbegrip van de dissel. |
Artikel 5.15.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.15.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn bevestigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in artikel 5.15.51 bedoelde lichten en retroreflectoren voorzover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Lid 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De in artikel 5.15.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. |
Artikel 5.15.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens achter een motorfiets mogen zijn voorzien van: | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| a. één mistachterlicht; | ||
| b. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, en | ||
| c. werklichten. | ||
| 2. | Aanhangwagens achter een bromfiets mogen zijn voorzien van: | |
| a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig; | ||
| b. één of twee remlichten, en | ||
| c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig. | ||
| 3. | Aanhangwagens achter motorfietsen en bromfietsen mogen zijn voorzien van : | |
| a. extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, | ||
| b. extra rode retroreflecterende voorzieningen aan de achterzijde, en | ||
| c. extra retroreflecterende voorzieningen aan de zijkanten van het voertuig, welke ambergeel moeten zijn, met uitzondering van de achterste zijreflector, welke rood mag zijn. |
Artikel 5.15.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. | Lid 1 en 2: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De remlichten en het mistachterlicht mogen niet anders dan rood stralen. |
Artikel 5.15.59a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.15.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | Visuele controle. |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.15.60
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De richtingaanwijzers moeten zijn aangebracht: | Leden 1 tot en met 3: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten |
| a. aan de uiterste zijden van het voertuig en op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,24 m, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. | ||
| De lichten moeten zodanig zijn aangebracht dat zij waarneembaar zijn voor een waarnemer die zich in het mediaanvlak van het voertuig bevindt op een afstand van 10 m achter het voertuig. | ||
| 2. | Het mistachterlicht moet zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek, links van het midden van het voertuig op een afstand van niet minder dan 0,10 m van het remlicht. | |
| 3. | Het remlicht of de remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. Indien één licht is aangebracht, moet dit in het midden of links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. |
Artikel 5.15.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
Artikel 5.15.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens mogen, onverminderd het in artikel 29 en 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.15.51 en 5.15.57 is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
§ 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
Artikel 5.15.66
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De koppeling onderscheidenlijk de dissel van aanhangwagens moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet zijn doorgeroest. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de koppeling onderscheidenlijk de dissel mogen niet gescheurd, ernstig vervormd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. |
Artikel 5.15.67
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Indien de aanhangwagen is voorzien van een kogelkoppeling, a. moet de sluit- en borginrichting goed functioneren, en b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd. | Visuele controle. |
Artikel 5.15.70
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De koppeling van aanhangwagens met één wiel mag slechts bewegingen toelaten om een horizontale en een verticale as, loodrecht op de lengte-as van het trekkend motorvoertuig. De koppeling van aanhangwagens met meer dan één wiel moet bovendien bewegingen om een as in de lengterichting van het trekkend motorvoertuig toelaten. | Visuele controle. |
Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
Artikel 5.16.0
Een aanhangwagen achter een fiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.16.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens achter fietsen mogen niet breder zijn dan 1,00 m. | Visuele controle. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.16.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens achter fietsen moeten zijn voorzien van: a. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, en b. witte of gele retroreflectoren aan de wielen. | Visuele controle. |
Artikel 5.16.54
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De rode retroreflector moet zijn aangebracht uiterst links aan de achterzijde van het voertuig, op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De witte of gele retroreflectoren moeten de omtrek van het wiel volgen en op of zo dicht mogelijk bij de velg zijn aangebracht, zodanig dat zij aan beide zijkanten van de aanhangwagen zichtbaar zijn. | Visuele controle. |
Artikel 5.16.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.16.51 bedoelde retroreflectoren mogen ten hoogste 25% deel zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 3. | De retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 125 en 126, van toepassing. |
Artikel 5.16.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens achter fietsen mogen zijn voorzien van: | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| a. één achterlicht dat is voorzien van goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 125 en 126, van toepassing; | ||
| b. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 125 en 126, van toepassing, en | ||
| c. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | ||
| 2. | Aanhangwagens achter fietsen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. |
Artikel 5.16.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
Artikel 5.16.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens mogen, onverminderd het in artikel 29 en 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.16.51 en 5.16.57 is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
Afdeling 17. Wagens
Artikel 5.17.0
Een wagen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.17.3
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van wagens mogen: | Onderdelen a en b: visuele controle. | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. |
Artikel 5.17.4
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bovenbouw van wagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.17.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Wagens mogen: a. niet breder zijn dan 2,60 m, en b. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Lid 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mogen onbespannen wagens niet breder zijn dan 1,50 m. |
Artikel 5.17.7
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De last onder enig wiel van wagens mag niet meer bedragen dan 2.400 kg. Een samenstel van wielen dat op één wielnaaf is gemonteerd, wordt als één wiel beschouwd. | Lid 1 en 2: in geval van twijfel dient het voertuig gewogen te worden. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de last onder een wiel dat niet is voorzien van een rubberen band, niet meer bedragen dan 120 kg per cm bandbreedte. |
Artikel 5.17.24
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van wagens mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.17.27
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen van wagens mogen niet zijn voorzien van metalen banden met uitstekende delen. | Visuele controle. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor landbouwwerktuigen met een massa van ten hoogste 750 kg. | Visuele controle, in geval van twijfel dient het voertuig gewogen te worden. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.17.40
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Handwagens met motorvermogen moeten zodanig zijn ingericht dat indien de bestuurder het bedieningstoestel loslaat, het voertuig onmiddellijk tot stilstand wordt gebracht. | Visuele controle. |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.17.48
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Wagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid moeten uitstekende delen van wagens, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.17.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Wagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van twee rode retroreflectoren welke zijn voorzien van een goedkeuringsmerk, indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m. bedraagt, dan wel één zodanige retroreflector indien het een wagen betreft waarvan de breedte ten hoogste 1,50 m bedraagt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 125, van toepassing. | Visuele controle, bij twijfel meten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII van toepassing. . |
Artikel 5.17.54
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig op gelijke hoogte zijn aangebracht: | Leden 1 tot en met 3: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. niet meer dan 0,45 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde van het voertuig, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. | ||
| 2. | Indien één retroreflector is voorgeschreven, moet deze zijn aangebracht: | |
| a. aan de uiterste linkerzijde van het voertuig, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. |
Artikel 5.17.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De rode retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. |
Artikel 5.17.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Wagens mogen zijn voorzien van: | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| a. twee lichten aan de voorzijde; | ||
| b. twee achterlichten indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m bedraagt, dan wel ten minste één achterlicht indien het een wagen betreft waarvan de breedte ten hoogste 1,50 m bedraagt; | ||
| c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| d. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | ||
| 2. | Wagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. |
Artikel 5.17.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De lichten aan de voorzijde, mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Lid 1 en 2: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. |
Artikel 5.17.59a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.17.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.17.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Wagens mogen niet zijn voorzien van verblindende verlichting. | Lid 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Wagens mogen niet zijn voorzien van knipperende verlichting. |
Artikel 5.17.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Wagens mogen onverminderd het in artikel 29 en 30 van het RVV 1990 bepaalde inzake zwaai- en knipperlichten niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in artikelen 5.17.51 en 5.17.57 is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. Wagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai- of knipperlichten. |
Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
§ 0. Algemeen
Artikel 5.18.0
Verwisselbare uitrustingstukken mogen slechts worden gebruikt door:
- a. landbouw- of bosbouwtrekkers;
- b. motorrijtuigen met beperkte snelheid, en
- c. bedrijfsauto’s die worden ingezet voor werkzaamheden ten behoeve van wegen, werken of inrichtingen op, aan, in of boven wegen, daaronder begrepen gladheidsbestrijding of sneeuwruimen.
Artikel 5.18.1. Alle categorieën voertuigen
Met een motorvoertuig mag niet meer dan één aanhangwagen worden voortbewogen.
Met een gelede bus mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.
Met een gehandicaptenvoertuig mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.
Met een motorfiets met zijspanwagen mag geen aanhangwagen worden voortbewogen, tenzij het wiel van de zijspanwagen is beremd.
Het eerste lid is niet van toepassing op landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid.
Het eerste lid is niet van toepassing op een motorvoertuig waarmee meerdere aanhangwagens worden voortbewogen en waarbij de samenstelling van deze aanhangwagens leidt tot één aanhangwagen.
Artikel 5.18.2
Met een motorvoertuig mag niet meer dan één motorvoertuig worden gesleept.
Voertuigen met een totale massa van meer dan 4.000 kg mogen alleen met behulp van een sleepstang worden gesleept.
Het drukluchtremsysteem van het gesleepte voertuig dient te zijn aangesloten op het drukluchtremsysteem van het trekkende voertuig.
Een dolly en een zich daarop bevindend motorvoertuig worden als één motorvoertuig beschouwd. De dolly dient in dat geval te zijn voorzien van een reminrichting.
Met een motorvoertuig mag geen tweewielig motorvoertuig worden gesleept.
Met een tweewielig motorvoertuig, een gelede bus of een samenstel van voertuigen mag geen motorvoertuig of samenstel van voertuigen worden gesleept.
Artikel 5.18.3
De bestuurder mag bij het besturen van het voertuig niet door passagiers, lading of op andere wijze worden gehinderd.
In een voertuig waarin vervoer van een passagier in een rolstoel plaatsvindt, zijn geen losse voorwerpen aanwezig die het risico op letsel bij een noodstop, een aanrijding of een botsing kunnen verhogen.
Artikel 5.18.4
Voertuigen en samenstellen van voertuigen moeten zodanig zijn beladen dat de bestuurder voldoende uitzicht naar voren en opzij heeft en met behulp van de voor voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort voorgeschreven spiegels, voldoende uitzicht heeft op het links en rechts naast en achter hem gelegen weggedeelte.
Artikel 5.18.5
De spiegels en gezichtveldverbeterende voorzieningen van bedrijfsauto’s moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6, kan overzien.
Indien het gezichtsveld van de voor voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort voorgeschreven spiegels wordt beperkt door lading die aan de achterzijde van het voertuig is aangebracht of door een door het voertuig voortbewogen aanhangwagen met inbegrip van de lading, moet het voertuig zijn voorzien van een linker- onderscheidenlijk rechterbuitenspiegel waarmee de bestuurder een in bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6, vastgesteld weggedeelte kan overzien.
Artikel 5.18.6
De lading of delen daarvan moeten zodanig zijn gezekerd dat deze onder normale verkeerssituaties, waaronder begrepen volle remmingen, plotselinge uitwijkmanoeuvres en slecht wegdek, niet van het voertuig kunnen vallen.
Losse lading ten aanzien waarvan het gevaar bestaat dat deze of delen daarvan tijdens het rijden van het voertuig vallen, moet deugdelijk zijn afgedekt.
Artikel 5.18.7
Bij het vervoer van goederen aan de achterzijde van een personenauto, bedrijfsauto met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, driewielig motorrijtuig, of aan de achter- of voorzijde van een aanhangwagen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moet worden voldaan aan de volgende eisen:
- a. de goederen moeten deugdelijk zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager;
- b. de lastdrager moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd;
- c. de lastdrager mag met inbegrip van de goederen niet meer dan 0,20 m buiten de zijkanten van het voertuig uitsteken; artikel 5.18.14, derde lid, is niet van toepassing op op een lastdrager vervoerde fietsen;
- d. indien de lastdrager is geconstrueerd voor het vervoer van specifieke goederen, mogen geen andere én niet meer van deze goederen worden vervoerd dan waarvoor de constructie is bestemd;
- e. indien de verlichting en retroreflectoren van het voertuig door de lastdrager of de goederen worden afgeschermd, moet de lastdrager aan de achterzijde zijn voorzien van twee rode achterlichten, twee rode remlichten, twee rode retroreflectoren en twee ambergele richtingaanwijzers, die moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig met inbegrip van de lastdrager; indien het de verlichting van een aanhangwagen betreft, moet de lastdrager zijn voorzien van twee rode retroreflectoren;
- f. indien de op het voertuig aangebrachte kentekenplaat door de lastdrager of de goederen wordt afgeschermd, moet de lastdrager zijn voorzien van een kentekenplaat met het kenteken van het voertuig waarop de lastdrager is aangebracht, alsmede van achterkentekenplaatverlichting; het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en mag niet zijn afgeschermd;
- g. indien de lastdrager is bevestigd op een trekhaak aan de achterzijde van een personenauto, bedrijfsauto met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, driewielig motorrijtuig:
- 1°. mag de door de fabrikant van de trekhaak vastgestelde maximale verticale last onder de koppeling niet worden overschreden; indien de trekhaak hieromtrent geen gegevens vermeldt, mag de verticale last niet meer dan 75 kg bedragen;
- 2°. mag de lastdrager met inbegrip van de bevestigingsdelen onder normale gebruiksomstandigheden het wegdek niet kunnen raken;
- 3°. mogen bevestigingsdelen, die na het gedeeltelijk verwijderen van de lastdrager op de trekhaak achterblijven, de bewegingsvrijheid van een aangekoppelde aanhangwagen niet beperken;
- h. indien de lastdrager is bevestigd op de voorzijde van de aanhangwagen:
- 1°. mag de door de fabrikant van de aanhangwagen vastgestelde maximumlast onder de koppeling niet worden overschreden; indien dit gegeven niet bekend is, mag de maximumlast onder de koppeling niet meer dan 75 kg bedragen;
- 2°. mag de lastdrager met inbegrip van de lading op de trekdriehoek of trekboom de bewegingsvrijheid van de aanhangwagen niet beperken.
Bij het vervoer van goederen op het dak van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, of driewielig motorrijtuig moet worden voldaan aan de volgende eisen:
- a. de goederen moeten deugdelijk zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager;
- b. de lastdrager moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd;
- c. de door de fabrikant van het voertuig vastgestelde maximale daklast mag niet worden overschreden;
- d. indien de lastdrager is geconstrueerd voor het vervoer van specifieke goederen, mogen geen andere én niet meer van deze goederen worden vervoerd dan waarvoor de constructie is bestemd.
Bij vervoer van glas of ander plaatmateriaal aan één of beide zijkanten van een bedrijfsauto of aanhangwagen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moet worden voldaan aan de volgende eisen:
- a. de lading moet deugdelijk zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager;
- b. de lastdrager moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd;
- c. de lastdrager met inbegrip van de lading mag niet meer dan 0,35 m buiten de zijkanten van het voertuig uitsteken, met dien verstande dat de totale breedte van het voertuig inclusief de lastdrager en de lading niet meer mag bedragen dan 2,75 m;
- d. de lading mag niet meer dan 1,00 m achter de achterzijde van het voertuig uitsteken;
- e. de lastdrager dient aan de voor- en achterzijde te zijn voorzien van een markering die voldoet aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133, gestelde eisen.
Artikel 5.18.8
De lading van voertuigen mag geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op lading of delen daarvan die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
Artikel 5.18.9
Opklapbare delen aan de buitenzijde van voertuigen moeten tijdens het transport van het voertuig over de weg in opgeklapte toestand deugdelijk zijn vergrendeld.
Artikel 5.18.10
Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg afkomstig uit een land waar voor deze aanhangwagens geen afzonderlijk kenteken is opgegeven, moeten, indien zij zijn gekoppeld aan een motorvoertuig waarvoor een kenteken is opgegeven, zijn voorzien van het kenteken van het trekkend motorvoertuig.
De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van de aanhangwagen zijn bevestigd.
Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd.
§ 1. Afmetingen en massa’s
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
Artikel 5.18.11
De lengte van een samenstel van trekker en oplegger in onbeladen toestand mag niet meer bedragen dan 16,50 m.
Van een samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een samenstel van trekker en oplegger, in onbeladen toestand mag:
- a. de lengte niet meer bedragen dan 18,75 m;
- b. de afstand tussen het voorste punt aan de buitenzijde van de laadruimte achter de stuurcabine en het achterste punt aan de buitenzijde van de aanhangwagen niet meer dan 16,40 m bedragen;
- c. de afstand tussen het voorste punt aan de buitenzijde van de laadruimte achter de stuurcabine en het achterste punt aan de buitenzijde van de aanhangwagen, verminderd met de afstand tussen de achterzijde van de laadruimte van het motorvoertuig en de voorzijde van de laadruimte van de aanhangwagen, niet meer dan 15,65 m bedragen.
Bij een samenstel van bedrijfsauto en een aanhangwagen, beide met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, niet zijnde een samenstel van trekker en oplegger, mag de afstand tussen de achterste as van de bedrijfsauto en de voorste as van de aanhangwagen niet minder bedragen dan 3,00 m.
De lengte van samenstellen van personenauto of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen, in onbeladen toestand, mag niet meer bedragen dan 18,00 m.
De lengte van een samenstel van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen, mag niet meer bedragen dan 24,00 m.
In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, mag de lengte van een samenstel van rijdend werktuig en aanhangwagen niet meer bedragen dan 20,00 m.
In de afmetingen, bedoeld in het eerste en het tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren begrepen.
De lengte van een samenstel van een bus en een aanhangwagen in onbeladen toestand mag niet meer bedragen dan 18,75 m.
Artikel 5.18.12
Onverminderd de artikelen 5.3.6, eerste lid, onderdeel a, 5.12.6, eerste lid, en 5.18.11, eerste en tweede lid, mag de lengte van een voertuig of samenstel van voertuigen met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan de lengte van dat voertuig of samenstel van voertuigen in onbeladen toestand, vermeerderd met 1,00 m waarbij:
- a. de lading niet meer dan 1,00 m achter het voertuig mag uitsteken;
- b. de lading niet meer dan 5,00 m achter het hart van de de achterste as van het voertuig mag uitsteken;
- c. in afwijking van het bepaalde in de artikelen 5.3.49 en 5.12.49, een stootbalk moet zijn aangebracht op niet meer dan 0,60 m voor de uiterste achterzijde van de uitstekende lading indien de afstand van de onderzijde van de lading tot het wegdek meer bedraagt dan 0,55 m;
- d. de lading niet voor het voertuig mag uitsteken;
- e. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de achterkentekenplaatverlichting van het voertuig niet mag worden belemmerd.
Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen.
Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op voertuigen of samenstellen van voertuigen die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1996.
Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing indien aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als op het betrokken voertuig zijn aangebracht verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig.
De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde lengtevermeerdering van 1,00 m mag alleen worden veroorzaakt door de lading en door een uitschuiflade of laadklep ter ondersteuning van de lading of door een uitschuifbare stootbalk. Lading mag niet uitsluitend op de uitschuiflade of op de laadklep rusten.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mag een meeneemheftruck bevestigd aan de achterzijde van een voertuig, dat is ingericht voor het vervoer van goederen:
- a. meer dan 1,00 m, doch niet meer dan 1,20 m achter het voertuig uitsteken;
- b. meer dan 1,20 m, doch niet meer dan 1,50 m achter het voertuig uitsteken, mits met een door de fabrikant van het voertuig of van de meeneemheftruck of met een door een carrosseriebouwer afgegeven verklaring, aanwezig op het voertuig, wordt aangetoond dat de aslasten en de last onder de koppeling van het voertuig bij belading met uitsluitend de meeneemheftruck voldoen aan artikel 5.18.18, tweede, derde of vierde lid. De verklaring bevat een aanduiding van het type meeneemheftruck.
Artikel 5.18.12a
Indien een op een voertuig gemonteerde afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur aan de achterzijde van dat voertuig uitsteekt en daardoor het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aldaar belemmert, moet deze afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur aan de achterzijde op gelijke wijze als het betrokken voertuig zijn voorzien van verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig.
Artikel 5.18.13
In afwijking van artikel 5.18.12 mag, voor zover niet op ander wijze, of voor zover niet binnen de afmetingen van het voertuig of samenstel van voertuigen kan worden geladen, bij het vervoer van in de lengte ondeelbare lading:
- a. de lengte van een voertuig of samenstel van voertuigen met inbegrip van de lading meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12, eerste lid, is toegestaan waarbij:
- 1°. de lading aan de achterzijde van personenauto’s, bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen niet meer dan 1,00 meter achter het voertuig mag uitsteken;
- 2°. de uitsteek van de lading achter het hart van de achterste as van bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer 3.500 kg en aanhangwagens niet meer dan 0,5 maal de lengte van het voertuig mag bedragen, zoals vermeld op het kentekenbewijs of na meting is vastgesteld, met een maximum van 5,00 meter, waarbij voor een oplegger geldt dat de uitsteek van de lading achter het hart van de achterste as van het voertuig niet meer mag zijn dan 0,5 maal de afstand van hart koppeling tot achterzijde met eveneens een maximum van 5 meter;
- 3°. de lading aan de voorzijde van personenauto’s, bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen niet meer dan 1,00 meter voor het voertuig mag uitsteken;
- 4°. de lading aan de voorzijde van bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg niet meer dan 4,30 meter voor het hart van de voorste as van het voertuig mag uitsteken;
- 5°. de lading niet voor de voorzijde van de aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, mag uitsteken;
- 6°. de lading die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt, aan de voorzijde respectievelijk aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 134.
- 7°. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig niet mag worden belemmerd, tenzij aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als het betrokken voertuig zijn aangebracht verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig;
- b. onverminderd onderdeel a, de lengte van een beladen samenstel van trekker en oplegger meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12 is toegestaan doch niet meer dan voor dat vervoer noodzakelijk is met een maximum van 22,00 m.
In afwijking van artikel 5.18.12 mag de lengte van een beladen samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, dat is ingericht voor het vervoer van voertuigen, meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12 is toegestaan doch niet meer dan 20,75 m, waarbij:
- 1°. de lading niet meer dan 2,00 m achter de aanhangwagen en niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van de aanhangwagen mag uitsteken;
- 2°. de lading niet meer dan 0,50 m voor de voorzijde van de bedrijfsauto mag uitsteken;
- 3°. de lading die achter het voertuig meer dan 1,00 m, uitsteekt moet aan de achterzijde zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133.
Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen.
Artikel 5.18.14
De breedte van driewielige motorrijtuigen, die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997, personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens, met inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen in onbeladen toestand, dan wel niet meer dan 2,20 m op onverharde wegen.
De breedte van voertuigen waarvan de lading bestaat uit in de breedte ondeelbare lading, mag meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen in onbeladen toestand, doch niet meer dan voor het vervoer noodzakelijk is, met een maximum van 3,00 m.
Lading als bedoeld in het tweede lid, die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt, moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133.
Lading van personenauto’s mag niet meer dan 0,20 m buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken.
Lading van driewielige motorrijtuigen die na 31 oktober 1997 in gebruik zijn genomen, mag niet meer dan 0,20 m buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken.
Artikel 5.18.15
De hoogte van personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens, met inbegrip van de lading, mag niet meer bedragen dan 4,00 m.
Artikel 5.18.16
Een bedrijfsauto, bus of een samenstel van voertuigen moet naar beide zijden een volledige cirkel kunnen beschrijven binnen een ruimte die wordt begrensd door twee concentrische cirkels, waarvan de buitenste een straal van 12,50 m en de binnenste een straal van 5,30 m heeft, zonder dat een van de buitenpunten van het voertuig buiten de omtrek van de cirkels komt.
Het eerste lid is niet van toepassing indien het een oplegger betreft waarvan het laadvlak zich geheel of grotendeels op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte als of lager dan de assen boven het wegdek bevindt, de oplegger wordt gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading en de oplegger vóór 1 april 1983 in gebruik is genomen.
Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van kermis- en circusvoertuigen, rijdende werktuigen en samenstellen van rijdende werktuigen en aanhangwagens.
Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van trekker en oplegger als bedoeld in artikel 5.18.13, eerste lid, onderdeel b.
Ten aanzien van het gesteld in het eerste lid moet bij een stilstaande bus op de bodem met een lijn het loodrechte vlak worden aangegeven dat raakt aan de buitenzijde van het voertuig ten opzichte van de cirkel. Bij een gelede bus worden de twee stijve delen langs het vlak opgesteld. Wanner het voertuig de in het eerste lid beschreven cirkelvormige ruimte in rechte lijn binnenrijdt, mag geen voertuigdeel meer dan 0.60 m buiten het vermelde loodrecht vlak komen.
Artikel 5.18.17a
De op het Nederlandse kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa mag niet worden overschreden of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand mag niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximummassa van het voertuig.
Indien op het Nederlandse kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus of in het kentekenregister de toegestane maximummassa niet is vermeld dan wel indien de bedrijfsauto of bus niet in Nederland is geregistreerd mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand niet meer bedragen dan:
- a. 50.000 kg;
- b. de technisch toegestane maximummassa van het voertuig;
- c. vijf maal de toegestane maximumlast onder de aangedreven as of assen, en
- d. indien de bedrijfsauto na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, de uitkomst van de som: het vermogen van de motor in kW, gedeeld door 0,00368 kW/kg.
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onderdeel a, mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand van een rijdend werktuig meer bedragen dan 50.000 kg, doch niet meer dan 60.000 kg.
Artikel 5.18.17b
De op het Nederlandse kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa van het samenstel van een bedrijfsauto of bus met een aanhangwagen mag niet worden overschreden en de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand mag niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximummassa van het samenstel.
Indien op het Nederlandse kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus de toegestane maximummassa van het samenstel van een bedrijfauto of bus met een aanhangwagen of in het kentekenregister niet is vermeld dan wel indien de bedrijfsauto of bus niet in Nederland is geregistreerd mag de toegestane maximummassa van het samenstel of de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand niet meer bedragen dan:
- a. 50.000 kg;
- b. de technisch toegestane maximummassa van het samenstel van de bus of bedrijfauto met een aanhangwagen;
- c. vijf maal de toegestane maximumlast onder de aangedreven as of assen, en
- d. indien de bedrijfsauto na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, de uitkomst van de som: het vermogen van de motor in kW, gedeeld door 0,00368 kW/kg.
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onderdeel a, mag de toegestane maximummassa van een samenstel of de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand van een rijdend werktuig met een aanhangwagen meer bedragen dan 50.000 kg, doch niet dan 60.000 kg.
Artikel 5.18.17c
Indien voor een aanhangwagen een Nederlands kentekenbewijs is afgegeven, mag de op dit kentekenbewijs of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa niet worden overschreden of mag de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand, uitgezonderd de aslasten van een niet autonome aanhangwagen, niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximummassa. Bij middenasaanhangwagens en opleggers mag de de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand vermeerderd met de last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand, niet meer bedragen dan de toegestane maximummassa.
Indien op het Nederlandse kentekenbewijs van een middenasaanhangwagen of in het kentekenregister geen toegestane maximummassa is vermeld dan wel indien de middenasaanhangwagen niet in Nederland is geregistreerd mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand vermeerderd met de last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand niet meer bedragen dan 20.000 kg. Indien de middenasaanhangwagen is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschap of van de Europese Economische Ruimte als gelijkwaardig aangemerkte vering en is voorzien van drie assen, mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand vermeerderd met de last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand niet meer bedragen dan 24.000 kg.
Indien van een aanhangwagen de toegestane maximummassa niet met behulp van het eerste en tweede lid kan worden vastgesteld, geldt voor deze aanhangwagen een toegestane maximummassa van 750 kg.
Artikel 5.18.17d
De op het Nederlandse kentekenbewijs van de bedrijfsauto of bus of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximumlast onder de as alsmede de toegestane maximumlast onder het asstel mag niet worden overschreden.
Indien op het Nederlandse kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus of in het kentekenregister de in het eerste lid bedoelde waarden niet zijn vermeld, danwel indien de bedrijfsauto of bus niet in Nederland is geregistreerd mag de toegestane maximumlast onder de as of asstel niet meer bedragen dan:
- a. de voor het voertuig opgegeven technisch toegestane maximum last onder de as of asstel;
- b. voor enige as: 10.000 kg voor een niet-aangedreven as en 11.500 kg voor een aangedreven as;
- c. voor voertuigen met een asstel met twee niet-aangedreven assen:
- 1°. indien de onderlinge afstand tussen de assen minder bedraagt dan 1,00 m, 11.000 kg tezamen;
- 2°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 16.000 kg tezamen;
- 3°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 18.000 kg tezamen;
- d. voor voertuigen met een asstel met twee assen waarvan 1 of 2 assen zijn aangedreven:
- 1°. indien de onderlinge afstand tussen de assen minder bedraagt dan 1,00 m, 11.500 kg tezamen;
- 2°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 16.000 kg tezamen;
- 3°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m:
- –. 18.000 kg tezamen;
- –. 19.000 kg tezamen indien de aangedreven as is voorzien van banden in dubbele montage alsmede van gasvering of van in het kader van de EG als gelijkwaardig aangemerkte vering;
- –. 19.000 kg tezamen indien beide aangedreven assen zijn voorzien van banden in dubbele montage, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 9.500 kg;
- e. voor voertuigen met een asstel met 3 achter elkaar gelegen assen:
- 1°. indien de onderlinge afstand tussen de assen minder bedraagt dan 1,30 m, 7.000 kg per as;
- 2°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 8.000 kg per as;
- 3°. de onder 2 vermelde maximale aslasten mogen, indien het een aangedreven as betreft, worden verhoogd tot: waarbij de last onder het asstel niet meer mag bedragen dan 24.000 kg tezamen;
- –. 10.000 kg indien slechts één as van het asstel is aangedreven;
- –. 9.000 kg indien twee assen van het asstel zijn aangedreven;
- 4°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 9.000 kg per as mits het asstel is voorzien van gasvering of van in het kader van de EG als gelijkwaardig aangemerkte vering, waarbij de last onder het asstel niet meer mag bedragen dan 27.000 kg tezamen;
- 5°. de onder 4° vermelde maximale aslasten mogen, indien het een aangedreven as betreft die is voorzien van banden in dubbele montage, worden verhoogd tot: waarbij de last onder het asstel niet meer mag bedragen dan 27.000 kg tezamen.
- –. 11.500 kg indien slechts één as van het asstel is aangedreven;
- –. 9.500 kg indien twee assen van het asstel zijn aangedreven;
In afwijking van het tweede lid mag de last onder enige as van een rijdend werktuig niet meer bedragen dan:
- a. de voor het voertuig opgegeven toegestane maximumlast onder de as of asstel, en
- b. 12.000 kg per as.
Artikel 5.18.17e
De op het Nederlandse kentekenbewijs van een aanhangwagen of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximumlast onder de as alsmede de toegestane maximumlast onder het asstel mag niet worden overschreden.
Indien op het Nederlandse kentekenbewijs van een aanhangwagen of in het kentekenregister de in het eerste lid bedoelde waarden niet zijn vermeld, of indien de aanhangwagen niet in Nederland is geregistreerd mag de toegestane maximumlast onder de as of asstel niet meer mag bedragen dan:
- a. de voor het voertuig opgegeven technische toegestane maximumlast;
- b. voor enige as, 10.000 kg;
- c. voor aanhangwagens met een asstel met twee achter elkaar gelegen enkele assen, indien de onderlinge afstand tussen de assen:
- 1°. minder bedraagt dan 1,00 m, 11.000 kg tezamen;
- 2°. 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 16.000 kg tezamen;
- 3°. 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 18.000 kg tezamen;
- d. voor aanhangwagens met een asstel met meer dan twee achter elkaar gelegen assen:
- 1°. indien de afstand tot de dichtstbijzijnde naastgelegen as van dat asstel minder bedraagt dan 1,30 m, 7.000 kg per as;
- 2°. indien de afstand tot de dichtstbijzijnde naastgelegen as van dat asstel 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 8.000 kg per as, dan wel 9.000 kg per as indien het asstel is voorzien van gasvering of van in het kader van de EG als gelijkwaardig aangemerkte vering;
- e. voor aanhangwagens met één pendelas, 13.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg;
- f. voor aanhangwagens, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, met één pendelas, 16.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 8.000 kg;
- g. voor aanhangwagens met twee pendelassen, waarbij de onderlinge afstand tussen de pendelassen: waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg;
- 1°. minder bedraagt dan 1,00 m, 13.000 kg tezamen;
- 2°. 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 17.000 kg tezamen;
- 3°. 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 21.000 kg tezamen;
- h. voor aanhangwagens, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, met twee of meer pendelassen, waarbij de onderlinge afstand tussen de pendelassen: waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 8.000 kg;
- 1°. minder bedraagt dan 1,00 m, 16.000 kg tezamen;
- 2°. 1,00 m of meer bedraagt, 12.000 kg vermenigvuldigd met het aantal pendelassen;
- i. voor aanhangwagens met meer dan twee pendelassen, waarbij de onderlinge afstand tussen de pendelassen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, het aantal pendelassen vermenigvuldigd met 13.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg, mits het asstel is voorzien van gasvering of van in het kader van de EG als gelijkwaardig aangemerkte vering;
- j. voor aanhangwagens, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, met twee of meer pendelassen als bedoeld onder e, waarbij de onderlinge afstand tussen de pendelassen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, het aantal pendelassen vermenigvuldigd met 16.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 8.000 kg, mits het asstel is voorzien van gasvering of van in het kader van de EG als gelijkwaardig aangemerkte vering;
- k. De last onder de assen van aanhangwagens bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, mag niet meer bedragen dan 24.000 kg te zamen indien het betreft aanhangwagens met een asstel bestaande uit:
- 1°. een pendelas, en
- 2°. een enkele as, waarbij de onderlinge afstand tussen de pendelas en de enkele as 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m.
Artikel 5.18.17f
De op het Nederlandse kentekenbewijs van een aanhangwagen of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximumlast onder de koppeling mag niet worden overschreden.
Indien op het Nederlandse kentekenbewijs van een middenasaanhangwagen of in het kentekenregister de in het eerste lid bedoelde waarde niet is vermeld danwel indien de middenasaanhangwagen niet in Nederland is geregistreerd mag de toegestane last onder de koppeling:
- a. alleen in neerwaartse richting zijn gericht;
- b. niet meer bedragen dan voor het voertuig opgegeven technisch toegestane maximumlast onder de koppeling;
- c. niet meer bedragen dan 10,0% van de technisch toegestane maximummassa van de aanhangwagen en niet meer dan 1.000 kg, en
- d. niet minder bedragen dan 1,0% van de technisch toegestane maximummassa van de aanhangwagen, doch de last behoeft niet meer te bedragen dan 50 kg.
Artikel 5.18.17g
De op het Nederlandse kentekenbewijs van een bedrijfsauto of bus of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen mag niet worden overschreden of de som van de aslasten van een aanhangwagen mag niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximum te trekken massa.
Indien op het Nederlandse kentekenbewijs van een bedrijfsauto of bus of in het kentekenregister de in het eerste lid bedoelde waarde niet is vermeld, danwel indien de bedrijfsauto of bus niet in Nederland is geregistreerd mag de toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen niet meer bedragen dan:
- a. de voor de bedrijfsauto of bus opgegeven technisch toegestane maximummassa;
- b. de daarvoor ten aanzien van de sterkte van de koppeling technisch toegestane maximummassa;
- c. de daarvoor ten aanzien van de sterkte en de bevestiging van de delen van het chassisraam waaraan de koppeling is bevestigd, technisch toegestane maximummassa;
- d. de daarvoor ten aanzien van het remsysteem van het trekkend motorrijtuig technisch toegestane maximummassa;
- e. 3.500 kg indien het trekkende voertuig een bus betreft, en
- f. de helft van de massa in rijklare toestand van de bedrijfsauto of bus met een maximum van 750 kg indien het een ongeremde aanhangwagen betreft.
In afwijking van het tweede lid mag de toegestane maximum te trekken massa van een geremde middenasaanhangwagen niet meer bedragen dan:
- a. 24.000 kg;
- b. de technisch toegestane maximummassa van de bedrijfsauto, tenzij deze een technisch toegestane maximummassa heeft van meer dan 3.500 kg, of de bedrijfsauto een aantekening in het kentekenbewijs of in het kentekenregister ‘G’ heeft;
- c. 1,5 maal de technisch toegestane maximummassa van de bedrijfsauto, voorzover de bedrijfsauto of bus een aantekening in het kentekenbewijs of in het kentekenregister ‘G’ heeft en de technisch toegestane maximummassa van de bedrijfsauto of bus niet meer is dan 3.500 kg;
- d. 1,5 maal de technisch toegestane maximummassa van de bedrijfsauto, indien de bedrijfsauto een technisch toegestane maximummassa heeft van meer dan 3.500 kg.
Artikel 5.18.17h
Personenauto’s mogen niet zodanig zijn beladen dat de toegestane maximum last van enige as of asstel, de maximum last onder de koppeling, of de toegestane maximummassa van het voertuig wordt overschreden dan wel de som van de aslasten meer bedraagt dan de toegestane maximummassa.
Bussen mogen niet meer passagiers vervoeren dan het maximum aantal passagiers dat op het kentekenbewijs of in het kentekenregister, danwel op de plaat als bedoeld in artikel 5.3a.1, zevende lid, is vermeld. Indien het maximum aantal passagiers niet op het kentekenbewijs, in het kentekenregister, danwel de plaat als bedoeld in artikel 5.3a.1, zevende lid, is vermeld, wordt het maximaal aantal passagiers vastgesteld door de toegestane maximummassa te verminderen met de massa in rijklare toestand te delen door 68 kg.
Artikel 5.18.18
De totale massa van aanhangwagens die worden voortbewogen door personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3.500 kg, mag niet meer bedragen dan de maximummassa die volgt uit het op de koppeling van het trekkend voertuig aangebrachte identificatiekenmerk of goedkeuringsmerk. Indien de koppeling daaromtrent geen gegevens vermeldt, mag de totale massa van de aanhangwagen niet meer bedragen dan 750 kg en niet meer dan:
- a. de ledige massa van het trekkend motorvoertuig, of
- b. de massa in rijklare toestand van het trekkend motorvoertuig.
De last onder de bestuurde as of assen van motorvoertuigen in beladen toestand mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voertuig in beladen toestand. Indien het een gelede bus betreft, mag die last niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voorste deel van het motorvoertuig in beladen toestand.
De last onder de gestuurde as of assen, niet zijnde zelfsturende assen, van autonome aanhangwagens in beladen toestand, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de aanhangwagen in beladen toestand.
De last onder de koppeling van opleggers in beladen toestand mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de oplegger in beladen toestand.
Op onverharde wegen mag de last onder enig wiel van een voertuig niet meer dan 2.400 kg bedragen.
Artikel 5.18.18a
Als in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van personenauto’s een maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, dan mag de totale massa van aanhangwagens met een bedrijfsremsysteem achter die personenauto’s niet meer bedragen dan de laagste van de volgende waarden:
- a. de maximum te trekken massa aanhangwagen zoals die in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van het trekkende voertuig is vermeld;
- b. de door de fabrikant bepaalde technisch toegestane getrokken maximummassa gebaseerd op de constructie van het trekkend voertuig;
- c. de door de fabrikant bepaalde technisch toegestane getrokken maximummassa gebaseerd op de sterkte van de mechanische koppelinrichting;
- d. de toegestane maximummassa van het trekkend voertuig.
In elk geval mag de massa van aanhangwagens of de som van de aslasten van autonome aanhangwagens niet meer bedragen dan 3.500 kg.
Als in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van personenauto’s een maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, dan mag de totale massa van aanhangwagens zonder een bedrijfsremsysteem achter die personenauto’s niet meer bedragen dan de laagste van de volgende waarden:
- a. de maximum te trekken massa aanhangwagen zoals die in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van het trekkende voertuig is vermeld;
- b. de door de fabrikant bepaalde technisch toegestane getrokken maximummassa gebaseerd op de constructie van het trekkend voertuig;
- c. de helft van de massa van het trekkende voertuig in rijklare toestand.
In elk geval mag de massa van aanhangwagens of de som van de aslasten van autonome aanhangwagens niet meer bedragen dan 750 kg.
De massa van aanhangwagens of de som van de aslasten van aanhangwagens achter driewielige motorrijtuigen mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van het trekkende driewielige motorrijtuig.
Als in het kentekenregister of op het kentekenbewijs van een personenauto geen maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, mag géén aanhangwagen worden voortbewogen.
B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
Artikel 5.18.19
Lading van motorfietsen op 2 wielen mag niet meer dan 0,20 m buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken.
Aanhangwagens achter motorfietsen moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:
- a. de breedte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,00 m;
- b. de hoogte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,00 m;
- c. de totale massa van het voertuig mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van de trekkende motorfiets;
- d. de afstand van de achteras van de trekkende motorfiets tot de achterzijde van de aanhangwagen met inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan 2,50 m.
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
Artikel 5.18.20
De lengte van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens in onbeladen toestand of één of meer verwisselbare getrokken machines dan wel een combinatie hiervan mag niet meer bedragen dan 18,00 m.
Artikel 5.18.21
De lengte van een landbouw- of bosbouwtrekker, een motorrijtuig met beperkte snelheid of een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan de lengte van dat voertuig of samenstel van voertuigen in onbeladen toestand, vermeerderd met 1,00 m waarbij:
- a. de lading niet meer dan 1,00 m achter het voertuig mag uitsteken;
- b. de lading niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van het voertuig mag uitsteken;
- c. de lading niet voor het voertuig mag uitsteken;
- d. de lading het zicht op de verlichting, de retroreflectoren of de richtingaanwijzers aan de achterzijde mag niet worden belemmerd.
In afwijking van het eerste lid mag voor zover niet op andere wijze of voor zover niet binnen de bestaande afmetingen van het voertuig of samenstel van voertuigen geladen kan wordenn, bij het vervoer van lading die redelijkerwijs niet in de lengte deelbaar is, met uitzondering van afzetbakken, wissellaadbakken en containers, de lengte van een landbouw- of bosbouwtrekker, een motorrijtuig met beperkte snelheid, of een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens met inbegrip van de lading meer bedragen dan ingevolge het eerste lid is toegestaan, waarbij:
- 1°. de lading niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van het voertuig mag uitsteken;
- 2°. de lading niet meer dan 3,50 m voor het hart van het stuurwiel van het voertuig mag uitsteken;
- 3°. de lading die voor of meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteekt, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133.
De in het eerste lid, onderdeel a, bedoelde lengtevermeerdering van 1,00 m mag alleen worden veroorzaakt door de lading en door een uitschuiflade of laadklep ter ondersteuning van de lading of door een uitschuifbare stootbalk. De lading mag niet uitsluitend op de uitschuiflade of op de laadklep rusten.
Artikel 5.18.21a
De lengte van een motorrijtuig met beperkte snelheid of een landbouw- of bosbouwtrekker met inbegrip van één of meer verwisselbare uitrustingsstukken mag niet meer bedragen dan in de artikelen 5.7.6, eerste lid, onderdeel a, en 5.8.6, eerste lid, onderdeel a, is bepaald waarbij:
- a. de verwisselbare uitrustingstukken zoveel mogelijk moeten zijn ingeschoven, ingetrokken dan wel in- of opgeklapt;
- b. geen lading op de verwisselbare uitrustingstukken mag rusten die niet gerelateerd is aan de functie van het verwisselbare uitrustingsstuk;
- c. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig niet mag worden belemmerd.
Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing indien aan de achterzijde van de verwisselbare uitrustingsstukken op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig zijn aangebracht.
Artikel 5.18.22
De breedte van landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens mag met inbegrip van de lading en verwisselbare uitrustingsstukken niet meer bedragen dan 3,00 m. Indien de lading bestaat uit losse veldgewassen mag de breedte van de lading niet meer dan 3,50 m bedragen.
Op onverharde wegen mag de breedte van walsen, met inbegrip van de lading, niet meer dan 2,60 m bedragen.
Ondeelbare lading en verwisselbare uitrustingsstukken die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteken zijn voorzien van een markering die voldoet aan de in de in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133 vastgestelde eisen.
Artikel 5.18.23
De hoogte van landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 4,00 m.
Artikel 5.18.24
De last onder de bestuurde as of assen van landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de ledige massa van het voertuig.
De last onder de gestuurde as of assen, niet zijnde zelfsturende assen, van door landbouw- of bosbouwtrekkers of door motorrijtuigen met beperkte snelheid voortbewogen autonome aanhangwagens in beladen toestand, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de aanhangwagen in beladen toestand.
Op onverharde wegen en wegen die zijn voorzien van een klinkerverharding mag de totale massa van walsen niet meer dan 8.000 kg bedragen.
Op onverharde wegen mag de last onder enig wiel van landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid niet meer dan 2.400 kg bedragen.
Artikel 5.18.25
De totale massa van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan 50.000 kg.
De last onder enige as van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekkers en één of meer aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan:
- a. 11.500 kg voor een aangedreven as;
- b. 10.000 kg voor een niet aangedreven as.
De last onder enige as van samenstellen van motorrijtuigen met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan 10.000 kg.
De som van de aslasten van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid en één of meer aanhangwagens mag in beladen toestand niet meer bedragen dan 50.000 kg.
D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
Artikel 5.18.25a
Indien met een motorrijtuig met beperkte snelheid dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen als bedoeld in artikel 1.1 geen passagiers in de aanhangwagen worden vervoerd, mag in het motorrijtuig slechts één passagier worden vervoerd.
Artikel 5.18.26
Bromfietsen op twee wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,00 m.
Bromfietsen op meer dan twee wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 2,00 m.
Artikel 5.18.27
Aanhangwagens achter tweewielige bromfietsen moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:
- a. de breedte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,00 m;
- b. de hoogte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,00 m;
- c. de totale massa van het voertuig mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van de trekkende bromfiets;
- d. de afstand van de achteras van de trekkende bromfiets tot de achterzijde van de aanhangwagen met inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan 2,00 m.
Aanhangwagens achter bromfietsen op meer dan twee wielen moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:
- a. de breedte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 2,00 m;
- b. de hoogte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,50 m;
- c. de totale massa van het voertuig mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van de trekkende bromfiets;
- d. de afstand van de achteras van de trekkende bromfiets tot de achterzijde van de aanhangwagen met inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan 2,50 m.
E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
Artikel 5.18.28
Fietsen op twee wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 0,75 m.
Fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met zijspanwagen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,50 m.
Artikel 5.18.29
Aanhangwagens achter tweewielige fietsen mogen in aangekoppelde toestand met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,00 m.
Aanhangwagens achter fietsen op meer dan twee wielen mogen in aangekoppelde toestand met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,50 m.
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
Artikel 5.18.30
De breedte van gehandicaptenvoertuigen mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,10 m.
De breedte van wagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,50 m.
De breedte van bespannen wagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 2,60 m. Indien de lading bestaat uit losse veldgewassen, mag de breedte van de lading niet meer bedragen dan 3,50 m.
De hoogte van gehandicaptenvoertuigen mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 2,00 m.
De hoogte van wagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 4,00 m.
G. Middenasaanhangwagens
Artikel 5.18.31
Middenasaanhangwagens moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:
- a. de som van de aslasten van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 12 000 kg mag niet meer bedragen dan 1,5 maal de som van de aslasten van het trekkend motorvoertuig;
- b. de last onder de koppeling van een middenasaanhangwagen met een massa van niet meer dan 750 kg mag alleen in neerwaartse richting zijn gericht en mag niet meer dan 50 kg bedragen;
- c. de last onder de koppeling van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg mag niet minder bedragen dan 1% van de toegestane maximummassa van het voertuig, doch behoeft niet meer dan 50 kg te bedragen.
§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
Artikel 5.18.32
Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen behoeven in geval van nood niet te voldoen aan de artikelen 5.2.27, zesde lid, 5.3.27, zesde lid en 5.5.27, zesde lid, mits in dat geval de rijsnelheid en het rijgedrag worden aangepast aan de door de fabrikant vastgestelde voorschriften.
§ 3. Reminrichting
A. Aanhangwagens
Artikel 5.18.33
Aanhangwagens met een totale massa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s of driewielige motorrijtuigen hoeven niet te zijn voorzien van een reminrichting, als deze totale massa niet hoger is dan de helft van de massa in rijklare toestand van het trekkend voertuig.
B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
Artikel 5.18.34
Bij samenstellen van voertuigen waarvan de aanhangwagen van een reminrichting is voorzien, moet de reminrichting van de aanhangwagen in werking treden bij het bedienen van de bedrijfsrem van het trekkend voertuig.
Indien de aanhangwagen is voorzien van een losbreekreminrichting, moet deze zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekhaak daarvan zijn verbonden, dat de inrichting slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling.
Indien zowel het trekkend voertuig als de aanhangwagen zijn voorzien van een ABS- of EBS-systeem moeten de daartoe bestemde ISO 7638-stekkers op beide voertuigen met elkaar verbonden worden. Indien deze voorziening op één van beide voertuigen ontbreekt moeten de remsystemen zodanig zijn aangesloten dat het mogelijk blijft dat er met zowel het trekkend voertuig als met de aanhangwagen lastafhankelijk geremd kan worden.
Het derde lid, tweede volzin, is niet van toepassing op aanhangwagens voor landbouw- of bosbouwtrekkers en aanhangwagens voor motorrijtuig met beperkte snelheid die niet zijn voorzien van een ABS-systeem.
Artikel 5.18.35
De remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van trekkend voertuig en aanhangwagens moet, zowel beladen als onbeladen, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
In afwijking van het eerste lid moet de remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen voldoen aan de eisen die aan de remvertraging van het trekkend voertuig worden gesteld in de op die categorie voertuigen betrekking hebbende afdeling van dit hoofdstuk.
Artikel 5.18.35a
Dubbel uitgevoerde rempedalen van landbouw- of bosbouwtrekkers zijn gekoppeld.
Artikel 5.18.36
De parkeerrem van het trekkend motorvoertuig van een samenstel van motorvoertuig en aanhangwagen moet het samenstel van voertuigen op een helling van 10,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedraagt.
§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.18.36a
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een markering aan de achterzijde van het voertuig, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 152, van toepassing is.
De markering aan de achterzijde van de bedrijfsauto moet bestaan uit één rechthoekig bord, dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van rood fluorescerende en geel retroreflecterende parallel lopende diagonale strepen.
De markering aan de achterzijde van de aanhangwagen moet bestaan uit één rechthoekig bord, dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van een rood fluorescerende omranding op een geel retroreflecterende achtergrond.
Artikel 5.18.36b
Motorrijtuigen met beperkte snelheid, landbouw- en bosbouwtrekkers en hun aanhangwagens alsmede wagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van één rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek.
De in het eerste lid bedoelde retroreflector moet als volgt zijn aangebracht:
- a. in het midden van het voertuig dan wel links van het midden;
- b. op een hoogte van niet minder van 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mag de retroreflector op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,60 m boven het wegdek zijn aangebracht.
De in het eerste lid bedoelde rode retroreflector moet zijn voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 123 en 124, van toepassing is.
A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
Artikel 5.18.37
Indien met een personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid of landbouw- of bosbouwtrekker een aanhangwagen wordt voortbewogen, moet het trekkend voertuig zijn voorzien van één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig.
B. Aanhangwagens
Artikel 5.18.38
De verlichtingsinstallatie van aanhangwagens moet zodanig functioneren dat de functies van de verlichting en de lichtsignalen overeenstemmen met die van het trekkend voertuig.
Artikel 5.18.38a
Indien een aanhangwagen wordt voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus die is voorzien van één of twee mistachterlichten, behoeven in afwijking van artikel 5.18.38, eerste lid, alleen de één of twee mistachterlichten op de aanhangwagen te branden, mits de bediening van de mistachterlichten op het trekkende voertuig en de aanhangwagen vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt.
B. Aanhangwagens
Artikel 5.18.43
Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie, die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:
- a. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel;
- b. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel.
Gehandicaptenvoertuigen zonder motor,die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:
- a. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel;
- b. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel.
Het tweede lid is niet van toepassing bij het gebruik maken van het voetpad of het trottoir of bij het oversteken van het ene naar het andere voetpad of trottoir.
Artikel 5.18.44
De in artikel 5.18.43 bedoelde lichten moeten goed werken.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
De in artikel 5.18.43 bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.
Artikel 5.18.45
De lichten aan de voorzijde mogen niet anders dan wit of geel stralen.
De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
Artikel 5.18.46
Aanhangwagens achter fietsen die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, dienen te zijn voorzien van een achterlicht.
Artikel 5.18.47
Het achterlicht dient goed te werken.
Het verlichtingsarmatuur en de onderdelen daarvan dienen deugdelijk aan het voertuig te zijn bevestigd.
Het glas van de verlichtingsarmatuur mag niet zodanig zijn beschadigd,gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst dan wel de functie nadelig wordt beïnvloed;
Het achterlicht mag niet zijn afgeschermd.
Artikel 5.18.48
Het achterlicht mag niet anders dan rood stralen.
Artikel 5.18.49
Het achterlicht dient uiterst links aan de achterzijde van het voertuig te zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
E. Wagens
Artikel 5.18.50
Wagens die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:
- a. twee voorlichten;
- b. twee achterlichten indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m bedraagt, dan wel ten minste één achterlicht indien het een wagen betreft waarvan de breedte niet meer dan 1,50 m bedraagt.
Artikel 5.18.51
De in artikel 5.18.50 bedoelde lichten moeten goed werken.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst dan wel de functie nadelig wordt beïnvloed.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur, en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten op gelijke hoogte symmetrisch links en rechts midden van het voertuig zijn bevestigd.
De in artikel 5.18.50 bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.
Artikel 5.18.52
De voorlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
Artikel 5.18.53
De voorlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde.
De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde en op een hoogte van niet meer dan 1,25 m boven het wegdek.
Indien één achterlicht is toegestaan, moet dit aan de achterzijde van de wagen zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m van de uiterste linkerzijde van het voertuig en op een hoogte van niet meer dan 1,25 m boven het wegdek.
§ 5. Verbinding tussen voertuigen
A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
Artikel 5.18.54
Bij samenstellen van voertuigen moet de aanhangwagen door een enkele, passende en geschikte koppeling, die niet kan lostrillen, zodanig aan het trekkend voertuig zijn verbonden dat zijdelings uitwijken van de aanhangwagen zoveel mogelijk wordt voorkomen.
B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
Artikel 5.18.55
Aanhangwagens moeten zich zodanig ten opzichte van het trekkend voertuig kunnen bewegen dat de voertuigen in hun uiterste standen, met een maximum van 90°, niet worden begrensd door delen van de reminrichting, van de elektrische installatie en van de koppeling, alsmede, voor zover aanwezig, van de hulpkoppeling en van de besturingsonderdelen.
Artikel 5.18.56
Bij samenstellen van voertuigen moet het trekoog of de kogelkoppeling van de aanhangwagen horizontaal of nagenoeg horizontaal liggen indien het samenstel zich op een horizontaal wegdek bevindt.
Bij gebruik van aanhangwagens, voorzien van een trekdriehoek met verzet, moet de koppelinrichting op het trekkend voertuig van een type zijn dat in verticale richting niet beweegbaar is.
Opleggers mogen alleen aan een trekker zijn gekoppeld indien een hoekverdraaiing van de opleggerschotel naar boven en naar beneden mogelijk is, indien het samenstel van trekker en oplegger zich op een horizontaal wegdek bevindt.
Artikel 5.18.57
De hulpkoppeling van aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 1.500 kg moet zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekhaak daarvan zijn verbonden, dat deze slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling, en dat bij gebruik van de hulpkoppeling de trekboom of koppeling van de aanhangwagen de grond niet raakt.
C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
Artikel 5.18.58
Aanhangwagens moeten zodanig aan een motorfiets of een bromfiets zijn verbonden dat de koppeling zowel bewegingen toelaat om een horizontale as als om een verticale as, loodrecht op de lengte-as van de motorfiets; indien de aanhangwagen meer dan één wiel heeft, moet de koppeling bovendien bewegingen om een as in de lengterichting van het trekkend voertuig toelaten.
D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
Artikel 5.18.59
Een aanhangwagen achter een fiets moet goed met de fiets zijn verbonden.
§ 6. Diversen
Artikel 5.18.60
Bromfietsen op drie of meer wielen met een carrosserie moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een rond bord of rond vlak met een doorsnede van ten minste 0,20 m, wit van kleur met een rode rand en met in het witte vlak duidelijk leesbaar de aanduiding 45 in zwarte kleur.
Artikel 5.18.61
Onverminderd de artikelen 5.3.1, 5.3a.1 en 5.12.1 moeten:
- a. bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en bestemd voor het vervoer van goederen,
- b. bussen, en
- c. aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, zijn voorzien van:
- 1°. een constructieplaat, waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, en een plaat waarop zijn vermeld:
- –. de naam van de fabrikant;
- –. het voertuigidentificatienummer;
- –. de lengte van het motorvoertuig of de aanhangwagen;
- –. de breedte van het motorvoertuig of de aanhangwagen;
- –. de afstand tussen de voorkant van het motorvoertuig en het middelpunt van de koppelinrichting ervan, en
- –. de afstand tussen het middelpunt van de koppelinrichting van de aanhangwagen en de achterkant van de aanhangwagen, hetzij
- 2°. één plaat waarop de gegevens van de onder 1° bedoelde platen zijn vermeld, hetzij
- 3°. een door de Dienst Wegverkeer afgegeven document waarin de gegevens van de onder 1° bedoelde platen zijn vermeld.
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
§ 1. Algemeen
Artikel 6.1
De in paragraaf 2 vermelde wijzigingen in de constructie van gekentekende voertuigen, moeten, voor zover niet anders is bepaald, zijn goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg, waarbij moet worden voldaan aan de in paragraaf 2 ter zake van de betrokken wijziging vermelde eisen.
Indien het voertuig gaat behoren tot een andere voertuigcategorie of een andere voertuigclassificatie, dan die waarvoor het bij toelating tot het verkeer op de weg is goedgekeurd, wordt het voertuig aangemerkt als reeds tot die nieuwe voertuigcategorie of voertuigclassificatie behorend en moet het voldoen aan de voor die voertuigcategorie of voertuigclassificatie geldende eisen.
Indien een kentekenplichtig voertuig gewijzigd wordt in een niet-kentekenplichtig voertuig moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 5 gestelde eisen en indien van toepassing aan de eisen vermeld in bijlage IV, behorende bij artikel 3.7, zoals die eisen luidden ten tijde van de ingebruikname van het voertuig.
Artikel 6.2
Op de wijziging in de constructie van een gekentekend voertuig, met uitzondering van de inbouw van een brandstofsysteem voor al of niet tot vloeistof verdicht gas, zijn de eisen van toepassing zoals die luidden ten tijde van de ingebruikname van het voertuig.
Op de inbouw van een brandstofsysteem voor al of niet tot vloeistof verdicht gas in een gekentekend voertuig zijn de eisen van toepassing zoals die luidden op de datum van de aanvraag van de goedkeuring.
§ 1. Algemeen
Artikel 6.3
Bij wijziging in de constructie van een voertuig waardoor de onderstaande voertuiggegevens wijzigen, en na deze wijziging niet meer overeenstemmen met het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in bijlage IV, behorende bij artikel 3.7, voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging:
- a. het aantal assen;
- b. het aantal wielen;
- c. de wielbasis van voertuigen met kettingaandrijving, met uitzondering van bromfietsen, indien deze meer dan 60 mm afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde en van overige voertuigen, met uitzondering van bromfietsen indien deze meer dan 2% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
- d. een vergroting van de spoorbreedte van personenauto’s, bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, bussen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen, indien deze meer dan 2% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
- e. de lengte van voertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, niet zijnde een personenauto indien deze meer dan 1% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
- f. de afstand voorzijde voertuig tot hart koppeling van een motorvoertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg indien deze meer dan 1% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
- g. de afstand hart koppeling tot de achterzijde van aanhangwagens indien deze meer dan 1% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
- h. de breedte van bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagen, indien deze meer dan 50 mm afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
- i. de massa in rijklare toestand indien deze meer dan 20% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
- j. de massa ledig voertuig, indien deze meer dan 20% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
- k. de technisch toegestane maximummassa voertuig van voertuigen met uitzondering van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen;
- l. het aanbrengen van een hefbare as op een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg danwel aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg;
- m. de technisch toegestane te trekken aanhangwagenmassa’s van voertuigen met uitzondering van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen;
- n. de motorcode of het motortype van motorvoertuigen;
- o. het aantal cilinders van motorvoertuigen met uitzondering van bromfietsen;
- p. de cilinderinhoud van motorvoertuigen;
- q. de brandstofsoort van motorvoertuigen;
- r. het vermogen van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen alsmede het vermogen van overige motorvoertuigen, indien deze meer dan 20% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
- s. de vering van de aangedreven as van motorvoertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg;
- t. de inrichtingsomschrijving van personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens;
- u. het type carrosserie van personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens;
- v. het aantal zitplaatsen van motorvoertuigen in gebruik genomen na 31 mei 2004 indien het aantal aanwezige zitplaatsen groter is dan het in het register vermelde aantal;
- w. het aantal staanplaatsen van bussen;
- x. de maximum constructiesnelheid van bromfietsen, en
- y. het geluidsniveau bij stilstand en bijbehorend toerental van motorvoertuigen.
In aanvulling op het eerste lid moet voor de volgende wijzigingen in de constructie tevens worden voldaan aan de in bijlage IX opgenomen eisen met betrekking tot deugdelijkheid en weggedrag, voor zover deze van toepassing zijn op de betreffende voertuigcategorie:
- a. de wielbasis, indien het een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg of bus met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg of motorfiets betreft;
- b. de spoorbreedte, indien het een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg of bus betreft met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg;
- c. de inrichtingsomschrijving, voor zover naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer inbreuk is op de sterkte van de dragende constructie, indien het een personenauto, bedrijfsauto of bus betreft met een zelfdragende carrosserie, of
- d. het type carrosserie, voor zover naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer inbreuk is op de sterkte van de dragende constructie, indien het een personenauto, bedrijfsauto of bus betreft met een zelfdragende carrosserie.
In aanvulling op het eerste lid moet bij wijziging van de brandstofsoort in een al of niet tot vloeistof verdicht gas het voertuig tevens voldoen aan de in bijlage X, hoofdstuk 1, opgenomen eisen.
In aanvulling op het eerste lid moet bij wijziging van de brandstofsoort van een al of niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel het voertuig tevens voldoen aan de in bijlage X, hoofdstuk 2, opgenomen eisen.
Artikel 6.4
Bij wijziging van de onderstaande voertuigonderdelen moet het voertuig voldoen aan de in bijlage IV, behorende bij artikel 3.7, voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging:
- a. het remsysteem van voertuigen, voor zover deze van invloed is op de bedieningsplaats, bedieningsmanier en bedieningskracht;
- b. de stuurinrichting van voertuigen, met uitzondering van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen, voor zover deze van invloed is op de bedieningsplaats, bedieningsmanier, en bedieningkracht;
- c. de bevestigingspunten van de zitplaats(en) van voertuigen die in gebruik zijn genomen na 29 april 2009;
- d. de bevestigingspunten van de gordel(s) van voertuigen die in gebruik zijn genomen na 29 april 2009;
- e. de rolstoelvastzetsystemen en veiligheidssystemen van personenauto’s en bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 1 september 2008, ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel, en
- f. de rolstoelvastzetsystemen en veiligheidssystemen van taxi’s.
Bij het aanbrengen van een knielsysteem moet het voertuig voldoen aan de in bijlage IV, behorende bij artikel 3.7, voor het betrokken voertuig opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Artikel 6.5
Indien een snelheidsbegrenzer wordt aangebracht in een motorvoertuig uit een van de voertuigclassificaties, vermeld in artikel 5.3.15, tweede lid, respectievelijk artikel 5.3a.15, tweede lid, moet:
- a. het motorvoertuig voldoen aan de in bijlage IV behorende bij artikel 3.7 opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging, en
- b. het aanbrengen, het afstellen en het verzegelen plaatsvinden door een door de Dienst Wegverkeer ingevolge artikel 101 van de wet erkende natuurlijke persoon of rechtspersoon, op de wijze beschreven in de Regeling aanpassing voertuigen.
Het eerste lid, onderdeel b, is tevens van toepassing indien niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 5.3.15, vijfde lid, respectievelijk artikel 5.3a.15, vijfde lid.
Artikel 6.6
Indien voor een bus een goedkeuring als T100-bus wordt verzocht, moet deze bus voldoen aan de in bijlage XI opgenomen eisen.
Indien de bouw of inrichting van een bus, ten aanzien waarvan tevens keuring als T100-bus is verzocht, wordt gewijzigd, moet deze bus voldoen aan de in hoofdstuk 5, afdeling 3a, opgenomen eisen en aan de in bijlage XI opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Artikel 6.7
Indien een koppeling wordt aangebracht op een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, moet het motorvoertuig voldoen aan de in bijlage IV, behorende bij artikel 3.7, opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Artikel 6.8
Indien de vering van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg wordt gewijzigd, moet het voertuig voldoen aan de in bijlage IV, behorende bij artikel 3.7, opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Artikel 7.0
Een schadevoertuig moet na herstel voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Artikel 7.1
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Een schadevoertuig moet na herstel voldoen aan de in dit artikel vermelde eisen. | – |
| 2. | De voor het betreffende voertuig opgenomen eisen in hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10 zijn van toepassing. | De in hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10 vermelde wijze van keuren is van toepassing. |
| 3. | Het chassis, frame dan wel de zelfdragende carrosserie moet de oorspronkelijke maatvoering hebben. | Visuele controle. |
| 4. | De wielstanden moeten overeenkomen met de fabrieksgegevens. | Visuele controle. |
| 5. | Indien elektronische veiligheidssystemen aanwezig zijn, moeten deze goed functioneren. | Visuele controle. |
| 6. | De autogordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Indien gordelspanners geactiveerd zijn geweest moeten deze zijn vervangen. | Visuele controle. |
| 7. | Airbagsystemen moeten goed functioneren en moeten zijn voorzien van een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het systeem faalt. | Het contact wordt ingeschakeld, waarbij het waarschuwingslampje moet gaan branden. Vervolgens wordt de motor gestart. Wanneer het waarschuwingslampje uitgaat, mag er vanuit worden gegaan dat het systeem functioneert. |
| 8. | Op plaatsen waar is aangegeven dat zich een airbag bevindt, moet een niet geactiveerde airbag aanwezig zijn. | Visuele controle, indien mogelijk, door middel van het uitlezen van het elektronische systeem. |
| 9. | Het voertuig moet van deugdelijke bouw en inrichting zijn. | Visuele controle. |
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 1. Algemeen
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 8.1.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- aanwijsbereik: het bereik begrensd door de laagste en hoogste waarde waarvoor het instrument een meetwaarde presenteert of registreert;
- afleeseenheid: de waarde, uitgedrukt in de eenheid van de gemeten grootheid, van het verschil tussen de aanwijzingen bij naast elkaar liggende schaaldeelstrepen voor analoog aanwijzende instrumenten of van het kleinste verschil tussen de aanwijzingen bij digitaal aanwijzende meetinstrumenten;
- analoge aanwijzing: aanwijzing die de gemeten waarde weergeeft als een continue of nagenoeg continue functie door middel van een index langs een schaalverdeling;
- certificaat van eerste keuring: certificaat afgegeven naar aanleiding van de eerste keuring van een bepaald meetmiddel, waarin de overeenstemming van de individuele eigenschappen van het meetmiddel met het ingevolge dit hoofdstuk goedgekeurde type wordt bevestigd;
- certificaat van herkeuring: certificaat afgegeven naar aanleiding van de herkeuring van een in gebruik genomen meetmiddel, waarin de overeenstemming van de individuele eigenschappen van het meetmiddel met de eisen uit dit hoofdstuk wordt herbevestigd;
- controlecertificaat: certificaat afgegeven naar aanleiding van een eerste en periodieke controle van een in gebruik genomen hulpinrichting, waarin de overeenstemming van de individuele eigenschappen van de hulpinrichting met de eigenschappen uit deze regeling worden herbevestigd;
- datum ingebruikname: datum waarop het meetmiddel aantoonbaar in gebruik is genomen ten behoeve van de controle van de in hoofdstuk 5 gestelde permanente eisen;
- digitale aanwijzing: aanwijzing die de gemeten waarde uitsluitend getalsmatig weergeeft;
- eerste keuring: keuring die voor de eerste maal wordt verricht aan een bepaald meetmiddel. Bij de eerste keuring wordt de overeenstemming met het goedgekeurde type onderzocht alsook de exemplaargebonden eigenschappen;
- fout: de afwijking in positieve of in negatieve zin van een aangewezen of geregistreerde waarde van de werkelijke waarde. De fout kan zijn weergegeven als een vaste waarde, uitgedrukt in de meetgrootheid, dan wel zijn weergegeven als een relatieve fout, uitgedrukt in procenten van de werkelijke waarde van de gemeten grootheid;
- herkeuring: de keuring die na een vastgestelde periode, dan wel als gevolg van een reparatie of justering moet worden uitgevoerd. Bij deze keuring worden vooral de eigenschappen onderzocht die door gebruik en tijd kunnen wijzigen;
- hulpinrichting: inrichting die in combinatie met het meetmiddel kan worden gebruikt, doch die voor de primaire meetfunctie van het meetmiddel niet nodig of voorgeschreven is;
- invloedsfactor: een invloedsgrootheid met een waarde liggend binnen de vastgelegde gebruiksomstandigheden;
- invloedsgrootheid: een grootheid die geen onderwerp van de meting is, maar die de waarde van de te meten grootheid of de aanwijzing van het instrument beïnvloedt, zoals de omgevingstemperatuur;
- justering: handeling die is bedoeld om een instrument in een zodanige toestand te brengen dat het geschikt is voor gebruik;
- keuring: de aanduiding voor de typekeuring, de eerste keuring en de herkeuring;
- keuringscertificaat: een certificaat van eerste keuring, dan wel van herkeuring;
- keuringsinstelling: een op grond van artikel 71a van de wet aangewezen instelling;
- maximale fout: de maximaal toelaatbare waarde van de fout geldend voor een bepaald soort meetmiddel;
- onderzoeksgerechtigde: onderneming of instelling die op grond van afdeling 2, paragraaf 2, van dit hoofdstuk door een keuringsinstantie is erkend tot het mogen afgeven van certificaten van herkeuring ten aanzien van nader bepaalde categorieën in gebruik genomen meetmiddelen;
- primair meetsignaal: het in apparatuur met elektronische signaalverwerking aanwezige analoge of digitale meetsignaal dat een getrouwe, niet beïnvloede weergave is van de gemeten grootheid. In dit meetsignaal zijn alle relevante dynamische verschijnselen van de gemeten grootheid proportioneel aanwezig;
- registratie: vastlegging van een meetresultaat, hetzij getalsmatig of analoog;
- registratie-inrichting: inrichting voor het vastleggen van meetresultaten, zoals een afdrukinrichting;
- testaansluiting: voorziening in het meetmiddel, waardoor het mogelijk is bij de keuring zowel het primaire meetsignaal van praktijkmetingen te bemonsteren alsook gesimuleerde primaire meetsignalen aan te bieden aan het signaalverwerkende gedeelte van het instrument. Met eventueel noodzakelijke buffering is de testaansluiting opgenomen als een schakel in het normale signaalpad;
- testcertificaat: certificaat afgegeven naar aanleiding van een typekeuring van een bepaalde hulpinrichting of onderdeel van een meetmiddel, waarin de karakteristieke eigenschappen van die hulpinrichting of dat onderdeel zijn vastgelegd en de overeenstemming van die eigenschappen met de eisen van deze regeling wordt bevestigd;
- typekeuring: de keuring van een meetmiddel, waarbij de typegebonden eigenschappen worden onderzocht. Een typekeuring vindt eenmaal plaats voor een bepaald type meetmiddel;
- typekeuringscertificaat: certificaat afgegeven naar aanleiding van een typekeuring van een bepaald meetmiddeltype, waarin de karakteristieke eigenschappen van het desbetreffende meetmiddel zijn vastgelegd en de overeenstemming van die eigenschappen met de eisen uit deze regeling wordt bevestigd;
- vastgelegde gebruiksomstandigheden: gebruiksomstandigheden beschreven door vastgelegde maximale waarden van invloedsgrootheden waaronder het meetinstrument aan de maximaal fout moet voldoen;
- verstoring: invloedsgrootheid met een waarde buiten de vastgelegde gebruiksomstandigheden, dan wel een invloedsgrootheid waarvoor de gebruiksomstandigheden niet zijn vastgelegd;
- wegweerstand: sommatie van de bij een bepaalde snelheid optredende rolweerstand en luchtweerstand onder de condities als beschreven in bijlage I van richtlijn nr. 95/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 2 februari 1995 betreffende de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, het maximumkoppel en het netto-maximumvermogen van twee- of driewielige motorvoertuigen (PbEG L 52).
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- richtlijn 2004/22/EG: richtlijn nr. 2004/22/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende meetinstrumenten (PbEG L 135);
- richtlijn 70/157/EEG: richtlijn nr. 70/157/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten betreffende het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen (PbEG L 42).
Artikel 8.1.2
Met de in dit hoofdstuk opgenomen technische eisen worden gelijkgesteld de technische eisen die in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, zijn vastgesteld en die een beschermingsniveau bieden dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
Met de in dit hoofdstuk bedoelde certificaten van goedkeuring worden gelijkgesteld certificaten van goedkeuring afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt en die voldoen aan de eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
Artikel 8.1.3
De onder a tot en met h, j en k vermelde meetmiddelen moeten zijn typegoedgekeurd:
- a. roetmeter;
- b. toerenteller;
- c. olietemperatuurmeter;
- d. manometer;
- e. pedaalkrachtmeter;
- f. remvertragingsmeter;
- g. rollenremtestbank;
- h. platenremtestbank;
- i. uitlaatgastester met lambdabepaling;
- j. bromfietsrollentestbank;
- k. geluidsniveaumeter.
Ten bewijze van een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een typekeuringscertificaat verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in afdeling 3 en 4 voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
Artikel 8.1.4
Een uitlaatgastester als bedoeld in artikel 8.3, eerste lid, onder i:
- a. ondergaat vóór ingebruikname een conformiteitsbeoordeling ingevolge richtlijn 2004/22/EG;
- b. moet zijn voorzien zijn van de documenten als voorgeschreven in richtlijn 2004/22/EG waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de eisen van bijlage I en bijlage MI-010 van richtlijn 2004/22/EG, en
- c. moet zijn voorzien van een CE-markering, de aanvullende metrologische markering en eventueel het identificatienummer als bedoeld in artikel 17 van richtlijn 2004/22/EG.
Artikel 8.1.4a
Meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met h, j en k, ondergaan vóór ingebruikname een eerste keuring.
Ten bewijze van een keuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een certificaat van eerste keuring verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in afdeling 3 en 4 voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
Uitlaatgastesters met lambdabepaling die zijn typegoedgekeurd voor 31 oktober 2006 mogen tot 1 november 2016 in gebruik worden genomen op grond van de in de afdeling 3 en 4 voor dit meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
Artikel 8.1.5
Meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, ondergaan na ingebruikname periodiek een herkeuring.
Ten bewijze van een herkeuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een herkeuringscertificaat afgegeven. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in afdeling 3 en 4 voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
Het tweede lid is niet van toepassing op een uitlaatgastester die is voorzien van de in artikel 8.1.4 bedoelde markeringen. Een dergelijke uitlaatgastester moet voor het verkrijgen van het herkeuringscertificaat voldoen aan de eisen opgenomen in de bijlagen I en bijlage MI-010 van richtlijn 2004/22/EG.
Artikel 8.1.6
Kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters is gecertificeerd op grond van de in afdeling 4 opgenomen specifieke eisen.
Koplamptestapparaten voldoen aan de in afdeling 4 opgenomen specifieke eisen.
Artikel 8.1.7
Indien ter uitvoering van de in deze paragraaf bedoelde keuringen bijzondere hulpmiddelen nodig zijn of informatie nodig is, kan degene die het meetmiddel ter keuring aanbiedt, worden verzocht deze ter beschikking te stellen.
Het niet beschikbaar stellen van noodzakelijke hulpmiddelen of informatie kan leiden tot het niet goedkeuren van het meetmiddel.
§ 2.2. Certificaten
Artikel 8.1.8
Een typekeuringscertificaat verliest zijn geldigheid indien:
- a. een wijziging in het meetmiddel wordt aangebracht, waardoor de meetwaarden zoals deze in de praktijk kunnen worden verkregen niet meer voldoen aan de maximale fout;
- b. een wijziging in het meetmiddel wordt aangebracht die in strijd is met het typekeuringscertificaat of de bijbehorende beschrijving;
- c. de voorschriften worden gewijzigd en het meetmiddel niet meer voldoet aan de gewijzigde voorschriften;
- d. de in artikel 1.11 vermelde termijn is verstreken, waarbinnen de daar bedoelde tijdelijke voorwaarde moet zijn vervallen dan wel moet zijn omgezet in een definitieve voorwaarde.
Artikel 8.1.9
De geldigheidsduur van een keuringscertificaat bedraagt ten minste 12 maanden.
De geldigheidsduur van een keuringscertificaat kan langer zijn dan 12 maanden, indien bij de typegoedkeuring een langere geldigheidsduur wordt vastgesteld.
De geldigheidsduur van een keuringscertificaat vangt aan met ingang van de datum van afgifte daarvan.
Indien een keuringscertificaat wordt afgegeven binnen twee maanden vóór het tijdstip waarop de in het eerste lid vermelde termijn verstrijkt, vangt de geldigheidsduur van het keuringscertificaat aan met ingang van dat tijdstip.
Een keuringscertificaat verliest zijn geldigheid indien:
- a. een wijziging of herstel van het meetmiddel heeft plaatsgevonden, waardoor de juistheid kan zijn veranderd;
- b. de verzegeling is verbroken;
- c. een zodanige mechanische of elektrische overbelasting is ontstaan, dat een juist functioneren niet meer gewaarborgd kan worden, of
- d. de geldigheidsduur is verstreken.
Specifieke gebruiksomstandigheden van belang bij de keuring en bij het gebruik van het meetmiddel, worden vermeld in het keuringscertificaat.
Artikel 8.1.10
De aanvraag van een typegoedkeuringscertificaat of certificaat van eerste keuring wordt, met inachtneming van de in afdeling 3 en 4 gestelde voorschriften, ingediend bij een door Onze Minister aangewezen keuringsinstelling.
De aanvraag van een certificaat van herkeuring wordt voor meetmiddelen behorende tot een type als bedoeld in artikel 8.1.3, eerste lid, onderdelen a tot en met i, met inachtneming van de in afdeling 3 en 4 gestelde voorschriften, ingediend bij een door Onze Minister aangewezen keuringsinstelling of bij een onderzoeksgerechtigde.
De aanvraag van een certificaat van herkeuring wordt voor meetmiddelen behorende tot een type als bedoeld in artikel 8.1.3, eerste lid, onderdelen j en k, ingediend bij een door Onze Minister aangewezen keuringsinstelling.
De aanvraag van een erkenning voor het certificeren van kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters wordt, met inachtneming van de in afdeling 4 gestelde voorschriften, ingediend bij een door Onze Minister aangewezen keuringsinstelling.
Artikel 8.1.11
Voorzover dit in de specifieke eisen van afdeling 4 is bepaald, wordt in het typekeuringscertificaat een tijdelijke voorwaarde opgenomen met betrekking tot de daar vermelde aspecten. Deze tijdelijke voorwaarde moet binnen de termijn genoemd in het typegoedkeuringscertificaat zijn komen te vervallen dan wel zijn omgezet in een definitieve voorwaarde op grond van een in afdeling 4 vereist onderzoek naar de gedragingen in de praktijk van een representatief aantal meetmiddelen uitgevoerd door de keuringsinstantie op kosten van de aanvrager van de typekeuring.
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
Artikel 8.1.12
Elk meetmiddel dat een keuring of herkeuring ondergaat, wordt na iedere keuring voorzien van de verzegelingen die in het typekeuringscertificaat zijn beschreven.
Onder verzegeling wordt verstaan:
- a. het aanbrengen van een beveiliging waardoor het verschaffen van toegang tot onderdelen of instellingen van een meetmiddel door een onbevoegde niet kan plaatsvinden zonder dat dit feit achteraf zichtbaar is door beschadiging van een aangebracht beveiligingsmiddel, zoals een loodzegel of een sticker;
- b. een elektronische verzegeling die kan bestaan uit een in de programmatuur opgenomen niet-terugstelbare teller, waarvan de inhoud automatisch wordt verhoogd indien toegang wordt verschaft tot een routine waarin beveiligde parameters kunnen worden aangepast. De inhoud van deze teller moet eenvoudig kunnen worden uitgelezen en moet overeenkomen met de waarde die in het laatste keuringscertificaat is vermeld, zolang de verzegeling niet verbroken is.
Na de eerste keuring alsmede na de herkeuring wordt op het meetmiddel een goedkeuringsmerk aangebracht door de keuringsinstantie of, in geval van herkeuring, door een onderzoeksgerechtigde.
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 1. Keuringsinstellingen
Artikel 8.2.1
De aanwijzing door Onze Minister van een keuringsinstelling als bedoeld in artikel 8.1.10, eerste lid, kan beperkt blijven tot een of meerdere bevoegdheden, alsmede tot een of meerdere meetmiddelen. Van de aanwijzing van een keuringsinstelling wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
De in het eerste lid bedoelde keuringsinstelling beschikt over een kwaliteitssysteem waarin de procedures zijn vastgelegd voor:
- a. het verstrekken van typekeuringscertificaten en certificaten van eerste keuring;
- b. het erkennen van onderzoeksgerechtigden en het door deze verstrekken van certificaten van herkeuring;
- c. het erkennen van instellingen tot het certificeren van kalibratiegas.
De aanwijzing kan door Onze Minister worden ingetrokken indien de betrokken keuringsinstelling daarom verzoekt, indien de keuringsinstelling niet meer beschikt over het in het tweede lid vereiste kwaliteitssysteem of indien de keuringsinstelling de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen niet naleeft.
Artikel 8.2.2
De in artikel 8.1.10, eerste lid, bedoelde keuringsinstelling is tevens belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen voortvloeiende uit de erkenning van onderzoeksgerechtigden en de erkenning van instellingen voor het certificeren van kalibratiegas. Het toezicht wordt uitgevoerd door hiertoe door deze keuringsinstelling aangewezen werknemers.
§ 2. Onderzoeksgerechtigden
Artikel 8.2.3
Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als onderzoeksgerechtigde worden erkend ten aanzien van een bepaald meetmiddel, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met i, indien wordt voldaan aan de in de artikelen 8.2.4 en 8.2.5 gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling wordt vastgesteld.
De erkenning wordt verleend op aanvraag en tegen betaling van het door de keuringsinstelling vastgestelde tarief.
De aanvraag bevat gegevens met betrekking tot de organisatie van de onderneming of instelling, haar personele bezetting en de ten behoeve van het onderzoek te gebruiken standaarden en andere materiële middelen.
Artikel 8.2.4
De onderneming of instelling is voor wat betreft organisatie, personeel en materieel zodanig ingericht en beschikt over zodanige documentatie, dat zij in staat is met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat voldaan wordt aan de in de afdelingen 3 en 4 ten aanzien van het desbetreffende meetmiddel gestelde eisen.
Artikel 8.2.5
De aanvrager van een erkenning als onderzoeksgerechtigde beschikt over een relevant kwaliteitssysteem dat zodanig is opgezet, dat wordt voldaan aan de kwaliteitsnorm NEN-EN-ISO 9001 in de meest recente versie of dat een naar het oordeel van de keuringsinstelling minimaal gelijkwaardig kwaliteitsniveau biedt. Hieraan wordt in ieder geval voldaan indien de aanvrager het desbetreffende NEN-EN-ISO-certificaat kan overleggen.
Artikel 8.2.6
In de beschikking van de keuringsinstelling houdende erkenning als onderzoeksgerechtigde worden de in verband met die erkenning van belang zijnde gegevens met betrekking tot de organisatorische, personele en materiële inrichting van de onderneming of instelling vastgelegd.
Van de beschikking houdende erkenning als onderzoeksgerechtigde wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 8.2.7
Op een onderneming of instelling die als onderzoeksgerechtigde is erkend, rusten de volgende verplichtingen:
- a. steeds wordt voldaan aan de in de artikelen 8.2.4 en 8.2.5 gestelde eisen;
- b. de standaarden en andere hulpmiddelen benodigd voor de herkeuring bevinden zich steeds in goede staat van onderhoud;
- c. elke herkeuring wordt op een dusdanige wijze verricht, dat met voldoende mate van zekerheid wordt vastgesteld of het betrokken meetmiddel voldoet aan de daaraan gestelde eisen. De procedure voor het uitvoeren van een herkeuring is vastgelegd in het in artikel 8.2.5 bedoelde kwaliteitssysteem van de onderzoeksgerechtigde;
- d. na elke herkeuring met een positief resultaat wordt aan de eigenaar of houder van het betrokken meetmiddel een certificaat van herkeuring verstrekt van een door de keuringsinstelling vastgesteld model;
- e. gedurende ten minste twee jaar wordt een afschrift bewaard van elk overeenkomstig onderdeel d afgegeven certificaat;
- f. er worden geen certificaten afgegeven voor meetmiddelen ten aanzien waarvan de erkenning niet geldt, voor meetmiddelen die niet aan de eisen voldoen of voor meetmiddelen waarvoor een certificaat niet vereist wordt.
Artikel 8.2.8
Een onderneming of instelling die als onderzoeksgerechtigde is erkend, stelt voorafgaand aan de herkeuring van een niet-mechanisch meetmiddel aan de hand van de documentatie, behorende bij de voor dat meetmiddel geldende typegoedkeuring, vast dat het betrokken meetmiddel niet op zodanige wijze is aangepast dat niet meer verondersteld mag worden dat het meetmiddel overeenstemt met het goedgekeurde type.
Artikel 8.2.9
De erkenning wordt door de keuringsinstantie bij beschikking ingetrokken indien niet langer wordt voldaan aan de eisen bedoeld in artikelen 8.2.4 en 8.2.5 of indien één of meer van de in artikel 8.2.7 vermelde verplichtingen of de financiële verplichting als bedoeld in artikel 8.2.10 niet worden nageleefd.
Van de beschikking houdende intrekking van de erkenning als onderzoeksgerechtigde wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 8.2.10
De onderzoeksgerechtigde is gehouden tot betaling aan de keuringsinstantie van het door deze keuringsinstelling terzake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.
§ 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
Artikel 8.2.11
Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als inrichting voor het certificeren van kalibratiegas voor uitlaatgastesters worden erkend, indien wordt voldaan aan de in het tweede lid gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling wordt vastgesteld.
De organisatie, het personeel en materieel is zodanig ingericht, dat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het te certificeren kalibratiegas de vereiste kwaliteit heeft. De standaarden die bij het certificeren worden gebruikt, zijn afgeleid van standaarden van de instelling, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Metrologiewet, dan wel van andere, door Onze Minister aangewezen standaarden.
Artikel 8.2.12
De erkenning wordt verleend op aanvraag en tegen betaling van het door de keuringsinstelling vastgestelde tarief.
De aanvraag bevat gegevens met betrekking tot de organisatie van de onderneming of instelling, haar personele bezetting en de ten behoeve van het onderzoek te gebruiken standaarden en andere materiële middelen.
Artikel 8.2.13
In de beschikking van de keuringsinstantie houdende erkenning als erkende instelling of onderneming voor het certificeren van kalibratiegas worden de in verband met die erkenning van belang zijnde gegevens met betrekking tot de organisatorische, personele en materiële inrichting van de onderneming of instelling vastgelegd.
Van de beschikking houdende erkenning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 8.2.14
Op de tot het certificeren van kalibratiegas erkende inrichting rusten de volgende verplichtingen:
- a. steeds wordt voldaan aan de in artikel 8.2.11 gestelde eisen;
- b. de standaarden en hulpmiddelen, benodigd voor het certificeren, bevinden zich steeds in een goede staat van onderhoud;
- c. een certificaat wordt slechts afgegeven voor gas dat is samengesteld, verpakt en gecertificeerd overeenkomstig het gestelde in artikel 8.4.76 en dat als gecertificeerd kalibratiegas in de handel wordt gebracht;
- d. de gegevens betreffende de uitvoering van het gestelde in artikel 8.2.12, voorzover van belang met betrekking tot het certificeren, worden vastgelegd;
- e. de gegevens, bedoeld in onderdeel d, worden gedurende ten minste vijf jaar bewaard.
Artikel 8.2.15
De erkenning tot het certificeren van kalibratiegas wordt ingetrokken indien niet langer wordt voldaan aan de eisen bedoeld in artikel 8.2.11 of indien één of meer van de in artikel 8.2.14 vermelde verplichtingen niet worden nageleefd.
Van de beschikking tot intrekking van de erkenning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 8.2.16
De erkende instantie is gehouden tot betaling aan de keuringsinstelling van het door deze keuringsinstelling ter zake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
Artikel 8.3.1
De in artikel 1.3 vermelde meetmiddelen voldoen, tenzij in afdeling 1 of 4 anders is bepaald, aan de in deze afdeling gestelde eisen.
Artikel 8.3.2
Het meetmiddel is van een zodanige opbouw en werking, dat de toetsing aan dit hoofdstuk redelijkerwijs mogelijk is.
Het meetmiddel is zodanig ingericht, dat er geen misverstanden kunnen ontstaan met betrekking tot de aangewezen of geregistreerde meetwaarde.
Het meetmiddel is niet voorzien van een voor de gebruiker toegankelijke justeerinrichting of andere instelinrichting die de meetnauwkeurigheid kan beïnvloeden, tenzij het gebruik van deze inrichtingen in de specifieke eisen is toegestaan.
Het meetmiddel heeft zodanige eigenschappen, dat geen onredelijke eisen gesteld worden aan de vaardigheid en inspanning van de gebruiker.
Artikel 8.3.3
Bij het onderzoek naar de gevoeligheid voor invloedsfactoren wordt niet meer dan één onafhankelijke invloedsfactor gelijktijdig in beschouwing genomen.
In afwijking van het eerste lid geldt voor elektronische meetmiddelen die niet door het lichtnet worden gevoed dat gelijktijdig aan de eisen genoemd in artikel 8.3.4, vierde lid, en 8.3.8 moet worden voldaan.
Artikel 8.3.4
Indien in de specifieke eisen van afdeling 4 een controle-inrichting is voorgeschreven, stemt de werking en het resultaat van deze inrichting overeen met de door de fabrikant vastgelegde specificaties. Een onderbouwing van de waarde van het controleresultaat gerelateerd aan de maximale fout van het meetmiddel, wordt bij de aanbieding voor de typekeuring door de aanbieder overgelegd.
De maximale fouten, genoemd in afdeling 4, gelden onder de vastgelegde gebruiksomstandigheden en bij gebruik van de meetmiddelen overeenkomstig de handleiding behorende bij het meetmiddel.
Indien het meetmiddel wordt blootgesteld aan een verstoring, bedraagt een daarvan het gevolg zijnde verandering van de fout in de aanwijzing of registratie niet meer dan de waarde van de maximale fout, genoemd in afdeling 4. Aan deze eis behoeft niet te worden voldaan indien de verstoring tot gevolg heeft dat:
- a. het meetresultaat niet kan worden vastgesteld, of
- b. het meetresultaat een zodanige fout vertoont dat de gebruiker onontkoombaar de ongeldigheid van de meting zal opmerken.
De vastgelegde gebruiksomstandigheden voor de omgevingstemperatuur omvatten het temperatuurgebied van –10 °C tot 40 °C. Het vermelde temperatuurgebied mag beperkt zijn tot het gebied van ten minste 5 °C tot 40 °C.
Bij het onderzoek voor de typekeuring overlegt de aanbieder een schriftelijke verklaring waarin wordt bevestigd dat het meetmiddel voldoet aan de gestelde eisen. Tevens doet hij daarbij een opgave van de periode waarover het meetmiddel, bij normaal gebruik en bij correcte uitvoering van eventuele door de gebruiker te verrichten justeringen, wordt verwacht te voldoen aan de eisen met betrekking tot de maximale fout.
Artikel 8.3.5
Elk meetmiddel is voorzien van de volgende duidelijk leesbare en onuitwisbare opschriften:
- a. het fabrikaat;
- b. het bouwjaar;
- c. de type-aanduiding;
- d. het typegoedkeuringsnummer;
- e. het serienummer;
- f. de eenheid waarin de gemeten grootheid wordt uitgedrukt;
- g. het aanwijsbereik;
- h. eventuele gebruiksbeperkende omstandigheden, en
- i. het temperatuurgebied waarbinnen aan de eisen van het meetmiddel wordt voldaan, tenzij anders is aangegeven in afdeling 4.
Indien een meetmiddel is opgebouwd uit een aanwijseenheid met een separaat aan te sluiten meeteenheid, zijn de aanduidingen a tot en met e tevens vermeld op de separate meeteenheid. De aanduidingen f tot en met h zijn aangebracht in de onmiddellijke nabijheid van de aanwijzing en worden herhaald bij elke aanwijsinrichting.
Voor zover de meetmiddelen zijn voorzien van een registratie-inrichting worden op elke registratie ten minste de aanduidingen, genoemd in het eerste lid, onder e en f, vastgelegd.
Aanwijzingen en registraties bedoeld voor de gebruiker van het meetmiddel moeten in de Nederlandse taal zijn gesteld.
Andere vermeldingen dan genoemd in de voorgaande leden mogen worden aangebracht, mits deze geen aanleiding kunnen geven tot misleiding of misvatting.
Artikel 8.3.6
Meetmiddelen zijn voorzien van een handleiding in de Nederlandse taal, tenzij anders is bepaald in afdeling 4.
Ter beoordeling van de meetresultaten bevat de in het eerste lid bedoelde handleiding tenminste:
- a. een korte en overzichtelijke procedure voor het gebruik van het meetmiddel bij de uitvoering van de algemene periodieke keuring van een voertuig, waaronder in elk geval wordt verstaan een stroomschema;
- b. de uit te voeren controles voorafgaande aan of tijdens de metingen;
- c. de betekenis van een controleresultaat;
- d. een beschrijving van eventueel door het instrument gegeven meldingen;
- e. de informatie benodigd voor een juiste interpretatie van het meetresultaat, en
- f. de in afdeling 4 vermelde nadere informatie.
§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
Artikel 8.3.7
Elektronische meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, voldoen, tenzij in afdeling 1 of 4 anders bepaald, aan de in deze paragraaf gestelde eisen.
Artikel 8.3.8
De eisen met betrekking tot de maximale fout hebben betrekking op het gehele gebied van praktisch voorkomende voedingspanningen. Aan de eis met betrekking tot de maximale fout wordt voldaan indien het instrument voldoet aan artikel 8.3.9, onderdeel a.
Artikel 8.3.9
Het meetmiddel voldoet wat betreft storingsgevoeligheid aan de volgende eisen:
- a. het meetmiddel is ongevoelig voor elektromagnetische invloeden. Aan deze eis wordt voldaan, indien de apparatuur de testen van International Document n° 11 General Requirements for Electronic Measuring Instruments (1994) doorstaat. De volgende testen met het aangegeven storingsniveau (zwaarte) zijn van toepassing:
| Omschrijving | Geldende eis | Artikel | Zwaarte |
|---|---|---|---|
| spanningsvariatie | 8.3.4, tweede lid | B.6 | 1 |
| spanningsonderbreking | 8.3.4, derde lid | B.7 | 2a en 2b |
| bursts (transienten) | 8.3.4, derde lid | B.8 | 2 |
| elektrostatische ontlading | 8.3.4, derde lid | B.9 | 1 |
| elektromagnetische instraling | 8.3.4, derde lid | B.10 | 2 |
- b. indien het meetmiddel is uitgerust om te kunnen worden gevoed door het boordnet van voertuigen, voldoet dit aan de eisen gesteld in ISO 7637;
- c. indien het meetmiddel is opgebouwd uit afzonderlijke onderdelen, waarbij tussen de afzonderlijke onderdelen signaaloverdracht plaatsvindt, is het meetmiddel zodanig ingericht dat een juiste signaaloverdracht gewaarborgd is. Indien verstoringen van een andere aard dan genoemd onder a en b, zoals mechanische beschadigingen van de verbindingskabels, niet kunnen worden uitgesloten, moet verzekerd zijn dat bij het optreden van deze verstoringen voldaan wordt aan artikel 8.3.4, derde lid;
- d. in afwijking van het in onderdeel a genoemde storingsniveau geldt voor een bromfietsrollentestbank het storingsniveau 3 van de elektromagnetische instraling.
Artikel 8.3.10
De metrologisch relevante programmatuur van het meetmiddel voldoet aan de volgende eisen:
- a. bij de typekeuring moet de te gebruiken programmatuur redelijkerwijs kunnen worden onderzocht. De aanbieder moet daartoe de middelen ter beschikking stellen zoals de benodigde documentatie waarin de werking van de programmatuur in voldoende detail wordt weergegeven;
- b. de programmatuur is in een zodanige vorm in het meetmiddel aanwezig, dat wijziging van de programmatuur, leidend tot een besturingscode die niet in de typekeuring is onderzocht niet mogelijk is zonder verbreking van een verzegeling;
- c. de programmatuur is voorzien van een routine waardoor een zodanige identificatiecode wordt gegenereerd, dat elke wijziging in de programmatuur automatisch door middel van deze identificatiecode kan worden gesignaleerd;
- d. door de fabrikant wordt aan elke programmatuurversie een vast versienummer toegekend, dat tezamen met de door de programmatuur zelf gegenereerde identificatiecode als bedoeld onder c, de volledige identificatie van de programmatuur vormt. Dit versienummer wordt bij elke programmatuurwijziging die invloed kan hebben op de functies en de juistheid van het meetmiddel, door de fabrikant aangepast;
- e. indien de frequentie van een interne frequentiebron van invloed is op het meetresultaat, mag de frequentie geen grotere afwijking hebben van zijn nominale waarde dan overeenkomend met één tiende van de maximale fout.
§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Artikel 8.3.11
Een hulpinrichting is zodanig opgebouwd dat zij:
- a. de eigenschappen van het meetmiddel niet nadelig kan beïnvloeden;
- b. onder gebruiksomstandigheden zoals deze voor het meetmiddel gelden, juist blijft functioneren;
- c. geen aanleiding kan vormen tot misleiding of misvatting.
Een testcertificaat, bedoeld in het eerste lid, moet zijn afgegeven door een keuringsinstelling op grond van een door die instelling uitgevoerd onderzoek. De hulpinrichting is zodanig opgebouwd, dat zij:
- a. de eigenschappen van het meetmiddel niet nadelig kan beïnvloeden;
- b. onder gebruiksomstandigheden zoals deze voor het meetmiddel gelden, juist blijft functioneren;
- c. geen aanleiding kan vormen tot misleiding of misvatting.
Artikel 8.3.12
Hulpinrichtingen mogen worden aangesloten op de in deze regeling vermelde meetmiddelen indien de desbetreffende combinatie voor gebruik is goedgekeurd.
Indien de in het eerste lid bedoelde combinatie niet voor gebruik is goedgekeurd, mag een hulpinrichting worden aangesloten op een in deze regeling genoemd meetmiddel indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- a. de hulpinrichting voldoet aan de voorwaarden gesteld in het typekeuringscertificaat van het meetmiddel, waarin in elk geval de aansluiting van de desbetreffende hulpinrichting op het meetmiddel wordt toegestaan;
- b. de hulpinrichting is voorzien van een CE-markering als bedoeld in artikel 1, onderdeel e, van het Meetinstrumentenbesluit I, en
- c. voor de hulpinrichting is een testcertificaat afgegeven, tenzij anders is vermeld in het typekeuringscertificaat.
§ 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Artikel 8.3.13
Een hulpinrichting, bestaande uit een voorziening als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, onderdeel b, van bijlage XII, is voorzien van een geldig testcertificaat.
Het testcertificaat wordt afgegeven door een keuringsinstelling.
Artikel 8.1.8 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.3.14
Een hulpinrichting, bestaande uit een voorziening als bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel b, van bijlage XII is voorzien van een geldig controle certificaat.
Het controlecertificaat wordt afgegeven door een keuringsinstelling of een onderzoeksgerechtigde.
De artikelen 8.1.9 en 8.2.1 tot en met 8.2.9 zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
§ 1.1. Algemeen
Artikel 8.4.1
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. opaciteit: de mate waarin lichtabsorptie plaatsvindt in het uitlaatgas dat door een roetmeter wordt geleid. Deze mate van lichtabsorptie is afhankelijk van de weglengte waarover de lichtabsorptie plaatsvindt en wordt aangeduid door de grootheid N die de afname van de lichtflux over de weglengte in het uitlaatgas, uitdrukt in een percentage van de onverzwakte lichtflux. In formule: Hierin is: N de opaciteit (uitgedrukt in %); φo de onverzwakte lichtflux; φL de lichtflux resterend na de lichtweg L;
- b. absorptiecoëfficiënt: maat voor de lichtabsorptie van het uitlaatgas, die karakteristiek is voor de opaciteit van het uitlaatgas en in getalwaarde onafhankelijk is van de weglengte waarover de opaciteit wordt gemeten. De absorptiecoëfficiënt wordt aangeduid door grootheid k, die de negatieve waarde van natuurlijke logaritme van de transmissie per meter lichtweg door het uitlaatgas voorstelt. In formule: Hierin is: K de absorptiecoëfficiënt (uitgedrukt in m–1); L de weglengte die het licht in het uitlaatgas aflegt in meter;
- c. fysische responsie: het specifieke dynamische gedrag van dat deel van de roetmeter dat de waarde van de absorptiecoëfficiënt van het gas in de uitlaat omzet in de opaciteitswaarde die het primaire meetsignaal vormt;
- d. normlengte: de gestandaardiseerde lengte voor de meetkamer gebruikt voor de berekening van de genormeerde opaciteit te weten 430 mm;
- e. ongecorrigeerde opaciteit: het meetsignaal evenredig met de momentele waarde van de opaciteit, niet gecorrigeerd voor druk, temperatuur of verschil tussen de werkelijke lengte en de normlengte van de meetkamer;
- f. genormeerde opaciteit: de berekende waarde van de opaciteit zoals deze zou worden gemeten in een meetkamerlengte gelijk aan de normlengte;
- g. correctiefilter: een elektrisch filter opgenomen in het signaalpad met een karakteristiek aangepast aan de fysische responsie;
- h. hoofdfilter: het elektrisch filter met een vaste karakteristiek, dat is opgenomen in het signaalpad en dat als ingangssignaal de genormeerde opaciteit heeft;
- i. piekwaarde detectie-inrichting: de inrichting die de maximale waarde bepaalt van een roetuitstoot, uitgaande van het, gedurende de vrije acceleratie van de voertuigmotor, gemeten verloop van deze roetuitstoot;
- j. meetresultaat: de waarde van de absorptiecoëfficiënt van het uitlaatgas zoals deze, beïnvloedt door de fysische en elektrische responsie van de roetmeter, is gemeten op het moment bepaald door de piekwaarde detectie-inrichting.
Artikel 8.4.2
In de handleiding behorende bij de roetmeter moet naast de informatie genoemd in artikel 8.3.6 het volgende zijn opgenomen:
- a. de wijze waarop een sonde in de uitlaat van het voertuig moet worden geplaatst;
- b. eventuele aanwijzingen met betrekking tot een te gebruiken sonde voor bepaalde voertuigtypen.
§ 1.2. Technische eisen
§ 1.1. Algemeen
Artikel 8.4.3
De roetmeter is voorzien van:
- a. een analoge of digitale aanwijzing van de ongecorrigeerde opaciteit;
- b. een automatisch werkende instelling voor 0% en 100% ongecorrigeerde opaciteit. De desbetreffende justeerinrichting moet door de gebruiker in werking kunnen worden gesteld in de functiestand CONTROLE (of een gelijksoortige benaming), doch de werking mag niet door de gebruiker kunnen worden beïnvloed. De justeerinrichting moet zodanig functioneren, dat bij de justering op 0% gewaarborgd is dat geen onjuiste instelling kan plaatsvinden als gevolg van in de meetkamer binnentredende uitlaatgassen;
- c. een inrichting waarmee de lineariteit van de aanwijzing van de ongecorrigeerde opaciteit kan worden gecontroleerd. Deze inrichting moet ten minste gelijkwaardig zijn aan die waarbij de roetmeter voorzien is van een geschikt optisch filter, dat een zwarting heeft overeenkomend met een aanwijzing die ligt tussen 15% en 60% ongecorrigeerde opaciteit en waarbij de juiste waarde van het filter, uitgedrukt in ongecorrigeerde opaciteit, op het filter is vermeld;
- d. een software-routine waarmee een afdruk kan worden gemaakt van de metrologisch belangrijke parameters, die instelbaar zijn teneinde aan verschillende nationale voorschriften te kunnen voldoen. Deze voorziening is niet vereist indien door middel van software-identificatie als bedoeld in artikel 8.3.10, onderdeel c, op een eenvoudige manier is vast te stellen dat de correcte parameters zijn ingesteld;
- e. een beveiliging die het gebruik in de functiestand PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming) verhindert, indien direct voorafgaand aan de meting de olietemperatuur van de in het onderzoek betrokken motor lager is dan 60 °C. Het is toelaatbaar om de mogelijkheid in te bouwen handmatig een lagere temperatuur in te voeren; in dat geval moet deze lagere waarde vastgelegd worden en op de afdruk van de keuringsresultaten herkenbaar zijn aan het toegevoegde teken ‘#’. De bedoelde beveiliging mag buiten werking worden gesteld, doch in dat geval moet op de registratie van de meetresultaten het teken ‘#’ zijn weergegeven zonder een temperatuurwaarde;
- f. een testaansluiting die, in afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.1, onder ‘testaansluiting’, de mogelijkheid biedt om direct, dan wel door berekening, gedurende tenminste 20 seconden de momentele waarde te volgen van de absorptiecoëfficiënt, niet beïnvloed door de werking van het hoofdfilter, inclusief normaal toegepaste correcties.
§ 1.2.2. Maximale fout
Artikel 8.4.4
De in de volgende leden opgenomen eisen worden getoetst ten opzichte van het verloop van de roetuitstoot als functie van de tijd, zoals dit verloop bij de maximale gasstroomsnelheid optreedt.
De maximale fout van de roetmeter wordt gecontroleerd door vergelijking met een standaard roetmeter voor roetuitstoot door een representatief aantal personenauto’s en bedrijfsauto’s. De fout in de waarde gepresenteerd door of berekend uit het signaal van de testconnector mag niet meer bedragen dan 0,3 m–1 + 5%. Deze maximale fout geldt voor een roetpiek met een breedte van ten minste 0,25 seconde en een vlakheid binnen 20% van de gemiddelde waarde binnen deze 0,25 seconde.
De specifieke fysische responsie van de roetmeter moet zodanig zijn aangevuld met een elektrisch correctiefilter, dat de piekwaarde zoals deze kan worden bepaald uit het op de testaansluiting gepresenteerde meetsignaal, niet meer dan 5% afwijkt van de waarde die zou worden verkregen indien de fysische responsie een verwaarloosbare invloed zou hebben en de werkelijke waarde van de roetpiek uitsluitend zou worden gereduceerd door een eerste orde elektrisch filter dat in 0,4 seconde 90% van een stapvormige verandering aanwijst. Deze eis geldt voor een willekeurige vorm van de roetpiek zoals deze onder praktische omstandigheden kan worden verkregen.
De roetmeter moet zijn voorzien van een elektrisch filter dat volgens een vaste karakteristiek het meetsignaal beïnvloedt. Dit filter moet zijn opgenomen in het meetsignaal dat de waarde van de genormeerde opaciteit weergeeft. Dit hoofdfilter moet beantwoorden aan de volgende karakteristiek:
Hierin is:
N i het ingangssignaal van het filter;
N u het uitgangssignaal van het filter;
t de tijd in seconden;
τ de filterconstante in seconden;
De nominale waarde voor τ hierin is:
De tolerantie van de karakteristiek van het hoofdfilter wordt begrensd door de karakteristieken gevonden voor τ = 0,44 s en τ = 0,43 s.
De overeenkomstige karakteristiek in numerieke vorm wordt weergegeven door:
Y n = (1 – δ ) * Xn + δ * Yn–1
Hierin geldt voor δ de volgende waarde:
δ = 10 –ts
In het bovenstaande is ts de bemonsteringstijd in seconden van de ingangsgrootheid X en de waarde Y is de uitgangsgrootheid van het filter. De index n stelt het volgnummer van de bemonstering voor.
De maximale verschuiving van de aanwijzing zonder doorvoer van uitlaatgas bij de aanwijzing 0% en 100% opaciteit mag niet meer bedragen dan 1% ongecorrigeerde opaciteit per uur of, indien justering als bedoeld in artikel 8.4.3, onderdeel b, na een bepaald tijdsinterval plaatsvindt, niet meer dan 0,5% ongecorrigeerde opaciteit over dit tijdsinterval.
§ 1.2.1. Controle-inrichtingen
Artikel 8.4.5
Het optisch systeem voldoet aan de volgende eisen:
- a. de toegepaste lichtbron is hetzij een gloeilamp, waarvan de kleurtemperatuur een waarde moet hebben die tussen 2800 K en 3250 K ligt, hetzij een diode die licht emitteert met een golflengte- piekwaarde tussen de 550 nm en 570 nm;
- b. indien als lichtbron een gloeilamp wordt gebruikt, komt de spectrale gevoeligheidskarakteristiek van de foto-elektrische cel overeen met de genormeerde spectrale gevoeligheidskromme van het menselijk oog;
- c. de opbouw van het optisch systeem moet zodanig zijn dat uitwendige lichtbronnen en interne reflecties geen storende invloed hebben op de juiste werking van de roetmeter;
- d. de opbouw van het optisch systeem moet zodanig zijn dat herhaalde reflectie tussen het optisch filter en andere reflecterende oppervlakken een verwaarloosbare invloed heeft op de effectieve waarde van het optisch filter tenzij deze reflecties een bekende en stabiele bijdrage hebben in deze effectieve waarde van het filter en geen storende invloed hebben op de controle van de lineariteit;
- e. de opbouw van het optisch systeem dient zodanig te zijn dat regelmatige reiniging, indien noodzakelijk, door de gebruiker op een eenvoudige wijze kan worden uitgevoerd, zonder risico dat de juiste werking van de roetmeter hierdoor nadelig wordt beïnvloed.
§ 1.2.2. Maximale fout
Artikel 8.4.6
Een meetcuvet wordt op een temperatuur gehouden die ligt tussen de waarden 80 °C en 110 °C, tenzij door de aanbieder bij de typekeuring onomstotelijk wordt aangetoond dat een lagere temperatuur dan wel het achterwege laten van een verwarming van dat cuvet een verwaarloosbare invloed heeft.
De temperatuur van het uitlaatgas moet worden bepaald met een temperatuuropnemer waarvan de positie en de responsiesnelheid zodanig zijn dat voldaan wordt aan hetgeen gesteld is in het vierde lid.
De opwarmtijd van de roetmeter mag niet meer bedragen dan 15 minuten bij omgevingstemperaturen boven 10 °C en niet meer dan 20 minuten bij omgevingstemperaturen boven –10 °C. Tijdens deze opwarmtijd moeten metingen met de roetmeter niet mogelijk zijn.
Het meetresultaat moet zijn gecorrigeerd voor de feitelijke temperatuur van het uitlaatgas ter plaatse waar de lichtabsorptie wordt gemeten. De correctie moet zodanig nauwkeurig worden berekend, dat de absorptiecoëfficiënt wordt weergegeven voor een uitlaatgastemperatuur van 100 ± 5 °C.
§ 1.2.3. Optisch systeem
Artikel 8.4.7
Een in de uitlaat van het motorvoertuig gebrachte sonde mag geen merkbare invloed hebben op de motorwerking.
Een in de uitlaat geplaatste sonde moet zodanig zijn gepositioneerd, dat effecten van de wand van het uitlaatsysteem verwaarloosbaar zijn. Hieraan wordt voldaan indien de opening van de sonde zich op een afstand van tenminste 5 mm van de wand van de uitlaat bevindt.
Een monsternameslang moet van een zodanige opbouw zijn dat effecten veroorzaakt door condensatie worden geëlimineerd. Aan deze eis wordt voldaan als een ingangstemperatuur van 150 °C niet tot een lagere uitgangstemperatuur leidt dan 50 °C bij een gasstroomsnelheid in de uitlaat van niet meer dan 50 m/s en een omgevingstemperatuur van –10 °C dan wel 5 °C als een beperkende gebruiksomstandigheid voor het temperatuurgebied als bedoeld in artikel 3.4, vierde lid, geldt. De monsternameslang moet zijn voorzien van een identificatie.
§ 1.2.4. Temperatuuraspecten
Artikel 8.4.8
De roetmeter moet ten minste in de twee volgende functiestanden kunnen worden ingesteld:
- a. de functiestand CONTROLE (of een gelijksoortige benaming). In deze functiestand moet de waarde van de ongecorrigeerde opaciteit worden aangegeven, moet de justeerinrichting kunnen worden bediend en moet de controle als bedoeld in artikel 4.3, onderdeel c, plaats kunnen vinden;
- b. de functiestand PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming). In deze functiestand moet de gecorrigeerde waarde voor absorptiecoëfficiënt van de roetpiek zoals deze zich in de acceleratiefase voordoet, worden weergegeven.
De roetmeter mag zijn voorzien van een functiestand ‘ONGEFILTERDE PIEKWAARDE’, waarin de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt wordt aangewezen, niet beïnvloed door de werking van het hoofdfilter. In dat geval moet op de registratie het gebruik van deze functiestand zijn aangegeven.
Andere functiestanden en aanwijzingen zijn toegestaan, mits deze geen aanleiding tot misleiding of misvatting geven.
§ 1.2.5. Monsternamesysteem
Artikel 8.4.9
De roetmeter is voorzien van een analoge of digitale aanwijsinrichting die ten minste de volgende aanwijzingen presenteert:
- a. in de functiestand ‘CONTROLE’ (of een gelijksoortige benaming) de ongecorrigeerde waarde van de opaciteit over het bereik van 0% tot 100%. De kleinste stap in de aangewezen waarde moet 0,1% bedragen;
- b. de piekwaarde van de gecorrigeerde absorptiecoefficiënt over het bereik van ten minste 0 m–1 tot 5,5 m–1. De kleinste stap in de aangewezen waarde mag niet meer dan 0,02 m–1 bedragen.
§ 1.2.6. Functiestanden
Artikel 8.4.10
De roetmeter is voorzien van een interne of externe afdruk-inrichting waarmee ten minste de volgende gegevens worden vastgelegd:
- a. de datum en het tijdstip waarop de metingen worden uitgevoerd en, indien de justering niet automatisch vóór elke meetcyclus plaatsvindt, de datum en het tijdstip waarop de laatste justering heeft plaatsgevonden;
- b. de informatie van het desbetreffende voertuig:
- 1°. de minimale en maximale waarde van het stationair toerental;
- 2°. de minimale en maximale waarde van het afregeltoerental;
- 3°. de maximale waarde van de absorptiecoëfficiënt;
- 4°. de minimale waarde van de motorolietemperatuur;
- c. de uitgangspunten:
- 1°. de soort meetsonde: opgave volgens handleiding roetmeter;
- 2°. de aanduiding van de functiestand, indien dit niet de functiestand CONTROLE of PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming) is;
- d. de meetresultaten van de drie geldige meetcycli:
- 1°. de gemiddelde waarde van het stationaire toerental, gedurende de laatste vijf seconden voor het gasgeven;
- 2°. de gemiddelde waarde van het afregeltoerental;
- 3°. de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt;
- 4°. de voor de aanvang van de cyclus gemeten motorolietemperatuur dan wel het teken als bedoeld in artikel 8.4.3, onderdeel e.
Indien de meting, ongeacht de reden, vroegtijdig wordt beëindigd, moeten de tot dan gemeten gegevens met de afdrukinrichting kunnen worden vastgelegd.
Andere informatie, dan bedoeld in het eerste of tweede lid, mag worden geregistreerd voorzover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
§ 1.2.7. Aanwijsinrichting
Artikel 8.4.11
De roetmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter overeenkomstig het bepaalde in de paragrafen 2 en 3 van dit hoofdstuk.
Indien de roetmeter niet is voorzien van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter, moet de roetmeter zijn voorzien van een signaalingang waarmee het meetsignaal van een separate toerenteller en olietemperatuurmeter kan worden overgedragen naar de roetmeter.
§ 1.2.8. Registratie-inrichting
Artikel 8.4.12
Alvorens tot de meting wordt overgegaan, moeten de gegevens, zoals bedoeld in artikel 8.4.10, eerste lid, onderdeel b, in de roetmeter kunnen worden ingevoerd.
De programmatuur van de roetmeter moet zodanig zijn dat degene die het apparaat bedient automatisch door de in het derde lid bedoelde meetprocedure wordt geleid.
De meetprocedure moet achtereenvolgens ten minste de volgende stappen doorlopen:
- a. invoeren van de gegevens als bedoeld in artikel 8.4.10, eerste lid, onderdelen b en c;
- b. automatische controle of:
- 1°. alle onder punt a bedoelde gegevens zijn ingevoerd;
- 2°. de minimum motorolietemperatuur, zoals bedoeld in artikel 8.4.3, onderdeel e, is bereikt, tenzij deze controle is uitgeschakeld;
- 3°. het stationair toerental gedurende 5 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt; en
- 4°. het afregeltoerental gedurende 2 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt;
- c. indien de resultaten van de onder punt b uitgevoerde controle juist zijn, mag de roetmeter de testprocedure vrijgeven;
- d. nadat het stationair toerental na een periode van tenminste 10 seconden gedurende 5 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt, wordt aangeven dat het gaspedaal moet worden ingedrukt;
- e. nadat het afregeltoerental 2 seconden is gehandhaafd, wordt aangegeven dat het gaspedaal moet worden losgelaten;
- f. de roetmeter geeft aan dat de meetprocedure wordt beëindigd indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste of de tweede test kleiner is dan of gelijk is aan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1. In dit geval is de absorptiecoëfficiënt van de eerste of de tweede test de berekende absorptiecoëfficiënt, bedoeld in onderdeel g. Indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste test of van zowel de eerste als de tweede test niet kleiner is dan of gelijk is aan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1, worden de punten d en e automatisch eenmaal herhaald;
- g. automatisch, indien van toepassing, wordt het rekenkundig gemiddelde van de absorptiecoëfficiënten van drie achtereenvolgende testen berekend. Als de berekende absorptiecoëfficiënt kleiner of gelijk is aan 2,5 m–1, dan mogen de meetwaarden van deze drie testen onderling niet meer afwijken dan 0,5 m–1. Als de berekende absorptiecoëfficiënt groter is dan 2,5 m–1, dan mogen de meetwaarden van deze drie testen onderling niet meer afwijken dan 0,7 m–1. Indien blijkt dat de afwijking groter is dan 0,5 m–1 respectievelijk 0,7 m–1 moet de test een of meerdere keren worden herhaald, waarbij de berekening telkens opnieuw wordt uitgevoerd.
Artikel 8.4.12a
In afwijking van artikel 8.4.12, derde lid, onderdeel f,
- a. mogen tot 1 januari 2019 voor het verkrijgen van een certificaat van eerste keuring voor roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven de punten d en e van dat artikel ten minste tweemaal automatisch worden herhaald;
- b. kan het ten minste tweemaal automatisch herhalen van de punten d en e van dat artikel van toepassing blijven op het verkrijgen van een certificaat van herkeuring voor roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven.
Roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven, kunnen worden omgebouwd tot roetmeters die aangeven dat de meetprocedure wordt beëindigd indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste of tweede meting kleiner of gelijk is dan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1.
§ 2. Toerentellers
§ 1.2.10. Meetprogramma
Artikel 8.4.13
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. toerenteller: meetinstrument voor het bepalen van het toerental van de krukas van een voertuigmotor;
- b. geïntegreerde toerenteller: toerenteller deel uitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel;
- c. toerenopnemer: onderdeel van de toerenteller dat signalen afgegeven door de voertuigmotor omzet in een elektrisch signaal en overdraagt aan het verwerkingsgedeelte van de toerenteller.
Artikel 8.4.14
In de handleiding behorende bij de toerenteller moet naast de informatie genoemd in artikel 8.3.6 het volgende zijn opgenomen:
- a. indien de toerenteller voorzien is van meerdere toerenopnemers, de criteria die van belang zijn voor de keuze van een geschikte toerenopnemer;
- b. de wijze waarop de toerenopnemer op of bij de voertuigmotor moet worden geplaatst.
Indien het een geïntegreerde toerenteller betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.
§ 2.2. Technische eisen
Artikel 8.4.15
De maximale fout voor toerentellers bedraagt 10 min–1 voor toerentallen kleiner dan 1000 min–1 en 1% voor toerentallen gelijk aan of groter dan 1000 min–1.
Artikel 8.4.16
De toerenteller moet zijn voorzien van een aanwijsinrichting, die digitaal of analoog het gemeten toerental aangeeft.
De aanwijzing van het toerental moet plaatsvinden in omwentelingen per minuut.
De kleinste afleeseenheid mag ten hoogste een waarde hebben van 10 min–1.
Het meetbereik van een toerenteller moet tenminste het gebied van 500 min–1 tot 6000 min–1 omvatten.
Artikel 8.4.17
Niet-geïntegreerde toerentellers die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan het gemeten toerental kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.
§ 3. Olietemperatuurmeters
§ 3.1. Algemeen
Artikel 8.4.18
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- a. olietemperatuurmeter: meetinstrument voor het bepalen van de temperatuur van de olie van een voertuigmotor;
- b. geïntegreerde olietemperatuurmeter: olietemperatuurmeter deel uitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel;
- c. temperatuuropnemer: onderdeel van de olietemperatuurmeter dat de temperatuur van de motorolie opneemt en omzet in een elektrisch signaal en overdraagt aan het verwerkingsgedeelte van de olietemperatuurmeter.
Artikel 8.4.19
In de handleiding behorende bij de olietemperatuurmeter moet naast de informatie genoemd in artikel 8.3.6 het volgende zijn opgenomen:
- a. indien de olietemperatuurmeter voorzien is van meerdere opnemers, de criteria die van belang zijn voor de keuze van een geschikte opnemer;
- b. de wijze waarop de opnemer in de voertuigmotor moet worden geplaatst.
Indien het een geïntegreerde olietemperatuurmeter betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.
§ 3.2. Technische eisen
Artikel 8.4.20
De maximale fout voor olietemperatuurmeters bedraagt 5 °C voor het temperatuurgebied van 60 °C tot 90 °C. Voor het aanwijsbereik buiten het meettraject van 60 °C tot 90 °C is de maximale fout van de olietemperatuurmeter 8 °C.
Artikel 8.4.21
De aanwijzing van de olietemperatuur moet plaats vinden in graden Celsius (°C).
De kleinste afleeseenheid mag ten hoogste een waarde hebben van 2 °C.
Het meetbereik van een olietemperatuurmeter moet tenminste het gebied van 50 °C tot 100 °C omvatten.
Artikel 8.4.22
De opnemer moet een zodanige lengte hebben en zodanig flexibel zijn dat het temperatuurgevoelige deel op een eenvoudige en bedrijfszekere wijze in de olie kan worden ondergedompeld die zich in het carter van de te onderzoeken voertuigmotor bevindt.
Artikel 8.4.23
Niet-geïntegreerde olietemperatuurmeters die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan de gemeten olietemperatuur kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.
§ 4. Manometers
§ 4.1. Algemeen
Artikel 8.4.24
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- manometer: meetinstrument voor het bepalen van de pneumatische druk in voertuigsystemen;
- geïntegreerde manometer: manometer deeluitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel.
Artikel 8.4.25
In afwijking van het bepaalde in artikel 8.3.6 is een handleiding voor de manometer niet vereist.
§ 4.2. Technische eisen
Artikel 8.4.26
De manometer voldoet aan de volgende eisen:
- a. de gemeten druk moet worden weergegeven in Pascal (Pa) of in bar;
- b. de gemeten waarde moet door analoge of digitale aanwijs- of registratie-inrichtingen gemakkelijk afleesbaar en duidelijk worden aangegeven;
- c. de maximale fout, in plus en in min, van de aangewezen druk bedraagt:
- 1°. in geval van een aanwijsinrichting: voor nieuwe manometers: voor manometers die in gebruik zijn:
- I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 10 kPa (0,1 bar);
- II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2%;
- I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 12,5 kPa (0,125 bar);
- II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2,5%;
- 2°. in geval van een registratie-inrichting: voor nieuwe manometers: voor manometers die in gebruik zijn:
- I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 20 kPa (0,2 bar);
- II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 4%;
- I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 25 kPa (0,25 bar);
- II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 5%;
- d. indien gelijktijdig met de registratie van de druk door middel van dezelfde registratie-inrichting een registratie van de remvertraging of remkracht plaatsvindt, mag in de registratie van gelijktijdige veranderingen in de betrokken meetsignalen, geen tijdverschil optreden waardoor een goede beoordeling van het remsysteem van het voertuig wordt belemmerd.
§ 5. Pedaalkrachtmeters
§ 5.1. Algemeen
Artikel 8.4.27
Onder pedaalkrachtmeter wordt verstaan: meetmiddel voor het bepalen van de kracht waarmee het rempedaal van een voertuig wordt bediend.
De pedaalkrachtmeter is voorzien van een Nederlandstalige handleiding.
§ 5.2. Technische eisen
Artikel 8.4.28
De pedaalkrachtmeter voldoet aan de volgende eisen:
- a. de aanwijzing van de pedaalkracht dient te geschieden in Newton (N);
- b. de meter heeft een bereik van 0 N tot ten minste 700 N;
- c. de eisen, gesteld onder d en e, hebben betrekking op het meetgebied van 100 N tot ten hoogste 800 N;
- d. de maximale fout, in plus en in min, van de aangegeven pedaalkracht moet bedragen:
- 1°. bij een centrisch uitgeoefende pedaalkracht die niet groter is dan 500 N: 50 N;
- 2°. bij een centrisch uitgeoefende pedaalkracht die groter is dan 500 N: 10% van de uitgeoefende pedaalkracht;
- 3°. bij een excentrisch uitgeoefende pedaalkracht van 200 N: 80 N;
- e. het verschil tussen de resultaten van verscheidene metingen van dezelfde pedaalkracht, verricht onder dezelfde omstandigheden en met dezelfde meter, mag niet groter zijn dan 30 N.
§ 6. Remvertragingsmeters
§ 6.1. Algemeen
Artikel 8.4.29
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- gemiddelde waarde: het rekenkundig gemiddelde van, op vaste tijdsafstanden, bepaalde momentele waarden, in aantal voldoende voor de bepaling van het werkelijke gemiddelde;
- resulterende meetwaarde: de gemiddelde waarde van de remvertraging resulterend uit een remtest, berekend uit het verloop van de remvertraging als functie van de tijd;
- standaanwijsinrichting: aanwijzing of signalering voor de juiste stand van de remvertragingsmeter;
- grenswaarde van de standaanwijsinrichting: de door een standaanwijsinrichting aangegeven grenswaarde voor een correcte stand van de remvertragingsmeter. Indien de standaanwijsinrichting bestaat uit een waterpas, is de grenswaarde van de scheefstelling gelijk aan 2 mm verplaatsing van de dampbel uit de middenpositie;
- justeerinrichting: inrichting voor het instellen van de juiste gevoeligheid van de remvertragingsmeter;
- standcorrectie-inrichting: inrichting waarmee de verkregen meetwaarden worden gecorrigeerd voor de stand waarin de remvertragingsmeter in het voertuig wordt geplaatst.
Artikel 8.4.30
In de handleiding behorende bij de remvertragingsmeter moet naast de informatie genoemd in artikel 3.6 de wijze van opstelling van de remvertragingsmeter worden opgenomen waarbij het volgende nader moet worden belicht:
- a. de plaatsing in het voertuig;
- b. de werkwijze voor het horizontaal plaatsen van de remvertragingsmeter;
- c. de betekenis en beperkingen in het gebruik van de resulterende meetwaarde;
- d. de juiste werkwijze bij het gebruik van een justeerinrichting.
§ 6.2. Technische eisen
Artikel 8.4.31
De remvertragingsmeter is zodanig ingericht dat een controle van de juiste aanwijzing bij het nulpunt en bij de lokale waarde van de zwaartekrachtversnelling op een eenvoudige wijze mogelijk is.
De remvertragingsmeter is voorzien van een standaanwijsinrichting tenzij een automatische inrichting een juiste meting zonder een dergelijke inrichting mogelijk maakt.
Artikel 8.4.32
De remvertragingsmeter is voorzien van een justeerinrichting, indien voldaan wordt aan de volgende eisen:
- a. de remvertragingsmeter is voorzien van een standaanwijsinrichting voor elke stand waarin de remvertragingsmeter bij de justering moet worden geplaatst;
- b. de remvertragingsmeter is voorzien van een automatische beveiliging tegen onjuiste justeringen. Aan deze eis wordt voldaan indien gebruik van de remvertragingsmeter alleen mogelijk is indien binnen een vastgelegd tijdsinterval voorafgaand aan het gebruik ten minste twee overeenkomstige justeringen achtereenvolgend zijn uitgevoerd.
Artikel 8.4.33
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een standcorrectie-inrichting indien voldaan wordt aan de volgende eisen:
- a. de standcorrectie-inrichting moet handmatig in werking worden gesteld;
- b. een remvertragingsmeter met een standcorrectie-inrichting mag niet zijn voorzien van een justeerinrichting;
- c. een remvertragingsmeter mag alleen dan van een standcorrectie-inrichting zijn voorzien, indien een automatische inrichting verhindert dat een meting wordt verricht indien geen standcorrectie heeft plaatsgevonden;
- d. een standcorrectie mag alleen kunnen plaatsvinden indien de remvertragingsmeter een stabiele meetwaarde vaststelt, die niet meer bedraagt dan plus of minus 2 m/s2.
Artikel 8.4.34
De maximale fout voor zowel toenemende als afnemende remvertraging bedraagt: 0,1 m/s2.
De maximale fout in de registratie van de meettijd bedraagt 2% van de werkelijke meettijd.
De maximale fout in de meettijd voor de aanwijzing van een verandering van de remvertraging ter grootte van het gehele aanwijsbereik bedraagt 0,1 seconde.
De maximale fout veroorzaakt door de standcorrectie-inrichting of door instelling op de grenswaarde van de standaanwijzing bij gebruik of justering bedraagt 0,02 m/s2.
De maximale fout in de berekening van de resulterende meetwaarde bedraagt 0,02 m/s2.
De maximale fout veroorzaakt door een beperkte afleesnauwkeurigheid van de analoge registratie zoals bedoeld in artikel 8.4.39, derde lid, bedraagt 0,02 m/s2.
Artikel 8.4.35
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer.
Artikel 8.4.36
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van meerdere aanwijsbereiken. Zij moeten in elk geval één aanwijsbereik hebben dat tenminste het gebied van 0 tot 9,81 m/s2 omvat.
Artikel 8.4.37
De remvertragingsmeter heeft een ononderbroken meetduur van ten minste 5 seconden.
Artikel 8.4.38
De remvertragingsmeter is voorzien van een registratie-inrichting, waarmee het verloop van de remvertraging als functie van de tijd wordt vastgelegd.
Artikel 8.4.39
De remvertragingsmeter moet zijn voorzien van een analoge registratie waarmee het verloop van de remvertraging over tenminste 5 seconden zichtbaar wordt gemaakt.
Een analoge registratie moet plaatsvinden op voor het doel geschikt materiaal met voldoende bestendigheid tegen vocht, vuil en temperatuurinvloeden.
Indien de analoge registratie van de remvertraging de aanwijzing van de remvertragingsmeter vormt, dan wel bedoeld is om gebruikt te worden voor de vaststelling van de gemeten waarde, moet zowel een verandering van 1 m/s2 als een tijdsverloop van 1 seconde overeenkomen met een verandering in de registratiepositie van ten minste 5 mm.
Voor remvertragingsmeters waarbij de analoge registratie slechts bedoeld is om te worden benut voor een globale informatie over het verloop van de remvertraging moet de verandering in de registratiepositie zoals bedoeld in het derde lid, ten minste 2,5 mm zijn.
Artikel 8.4.40
Indien de analoge presentatie niet voldoet aan de eis genoemd in artikel 8.4.39, derde lid, of de eis genoemd in artikel 8.4.34, zesde lid, moet de remvertragingsmeter na elke meting een meetwaardetabel leveren waarin het verloop van de remvertraging als functie van de tijd en waar mogelijk de resulterende meetwaarde wordt weergegeven.
De registratie van de remvertraging moet plaatsvinden met een interval tussen de verschillende meetwaarden van ten hoogste 0,1 seconde.
Artikel 8.4.41
Een resulterende meetwaarde is representatief voor de gemeten remvertraging, indien:
- a. in de meetperiode zich uitsluitend meetwaarden bevinden die verkregen zijn terwijl het voertuig in beweging is;
- b. de maximale waarde van de remvertraging van een bewegend voertuig binnen de meetperiode valt; onder deze maximale waarde wordt niet verstaan een piekwaarde die aan het begin of aan het einde van de remproef zou kunnen optreden;
- c. de resulterende meetwaarde wordt berekend door middeling van zes achtereen verkregen meetwaarden:
- A. bepaal de maximale meetwaarde van de remvertraging gedurende de meetperiode (te noemen a);
- B. bepaal met een interval van 0,1 seconde de 5 gemeten waarden direct vóór de maximale meetwaarde (te noemen a, a, a, a en a) en de 5 gemeten waarden direct na de maximale meetwaarde (te noemen a, a, a, a en a);
- C. voer de volgende 6 berekeningen uit:
- i. (a+a+a+a+a+am)/6;
- ii. (a+a+a+a+am+a)/6;
- iii. (a+a+a+a+a+a)/6;
- iv. (a+a+a+a+a+a)/6;
- v. (a+a+a+a+a+a)/6;
- vi. (a+a+a+a+a+a)/6;
- D. de hoogste van de onder C berekende waarden geldt als de resulterende meetwaarde waarbij uitsluitend de berekende waarden in beschouwing worden genomen die opgebouwd zijn uit meetwaarden die tenminste gelijk zijn aan 75% van de maximale meetwaarde.
- d. het grootste verschil tussen de meetwaarden, verkregen vanaf 0,5 seconde voor de meetperiode tot 0,5 seconde na de meetperiode, 1 m/s2 bedraagt.
§ 7. Rollenremtestbanken
§ 7.1. Algemeen
Artikel 8.4.42
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- rollenremtestbank: meetmiddel waarmee de remwerking van een voertuig kan worden onderzocht door het meten van de remkracht terwijl de wielen van een voertuigas worden aangedreven door middel van rollen die de betreffende as dragen;
- gemiddelde waarde: rekenkundig gemiddelde van op vaste tijdsafstanden bepaalde momentele waarden, in aantal voldoende voor de bepaling van het werkelijke gemiddelde;
- remkracht: tangentieel aan de omtrek van de rollen van de rollenremtestbank werkende kracht, overgedragen aan een daarop rollend wiel als gevolg van het in werking zijn van de reminrichting;
- ingestuurde druk: druk ingestuurd op de drukluchtremcilinders van het voertuig;
- resulterende meetwaarde: de door de rollenremtestbank aangewezen of afgedrukte waarde die als uiteindelijk resultaat van de remtest wordt gepresenteerd;
- extrapolatie-inrichting: inrichting waarmee een remkracht gemeten bij een bepaalde waarde van de ingestuurde druk kan worden omgerekend in de remkracht zoals deze zou optreden bij een hogere waarde van de ingestuurde druk;
- extrapolatiedruk (PX): waarde van de ingestuurde druk waarbij de remkracht zou optreden zoals deze door de extrapolatie-inrichting is berekend;
- extrapolatiewaarde: met behulp van een extrapolatie-inrichting bepaalde resulterende meetwaarde voor de remkracht zoals deze wordt geacht op te treden bij de extrapolatiedruk;
- extrapolatiedruk (PEX): gegarandeerde druk in de remcilinder van iedere as waarbij de as maximaal is beladen en met het voertuig een volle beremming wordt uitgevoerd;
- rotatieperiode: tijdsperiode overeenkomend met een omwenteling van een voertuigwiel met een voor de betreffende rollenremtestbank relevante afmeting;
- remkrachthelling: verhouding tussen een partiële toename van de remkracht en de bijbehorende partiële toename van de ingestuurde druk;
- berekende remvertraging: door de rollenremtestbank weergegeven waarde van de remvertraging zoals deze wordt berekend gebruikmakend van de verkregen waarden voor de remkrachten en de massa van het voertuig;
- rolweerstand: kracht ter aandrijving van de ongeremde wielen;
- klasse I rollenremtestbank: rollenremtestbank die geschikt is voor de keuring van voertuigen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3.500 kg en die kan worden gebruikt bij de keuring van voertuigen met een toegestane maximum massa van meer dan 3.500 kg mits de asdruk van deze voertuigen niet groter is dan de maximale toelaatbare asdruk zoals aangegeven op de rollenremtestbank;
- klasse II rollenremtestbank: rollenremtestbank die uitsluitend mag worden toegepast bij de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3.500 kg;
- klasse I/II rollenremtestbank: rollenremtestbank voorzien van twee aanwijsbereiken, waarbij het eerste aan de definitie geldend voor een klasse I rollenremtestbank en het tweede aan de definitie voor een klasse II rollenremtestbank voldoet.
Artikel 8.4.43
In de handleiding behorende bij de rollenremtestbank is opgenomen:
- a. de informatie genoemd in artikel 8.3.6;
- b. de betekenis en beperkingen in het gebruik van de berekende remvertraging.
Artikel 8.4.44
In aanvulling op artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a, wordt een verzegeling eveneens aangebracht tussen de rollenremtestbank en zijn fundering.
§ 7.1. Algemeen
§ 7.2.1. Controle-inrichting
Artikel 8.4.45
De rollenremtestbank moet een voorziening hebben waarmee op een betrouwbare en veilige wijze door het aanbrengen van een kracht inwerkend op de krachtopnemers een statische remkracht kan worden gesimuleerd.
Artikel 8.4.46
Een rollenremtestbank moet zijn voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
- a. een testaansluiting;
- b. een inrichting waarmee automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de gebruiker een remkracht wordt gesimuleerd.
Met de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de rollenremtestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle moeten alle circuits worden gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing. De omzetting van remkracht inclusief de circuits die het primaire meetsignaal genereren, mogen hiervan zijn uitgezonderd.
§ 7.2. Technische eisen
Artikel 8.4.47
Een geïntegreerde manometer of pedaalkrachtmeter moet voldoen aan de eisen gesteld in paragraaf 4 respectievelijk paragraaf 5 van deze afdeling.
§ 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
Artikel 8.4.48
Voor een klasse I rollenremtestbank, dan wel voor het eerste aanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 2500 N: 100 N;
- b. die groter is dan 2500 N: 4% van de gesimuleerde werkelijke remkracht.
Voor een klasse II rollenremtestbank, dan wel voor het tweede deelaanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 10.000 N: 400 N;
- b. die groter is dan 10.000 N: 4% van de gesimuleerde werkelijke remkracht.
Artikel 8.4.49
Bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fouten bedoeld in artikel 8.4.48.
Artikel 8.4.50
Bij een rollenremtestbank voorzien van een extrapolatie-inrichting, is het maximale verschil tussen de gepresenteerde extrapolatiewaarde en de waarde berekend door middel van lineaire extrapolatie van de werkelijke waarden van de remkracht bij een ingestuurde druk van 1 bar en bij een ingestuurde druk 0,2 bar beneden de hoogste waarde, gebruikt bij de remtest van een voertuig, gelijk aan 2,5 maal de waarde genoemd in artikel 8.4.48, tweede lid.
§ 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
Artikel 8.4.51
De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
§ 7.2.3. Uitvoering
Artikel 8.4.52
Indien een rollenremtestbank voorzien is van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer voor de ingestuurde druk, zijn de gestelde eisen aan remkracht bedoeld in de paragrafen 7.2.4 tot en met 7.2.6 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.4.53
Klasse I rollenremtestbanken zijn voorzien van een analoge aanwijzing, eventueel in combinatie met een digitale aanwijzing.
Klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken zijn voorzien van:
- a. een analoge aanwijzing in combinatie met een digitale aanwijzing;
- b. een extrapolatie-inrichting, en
- c. een afdrukinrichting.
Artikel 8.4.54
Rollenremtestbanken voorzien van een extrapolatie-inrichting zijn voorzien van een geïntegreerde manometer voor de ingestuurde druk.
Artikel 8.4.55
De rollenremtestbank is van een zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden verricht aan voertuigen waarvoor de rollenremtestbank op grond van het aanwijsbereik bestemd is.
De rollenremtestbank is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die niet in werking mag treden voor remkrachten binnen het aanwijsbereik.
Artikel 8.4.56
Het maximale draagvermogen van de rollen zoals vermeld op de rollenremtestbank mag per wiel en in kilogram uitgedrukt niet kleiner zijn dan 1/6 maal de maximale waarde van het aanwijsbereik zoals uitgedrukt in Newton.
De diameter van de rollen mag niet kleiner zijn dan:
- a. 0,15 m voor klasse I rollenremtestbanken;
- b. 0,25 m voor klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken.
Tijdens de remtest is de omtreksnelheid van de rollen niet lager dan 2 km/h.
Artikel 8.4.57
De rollenremtestbank is voorzien van een inrichting waarmee overmatige slijtage van de banden wordt voorkomen. Indien deze inrichting instelbaar is, kan instelling niet plaatsvinden zonder verbreking van een verzegeling.
Het oppervlak van de rollen en de instelling van de inrichting, genoemd in het eerste lid, is zodanig dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent.
Ten behoeve van de vaststelling dat de rollenremtestbank aan de eis, genoemd in het tweede lid, voldoet, dient de fabrikant van de rollenremtestbank bij de aanbieding voor een typekeuring door middel van beproevingsresultaten aan te tonen dat aan de betreffende eis wordt voldaan over het gehele aanwijsbereik van de rollenremtestbank.
Indien de inrichting, genoemd in het eerste lid, instelbaar is, moet het mogelijk zijn de instelling van de desbetreffende inrichting bij een keuring vast te stellen.
§ 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
Artikel 8.4.58
De rolweerstand wordt altijd als remkracht gepresenteerd.
Artikel 8.4.59
Op de rollenremtestbank kunnen gelijktijdig voor het linker- en rechterwiel van een gemeten as ten minste de volgende waarden worden vastgesteld:
- a. voorafgaand aan de remtest: de rolweerstand;
- b. tijdens de remtest:
- 1°. de momentele waarde van de remkracht;
- 2°. de fluctuaties in de momentele waarde van de remkracht, relevant voor de beoordeling van het geteste remsysteem;
- c. na correcte uitvoering van de remtest moeten de volgende waarden worden aangegeven:
- 1°. de resulterende meetwaarde;
- 2°. de waarde van het verschil in remkracht inclusief de rolweerstand aan het linker- en rechterwiel, uitgedrukt in een percentage van de hoogste remkracht. Dit verschil moet worden bepaald uit:
- –. de resulterende meetwaarde voor klasse I rollenremtestbanken, en
- –. de niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde bij druk PH voor klasse II rollenremtestbanken en voor het tweede aanwijsbereik van klasse I/II rollenremtestbanken.
Artikel 8.4.59a
Indien een rollenremtestbank voorzien is van een presentatie van een berekende maximale remvertraging, moet de berekening van deze waarde gemaakt worden overeenkomstig de formule a = F/M; hierbij is F de berekende extrapolatiewaarde zoals bedoeld in artikel 8.4.69 , en M is de maximale massa per as van het voertuig zoals vermeld op het kentekenbewijs, of bij opleggers het maximale gewicht van de assen tezamen zoals vermeld op het kentekenbewijs.
De in het eerste lid bedoelde waarde moet zijn voorzien van het bijschrift 'Berekende statische remvertraging’.
Artikel 8.4.59b
Dynamische effecten moeten op een juiste wijze in de resulterende meetwaarde zijn verwerkt.
Een resulterende meetwaarde mag niet worden gepresenteerd indien de verkregen meetwaarden zo instabiel zijn dat niet kan worden voldaan aan de eis gesteld in artikel 3.7.10.
Een resulterende meetwaarde mag niet eerder worden aangewezen dan na beëindiging van de remtest door:
- a. het in werking treden van de inrichting genoemd in artikel 3.7.16, eerste lid, of
- b. een daling van de remkracht tot een waarde beneden 25% van de hoogste gemeten remkracht.
De rollenremtestbank moet zijn voorzien van een signalering die tijdens de remtest aangeeft dat de verkregen meetwaarden voldoende stabiel zijn om na beëindiging van de remtest een resulterende meetwaarde te presenteren.
§ 7.2.5. Aanwijsinrichting
Artikel 8.4.60
De analoge aanwijzing is zodanig van opbouw dat de momentele waarde van een fluctuerende remkracht kan worden geschat en de voor de beoordeling van het onderzochte remsysteem relevante fluctuaties alsmede het verschil in remkracht aan het linker- en rechtwiel in de momentele waarde zichtbaar zijn.
Artikel 8.4.61
Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing en een digitale aanwijzing is voorzien:
- a. worden de resulterende meetwaarde en het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel digitaal aangewezen;
- b. worden uitsluitend de momentele remkracht met de daarin optredende fluctuaties analoog aangewezen en moet de analoge aanwijzing voorzien zijn van het opschrift ‘Globale Aanwijzing’.
Artikel 8.4.62
Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing is voorzien, bedraagt de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid, niet meer dan 1/5 van de maximale fout voor statische metingen, geldend voor het betreffende meetresultaat.
Artikel 8.4.63
Een digitale aanwijzing is zodanig dat:
- a. de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht tussen het linker- en rechterwiel uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid niet meer bedraagt dan 1/5 van de maximale fout voor statische metingen geldend voor het betreffende meetresultaat;
- b. de afmetingen van de cijfers, alsmede de helderheid en het contrast van de weergave het mogelijk maken dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze kunnen mogelijk is.
§ 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
Artikel 8.4.64
Een gepresenteerde niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde moet betrekking hebben op de hoogste waarde van de gemiddelde remkracht over één rotatieperiode, zoals deze tijdens de remtest optreedt.
Indien bij rollenremtestbanken die voorzien zijn van een registratie-inrichting de meting wordt beëindigd voordat de inrichting, genoemd in artikel 8.4.57, eerste lid, in werking is getreden, wordt deze waarde aangegeven op de registratie, met voor luchtdrukgestuurde remsystemen daarbij de vermelding van de gemiddelde waarde van de ingestuurde druk, bepaald over de rotatieperiode als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8.4.65
Een niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde reageert als volgt op testsignalen:
- a. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een constante gemiddelde waarde, echter periodiek variërend met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De gepresenteerde resulterende meetwaarde moet na deze test gelijk zijn aan de aanwijzing verkregen na een constant simulatiesignaal met dezelfde gemiddelde waarde, met een tolerantie van 2,5%;
- b. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een veranderende gemiddelde en periodiek variërende waarde met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De resulterende meetwaarde:
- 1°. mag slechts worden gepresenteerd indien de hoogste gemiddelde waarde van het simulatiesignaal over een rotatieperiode binnen 5% overeenkomt met de gemiddelde waarde over de voorafgaande of daarop volgende rotatieperiode, en
- 2°. komt overeen met de aanwijzing verkregen met een constant simulatiesignaal met een gemiddelde gelijk aan de onder 1 vermelde hoogste gemiddelde waarde, met een tolerantie van 2,5%.
Artikel 8.4.66
Een rollenremtestbank die is voorzien van een extrapolatie-inrichting moet:
- a. de momentele meetwaarde van de remkracht en de momentele waarde van de ingestuurde druk aanwijzen;
- b. remkrachtwaarden, verkregen met een hogere ingestuurde druk dan de maximum extrapolatiedruk, niet meerekenen in de extrapolatiewaarde.
§ 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
Artikel 8.4.67
De verhouding van het druktraject waarover meting en extrapolatie plaatsvindt, ten opzichte van het druktraject waarover de meting plaatsvindt, dient te voldoen aan de volgende voorwaarde:
waarbij geldt: PX ≤ PEX
Hierin is:
PEX de maximum extrapolatiedruk;
PX de extrapolatiedruk;
PL de laagste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie;
PH de hoogste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie.
Een gepresenteerde extrapolatiewaarde die op grond van de voorwaarde, genoemd in het eerste lid, betrekking heeft op een ingestuurde druk, lager dan de maximum extrapolatiedruk, moet duidelijk worden geïdentificeerd door een aangewezen en een afgedrukte waarschuwing dat de gesimuleerde of de werkelijke asbelasting nog kan worden verhoogd.
Artikel 8.4.68
Onregelmatigheden in de remkrachthelling voor waarden van de ingestuurde druk kleiner dan 1 bar mogen niet leiden tot verschillende extrapolatiewaarden.
Artikel 8.4.69
Een berekende extrapolatiewaarde reageert als volgt op testsignalen:
- a. op de testaansluiting wordt door gelijktijdige aanbieding van een simulatiesignaal voor de ingestuurde druk en een simulatiesignaal voor de remkracht een meetcyclus nagebootst. Beide simulatiesignalen nemen hierbij in afhankelijkheid van elkaar volgens een constante waarde van de remkrachthelling toe, tot een eindwaarde van de ingestuurde druk zoals deze ook in de praktijk bij het bepalen van de remkracht van voertuigen zou kunnen optreden. Het simulatiesignaal voor de remkracht varieert hierbij met een laagste frequentie overeenkomend met een rotatieperiode. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 2% gelijk zijn aan de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de gesimuleerde signalen voor de ingestuurde druk en de remkracht;
- b. op de testaansluiting wordt een meetcyclus gesimuleerd zoals beschreven onder a, doch met simulatie van een remkrachthelling waarvan de waarde verandert met de waarde van de remkracht. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 5% overeenkomen met de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de volgende twee punten van de gesimuleerde kracht/druk-karakteristiek: FL is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk van 1 bar en FH is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk 0,2 bar onder de hoogste gesimuleerde ingestuurde druk. De waarde van de gesimuleerde remkracht is gebaseerd op de gemiddelde waarde van de remkrachthelling over een gebied van 0,5 bar aansluitend boven de drukwaarde behorende bij FL en over een gebied van 0,5 bar aansluitend onder de drukwaarde behorende bij FH.
Voor de berekening van de referentiewaarden genoemd in het eerste lid, onder a en b, wordt rekening gehouden met de werkelijke relatie tussen een statisch simulatiesignaal en de daaraan gerelateerde aangewezen waarde, waarbij de fluctuaties gesuperponeerd op het simulatiesignaal zijn geëlimineerd.
Artikel 8.4.70
Na beëindiging van de remtest mag naast de berekende extrapolatiewaarde tevens een gemeten waarde voor de remkracht en de bijbehorende ingestuurde druk worden gepresenteerd. Deze gemeten waarden moeten overeenkomen met de voor het extrapolatieproces gebruikte hoogste waarden voor de gemiddelde remkracht per rotatieperiode en de bijbehorende ingestuurde druk, gemiddeld over dezelfde periode. Deze waarde moet voldoen aan de eisen gesteld in paragraaf 7.2.6 met uitzondering van artikel 8.4.65, onderdeel b.
§ 7.2.8. Registratie-inrichting
Artikel 8.4.71
Een klasse II en klasse I/II rollenremtestbank moeten zijn voorzien van een interne of externe afdrukinrichting waarmee tenminste de volgende gegevens worden vastgelegd:
- a. de informatie zoals vermeld in artikel 8.3.5, derde lid;
- b. de datum en het tijdstip van de metingen aan het betreffende voertuig;
- c. de ingevoerde informatie van het betreffende voertuig:
- 1°. identificatie bestaande uit het kenteken of de meldcode;
- 2°. maximummassa c.q. de maximum af te remmen massa;
- 3°. de maximum extrapolatiedruk PEX per as;
- 4°. de wettelijk vereiste remvertraging;
- d. een getalsmatige of grafische weergave van de relatie tussen:
- 1°. de pedaalkracht en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het geval van een remproef voor hydraulische remsystemen;
- 2°. de ingestuurde druk en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het geval van een remproef voor pneumatische remsystemen; de relatie wordt minstens weergegeven door de waarden van de druk PL en PH, bedoeld in artikel 8.4.67, gebruikt bij de remtest van het voertuig;
- e. de berekende waarden:
- 1°. de resulterende meetwaarde gesommeerd per as;
- 2°. de berekende statische remvertraging;
- f. de vermelding, bedoeld in artikel 8.4.64, tweede lid;
- g. de waarschuwing, genoemd in artikel 8.4.67, tweede lid.
Andere informatie als bedoeld in het eerste lid mag worden geregistreerd voorzover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
§ 7.2.9. Overgangsmaatregelen
Artikel 8.4.72
Klasse I rollenremtestbanken en klasse I/II rollenremtestbanken, voor wat betreft het klasse I-bereik waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de eisen die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, moeten blijven voldoen aan die eisen.
Rollenremtestbanken, bedoeld in het eerste lid, moeten in afwijking van de eisen gesteld aan meetnauwkeurigheid voldoen aan de volgende eisen: de maximale fout in plus en min bedraagt bij een kracht:
- 1°. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
- 2°. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht.
Artikel 8.4.73
Klasse II rollenremtestbanken en klasse I/IIrollenremtestbanken die niet voorzien zijn van hydraulische of pneumatische krachtopnemers waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de voorschriften die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, mogen tot uiterlijk drie jaar na de datum van afgifte van het certificaat zoals daarop vermeld, worden gebruikt bij een algemene periodieke keuring.
Rollenremtestbanken, bedoeld in het eerste lid, moeten na 3 jaar na de in het eerste lid, vermelde datum, voldoen aan de eisen genoemd in dit hoofdstuk met uitzondering van de artikelen 8.3.4, vijfde lid, 8.3.5, eerste lid, onderdelen b en g, 8.3.5, tweede lid, 8.3.5, derde lid, 8.3.11, 8.4.56, tweede lid, en 8.4.57, derde lid met dien verstande dat:
- a. in afwijking van artikel 8.4.57, tweede lid, de aan het wiel overgedragen remkracht tenminste 0,5 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent, waarbij het oppervlak van de rollen droog is;
- b. in afwijking van artikel 8.4.62 het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in tenminste 25 schaaldelen van gelijke waarde, waarbij de totale lengte van de schaalverdeling tenminste 0,15 m moet bedragen. Voor cirkelvormige schaalverdelingen gelden deze waarden voor de lengte van de cirkelboog die het midden van de deelstrepen verbindt. Aflezing van een waarde van 2% van het aanwijsbereik moet eenvoudig zijn. De schaalverdeling moet ten minste op onderlinge gelijke afstanden die niet groter zijn dan 20% van het aanwijsbereik, van cijfers zijn voorzien, en
- c. in afwijking van artikel 8.4.63, het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in ten minste 100 schaaldelen van gelijke waarde waarbij de afmetingen van de cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave zodanig is, dat aflezing eenvoudig is.
§ 8. Platenremtestbanken
§ 7.2.9. Overgangsmaatregelen
Artikel 8.4.74
In deze paragraaf wordt verstaan onder platenremtestbank een meetmiddel waarbij de wielen van een voertuig kunnen steunen op vlakke, horizontale platen waarmee de remkracht wordt bepaald uit de reactiekracht die wordt uitgeoefend door een afremmend voertuig dat op de platen tot stilstand wordt gebracht.
Platenremtestbanken behoeven niet te voldoen aan artikel 8.1.12 en afdeling 3.
§ 8.2. Technische eisen
Artikel 8.4.75
De platenremtestbank voldoet aan de volgende eisen:
- a. de platenremtestbank geeft per as voor elk afzonderlijk wiel de gemeten waarden. Zij is op gemakkelijke wijze te bedienen en werkt op veilige wijze;
- b. de wrijvingscoëfficiënt tussen de wielen van een op de platenremtestbank geplaatst voertuig en de platenremtestbank bedraagt in droge toestand ten minste 0,5;
- c. de gemeten remkracht wordt weergegeven in Newton (N);
- d. de gemeten waarden worden door analoge of digitale aanwijs- of registratie-inrichtingen gemakkelijk en duidelijk aangegeven;
- e. de aanwijs- of registratie-inrichtingen moeten:
- 1°. zijn voorzien van een nulstelinrichting; en
- 2°. zodanig zijn uitgevoerd dat per as de bijbehorende paren meetgegevens gelijktijdig voor aflezing of verdere verwerking beschikbaar zijn;
- f. het meetbereik van een platenremtestbank met digitale weergave van de gemeten waarde omvat ten minste 100 schaaldelen van gelijke waarde waarbij de afmetingen van de cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave zodanig zijn dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze mogelijk is;
- g. het meetbereik van een analoog aanwijzende of analoog registrerende platenremtestbank omvat ten minste 25 schaaldelen van gelijke waarden, waarbij de schaalverdeling ten minste op onderling gelijke afstanden, die niet groter zijn dan 20% van het meetbereik, van cijfers is voorzien. De totale lengte van de schaalverdeling, gemeten langs de cirkel die het midden van de deelstrepen verbindt, bedraagt bij een aanwijzende inrichting ten minste 0,15 m en bij een registrerende inrichting ten minste 0,07 m. Een waarde ter grootte van 2% van het meetbereik van de inrichting moet nog gemakkelijk zijn af te lezen;
- h. demping en eigen frequentie van de platenremtestbank zijn zodanig, dat de maximale fouten, bedoeld onder m, niet worden overschreden zolang de toename per tijdseenheid van de gemeten waarde niet de door de fabrikant van de platenremtestbank opgegeven grenswaarde te boven gaat;
- i. de platenremtestbank en een daaraan gekoppelde inrichting voor de verwerking van meetgegevens zijn beveiligd tegen of zijn voldoende ongevoelig voor de onder normale omstandigheden voorkomende thermische, atmosferische, elektrische, magnetische en elektromagnetische invloeden;
- j. een analoog registrerende platenremtestbank is zodanig uitgevoerd dat afwijkingen als gevolg van mogelijke positieverandering van het registratieblad ten hoogste 1% van het meetbereik van de platenremtestbank bedragen. Indien de gemeten waarde wordt geregistreerd in afhankelijkheid van de tijd moet de transportsnelheid van het blad ten minste 0,005 m/s bedragen en mag de transportsnelheid niet meer dan 5% afwijken van de nominale waarde daarvan. Bij cirkelvormige bladen wordt als transportsnelheid aangemerkt de omtreksnelheid, gemeten aan de binnencirkel van het registratieveld;
- k. de weergave van de gemeten waarde die uiterlijk 0,5 seconde nadat de meting is begonnen, wordt verkregen, wordt als maatgevend beschouwd;
- l. de maximale fout in plus en in min, van de aangewezen remkracht bedraagt:
- 1°. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3.500 kg, bij een kracht:
- I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
- II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht;
- 2°. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3.500 kg, bij een kracht:
- I. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
- II. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
- 3°. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van beide hiervoor bedoelde groepen voertuigen, voor het gedeelte van het meetbereik dat bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3.500 kg, bij een kracht: en voor het gedeelte van het meetbereik dat is bestemd voor de keuring van andere voertuigen, bij een kracht:
- I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
- II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht;
- III. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;
- IV. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;
- m. bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor de beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fout, bedoeld onder 1.
§ 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
§ 9.1. Algemeen
Artikel 8.4.77
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- automatische controle-inrichting: een controle-inrichting die functioneert zonder tussenkomst van de gebruiker;
- automatische justeerinrichting: voorziening die de justering van het instrument volgens het programma uitvoert, zonder dat de gebruiker invloed heeft op het starten van deze justering of de grootte ervan;
- CO: koolmonoxide;
- CO2: kooldioxide;
- controle-inrichting: een voorziening, ingebouwd in een instrument, die het mogelijk maakt om significante fouten vast te stellen en daarop te reageren. Onder ‘reageren op’ wordt hier elke duidelijke reactie van het instrument (zoals bv. een waarschuwingslamp, geluidssignaal, het afbreken van de meting) verstaan;
- filter: voorziening die bepaalde bestanddelen uit het uitlaatgasmonster verwijdert;
- gasbehandelingssysteem: alle delen van het instrument, van de sonde tot de afvoer van de gasmonsters, waardoor het monster van het uitlaatgas wordt gepompt;
- HC: n-hexaan: koolwaterstoffen;
- interne justeerinrichting: voorziening om het instrument af te regelen op een vastgestelde waarde zonder gebruik te maken van een kalibratie-gas;
- justeerinrichting met kalibratie-gas: voorziening om het instrument af te regelen op de waarde van een kalibratie-gas;
- kalibratie-gas: een stabiel gasmengsel met bekende samenstelling, gebruikt voor de periodieke controle en diverse keuringen van het instrument;
- lambda: dimensieloos getal dat een maat is voor de volledigheid van de verbranding in een motor, uitgedrukt als de verhouding van lucht en brandstof in de uitlaatgassen. De waarde wordt vastgesteld met een vastgestelde formule;
- nulstelinrichting: voorziening om de aanwijzing van het instrument op nul in te stellen;
- opwarmtijd: de tijd die verstrijkt tussen het moment dat het instrument onder spanning wordt gebracht en het moment waarop het instrument kan voldoen aan de metrologische eisen;
- O2: zuurstof;
- referentie-omstandigheden: gebruiksomstandigheden, voorgeschreven voor het onderzoek naar de prestaties van een instrument, of voor de vergelijking van meetresultaten;
- responsietijd: het tijdsinterval tussen het moment waarop het instrument wordt onderworpen aan een voorgeschreven plotselinge verandering in de samenstelling van een gasmengsel en het moment dat de aanwijzing binnen voorgeschreven grenzen overeenkomt met de uiteindelijke stabiele waarde;
- semi-automatische justeerinrichting: voorziening die de gebruiker in staat stelt een justering van het instrument te starten zonder daarbij de mogelijkheid te hebben de grootte van de justering te beïnvloeden, ongeacht of de justering automatisch wordt vereist. Bij die instrumenten waarbij de waarden van de volume-bestanddelen van het standaard gasmengsel met de hand in het instrument moeten worden ingevoerd, wordt deze voorziening geacht semi-automatisch te zijn;
- sonde: het deel van het gasbehandelingssysteem, dat in de uitlaat van een voertuig wordt geschoven voor het nemen van gasmonsters;
- uitlaatgastester: meetmiddel, bestemd voor het meten van het gehalte CO en van lambda van de uitlaatgassen, afkomstig van draaiende motoren met elektrische ontsteking van in gebruik zijnde motorvoertuigen, en dat het meetresultaat van CO direct in volumeprocenten aangeeft, al dan niet tezamen met het volumegehalte van andere, in de uitlaatgassen voorkomende bestanddelen;
- waterafscheider: inrichting die zoveel water verwijdert dat in het gasbehandelingssysteem daarachter condensatie wordt voorkomen.
Artikel 8.4.78
Uitlaatgastesters uitsluitend ingericht voor het meten van koolmonoxide die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997 moeten voldoen aan de in deze paragraaf gestelde eisen met uitzondering van de eisen ten aanzien van de meting van CO2 HC, O2 en lambda.
Artikel 8.4.79
In de handleiding behorende bij de uitlaatgastester is naast de informatie genoemd in artikel 8.3.6, het volgende opgenomen:
- a. de tijdsintervallen en procedures voor de justering en het onderhoud die moeten worden gevolgd opdat voortdurend wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot de maximale fouten;
- b. de tijdsintervallen tussen de automatische controles op gaskalibratie en lek;
- c. een beschrijving van de procedure voor de lektest. Deze lektest moet voldoende nauwkeurig zijn om het in artikel 8.4.85, achtste lid, gespecificeerde lek te detecteren;
- d. een instructie aan de gebruiker dat voorafgaande aan elke HC-meting een controle op het HC-residu moet plaatsvinden, inclusief een beschrijving van de procedure voor de controle op het HC-residu;
- e. de maximale en minimale opslagtemperatuur;
- f. een opgave van de gebruiksomstandigheden;
- g. in het geval dat een lambdawaarde wordt berekend, een beschrijving van de toegepaste berekening; en
- h. een instructie voor de vervanging van de zuurstofbrandstofcel.
Artikel 8.4.80
De uitlaatgastester is, naast de in artikel 8.3.5, eerste lid, vermelde opschriften, voorzien van een opschrift dat het minimale en het nominale debiet aangeeft alsmede het merk en type van de zuurstofbrandstofcel.
Bij elke uitlaatgastester is de waarde van de propaan-equivalentiefactor (PEF) aangebracht op de voorzijde van het instrument of moet zichtbaar gemaakt kunnen worden op de aanwijsinrichting.
§ 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
Artikel 8.4.81
Het aandeel van de gasvormige componenten wordt aangewezen in volume % voor CO, CO2 en O2 en in volume-ppm (delen per miljoen) voor HC. De aanduidingen van deze eenheden moeten ondubbelzinnig zijn verbonden met de aangewezen waarde, bijvoorbeeld: % vol CO, % vol CO2, % vol O2 en ppm vol HC.
De afleeseenheid mag niet meer bedragen dan de volgende waarden:
| CO | CO2 | O2 | HC |
|---|---|---|---|
| 0,01% vol | 0,1% vol | 0,02% vol voor meetwaarden ≤ 4% vol | 1 ppm vol |
| 0,1% vol voor meetwaarden > 4% vol |
Ten behoeve van controles is het instrument uitgevoerd met een mogelijkheid om negatieve waarden tot ten minste 1% en ten hoogste 5% van het meetbereik weer te geven.
Artikel 8.4.82
De meetbereiken voor elk der componenten hebben ten minste de volgende waarden:
| CO | CO2 | O2 | HC |
|---|---|---|---|
| (0–5)% vol | (0–16)% vol | (0–21)% vol | (0–2000) ppm vol |
Artikel 8.4.83
De maximale fout in de aanwijzing van de uitlaatgastester bij typekeuring, onder referentie-omstandigheden, en bij eerste keuring en herkeuring, onder gebruiksomstandigheden, bedraagt:
| Grootste waarde van: | CO | CO2 | O2 | HC | |
|---|---|---|---|---|---|
| onder referentie-omstandigheden | absolute afwijking (volume) | 0,06% | 0,4% | 0,1% | 12 ppm |
| onder referentie-omstandigheden | relatieve afwijking | 3% | 4% | 3% | 5% |
| onder gebruiksomstandigheden | absolute afwijking (volume) | 0,06% | 0,5% | 0,1% | 12 ppm |
| onder gebruiksomstandigheden | relatieve afwijking | 5% | 5% | 5% | 5% |
Artikel 8.4.84
De in artikel 8.4.83 vermelde maximale fouten onder gebruiksomstandigheden, worden onder de volgende condities niet overschreden:
- a. de in artikel 8.3.4, derde lid, vermelde gebruiksomstandigheden;
- b. relatieve luchtvochtigheid: tot 90% R.V.;
- c. atmosferische druk: (860 – 1060) hPa.
De keuringen, met uitzondering van onderzoek naar de invloed van temperatuur, luchtvochtigheid, luchtdruk en voedingsspanning en -frequentie, in het kader van typekeuringen, worden uitgevoerd onder de volgende omstandigheden:
- a. temperatuur (20 ± 2) °C;
- b. relatieve luchtvochtigheid: (55 ± 5)% R.V.;
- c. atmosferische druk: stabiele omgevingsdruk;
- d. nominale voedingsspanning: ± 2%;
- e. nominale frequentie van de voedingsspanning: ± 1%.
De invloed van andere gascomponenten dan het te meten gas mag niet groter zijn dan de helft van de maximale fout onder gebruiksomstandigheden, indien deze andere gassen ten hoogste in de volgende volumedelen voorkomen: 16% vol CO2, 6% vol CO, 10% vol O2, 5% vol H2, 0,3% vol NO, 2000 ppm vol HC (als n-hexaan) en waterdamp tot verzadiging.
De volgende verstoringen mogen geen invloed hebben die groter is dan de maximale fout bij eerste keuring onder gebruiksomstandigheden of moeten automatisch door het instrument worden gedetecteerd en aangegeven:
- a. de in artikel 3.9 vermelde invloeden;
- b. mechanische schokken, veroorzaakt door een vrije val over 25 mm door een der hoekpunten op een vast oppervlak.
Bij de meting van:
- a. CO, CO2 en HC wijst een instrument, met inbegrip van het bijbehorende systeem voor gasbehandeling, bij onderzoek met standaard gasmengsels binnen 15 seconde 95% van de uiteindelijke waarde aan;
- b. O2 wijst een instrument, na overschakeling van lucht op een zuurstof-vrij standaard gasmengsel, binnen 60 seconde een waarde aan die een afwijking heeft van minder dan 0,1% vol ten opzichte van de uiteindelijke waarde.
Na afloop van de opwarmtijd voldoet het instrument aan de metrologische eisen volgens dit voorschrift. De instrumenten zijn voorzien van een voorziening waardoor wordt voorkomen dat er een aanwijzing van gemeten gascomponenten plaatsvindt gedurende de opwarmtijd.
Het bestanddeel hydrocarbonaten wordt uitgedrukt in ppm vol n-hexaan (C₆H14) equivalent. De justering mag worden uitgevoerd met behulp van propaan (C2H2). Daartoe is een conversie-factor, die wordt aangeduid als ‘C3/C6-factor’ of ‘PEF’ (Propaan-equivalentiefactor), permanent en duidelijk zichtbaar op het instrument aangebracht, dan wel eenvoudig zijn op te roepen op de aanwijzing. De waarde van deze conversiefactor wordt door de fabrikant voor elk instrument opgegeven in drie significante cijfers. Als de gassensor wordt vervangen of gerepareerd, wordt een nieuwe conversiefactor op het instrument aangebracht.
Instrumenten die zijn uitgevoerd met een aanwijzing van de lambda-waarde, voeren de betreffende berekening uit met behulp van de volgende formule:
Hierin geldt:
| […] | = concentratie in % vol |
|---|---|
| K1 | = conversiefactor voor FID (Flame Ionisation Detector) meting naar NDIR (Non Dispersive Infra Red) meting. |
| Deze moet door de fabrikant van het meetinstrument worden verstrekt. | |
| Hcv | = atoom-verhouding waterstof – koolstof, deze bedraagt voor benzine 1,850 en voor LPG 2,525 |
| Ocv | = atoom-verhouding zuurstof – koolstof, deze bedraagt voor benzine 0,0175 en voor LPG 0. |
Bij normaal gebruik van het instrument mogen de meetresultaten, na justering met een kalibratiegas of de interne justeerinrichting, de maximale fouten die gelden onder gebruiksomstandigheden gedurende ten minste 4 uur niet overschrijden, zonder dat gedurende deze periode gebruik wordt gemaakt van een kalibratiegas of interne justering door de gebruiker. Indien het instrument is uitgerust met een methode voor drift-compensatie, zoals een automatische nulstelling of een automatische interne justering, mag de werking van deze justeringen geen aanwijzing veroorzaken die kan leiden tot verwarring met een meting van een extern gas.
Indien door dezelfde persoon met hetzelfde instrument binnen relatief korte tijd 20 opeenvolgende metingen aan hetzelfde standaard gasmengsel worden uitgevoerd, mag de standaarddeviatie van deze 20 resultaten niet groter zijn dan een derde van de absolute waarde van de maximaal toelaatbare fout onder gebruiksomstandigheden.
§ 9.3. Technische eisen
§ 9.3.1. Constructie
Artikel 8.4.85
Alle onderdelen van het gasbehandelingssysteem zijn vervaardigd van materialen die bestand zijn tegen corrosie; in het bijzonder is het materiaal van de sonde bestand tegen de temperatuur van uitlaatgassen. De gebruikte materialen mogen de samenstelling van het gasmonster niet beïnvloeden.
De sonde is zodanig ontworpen dat deze ten minste 30 cm in de uitlaatpijp van het voertuig kan worden gebracht en dat deze, ongeacht de insteekdiepte, door een bevestiging op zijn plaats wordt gehouden.
Het gasbehandelingssysteem is voorzien van een filter, met regenereerbare of verwisselbare elementen, dat bestanddelen met een diameter groter dan 5μm verwijderd. Het instrument moet gedurende ten minste ½ uur kunnen worden gebruikt met uitlaatgas van een automotor dat een HC bestanddeel van ca. 800 ppm vol bevat. Het moet mogelijk zijn de mate van vervuiling van het filter vast te stellen zonder dat dit verwijderd moet worden. Filterelementen moeten, indien nodig, eenvoudig en zonder gebruik van speciaal gereedschap kunnen worden vervangen.
Het gasbehandelingssysteem bevat een waterafscheider, die:
- a. voorkomt dat water voorbij deze waterafscheider op oppervlakken in het instrument condenseert;
- b. automatisch wordt geleegd.
Het gasbehandelingssysteem is, behalve van een aansluiting voor de sonde, voorzien van afzonderlijke aansluitingen voor:
- a. de toevoer van omgevingslucht als referentie voor de nulstelling van het instrument;
- b. de toevoer van het kalibratie-gas.
Deze aansluitingen zijn achter de waterafscheider en het filter geplaatst opdat de vervuiling van het toegevoerde gas minimaal is. Indien bij een instrument omgevingslucht wordt gebruikt, wordt deze door een afzonderlijk koolstoffilter of een gelijkwaardig systeem gevoerd. Er is een voorziening om de druk binnen de detector gedurende nulstellen, gaskalibratie en monstername gelijk te houden.
De pomp waarmee het gas wordt aangezogen:
- a. is zodanig gemonteerd dat zijn trillingen de metingen niet beïnvloeden;
- b. kan onafhankelijk van de overige delen van het instrument in- en uitgeschakeld worden, waarbij het echter niet mogelijk mag zijn een meting te doen bij een uitgeschakelde pomp.
Het instrument bevat een inrichting, waarmee wordt aangegeven wanneer de gasstroom daalt tot een niveau dat zou veroorzaken dat:
- a. de responsietijd wordt overschreden, of
- b. de invloed op de aanwijzing groter is dan de helft van de absolute waarde van de maximale fout onder gebruiksomstandigheden.
Deze inrichting moet voorkomen dat er metingen kunnen worden uitgevoerd wanneer één van deze grenswaarden is bereikt.
Het gasbehandelingssysteem is zodanig luchtdicht dat de invloed op het meetresultaat door verdunning met omgevingslucht niet meer bedraagt dan:
- a. voor CO, CO2 en HC: de helft van de absolute waarde van de maximale fout onder gebruiksomstandigheden;
- b. voor O2: 0,1% vol.
Wanneer een zodanig lek optreedt dat één van deze grenswaarden wordt overschreden, mogen geen metingen worden uitgevoerd.
Artikel 8.4.86
Uitlaatgastesters mogen zijn voorzien van een geïntegreerde toerenteller mits deze voldoet aan de eisen gesteld in paragraaf 2 van deze afdeling.
§ 9.3. Technische eisen
Artikel 8.4.87
Indien het instrument is uitgevoerd met één of meer automatische controle-inrichting(en), moet het mogelijk zijn het juiste functioneren hiervan te controleren.
Bij een uitlaatgastester is, door middel van een controle-inrichting voor het vaststellen van restanten HC-gas, gewaarborgd dat, voordat een meting kan plaatsvinden, de aangewezen waarde voor een monster omgevingslucht door de sonde minder is dan 20 ppm vol hexaan.
Een instrument met een O2 kanaal is uitgevoerd met een voorziening die verouderen van de sensor automatisch detecteert.
§ 9.4. Justeringen
Artikel 8.4.88
Voor zover het instrument is voorzien van een voor de gebruiker toegankelijke justering vindt deze justering plaats door middel van een semi-automatische justeerinrichting waarmee uitsluitend een nulstelling kan plaatsvinden.
Indien bij een instrument, uitgevoerd met een automatische of semi-automatische justeerinrichting, justering noodzakelijk is, mag geen meting mogelijk zijn alvorens de juiste justeringen zijn uitgevoerd.
Zowel bij een automatische als een semi-automatische justeerinrichting is een signalering toegestaan voor een noodzaak tot justering.
Als tijdelijke voorwaarde als bedoeld in artikel 8.1.11 geldt dat een instrument moet worden gejusteerd met een gecertificeerd kalibratiegas met een interval gelijk aan de helft van de periode die op grond van artikel 8.3.4, vijfde lid, door de aanbieder bij het typeonderzoek wordt opgegeven als beoogd justeerinterval.
Deze tijdelijke voorwaarde wordt omgezet in een definitieve voorwaarde op basis van een onderzoek zoals bedoeld in artikel 8.1.11 verricht aan vijf verzegelde instrumenten geplaatst in een representatieve gebruikssituatie. Het onderzoek vindt plaats door middel van een aantal op vaste tijdsafstanden uitgevoerde controles gedurende een periode waarin alle in het onderzoek betrokken instrumenten aan de eisen voor de maximale fout onder bedrijfsomstandigheden voldoen, doch ten hoogste gedurende een periode gelijk aan het beoogde justeerinterval. Het aantal controles is gelijk aan het aantal maanden van het beoogde justeerinterval met een minimum van drie controles.
Indien bij dit onderzoek gedurende het beoogde justeerinterval blijkt dat:
- a. alle in het onderzoek betrokken instrumenten aan de eisen voor de maximale fout onder bedrijfsomstandigheden voldoen wordt het definitieve justeerinterval vastgesteld op het beoogde justeerinterval;
- b. één of meer instrumenten niet voldoen aan de eisen voor de maximale fout onder gebruiksomstandigheden blijft het tijdelijk vastgestelde justeerinterval zoals bedoeld in het vierde lid van kracht tenzij één of meer instrumenten reeds binnen de periode van dit tijdelijk vastgestelde justeerinterval niet aan deze eisen voldoen. In dit geval wordt een nieuw tijdelijk vastgesteld justeerinterval van kracht gelijk aan de helft van de periode waarin alle instrumenten aan deze eisen bleken te voldoen. In elk geval wordt hierna een nieuw onderzoek uitgevoerd overeenkomstig het vierde lid, echter voor een beoogd justeerinterval gelijk aan het gehele aantal maanden waarvoor alle instrumenten in het voorgaande onderzoek aan de eisen voor de maximale fout onder bedrijfsomstandigheden bleken te voldoen.
§ 9.3.2. Beveiligingen
Artikel 8.4.89
Gecertificeerd kalibratiegas voldoet aan de volgende eisen:
Het gasmengsel bestaat uit de volgende componenten in draaggas N-2:
| Mengsel 1 | |
|---|---|
| CO | 3,5% vol |
| CO2 | 14% vol |
| C3H8 | 2000 ppm vol |
| Mengsel 2 | |
| CO | 0,5% vol |
| CO2 | 4% vol |
| C3H8 | 200 ppm vol |
De nominale waarde mag ten hoogste 15% afwijken van de vermelde concentraties. De maximale relatieve fout in de opgegeven concentraties bedraagt 2% voor de concentratie van C3H8 in mengsel 2 en 1% voor de overige concentraties.
Een gecertificeerd kalibratiegas is vervaardigd door een ingevolge artikel 8.2.12 erkende inrichting.
Een fles met gecertificeerd kalibratiegas moet zijn voorzien van een certificaat waarop tenminste de samenstelling, de datum van vervaardiging en de naam van de ingevolge artikel 8.2.12 erkende inrichting is vastgelegd.
§ 10. Bromfietsrollentestbank
§ 10.1. Algemeen
Artikel 8.4.90
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- bromfietsrollentestbank: testinrichting voor het vaststellen van de snelheid van een bromfiets;
- resulterende meetwaarden: door de bromfietsrollentestbank aangewezen of afgedrukte waarde die als uiteindelijk resultaat van de test wordt gepresenteerd.
§ 10.2. Technische eisen
Artikel 8.4.91
Een bromfietsrollentestbank is voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
- a. een testaansluiting;
- b. een inrichting waarmee automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de gebruiker een snelheid wordt gesimuleerd.
Met de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de bromfietsrollentestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle worden alle circuits gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing.
§ 10.1. Algemeen
Artikel 8.4.92
De maximale fout bedraagt bij een snelheid:
die niet groter is dan 50 km/h: 5 km/h;
die groter is dan 50 km/h: 10%.
Artikel 8.4.93
Een bromfietsrollentestbank simuleert een weerstand die overeenkomt met de wegweerstand.
Artikel 8.4.94
De maximale fout in de meting van de omtreksnelheid van de rollen bedraagt één tiende van de maximale fout bedoeld in artikel 8.4.92.
Artikel 8.4.95
De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
§ 10.4. Uitvoering
Artikel 8.4.96
De bromfietsrollentestbank is voorzien van een digitale aanwijzing.
De bromfietsrollentestbank mag zijn voorzien van:
- a. een analoge aanwijzing in combinatie met een digitale aanwijzing;
- b. een afdrukinrichting.
Artikel 8.4.97
Een bromfietsrollentestbank is van een zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden verricht waarvoor de bromfietsrollentestbank op grond van zijn aanwijsbereik is bestemd.
Artikel 8.4.98
Het oppervlak van de rollen is zodanig, dat in de diameter niet meer dan 0,5% varieert.
§ 10.4. Uitvoering
Artikel 8.4.99
De bromfietsrollentestbank stelt ten minste de volgende waarden vast:
- a. tijdens de test de momentele waarde van de snelheid;
- b. na correcte uitvoering van de test de resulterende meetwaarde.
Artikel 8.4.100
Dynamische effecten zijn op een juiste wijze in de resulterende meetwaarde verwerkt.
§ 10.6. Aanwijsinrichting
Artikel 8.4.101
De afmetingen van de cijfers, alsmede de helderheid en het contrast van de weergave van een digitale aanwijsinrichting zijn zodanig, dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze mogelijk is.
§ 10.7. Resulterende meetwaarde
Artikel 8.4.102
Een gepresenteerde resulterende meetwaarde heeft betrekking op de hoogste waarde van het gemiddelde over minimaal 2 seconden waarbij het voertuig zijn maximale prestatie levert.
§ 10.6. Aanwijsinrichting
Artikel 8.4.103
Indien een bromfietsrollentestbank is voorzien van een interne of externe afdrukinrichting worden tenminste de volgende gegevens vastgelegd:
- a. de datum en het tijdstip van de metingen aan het desbetreffende voertuig;
- b. de ingevoerde informatie betreffende de identificatie van het voertuig bestaande uit het kenteken of de meldcode;
- c. de resulterende meetwaarde.
Andere informatie dan bedoeld in het eerste lid mag worden geregistreerd voor zover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
§ 10.7. Resulterende meetwaarde
Artikel 8.4.104
Indien een bromfietsrollentestbank bedoeld is voor installatie in de vloer, wordt een verzegeling aangebracht tussen de bromfietsrollentestbank en zijn fundering.
Artikel 8.4.105
In de handleiding behorende bij een bromfietsrollentestbank is opgenomen:
- a. een korte en overzichtelijke procedure voor het gebruik van de testinrichting bij de uitvoering van de controle van een voertuig, waaronder in elk geval wordt verstaan een stroomschema;
- b. de uit te voeren controles voorafgaande aan of tijdens de metingen;
- c. de betekenis van een controleresultaat;
- d. een beschrijving van eventueel door het instrument gegeven meldingen, en
- e. de informatie benodigd voor een juiste interpretatie van het meetresultaat.
§ 11. Geluidsniveaumeter
§ 10.9. Overige
Artikel 8.4.106
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- geluidsniveaumeter: precisiegeluidsniveaumeter als bedoeld in publicatienr. IEC651, tweede uitgave van de Internationaal elektronische Commissie;
- callibratiebron: geluidsbron die tenminste voldoet aan het bepaalde in publicatienr. 942, eerste editie van het IEC voor calibratiebronnen met een nauwkeurigheidsklasse 1.
Artikel 8.4.107
De geluidsniveaumeter en de calibratiegeluidsbron worden jaarlijks getoetst aan en gekalibreerd volgens de eisen in artikel 8.4.108.
§ 11.2. Technische eisen
Artikel 8.4.108
De geluidsniveaumeter en de calibratiegeluidsbron voldoen tenminste aan richtlijn 70/157/EEG. Hiervan zijn verklaringen aanwezig van een door de minister overeenkomstig artikel 8.1.10 aangewezen keuringsinstantie.
Artikel 8.4.109
De geluidsniveaumeter voldoet aan de eisen van IEC651 tweede uitgave voor Type 1 geluidsniveaumeters, en de kalibratiegeluidsbron voldoet aan IEC942:1998, nauwkeurigheidsklasse 1.
§ 12. Koplamptestapparaten
Artikel 8.4.110
Het koplamptestapparaat voldoet aan de volgende eisen:
- a. indien de stralenbundel van een koplamp met ingeschakeld dimlicht op de lens van het apparaat wordt geprojecteerd, moet de lens een beeld weergeven dat in verhouding nauwkeurig overeenkomt met het beeld dat door de stralenbundel wordt gevormd op een verticale wand die zich op 10 m van de koplamp bevindt;
- b. het projectievlak van het apparaat dient zodanig te zijn uitgevoerd of te kunnen worden versteld, dat hierop direct de minimale en maximale hoogte-afstelling van de koplampen voor iedere beladingstoestand van alle voertuigen kan worden gecontroleerd;
- c. de verstelbaarheid van het apparaat in verticale richting moet zodanig zijn dat koplampen waarvan de onderzijde zich ten minste 0,35 m en de bovenzijde ten hoogste 1,20 m boven het wegdek bevindt, met het apparaat kunnen worden gecontroleerd;
- d. het apparaat moet zijn voorzien van een inrichting waarmee het met een nauwkeurigheid van 5 graden in plus en in min ten opzichte van de lengtehartlijn van het voertuig kan worden gericht. Indien het apparaat is gemonteerd op rails, moet het ten opzichte van de rails ten minste 5 graden naar links en naar rechts kunnen zwenken;
- e. de afstelling van het apparaat moet op eenvoudige wijze kunnen worden gecontroleerd.
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 1. Ontheffingen
Artikel 9.1
Onverminderd artikel 149a, tweede lid, van de wet kan het ingevolge artikel 149 van de wet bevoegde gezag ontheffing verlenen van het bepaalde in de artikelen 5.1.1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid, 5.1.2 en 5.1.3.
§ 2. Aanvraag ontheffing
Artikel 9.2
De aanvrager van een ontheffing dient bij zijn aanvraag het voor de ontheffing vastgestelde tarief aan het bevoegd gezag te voldoen op de door het bevoegd gezag vastgestelde wijze.
§ 1. Ontheffingen
Artikel 9.3
Het bevoegd gezag vermeldt in de beschikking houdende verlening van de ontheffing ten minste de volgende gegevens:
- a. de artikelen waarvan ontheffing is verleend dan wel een aanduiding daarvan;
- b. de beperkingen waaronder de ontheffing is verleend en de voorschriften die aan de ontheffing zijn verbonden;
- c. de datum van afgifte;
- d. de geldigheidsduur, en
- e. het bevoegd gezag.
§ 2. Aanvraag ontheffing
Artikel 9.4
Het bevoegd gezag kan tarieven vaststellen voor het behandelen van aanvragen tot ontheffing.
Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van de tarieven bepalen dat in geval van weigering of buiten behandeling laten van een aanvraag een deel van het voldane tarief wordt terugbetaald aan de aanvrager.
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Artikel 10.1
Overtreding van de artikelen 5.1.1, eerste en tweede lid, 5.1.2, en 5.1.3 is een strafbaar feit.
Artikel 10.2
Bij veroordeling van de bestuurder van een motorvoertuig wegens overtreding van artikel 5.1.1, eerste of tweede lid, of artikel 5.1.2 kan hem de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 11.1
Richtlijn 2007/46/EG is wat betreft de EG-typegoedkeuring van nieuwe voertuigtypes van toepassing met ingang van de in artikel 45, eerste en tweede lid, jo. bijlage XIX van deze richtlijn vermelde data.
Richtlijn 2007/46/EG is wat betreft de EG-typegoedkeuring van nieuwe types systemen, onderdelen en technische eenheden van toepassing met ingang van de in artikel 45, zesde lid, van deze richtlijn vermelde datum.
Artikel 11.2
Een EG-typegoedkeuring voor voertuigen van de voertuigclassificatie M1, afgegeven voor 29 april 2009, blijft op grond van artikel 45, vijfde lid, van richtlijn 2007/46/EG na de inwerkingtreding van deze regeling geldig en kan na deze datum worden uitgebreid op grond van deze regeling.
Artikel 11.3
Nationale typegoedkeuringen, afgegeven voor 29 april 2009, blijven op grond van artikel 45, derde lid, van richtlijn 2007/46/EG geldig:
- a. voor voertuigen van de voertuigclassificatie M1 tot 29 oktober 2014, en
- b. voor de voertuigen van de voertuigclassificatie M2, M3 en de voertuigcategorieën N en O tot de in bijlage XIX, vierde kolom, van richtlijn 2007/46/EG voor de desbetreffende voertuigcategorie vermelde datum.
Voor 29 april 2009 verleende nationale typegoedkeuringen voor een brandstoftank, reminrichting of stuurinrichting blijven geldig totdat op basis richtlijn 2007/46/EG zwaardere eisen worden gesteld aan deze onderdelen.
Artikel 11.4
Nationale typegoedkeuringen kunnen worden verleend tot de in bijlage XIX, derde kolom, van richtlijn 2007/46/EG voor de desbetreffende voertuigcategorie vermelde datum.
Nationale typegoedkeuringen als bedoeld in artikel 11.3, eerste lid, en 11.4, eerste lid, kunnen worden aangepast tot de in bijlage XIX, vierde kolom, van richtlijn 2007/46/EG voor de desbetreffende voertuigcategorie vermelde datum.
Op de aanvraag, het verlenen en het aanpassen van een nationale typegoedkeuring alsmede het houden van toezicht daarop, zijn de eisen van toepassing zoals die luidden voor de inwerkingtreding van deze regeling.
Indien op basis van richtlijn 2007/46/EG zwaardere eisen worden gesteld dan de eisen als bedoeld in het derde lid, dan komen deze zwaardere eisen daarvoor in de plaats.
Artikel 11.5
Indien een voor de inwerkingtreding van deze regeling verleende nationale typegoedkeuring vervalt, is artikel 3.27 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 11.6
Bussen die voor 29 april 2009 in Nederland zijn geregistreerd en waarvan de inrichting door de Dienst Wegverkeer niet is gekeurd behoeven tot 1 januari 2015 niet te voldoen aan hoofdstuk 5, afdeling 3a, artikelen 5.3a.1, zevende en achtste lid, 5.3a.6, zesde lid, 5.3a.41, derde tot en met twaalfde lid, 5.3a.42, vierde en vijfde lid, 5.3a.43, tweede lid, 5.3a.44, 5.3a.46, eerste en derde tot en met tiende lid, 5.3a.47, 5.3a.48, vijfde, zevende tot en met negende en vijftiende lid, en de in bijlage IV gestelde eisen betreffende de inrichting van het voertuig.
Artikel 11.7
Voertuigen van de voertuigcategorie N die voor 29 april 2009 zijn goedgekeurd en geregistreerd als kampeerwagen, ambulance of lijkwagen in een andere lidstaat van de Europese Unie en waarvoor na 29 april 2009 een kentekenbewijs wordt aangevraagd blijven tot deze voertuigcategorie behoren mits de inrichting dan wel de typecarrosserie niet is gewijzigd.
Artikel 11.8
Voor middenasaanhangwagens waarvoor voor 29 april 2009 een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs is afgegeven, wordt onder de wielbasis verstaan de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig.
Voor middenasaanhangwagens in gebruik genomen na 29 april 2009, die zijn toegelaten op grond van een nationale typegoedkeuring die is afgegeven voor 30 april 2009, is de wielbasis de horizontaal evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig.
Artikel 11.9
Indien na 29 april een beslissing wordt genomen op de aanvraag voor een kentekenbewijs die is ingediend voor 29 april 2009, zijn op het voertuig de eisen van toepassing zoals die luidden voor de inwerkingtreding van deze regeling.
Artikel 11.10
Motorvoertuigen die zijn ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, die zijn uitgerust met een elektromotor of met een verbrandingsmotor met een cilinderinhoud van ten hoogste 250 cm3 en die niet zijn gehandicaptenvoertuigen, welke motorvoertuigen vóór 1 januari 2000 in het verkeer zijn gebracht, mogen tot 1 januari 2010 in afwijking van de voor personenauto’s geldende eisen, voldoen aan de in de artikelen 5.10.1 tot en met 5.10.71 gestelde eisen voor gehandicaptenvoertuigen die zijn voorzien van een gesloten carrosserie en die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor of een elektromotor, met uitzondering van de eisen in de artikelen 5.10.6, onderdeel b, 5.10.38 en 5.10.39.
De remvertraging van de in het eerste lid bedoelde motorvoertuigen moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,0 m/s2 bedragen.
De in het eerste lid bedoelde motorvoertuigen mogen uitsluitend door gehandicapten worden gebruikt.
De in het eerste lid bedoelde motorvoertuigen mogen uitsluitend binnen de bebouwde kom worden gebruikt, behoudens ontheffing door het bevoegd gezag.
Ontheffingen als bedoeld in het vierde lid, welke zijn verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, blijven geldig voor de geldigheidsduur van die ontheffingen. Zij kunnen door het gezag dat de ontheffing heeft verleend, worden verlengd.
Artikel 11.11
Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een voertuig geen gegeven bevat als bedoeld in artikel 5.2.7, eerste of tweede lid, artikel 5.2.23, artikel 5.3.23, of artikel 5.4.21, blijft toepassing van het betrokken artikel of artikellid voor wat betreft het in dat artikel of artikellid geregelde aspect ten aanzien van het betrokken voertuig achterwege.
Indien het kentekenregister met betrekking tot een personenauto geen gegeven bevat als bedoeld in artikel 5.2.11, vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat artikellid als ten hoogste toegestaan geluidsniveau gehanteerd de ingevolge het Besluit geluidproduktie motorvoertuigen voor het betrokken voertuig vastgestelde waarde, vermeerderd met 2 dB(A).
Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in artikel 5.3.7, eerste lid, worden voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum last onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum last onder de achteras(sen tezamen)’.
Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in artikel 5.3.7, tweede lid, wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum massa’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het kentekenbewijs vermelde ‘massa ledig voertuig’ en het ‘laadvermogen’, dan wel de op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum massa beladen voertuig’.
Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in artikel 5.12.7, eerste lid, worden voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het registratiebewijs vermelde ‘maximum druk onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum druk onder de achteras(sen tezamen)’. Als ‘last onder de koppeling’ wordt in dat geval aangemerkt de op het registratiebewijs vermelde ‘druk onder de koppeling’.
Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in artikel 5.12.7, tweede lid, wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum massa’ aangemerkt de som van het voor het betrokken voertuig op het registratiebewijs vermelde ‘ledig gewicht’ en het ‘laadvermogen’, dan wel het op het registratiebewijs vermelde ‘maximum totaalgewicht’.
Artikel 11.12
Ontheffingen die door het bevoegde gezag zijn voorleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijven geldig voor de geldigheidsduur van de desbetreffende ontheffing.
Artikel 11.13
De volgende regelingen worden ingetrokken:
- a. Erkenningsregeling APK;
- b. Erkenningsregeling snelheidsbegrenzers;
- c. Kleine serie-regeling;
- d. LPG-Erkenningsregeling;
- e. Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring voertuigonderdelen en technische eenheden;
- f. Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring;
- g. Regeling deugdelijkheid en weggedrag;
- h. Regeling eisen individuele goedkeuring;
- i. Regeling gelijkwaardige snelheidsbegrenzers;
- j. Regeling meetmethoden massa’s en afmetingen van bedrijfsauto’s en aanhangwagens;
- k. Regeling permanente eisen;
- l. Regeling permanente eisen bussen;
- m. Regeling permanente eisen taxi’s;
- n. Regeling restantvoorraden voertuigen;
- o. Regeling T100-bussen;
- p. Regeling toelatingseisen;
- q. Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen;
- r. Regeling tot wijziging van de Regeling wijziging constructie in verband met de uitvoering van richtlijn nr. 2002/85/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 november 2002 (PbEG L 327) tot wijziging van Richtlijn 92/6/EEG van de Raad betreffende de installatie en het gebruik in de Gemeenschap van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen (Stcrt. 2004, 238);
- s. Regeling tot wijziging van enkele regelingen op het gebied van de Voertuigreglementering in verband met de invoering van een kentekenregistratiesysteem voor bromfietsen en de introductie van een nieuw type bromfietsrollentestbank (Stcrt. 2005, 161);
- t. Regeling uitzondering keuringsplicht;
- u. Regeling vaststelling datum eerste toelating van voertuigen;
- v. Regeling vaststelling keuringsrapport;
- w. Regeling vaststelling regels voor de keuring van auto’s;
- x. Regeling vaststelling regels voor de keuring van bussen;
- y. Regeling voertuigen met een speciaal gebruiksdoel;
- z. Regeling wijze van keuren APK;
- aa. Regeling wijze van keuren niet-periodiek-keuringsplichtige voertuigen;
- ab. Regeling wijziging constructie;
- ac. Regeling zitplaatsverdeling bussen en auto’s;
- ad. Voorschriften meetmiddelen 1997;
- ae. Wijziging Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring in verband met de implementatie van richtlijn 2002/24/EG (Stcrt. 2003, 197);
- af. Wijziging Regeling vaststelling keuringsrapport in verband met de vaststelling van een nieuw model (Stcrt. 2004, 99);
- ag. Wijziging van 1 juni 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1247, Hoofddirectie Juridische Zaken, van diverse ministeriële regelingen in verband met de harmonisatie van het model ‘RDW erkend bedrijf’ (Stcrt. 2005, 108);
- ah. Regeling tot wijziging van de Voorschriften meetmiddelen 1997 in verband met de aanpassing van de eisen ten aanzien van de registratie-inrichting van roetmeters en tot wijziging van de Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen in verband met het vervallen van de toelatingseisen ten aanzien van achterlichten voor fietsen (Stcrt. 2008, 238).
Artikel 11.14
De volgende bekendmakingen worden ingetrokken:
- a. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 november 1994, nr. RV187208 (Stcrt. 1994, 247).
- b. Bekendmaking voornemen tot vaststelling van eisen aan roetmeters en toerentellers in het kader van de dieselrookmeting van motorvoertuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 augustus 1996, nr. HW/RV 222476 (Stcrt. 1996, 157);
- c. Bekendmaking voornemen tot vaststelling van eisen aan uitlaatgastesters en toerentellers in het kader van de meting van de lambdawaarde en het CO-gehalte van motorrijtuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 1996, nr. HW/RV225448 (Stcr. 1996. 189);
- d. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 februari 1999, nr. CDJZ/WJZ/1279-98 (Stcrt. 1999, 43);
- e. Implementatie richtlijnen motorvoertuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat (Stcrt. 2000, 40);
- f. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 maart 2000, nr. CDJZ/WBI/1999-1948 (Stcrt. 2000, 66);
- g. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 december 2000, nr. CDJZ/WBI/2000-1456 (Stcrt. 2000, 243);
- h. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 mei 2001, nr. CDJZ/WBI/2001-687 (Stcrt. 2001, 110);
- i. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 mei 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-1243 (Stcrt. 2002, 101);
- j. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 augustus 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-2073 (Stcrt. 2002, 170);
- k. Implementatie van richtlijn 2002/78/EG door bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 3 december 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-3012 (Stcrt. 2002, 238);
- l. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 18 september 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-1454 (Stcrt. 2003, 189);
- m. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 26 november 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-2614 (Stcrt. 2003, 233);
- n. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 december 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-2645 (Stcrt. 2003, 245);
- o. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat 14 juli 2004, nr. HDJZ/AWW/2004-1724 (Stcrt. 2004, 138);
- p. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 augustus 2004, nr. HDJZ/AWW/2004-2007 (Stcrt. 2004, 170);
- q. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 mei 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1250 (Stcrt. 2005, 103);
- r. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 november 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2201 (Stcrt. 2005, 223);
- s. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 december 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2363 (Stcrt. 2005, 247, p. 34);
- t. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 december 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2383 (Stcrt. 2005, 247, p. 63);
- u. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 februari 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-135 (Stcrt. 2006, 33);
- v. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 april 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-477 (Stcrt. 2006, 87);
- w. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 april 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-599 (Stcrt. 2006, 90);
- x. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 mei 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-760 (Stcrt. 2006, 110);
- y. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 augustus 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1228 (Stcrt. 2006, 164);
- z. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 oktober 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1545 (Stcrt. 2006, 209);
- aa. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 november 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1542 (Stcrt. 2006, 223);
- ab. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 november 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1441 (Stcrt. 2006, 229);
- ac. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 januari 2007, nr. HDJZ/AWW/2006-1602 (Stcrt. 2007, 9);
- ad. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 mei 2007 nr. HDJZ/AWW/2007-479 (Stcrt. 2007, 90);
- ae. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 8 mei 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-605 (Stcrt. 2007, 92);
- af. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 juni 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-837 (Stcrt. 2007, 127);
- ag. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 augustus 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-1015 (Stcrt. 2007, 170);
- ah. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 december 2007, nr. CEND-HDJZ-2007/1617 (Stcrt. 2007, 243);
- ai. Bekendmaking terinzakelegging vertaling ECE-reglement-104 van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 10 juli 2008, nr. CEND-HDJZ-2008/935 sector AWW (Stcrt. 2008, 137);
- aj. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 2008, nr. CEND/HDJZ-2008/1293 sector AWW (Stcrt. 2008, 194).
Artikel 11.15
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit voertuigen in werking treedt.
Artikel 11.16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling voertuigen.
Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
§ 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
§ 1. Algemeen
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Artikel 3. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Artikel 2. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
Artikel 5. Nader onderzoek
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
§ 3. Samengestelde voertuigen
Artikel 4. Identificatie
Artikel 5. Nader onderzoek
Artikel 8. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
§ 3. Samengestelde voertuigen
Artikel 6. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
Artikel 7. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Artikel 9. Wijze van inslag
Artikel 10. Geen inslag van het voertuigidentificatienummer
Artikel 1. Begripsbepalingen
§ 2. Voertuigen
Wijze van bepalen datum eerste toelating
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Artikel 1. Begripsbepalingen
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
Artikel 2. Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Artikel 5. Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland
Artikel 3. Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
Artikel 4. Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.
Artikel 5. Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Artikel 9. Voertuig is eerder in gebruik genomen
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Artikel 8. Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating
Artikel 11. Onjuiste datum eerste toelating
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Artikel 10. Nader onderzoek
Artikel 11. Onjuiste datum eerste toelating
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Kleine serie voertuigen van de voertuigcategorie L
Kleine serie voertuigen van de voertuigcategorie M, N en O
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Nationale typegoedkeuring voertuigen van de voertuigcategorie T met de voertuigclassificatie T4.2 en T5
Kleine serie voertuigen van de voertuigcategorie L
Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
Individuele toelating voertuigen voor de categorieën M, N, O, L en T
Nationale typegoedkeuring voertuigen van de voertuigcategorie T met de voertuigclassificatie T4.2 en T5
Artikel 1
Artikel 3
Individuele toelating voertuigen voor de categorieën M, N, O, L en T
Voertuigen met de voertuigclassificatie M1, N1 tot en met N3, O1 tot en met O4, L1e tot en met L7e en T1 tot en met T3, T4.2 en T5 met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1998 alsmede voertuigen die behoren tot een verhuisboedel, hetgeen blijkt uit een door de belastingdienst afgegeven verklaring, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de permanente eisen.
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 8
Zelfbalancerende bromfietsen moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de eisen opgenomen in annex 2 van deze bijlage.
Artikel 6
Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten wat betreft:
Artikel 8
Zelfbalancerende bromfietsen moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de eisen opgenomen in annex 2 van deze bijlage.
Artikel 9
Individuele inrichtingseisen voor voertuigen met de voertuigclassificatie M2 en M3
Artikel 10
Artikel 1. Begripsbepalingen
Annex 1, behorende bij bijlage IV
Individuele inrichtingseisen voor voertuigen met de voertuigclassificatie M2 en M3
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
Artikel 1. Begripsbepalingen
Hoofdstuk 2. Goedkeuringseisen
Artikel 2. Algemeen
Artikel 6. Bescherming tegen brandrisico’s; brandstofsysteem
Artikel 3. Massa’s
Artikel 4. Bestuurderscompartiment
Artikel 5. Bescherming tegen brandrisico’s; algemeen, bekleding en voertuigdelen
Artikel 6. Bescherming tegen brandrisico’s; brandstofsysteem
Artikel 7. Bescherming tegen brandrisico’s; elektrische installatie
Artikel 8. Bescherming tegen brandrisico’s; warmtebronnen
Artikel 9. Uitgangen
Artikel 10. Deuren; plaats en aantal
Artikel 11. Deuren; afmetingen
Artikel 12. Deuren; overige eisen
Artikel 13. Deuren; treden
Artikel 14. Toegangen; bedrijfsdeuren
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
Artikel 16. Toegangen; verbindingsweg tussen twee compartimenten
Artikel 17. Nooduitgangen in het dak; plaats en aantal
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
Artikel 21. Noodramen; afmetingen
Artikel 19. Nooduitgangen in het dak; overige eisen
Artikel 20. Nooduitgangen in het dak; toegang
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
Artikel 21. Noodramen; afmetingen
Artikel 22. Noodramen; overige eisen
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
Artikel 26. Zitplaatsen voor de passagiers; afmetingen
Artikel 24. Hoofddoorgang
Artikel 25. Zitplaatsen voor de passagiers; algemeen
Artikel 29. Staanplaatsen
Artikel 26. Zitplaatsen voor de passagiers; afmetingen
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van bij een onbelaste ligbank.
Artikel 28. Zitplaatsen voor de passagiers; overige eisen
Artikel 29. Staanplaatsen
Artikel 30. Ligplaatsen voor de passagiers; algemeen
Artikel 34. Handgrepen bij treden
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
Artikel 32. Ligplaatsen voor de passagiers; bereikbaarheid hoofddoorgang
Artikel 33. Ligplaatsen voor de passagiers; overige eisen
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
Artikel 37. Binnenverlichting
Artikel 35. Bagageruimten
Artikel 36. Ruiten
Annex 2, behorende bij bijlage IV
Artikel 37. Binnenverlichting
Artikel 38. Ventilatie en verwarmingsinrichtingen
In deze annex wordt verstaan onder:
Annex 2, behorende bij bijlage IV
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
Artikel 1
Artikel 4
Artikel 2
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 5
Fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen worden geacht voor wat betreft de compatibiliteit aan hoofdstuk 8 van richtlijn 97/24/EG te voldoen, tenzij volgens de Dienst Wegverkeer hierover twijfel bestaat. Niet fabrieksmatig geproduceerde zelfbalancerende bromfietsen moeten ter zake van alle onderdelen voldoen aan richtlijn 97/24/EG.
Artikel 6
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voor:
Artikel 8
Artikel 11
Zelfbalancerende bromfietsen moeten plaats bieden voor de montage van een kentekenplaat aan de achterzijde en binnen de contouren van het voertuig.
Artikel 12
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van:
Artikel 11
Zelfbalancerende bromfietsen moeten plaats bieden voor de montage van een kentekenplaat aan de achterzijde en binnen de contouren van het voertuig.
Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
Goedkeuring voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers op basis van VN/ECE- reglementen1
1 Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.8, vierde lid
Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen en wagens
Goedkeuring voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers op basis van VN/ECE- reglementen1
Artikel 1
§ 2. Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens
Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen en wagens
§ 1. Begripsomschrijvingen
Artikel 1
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
§ 2.1. Eisen niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Artikel 3
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Artikel 4
Artikel 7
Artikel 5
Artikel 9
Op de retroreflector moet:
Artikel 7
Artikel 8
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg, waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldoen aan het bepaalde in VN/ECE-reglement 88.
Artikel 11
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
Artikel 10
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een aanhangwagen achter een fiets, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg, waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldoen aan het bepaalde in VN/ECE-reglement 88.
Artikel 11
Artikel 14
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
Artikel 15
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
Artikel 14
Artikel 17
Artikel 15
Artikel 19
Op de retroreflector moet:
Artikel 17
Artikel 18
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG omtrent de retroreflector van Klasse I.
Artikel 21
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Artikel 20
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG omtrent de retroreflector van Klasse I.
Artikel 21
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Artikel 22
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
Artikel 23
A. Meting lichtsterktecoëfficiënt
Artikel 24
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
Annex 1, behorende bij bijlage VB
A. Meting lichtsterktecoëfficiënt
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
E. Smeermiddelenproef voorzijde
C. Brandstoffenproef voorzijde
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
G. Meetopstelling ter bepaling van de kleur van het retroreflecterende licht
E. Smeermiddelenproef voorzijde
F. Warmteproef
Annex 2, behorende bij bijlage VB
G. Meetopstelling ter bepaling van de kleur van het retroreflecterende licht
H. Corrosieproef
I. Sterkte bevestiging
Annex 2, behorende bij bijlage VB
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
B. Brandstoffenproef voorzijde
C. Brandstoffenproef achterzijde
D. Smeermiddelenproef voorzijde
H. Proef sterkte bevestiging
E. Warmteproef
F. Proef bestandheid tegen inslag
G. Corrosieproef
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
A. Meting lichtsterktecoëfficiënt
B. Proef waterpenetratie
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
Artikel 2. Algemeen
Toelatingseisen taxi’s
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
Artikel 3.2. Plaats uitgangen
Artikel 2. Algemeen
Artikel 3.1. Aantal uitgangen
Artikel 3.5. Handgrepen uitgangen
Een bedrijfsuitgang moet van tenminste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
Artikel 3.3. Afmetingen uitgangen
Artikel 3.4. Uitvoering uitgangen
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
Artikel 3.8. Liftinstallaties
Artikel 3.6. Treden uitgangen
Artikel 3.7. Oprijplateau’s en -goten
Artikel 6. Plaatsen voor rolstoelen
Artikel 3.8. Liftinstallaties
Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Artikel 5. Zitplaatsen
Artikel 6. Plaatsen voor rolstoelen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Artikel 2
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
Artikel 1
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5
Aanvullende permanente eisen en gebruikseisen
Artikel 3
Titel 1. Algemeen
§ 1. Overeenstemming kentekenbewijs met kentekenregister
Aanvullende permanente eisen en gebruikseisen
De volgende gegevens in het kentekenregister moeten overeenkomen met de gegevens op het kentekenbewijs deel IA, dan wel deel I voor zover op deel IA of deel I vermeld:
Titel 1. Algemeen
§ 1. Overeenstemming kentekenbewijs met kentekenregister
De volgende gegevens, voor zover op het kentekenbewijs deel IA, dan wel deel I vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
§ 3. Kentekenplaat
§ 2. Overeenstemming voertuig met kentekenbewijs
Artikel 2
Afdeling 1. Voertuigen zonder een volledig dragend chassis
§ 3. Kentekenplaat
Artikel 3
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Afdeling 1. Voertuigen zonder een volledig dragend chassis
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
Artikel 5
Artikel 8
Artikel 6
Artikel 10
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 10
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 13
Artikel 15
Afdeling 2. Voertuigen met een volledig dragend chassis
§ 1. Chassisraam
Artikel 14
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
§ 2. Overige onderdelen
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
Artikel 17
Artikel 20
Artikel 18
Artikel 22
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Artikel 20
Artikel 21
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
Artikel 24
Afdeling 3. Beoordelingsnorm voor roestschadereparaties
Artikel 23
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
Artikel 24
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
Artikel 26
Afdeling 1. Constructiesnelheid
Artikel 27
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
Titel 3. Motor en brandstofsystemen
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
Artikel 28
§ 1. Personenauto’s
Artikel 29
Artikel 31
Afdeling 2. Geluid
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Artikel 30
Artikel 31
Artikel 32
Artikel 35
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Artikel 33
Artikel 34
Artikel 35
Artikel 38
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Artikel 36
Artikel 37
Artikel 38
Artikel 40. Controle werking emissiebestrijdingssysteem
Afdeling 3. Emissie
§ 1. Koolmonoxide
Artikel 39. Aanwezigheid emissiebestrijdingssysteem
Artikel 40. Controle werking emissiebestrijdingssysteem
Artikel 41. Koolmonoxide gehalte bij stationair toerental
Artikel 42. Koolmonoxidegehalte en lambdawaarde bij verhoogd toerental
Artikel 43. Wijze van keuren
§ 2. Roet
Artikel 44. Eisen Roetmeting
Artikel 45. Wijze van keuren
Titel 4. Assen
§ 1. Fusees
Artikel 46
Artikel 47
§ 2. Draaipunten
Artikel 48
§ 3. Wiellagers
Artikel 49
Titel 5. Ophanging
§ 1. Loadindex
Artikel 50
Titel 6. Stuurinrichting
§ 1. Stuurkoppeling
Artikel 51. Controle Stuurkoppeling
§ 2. Stuurkogels
Artikel 52. Maximale toegestane speling stuurkogels
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Afdeling 1. Onderdelen van de reminrichting
§ 1. Remleiding
Artikel 53
Artikel 55. Remslangen
Remslangen mogen:
Artikel 54. Remschijf
§ 3. Remslang
Artikel 55. Remslangen
§ 1. Wijze van bepaling van remvertraging
§ 4. Wijze van keuren
Artikel 56. Wijze van keuren
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
§ 1. Wijze van bepaling van remvertraging
Artikel 57. Wijze van bepaling remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens
Artikel 58. Pedaal- en remkrachten
Artikel 60. Bepalen van de remkrachten bedrijfsrem
§ 2. Rollenremtestbank
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Artikel 59. Bepalen van de remvertraging
Artikel 60. Bepalen van de remkrachten bedrijfsrem
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
§ 2.2. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen
Artikel 62. Beoordeling overberemming bedrijfsrem
Artikel 63. Bepalen remvertraging parkeerrem
Artikel 66. Bepaling remkrachten bedrijfsrem
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
Artikel 64. Gebruik van de rollenremtestbank
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Artikel 66. Bepaling remkrachten bedrijfsrem
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht genomen worden genomen:
Artikel 67. Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem
Artikel 69. Referentieremkracht
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
Artikel 70. Bepalen remvertraging bedrijfsrem
§ 2.3. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
Artikel 72. Bepalen remvertraging parkeerrem
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig.
Artikel 71. Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem
Artikel 73. Bepaling remvertraging bedrijfsrem
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
Artikel 74. Bepaling remkrachten bedrijfsrem
§ 2.4. Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
Artikel 76. Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem
Artikel 74. Bepaling remkrachten bedrijfsrem
Artikel 75. Maximale remkrachten bedrijfsrem
Artikel 77. Bepalen remvertraging
Voor het bepalen van de remvertraging moet:
§ 3. Platenremtestbank
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
Artikel 77. Bepalen remvertraging
Artikel 80. Beoordeling overberemming bedrijfsrem op een twee-plaatsremtestbank
De beoordeling van het uitbreken als gevolg van overberemming van de achteras of asstel vindt niet plaats op een twee-plaatsremtestbank. Bij twijfel moet de beoordeling moet worden uitgevoerd door middel van een remproef op de weg zoals bepaald 79, tweede lid.
Artikel 81. Bepalen remvertraging parkeerrem
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet:
Artikel 80. Beoordeling overberemming bedrijfsrem op een twee-plaatsremtestbank
§ 4.1. Personenauto, bedrijfsauto of bus
Artikel 81. Bepalen remvertraging parkeerrem
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet:
§ 4. Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter
Bij twijfel moet met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter de remvertraging als volgt worden vastgesteld:
Artikel 82. Pedaalkracht bedrijfsrem
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
Artikel 83. Bepalen remvertraging
Bij twijfel moet met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter de remvertraging als volgt worden vastgesteld:
Artikel 84. Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem
Artikel 86. Voorwaarden beproeving bedrijfsrem
Artikel 85. Bepalen remvertraging parkeerrem
Bij twijfel moet de controle van de remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg met een zelfregistrerende remvertragingsmeter worden vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
§ 4.2. Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
Voor het bepalen van de remvertraging van een aanhangwagen moet:
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
Afdeling 3. Remvertraging motorfietsen
Artikel 89. Afgelegde remweg
m tot.geremd = De op de kentekenbewijzen vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet op de kentekenbewijzen vermeld is dan geldt voor een bedrijfsauto de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig.
m ahw = De op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs is vermeld dan moet hiervoor gerekend worden met de op het kentekenbewijs vermelde massa ledig voertuig.
5,2 m/s2: remweg max. 11,9 m
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
Aanvangssnelheid 40 km/h:
5,2 m/s2: remweg max. 11,9 m
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
4,5 m/s2: remweg max. 13,7 m
4,2 m/s2: remweg max. 14,7 m
4,1 m/s2: remweg max. 15,1 m
3,9 m/s2: remweg max. 15,5 m
3,8 m/s2: remweg max. 16,2 m
3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m
Afdeling 4. Remvertraging bromfietsen
Artikel 90. afgelegde remweg
2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m
2,2 m/s2: remweg max. 28,0 m
4,0 m/s2: remweg max. 6,0 m
2,5 m/s2: remweg max. 9,6 m
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
Aanvangssnelheid 25 km/h:
4,0 m/s2: remweg max. 6,0 m
2,5 m/s2: remweg max. 9,6 m
2,4 m/s2: remweg max. 10,0 m
Titel 8. Carrosserie
Afdeling 1. Voorruiten
§ 1. Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg
Artikel 91
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
Afdeling 1. Voorruiten
§ 1. Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg
Artikel 91
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
Artikel 92
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Artikel 94
Artikel 96
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
Artikel 97
§ 2. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg
Artikel 96
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
Artikel 97
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Artikel 99
Artikel 101
Artikel 100
§ 1. Wielafscherming
Afdeling 2. Trottoirspiegel
Artikel 101
De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.
§ 1. Wielafscherming
Artikel 102
Artikel 103
De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.
Artikel 104
Artikel 105
Artikel 106
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
§ 2. Zijdelingse afscherming
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969 maar voor 1 januari 1998, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen:
Artikel 108
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
Artikel 109
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969 maar voor 1 januari 1998, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen:
Artikel 110
Artikel 112
Artikel 111
Afdeling 1. Dimlicht
§ 3. Frontbeschermingsinrichting
Het dimlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
Titel 9. Verlichting en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 1. Dimlicht
Artikel 113
Het dimlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm het geprojecteerde beeld, na fixatie van het apparaat dan wel het scherm, voldoet aan de volgende eisen:
Artikel 114
Dimlichten met gasontladingslichtbronnen zijn voorzien van een goed werkende koplampreinigingsinstallatie waarmee het gehele of een deel van het lichtdoorlatende gedeelte van de koplamp wordt gereinigd. De koplampreinigingsinstallatie wordt visueel gecontroleerd, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
Artikel 115
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. Er is in ieder geval sprake van een gasontladingslichtbronnen indien:
Artikel 116
Afdeling 3. Zijmarkeringslichten en retroreflectoren
Artikel 117
Artikel 119
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
Afdeling 3. Zijmarkeringslichten en retroreflectoren
§ 1. Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflecterende voorzieningen
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.
Artikel 122
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Artikel 121
Artikel 123
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
Artikel 124
§ 2. Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek
Artikel 123
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
Artikel 124
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
Artikel 125
Artikel 127
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
§ 5. Opvallende markering van begeleidingsvoertuigen
§ 4. Retroreflecterende voorzieningen gehandicaptenvoertuigen
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, is artikel 5.3.57 van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Beschadigingen en bewerkingen
§ 5. Opvallende markering van begeleidingsvoertuigen
Artikel 127a
Artikel 129
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
Artikel 128
Titel 10. Verbinding tussen trekkend voertuig en aanhangwagen
Artikel 129
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
Hoofdstuk 2. Gebruikseisen
Titel 1. Afmetingen en massa’s
De markering van in de breedte uitstekende lading moet bestaan uit:
Artikel 133
Artikel 131
Artikel 132
Artikel 134
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
Titel 2. Carrosserie
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in de artikelen 136 tot en met 149 kan overzien.
Artikel 134
Artikel 137
Artikel 135
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in de artikelen 136 tot en met 149 kan overzien.
Artikel 136
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto, die na 30 september 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
Artikel 138
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
Artikel 139
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto, die na 30 september 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
Artikel 140
Artikel 142
Artikel 141
Artikel 143
§ 2. Troittoirspiegel
Artikel 142
§ 3. Breedtespiegel
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
§ 4. Gezichtsveldverbeterende voorziening
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
Artikel 145
§ 5. Vooruitkijkspiegel of camera-monitorsysteem
Artikel 146
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
Artikel 147
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
Artikel 148
Artikel 150
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen; indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
Titel 3. Verlichting en retroreflecterende voorzieningen
§ 6. Wijze van keuren
Achterlichten van fietsen en aanhangwagens achter fietsen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, e of E, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Artikel 152
De volgende voertuigen behoeven niet te zijn voorzien van een markering aan de achterzijde:
Artikel 151
Achterlichten van fietsen en aanhangwagens achter fietsen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, e of E, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Artikel 152
De volgende voertuigen behoeven niet te zijn voorzien van een markering aan de achterzijde:
Annex 1, behorend bij de artikelen 5 tot en met 7
Motorvoertuigen welke geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
Annex 2, behorend bij artikel 15, eerste lid
Annex 5, behorend bij artikel 50
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
Annex 4, behorend bij artikel 50
Behalve bovenstaande symbolen en het E en/of e teken gevolgd door de aanduiding van het land dat de goedkeuring heeft toegekend, bevat het goedkeuringsmerk ook een goedkeuringsnummer (de eerste twee cijfers geven de ‘series of amendments’ aan).
1 De load indexen hebben betrekking op enkel-gemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt twee maal de aslast in enkele montage.
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Annex 6, symbolen verlichting
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Deugdelijkheid en weggedrag
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd, zoals vermeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Hoofdstuk 3. Wijziging in de constructie van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een zelfdragende carrosserie waardoor de inrichtingsomschrijving of het type carrosserie niet meer overeenstemmen met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag
Hoofdstuk 2. Algemeen
Artikel 2
Titel 1. Wijziging van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag
Hoofdstuk 3. Wijziging in de constructie van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een zelfdragende carrosserie waardoor de inrichtingsomschrijving of het type carrosserie niet meer overeenstemmen met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag
Hoofdstuk 4. Wijziging in de constructie waardoor de spoorbreedte van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg niet meer overeenstemt met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag
Hoofdstuk 5. Wijziging in de constructie waardoor de wielbasis niet meer overeenstemt met het kentekenregister
In deze annex:
Titel 2. Wijziging van de wielbasis van een motorfiets en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van weggedrag
Annex, behorende bij bijlage IX, artikel 4, eerste lid, onderdeel a
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
Artikel 4. Duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
Artikel 3. Duurbeproeving in langsrichting van het voertuig
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Artikel 4. Duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig
Hoofdstuk 0. Algemeen
Artikel 5. Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig
Hoofdstuk 0. Algemeen
Artikel 1.0
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Hoofdstuk 1. Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas
Afdeling 1. Eisen LPG
Artikel 1.1
Artikel 1.30
Afdeling 2. Eisen CNG
Artikel 1.29
§ 2.1. Eisen toelating CNG-onderdelen
Artikel 1.30
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
§ 2.2. Inbouwvoorschriften
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ is Nederland);
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
Artikel 1.34
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 110);
Artikel 1.35
Artikel 1.36
Artikel 1.34
Artikel 1.38
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
Artikel 1.36
Artikel 1.37
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
De kleur en afmetingen moeten zijn:
Artikel 1.41
Artikel 1.42
§ 2.2.2. CNG-tank
Artikel 1.43
Artikel 1.41
Artikel 1.42
§ 2.2.2. CNG-tank
Artikel 1.43
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
Artikel 1.45
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
Artikel 1.47
§ 2.2.3. Tankbanden
Artikel 1.48
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
Artikel 1.49
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
Artikel 1.50
Artikel 1.53
Artikel 1.51
§ 2.2.4. Overdrukbeveiliging ten behoeve van de tank
Artikel 1.52
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
Artikel 1.54
§ 2.2.4. Overdrukbeveiliging ten behoeve van de tank
Artikel 1.55
Artikel 1.58
Artikel 1.56
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
§ 2.2.5. Automatische tankafsluiter
Artikel 1.58
Artikel 1.59
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
§ 2.2.6. Gasdichte behuizing op de tank
Artikel 1.60
Artikel 1.61
Artikel 1.64
§ 2.2.7. Gasleidingen en -slangen
Artikel 1.62
Artikel 1.63
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Artikel 1.65
Artikel 1.66
Artikel 1.67
Artikel 1.70
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.
Artikel 1.68
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Artikel 1.70
Artikel 1.72
Artikel 1.71
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
§ 2.2.9. Vulaansluiting
Artikel 1.72
Artikel 1.73
De in artikel 1.72 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
§ 2.2.10. Automatische afsluitklep
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Artikel 1.75
Artikel 1.77
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
Artikel 1.78
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
Artikel 1.77
Artikel 1.79
Artikel 1.78
Artikel 1.81
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
Artikel 1.79
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
Artikel 1.81
Hoofdstuk 2. Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al of niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel
Artikel 1.82
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
Artikel 1.83
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
T100-bussen
Artikel 2.2
Artikel 2
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
§ 13. Zelfbalancerende bromfietsen
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 0. Algemeen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Motor en brandstofsystemen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
§ 7. Stuurinrichting
§ 8. Reminrichting
§ 9. Carrosserie
§ 10. Lichten lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
§ 12. Diversen
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 0. Algemeen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Motor en brandstofsystemen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
§ 7. Stuurinrichting
§ 8. Reminrichting
§ 9. Carrosserie
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
§ 12. Diversen
Afdeling 9. Fietsen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 7. Stuurinrichting
§ 8. Reminrichting
§ 9. Carrosserie
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 12. Diversen
Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
§ 0. Algemeen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Motor en brandstofsystemen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
§ 7. Stuurinrichting
§ 8. Reminrichting
§ 9. Carrosserie
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 12. Diversen
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Motor
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
§ 7. Stuurinrichting
§ 8. Reminrichting
§ 9. Carrosserie
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 12. Diversen
Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
§ 0. Algemeen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Brandstofsystemen
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
§ 7. Stuurinrichting
§ 8. Reminrichting
§ 9. Carrosserie
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
§ 0. Algemeen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Brandstofsystemen
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
§ 8. Reminrichting
§ 9. Carrosserie
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Brandstofsystemen
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
§ 8. Reminrichting
§ 9. Carrosserie
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen
Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
§ 9. Carrosserie
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 17. Wagens
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 6. Ophanging
§ 8. Reminrichting
§ 9. Carrosserie
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
§ 0. Algemeen
§ 1. Afmetingen en massa’s
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
G. Middenasaanhangwagens
§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
§ 3. Reminrichting
A. Aanhangwagens
B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.18.36c
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Artikel 5.18.36d
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
C. Gehandicaptenvoertuigen
D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
E. Wagens
§ 5. Verbinding tussen voertuigen
A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
§ 6. Diversen
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
§ 2. Eisen wijziging in de constructie
Artikel 6.9
Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 1. Algemeen
§ 1. Algemene bepalingen
§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
§ 2.2. Certificaten
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 1. Keuringsinstellingen
§ 2. Onderzoeksgerechtigden
§ 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1. Roetmeters
§ 1.2. Technische eisen
§ 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
§ 2. Toerentellers
§ 2.1. Algemeen
§ 2.2. Technische eisen
§ 3. Olietemperatuurmeters
§ 3.1. Algemeen
§ 3.2. Technische eisen
§ 4. Manometers
§ 4.1. Algemeen
§ 4.2. Technische eisen
§ 5. Pedaalkrachtmeters
§ 5.1. Algemeen
§ 5.2. Technische eisen
§ 6. Remvertragingsmeters
§ 6.1. Algemeen
§ 6.2. Technische eisen
§ 7. Rollenremtestbanken
§ 7.2.1. Controle-inrichting
§ 7.2.2. De maximale fout
§ 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
§ 7.2.3. Uitvoering
§ 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
§ 7.2.5. Aanwijsinrichting
§ 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
§ 7.2.8. Registratie-inrichting
§ 8. Platenremtestbanken
§ 8.1. Algemeen
§ 8.2. Technische eisen
§ 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
§ 9.1. Algemeen
§ 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters
§ 9.3.1. Constructie
§ 9.4. Justeringen
§ 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas
§ 10. Bromfietsrollentestbank
§ 10.2. Technische eisen
§ 10.3. De maximale fout
§ 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
§ 10.8. Registratie-inrichting
§ 11. Geluidsniveaumeter
§ 11.1. Algemeen
§ 11.2. Technische eisen
§ 12. Koplamptestapparaten
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 3. Beschikking inzake ontheffing
§ 4. Tarieven
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
§ 2. Voertuigen
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Artikel 3. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Artikel 8. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Hoofdstuk 2. Inslag voertuigidentificatienummer
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
§ 1. Algemeen
§ 2. Voertuigen
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Artikel 6. Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
Artikel 7. Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Artikel 9. Voertuig is eerder in gebruik genomen
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Artikel 1
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Artikel 1
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
Artikel 1
Voertuigen met de voertuigclassificatie M1, N1 tot en met N3, O1 tot en met O4, L1e tot en met L7e en T1 tot en met T3, T4.2 en T5 met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1998 alsmede voertuigen die behoren tot een verhuisboedel, hetgeen blijkt uit een door de belastingdienst afgegeven verklaring, moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de permanente eisen.
Artikel 5
Artikel 7
Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten wat betreft:
De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
Artikel 15. Toegangen; nooddeuren
Artikel 18. Nooduitgangen in het dak; Afmetingen
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
Artikel 23. Noodramen; toegang
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig vertikaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig vertikaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
Artikel 27. Zitplaatsen voor de passagiers; tegenover elkaar geplaatste zitplaatsen
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van bij een onbelaste ligbank.
Artikel 31. Ligplaatsen voor de passagiers; afmetingen
Artikel 34. Handgrepen bij treden
Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
Artikel 39. Aanvullende regels voor het vervoer van personen in rolstoelen
Individuele toelating zelfbalancerende bromfietsen
In deze annex wordt verstaan onder:
Artikel 7
De remvertraging van zelfbalancerende bromfietsen moet ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
Artikel 9
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters voor:
Artikel 10
Artikel 12
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van:
Artikel 13
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde en goed werkende geluidssignaalinrichting.
Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
1 Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.8, vierde lid
§ 2. Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, aanhangwagens achter fietsen, alsmede wagens
Artikel 2
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
Artikel 6
Artikel 9
Op de retroreflector moet:
§ 2.2. Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en aanhangwagens achter fietsen
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
Artikel 12
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
Artikel 13
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag:
Artikel 16
Artikel 19
Op de retroreflector moet:
§ 2.3. Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 bij deze bijlage heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3 bij deze bijlage, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
B. Proef waterpenetratie
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25° (waarbij een afwijking van 5° C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
D. Brandstoffenproef achterzijde
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
A. Proef waterpenetratie
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
H. Proef sterkte bevestiging
Annex 3, behorende bij bijlage VB
Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
Artikel 3.2. Plaats uitgangen
Artikel 3.5. Handgrepen uitgangen
Een bedrijfsuitgang moet van tenminste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden moet aan de volgende eisen voldoen:
Artikel 4. Doorgangen
Artikel 7. Ligplaatsen
Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Restantvoorraden
Artikel 2
Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:
Controle op de juistheid van de gegevens als bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5
Hoofdstuk 1. Voertuigeisen
Artikel 1
De volgende gegevens in het kentekenregister moeten overeenkomen met de gegevens op het kentekenbewijs deel IA, dan wel deel I voor zover op deel IA of deel I vermeld:
De volgende gegevens, voor zover op het kentekenbewijs deel IA, dan wel deel I vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
Titel 2. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 4
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
Artikel 7
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Artikel 15
Artikel 16
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’ moet de volgende procedure worden gevolgd:
Artikel 19
Artikel 22
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Artikel 25
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24, 25 en 26 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
Afdeling 1. Constructiesnelheid
De maximumconstructiesnelheid wordt gemeten met behulp van een bromfietsrollentestbank die voldoet aan de daaromtrent in hoofdstuk 8 van deze regeling gestelde eisen, waarbij de in artikel 29 bedoelde meetcondities in acht moeten worden genomen.
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
§ 1. Personenauto’s
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
§ 2. Motorfietsen
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
§ 3. Bromfietsen
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Titel 7. Reminrichting
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
§ 2. Remschijf
Remslangen mogen:
Afdeling 2. Remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
§ 2.1. Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg
Artikel 61. Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
§ 2.2. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen
Artikel 65. Extrapolatiedruk bedrijfsauto, bus en aanhangwagen bedrijfsrem
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Artikel 68. Bepalen remvertraging parkeerrem
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig.
Artikel 69. Referentieremkracht
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
Artikel 70. Bepalen remvertraging bedrijfsrem
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
Artikel 72. Bepalen remvertraging parkeerrem
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet op het kentekenbewijs vermeld is dan geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig.
Artikel 73. Bepaling remvertraging bedrijfsrem
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
Artikel 76. Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem
§ 3.1. Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg
Voor het bepalen van de remvertraging moet:
Artikel 78. Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
Artikel 79. Beoordeling overberemming bedrijfsrem op een vier-plaatsremtestbank
De beoordeling van het uitbreken als gevolg van overberemming van de achteras of asstel vindt niet plaats op een twee-plaatsremtestbank. Bij twijfel moet de beoordeling moet worden uitgevoerd door middel van een remproef op de weg zoals bepaald 79, tweede lid.
§ 4.1. Personenauto, bedrijfsauto of bus
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg moet:
Artikel 86. Voorwaarden beproeving bedrijfsrem
Artikel 87. Bepalen remvertraging bedrijfsrem
Artikel 88. Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem
aahw = remvertraging aanhangwagen;
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
Afdeling 3. Remvertraging motorfietsen
Artikel 89. Afgelegde remweg
3,2 m/s2: remweg max. 18,9 m
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
Afdeling 4. Remvertraging bromfietsen
Artikel 90. afgelegde remweg
Aanvangssnelheid 40 km/h:
4,0 m/s2: remweg max. 15,4 m
2,5 m/s2: remweg max. 24,7 m
2,4 m/s2: remweg max. 25,7 m
Titel 8. Carrosserie
Artikel 93
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
Artikel 95
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Artikel 98
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Afdeling 3. Afscherming
Artikel 107
Bij bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1997, moet de zijdelingse afscherming in de gebieden genoemd in artikel 108 voldoen aan de volgende eisen (zie figuur 28, 29 en 30):
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
Artikel 112
Afdeling 2. Gasontladingslichtbronnen
Dimlichten met gasontladingslichtbronnen zijn voorzien van een goed werkende koplampreinigingsinstallatie waarmee het gehele of een deel van het lichtdoorlatende gedeelte van de koplamp wordt gereinigd. De koplampreinigingsinstallatie wordt visueel gecontroleerd, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
Artikel 118
Artikel 119
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
Artikel 120
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.
Artikel 122
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
§ 3. Retroreflecterende voorzieningen fietsen
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
Artikel 126
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
Artikel 127
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding NL, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, is artikel 5.3.57 van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Beschadigingen en bewerkingen
Artikel 130
De markering van in de lengte uitstekende lading of verwisselbaar uitrustingsstuk moet bestaan uit:
De markering van in de breedte uitstekende lading moet bestaan uit:
Artikel 133
§ 1. Linker en rechter buitenspiegel
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
Artikel 137
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto, die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
Artikel 143
Artikel 144
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
§ 5. Vooruitkijkspiegel of camera-monitorsysteem
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Artikel 149
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
Artikel 150
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen; indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
Titel 3. Verlichting en retroreflecterende voorzieningen
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers.
Annex 3, behorend bij de artikelen 17 tot en met 19
Annex 5, behorend bij artikel 50
2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’ mag voor de waarde van de variatie in aslast, de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.
Behalve bovenstaande symbolen en het E en/of e teken gevolgd door de aanduiding van het land dat de goedkeuring heeft toegekend, bevat het goedkeuringsmerk ook een goedkeuringsnummer (de eerste twee cijfers geven de ‘series of amendments’ aan).
Verdere verklaring aantal symbolen:
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Artikel 1
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd, zoals vermeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Titel 1. Wijziging van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag
Artikel 1
In deze annex:
Artikel 2. Algemeen
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG van een motorvoertuig, als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet het brandstofsysteem voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren of voldoen aan en zijn aangebracht overeenkomstig VN/ECE-reglement 115.
Artikel 1.31
§ 2.2.1. Algemeen
Artikel 1.32
Artikel 1.33
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ is Nederland);
00: goedkeuring volgens de originele niet geamendeerde versie van het Reglement;
2439: nummer en aantal posities kan variëren: dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
Artikel 1.35
Artikel 1.38
Artikel 1.39
Artikel 1.40
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weersbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
De kleur en afmetingen moeten zijn:
Artikel 1.44
Artikel 1.46
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
§ 2.2.3. Tankbanden
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
Artikel 1.53
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
Artikel 1.57
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
Artikel 1.64
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
§ 2.2.8. Gasvoerende verbindingen tussen de diverse CNG-onderdelen
Artikel 1.69
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.
Artikel 1.74
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
Artikel 1.76
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
§ 2.2.11. Handafsluiter
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
§ 2.2.12. Elektrische voorzieningen
Artikel 1.80
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
Hoofdstuk 2. Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al of niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel
Artikel 2.1
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, derde lid, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaats vindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
T100-bussen
Artikel 1
Artikel 2
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.