← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)

Geldende tekst a fecha 2021-01-05

Gelet op de artikelen 21, eerste en derde lid, 22, eerste, derde, vierde, en vijfde lid, 22a, eerste lid, 23, derde lid, 25a, eerste en derde lid, 25b, derde lid, 25c, 25e, vierde lid, 26, eerste en tweede lid, 30, eerste, derde en vierde lid, 31, derde lid, 34, derde en vierde lid, 58, tweede lid, onderdeel b, 60, eerste lid, onderdeel c, derde lid, vijfde lid, onderdeel c, en achtste lid, 71, 71a, 72, 75, derde lid, 76, derde lid, 81, tweede lid, 83, vierde lid, 84, eerste en tweede lid, 85a, vierde en vijfde lid, 86, zevende lid, 86a, eerste en tweede lid, 88, tweede lid, 98, 99, tweede en derde lid, 101, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

Besluit:

Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit voertuigen in werking treedt.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Afdeling 1. Begripsbepalingen

Artikel 1.1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Afdeling 1a. Aanvulling grondslagen

Artikel 1.2

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 1.3
1.

De vermelding in deze regeling, voor zover daarbij niet anders is aangegeven, van een EU-richtlijn omvat mede elke in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen richtlijn tot wijziging van die richtlijn. Het tot stand komen van een dergelijke richtlijn wordt door de minister bekendgemaakt in de Staatscourant.

2.

Een wijziging van een richtlijn als bedoeld in het eerste lid, treedt voor de toepassing van deze regeling in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven, tenzij de minister een eerder tijdstip bepaalt. Indien een wijzigingsrichtlijn of een gewijzigde richtlijn de lidstaten verplicht tot dan wel de mogelijkheid biedt voor het afzonderlijk bepalen van de datum van toepassing van een of meer deelaspecten van die wijzigingsrichtlijn respectievelijk gewijzigde richtlijn, wordt deze eveneens door de minister bepaald.

3.

De bekendmaking, bedoeld in het eerste lid, vermeldt:

4.

Indien een verordening of een gewijzigde verordening de lidstaten verplicht tot dan wel de mogelijkheid biedt voor het afzonderlijk bekendmaken van de datum van toepassing van een of meer deelaspecten van die verordening respectievelijk gewijzigde verordening, wordt deze datum door de minister bekend gemaakt.

5.

Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van reglementen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE-reglementen) en verordeningen tot wijziging van een richtlijn.

Artikel 1.4

Vervallen

Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating

Artikel 2.1
1.

In het kader van een aanvraag tot inschrijving of tenaamstelling, een individuele goedkeuring of een door de Dienst Wegverkeer uitgevoerd onderzoek kan door de Dienst Wegverkeer het voertuigidentificatienummer worden vastgesteld.

2.

Indien van een voertuig het voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan door de Dienst Wegverkeer een voertuigidentificatienummer worden vastgesteld, toegekend en ingeslagen.

3.

Het voertuigidentificatienummer wordt vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze, bepaald in bijlage I.

Artikel 2.2
1.

Onder de datum waarop een voertuig in gebruik is genomen, wordt in deze regeling verstaan de datum van eerste toelating van het voertuig zoals vermeld in het kentekenregister.

2.

De datum van eerste toelating, bedoeld in het eerste lid, wordt door de Dienst Wegverkeer vastgesteld op de wijze, bepaald in bijlage II.

3.

Voor voertuigen waarvoor vóór 1 januari 1995 een kentekenbewijs is afgegeven waarop geen datum eerste toelating is vermeld, wordt als datum eerste toelating beschouwd de op het kentekenbewijs vermelde datum van afgifte van deel I van het kentekenbewijs. Indien op het kentekenbewijs onder ‘bijzonderheden’ een bouwjaar is vermeld, wordt als datum eerste toelating beschouwd 30 juni van dit bouwjaar.

Hoofdstuk 3. Toelating tot de weg

Afdeling 3. Aanwijzing van een technische dienst

Artikel 3.1
1.

Voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S, alsmede systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers die voor deze voertuigen zijn ontworpen en gebouwd, moeten zijn goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op bromfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, onder d, van de wet.

3.

De goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit een EU-typegoedkeuring, nationale typegoedkeuring, EU-kleine serie typegoedkeuring, nationale kleine serie typegoedkeuring, individuele goedkeuring of een goedkeuring afgegeven overeenkomstig een VN/ECE-reglement.

4.

Met een nationale typegoedkeuring, een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring als bedoeld in het derde lid, wordt gelijkgesteld een verklaring van goedkeuring afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, welke verklaring is afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.

5.

De in dit hoofdstuk vermelde productieprocessen van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers moeten zijn goedgekeurd.

6.

Voertuigen bestemd voor het gebruik door de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, hoeven voor de toelating tot het verkeer op de weg niet aan alle toelatingseisen inzake retroreflecterende voorzieningen, geluidssignalen en verlichting te voldoen en mogen voor wat betreft de genoemde aspecten zijn voorzien van aanvullende voorzieningen die voor overige voertuigen niet zijn toegestaan.

Afdeling 2. Goedkeuring voertuigen

§ 1. Typegoedkeuring

Artikel 3.2
1.

Voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O, met uitzondering van voertuigen voor speciale doeleinden, moeten voor het verkrijgen van een EU-typegoedkeuring voldoen aan bijlage IV, deel I, bij richtlijn 2007/46/EG.

2.

Voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N en O moeten voor het verkrijgen van een EU-typegoedkeuring voldoen aan bijlage XI bij richtlijn 2007/46/EG.

3.

Voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1, met uitzondering van voertuigen voor speciale doeleinden, moeten voor het verkrijgen van een EU-kleine serie typegoedkeuring en een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan bijlage IV, deel 1, aanhangsel 1, tabel 1 respectievelijk tabel 2 bij richtlijn 2007/46/EG.

4.

Voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O, met uitzondering van voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1, alsmede voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N en O, moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan bijlage IV bij deze regeling.

Artikel 3.3

Voertuigen van de voertuigcategorie L moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan bijlage IV.

Artikel 3.4

Voertuigen van de voertuigcategorieën T, C, R en S moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan bijlage IV.

Artikel 3.5
1.

De Dienst Wegverkeer kan een voorlopige EU-typegoedkeuring als bedoeld in artikel 20 van richtlijn 2007/46/EG verlenen aan voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken of voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, indien hierin nieuwe technologieën of nieuwe concepten zijn toegepast die onverenigbaar zijn met EU-richtlijnen, EU-verordeningen of VN/ECE-reglementen.

2.

De Dienst Wegverkeer kan bepalen dat voor een type waarin technologieën of concepten zijn verwerkt, die wegens hun specifieke aard niet aan de eisen in bijlage IV kunnen voldoen, een tijdelijke nationale kleine serie goedkeuring kan worden verleend, mits er naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer geen gevaar is voor de verkeersveiligheid.

Artikel 3.6

Richtlijn 2007/46/EG is niet van toepassing op voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van richtlijn 2007/46/EG.

§ 2. Individuele goedkeuring

Artikel 3.7
1.

Voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voldoen aan bijlage IV bij deze regeling.

2.

In afwijking van het eerste lid, mogen voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1 die in grote series worden geproduceerd in of voor derde landen en niet of niet langer dan zes maanden zijn geregistreerd, voldoen aan bijlage IV, deel I, aanhangsel 2, bij richtlijn 2007/46/EG.

3.

Met uitzondering van de permanente eisen, stelt de Dienst Wegverkeer de wijze van keuren vast van de in bijlage IV bij deze regeling opgenomen eisen, met inbegrip van alternatieve voorschriften.

Artikel 3.8

De Dienst Wegverkeer kan bepalen dat voor prototypen van voertuigen of voertuigen waarin technologieën of concepten zijn verwerkt, die wegens hun specifieke aard niet aan de eisen, genoemd in bijlage IV, kunnen voldoen en waarvan bij de keuring niet kan worden vastgesteld dan wel slechts op termijn kan worden vastgesteld of aan de in dit hoofdstuk gestelde eisen wordt voldaan, tijdelijke individuele goedkeuring kan worden verleend, mits naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer er geen gevaar is voor de verkeersveiligheid.

Afdeling 1. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën M, N en O

Artikel 3.9
1.

Een systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingsstuk of voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers dat bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig van de voertuigcategorie M, N of O en waarvoor onafhankelijk van een voertuig een typegoedkeuring kan worden verleend, moet voor het verkrijgen van een EU-typegoedkeuring voldoen aan de voorschriften van de relevante EU-richtlijnen, EU-verordeningen en VN/ECE-reglementen opgenomen in bijlage IV of XI van richtlijn 2007/46/EG.

2.

De systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers als bedoeld in bijlage Va moeten voor het verkrijgen van een overeenkomstig de bij het desbetreffende systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingsstuk of voorziening vermelde VN/ECE-reglement af te geven goedkeuring voldoen aan de voorschriften van het relevante VN/ECE-reglement.

3.

Retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens moeten voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring voldoen aan de voorschriften opgenomen in bijlage Vb.

4.

Een reminrichting of stuurinrichting die is bedoeld om deel uit te maken van:

Afdeling 4. Goedkeuring productieprocessen

Artikel 3.10

Het productieproces van voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1 moet voor het verkrijgen van een goedkeuring van het productieproces wat betreft herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing voldoen aan de voorschriften van de relevante EU-richtlijnen en EU-verordeningen opgenomen in bijlage IV of XI van richtlijn 2007/46/EG.

Afdeling 5. Voertuigen met een speciaal gebruiksdoel

Artikel 3.11

Vervallen

Afdeling 3. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën L

Artikel 3.12

Een taxi moet in het kader van de toelating tot het verkeer op de weg in aanvulling op de eisen opgenomen in afdeling 2 van dit hoofdstuk, voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen.

Artikel 3.13
1.

Een taxi met een EU-typegoedkeuring wordt verondersteld te voldoen aan bijlage VI, indien het een voertuig betreft dat is typegoedgekeurd met een vaste indeling en deuren aan beide zijden van elke zitrij met een drempelhoogte van minder dan 50 cm vanaf het wegdek. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkgesteld aan het aantal zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.

2.

Een taxi met een EU-typegoedkeuring met een vaste indeling die niet is uitgevoerd met deuren aan beide zijden van elke zitrij wordt goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan bijlage VI. De zitplaatsen met deuren aan beide zijden van de zitrij worden verondersteld te voldoen aan bijlage VI. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.

3.

Een taxi met een variabele indeling wordt per indeling goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan bijlage VI. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.

4.

Overige taxi’s worden beoordeeld op de in bijlage VI gestelde eisen ten aanzien van:

Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, dan wel andere vervoersplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.

Artikel 3.14

Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op personenauto’s bestemd voor openbaar vervoer als bedoeld in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000.

Artikel 3.15
1.

Bij de inschrijving van de taxi als bedoeld in artikel 3.13, eerste en tweede lid, wordt in het kentekenregister vermeld: ‘Taxi, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’.

2.

Bij de inschrijving van de taxi bedoeld in artikel 3.13 derde en vierde lid wordt een goedkeuringsdocument afgegeven waaruit blijkt dat het voertuig is goedgekeurd voor het gebruik als taxi. Bij de inschrijving in het kentekenregister wordt onder ‘bijzonderheden’ vermeld: ‘Taxi, zie goedkeuringsdocument’.

3.

Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de inschrijving van een voertuig voor gebruik als OV-voertuig. In het kentekenregister wordt vermeld: ‘OV-auto, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’ dan wel ‘OV-auto, zie goedkeuringsdocument’.

Afdeling 5. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S

§ 1. Aanvraag en toezicht EG-typegoedkeuring en VN/ECE typegoedkeuring

Artikel 3.16
1.

De aanvraag van een EU-typegoedkeuring voor voertuigen, onderdelen, systemen, technische eenheden, uitrustingsstukken of voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers of een EU-typegoedkeuring voor een productieproces wordt door de fabrikant ingediend bij de Dienst Wegverkeer.

2.

De aanvraag en behandeling van een EU-typegoedkeuring geschiedt met inachtneming van de in richtlijn 2007/46/EG daaromtrent gegeven voorschriften.

Artikel 3.17
1.

De aanvraag van een typegoedkeuring voor onderdelen, systemen en technische eenheden op basis van een VN/ECE-reglement of een typegoedkeuring voor een productieproces op basis van een VN/ECE-reglement wordt door de fabrikant ingediend bij de Dienst Wegverkeer.

2.

De aanvraag en behandeling van een typegoedkeuring op basis van een VN/ECE-reglement geschiedt met inachtneming van de in het desbetreffende VN/ECE-reglement daaromtrent gegeven voorschriften.

Artikel 3.18
1.

Het toezicht op een verleende EU-typegoedkeuring wordt uitgeoefend door de Dienst Wegverkeer.

2.

Het toezicht op een EU-typegoedkeuring geschiedt met inachtneming van de in richtlijn 2007/46/EG daaromtrent gegeven voorschriften.

3.

Indien er niet wordt voldaan aan de in richtlijn 2007/46/EG, vermelde verplichtingen, wordt de fabrikant in staat gesteld de geconstateerde tekortkomingen binnen een door de Dienst Wegverkeer te bepalen termijn te herstellen en kan het toezicht worden geïntensiveerd.

Artikel 3.19
1.

Het toezicht op een typegoedkeuring verleend op basis van een VN/ECE-reglement wordt uitgeoefend door de Dienst Wegverkeer.

2.

Het toezicht op een typegoedkeuring op basis van een VN/ECE-reglement geschiedt met inachtneming van de in het desbetreffende VN/ECE-reglement daaromtrent gegeven voorschriften.

3.

Indien er niet wordt voldaan aan de in het VN/ECE-reglement op basis waarvan de typegoedkeuring wordt aangevraagd vermelde verplichtingen, wordt de fabrikant in staat gesteld de geconstateerde tekortkomingen binnen een door de Dienst Wegverkeer te bepalen termijn te herstellen en kan het toezicht worden geïntensiveerd.

Artikel 3.20
1.

De aanvraag van een EU-kleine serie typegoedkeuring voor voertuigen wordt door de fabrikant ingediend bij de Dienst Wegverkeer.

2.

De aanvraag en behandeling van een EU-kleine serie typegoedkeuring geschiedt met inachtneming van de in richtlijn 2007/46/EG daaromtrent gegeven voorschriften.

Artikel 3.21
1.

Het toezicht op een verleende EU-kleine serie typegoedkeuring wordt uitgeoefend door de Dienst Wegverkeer.

2.

Het toezicht op een EU-kleine serie typegoedkeuring geschiedt met inachtneming van de in richtlijn 2007/46/EG daaromtrent gegeven voorschriften.

3.

Indien er niet wordt voldaan aan de in richtlijn 2007/46/EG vermelde verplichtingen, wordt de fabrikant in staat gesteld de geconstateerde tekortkomingen binnen een door de Dienst Wegverkeer te bepalen termijn te herstellen en kan het toezicht worden geïntensiveerd.

§ 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring

Artikel 3.22

De artikelen 3.16 en 3.18 zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag van en het toezicht op een nationale typegoedkeuring voor onderdelen, systemen en technische eenheden.

Artikel 3.23
1.

De aanvraag van een nationale typegoedkeuring voor taxi’s wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer.

2.

Het toezicht op een verleende nationale typegoedkeuring voor taxi’s wordt uitgeoefend door de Dienst Wegverkeer op de door deze dienst te bepalen wijze.

Artikel 3.24
1.

De artikelen 3.20 en 3.21 zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag van en het toezicht op een nationale kleine serie typegoedkeuring.

2.

De fabrikant mag de in richtlijn 2007/46/EG vermelde maximale aantal jaarlijks te verkopen, registreren, of in het verkeer te brengen voertuigen niet overschrijden en doet opgave aan de Dienst Wegverkeer van de per kalenderjaar verkochte, geregistreerde of in het verkeer gebrachte voertuigen.

Afdeling 9. Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer

Artikel 3.25
1.

Een EU-typegoedkeuring vervalt van rechtswege zodra voor de registratie, verkoop of het in het verkeer brengen van nieuwe voertuigen zwaardere eisen van kracht worden, tenzij:

2.

Een typegoedkeuring op basis van een VN/ECE-reglement vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden, tenzij in het VN/ECE-reglement op basis waarvan de typegoedkeuring is verleend anders is bepaald.

3.

Een EU-kleine serie typegoedkeuring vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden, tenzij:

4.

Een nationale typegoedkeuring vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden.

5.

Een nationale kleine serie typegoedkeuring vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden, tenzij artikel 3.27 van toepassing is.

6.

Een individuele goedkeuring vervalt zodra zwaardere eisen van kracht worden.

Afdeling 7. Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten

Artikel 3.26
1.

Complete voertuigen mogen op grond van een ingevolge richtlijn 2007/46/EG verleende goedkeuring nog gedurende een periode van 12 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in artikel 27 en bijlage XII, deel B, tweede gedachtestreepje, van deze richtlijn.

2.

Voltooide voertuigen mogen op grond van een ingevolge richtlijn 2007/46/EG verleende goedkeuring nog gedurende een periode van 18 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in artikel 27 en bijlage XII, deel B, tweede gedachtestreepje, van deze richtlijn.

3.

Met betrekking tot het opnemen van voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S in een restantvoorraad, moet worden voldaan aan de in bijlage VII opgenomen voorschriften.

Artikel 3.27

Voertuigen mogen op grond van een verleende nationale typegoedkeuring of kleine serie typegoedkeuring nog gedurende een periode van 18 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan aan de in bijlage VII opgenomen voorschriften.

Hoofdstuk 4. Verkoopverboden

Artikel 4.1
1.

Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel a, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

2.

Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel b, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

3.

Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel c, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

4.

Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel d, van de wet heeft betrekking op het handelen in strijd met:

Artikel 4.2

Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

Artikel 4.3
1.

Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 29, derde lid, onderdeel a, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

2.

Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 29, derde lid, onderdeel b, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

3.

Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 29, derde lid, onderdeel c, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

4.

Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 29, derde lid, onderdeel d, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

5.

Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 29, derde lid, onderdeel e, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

Hoofdstuk 5. Permanente eisen

Afdeling 9. Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer

Artikel 5.1.1
1.

Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig:

2.

Het is de bestuurder en de eigenaar of houder van een voertuig verboden het voertuig te laten staan, indien het voertuig niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de verplichte rode retroreflectoren aan de achterzijde van voertuigen gestelde eisen.

3.

Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid, zijn op motorvoertuigen welke niet vallen onder een van de in de afdelingen 2 tot en met 8 van dit hoofdstuk vermelde categorieën motorvoertuigen, de in afdeling 2 van dit hoofdstuk vermelde eisen van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.1.2

Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de in afdeling 18 van dit hoofdstuk ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.

Artikel 5.1.3

Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de aantekeningen die ingevolge artikel 52b van de wet voor het voertuig in het kentekenregister zijn opgenomen.

Artikel 5.1.4

Gehandicaptenvoertuigen zonder motor moeten voldoen aan de in afdeling 9 van dit hoofdstuk aan fietsen gestelde eisen, met uitzondering van het in artikel 5.9.6ter zake van de afmetingen bepaalde, waarvoor artikel 5.10.6 in de plaats treedt.

Artikel 5.1.5
1.

Artikel 72, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op:

2.

Van de in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde uitzondering wordt melding gemaakt in het kentekenregister.

Artikel 5.1.6
1.

Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een massa in rijklare toestand van niet meer dan 1.280 kg, die in gebruik is genomen na 31 december 2011 en reeds vóór de datum van eerste ingebruikname van een klimaatregelingssysteem is voorzien, verboden dit klimaatregelingssysteem te vullen of te laten vullen met gefluoreerde broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150.

2.

Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een massa in rijklare toestand van niet meer dan 1.280 kg, welke is voorzien van een klimaatregelingssysteem, verboden dit klimaatregelingssysteem te vullen of te laten vullen met gefluoreerde broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150, tenzij het voertuig in gebruik is genomen voor 1 januari 2018 en het klimaatregelingssysteem reeds dergelijke gassen bevat.

3.

Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een massa in rijklare toestand van niet meer dan 1.280 kg, die is voorzien van een klimaatregelingssysteem waaruit een abnormale hoeveelheid koelvloeistof lekt, verboden dit klimaatregelingssysteem bij te vullen of te laten bijvullen met gefluoreerde broeikasgassen dan nadat de noodzakelijke herstelling is voltooid.

Afdeling 11. Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad

Artikel 5.1a.1

Bij de vaststelling van de afmetingen van motorvoertuigen en samenstellen daarvan, met uitzondering van gehandicaptenvoertuigen, worden delen en onderdelen buiten beschouwing gelaten overeenkomstig bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 1, paragraaf 1.

Artikel 5.1a.2
1.

De wielbasis van een voertuig wordt gemeten bij onbeladen toestand van het voertuig met alle wielen op het wegdek en in de stand van rechtuitrijden.

2.

De afmetingen van voertuigen alsmede de last onder de as of assen worden, onverminderd het bepaalde in afdeling 18 van hoofdstuk 5, bepaald bij onbeladen toestand van het voertuig.

Artikel 5.1a.3
1.

Voor de bepaling van het aantal wielen wordt een samenstel van wielen die op één wielnaaf zijn gemonteerd, aangemerkt als één wiel.

2.

In afwijking van het eerste lid, worden voor het bepalen van het aantal wielen van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen twee op dezelfde as gemonteerde wielen als een wiel beschouwd, indien de afstand tussen de middens van de contactvlakken van deze wielen met de grond kleiner is dan 460 mm.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op:

Artikel 5.1a.4
1.

Voor de bepaling van het aantal lichten wordt als één licht aangemerkt elke combinatie van twee of meer al dan niet identieke lichten die:

2.

Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing, indien het voertuig is uitgerust met van fabriekswege aangebrachte lichten.

Artikel 5.1a.5

Met betrekking tot de verlichting moet voor de bepaling van de hoogte boven het wegdek en de afstand vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig, worden gemeten de kortste afstand vanaf de rand van het lichtdoorlatende gedeelte.

Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren

Artikel 5.1b.1

Met betrekking tot de in dit hoofdstuk opgenomen eisen en de wijze van keuren daarvan, wordt verstaan onder:

Artikel 5.1b.2
1.

De keuring van de in dit hoofdstuk opgenomen eisen wordt uitgevoerd zonder demontage, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

2.

De keuring van de in dit hoofdstuk opgenomen eisen wordt uitgevoerd met de banden op de juiste spanning.

3.

De keuring van de in dit hoofdstuk opgenomen eisen wordt uitgevoerd zonder rijproef, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.

4.

De keuring van voertuigen met variabele afmetingen wordt uitgevoerd in de stand waarin het voertuig ter keuring wordt aangeboden.

Artikel 5.1b.3
1.

Indien in dit hoofdstuk een visuele controle wordt voorgeschreven en deze controle onvoldoende uitsluitsel biedt, wordt het desbetreffende onderdeel aanvullend op één van de volgende wijzen gecontroleerd:

2.

Teneinde een goede controle te waarborgen, worden de hierna vermelde onderdelen verwijderd of geopend in de daarachter beschreven gevallen:

a. wieldoppen; voor zover deze de wielbevestigingsbouten afdekken;
b. kofferdeksel; in alle gevallen;
c. motorkap; in alle gevallen;
d. tankklep; voor zover deze een visuele controle van de brandstofdop onmogelijk maakt;
e. beschermdop op koppelingskogel; in alle gevallen;
f. onderbeplating ten behoeve van stroomlijning of geluidsisolatie; voor zover deze een visuele controle onmogelijk maakt van direct voor de verkeersveiligheid van belang zijnde aspecten, zoals de bevestiging van het stuurhuis of de wielophanging;
g. kunststofbeplating in of over de wielkasten; alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van het afgedekte onderdeel en geen andere controle mogelijk is;
h. tapijt of vloerbedekking; alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van het afgedekte onderdeel en geen andere controle mogelijk is;
i. zijskirts, waaronder kunststofspoilers aan dorpels; alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van het afgedekte onderdeel en verwijdering kan geschieden zonder lakbeschadiging (bijvoorbeeld bevestigd met parkers). Zijskirts bevestigd door middel van popnagels of andere permanente bevestigingsmiddelen mogen niet worden verwijderd;
j. beschermkappen om stuurkoppelingen; alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van die koppelingen, voor zover deze kappen een visuele controle van die koppelingen onmogelijk maken;
k. beschermkappen om reminrichtingen; voor zover deze een visuele controle van remschijven onmogelijk maken;
l. overige onderdelen; voor zover deze een visuele controle onmogelijk maken.
3.

Indien het verwijderen dan wel openen van de onderdelen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met e en l, niet mogelijk is, wordt een beschikking tot weigering van de afgifte van een keuringsbewijs afgegeven.

4.

De verwijdering van onderdelen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen f tot en met k, mag alleen geschieden indien er geen gevaar voor beschadiging van het voertuig of het onderdeel bestaat. Na eventuele verwijdering moeten de desbetreffende onderdelen wederom worden gemonteerd.

5.

Indien, ondanks twijfel omtrent de conditie van het afgedekte onderdeel, niet tot verwijdering is overgegaan vanwege het gevaar voor beschadiging, moet op het keuringsrapport worden vermeld dat het afgedekte onderdeel niet is beoordeeld.

6.

Voor het meten van voertuigafmetingen, wielbasis en spoorbreedte wordt een meetband met een minimale nauwkeurigheidsklasse III met voldoende bereik gebruikt.

7.

Voor de beoordeling van de werking van de reminrichting mag uitsluitend tot demontage van wielen en remtrommels worden overgegaan, indien twijfel bestaat:

Artikel 5.1b.4

Indien in het kentekenregister of op het kentekenbewijs deel 1A dan wel deel I onder ‘bijzonderheden’ uitzonderingen op de eisen zijn vermeld, moeten deze in acht worden genomen.

Afdeling 1. Algemeen

Artikel 5.2.0

Een personenauto moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.2.1
Eisen Wijze van Keuren
1. De personenauto moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. Leden 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 2 en 3, van toepassing.
2. De personenauto moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten.
3. Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke structuur zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. Visuele controle.
4. De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle. Aan de eis van het goedkeuringsmerk, wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
5. Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het midden van de personenauto staat.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.2.3
Eisen Wijze van Keuren
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van personenauto’s mogen: Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
a. geen breuken of scheuren vertonen, en
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.
Artikel 5.2.4
Eisen Wijze van Keuren
De bovenbouw van personenauto’s moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.2.6
Eisen Wijze van Keuren
Personenauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. Visuele controle. In geval van twijfel wordt de personenauto gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is.
Artikel 5.2.7
Eisen Wijze van Keuren
1. De last onder de assen van personenauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten. Leden 1 en 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. De totale massa of de som van de aslasten van personenauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde toegestane maximummassa.

§ 3. Motor en brandstofsystemen

Artikel 5.2.9
Eisen Wijze van Keuren
1. Alle onderdelen van brandstofsystemen van personenauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. – Visuele controle, terwijl de personenauto zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
– Indien de motor is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle op lekkage, indien mogelijk, uitgevoerd op alle brandstofsystemen.
– Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld.
3. De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. Visuele controle.
Artikel 5.2.10
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de personenauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.2.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. Visuele controle.
4. De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. Leden 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
5. Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte.
6. Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. Visuele controle.
7. De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. Leden 7 en 8: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
8. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
Artikel 5.2.10a
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de personenauto is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.2.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. Visuele controle.
4. De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
5. De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
6. Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van koel-of verwarmingsinstallaties ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte of een koelinstallatie ten behoeve van het koelen van de laadruimte. Leden 6 tot en met 10: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
7. De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
8. De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
9. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
10. De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.
Artikel 5.2.11
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. Visuele en auditieve controle, terwijl de personenauto zich met draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. Personenauto’s mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden.
4. Personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een personenauto met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een personenauto met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Personenauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing.
5. De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volumepercentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 40, 41 en 43, van toepassing.
6. Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1992 die zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 40, 42 en 43, van toepassing.
7. De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 44 en 45, van toepassing.
8. Personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1995, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 40 van toepassing. Leden 8 tot en met 10: visuele controle.
9. Indien bij personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking de deeltjesmassa is gemeten in g/km en de hiervoor in het kentekenregister vermelde waarde is kleiner dan of gelijk aan 0,005 g/km of de op het kentekenbewijs vermelde milieuclassificatie is gelijk aan of groter dan Euro 6, moet het roetfilter aanwezig en niet duidelijk defect zijn.
10. Indien bij personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking de deeltjesmassa is gemeten in g/kWh en de in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde milieuclassificatie is gelijk aan of groter dan Euro 6 of Euro VI, moet het roetfilter aanwezig en niet duidelijk defect zijn.
11. Als bij personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, de EOBD-procedure succesvol wordt doorlopen en geen emissiegerelateerde fouten worden geconstateerd, geldt dit als alternatief voor de eisen als bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45c van bijlage VIII van toepassing.
12. Bij personenauto’s met roetfilter zoals bedoeld in de negende en tiende rij, dient het roetfilter goed te werken. Hierbij is het bepaalde in de Bijlage VIII, artikelen 45e tot en met 45f, van toepassing. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
Artikel 5.2.12
Eisen Wijze van Keuren
1. De accu van personenauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De elektrische bedrading van personenauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
Artikel 5.2.13
Eisen Wijze van Keuren
1. De motorsteunen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.2.15
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. Visuele controle. De werking en afleesbaarheid wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Indien een personenauto moet zijn voorzien van een controleapparaat: a. moet de personenauto zijn voorzien van een installatieplaatje en mag de op het installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal 24 maanden vanaf de installatiedatum bedraagt; b. moet het onder a bedoelde installatieplaatje zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd; c. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het onder a bedoelde installatieplaatje is vermeld, en d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening. – Onderdeel a: de aanwezigheid van en de geldigheidsduur op het installatieplaatje van de tachograaf wordt visueel gecontroleerd. – Onderdeel b: visuele controle van de verzegeling van het installatieplaatje van de tachograaf. – Onderdeel c: bij twijfel meting van de bandenomtrek. – Onderdeel d: visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen van de tachograaf. – De wijze van gebruik van het voertuig en de onderdelen a tot en met d worden niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, indien er geen installatieplaatje in of op het voertuig aanwezig is.
Artikel 5.2.16
Eisen Wijze van Keuren
1. De aandrijving van personenauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft.
2. Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.2.18
Eisen Wijze van Keuren
1. De assen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3. De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
4. De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing.
Artikel 5.2.19
Eisen Wijze van Keuren
1. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van personenauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Artikel 5.2.20
Eisen Wijze van Keuren
1. De wiellagers van personenauto’s mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd.
Artikel 5.2.21
Eisen Wijze van Keuren
1. De wielbasis van personenauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. Aan deze eis is reeds op basis van artikel 5.2.1 getoetst.
2. Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis, links en rechts gemeten, niet meer dan 15 mm verschillen. Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.2.22
Eisen Wijze van Keuren
De afstanden tussen de fuseedraaipunten en twee punten aan het chassis dan wel aan de carrosserie, die symmetrisch links en rechts ten opzichte van de langsas van het voertuig zijn gelegen, mogen recht en kruiselings gemeten onderling niet meer dan 15 mm verschillen. Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.2.23
Eisen Wijze van Keuren
De spoorbreedte van personenauto’s mag niet meer dan 2,0% groter zijn dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
Artikel 5.2.24
Eisen Wijze van Keuren
1. De wielen onderscheidenlijk velgen van personenauto’s mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt en het wiel vrij kan ronddraaien.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.2.26
Eisen Wijze van Keuren
1. Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De waarschuwingsinrichting van het stabiliteitscontrolesysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

Artikel 5.2.27
Eisen Wijze van Keuren
1. De wielen van personenauto’s moeten zijn voorzien van luchtbanden. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. Leden 2 en 3: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
3. De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4. De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is.
5. De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van de eerste volzin is naprofileren toegestaan, indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘regroovable’ of door het teken ‘ ’, met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. De wijze van keuren bij het tweede en derde lid is van toepassing.
6. De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de personenauto. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. Visuele controle.
7. Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
8. De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve wanneer een nood- of reservewiel wordt gebruikt. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan.
9. De banden moeten een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven, moet hiermee rekening gehouden worden.
– Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt, moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden.
– Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is, moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden.
– Indien geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn, wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden.
– De banden op één as moeten een gelijke bandenspanning hebben met een maximaal verschil van 0,3 bar.
– Bij het constateren van een te lage bandenspanning moet deze op de juiste bandenspanning worden gebracht.
10. De waarschuwingsinrichting van het controlesysteem voor de bandenspanning van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
Artikel 5.2.28
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
2. De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. Personenauto’s moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goed werkende schokdempers. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de personenauto zo mogelijk verscheidene keren wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

§ 5. Assen

Artikel 5.2.29
Eisen Wijze van Keuren
1. De bestuurde wielen van personenauto’s moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid, met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15° zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen.
2. Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast.
3. De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de personenauto op de wielen rust.
4. Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
5. Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. Leden 5 en 6: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen.
6. Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 51, van toepassing.
7. De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van:
a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast;
b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend.
– In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
8. Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
9. De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn.
10. Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiging mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. De wijze van keuren bij het vierde lid is van toepassing.
11. De onderdelen van de stuurbekrachtiging mogen geen ernstige lekkage vertonen. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt bij stationair draaiende motor in de uiterste stand gedraaid en gehouden.
12. De waarschuwingsinrichting van de elektronische stuurbekrachtiging van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

§ 4. Krachtoverbrenging

Artikel 5.2.31
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat over de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle.
2. De rembekrachtiger en de remkrachtregelaar moeten goed functioneren. – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken.
– Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt.
4. Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. Visuele controle.
5. Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 55 en 56, van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
6. Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien.
7. De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt het wiel rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn.
8. De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
9. Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit zonder demontage mogelijk is.
10. De onderdelen van een antiblokkeersysteem: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en d. mogen geen lekkage vertonen. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
11. De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Leden 11 en 12: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
12. De waarschuwingsinrichting van het elektronisch remsysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven.
Artikel 5.2.32
Eisen Wijze van Keuren
1. In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden.
2. De vulopening van de reservoirs, bedoeld in het eerste lid, moet zijn afgesloten met een passende dop. Visuele controle.
Artikel 5.2.38
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,8 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2 van toepassing. Leden 1 tot en met 3: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen.
2. Personenauto’s in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,2 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
3. Personenauto’s in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
4. De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd.
5. Personenauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. Leden 5 en 6: de wijze van keuren bij het eerste tot en met derde lid is van toepassing.
6. In afwijking van het eerste en tweede lid, moeten ambulances, kampeerwagens en lijkwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 2.500 kg, zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van deze voertuigen is het bepaalde ten aanzien van personenauto’s in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
Artikel 5.2.39
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt. Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd.
2. De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,6 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren. Leden 2 en 3: in geval van een elektrisch bediende parkeerrem, waarbij de remvertraging niet bepaald kan worden op een remtestinrichting, wordt hieraan geacht te zijn voldaan, indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden.
3. De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 2018, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,2 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren.
4. De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.

§ 4. Krachtoverbrenging

Artikel 5.2.41
Eisen Wijze van Keuren
1. De deuren van personenauto’s moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten.
2. Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten.
3. De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle.
Artikel 5.2.42
Eisen Wijze van Keuren
1. De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95 van toepassing. Visuele controle.
2. De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
3. De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
4. Indien de personenauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Visuele controle.
5. Indien de personenauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
Artikel 5.2.43
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege.
2. Personenauto’s met een voorruit, die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
Artikel 5.2.44
Eisen Wijze van Keuren
Personenauto’s met een voorruit, die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
Artikel 5.2.45
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s in gebruik genomen na 25 januari 2010, moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel, een rechterbuitenspiegel en een binnenspiegel. Leden 1 tot en met 6: visuele controle.
2. Indien met de in het eerste lid bedoelde binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien, behoeft deze niet aanwezig te zijn.
3. Personenauto’s in gebruik genomen vóór 26 januari 2010, moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en een binnenspiegel.
4. De in het derde lid bedoelde personenauto’s moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel, indien met de binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn.
5. De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd.
6. Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
7. In afwijking van het eerste, derde en vierde lid mogen verplichte spiegels zijn vervangen door goedwerkende camera-monitorsystemen. Indien spiegels vervangen zijn door camera-monitorsystemen, dan moeten deze systemen deugdelijk bevestigd zijn. Visuele controle
Artikel 5.2.46
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2014, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. Visuele controle.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. personenauto’s in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten; b. zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande personenauto; en c. personenauto’s met een in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h.
3. De zitplaatsen en rugleuningen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1 en 2, van toepassing. Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling.
4. Bij zitplaatsen waarvan de rugleuning toegang geeft tot een daarachter gelegen zitplaats moet de ontgrendeling van de rugleuning goed werken. Visuele controle
Artikel 5.2.47
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen. Leden 1 en 2: visuele controle. Indien in het middelste gedeelte van een doorlopende bank geen (heup)gordel aanwezig is, wordt dit gedeelte niet aangemerkt als zitplaats en behoeft geen (heup)gordel te zijn aangebracht. In geval van een kampeerwagen is de controle beperkt tot de voorste zitplaatsen en tot de overige zitplaatsen voor zover deze zijn voorzien van gordels.
2. Personenauto’s die na 31 december 1989 doch voor 1 oktober 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen.
3. Personenauto’s die na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor de zitplaats van de bestuurder en de naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover deze aan een portier grenzen. Leden 3 en 4: visuele controle.
4. Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op klapstoelen, zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in stilstaande personenauto’s en personenauto’s met een in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h.
5. De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken.
6. De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd.
7. De waarschuwingsinrichting van het gordelspansysteem en gordelkrachtbegrenzingssysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Leden 7 en 8: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
8. De waarschuwingsinrichting van het airbagsysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven.
Artikel 5.2.47a
Eisen Wijze van keuren
1. Personenauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel, moeten voldoen aan de in artikel 5.2.78 gestelde eisen. Leden 1 en 2: visuele controle. Aan deze eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Personenauto’s die zijn voorzien van een ligplaats moeten voldoen aan de in artikel 5.2.79 gestelde eisen.
Artikel 5.2.48
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van personenauto’s die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3. In aanvulling op het bepaalde in het eerste en tweede lid, mogen personenauto’s aan de voorzijde niet zijn voorzien van voorzieningen die in geval van botsing de kans op lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
4. Het bepaalde in het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op voertuigdelen en voorzieningen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. Leden 4 en 5: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
5. De wielen onderscheidenlijk banden van personenauto’s: a. moeten goed zijn afgeschermd; b. mogen niet meer dan 30 mm buiten de afscherming uitsteken, en c. mogen niet aanlopen.
6. Geen deel van de buitenzijde van de personenauto mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. Visuele controle.
Artikel 5.2.49a
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s in gebruik genomen na 30 juni 2018 mogen niet zijn voorzien van een klimaatregelingssysteem dat gefluoreerde broeikasgassen bevat met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150. Visuele controle. Indien uit het in de motorruimte aanwezige opschrift blijkt dat de gassen (R)12, (R)32, (R)125 of (R)134a zijn toegepast, wordt niet voldaan aan deze eis. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Het eerste lid is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2012 en reeds voor de datum van eerste ingebruikname van een dergelijk klimaatregelingssysteem zijn voorzien.
Artikel 5.2.50
Eisen Wijze van Keuren
Frontbeschermingsinrichtingen van personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EU-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikel 112, gestelde eisen. Visuele controle. Indien een EU-typegoedkeuringsmerk aanwezig is, blijft verdere controle achterwege.

§ 6. Ophanging

Artikel 5.2.51
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikelen 115 en 117, gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; – Onderdelen a tot en met l: visuele controle. – Onderdeel m tot en met p: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
c. twee stadslichten;
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen;
e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig worden beschouwd als zijrichtingaanwijzers, indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts;
g. twee achterlichten;
h. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
i. een achterkentekenplaatverlichting;
j. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;
k. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig;
l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
m. twee markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m;
n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing;
o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing;
p. een derde remlicht indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 2001, aangebracht zodanig dat:
1°. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en
2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in onderdeel p.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel p, moeten twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.2.51a
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de auto herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel zwaai-, flits- of knipperlicht. Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op personenauto’s gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken.
3. Personenauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de auto herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten.
Artikel 5.2.53
Eisen Wijze van Keuren
1. De grote lichten, dimlichten, stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 9: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
3. De zijrichtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen.
4. De achterlichten en mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
5. De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
6. Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
7. De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
8. De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen.
9. De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen.
Artikel 5.2.55
Eisen Wijze van Keuren
1. De in artikel 5.2.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan.
2. De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
4. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing
5. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
6. De in artikel 5.2.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten.
7. De in artikel 5.2.51 bedoelde retroreflectoren van het voertuig mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. Visuele controle.
8. Indien de personenauto is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend.
Artikel 5.2.56
Eisen Wijze van Keuren
1. De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is.
2. Personenauto’s die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing.
Artikel 5.2.57
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s mogen zijn voorzien van: Onderdelen a tot en met u: visuele controle.
a. twee mistvoorlichten;
b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken;
c. twee extra stadslichten;
d. twee extra achterlichten;
e. twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn;
f. twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn;
g. twee staaklichten;
h. parkeerlichten;
i. één extra mistachterlicht aan de achterzijde van het voertuig;
j. extra achteruitrijlichten;
k. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig;
l. extra zijrichtingaanwijzers aan beide zijkanten van het voertuig;
m. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien deze retroreflectoren niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn;
n. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
o. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn, waarbij bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing is;
p. werklichten;
q. een derde remlicht, indien dit licht niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht is, aangebracht overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.2.51, eerste lid, onderdeel p;
r. twee dagrijlichten;
s. twee bochtlichten;
t. twee hoeklichten;
u. één manoeuvreerlicht aan elke zijkant van het voertuig.
2. Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.2.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen. Leden 2 en 3: visuele controle.
3. Personenauto’s mogen zijn voorzien van extra rode retroreflecterende voorzieningen aan de achterzijde en extra retroreflecterende voorzieningen aan de zijkanten van het voertuig, welke ambergeel moeten zijn, met uitzondering van de achterste retroreflector aan de zijkant, welke rood mag zijn.
4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel q, mogen twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.2.58
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. Lid 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht.
Artikel 5.2.59
Eisen Wijze van Keuren
1. De mistvoorlichten en de achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 7: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen, tenzij zij zijn ingebouwd in ambergeel stralende zijrichtingaanwijzers.
3. De extra richtingaanwijzers, extra waarschuwingsknipperlichten en extra zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan wit of ambergeel, en naar achteren niet anders dan rood of ambergeel stralen.
4. De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen.
5. De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
6. Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
7. De dagrijlichten, bochtlichten, hoeklichten en manoeuvreerlichten mogen niet anders dan wit stralen.
Artikel 5.2.59a
Eisen Wijze van Keuren
1. De in artikel 5.2.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing.
4. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.2.61
Eisen Wijze van Keuren
1. Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.2.51 en 5.2.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de mistachterlichten, werklichten, hoeklichten en bochtlichten.
Artikel 5.2.62
Eisen Wijze van Keuren
1. Het ingeschakeld zijn van de grote lichten indien de personenauto na 31 december 1997 in gebruik is genomen, de mistvoorlichten indien de personenauto na 31 december 2012 in gebruik is genomen en het mistachterlicht of de mistachterlichten, moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. Het ingeschakeld zijn van de richtingaanwijzers of de waarschuwingsknipperlichten, indien de personenauto na 31 december 1997 in gebruik is genomen, moet door middel van een optisch of akoestisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt Visuele of auditieve controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.2.64
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Personenauto’s mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, de waarschuwingsknipperlichten en de remlichten ten behoeve van het noodstopsignaal, niet zijn voorzien van knipperende lichten. Visuele controle.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op personenauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
4. In afwijking van het tweede lid, mogen de zijmarkeringslichten van personenauto’s synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig knipperen. Visuele controle.
Artikel 5.2.65
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.2.51, 5.2.51a, 5.2.57 en 5.2.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.
2. Personenauto’s niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen

Artikel 5.2.66
Eisen Wijze van Keuren
Indien de personenauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, geschiedt de controle op de wijze, bepaald in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Artikel 5.2.67
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien een personenauto is voorzien van een koppelingskogel, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. Bij personenauto’s die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van een aanhangwagen dan bedoeld in het eerste lid, moet worden voldaan aan het bepaalde bij of krachtens artikel 5.3.68. De wijze van keuren bij artikel 5.3.68 is van toepassing.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.2.71
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld.
2. Personenauto’s mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik, diefstal van of ongeoorloofde toegang tot het voertuig te voorkomen. Leden 2 tot en met 5: visuele en auditieve controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
3. Hybride elektrische of elektrische personenauto’s mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt.
4. Personenauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn.
5. Met uitzondering van personenauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen personenauto’s niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid.
6. De waarschuwingsinrichting van het eCall-boordsysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 30 maart 2018, mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.2.73
Eisen Wijze van Keuren
1. Een taxi waarvoor een goedkeuringsdocument is afgegeven, moet in aanvulling op de eisen opgenomen in de paragrafen 0 tot en met 12 van deze afdeling voldoen aan de in deze paragraaf opgenomen eisen.
2. Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op ov-auto’s, hetgeen blijkt uit een vermelding in het kentekenregister.
Artikel 5.2.74
Eisen Wijze van Keuren
De inrichting van een taxi moet overeenstemmen met het goedkeuringsdocument, bedoeld in artikel 3.1.5, achtste lid, tenzij in deze afdeling anders is bepaald. Visuele controle.
Artikel 5.2.75
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien in het goedkeuringsdocument rails of andere bevestigingspunten voor de bevestiging van rolstoelen of ligplaatsen zijn aangegeven, kan het aantal stoelen of banken in de taxi minder zijn dan in het goedkeuringsdocument is vermeld. Visuele controle.
2. Indien op de rails stoelen of banken zijn bevestigd, moet de positionering ervan zodanig zijn dat voldoende doorgang naar een deur is gewaarborgd. Visuele controle. Van voldoende doorgang is sprake, indien een volwassen persoon de deur ongehinderd kan bereiken.
3. Aanwezige interieurdelen mogen de doorgang naar een uitgang niet belemmeren. Visuele controle.
Artikel 5.2.76
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien in het goedkeuringsdocument een nooduitgang in het dak of een noodhamer is aangegeven, moet ten minste één van beide aanwezig zijn. Visuele controle.
2. De nooduitgang in het dak moet van binnen en van buiten kunnen worden geopend. Visuele controle, waarbij de nooduitgang aan de binnenzijde moet worden geopend en gesloten.
3. De noodhamer moet zodanig zijn bevestigd dat deze kan worden gebruikt door een zich in het voertuig bevindend persoon vanuit een positie direct voor het noodraam. Visuele controle, waarbij de noodhamer uit de inklemming wordt verwijderd en weer wordt aangebracht.
4. Met een in het goedkeuringsdocument bij een schuifdeur aangegeven tweede deurklink, moet de betreffende schuifdeur kunnen worden geopend. Visuele controle, waarbij de schuifdeur aan de binnenzijde moet worden geopend en gesloten.
Artikel 5.2.77

Vervallen

Artikel 5.2.78
Eisen Wijze van Keuren
1. Op de plaats waar rolstoelen kunnen worden bevestigd moeten, met uitzondering van de plaatsen waar eventuele stoelen of banken zijn bevestigd, de bevestigingssystemen voor deze rolstoelen en de daarbij behorende gordels aanwezig zijn. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De rails of vastzetsystemen, alsmede de onderdelen ervan voor de bevestiging van rolstoelen, mogen niet zodanig zijn vervormd of beschadigd dat de sterkte en de werking ervan in gevaar wordt gebracht.
3. Vastzetsystemen moeten op de daarvoor aanwezige bevestigingspunten passend kunnen worden bevestigd. Visuele controle, waarbij de vastzetinrichting op het betreffende bevestigingspunt moet worden aangebracht.
4. Vergrendelinrichtingen van vastzetsystemen moeten met de hand te bedienen zijn en moeten naar behoren functioneren. Visuele controle, waarbij de vergrendelinrichting moet worden bediend.
5. Bevestigingsmiddelen niet zijnde vastzetsystemen en de daarbij behorende gordels moeten zijn voorzien van een goedwerkende sluiting en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de sterkte en werking ervan in gevaar wordt gebracht. Visuele controle, waarbij moet worden beproefd of de sluiting van de bevestigingsmiddelen en de daarbij behorende gordels functioneren.

Afdeling 3. Bedrijfsauto’s

Artikel 5.3.0

Een bedrijfsauto, met uitzondering van een bedrijfsauto waarvoor in het kentekenregister de aanduiding ‘bus’ dan wel ‘autobus’ is vermeld, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

§ 7. Stuurinrichting

Artikel 5.3.1
Eisen Wijze van Keuren
1. De bedrijfsauto moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. Leden 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 2 en 3, van toepassing.
2. De bedrijfsauto moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten.
3. De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle. De eis aan het goedkeuringsmerk wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
4. Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het midden van de bedrijfsauto staat.
5. Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke structuur zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. Visuele controle.
6. Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van één of meerdere constructieplaten die goed leesbaar zijn en waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de maximummassa's die op de constructieplaten zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa's die zijn aangegeven in het kentekenregister. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

§ 12. Diversen

Artikel 5.3.3
Eisen Wijze van Keuren
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bedrijfsauto’s mogen: Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing
Artikel 5.3.4
Eisen Wijze van Keuren
1. De bovenbouw van bedrijfsauto’s moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.

§ 13. Aanvullende eisen taxi’s

Artikel 5.3.6
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. Leden 1 tot en met 3: visuele controle. In geval van twijfel wordt de bedrijfsauto gemeten, waarbij de in het eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, bedoelde maten niet meer dan 1% mogen afwijken. Artikel 5.1a.1 is van toepassing.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, mogen:
a. rijdende werktuigen niet langer zijn dan 20,00 m, en
b. kermis- en circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m.
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, mogen:
a. geconditioneerde voertuigen niet breder zijn dan 2,60 m;
b. bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg, en in gebruik genomen voor 1 februari 1999, niet breder zijn dan 2,60 m;
c. rijdende werktuigen niet breder zijn dan 3,00 m; en
d. bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h niet breder zijn dan 3,00 m indien de breedtevermeerdering het gevolg is van de montage van bredere banden of dubbellucht banden en de daarvoor noodzakelijk aangebrachte wielafscherming en markering. Uitrusting breder dan 2,55 m vallende binnen het breedste punt van de banden wordt niet in aanmerking genomen, indien deze te demonteren is en niet leidt tot extra laadruimte.
4. In de afmetingen, bedoeld in het eerste en het derde lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen.
Artikel 5.3.7
Eisen Wijze van Keuren
1. De last onder de assen van bedrijfsauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten. Leden 1 en 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. De totale massa of de som van de aslasten van bedrijfsauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde toegestane maximummassa.

§ 12. Diversen

Artikel 5.3.9
Eisen Wijze van Keuren
1. Alle onderdelen van brandstofsystemen van bedrijfsauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
– Indien de motor is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle op lekkage, indien mogelijk, uitgevoerd op alle brandstofsystemen.
– Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld.
3. De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. Visuele controle.
Artikel 5.3.10
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de bedrijfsauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. Visuele controle, zo nodig terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. Visuele controle.
4. De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. Leden 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
5. Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of laadruimte.
6. Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. Visuele controle.
7. De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. Leden 7 en 8: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
8. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
Artikel 5.3.10a
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de bedrijfsauto is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. Visuele controle, zo nodig terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. Visuele controle.
4. De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
5. De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
6. Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van koel-of verwarmingsinstallaties ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte of een koelinstallatie ten behoeve van het koelen van de laadruimte. Leden 6 tot en met 10: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
7. De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
8. De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
9. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
10. De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.
Artikel 5.3.11
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. Visuele en auditieve controle, terwijl de bedrijfsauto zich met draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. Bedrijfsauto’s mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden.
4. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een bedrijfsauto met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een bedrijfsauto met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing.
5. De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volume percentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 40, 41 en 43, van toepassing.
6. Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1994 die zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 40, 42 en 43, van toepassing.
7. De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 44 en 45, van toepassing.
8. Bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die zijn voorzien van een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 40 van toepassing. Leden 8 tot en met 10: visuele controle.
9. Indien bij bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking de deeltjesmassa is gemeten in g/km en de hiervoor in het kentekenregister vermelde waarde is kleiner dan of gelijk aan 0,005 g/km of de op het kentekenbewijs vermelde milieuclassificatie is gelijk aan of groter dan Euro 6, moet het roetfilter aanwezig en niet duidelijk defect zijn.
10. Indien bij bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking de deeltjesmassa is gemeten in g/kWh en de in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde milieuclassificatie is gelijk aan of groter dan Euro 6 of Euro VI, moet het roetfilter aanwezig en niet duidelijk defect zijn.
11. Als bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, de EOBD-procedure succesvol wordt doorlopen en geen emissiegerelateerde fouten worden geconstateerd, geldt dit als alternatief voor de eisen als bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45c van bijlage VIII van toepassing.
12. Bij bedrijfsauto’s met roetfilter zoals bedoeld in de negende en tiende rij, dient het roetfilter goed te werken. Hierbij is het bepaalde in de Bijlage VIII, artikelen 45e tot en met 45g, van toepassing. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
Artikel 5.3.12
Eisen Wijze van Keuren
1. De accu van bedrijfsauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
2. De elektrische bedrading van bedrijfsauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Artikel 5.3.13
Eisen Wijze van Keuren
1. De motorsteunen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.

§ 13. Aanvullende eisen taxi’s

Artikel 5.3.15
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. Visuele controle. De werking en afleesbaarheid wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. De volgende categorieën motorvoertuigen moeten zijn voorzien van een snelheidsbegrenzer: Visuele controle aan de hand van het installatieplaatje.
a. bedrijfsauto’s met een dieselmotor, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg, die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen;
b. bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen, en
c. bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 12.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen.
3. De snelheidsbegrenzer moet zijn afgesteld opeen zodanige snelheid, dat de maximumsnelheid van bedrijfsauto’s, niet meer dan 90 km/h kan bedragen. De ingestelde snelheid is onuitwisbaar vermeld op een installatieplaatje dat op een duidelijk zichtbare plaats in de stuurcabine van het voertuig is aangebracht. Visuele controle of het installatieplaatje de juiste snelheid aangeeft. Tevens wordt, waar toepasbaar, met een diagnosesysteem vastgesteld of de ingestelde snelheid juist is.
4. De snelheidsbegrenzer en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen moeten met behulp van een verzegeling of door de noodzaak om speciale gereedschappen te gebruiken zijn beschermd tegen niet-toegestane bijstelling of onderbreking van de stroomvoorziening. Visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen.
5. Het tweede lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s: a. in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, en b. die blijkens een voor het betrokken voertuig opgenomen aantekening in het kentekenregister niet van een snelheidsbegrenzer behoeven te zijn voorzien. Visuele controle. – Onderdeel a: of een bedrijfsauto wordt gebruikt door een in artikel 29, eerste lid, of artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde dienst, wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
6. Indien een bedrijfsauto moet zijn voorzien van een controleapparaat: a. moet de bedrijfsauto zijn voorzien van een installatieplaatje en mag de op het installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal 24 maanden vanaf de installatiedatum bedraagt; b. moet het onder a bedoelde installatieplaatje zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd; – Onderdeel a: de aanwezigheid van en de geldigheidsduur op het installatieplaatje van de tachograaf wordt visueel gecontroleerd. – Onderdeel b: visuele controle van de verzegeling van het installatieplaatje van de tachograaf. – Onderdeel c: bij twijfel meting van de bandenomtrek. – Onderdeel d: visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen van de tachograaf. – De wijze van gebruik van het voertuig en de onderdelen a tot en met d worden niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, indien er geen installatieplaatje in of op het voertuig aanwezig is.
c. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het onder a bedoelde installatieplaatje is vermeld, en
d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening.
Artikel 5.3.16
Eisen Wijze van Keuren
1. De aandrijving van bedrijfsauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft.
2. Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.3.18
Eisen Wijze van Keuren
1. De assen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3. De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. Bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd.
4. De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing.
Artikel 5.3.19
Eisen Wijze van Keuren
1. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Artikel 5.3.20
Eisen Wijze van Keuren
1. De wiellagers van bedrijfsauto’s mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zo nodig een rijproef uitgevoerd.
Artikel 5.3.21
Eisen Wijze van Keuren
1. De wielbasis van bedrijfsauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. Aan deze eis is reeds op basis van artikel 5.3.1 getoetst.
2. Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis links en rechts gemeten niet meer dan: a.15 mm verschillen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, en b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg. Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.3.22
Eisen Wijze van Keuren
De afstanden tussen de fuseedraaipunten en twee punten aan het chassis dan wel aan de carrosserie, die symmetrisch links en rechts ten opzichte van de langsas van het voertuig zijn gelegen, mogen recht en kruiselings gemeten onderling niet meer dan: Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten.
a. 15 mm verschillen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, en
b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg.
Artikel 5.3.23
Eisen Wijze van Keuren
De spoorbreedte van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg mag niet meer dan 2,0% groter zijn dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
Artikel 5.3.24
Eisen Wijze van Keuren
1. De wielen onderscheidenlijk velgen van bedrijfsauto’s mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt en het wiel vrij kan ronddraaien.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.3.25
Eisen Wijze van Keuren
De wielnaven van bedrijfsauto’s moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
Artikel 5.3.26
Eisen Wijze van Keuren
1. Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De waarschuwingsinrichting van het stabiliteitscontrolesysteem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd.

§ 3. Motor en brandstofsystemen

Artikel 5.3.27
Eisen Wijze van Keuren
1. De wielen van bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van luchtbanden. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. Leden 2 en 3: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
3. De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4. De profilering van de hoofdgroeven van de banden van bedrijfsauto’s moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is.
5. De banden van bedrijfsauto’s mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van de eerste volzin is naprofileren toegestaan, indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘regroovable’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. De wijze van keuren bij het tweede en derde lid is van toepassing.
6. De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de bedrijfsauto. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. Leden 6 en 7: visuele controle.
7. De op de band van een bedrijfsauto, in gebruik genomen na 31 december 1997, vermelde loadindex, mag niet kleiner zijn dan de loadindex behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 50, van toepassing.
8. Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
9. De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve wanneer een nood- of reservewiel wordt gebruikt. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan.
10. Bij bedrijfsauto’s met een maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moeten de banden een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven, moet hiermee rekening gehouden worden. – Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt, moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden.
– Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is, moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden.
– Indien geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn, wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden.
– De banden op één as moeten een gelijke bandenspanning hebben met een maximaal verschil van 0,3 bar.
– Bij het constateren van een te lage bandenspanning moet deze op de juiste bandenspanning worden gebracht.
11. De waarschuwingsinrichting van het controlesysteem voor de bandenspanning van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd.
Artikel 5.3.28
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zo nodig een rijproef uitgevoerd.
2. De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. Bedrijfsauto’s die zijn voorzien van gasvering en bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk verscheidene keren ingeveerd en zo nodig aan een rijproef onderworpen.
4. Schokdempers van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.

§ 5. Assen

Artikel 5.3.29
Eisen Wijze van Keuren
1. De bestuurde wielen van bedrijfsauto’s moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en 30° bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen.
2. Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast.
3. De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de bedrijfsauto op de wielen rust.
4. Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
5. Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. Leden 5 en 6: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen.
6. Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 51, van toepassing
7. De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van:
a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast;
b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend.
– In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
8. Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
9. De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn.
10. Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiging mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. De wijze van keuren bij het vierde lid is van toepassing.
11. De onderdelen van de stuurbekrachtiging mogen geen ernstige lekkage vertonen. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt bij stationair draaiende motor in de uiterste stand gedraaid en gehouden.
12. De waarschuwingsinrichting van de elektronische stuurbekrachtiging van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd.

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

Artikel 5.3.31
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle.
2. De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren. – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken.
– Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. De compressor en de drukregelaar moeten goed functioneren en tijdig in werking treden. Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen.
4. Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt.
5. Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. Visuele controle.
6. Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 55 en 56, van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
7. Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
8. Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien.
9. De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt het wiel rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn.
10. De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
11. Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit mogelijk is zonder demontage.
12. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van automatische remstelinrichtingen. Deze verplichting geldt niet voor bedrijfsauto’s die een aantekening in het kentekenregister G hebben. Visuele controle.
13. De onderdelen van een antiblokkeersysteem: De wijze van keuren bij het zevende lid is van toepassing.
a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en
d. mogen geen lekkage vertonen.
14. De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Leden 14 en 15: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd.
15. De waarschuwingsinrichting van het elektronisch remsysteem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven.
Artikel 5.3.32
Eisen Wijze van Keuren
1. In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden.
2. De vulopening van de reservoirs, bedoeld in het eerste lid, moet zijn afgesloten met een passende dop. Visuele controle.
Artikel 5.3.33
Eisen Wijze van Keuren
Bedrijfsauto’s met een drukluchtremsysteem, die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de energievoorraad in een van de bedrijfsremkringen onder de vereiste minimumdruk is gedaald. Visuele of auditieve controle door om de beurt de bedrijfsremkringen leeg te laten lopen en weer te vullen.
Artikel 5.3.34
Eisen Wijze van Keuren
Bedrijfsauto’s met een veerrem, die in gebruik zijn genomen na 30 september 1975, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de veerrem in werking is gesteld. Visuele of auditieve controle, terwijl de veerrem in werking wordt gesteld.
Artikel 5.3.35
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s met een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moeten zijn voorzien van: a. drukmeetpunten waarmee de drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcilinders op iedere as, kunnen worden gemeten; b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten, en – Onderdelen a en b: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel c: visuele controle met behulp van manometers of de dashboardmeter(s), waarbij de bedrijfsremkringen beurtelings worden ontlucht. De resterende druk in de niet ontluchte kringen moet van een redelijk niveau zijn.
c. een goed functionerend meerkringsbeveiligingsventiel indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 1975.
2. Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed functioneren. Visuele controle met behulp van manometers, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. Indien mogelijk wordt de controle ook uitgevoerd wanneer de drukluchtremkrachtregelaar de volle druk doorstuurt. Controle op het goed functioneren kan achterwege blijven, indien een controle is uitgevoerd volgens het derde lid.
3. Bedrijfsauto’s met drukluchtremkrachtregelaars, in gebruik genomen na 30 september 1981, moeten zijn voorzien van een plaat waarop duidelijk leesbaar de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars is vermeld. De vermelde drukluchtremkrachtregelaars moeten aanwezig zijn en moeten globaal zijn afgesteld zoals voor de beladingstoestand van het voertuig is vermeld op de plaat. – Visuele controle op de aanwezigheid, waarbij het merk en type van de drukluchtremkrachtregelaar mag afwijken. – Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast of veerbalgdruk kan worden vastgesteld, vindt de controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld waarbij de afstelling ten hoogste 0,5 bar mag afwijken van de gegevens op de plaat.
De volgende twee afstellingen moeten ten minste worden gecontroleerd:
a. de stand waarin de regelaar zich bevindt behorende bij de vastgestelde aslast, en
b. wanneer de regelaar de volle druk doorstuurt, voor zover dit mogelijk is zonder demontage.
– Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast of veerbalgdruk niet kan worden vastgesteld, vindt een globale controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld.
Bij een niet maximaal belaste as wordt de werking van de regelaar gecontroleerd door:
a. de druk te meten die de regelaar doorstuurt in de stand waarin deze zich dan bevindt;
b. de afstelling te meten van de stand waarin de regelaar de volle druk doorstuurt, voor zover dit mogelijk is zonder demontage.
De onder punt b gemeten druk moet hoger zijn dan de druk vastgesteld onder punt a. Indien de betreffende as nagenoeg maximaal is belast, mag de onder punt b gemeten druk gelijk zijn aan de vastgestelde druk onder a.
4. De ontwateringsventielen van reservoirs moeten goed functioneren. Visuele controle, waarbij het ontwateringsventiel, indien mogelijk, moet worden bediend.
Artikel 5.3.36
Eisen Wijze van Keuren
1. De slag van drukluchtremcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld.
2. De slag van drukluchtremcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan twee derde deel van de maximumslag van de betrokken remcilinder. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.3.37
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s met een tweeleidingremsysteem ten behoeve van aanhangwagens moeten aan de aansluitkop van de voorraadleiding een druk bezitten met een grenswaarde van 6,5 tot 8,5 bar, en aan de aansluitkop van de commandoleiding, bij een maximale voorraaddruk, een druk met een grenswaarde van 6,0 tot 8,5 bar. Visuele controle met behulp van een manometer, waarbij de rem in werking wordt gesteld.
2. Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1997, mogen niet zijn voorzien van een éénleidingremsysteem ten behoeve van een aanhangwagen. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. Bij bedrijfsauto’s met een éénleidingremsysteem ten behoeve van aanhangwagens moet aan de aansluitkop de voorraaddruk van het remsysteem aanwezig zijn. Deze druk moet ten minste 5 doch niet meer dan 6 bar bedragen. Visuele controle met behulp van een manometer.
4. Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1997, mogen niet zijn voorzien van een afzonderlijke inrichting voor de bediening van de remmen van de aanhangwagen. Leden 4 en 5: visuele controle.
5. Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1997, moeten de voorraad- en commandoleiding zijn voorzien van goedwerkende automatische afsluiters.
Artikel 5.3.38
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2 van toepassing. Leden 1 tot en met 5: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen.
2. Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1997 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
3. Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1998, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
4. Bedrijfsauto’s in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
5. Indien de remkrachten van de bedrijfsauto groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het eerste en tweede lid. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
6. De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd.
7. Bedrijfsauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De wijze van keuren bij het eerste tot en met vijfde lid is van toepassing.
Artikel 5.3.39
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen van één niet hefbare as werkt. Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd.
2. De remvertraging van de parkeerrem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,6 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren. Leden 2 en 3: in geval van een elektrisch bediende parkeerrem, waarbij de remvertraging niet bepaald kan worden op een remtestinrichting, wordt hieraan geacht te zijn voldaan, indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden.
3. De remvertraging van de parkeerrem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 2018, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,2 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren.
4. De remvertraging van de parkeerrem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.

§ 4. Krachtoverbrenging

Artikel 5.3.41
Eisen Wijze van Keuren
1. De deuren en de laadbakkleppen van bedrijfsauto’s moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten.
2. Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten.
3. De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle.
Artikel 5.3.42
Eisen Wijze van Keuren
1. De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bedrijfsauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 100, van toepassing. Visuele controle.
2. De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bedrijfsauto’s mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
3. De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
4. Indien de bedrijfsauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Visuele controle.
5. Indien de bedrijfsauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
Artikel 5.3.43
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege.
2. Bedrijfsauto’s met een voorruit, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
Artikel 5.3.44
Eisen Wijze van Keuren
Bedrijfsauto’s met een voorruit, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
Artikel 5.3.45
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een rechterbuitenspiegel. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. In afwijking van het eerste lid, mogen bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg zijn voorzien van een binnenspiegel in plaats van een rechterbuitenspiegel, mits met de binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte voldoende kan worden overzien.
3. De volgende bedrijfsauto’s moeten aan de rechterzijde zijn voorzien van een trottoirspiegel:
a. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg, in gebruik genomen voor 1 januari 2000;
b. rijdende werktuigen, en
c. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1999.
4. De verplichting, bedoeld in het derde lid, geldt niet indien het onmogelijk is om een trottoirspiegel zodanig te monteren dat: a. geen punt van de spiegel zich op een hoogte van minder dan 2,20 m boven het wegdek bevindt, of b. de spiegel volledig zichtbaar is vanaf de bestuurdersplaats. Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
5. De volgende bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een breedtespiegel aan de rechterzijde: Leden 5 tot en met 7: visuele controle.
a. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg, en
b. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1999.
6. De verplichting, bedoeld in het vijfde lid, geldt niet, indien: a. het voertuig is voorzien van een gezichtsveldverbeterende voorziening die de bestuurder een beter zicht verschaft op de weggebruikers die zich rechts van het voertuig bevinden, of b. een trottoirspiegel niet verplicht is.
7. Voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met frontstuur, met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg en in gebruik genomen na 25 januari 2008, moeten zijn voorzien van:
a. een vooruitkijkspiegel dan wel een goed werkend camera-monitorsysteem, en
b. een breedtespiegel aan de linkerzijde.
8. In afwijking van het zevende lid, onderdeel a, is een vooruitkijkspiegel of een camera-monitorsysteem niet verplicht, indien vanaf de linkerzijde een recht lijnstuk kan worden overzien, gelegen op een hoogte van 1,20 m boven het wegdek en 0,30 m voor het voertuig. Leden 8 en 9: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
9. De verplichting, bedoeld in het zevende lid, onderdeel a, geldt niet indien het onmogelijk is om een vooruitkijkspiegel of een camera-monitorsysteem zodanig te monteren dat geen punt van de spiegel of het camera-monitorsysteem zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt.
10. In afwijking van het derde lid, is een trottoirspiegel niet verplicht, indien de bedrijfsauto is voorzien van een vooruitkijkspiegel of een camera-monitorsysteem en een breedtespiegel, mits de bestuurder met deze combinatie van spiegels het grondoppervlak gelegen aan de rechterzijde direct naast de cabine kan zien. Leden 10 tot en met 15: visuele controle.
11. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, niet zijnde kampeerwagens, die in gebruik zijn genomen na 31 december 1977, moeten zijn voorzien van een gezichtsveldverbeterende voorziening die de bestuurder een beter zicht verschaft op de weggebruikers die zich rechts van het voertuig bevinden.
12. Het elfde lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s:
a. met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg die in gebruik zijn genomen na 25 januari 2008, en
b. die in gebruik zijn genomen vóór 26 januari 2008 en voldoen aan het derde, vijfde, en zevende lid, aanhef en onderdeel a.
13. De spiegels en camera-monitorsystemen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
14. Het spiegelglas van de spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
15. Indien in een bedrijfsauto het stuur aan de rechterzijde is geplaatst, moeten alle verplicht aanwezige voorzieningen voor indirect zicht in spiegelbeeld geplaatst zijn ten opzichte van de situatie waarbij het stuur links is geplaatst. Een linkerbuitenspiegel dient altijd aanwezig te zijn.
16. In afwijking van het eerste, tweede, derde, vijfde, zevende en elfde lid mogen verplichte spiegels zijn vervangen door goedwerkende camera-monitorsystemen. Indien spiegels vervangen zijn door camera-monitorsystemen, dan moeten deze systemen deugdelijk bevestigd zijn. Visuele controle
Artikel 5.3.46
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 21 januari 2014, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. Visuele controle.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op: a. bedrijfsauto’s in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten; b. zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande bedrijfsauto; en c. bedrijfsauto’s met een in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h.
3. De zitplaatsen en rugleuningen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling.
4. Bij zitplaatsen waarvan de rugleuning toegang geeft tot een daarachter gelegen zitplaats moet de ontgrendeling van de rugleuning goed werken. Visuele controle
Artikel 5.3.47
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor: a. de zitplaats van de bestuurder en de ernaast gelegen naar voren gerichte zitplaatsen, en b. de overige naar voren gerichte zitplaatsen. Visuele controle. Indien in het middelste gedeelte van een bank geen gordel aanwezig is, wordt dit gedeelte niet aangemerkt als zitplaats. In geval van een kampeerwagen is de controle beperkt tot de voorste zitplaatsen en tot de overige zitplaatsen voor zover deze zijn voorzien van gordels.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op klapstoelen, zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande bedrijfsauto en bedrijfsauto’s met een in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h. Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande bedrijfsauto. Visuele controle.
4. De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken.
5. De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, moet bij een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd.
6. De waarschuwingsinrichting van het gordelspansysteem en gordelkrachtbegrenzingssysteem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Leden 5 en 6: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd.
7. De waarschuwingsinrichting van het airbagsysteem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven.
Artikel 5.3.47a
Eisen Wijze van Keuren
Bedrijfsauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel, moeten voldoen aan de in artikel 5.2.78 gestelde eisen. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
Artikel 5.3.48
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van bedrijfsauto’s die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3. In aanvulling op het bepaalde in het eerste en tweede lid, mogen bedrijfsauto’s aan de voorzijde niet zijn voorzien van voorzieningen die in geval van botsing de kans op lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
4. Het bepaalde in het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op voertuigdelen en voorzieningen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
5. De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto’s: a. met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1974: 1°. moeten zijn afgeschermd, en 2°. mogen niet aanlopen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 102 tot en met 106c, van toepassing. b. met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen vóór 1 januari 1975: 1°. moeten goed zijn afgeschermd, en 2°. mogen niet aanlopen. c. met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg: 1°. moeten goed zijn afgeschermd; 2°. mogen niet meer dan 30 mm buiten de afscherming uitsteken, en 3°. mogen niet aanlopen. Leden 5 tot en met 7: visuele controle.
6. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 107 tot en met 111, van toepassing. De eerste volzin is niet van toepassing op opleggertrekkers.
7. Geen deel van de buitenzijde van de bedrijfsauto mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
Artikel 5.3.49
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een deugdelijke stootbalk, indien de afstand van de onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen van het koetswerk op een afstand van meer dan 1,00 m achter het hart van de achterste as, meer bedraagt dan 0,70 m dan wel meer bedraagt dan 0,55 m, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op vuilniswagens met een laadmogelijkheid aan de achterzijde, opleggertrekkers en asfaltwagens.
3. De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1998, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1997, niet meer bedragen dan 0,55 m. Leden 3 tot en met 6: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
4. Indien de bedrijfsauto in gebruik is genomen na 31 december 2004, mag de stootbalk niet meer dan 0,45 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. In afwijking van de eerste volzin, mag de stootbalk bij bedrijfsauto’s ingericht als betonmolen, betonmixer of betonpomp niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen.
5. Indien de bedrijfsauto in gebruik is genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2005, mag de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten.
6. De stootbalk mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan:
a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel
b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten.
In afwijking van het bepaalde in de aanhef, mag de stootbalk bij bedrijfsauto’s bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken aan weerszijden niet meer dan 0,20 m smaller zijn.
7. De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. Leden 7 tot en met 9: visuele controle.
8. De uiteinden van de stootbalk mogen niet naar achteren zijn omgebogen.
9. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg, in gebruik genomen na 9 augustus 2004, moeten zijn voorzien van een deugdelijke beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden. Deze verplichting geldt niet voor bedrijfsauto’s die een aantekening in het kentekenregister 'G' hebben.
10. De afstand van de onderzijde van de beschermingsinrichting tot het wegdek mag tussen de punten die meer dan 0,20 m van de zijkanten van de voorste as van het voertuig zijn gelegen, met inbegrip van de wielen, niet meer dan 0,45 m bedragen, waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten. Leden 10 en 11: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
11. De afstand van de voorzijde van het voertuig tot de voorzijde van de beschermingsinrichting mag niet meer dan 0,40 m bedragen, waarbij voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden buiten beschouwing worden gelaten.
12. De bescherminrichting mag: a. niet breder zijn dan de breedte van het voertuig met inbegrip van de spatborden van de voorste as; Leden 12 en 13: visuele controle.
b. aan weerszijden niet meer dan 0,10 m smaller zijn dan de voorste as met inbegrip van de wielen, waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten, of
c. aan weerszijden niet meer dan 0,20 m smaller zijn dan het voertuig gemeten over de uiterste punten van de instaptrede naar de bestuurderscabine.
13. De beschermingsinrichting aan de voorzijde en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt.
Artikel 5.3.49a
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 30 juni 2018 en met een massa in rijklare toestand van niet meer dan 1.280 kg mogen niet zijn voorzien van een klimaatregelingssysteem dat gefluoreerde broeikasgassen bevat met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150. Visuele controle. Indien uit het in de motorruimte aanwezige opschrift blijkt dat de gassen (R)12, (R)32, (R)125 of (R)134a zijn toegepast, wordt niet voldaan aan deze eis. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Het eerste lid is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2012 en reeds voor de datum van eerste ingebruikname van een dergelijk klimaatregelingssysteem zijn voorzien.
Artikel 5.3.50
Eisen Wijze van Keuren
Frontbeschermingsinrichtingen van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EU-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikel 112, gestelde eisen. Visuele controle. Indien een EU-typegoedkeuringsmerk aanwezig is, blijft verdere controle achterwege.

§ 6. Ophanging

Artikel 5.3.51
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikelen 115 en 117, gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen g tot en met k: visuele controle. – Onderdelen l tot en met r: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
c. twee stadslichten;
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van bedrijfsauto`s in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen;
e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m dan wel na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig worden beschouwd als zijrichtingaanwijzers, indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts;
g. twee achterlichten;
h. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
i. een achterkentekenplaatverlichting;
j. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;
k. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig;
l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en twee achteruitrijlichten indien het voertuig langer is dan 6,00 m en na 31 december 2012 in gebruik is genomen;
m. twee markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m;
n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing. Deze lichten zijn niet verplicht voor chassiscabines;
o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing;
p. een derde remlicht indien de toegestane maximummassa van het voertuig niet meer bedraagt dan 3.500 kg en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2012, aangebracht zodanig dat: het derde remlicht is niet verplicht voor chassiscabines, opleggertrekkers en voertuigen met een open laadruimte;
q. lijnmarkering aan de achterzijde indien het voertuig breder is dan 2,10 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 7.500 kg; hierbij is bijlage VIII, artikel 153, van toepassing;
r. lijnmarkering aan de zijkant indien het voertuig langer is dan 6,00 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 7.500 kg; hierbij is bijlage VIII, artikel 153, van toepassing.
2. Onverminderd het eerste lid, voldoen begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, aan de krachtens artikel 71 van de wet gestelde eisen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel p, moeten twee extra remlichten worden aangebracht indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. Leden 3 en 4: visuele controle.
4. Het eerste lid, onderdelen q en r, is niet van toepassing op opleggertrekkers.
Artikel 5.3.51a
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de auto herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel zwaai-, flits- of knipperlicht. Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken.
3. Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de auto herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten.
Artikel 5.3.53
Eisen Wijze van Keuren
1. De grote lichten, dimlichten, stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 8: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten alsmede de zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. Zijrichtingaanwijzers mogen naar de zijkant niet anders dan ambergeel uitstralen.
3. De achterlichten en mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4. De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
5. Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
6. De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
7. De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen.
8. De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen.
9. De lijn- of contourmarkering aan de zijkant is wit of geel. De lijn- of contourmarkering aan de achterzijde is rood, wit of geel. Visuele controle.
Artikel 5.3.55
Eisen Wijze van Keuren
1. De in artikel 5.3.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan.
2. De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
4. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing.
5. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
6. De in artikel 5.3.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten.
7. De in artikel 5.3.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. Visuele controle.
8. Indien de bedrijfsauto is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend.
Artikel 5.3.56
Eisen Wijze van Keuren
1. De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is.
2. Bedrijfsauto’s die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing.
Artikel 5.3.57
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van: a. twee mistvoorlichten; b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; – Onderdelen a tot en met r: visuele controle. – Onderdeel s: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen t tot en met z: visuele controle.
c. twee extra stadslichten;
d. twee extra achterlichten;
e. twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn;
f. twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn;
g. twee staaklichten;
h. één extra mistachterlicht;
i. extra achteruitrijlichten;
j. parkeerlichten;
k. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig;
l. extra zijrichtingaanwijzers aan beide zijkanten van het voertuig;
m. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand;
n. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn;
o. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn, waarbij bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing is;
q. werklichten;
r. een derde remlicht, indien dit niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht is, aangebracht overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.3.51, eerste lid, onderdeel p;
s. in afwijking van onderdeel r, mogen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd;
t. in afwijking van onderdeel r, mogen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht;
u. twee dagrijlichten;
v. twee bochtlichten;
w. twee hoeklichten;
x. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg;
y. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering, aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig, voor zover deze niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht is; hierbij is bijlage VIII, artikel 153, van toepassing;
z. één manoeuvreerlicht aan elke zijkant van het voertuig.
2. Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.3.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen. Leden 2 en 3: visuele controle.
3. Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig.
4. De extra achteruitrijlichten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, mogen aan de zijkant van het voertuig zijn gemonteerd. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.3.58
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
3. Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht.
Artikel 5.3.59
Eisen Wijze van Keuren
1. De mistvoorlichten en de achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 7: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen, dan wel indien zij zijn ingebouwd in de zijrichtingaanwijzers, niet anders dan ambergeel stralen.
3. De extra richtingaanwijzers, extra waarschuwingsknipperlichten en extra zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan wit of ambergeel, en naar achteren niet anders dan rood of ambergeel stralen.
4. De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen.
5. De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
6. De dagrijlichten, bochtlichten, hoeklichten en manoeuvreerlichten mogen niet anders dan wit stralen.
7. Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
8. De markering aan de achterzijde moet bestaan uit één rechthoekig bord, dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van rood fluorescerende en geel retroreflecterende parallel lopende diagonale strepen. Visuele controle.
9. De lijn- of contourmarkering aan de zijkant is wit of geel. De lijn- of contourmarkering aan de achterzijde is rood, wit of geel. Visuele controle.
Artikel 5.3.59a
Eisen Wijze van Keuren
1. De in artikel 5.3.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing.
4. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.3.61
Eisen Wijze van Keuren
1. Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.3.51 en 5.3.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de markering aan de achterzijde van het voertuig, de mistachterlichten, werklichten, hoeklichten en bochtlichten.
Artikel 5.3.62
Eisen Wijze van Keuren
1. Het ingeschakeld zijn van de grote lichten indien de bedrijfsauto na 31 december 1997 in gebruik is genomen, de mistvoorlichten indien de bedrijfsauto na 31 december 2012 in gebruik is genomen, en het mistachterlicht of de mistachterlichten, moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. Het ingeschakeld zijn van de richtingaanwijzers of de waarschuwingsknipperlichten, indien de bedrijfsauto na 31 december 1997 in gebruik is genomen, moet door middel van een optisch of akoestisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt Visuele of auditieve controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.3.64
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Bedrijfsauto’s mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, de waarschuwingsknipperlichten en de remlichten ten behoeve van het noodstopsignaal, niet zijn voorzien van knipperende lichten. Visuele controle.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
4. In afwijking van het tweede lid, mogen de zijmarkeringslichten van bedrijfsauto’s synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig knipperen. Visuele controle.
Artikel 5.3.65
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.3.51, 5.3.51a, 5.3.57 en 5.3.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.
2. Bedrijfsauto’s niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

§ 5. Assen

Artikel 5.3.66
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de bedrijfsauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.68, tweede lid, onderdeel h. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De achtertraverse, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag:
a. geen breuken of scheuren vertonen, en
b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
Artikel 5.3.67
Eisen Wijze van Keuren
Indien de bedrijfsauto is voorzien van een koppelingskogel, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
Artikel 5.3.68
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de bedrijfsauto is voorzien van een vangmuilkoppeling met een nominale pendiameter van: Het contactgedeelte van de pen met het trekoog wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
a. 40 mm, moet de pendiameter ten minste 36,5 mm bedragen;
b. 50 mm, moet de pendiameter ten minste 46 mm bedragen;
c. 57,5 mm, moet de pendiameter ten minste 55 mm bedragen.
2. De in het eerste lid bedoelde koppelingen moeten voldoen aan de volgende eisen: a. de opwaartse speling van de pen mag niet meer dan 5 mm bedragen; b. de radiale speling in de onderste bus mag niet meer dan 2 mm bedragen; c. de onderste lagerbus mag niet loszitten en de bevestiging ervan mag niet zijn uitgeslagen; d. de sluit- en borginrichting moet goed functioneren; e. de radiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk mag niet meer dan 2 mm bedragen; f. axiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk is niet toegestaan; g. de bevestigingsmoer van de trekstang moet deugdelijk vastzitten en moet goed geborgd zijn, en h. het gedeelte van de vangmuil dat als geleiding voor het trekoog tijdens het aankoppelen is bedoeld, mag tekenen van vervorming, van scheuren of van uitgebroken delen vertonen, mits daardoor de sterkte of het functioneren van de koppeling met inbegrip van de sluit- en borginrichting niet wordt aangetast. Herstel daarvan door middel van lassen is toegestaan. – Onderdeel a: de pen wordt omhoog bewogen met behulp van bijvoorbeeld een schroevendraaier, waarbij de koppeling gesloten moet zijn en de handborg of controlestift voor zover mogelijk buiten werking moet zijn gesteld, teneinde de speling in het sluitingsmechanisme en de bovenste lagerbus van de pen bij de beoordeling te betrekken. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. – Onderdeel b: in geval van twijfel meten met bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. – Onderdeel c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de koppeling wordt geopend en gesloten. – Onderdeel e: de trekstang wordt op- en neerwaarts en van links naar rechts bewogen. In geval van twijfel wordt gemeten met bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. – Onderdeel f: de trekstang wordt axiaal bewogen. – Onderdeel g: visuele controle. Een eventuele stofkap wordt verwijderd. – Onderdeel h: visuele controle.
Artikel 5.3.69
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de bedrijfsauto is voorzien van een schotelkoppeling van 2 of 3,5 inch, mag: a. de onvlakheid van de schotel niet meer dan 3,5 mm bedragen, en In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen over het hart van de schotel gemeten.
b. de onvlakheid van de schotel, in afwijking van het bepaalde onder a, voor wat betreft de uiterste linker en rechterzijde over een breedte van 50 mm, gemeten vanaf de buitenzijde van de schotel, niet meer dan 5 mm bedragen.
Dit lid is niet van toepassing op kunststofdelen op de schotelkoppeling die bedoeld zijn als slijtvlak.
2. Een schotelkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
3. De speling in de sluitinrichting van een schotelkoppeling van 2 inch mag, uitgaande van een niet gesleten 2 inch pen, in de lengterichting van het voertuig niet meer dan 2 mm bedragen. Controleren met behulp van: a. een standaard pen van 2 inch, die voldoet aan de nieuwmaat toleranties en voorzien is van een vlakke plaat waarbij het uitstekende deel van de pen een hoogte heeft van ten minste 82,5 en ten hoogste 82,7 mm, dan wel
b. een oplegger met een pen van 2 inch daarbij rekening houdend met een eventuele gemeten slijtage van de pen. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. De sluit- en borginrichting moet goed functioneren. Visuele controle, terwijl de sluit- en borginrichting wordt geopend en gesloten.

§ 12. Diversen

Artikel 5.3.71
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld.
2. Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. Leden 2 tot en met 5: visuele en auditieve controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
3. Hybride elektrische of elektrische bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt.
4. Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn.
5. Met uitzondering van bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen bedrijfsauto’s niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid.
6. De waarschuwingsinrichting van het eCall-boordsysteem van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 30 maart 2018, mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

Afdeling 3a. Bussen

Artikel 5.3a.0
1.

Een bus moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

2.

Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op een bedrijfsauto waarvoor in het kentekenregister de aanduiding ‘bus’ dan wel ‘autobus’ is vermeld.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.3a.1
Eisen Wijze van Keuren
1. De bus moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 2 en 3, van toepassing.
2. De bus moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten.
3. De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd.
4. Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het midden van de bus staat.
5. Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke structuur zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. Leden 5 tot en met 7: visuele controle.
6. Bussen die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van één of meerdere constructieplaten die goed leesbaar zijn en waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de maximummassa's die op de constructieplaten zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa's die zijn aangegeven in het kentekenregister.
7. In een bus moet per mogelijke indeling op een goed zichtbare plaats zijn aangegeven het toegestane maximumaantal: a. zitplaatsen; b. staanplaatsen, en c. rolstoelplaatsen. Vermelde aantallen mogen niet hoger zijn dan waarvoor de bus is goedgekeurd.
8. Het zevende lid is niet van toepassing op bussen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
9. De inrichting van de bus moet blijven voldoen aan de eisen zoals deze luidden ten tijde van goedkeuring. Visuele controle. Bij twijfel wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd.
10. Het negende lid is niet van toepassing ten aanzien van een afscherming die in het bestuurdersgedeelte van de bus is aangebracht.

§ 6. Ophanging

Artikel 5.3a.3
Eisen Wijze van Keuren
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bussen mogen: Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
a. geen breuken of scheuren vertonen, en
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.
Artikel 5.3a.4
Eisen Wijze van Keuren
1. De bovenbouw van bussen moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.3a.6
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen mogen: a. niet breder zijn dan 2,55 m, en b. niet hoger zijn dan 4,00 m. Visuele controle. In geval van twijfel wordt de bus gemeten. Artikel 5.1a.1 is van toepassing.
2. Bussen met twee assen mogen: a. niet langer zijn dan 13,50 m, en b. indien de bus in gebruik is genomen voor 10 september 2003, mag deze in afwijking van onderdeel a tot 1 januari 2021 niet langer zijn dan 15,00 m. Leden 2 tot en met 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt de bus gemeten. Deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. Artikel 5.1a.1 is van toepassing.
3. Bussen met meer dan twee assen mogen niet langer zijn dan 15,00 m.
4. Gelede bussen mogen niet langer zijn dan 18,75 m.
5. De afmetingen, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, zijn met inbegrip van een skibox.
6. Het aantal aanwezige zitplaatsen, staanplaatsen en rolstoelplaatsen mag niet hoger zijn dan voor het voertuig is toegestaan. Een T100 bus mag niet zijn voorzien van staanplaatsen. Visuele controle en toetsing aan de gegevens in het kentekenregister en indien aanwezig op de plaats, bedoeld in artikel 5.3a.1, zevende lid. Tijdens de periodieke keuring moet bij twijfel het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer worden geraadpleegd.
Artikel 5.3a.7
Eisen Wijze van Keuren
1. De last onder de assen van bussen mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister vermelde toegestane maximum aslasten. Leden 1 en 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen.
2. De totale massa of de som van de aslasten van bussen mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa.

§ 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen

Artikel 5.3a.9
Eisen Wijze van Keuren
1. Alle onderdelen van brandstofsystemen van bussen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. – Visuele controle, terwijl de bus zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
– Indien de motor is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle op lekkage, indien mogelijk, uitgevoerd op alle brandstofsystemen.
– Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld.
3. De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. Visuele controle.
Artikel 5.3a.10
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de bus is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3a.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. Visuele controle, zo nodig terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. Visuele controle.
4. De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. Leden 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
5. Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte.
6. Indien de bus na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. Visuele controle.
7. De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. Leden 7 en 8: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
8. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
9. De voorzijde, de achterzijde en minimaal één deur aan de rechterzijde van de bus die is voorzien van een LPG-installatie, zijn voorzien van een weerbestendige sticker met het volgende herkenningsteken: Visuele controle.
Artikel 5.3a.10a
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de bus is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3a.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. Visuele controle, zo nodig terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. Visuele controle.
4. De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
5. De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn. Visuele controle.
6. Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van koel-of verwarmingsinstallaties ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte of een koelinstallatie ten behoeve van het koelen van de laadruimte. Leden 6 tot en met 10: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
7. De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
8. De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
9. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
10. De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.
11. De voorzijde, de achterzijde en minimaal één deur aan de rechterzijde van de bus die is voorzien van een CNG-installatie, zijn voorzien van een weerbestendige sticker met het volgende herkenningsteken: Leden 11 en 12: visuele controle.
12. De voorzijde, de achterzijde en minimaal één deur aan de rechterzijde van de bus die is voorzien van een LNG-installatie, zijn voorzien van een weerbestendige sticker met het volgende herkenningsteken:
Artikel 5.3a.11
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. Visuele en auditieve controle, terwijl de bus zich met draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. Bussen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden.
4. Bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een bus met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een bus met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing.
5. De uitlaatgassen van bussen met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volume percentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 40, 41 en 43, van toepassing.
6. Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1994 die zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 40, 42 en 43, van toepassing.
7. De uitlaatgassen van bussen met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 44 en 45, van toepassing.
8. Bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die zijn voorzien van een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 40 van toepassing. Leden 8 en 9: visuele controle.
9. Indien bij bussen met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking de deeltjesmassa is gemeten in g/kWh en de in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde milieuclassificatie is gelijk aan of groter dan Euro 6 of Euro VI, moet het roetfilter aanwezig en niet duidelijk defect zijn.
10. Indien bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, zijn voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, moet dit systeem zijn voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting en mag het systeem geen emissiegerelateerde fouten bevatten. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45d van bijlage VIII van toepassing.
11. Als bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, de EOBD-procedure succesvol wordt doorlopen en geen emissiegerelateerde fouten worden geconstateerd, geldt dit als alternatief voor de eisen als bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45c van bijlage VIII van toepassing. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
Artikel 5.3a.12
Eisen Wijze van Keuren
1. De accu van bussen moet deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
2. De elektrische bedrading van bussen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. Bij bussen die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1984, moeten de stroomkringen, met uitzondering van die van de startmotor, door zekeringen of automatische schakelaars tegen overbelasting zijn beschermd. Visuele controle.
Artikel 5.3a.13
Eisen Wijze van Keuren
1. De motorsteunen van bussen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.

§ 12. Diversen

Artikel 5.3a.15
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. Visuele controle. De werking en afleesbaarheid wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. De volgende bussen zijn voorzien van een snelheidsbegrenzer: Visuele controle aan de hand van het installatieplaatje.
a. bussen met een dieselmotor, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 10.000 kg, die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen;
b. bussen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 10.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen;
c. bussen met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen.
3. De snelheidsbegrenzer moet zijn afgesteld op: a. een zodanige snelheid, dat de maximumsnelheid van bussen niet meer dan 100 km/h kan bedragen; Visuele controle of het installatieplaatje de juiste snelheid aangeeft. Tevens wordt, waar toepasbaar, met een diagnosesysteem vastgesteld of de ingestelde snelheid juist is.
b. maximaal 100 km/h, indien het een bus betreft met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg, die voor 1 januari 2005 in gebruik is genomen.
De ingestelde snelheid is onuitwisbaar vermeld op een installatieplaatje dat op een duidelijk zichtbare plaats in de stuurcabine van het voertuig is aangebracht.
4. De snelheidsbegrenzer en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen moeten met behulp van een verzegeling of door de noodzaak om speciale gereedschappen te gebruiken zijn beschermd tegen niet-toegestane bijstelling of onderbreking van de stroomvoorziening. Visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen.
5. Het tweede lid is niet van toepassing op bussen: a. in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, en b. die blijkens een voor het betrokken voertuig opgenomen aantekening in het kentekenregister niet van een snelheidsbegrenzer behoeven te zijn voorzien. Visuele controle. – Onderdeel a: of een bus wordt gebruikt door een in artikel 29, eerste lid, of artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde dienst, wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
6. Indien een bus moet zijn voorzien van een controleapparaat: a. moet de bus zijn voorzien van een installatieplaatje en mag de op het installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal 24 maanden vanaf de installatiedatum bedraagt; b. moet het onder a bedoelde installatieplaatje zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd; c. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het onder a bedoelde installatieplaatje is vermeld, en – Onderdeel a: de aanwezigheid van en de geldigheidsduur op het installatieplaatje van de tachograaf wordt visueel gecontroleerd. – Onderdeel b: visuele controle van de verzegeling van het installatieplaatje van de tachograaf. – Onderdeel c: bij twijfel meting van de bandenomtrek. – Onderdeel d: visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen van de tachograaf. – De wijze van gebruik van het voertuig en de onderdelen a tot en met d worden niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, indien er geen installatieplaatje in of op het voertuig aanwezig is.
d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening.
Artikel 5.3a.16
Eisen Wijze van Keuren
1. De aandrijving van bussen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft.
2. Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.3a.18
Eisen Wijze van Keuren
1. De assen van bussen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3. De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. Bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd.
4. De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing.
Artikel 5.3a.19
Eisen Wijze van Keuren
1. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bussen moeten deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Artikel 5.3a.20
Eisen Wijze van Keuren
1. De wiellagers van bussen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zo nodig een rijproef uitgevoerd.
Artikel 5.3a.21
Eisen Wijze van Keuren
1. De wielbasis van bussen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. Aan deze eis is reeds op basis van artikel 5.3a.1 getoetst.
2. Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis links en rechts gemeten niet meer dan: Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten.
a.15 mm verschillen bij bussen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg;
b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg.
Artikel 5.3a.22
Eisen Wijze van Keuren
De afstanden tussen de fuseedraaipunten en twee punten aan het chassis dan wel aan de carrosserie, die symmetrisch links en rechts ten opzichte van de langsas van het voertuig zijn gelegen, mogen recht en kruiselings gemeten onderling niet meer dan: Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten.
a. 15 mm verschillen bij bussen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg;
b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg.
Artikel 5.3a.23
Eisen Wijze van Keuren
De spoorbreedte van bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg mag niet meer dan 2,0% groter zijn dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
Artikel 5.3a.24
Eisen Wijze van Keuren
1. De wielen onderscheidenlijk velgen van bussen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt en het wiel vrij kan ronddraaien.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.3a.25
Eisen Wijze van Keuren
De wielnaven van bussen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
Artikel 5.3a.26
Eisen Wijze van Keuren
1. Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De waarschuwingsinrichting van het stabiliteitscontrolesysteem van bussen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd.

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

Artikel 5.3a.27
Eisen Wijze van Keuren
1. De wielen van bussen moeten zijn voorzien van luchtbanden. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. Leden 2 en 3: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
3. De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4. De profilering van de hoofdgroeven van de banden van bussen moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is.
5. De banden van bussen mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van de eerste volzin is naprofileren toegestaan, indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘regroovable’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. De wijze van keuren bij het tweede en derde lid is van toepassing.
6. De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de bus. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. Leden 6 en 7: visuele controle.
7. De op de band van een bus, in gebruik genomen na 31 december 1997, en op de band van een T100-bus vermelde loadindex, mag niet kleiner zijn dan de loadindex behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 50, van toepassing.
8. Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
9. De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve in geval van nood waarbij een nood- of reservewiel wordt gebruikt. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan.
10. Bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moeten de banden een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven, moet hiermee rekening gehouden worden.
– Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt, moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden.
– Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is, moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden.
– Indien geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn, wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden.
– De banden op één as moeten een gelijke bandenspanning hebben met een maximaal verschil van 0,3 bar.
– Bij het constateren van een te lage bandenspanning moet deze op de juiste bandenspanning worden gebracht.
11. De waarschuwingsinrichting van het controlesysteem voor de bandenspanning van bussen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd.
Artikel 5.3a.28
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zo nodig een rijproef uitgevoerd.
2. De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. Bussen die zijn voorzien van gasvering en bussen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk verscheidene keren ingeveerd en zo nodig aan een rijproef onderworpen.
4. Schokdempers van bussen moeten deugdelijk zijn bevestigd. De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
5. Knielsystemen van bussen moeten goed functioneren. Visuele controle, waarbij het systeem in werking wordt gesteld.

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.3a.29
Eisen Wijze van Keuren
1. De bestuurde wielen van bussen moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en 30° bij bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen.
2. Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast.
3. De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de bus op de wielen rust.
4. Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
5. Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. Leden 5 en 6: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen.
6. Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 51, van toepassing.
7. De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Voor het zichtbaar maken van:
a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast;
b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
8. Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
9. De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn.
10. Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiging mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. De wijze van keuren bij het vierde lid is van toepassing.
11. De onderdelen van de stuurbekrachtiging mogen geen ernstige lekkage vertonen. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt bij stationair draaiende motor in de uiterste stand gedraaid en gehouden.
12. De waarschuwingsinrichting van de elektronische stuurbekrachtiging van bussen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd.

§ 3. Motor en brandstofsystemen

Artikel 5.3a.31
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle.
2. De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren. – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken.
– Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. De compressor en de drukregelaar moeten goed functioneren en tijdig in werking treden. Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen.
4. Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt.
5. Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. Visuele controle.
6. Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 55 en 56, van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
7. Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
8. Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien.
9. De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt het wiel rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn.
10. De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
11. Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit mogelijk is zonder demontage.
12. Bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van automatische remstelinrichtingen. Deze verplichting geldt niet voor bussen die een aantekening in het kentekenregister 'G' hebben. Leden 12 en 13: visuele controle.
13. Bussen in gebruik genomen na 31 maart 2002, moeten zijn voorzien van een antiblokkeersysteem.
14. De onderdelen van een antiblokkeersysteem: De wijze van keuren bij het zevende lid is van toepassing.
a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en
d. mogen geen lekkage vertonen.
15. De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem van bussen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Leden 15 en 16: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd.
16. De waarschuwingsinrichting van het elektronisch remsysteem van bussen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven.
Artikel 5.3a.32
Eisen Wijze van Keuren
1. In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden.
2. De vulopening van de reservoirs, bedoeld in het eerste lid, moet zijn afgesloten met een passende dop. Visuele controle.
Artikel 5.3a.33
Eisen Wijze van Keuren
Bussen met een drukluchtremsysteem, die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de energievoorraad in een van de bedrijfsremkringen onder de vereiste minimumdruk is gedaald. Visuele of auditieve controle door om de beurt de bedrijfsremkringen leeg te laten lopen en weer te vullen.
Artikel 5.3a.34
Eisen Wijze van Keuren
Bussen met een veerrem, die in gebruik zijn genomen na 30 september 1975, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de veerrem in werking is gesteld. Visuele of auditieve controle, terwijl de veerrem in werking wordt gesteld.
Artikel 5.3a.35
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen met een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moeten zijn voorzien van: a. drukmeetpunten waarmee de drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcilinders op iedere as, kunnen worden gemeten; b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten, en – Onderdelen a en b: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel c: visuele controle met behulp van manometers of de dashboardmeter(s), waarbij de bedrijfsremkringen beurtelings worden ontlucht. De resterende druk in de niet ontluchte kringen moet van een redelijk niveau zijn.
c. een goed functionerend meerkringsbeveiligingsventiel indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 1975.
2. Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed functioneren. Visuele controle met behulp van manometers, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. Indien mogelijk wordt de controle ook uitgevoerd wanneer de drukluchtremkrachtregelaar de volle druk doorstuurt. Controle op het goed functioneren kan achterwege blijven, indien een controle is uitgevoerd volgens het derde lid.
3. Bussen met drukluchtremkrachtregelaars, in gebruik genomen na 30 september 1981, moeten zijn voorzien van een plaat waarop duidelijk leesbaar de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars is vermeld. De vermelde drukluchtremkrachtregelaars moeten aanwezig zijn en moeten globaal zijn afgesteld zoals voor de beladingstoestand van het voertuig is vermeld op de plaat. – Visuele controle op de aanwezigheid, waarbij het merk en type van de drukluchtremkrachtregelaar mag afwijken. – Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast of veerbalgdruk kan worden vastgesteld, vindt de controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld waarbij de afstelling ten hoogste 0,5 bar mag afwijken van de gegevens op de plaat. De volgende twee afstellingen moeten ten minste worden gecontroleerd:
a. de stand waarin de regelaar zich bevindt behorende bij de vastgestelde aslast, en
b. wanneer de regelaar de volle druk doorstuurt, voor zover dit mogelijk is zonder demontage.
– Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast of veerbalgdruk niet kan worden vastgesteld, vindt een globale controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld.
Bij een niet maximaal belaste as wordt de werking van de regelaar gecontroleerd door:
a. de druk te meten die de regelaar doorstuurt in de stand waarin deze zich dan bevindt;
b. de afstelling te meten van de stand waarin de regelaar de volle druk doorstuurt, voor zover dit mogelijk is zonder demontage.
De onder punt b gemeten druk moet hoger zijn dan de druk vastgesteld onder punt a. Indien de betreffende as nagenoeg maximaal is belast, mag de onder punt b gemeten druk gelijk zijn aan de vastgestelde druk onder a.
4. De ontwateringsventielen van reservoirs moeten goed functioneren. Visuele controle, waarbij het ontwateringsventiel, indien mogelijk, moet worden bediend.
Artikel 5.3a.36
Eisen Wijze van Keuren
1. De slag van drukluchtremcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld.
2. De slag van drukluchtremcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan twee derde deel van de maximumslag van de betrokken remcilinder. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.3a.37
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen met een tweeleidingremsysteem ten behoeve van aanhangwagens moeten aan de aansluitkop van de voorraadleiding een druk bezitten met een grenswaarde van 6,5 tot 8,5 bar, en aan de aansluitkop van de commandoleiding, bij een maximale voorraaddruk, een druk met een grenswaarde van 6,0 tot 8,5 bar. Visuele controle met behulp van een manometer, waarbij de rem in werking wordt gesteld.
2. Bussen in gebruik genomen na 31 december 1997, mogen niet zijn voorzien van een éénleidingremsysteem ten behoeve van een aanhangwagen. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. Bij bussen met een éénleidingremsysteem ten behoeve van aanhangwagens moet aan de aansluitkop de voorraaddruk van het remsysteem aanwezig zijn. Deze druk moet ten minste 5 doch niet meer dan 6 bar bedragen. Visuele controle met behulp van een manometer.
4. Bussen, in gebruik genomen na 31 december 1997, mogen niet zijn voorzien van een afzonderlijke inrichting voor de bediening van de remmen van de aanhangwagen. Lid 4 en 5: visuele controle.
5. Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1997, moeten de voorraad- en commandoleiding zijn voorzien van goedwerkende automatische afsluiters.
Artikel 5.3a.38
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2 van toepassing. Leden 1 tot en met 4: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen.
2. Bussen in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
3. Bussen in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
4. Indien de remkrachten van de bus groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het eerste en tweede lid. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
5. De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd.
6. Bussen mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De wijze van keuren bij het eerste tot en met vierde lid is van toepassing.
Artikel 5.3a.39
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen van één niet hefbare as werkt. Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd.
2. De remvertraging van de parkeerrem van bussen in gebruik genomen na 31 december 2017, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,6 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren. Leden 2 en 3: in geval van een elektrisch bediende parkeerrem, waarbij de remvertraging niet bepaald kan worden op een remtestinrichting, wordt hieraan geacht te zijn voldaan, indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden.
3. De remvertraging van de parkeerrem van bussen in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 2018, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,2 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren.
4. De remvertraging van de parkeerrem van bussen in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.

§ 4. Krachtoverbrenging

Artikel 5.3a.41
Eisen Wijze van Keuren
1. De deuren en de laadbakkleppen van bussen moeten goed sluiten. De bedrijfs- en nooddeuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend, ongeacht of de daarvoor benodigde energievoorziening werkt. Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten, indien noodzakelijk met behulp van de aanwezige noodbedienings-inrichtingen.
2. De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de laadbakkleppen mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 2 en 3: visuele controle.
3. Indien een deur in een bus, in gebruik genomen na 30 juni 1984, niet rechtstreeks door de chauffeur kan worden waargenomen, moet de normale bediening zodanig zijn uitgevoerd dat passagiers deze niet kunnen openen voordat de chauffeur de bediening ervan vanaf de bestuurderszitplaats heeft vrijgegeven.
4. Bussen moeten zijn voorzien van voldoende uitgangen. Visuele controle. Bij twijfel wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd.
5. De hoofddoorgang, de toegang naar de uitgangen, de treden bij de bedrijfsdeuren en de treden bij de hoofddoorgang, de vereiste opschriften en de bedieningsinrichtingen van de (nood)uitgangen en trappen moeten zodanig kunnen worden verlicht dat deze duidelijk waarneembaar zijn. Visuele controle, waarbij de desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld.
6. Trappen en treden moeten in zodanige staat verkeren dat deze een vrije in- en uitstap waarborgen. Visuele controle.
7. Uitgangen moeten tot een hoogte van ten minste 0,80 m boven de vloer volledig afgesloten kunnen worden. Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
8. Noodluiken dienen van binnen en van buiten te kunnen worden geopend of verwijderd. Noodluiken, indien mogelijk, vanaf binnenzijde bus bedienen. Indien het een type dakluik betreft dat niet zonder beschadiging kan worden geopend, nagaan of de voor opening benodigde delen in voldoende staat van onderhoud verkeren en het luik of de bediening geen beschadigingen vertoont.
9. Noodramen moeten op geschikte wijze kunnen worden geopend met een noodhamer of een bedieningsorgaan dat op een zichtbare plaats en in de nabijheid van het noodraam zijn aangebracht. In geval van een breekraam controle op de aanwezigheid van noodhamer bij ieder noodraam. Draaibare noodramen bedienen.
10. Deuren en scharnierende noodramen die niet duidelijk vanuit de bestuurderszitplaats zichtbaar zijn, dienen te zijn uitgerust met een inrichting om de bestuurder te waarschuwen wanneer deze niet zijn gesloten. Leden 10 tot en met 12: visuele controle.
11. Een noodraam dat de vereiste opening vrijgeeft door breken van het noodraam, mag niet zijn bekleed met folie, tenzij dat in stukken van ten hoogste 150 cm2 of in ten minste 8 tot het midden van het noodraam reikende segmenten is gedeeld.
12. Bij de uitgangen moeten opschriften zijn aangebracht waaruit blijkt op welke wijze de uitgang moet worden geopend in geval van een noodsituatie. Visuele controle. De opschriften mogen ook in pictogrammen zijn uitgebeeld.
13. Iedere nooduitgang moet aan de binnenzijde van het voertuig zijn voorzien van een opschrift ‘Nooduitgang’. Bij bussen in gebruik genomen na 11 februari 2005 is dit opschrift ook aan de buitenzijde bij elke nooduitgang verplicht. Visuele controle. Het opschrift mag ook in een andere taal zijn gesteld of in een pictogram zijn uitgebeeld.
14. Het derde tot en met dertiende lid is niet van toepassing op bussen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
Artikel 5.3a.42
Eisen Wijze van Keuren
1. De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bussen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 96 tot en met 100, van toepassing. Visuele controle.
2. De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bussen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
3. De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport
4. De bus moet zodanig zijn ingericht of uitgerust dat verblinding van de bestuurder door en weerkaatsing van de binnenverlichting wordt voorkomen. Leden 4 en 5: visuele controle.
5. Bij bussen in gebruik genomen na 13 februari 2008, moeten vormen van visueel vermaak voor passagiers zich buiten het gezichtsveld van de bestuurder bevinden.
Artikel 5.3a.43
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege.
2. Bussen die na 30 juni 1985 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
Artikel 5.3a.44
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen die na 30 juni 1985 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. Leden 1 tot en met 3: visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
2. Bussen die na 30 juni 1985 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter verwarming van de passagiersruimte.
3. Bussen die na 30 juni 1985 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkend ventilatiesysteem voor de passagiersruimte welke voldoende luchtcirculatie waarborgt.
Artikel 5.3a.45
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een rechterbuitenspiegel. Leden 1 tot en met lid 3: visuele controle.
2. De spiegels zijn deugdelijk bevestigd.
3. Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
4. In afwijking van het eerste lid mogen verplichte spiegels zijn vervangen door goedwerkende camera-monitorsystemen. Indien spiegels vervangen zijn door camera-monitorsystemen, dan moeten deze systemen deugdelijk bevestigd zijn. Visuele controle
Artikel 5.3a.46
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen behorende tot klasse III of klasse B, in gebruik genomen na 21 januari 2014, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. Visuele controle, waarbij het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer wordt geraadpleegd.
2. De zitplaatsen en rugleuningen van bussen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg behorende tot klasse III of klasse B, waarin de zijdelings gerichte zitplaatsen achterin het voertuig bijeen zijn geplaatst tot een zitgroep met maximaal tien plaatsen, met dien verstande dat deze zitplaatsen, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3a.47, zijn voorzien van een hoofdsteun, een tweepuntsgordel met oprolmechanisme en leuningen waardoor ten hoogste drie zitplaatsen ononderbroken aaneensluiten. Visuele controle, waarbij het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer wordt geraadpleegd.
4. Het aantal aanwezige zitplaatsen mag niet groter zijn dan het maximumaantal zitplaatsen waarvoor de bus is goedgekeurd. Visuele controle aan de hand van opschriften als bedoeld in artikel 5.3a.1, zevende lid, en het kentekenregister. In geval van twijfel wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd.
5. Bussen van klasse I die in gebruik zijn genomen na 12 februari 2005, moeten zijn voorzien van ten minste vier voor passagiers met een mobiliteitshandicap gereserveerde zitplaatsen die zijn voorzien van handgrepen. Deze zitplaatsen moeten in de nabijheid van een voor deze passagiers geschikte bedrijfsdeur zijn geplaatst. Leden 5 tot en met 7: visuele controle.
6. Op bussen van een andere klasse dan klasse I die in gebruik zijn genomen na 12 februari 2005 en zijn voorzien van technische voorzieningen ter verbetering van de toegang voor passagiers met een mobiliteitshandicap, is het vijfde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het aantal gereserveerde zitplaatsen voor deze passagiers voor bussen van klasse II en klasse III ten minste twee bedraagt, en voor bussen van klasse A en klasse B ten minste één. Een klapstoel mag niet worden aangeduid als gereserveerde zitplaats.
7. Voor bussen als bedoeld in het vijfde en zesde lid, geldt dat bussen van klasse I en klasse II moeten zijn voorzien van ten minste twee, en bussen van klasse A van ten minste één naar voren of naar achteren gerichte zitplaats, speciaal bedoeld voor andere passagiers met een mobiliteitshandicap dan rolstoelgebruikers. Deze zitplaatsen moeten van merktekens zijn voorzien en in de nabijheid van een voor deze passagiers geschikte bedrijfsdeur zijn geplaatst.
8. De ruimte tussen de rugleuning van een zitplaats en een daar voor gelegen meubelstuk moet gemeten ter hoogte van de zitting ten minste 0,65 m bedragen. Leden 8 en 9: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten en wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd.
9. De ruimte tussen twee tegenover elkaar gelegen zitplaatsen moet gemeten ter hoogte van de zitting ten minste 1,25 m bedragen.
10. Het derde tot en met negende lid is niet van toepassing op bussen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
11. Bij zitplaatsen waarvan de rugleuning toegang geeft tot een daarachter gelegen zitplaats moet de ontgrendeling van de rugleuning goed werken. Visuele controle
Artikel 5.3a.47
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen en T100-bussen, moeten zijn voorzien van gordels voor: a. de zitplaats van de bestuurder en de ernaast gelegen naar voren gerichte zitplaatsen, en Visuele controle. In geval van een kampeerwagen is de controle beperkt tot de voorste zitplaatsen en tot de overige zitplaatsen voor zover deze zijn voorzien van gordels.
b. de overige naar voren gerichte zitplaatsen indien op een afstand van maximaal 1,30 m voor de rugleuning van deze zitplaats zich geen veiligheidsscherm of rugleuning van een ervoor gelegen zitplaats bevindt.
2. In afwijking van het eerste lid, moeten de volgende bussen zijn voorzien van gordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen: Leden 2 en 3: visuele controle.
a. bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die na 30 september 2002 in gebruik zijn genomen, en
b. bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen.
3. Het eerste en tweede lid is niet van toepassing op:
a. bussen welke uitsluitend zijn goedgekeurd volgens klasse A, klasse I en klasse II;
b. bussen waarbij de klasse niet is vastgesteld en die beschikken over staanplaatsen;
c. klapstoelen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande bus;
d. zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande bus.
4. De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken.
5. De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, moet bij een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd.
6. De vloer, handvatten en handrails van bussen die beschikken over staanplaatsen, moeten deugdelijk zijn uitgevoerd. Visuele controle.
7. De waarschuwingsinrichting van het gordelspansysteem en gordelkrachtbegrenzingssysteem van bussen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Leden 7 en 8: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd.
8. De waarschuwingsinrichting van het airbagsysteem van bussen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven.
Artikel 5.3a.48
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van bussen die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
4. De wielen onderscheidenlijk banden van bussen moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. Visuele controle.
5. Een intrekbare trede van een bus, in gebruik genomen na 12 februari 2005, mag geen letsel kunnen toebrengen aan passagiers of personen buiten de bus. Visuele controle, waarbij de intrekbare trede wordt uitgeschoven.
6. Geen deel aan de buitenzijde van de bus mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. Visuele controle.
7. Liften moeten deugdelijk aan de bus zijn bevestigd en goed functioneren. Visuele controle, waarbij de lift in werking wordt gesteld.
8. Oprijplaten dan wel andere middelen bestemd om personen in rolstoelen in de bus te plaatsen, moeten deugdelijk aan de bus kunnen worden bevestigd. Visuele controle. Eventuele oprijplaten moeten aanwezig zijn en worden aangebracht.
9. Bij het bedieningspaneel van de liftinstallatie moet een opschrift aanwezig zijn dat de bedieningsaanwijzing bevat. Het opschrift moet vanaf het liftplateau tijdens het gebruik ervan duidelijk zichtbaar zijn. Visuele controle. Het opschrift mag ook in een pictogram zijn uitgebeeld.
10. Op de plaats waar rolstoelen kunnen worden bevestigd moeten, met uitzondering van de plaatsen waar eventuele stoelen of banken zijn bevestigd, de vastzetinrichting voor deze rolstoelen en de daarbij behorende gordels aanwezig zijn. Leden 10 en 11: visuele controle.
11. De rails en de vastzetinrichtingen alsmede de onderdelen ervan voor de bevestiging van rolstoelen, mogen niet zijn vervormd of beschadigd.
12. Vastzetinrichtingen moeten op de daarvoor aanwezige bevestigingspunten passend kunnen worden bevestigd. Visuele controle, waarbij de vastzetinrichting op het betreffende bevestigingspunt moet worden aangebracht.
13. Vergrendelinrichtingen van vastzetinrichtingen moeten met de hand te bedienen zijn en moeten functioneren. Visuele controle, waarbij de vergrendelinrichting moet worden bediend.
14. Bevestigingsmiddelen niet zijnde vastzetinrichtingen en de daarbij behorende gordels moeten zijn voorzien van een goedwerkende sluiting en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de sterkte en werking ervan in gevaar wordt gebracht. Visuele controle, waarbij moet worden beproefd of de sluiting van de bevestigingsmiddelen en de daarbij behorende gordels functioneren.
15. In afwijking van hetgeen in het tiende tot en met veertiende lid ten aanzien van de bevestigingsmiddelen en gordels is bepaald, kan een rolstoelruimte zodanig zijn ontworpen dat de rolstoelgebruiker zonder bevestiging met de rolstoel naar achteren gericht tegen een steun of rugleuning wordt geplaatst. De rolstoelruimte moet dan wel zijn voorzien van voorzieningen die voorkomen dat de op de rolstoel gezeten persoon, om kan vallen. De vloer moet in dat geval met een anti-sliplaag zijn bekleed en aan een wand of buitenwand van het voertuig moet een leuning of handgreep zijn aangebracht die de rolstoelgebruiker gemakkelijk kan vastgrijpen. Naast een dergelijke rolstoelruimte moet de volgende tekst zijn aangebracht: ‘Plaats gereserveerd voor een rolstoel. Rolstoel naar achter gericht tegen de steun of de rugleuning plaatsen en vastzetten op de rem’. Leden 15 tot en met 19: visuele controle.
16. Het interieur mag geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel kunnen opleveren.
17. De bevestiging en constructie van ligplaatsen moeten deugdelijk zijn.
18. Een ligplaats moet in lengte- en breedterichting met doelmatige veiligheidsvoorzieningen zijn uitgerust ten einde te voorkomen dat de passagier uit de ligplaats kan geraken.
19. Het gedeelte van een ligplaats dat grenst aan of zich uitstrekt tot voorbij de achterste begrenzing van het bestuurderscompartiment moet van een afscherming zijn voorzien die voldoet aan bijlage IV, annex 2, hoofdstuk 2, artikel 33, zesde en zevende lid, zoals deze artikelen luidde op 31 augustus 2020.
Artikel 5.3a.49
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een deugdelijke beschermingsinrichting aan de achterzijde tegen klemrijden, indien de afstand van de onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen van het koetswerk op een afstand van meer dan 1,00 m achter het hart van de achterste as, meer bedraagt dan 0,70 m dan wel meer bedraagt dan 0,55 m, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Leden 1 tot en met 5: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
2. De afstand van de onderzijde van de beschermingsinrichting tot het wegdek mag voor bussen, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1998, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor bussen, in gebruik genomen na 31 december 1997, niet meer bedragen dan 0,55 m.
3. Indien de bus in gebruik is genomen na 31 december 2004, mag de beschermingsinrichting niet meer dan 0,45 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten.
4. Indien de bus in gebruik is genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2005, mag de beschermingsinrichting niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten.
5. De beschermingsinrichting mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan:
a. het voertuig op de plaats waar de beschermingsinrichting is aangebracht, dan wel
b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten.
6. De beschermingsinrichting en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. Visuele controle.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.3a.51
Eisen Wijze van Keuren
Bussen moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikelen 115 en 117, gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel g tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l tot en met o: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
c. twee stadslichten;
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van bussen in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen;
e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen;
f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m dan wel na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig worden beschouwd als zijrichtingaanwijzers, indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts;
g. twee achterlichten;
h. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
i. een achterkentekenplaatverlichting;
j. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;
k. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig;
l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en twee achteruitrijlichten indien het voertuig langer is dan 6,00 m en na 31 december 2012 in gebruik is genomen;
m. twee markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m;
n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing;
o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing.
Artikel 5.3a.51a
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de bus herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel zwaai-, flits- of knipperlicht. Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op bussen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken.
3. Bussen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de bus herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten.
Artikel 5.3a.53
Eisen Wijze van Keuren
1. De grote lichten, dimlichten, stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 7: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten alsmede de zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. Zijrichtingaanwijzers mogen naar de zijkant niet anders dan ambergeel uitstralen.
3. De achterlichten en mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4. De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
5. De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
6. De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen.
7. De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen.
Artikel 5.3a.55
Eisen Wijze van Keuren
1. De in artikel 5.3a.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan.
2. De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
4. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing.
5. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
6. De in artikel 5.3a.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten.
7. De in artikel 5.3a.51 bedoelde retroreflectoren en de markering aan de achterzijde van het voertuig mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. Visuele controle.
8. Indien de bus is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend.
Artikel 5.3a.56
Eisen Wijze van Keuren
1. De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is.
2. Bussen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing.
Artikel 5.3a.57
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen mogen zijn voorzien van: a. twee mistvoorlichten; b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; c. twee extra stadslichten; – Onderdelen a tot en met q: visuele controle. – Onderdelen r en s: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen t tot en met z: visuele controle.
d. twee extra achterlichten;
e. twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge artikel 5.3a.51 verplicht zijn;
f. twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3a.51 verplicht zijn;
g. twee staaklichten;
h. één extra mistachterlicht;
i. extra achteruitrijlichten;
j. parkeerlichten;
k. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig;
l. extra zijrichtingaanwijzers aan beide zijkanten van het voertuig;
m. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand;
n. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn;
o. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3a.51 verplicht zijn, waarbij bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing is;
q. werklichten;
r. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat:
s. in afwijking van onderdeel r mogen bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd;
t. in afwijking van onderdeel r mogen bij bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht;
u. twee dagrijlichten;
v. twee bochtlichten;
w. twee hoeklichten;
x. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg en het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 1967; hierbij is het bepaalde in bijlage VIII van toepassing;
y. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig; hierbij is bijlage VIII, artikel 153 van toepassing;
z. één manoeuvreerlicht aan elke zijkant van het voertuig.
2. Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel 5.3a.51a verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.3a.53a met betrekking tot die lichten gestelde eisen. Leden 2 en 3: visuele controle.
3. Bussen mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig.
4. De extra achteruitrijlichten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, mogen aan de zijkant van het voertuig zijn gemonteerd. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.3a.58
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. Lid 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht.
Artikel 5.3a.59
Eisen Wijze van Keuren
1. De mistvoorlichten en de achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 7: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen, dan wel indien zij zijn ingebouwd in de zijrichtingaanwijzers, niet anders dan ambergeel stralen.
3. De extra richtingaanwijzers, extra waarschuwingsknipperlichten en extra zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan wit of ambergeel, en naar achteren niet anders dan rood of ambergeel stralen.
4. De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen.
5. De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
6. De dagrijlichten, bochtlichten, hoeklichten en manoeuvreerlichten mogen niet anders dan wit stralen.
7. Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
8. De markering aan de achterzijde moet bestaan uit één rechthoekig bord, dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van rood fluorescerende en geel retroreflecterende parallel lopende diagonale strepen. Visuele controle.
9. De lijn- en contourmarkering aan de zijkant is wit of geel. De lijn- en contourmarkering aan de achterzijde is rood, wit of geel. Visuele controle.
Artikel 5.3a.59a
Eisen Wijze van Keuren
1. De in artikel 5.3a.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing
4. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.3a.61
Eisen Wijze van Keuren
1. Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.3a.51 en 5.3a.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de markering aan de achterzijde van het voertuig, de mistachterlichten, werklichten, hoeklichten en bochtlichten.
Artikel 5.3a.62
Eisen Wijze van Keuren
1. Het ingeschakeld zijn van de grote lichten indien de bus na 31 december 1997 in gebruik genomen is, de mistvoorlichten indien de bus na 31 december 2012 in gebruik is genomen, en het mistachterlicht of de mistachterlichten, moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. Het ingeschakeld zijn van de richtingaanwijzers of de waarschuwingsknipperlichten, indien de bus na 31 december 1997 in gebruik genomen is, moet door middel van een optisch of akoestisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. Visuele of auditieve controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.3a.64
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Bussen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, de waarschuwingsknipperlichten en de remlichten ten behoeve van het noodstopsignaal, niet zijn voorzien van knipperende lichten. Visuele controle.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op bussen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
4. In afwijking van het tweede lid, mogen de zijmarkeringslichten van bussen synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig knipperen. Visuele controle.
Artikel 5.3a.65
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.3a.51,5.3a.51a,5.3a.57 en 5.3a.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig, behoudens de ingevolge artikel 5.3a.41, vijfde lid, verplichte binnenverlichting. Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.
2. Bussen niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen

Artikel 5.3a.66
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de bus is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3a.68, tweede lid, onderdeel h. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De achtertraverse, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
Artikel 5.3a.67
Eisen Wijze van Keuren
Indien de bus is voorzien van een koppelingskogel, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
Artikel 5.3a.68
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de bus is voorzien van een vangmuilkoppeling met een nominale pendiameter van: a. 40 mm, moet de pendiameter ten minste 36,5 mm bedragen; b. 50 mm, moet de pendiameter ten minste 46 mm bedragen; c. 57,5 mm, moet de pendiameter ten minste 55 mm bedragen. Het contactgedeelte van de pen met het trekoog wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. De in het eerste lid bedoelde koppelingen moeten voldoen aan de volgende eisen: a. de opwaartse speling van de pen mag niet meer dan 5 mm bedragen; b. de radiale speling in de onderste bus mag niet meer dan 2 mm bedragen; c. de onderste lagerbus mag niet loszitten en de bevestiging ervan mag niet zijn uitgeslagen; d. de sluit- en borginrichting moet goed functioneren; – Onderdeel a: de pen wordt omhoog bewogen met behulp van bijvoorbeeld een schroevendraaier, waarbij de koppeling gesloten moet zijn en de handborg of controlestift voor zover mogelijk buiten werking moet zijn gesteld, teneinde de speling in het sluitingsmechanisme en de bovenste lagerbus van de pen bij de beoordeling te betrekken. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. – Onderdeel b: in geval van twijfel meten met bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm.
e. de radiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk mag niet meer dan 2 mm bedragen; f. axiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk is niet toegestaan; g. de bevestigingsmoer van de trekstang moet deugdelijk vastzitten en moet goed geborgd zijn, en – Onderdeel c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de koppeling wordt geopend en gesloten. – Onderdeel e: de trekstang wordt op- en neerwaarts en van links naar rechts bewogen. In geval van twijfel wordt gemeten met bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm.
h. het gedeelte van de vangmuil dat als geleiding voor het trekoog tijdens het aankoppelen is bedoeld, mag tekenen van vervorming, van scheuren of van uitgebroken delen vertonen, mits daardoor de sterkte of het functioneren van de koppeling met inbegrip van de sluit- en borginrichting niet wordt aangetast. Herstel daarvan door middel van lassen is toegestaan. – Onderdeel f: de trekstang wordt axiaal bewogen. – Onderdeel g: visuele controle. Een eventuele stofkap wordt verwijderd. – Onderdeel h: visuele controle.

§ 4. Krachtoverbrenging

Artikel 5.3a.71
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld.
2. Bussen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. Leden 2 tot en met 5: visuele en auditieve controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
3. Hybride elektrische of elektrische bussen mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt.
4. Bussen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn.
5. Met uitzondering van bussen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen bussen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid.

Afdeling 4. Motorfietsen

Artikel 5.4.0

Een motorfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.4.1
Eisen Wijze van Keuren
1. De motorfiets moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis of frame zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn.
3. De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd.
4. Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd. Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van de motorfiets staat.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.4.3
Eisen Wijze van Keuren
1. Het frame of de zelfdragende constructie alsmede de voor- en achtervork van motorfietsen mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen; – Onderdelen a en b: visuele controle. – Onderdeel c: visuele controle. Bij twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
b. niet zijn doorgeroest;
c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed.
2. Onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
Artikel 5.4.4
Eisen Wijze van Keuren
Een aan een motorfiets gekoppelde zijspanwagen moet deugdelijk aan het frame of aan de zelfdragende constructie van de motorfiets zijn bevestigd. Visuele controle.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.4.6
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 2,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt de motorfiets gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is.
2. Motorfietsen met zijspanwagen alsmede motorvoertuigen op drie asymmetrisch geplaatste wielen, die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1996, mogen niet breder zijn dan 2,55 m.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.4.9
Eisen Wijze van Keuren
1. Alle onderdelen van de brandstofsystemen van motorfietsen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen.
2. De brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. Visuele controle. Een LPG-installatie wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld.
3. De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. Visuele controle.
Artikel 5.4.10
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de motorfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.4.9, voldoen aan in de volgende leden gestelde eisen.
2. De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
4. De gasvoerende slangen van rubber mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
Artikel 5.4.10a
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de motorfiets is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.4.9, voldoen aan de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen.
2. De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank mag niet verstreken zijn.
4. Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig.
Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is, wordt de motor gestart en nadat is overgeschakeld op CNG wordt gecontroleerd of de spoel is bekrachtigd. Daarna wordt door het contact uit te schakelen gecontroleerd of de bekrachtiging is weggevallen.
5. De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. Leden 5 tot en met 8: visuele controle
6. De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
7. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
8. De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.
Artikel 5.4.11
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. Visuele en auditieve controle bij draaiende motor.
2. Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
3. Motorfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 33, 34 en 35, van toepassing.
4. Motorfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen te hoog geluidsniveau produceren. Hierbij is het bepaalde inbijlage VIII, artikelen 33, 34 en 35, van toepassing.
Artikel 5.4.12
Eisen Wijze van Keuren
1. De accu van motorfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De elektrische bedrading van motorfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
Artikel 5.4.13
Eisen Wijze van Keuren
1. De motor van motorfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.

§ 7. Stuurinrichting

Artikel 5.4.15
Eisen Wijze van Keuren
Motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. Visuele controle.
Artikel 5.4.16
Eisen Wijze van Keuren
De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van motorfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.

§ 5. Assen

Artikel 5.4.18
Eisen Wijze van Keuren
1. De assen van motorfietsen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3. De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
4. De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Visuele controle.
Artikel 5.4.20
Eisen Wijze van Keuren
1. De wiellagers van motorfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. Verschijnselen van slijtage of beschadiging van wiellagers mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. Visuele en auditieve controle waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd.
Artikel 5.4.21
Eisen Wijze van Keuren
De wielbasis van motorfietsen mag niet meer dan 60 mm afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. In geval van twijfel wordt de wielbasis gemeten, waarbij artikel 5.1a.2 van toepassing is.
Artikel 5.4.24
Eisen Wijze van Keuren
1. De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van motorfietsen mogen geen breuken, scheuren, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.

§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen

Artikel 5.4.27
Eisen Wijze van Keuren
1. De wielen van motorfietsen moeten zijn voorzien van luchtbanden. Visuele controle.
2. De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. Leden 2 en 3: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
3. De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4. De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,0 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter.
5. De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. Leden 5 en 6: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
6. Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
7. De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van de motorfiets. Visuele controle.
Artikel 5.4.28
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de motorfiets is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. Visuele controle, waarbij de motorfiets verscheidene keren wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
2. De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.4.29
Eisen Wijze van Keuren
1. De voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
2. De voorvork moet zonder zware punten in het balhoofd kunnen draaien. Visuele controle, waarbij het voorwiel naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt bewogen, terwijl de massa van de motorfiets op de grond rust.
3. De balhoofdlagering mag geen zichtbare speling vertonen. Visuele controle, waarbij de motorfiets voorwaarts wordt bewogen en de voorwielrem in werking wordt gesteld, dan wel het voorwiel wordt ontlast en de voorvork wordt bewogen.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.4.31
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen: a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen. – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl het remsysteem onder druk wordt gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt langzaam ingetrapt, totdat een kracht van 500 N (50 kg) op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Bij een remhendel wordt de drukproef uitgevoerd met maximale handkracht.
2. Remschijven mogen geen dusdanige slijtage vertonen dat gevaar op breuk ontstaat. Visuele controle.
3. Het rempedaal onderscheidenlijk de remhendel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt. Controle waarbij het rempedaal wordt ingetrapt met een kracht van ten hoogste 500 N (50 kg). Bij een remhendel moet dit worden uitgevoerd met de maximale handkracht.
4. Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. Visuele controle.
5. Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. – Onderdeel c: visuele controle.
De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
6. Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. Visuele controle, waarbij de rem wordt bediend.
7. Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien.
8. De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn.
9. De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. Visuele controle.
10. In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden.
11. De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
12. De onderdelen van een antiblokkeersysteem: Visuele controle.
a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en
d. mogen geen lekkage vertonen.
Artikel 5.4.38
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen in gebruik genomen na 31 maart 1997, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg: a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,9 m/s2 bedraagt, dan wel indien als gevolg van onvoldoende wrijving deze waarde niet kan worden bereikt, ten minste 5,2 m/s2 bij gelijktijdig gebruik van de beide remmen bedraagt; b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,6 m/s2 bedraagt, dan wel indien als gevolg van onvoldoende wrijving deze waarde niet kan worden bereikt, ten minste 5,2 m/s2 bij gelijktijdig gebruik van de beide remmen bedraagt; Leden 1 en 2: bij twijfel, controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 40 km/h bedragen. De maximale bedieningskrachten, vermeld in het vijfde lid, moeten in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 3, van toepassing.
c. bij gebruik van de voorwielrem bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 3,2 m/s2 bedraagt;
d. bij gebruik van de achterwielrem bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 3,2 m/s2 bedraagt;
e. in geval van een gecombineerde reminrichting:
1°. bij gebruik van de gecombineerde reminrichting en minste 4,5 m/s2 bedraagt, dan wel ten minste 4,8 m/s2 bedraagt bij aangekoppelde zijspanwagen, en
2°. bij gebruik van de andere rem ten minste 2,2 m/s2 bedraagt.
2. Motorfietsen in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 1 april 1997, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg:
a. bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, en bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 4,1 m/s2;
b. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,5 m/s2 bedraagt;
c. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,8 m/s2 bedraagt.
3. Motorfietsen in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 27 november 1975, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,2 m/s2 bedraagt. Leden 3 en 4: bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 40 km/h bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 3, van toepassing.
4. Motorfietsen in gebruik genomen vóór 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 3,8 m/s2 bedraagt.
5. De voor het gebruik van de remmen benodigde bedieningskracht mag bij motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975, bij gebruik van een remhendel niet meer dan 200 N en bij gebruik van een rempedaal niet meer bedragen dan: a. 500 N, dan wel b. 350 N indien de motorfiets na 31 maart 1997 in gebruik is genomen.

§ 12. Diversen

Artikel 5.4.41
Eisen Wijze van Keuren
1. Windschermen en stroomlijnkappen van motorfietsen mogen de bediening van de stuurinrichting, de koppeling en de remmen niet belemmeren. Visuele controle, waarbij het stuur naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt bewogen en de handels van de koppeling en reminrichting worden bediend.
2. Windschermen, stroomlijnkappen en permanent aangebrachte inrichtingen om lading mee te kunnen vervoeren, moeten deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
Artikel 5.4.45
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 16 juni 2003, moeten zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. Motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975 doch voor 17 juni 2003, moeten zijn voorzien van: a. een linkerbuitenspiegel, en b. een rechterbuitenspiegel indien de maximumsnelheid van het voertuig 100 km/h of meer kan bedragen en het voertuig na 31 december 1996 in gebruik is genomen.
3. De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd.
4. Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
5. In afwijking van het eerste, derde en vierde lid mogen verplichte spiegels bij motorfietsen met een gedeeltelijk gesloten carrosserie zijn vervangen door goedwerkende camera-monitorsystemen. Indien spiegels vervangen zijn door camera-monitorsystemen, dan moeten deze systemen deugdelijk bevestigd zijn. Visuele controle
Artikel 5.4.46
Eisen Wijze van Keuren
1. De zitplaats of zitplaatsen van motorfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Voetsteunen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.4.48
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De wielen onderscheidenlijk banden van motorfietsen mogen niet aanlopen.
3. Geen deel aan de buitenzijde van een motorfiets mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.4.51
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen moeten zijn voorzien van: a. één groot licht; Leden 1 en 2: visuele controle.
b. één dimlicht;
c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 december 1996; het licht van de richtingaanwijzers van motorfietsen in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen;
d. één stadslicht indien het voertuig na 31 oktober 1997 in gebruik is genomen;
e. één achterlicht;
f. één remlicht indien het voertuig in gebruik is genomen na 26 november 1975;
g. achterkentekenplaatverlichting;
h. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig.
2. Onverminderd het eerste lid, onderdeel c, mag, indien de motorfiets is voorzien van een zijspanwagen en in gebruik is genomen na 31 oktober 1997, de aan de motorfiets aangebrachte richtingaanwijzer aan de zijde van de zijspanwagen niet functioneren.
Artikel 5.4.51a
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan een motorfiets in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de motorfiets of zijspanwagen verbonden aan een motorfiets herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel zwaai-, flits- of knipperlicht. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken.
3. Motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de motorfiets of zijspanwagen verbonden aan een motorfiets herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten.
Artikel 5.4.52
Eisen Wijze van Keuren
Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets, moeten zijn voorzien van: Visuele controle.
a. één richtingaanwijzer aan de voorzijde en één richtingaanwijzer aan de achterzijde indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 oktober 1997;
b. één achterlicht;
c. één stadslicht indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 oktober 1997;
d. één remlicht indien de motorfiets in gebruik in genomen na 31 oktober 1997, en
e. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig.
Artikel 5.4.52a

Vervallen

Artikel 5.4.53
Eisen Wijze van Keuren
1. De grote lichten, dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 3: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen.
3. De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4. De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. Visuele controle, waarbij het rempedaal wordt ingetrapt dan wel de remhendel wordt bediend.
5. De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. Visuele controle, waarbij het desbetreffende licht wordt ingeschakeld.
Artikel 5.4.54
Eisen Wijze van Keuren
1. De afstand tussen de lichtdoorlatende gedeelten van de richtingaanwijzers aan de voorzijde bedraagt ten minste 240 mm. Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt de afstand tussen de richtingaanwijzers gemeten.
2. De afstand tussen de lichtdoorlatende gedeelten van de richtingaanwijzers aan de achterzijde bedraagt ten minste 180 mm.
Artikel 5.4.55
Eisen Wijze van Keuren
1. De in de artikelen 5.4.51 en 5.4.52 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan.
2. De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
4. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
5. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. De op een motorfiets zonder zijspanwagen gemonteerde lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
6. De in de artikelen 5.4.51 en 5.4.52 bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Leden 6 tot en met 8: visuele controle.
7. De retroreflector mag geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloed.
8. Remlichten van motorfietsen moeten werken bij bediening van de achterwielrem of de voorwielrem.
Artikel 5.4.56
Eisen Wijze van Keuren
1. Het dimlicht moet goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is.
2. Motorfietsen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing.
Artikel 5.4.57
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen mogen zijn voorzien van: Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
a. één extra groot licht;
b. één extra dimlicht;
c. één extra stadslicht;
d. één of twee mistvoorlichten;
e. één of twee mistachterlichten;
f. waarschuwingsknipperlichten;
g. één of twee parkeerlichten;
h. ambergele retroreflectoren aan de voorste zijkanten van het voertuig, ambergele of rode retroreflectoren aan de achterste zijkanten van het voertuig;
i. één witte retroreflector aan de voorzijde van het voertuig;
j. werklichten;
k. één extra achterlicht;
l. één of twee extra remlichten;
m. één of twee dagrijlichten;
n. één of twee bochtlichten.
2. Lichten die ingevolge artikel 5.4.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.4.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen.
3. Motorfietsen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
4. Indien een motorfiets is verbonden aan een zijspanwagen mag de combinatie voorzien zijn van ten hoogste twee dagrijlichten.
Artikel 5.4.57a
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. Motorfietsen in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten.
3. Motorfietsen als bedoeld in artikel 41a van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van verlichte transparanten die afzonderlijk zijn geschakeld, naar achteren niet rood stralen en niet langer of breder zijn dan het betreffende voertuig.
Artikel 5.4.58
Eisen Wijze van Keuren
1. Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets, mogen zijn voorzien van: Leden 1 en 2: visuele controle.
a. een stadslicht;
b. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten;
c. een remlicht;
d. een witte retroreflector aan de voorzijde van de zijspanwagen;
e. een ambergele retroreflector aan elke zijkant van de zijspanwagen;
f. een parkeerlicht aan de verst van de motorfiets verwijderde zijkant van de zijspanwagen;
g. een dagrijlicht.
2. Zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
Artikel 5.4.58a

Vervallen

Artikel 5.4.59
Eisen Wijze van Keuren
1. Het mistvoorlicht, het dimlicht, het groot licht en het stadslicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen. Indien twee stadslichten zijn gemonteerd, mogen de stadslichten ambergeel stralen. Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
3. De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
4. Het remlicht en het mistachterlicht mogen niet anders dan rood stralen.
5. De dagrijlichten en bochtlichten mogen niet anders dan wit stralen.
Artikel 5.4.59a
Eisen Wijze van Keuren
1. De in artikel 5.4.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.4.62
Eisen Wijze van Keuren
Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een optisch signaal dan wel door de stand van de schakelaar aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.4.64
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen mogen, met uitzondering van groot licht, niet zijn voorzien van verblindende lichten. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
Artikel 5.4.65
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.4.51, 5.4.51a, 5.4.57,5.4.57a en 5.4.58 is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.
2. Motorfietsen niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. Visuele controle.

§ 5. Assen

Artikel 5.4.66
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de motorfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast of vervormd. Visuele controle.
2. Indien de inrichting, bedoeld in het eerste lid, is voorzien van een koppelingskogel, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.

§ 12. Diversen

Artikel 5.4.71
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsen moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld.
2. Motorfietsen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de motorfiets of de zijspanwagen te voorkomen, alsmede van een geluidssignaal dat de bestuurder kenbaar maakt dat de richtingaanwijzer is ingeschakeld. Leden 2 tot en met 5: visuele en auditieve controle.
3. Hybride elektrische of elektrische motorfietsen mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt.
4. Motorfietsen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn.
5. Met uitzondering van motorfietsen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen motorfietsen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid.

Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen

Artikel 5.5.0

Een driewielig motorrijtuig moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.5.1
Eisen Wijze van Keuren
1. Het driewielige motorrijtuig moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. Leden 1 en 2: visuele controle, tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 2 en 3, van toepassing.
2. Het driewielige motorrijtuig moet aan de achterzijde en mag aan de voorzijde zijn voorzien van de juiste kentekenplaat.
3. Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis of frame zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. Visuele controle.
4. De kentekenplaten moeten deugdelijk zijn bevestigd en zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk. Visuele controle. Aan de eis van het goedkeuringsmerk, wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
5. De kentekenplaat aan de achterzijde mag niet zijn afgeschermd en het kenteken moet goed leesbaar zijn. Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van het driewielig motorrijtuig staat.

§ 7. Stuurinrichting

Artikel 5.5.3
Eisen Wijze van Keuren
1. De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van driewielige motorrijtuigen mogen: Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
a. geen breuken of scheuren vertonen, en
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.
2. Indien het driewielig motorrijtuig is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork, mogen deze onderdelen: a. geen breuken of scheuren vertonen; b. niet zijn doorgeroest, en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht.
3. De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.5.4
Eisen Wijze van Keuren
De bovenbouw van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk op het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle.

§ 3. Motor en brandstofsystemen

Artikel 5.5.6
Eisen Wijze van Keuren
1. Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 31 oktober 1997 mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 2,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is.
2. Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997 mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m.
Artikel 5.5.7
Eisen Wijze van Keuren
1. De ledige massa van driewielige motorrijtuigen die na 1 februari 1999 in gebruik zijn genomen, mag niet meer bedragen dan voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs is vermeld, en in elk geval niet meer dan 1.000 kg. Leden 1 en 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. De totale massa van driewielige motorrijtuigen die na 1 februari 1999 in gebruik zijn genomen, mag niet meer bedragen dan voor het betrokken voertuig in het kentekenregister is vermeld, en in elk geval niet meer dan:
a. 1.300 kg voor driewielige motorrijtuigen gebruikt in het personenvervoer;
b. 2.500 kg voor driewielige motorrijtuigen gebruikt in het goederenvervoer.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.5.9
Eisen Wijze van Keuren
1. Alle onderdelen van brandstofsystemen dan wel van de elektrische aandrijving van driewielige motorrijtuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen.
2. Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. – Visuele controle met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor.
– Indien de motor is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle op lekkage, indien mogelijk, uitgevoerd op alle brandstofsystemen.
– Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld.
3. De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. Visuele controle.
Artikel 5.5.10
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.5.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. Leden 2 tot en met 8: visuele controle.
3. De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.
4. De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst.
5. Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte.
6. Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water.
7. De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
8. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
Artikel 5.5.10a
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.5.9, voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen.
2. De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.
4. De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst.
5. De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
6. Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. Leden 6 tot en met 10: visuele controle.
7. De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
8. De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
9. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
10. De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.
Artikel 5.5.11
Eisen Wijze van Keuren
1. Driewielige motorrijtuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. Visuele en auditieve controle.
2. Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
3. Driewielige motorrijtuigen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 33 tot en met 35, van toepassing. Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden.
4. Driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een driewielig motorrijtuig met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een driewielig motorrijtuig met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing.
Artikel 5.5.12
Eisen Wijze van Keuren
1. De accu van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De elektrische bedrading van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
Artikel 5.5.13
Eisen Wijze van Keuren
1. De motorsteunen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.

§ 12. Diversen

Artikel 5.5.15
Eisen Wijze van Keuren
Driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 26 november 1975, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. Visuele controle. De werking en afleesbaarheid wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van de afgifte van een keuringsrapport.
Artikel 5.5.16
Eisen Wijze van Keuren
1. De aandrijving van driewielige motorrijtuigen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft.
2. Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. Visuele controle.

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.5.18
Eisen Wijze van Keuren
1. De assen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3. De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
4. De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle.
Artikel 5.5.19
Eisen Wijze van Keuren
1. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats.
Artikel 5.5.20
Eisen Wijze van Keuren
1. De wiellagers van driewielige motorrijtuigen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd.
Artikel 5.5.21
Eisen Wijze van Keuren
1. De wielbasis van driewielige motorrijtuigen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, onderscheidenlijk niet meer dan 60 mm indien het een driewielig motorrijtuig met kettingaandrijving betreft. Aan deze eis is in artikel 5.5.1 reeds getoetst.
2. Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis van driewielige motorrijtuigen op vier wielen links en rechts gemeten niet meer dan 15 mm verschillen. Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.5.24
Eisen Wijze van Keuren
1. De wielen onderscheidenlijk velgen van driewielige motorrijtuigen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.5.26
Eisen Wijze van Keuren
1. Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Visuele controle.
2. De waarschuwingsinrichting van het stabiliteitscontrolesysteem van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
Artikel 5.5.27
Eisen Wijze van Keuren
1. De wielen van driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van luchtbanden. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. Leden 2 en 3: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
3. De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4. De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is.
5. De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
6. De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van het driewielig motorrijtuig. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. Visuele controle.
7. Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
8. De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve wanneer een nood- of reservewiel wordt gebruikt. Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan.
9. De banden moeten een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven, moet hiermee rekening gehouden worden.
– Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt, moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden.
– Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is, moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden.
– Indien geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn, wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden.
– De banden op één as moeten een gelijke bandenspanning hebben met een maximaal verschil van 0,3 bar.
– Bij het constateren van een te lage bandenspanning moet deze op de juiste bandenspanning worden gebracht.
10. De waarschuwingsinrichting van het controlesysteem voor de bandenspanning van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
Artikel 5.5.28
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
2. De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle.
3. Indien een driewielig motorrijtuig is voorzien van schokdempers, moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en goed werken. Visuele controle, waarbij het driewielige motorrijtuig zo mogelijk verscheidene keren wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.5.29
Eisen Wijze van Keuren
1. De bestuurde wielen van driewielige motorrijtuigen moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen.
2. Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. Visuele controle waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast.
3. De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle. Terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust, wordt het stuurwiel met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust.
4. Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. Visuele controle.
5. Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. Leden 5 en 6: visuele controle. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen.
6. Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 51, van toepassing.
7. De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust;
b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend.
In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
8. Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats.
9. De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts worden bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn.
10. Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiging mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. Visuele controle.
11. De onderdelen van de stuurbekrachtiging mogen geen ernstige lekkage vertonen. Visuele controle. Het stuurwiel wordt bij stationair draaiende motor in de uiterste stand gedraaid en gehouden.
12. De waarschuwingsinrichting van de elektronische stuurbekrachtiging van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
Artikel 5.5.30
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een voorvork, moet deze zonder zware punten in het balhoofd kunnen draaien. Visuele controle, waarbij het voorwiel naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt bewogen, terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de grond rust.
2. De balhoofdlagering mag geen zichtbare speling vertonen. Visuele controle, waarbij het driewielige motorrijtuig in voorwaartse beweging wordt gebracht, waarna de voorwielrem in werking wordt gesteld, dan wel het voorwiel wordt ontlast en de voorvork wordt bewogen.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.5.31
Eisen Wijze van Keuren
1. Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing; – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van de reminrichting wordt het remsysteem onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor.
c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; – Onderdeel e: visuele controle.
d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen;
e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat.
2. De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren. – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken.
– Visuele controle van de remkrachtregelaar.
3. Het rempedaal onderscheidenlijk de remhendel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt. Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt.
4. Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. Visuele controle.
5. Remslangen mogen: – Onderdeel a: visuele controle.
a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 55 en 56, van toepassing; – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht.
b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en – Onderdeel c: visuele controle.
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
6. Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. Visuele controle, waarbij de rem wordt bediend.
7. Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. Visuele controle, waarbij de wielen vrij van de grond met de hand worden rondgedraaid.
8. De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt het wiel rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn.
9. De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. Visuele controle.
10. Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. Visuele controle. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit zonder demontage mogelijk is.
11. De onderdelen van een antiblokkeersysteem: Visuele controle.
a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en
d. mogen geen lekkage vertonen.
12. De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Leden 12 en 13: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
13. De waarschuwingsinrichting van het elektronisch remsysteem van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven.
Artikel 5.5.32
Eisen Wijze van Keuren
1. In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden.
2. De vulopening van de reservoirs, bedoeld in het eerste lid, moet zijn afgesloten met een passende dop. Visuele controle.
Artikel 5.5.38
Eisen Wijze van Keuren
1. Driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 maart 1990, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg: a. ten minste 4,5 m/s2 bedraagt bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N onderscheidenlijk bij een kracht op de remhendel van niet meer dan 200 N; Leden 1 tot en met 4: – De controle moet plaatsvinden door middel van een beproeving op de weg. – De snelheid moet bij de aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen.
b. ten minste 4,0 m/s2 bedraagt bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N onderscheidenlijk bij een kracht op de remhendel van niet meer dan 200 N, indien het een voertuig betreft dat voor 1 april 1997 in gebruik is genomen en dat is bestemd voor het vervoer van goederen; c. in geval van een gecombineerde reminrichting: – De remvertraging wordt met een elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld: a. indien op de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de minimaal behaalde remvertraging;
1°. bij gebruik van de gecombineerde reminrichting ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, en 2°. bij gebruik van de andere bedrijfsrem of hulprem ten minste 2,2 m/s2 bedraagt. b. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a kan worden vastgesteld, geldt de waarde die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten waarden die gelijk of groter zijn aan de minimaal vereiste remvertraging en gedurende minimaal een halve seconde zijn gemeten;
c. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a of b kan worden vastgesteld, geldt als remvertraging de waarde die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld:
1°. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de hoogst behaalde waarde van remvertraging bepalend;
2°. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de waarde van de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend.
– Indien op een remtestinrichting kan worden vastgesteld dat de remvertraging voldoet kan de beproeving op de weg achterwege gelaten worden. De bij de remproef behaalde remvertraging wordt berekend door de remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg.
2. Driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van meer dan 400 kg, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch vóór 1 april 1990, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N onderscheidenlijk bij een kracht op de remhendel van niet meer dan 200 N.
3. Driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch vóór 1 april 1990, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt, welke waarde bij voertuigen met twee reminrichtingen moet worden gehaald bij gebruik van beide remmen tezamen; bij gebruik van elke der reminrichtingen afzonderlijk moet de remvertraging ten minste 1,7 m/s2 bedragen.
4. Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen voor 27 november 1975, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt, welke waarde bij voertuigen met twee reminrichtingen moet worden gehaald bij gebruik van beide remmen tezamen.
5. De bedrijfsrem van driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van minder dan 400 kg, in gebruik genomen na 31 maart 1990, en van driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van meer dan 400 kg moet op alle wielen werken. Terwijl de wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt dan wel de remhendel licht ingedrukt, en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd.
6. Driewielige motorrijtuigen mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. Indien gebruik wordt gemaakt van een remtestinrichting mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, waarbij de wielen niet blokkeren.
Artikel 5.5.39
Eisen Wijze van Keuren
Van driewielige motorrijtuigen moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. Terwijl één of twee wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt de vastzetinrichting onderscheidenlijk vergrendeling in werking gesteld, waarna gecontroleerd wordt of één van de assen wordt geremd.

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

Artikel 5.5.41
Eisen Wijze van Keuren
1. De deuren van driewielige motorrijtuigen moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten.
2. Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten.
3. De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle.
Artikel 5.5.42
Eisen Wijze van Keuren
1. De voorruit en de naast de bestuurders zitplaats aanwezige zijruiten, dan wel het windscherm van driewielige motorrijtuigen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95, van toepassing. Visuele controle.
2. De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
3. De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurders zitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
4. Indien het driewielig motorrijtuig niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Visuele controle.
5. Indien het driewielig motorrijtuig niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
Artikel 5.5.43
Eisen Wijze van Keuren
1. Driewielige motorrijtuigen met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen met een voorruit met een ledige massa van niet meer dan 400 kg die voor 27 november 1975 in gebruik zijn genomen.
3. Driewielige motorrijtuigen met een voorruit, die na 31 december 1994 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
Artikel 5.5.44
Eisen Wijze van Keuren
1. Driewielige motorrijtuigen met een voorruit, die na 16 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
2. Driewielige motorrijtuigen met een voorruit en met een gesloten carrosserie, die na 31 december 1994 doch voor 17 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit.
Artikel 5.5.45
Eisen Wijze van Keuren
1. Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel. Visuele controle.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen:
a. waarvan de ledige massa niet meer bedraagt dan 400 kg;
b. waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat hij vanaf zijn zitplaats het achter hem gelegen weggedeelte kan overzien; en
c. die in gebruik zijn genomen vóór 27 november 1975.
3. Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, met uitzondering van voertuigen die in gebruik zijn genomen vóór 17 juni 2003 en voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, moeten zijn voorzien van een binnenspiegel. Leden 3 tot en met 6: visuele controle.
4. Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel, indien met de verplichte binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn.
5. De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd.
6. Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
7. In afwijking van het eerste, derde en vierde lid mogen verplichte spiegels bij driewielige motorrijtuigen met een gedeeltelijk gesloten carrosserie zijn vervangen door goedwerkende camera-monitorsystemen. Indien spiegels vervangen zijn door camera-monitorsystemen, dan moeten deze systemen deugdelijk bevestigd zijn. Visuele controle
Artikel 5.5.46
Eisen Wijze van Keuren
1. De zitplaatsen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle.
2. De zitplaatsen en rugleuningen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling.
Artikel 5.5.47
Eisen Wijze van Keuren
1. Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, die na 16 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, die na 31 december 1989 doch voor 17 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaand voertuig.
4. De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken.
5. De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd.
6. De waarschuwingsinrichting van het gordelspansysteem en gordelkrachtbegrenzingssysteem van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Leden 6 en 7: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
7. De waarschuwingsinrichting van het airbagsysteem van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven.
Artikel 5.5.48
Eisen Wijze van Keuren
1. Driewielige motorrijtuigen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van driewielige motorrijtuigen die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
4. De wielen onderscheidenlijk banden van driewielige motorrijtuigen mogen niet aanlopen. Leden 4 en 5: visuele controle.
5. Geen deel aan de buitenzijde van een driewielig motorrijtuig mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.5.51
Eisen Wijze van Keuren
1. Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van: Leden 1 en 2: visuele controle.
a. twee grote lichten;
b. twee dimlichten;
c. twee stadslichten;
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van driewielige motorrijtuigen die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen;
e. twee achterlichten;
f. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen;
g. een achterkentekenplaatverlichting;
h. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig.
2. De in het eerste lid, onderdelen d en f, bedoelde lichten zijn niet verplicht voor driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, in gebruik genomen voor 27 november 1975, waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat de door hem met de arm gegeven seinen zowel goed zichtbaar zijn voor het tegemoetkomend verkeer als voor het achteropkomend verkeer.
3. Driewielige motorrijtuigen met een breedte van niet meer dan 1,30 m mogen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f en h, zijn voorzien van: Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
a. één groot licht;
b. één dimlicht;
c. één stadslicht
d. één achterlicht;
e. één remlicht;
f. één rode retroreflector.
Artikel 5.5.51a
Eisen Wijze van Keuren
1. Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar bedoelde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die het motorrijtuig herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel zwaai-, flits- of knipperlicht. Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken.
3. Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die het motorrijtuig herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten.
Artikel 5.5.53
Eisen Wijze van Keuren
1. De grote lichten, dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De richtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
3. De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4. De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
5. De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
Artikel 5.5.55
Eisen Wijze van Keuren
1. De in artikel 5.5.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan.
2. De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
4. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing.
5. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
6. De in artikel 5.5.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten.
7. De in artikel 5.5.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. Visuele controle.
8. Indien een driewielig motorrijtuig is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend.
Artikel 5.5.56
Eisen Wijze van Keuren
1. Het dimlicht of de dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is.
2. Driewielige motorrijtuigen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing.
Artikel 5.5.57
Eisen Wijze van Keuren
1. Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van: – Onderdelen a tot en met l, alsmede o en p: visuele controle. – Onderdelen m en n: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
a. één of twee mistvoorlichten;
b. één of twee mistachterlichten;
c. twee extra stadslichten;
d. twee extra achterlichten;
e. parkeerlichten;
f. één of twee achteruitrijlichten;
g. extra zijrichtingaanwijzers aan beide zijkanten van het voertuig;
h. twee extra richtingaanwijzers aan de voor- en achterzijde van het voertuig;
i. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand;
j. ambergele retroreflectoren aan de voorste zijkanten van het voertuig, ambergele of rode retroreflectoren aan de achterste zijkanten van het voertuig;
k. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
l. werklichten;
m. één of twee dagrijlichten indien het voertuig niet breder is dan 1,30 m, dan wel twee dagrijlichten indien het voertuig breder is dan 1,30 m;
n. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat:
o. waarschuwingsknipperlichten;
p. zijmarkeringslichten.
2. Lichten die ingevolge artikel 5.5.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.5.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen. Leden 2 en 3: visuele controle.
3. Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig.
4. In afwijking van het eerste lid, onderdeel n, mogen twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.5.58
Eisen Wijze van Keuren
1. Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
3. Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht.
Artikel 5.5.59
Eisen Wijze van Keuren
1. De mistvoorlichten en de achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 6: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De mistachterlichten en het derde remlicht van het voertuig mogen niet anders dan rood stralen.
3. De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
4. De extra richtingaanwijzers, extra zijrichtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
5. De dagrijlichten mogen niet anders dan wit stralen.
6. De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen.
Artikel 5.5.59a
Eisen Wijze van Keuren
1. De in artikel 5.5.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing.
4. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.5.61
Eisen Wijze van Keuren
1. Bij driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 1967 en breder dan 1,30 m moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.5.51, eerste en tweede lid, en 5.5.57, zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achterlichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de mistachterlichten, werklichten, hoeklichten en bochtlichten.
Artikel 5.5.62
Eisen Wijze van Keuren
Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.5.64
Eisen Wijze van Keuren
1. Driewielige motorrijtuigen mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Driewielige motorrijtuigen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. Visuele controle.
3. Het tweede lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten.
Artikel 5.5.65
Eisen Wijze van Keuren
1. Driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.5.51, 5.5.51a, 5.5.57 en 5.5.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.
2. Driewielige motorrijtuigen niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

§ 5. Assen

Artikel 5.5.66
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, geschiedt de controle op de wijze, bepaald in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3. Visuele controle.
2. Indien de inrichting, bedoeld in het eerste lid, is voorzien van een koppelingskogel, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.

§ 12. Diversen

Artikel 5.5.71
Eisen Wijze van Keuren
1. Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld.
2. Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. Leden 2 tot en met 5: visuele en auditieve controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoefte van de afgifte van een keuringsrapport.
3. Hybride elektrische of elektrische driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt.
4. Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn.
5. Met uitzondering van driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen driewielige motorrijtuigen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid.

Afdeling 6. Bromfietsen

Artikel 5.6.0

Een bromfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

§ 7. Stuurinrichting

Artikel 5.6.1
Eisen Wijze van keuren
1. De bromfiets moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. Het voertuigidentificatienummer is in het chassis of frame ingeslagen en is goed leesbaar.
3. De kentekenplaat is voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd.
4. Het kenteken is goed leesbaar en de kentekenplaat is niet afgeschermd. Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van de bromfiets staat.
5. Het eerste, derde en vierde lid zijn niet van toepassing op motorvoertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 6 km/h en motorvoertuigen die bestemd zijn om door een voetganger te worden meegevoerd.

§ 9. Carrosserie

Artikel 5.6.3
Eisen Wijze van keuren
1. De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bromfietsen mogen: – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle. Bij twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
a. geen breuken of scheuren vertonen, en
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.
2. Indien de bromfiets is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen: a. geen breuken of scheuren vertonen; b. niet zijn doorgeroest, en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. Leden 2 en 3: visuele controle.
3. De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.6.4
Eisen Wijze van keuren
1. Een aan een bromfiets gekoppelde zijspanwagen moet deugdelijk aan het frame of aan de zelfdragende constructie van de bromfiets zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De bovenbouw van bromfietsen moet deugdelijk op het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd.

§ 9. Carrosserie

Artikel 5.6.6
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 1,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt de bromfiets gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, mogen bromfietsen op meer dan twee wielen niet breder zijn dan 2,00 m.

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.6.8
Eisen Wijze van Keuren
1. Bromfietsen die blijkens de kentekencard, het kentekenbewijs of het kentekenregister een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h tot en met 45 km/h hebben, moeten bij voortduring aan deze snelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 28 tot en met 29a, van toepassing.
2. Bromfietsen die blijkens de kentekencard, het kentekenbewijs of het kentekenregister een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h hebben, moeten bij voortduring aan deze snelheid, vermeerderd met 4 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 28 tot en met 29a, van toepassing.
3. Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste en tweede lid vermelde maximumconstructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden. Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Eventueel wordt de meting opnieuw uitgevoerd.
Artikel 5.6.9
Eisen Wijze van keuren
1. Alle onderdelen van de brandstofsystemen dan wel van de elektrische aandrijving van bromfietsen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen.
2. De brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld.
3. De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. Visuele controle.
Artikel 5.6.10
Eisen Wijze van keuren
1. Indien de bromfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.6.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. Leden 2 tot en met 8: visuele controle.
3. De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.
4. De LPG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst.
5. Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte.
6. Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water.
7. De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
8. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
Artikel 5.6.10a
Eisen Wijze van keuren
1. Indien de bromfiets is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.6.9, voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen.
2. De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. Leden 2 tot en met 5: visuele controle.
3. De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.
4. De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank mag niet verstreken zijn.
5. Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte.
6. De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. Leden 6 tot en met 9: visuele controle.
7. De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
8. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
9. De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.
Artikel 5.6.11
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. Visuele en auditieve controle.
2. Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
3. Bromfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 36, 37 en 38, van toepassing.
4. Bromfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 97 dB(A) voor bromfietsen die blijkens de gegevens in het kentekenregister een maximumconstructiesnelheid hebben van meer dan 25 km/h en niet meer dan 90 dB(A) voor andere bromfietsen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 36, 37 en 38, van toepassing.
Artikel 5.6.12
Eisen Wijze van keuren
1. De accu van bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De elektrische bedrading van bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
Artikel 5.6.13
Eisen Wijze van keuren
1. De motor van bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.6.15
Eisen Wijze van keuren
Bromfietsen die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. Visuele controle.
Artikel 5.6.16
Eisen Wijze van keuren
1. De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft.
2. Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. Visuele controle.

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.6.18
Eisen Wijze van keuren
1. De assen van bromfietsen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3. De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
4. De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Visuele controle.
Artikel 5.6.19
Eisen Wijze van keuren
1. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats.
Artikel 5.6.20
Eisen Wijze van keuren
1. De wiellagers van bromfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. Verschijnselen van slijtage of beschadiging van wiellagers mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. Visuele en auditieve controle waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd.
Artikel 5.6.24
Eisen Wijze van keuren
1. De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van bromfietsen mogen geen breuken, scheuren ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.

§ 6. Ophanging

Artikel 5.6.27
Eisen Wijze van keuren
1. De wielen van bromfietsen moeten zijn voorzien van luchtbanden. Visuele controle.
2. De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. Leden 2 tot en met 5: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
3. De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4. Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn.
5. Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
6. De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van de bromfiets. Leden 6 en 7: visuele controle.
7. De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben.
8. De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
Artikel 5.6.28
Eisen Wijze van keuren
1. Indien de bromfiets is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. Visuele controle, waarbij de bromfiets verscheidene keren wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
2. De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Visuele controle.
Artikel 5.6.29
Eisen Wijze van keuren
1. Van bromfietsen met twee wielen: a. moeten de voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen deugdelijk zijn bevestigd; b. moet de voorvork zonder zware punten in het balhoofd kunnen draaien, en c. mag de balhoofdlagering geen zichtbare speling vertonen. – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij het voorwiel naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt bewogen, terwijl de massa van de bromfiets op de grond rust. – Onderdeel c: visuele controle, waarbij de bromfiets voorwaarts wordt bewogen en de voorwielrem in werking wordt gesteld, dan wel het voorwiel wordt ontlast en de voorvork wordt bewogen.
2. Van bromfietsen op drie of vier wielen: a. moeten de bestuurde wielen goed reageren op de draaiing van het stuurwiel; b. mogen bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien; c. moeten de voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast; – Onderdeel a: visuele controle, waarbij met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. – Onderdeel c: visuele controle. Terwijl de massa van de bromfiets op de wielen rust, wordt het stuurwiel met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid.
d. moeten stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten; – Onderdeel d: visuele controle. – Onderdeel e: visuele controle. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen.
e. moeten koppelingen een zichtbaar spelingvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen; – Onderdeel f: visuele controle. – Onderdeel g: visuele controle. Voor het zichtbaar maken van:
f. mogen flexibele koppelingen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt; g. mogen de verbindingen in het stangenstelsel niet te veel speling vertonen, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing is; en 1° radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van de bromfiets op de wielen rust 2° axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend.
h. mag, indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, dit gedeelte geen corrosie vertonen. – Onderdeel h: visuele controle indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats.

§ 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen

Artikel 5.6.31
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen: a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; en d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen. – Onderdeel a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl het remsysteem onder druk wordt gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 500 N (50 kg) op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Bij een remhendel moet de drukproef worden uitgevoerd met de maximale handkracht.
2. Remschijven mogen geen dusdanige slijtage vertonen dat gevaar op breuk ontstaat. Visuele controle.
3. Het rempedaal onderscheidenlijk de remhendel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt Controle waarbij het rempedaal wordt ingetrapt met een kracht van ten hoogste 500 N (50 kg). Bij een remhendel moet dit worden uitgevoerd met de maximale handkracht.
4. Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. Visuele controle.
5. Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht.
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. – Onderdeel c: visuele controle.
De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
6. Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. Visuele controle, waarbij de rem wordt bediend.
7. Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien.
8. De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn.
9. De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. Visuele controle.
10. In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden.
11. De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
12. De onderdelen van een antiblokkeersysteem: Visuele controle.
a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en
d. mogen geen lekkage vertonen.
Artikel 5.6.38
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen op twee wielen, in gebruik genomen na 31 december 2006, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg; a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 2,5 m/s2 bedraagt; b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, en c. bij gebruik van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 4, van toepassing. Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan twee wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken.
2. Bromfietsen op twee wielen, in gebruik genomen voor 1 januari 2007, moeten zijn voorzien van twee bedrijfsremmen met onafhankelijke bedieningsorganen en overbrengingen, waarvan de één ten minste op het voorwiel en de ander ten minste op het achterwiel werkt. De remvertraging van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 4, van toepassing. Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan twee wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken.
3. Bromfietsen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van een bedrijfsreminrichting waarmee, bij bediening van de voor- en achterrem tezamen, hetzij bij bediening van een gezamenlijke reminrichting, de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 4, van toepassing. Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan twee wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken.
4. De in het derde lid bedoelde bedrijfsreminrichting moet op alle wielen werken. Terwijl de wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt dan wel de remhendel licht ingedrukt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd.
Artikel 5.6.39
Eisen Wijze van keuren
Van bromfietsen op meer dan twee wielen moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. Terwijl twee wielen zich vrij van de grond bevindt, wordt de vastzetinrichting onderscheidenlijk vergrendeling in werking gesteld, waarna gecontroleerd wordt of een van de assen wordt geremd.

§ 12. Diversen

Artikel 5.6.41
Eisen Wijze van keuren
1. Windschermen en stroomlijnkappen van bromfietsen mogen de bediening van de stuurinrichting, de koppeling en de remmen niet belemmeren. Visuele controle, waarbij het stuur naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt bewogen en de hendels van de koppeling en reminrichting worden bediend.
2. Windschermen, stroomlijnkappen en permanent aangebrachte inrichtingen om lading mee te kunnen vervoeren, moeten deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
3. De deuren van bromfietsen moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten.
4. Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel worden geopend en gesloten.
5. De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Visuele controle.
Artikel 5.6.42
Eisen Wijze van keuren
1. De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bromfietsen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95, van toepassing. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bromfietsen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
3. De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
4. Indien de bromfiets niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Leden 4 en 5: visuele controle.
5. Indien de bromfiets niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel mag de achterruit niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
Artikel 5.6.43
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen met een voorruit, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege.
2. Bromfietsen met een voorruit, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
Artikel 5.6.45
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. In afwijking van het eerste lid moeten bromfietsen op meer dan twee wielen met gesloten carrosserie, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, zijn voorzien van een binnenspiegel en een linkerbuitenspiegel dan wel zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel.
3. De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd.
4. Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
5. In afwijking van het tweede lid mogen verplichte spiegels bij bromfietsen op meer dan twee wielen met een gesloten carrosserie, vervangen zijn door goedwerkende camera-monitorsystemen. Indien spiegels vervangen zijn door camera-monitorsystemen, dan moeten deze systemen deugdelijk bevestigd zijn. Visuele controle
Artikel 5.6.46
Eisen Wijze van keuren
1. De zitplaats of zitplaatsen van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Voetsteunen moeten deugdelijk zijn aangebracht.
Artikel 5.6.47
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen op meer dan twee wielen met een gesloten carrosserie en een ledige massa van meer dan 250 kg, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op klapstoelen.
3. De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken.
4. De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd.
Artikel 5.6.48
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De wielen onderscheidenlijk banden van bromfietsen mogen niet aanlopen.
3. Geen deel aan de buitenzijde van een bromfiets mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.6.51
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen op twee wielen moeten zijn voorzien van: Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
a. één dimlicht;
b. één achterlicht;
c. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig;
d. één remlicht indien de bromfiets een vermogen van meer dan 0,5 kW en een maximumsnelheid van meer dan 25 km/h heeft en in gebruik is genomen na 31 december 2006;
e. één ambergele retroreflector aan de zijkant van het voertuig indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2006;
f. vier ambergele retroreflectoren aan de trappers voor zover de bromfiets is voorzien van niet-intrekbare trappers en in gebruik is genomen na 31 december 2006.
2. Bromfietsen op drie wielen moeten zijn voorzien van:
a. één dimlicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee dimlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
b. één stadslicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2006, en twee stadslichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2006;
c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde indien het voertuig is voorzien van een gesloten carrosserie;
d. één achterlicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee achterlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
e. één of twee remlichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2006, en twee remlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2006;
f. één of twee rode achterretroreflectoren indien de breedte van het voertuig 1,00 m of minder bedraagt en twee rode achterretroreflectoren indien de breedte van het voertuig meer dan 1,00 m bedraagt;
g. vier ambergele retroreflectoren aan de trappers voor zover de bromfiets is voorzien van niet-intrekbare trappers en in gebruik is genomen na 31 december 2006.
3. Bromfietsen op vier wielen moeten zijn voorzien van:
a. één dimlicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee dimlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
b. één stadslicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee stadslichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde indien het voertuig is voorzien van een gesloten carrosserie;
d. één achterlicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee achterlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
e. één of twee remlichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee remlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt;
f. één of twee rode achterretroreflectoren indien de breedte van het voertuig 1,00 m of minder bedraagt en twee rode achterretroreflectoren indien de breedte van het voertuig meer dan 1,00 m bedraagt.
Artikel 5.6.52
Eisen Wijze van keuren
Zijspanwagens, verbonden aan een bromfiets, moeten zijn voorzien van een rode retroreflector, aangebracht aan de achterzijde van het voertuig op ten minste 0,25 m en ten hoogste 0,90 m boven het wegdek. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.6.53
Eisen Wijze van keuren
1. De dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 3: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De richtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
3. De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4. De remlichten mogen niet anders dan rood stralen. Visuele controle, waarbij het rempedaal wordt ingetrapt dan wel de remhendel wordt bediend.
Artikel 5.6.55
Eisen Wijze van keuren
1. De in de artikelen 5.6.51 en 5.6.52 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan.
2. De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
4. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt, dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
5. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
6. De in de artikelen 5.6.51 en 5.6.52 bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Leden 6 tot en met 8: visuele controle.
7. De in de artikelen 5.6.51 en 5.6.52 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden.
8. Remlichten van bromfietsen in gebruik genomen na 31 december 2006 moeten werken bij bediening van zowel de achterwielrem als de voorwielrem.
Artikel 5.6.57
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen op twee wielen mogen zijn voorzien van: Visuele controle.
a. één of twee grote lichten;
b. één extra dimlicht;
c. één of twee stadslichten;
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde twee richtingaanwijzers aan de achterzijde en waarschuwingsknipperlichten;
e. één extra achterlicht indien de breedte van het voertuig niet meer bedraagt dan 1,30m;
f. één of twee remlichten;
g. ambergele retroreflectoren aan de voorste zijkanten van het voertuig, ambergele of rode retroreflectoren aan de achterste zijkanten van het voertuig;
h. achterkentekenplaatverlichting;
i. één naar voren gerichte witte retroreflector;
j. één dagrijlicht.
2. Bromfietsen op drie of vier wielen mogen zijn voorzien van: – Onderdelen a en i: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
a. één of twee grote lichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee grote lichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt; – Onderdelen b tot en met h: visuele controle.
b. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde twee richtingaanwijzers aan de achterzijde en waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig niet is voorzien van een gesloten carrosserie;
c. achterkentekenplaatverlichting;
d. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig;
e. naar voren gerichte witte retroreflectoren;
f. één of twee mistvoorlichten;
g. één of twee mistachterlichten;
h. één of twee achteruitrijlichten;
i. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat:
3. Bromfietsen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. Visuele controle.
4. In afwijking van het tweede lid, onderdeel i, mogen twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.6.58
Eisen Wijze van keuren
1. Zijspanwagens, verbonden aan een bromfiets, mogen zijn voorzien van: – Onderdelen a en e: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
a. één stadslicht aan de uiterste buitenzijde van het voertuig op ten minste 0,35 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek; – Onderdelen b, c, d, f en g: visuele controle.
b. één achterlicht;
c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten;
d. één remlicht;
e. een naar voren gerichte witte retroreflector aan de voorzijde van het voertuig, aangebracht aan de uiterste buitenzijde op ten minste 0,45 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek;
f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig;
g. één dagrijlicht.
2. Zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. Visuele controle.
Artikel 5.6.59
Eisen Wijze van keuren
1. Het grote licht, het dimlicht, het mistvoorlicht, het achteruitrijlicht en het stadslicht mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. Het achterlicht, het mistachterlicht, het derde remlicht en het remlicht mogen niet anders dan rood stralen.
3. Richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
4. De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
5. Het dagrijlicht mag niet anders dan wit stralen.
Artikel 5.6.59a
Eisen Wijze van keuren
1. De in artikel 5.6.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.6.64
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen mogen, met uitzondering van groot licht, niet zijn voorzien van verblindende lichten. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Bromfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten.
Artikel 5.6.65
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.6.51, 5.6.52, 5.6.57, 5.6.57a en 5.6.58 is voorgeschreven of toegestaan. In of op het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen doen dit niet naar de buitenzijde van het voertuig. Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.
2. Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. Visuele controle.

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

Artikel 5.6.66
Eisen Wijze van keuren
1. Indien de bromfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Visuele controle.
2. Indien de inrichting, bedoeld in het eerste lid, is voorzien van een koppelingskogel, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.

§ 5. Assen

Artikel 5.6.71
Eisen Wijze van keuren
1. Bromfietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn dan wel bel in werking wordt gesteld.
2. Bromfietsen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die er toe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de bromfiets of de zijspanwagen te voorkomen. Leden 2 tot en met 4: visuele en auditieve controle.
3. Hybride elektrische of elektrische bromfietsen mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt.
4. Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met derde lid.

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

Artikel 5.7.0

Een motorrijtuig met beperkte snelheid moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.7.1
Eisen Wijze van keuren
1. Het geregistreerde motorrijtuig met beperkte snelheid moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. Leden 1 tot en met 3: visuele controle
2. Het geregistreerde motorrijtuig met beperkte snelheid moet aan de achterzijde zijn voorzien van de juiste kentekenplaat.
3. De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk zijn bevestigd.
4. De kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd en het kenteken moet goed leesbaar zijn. Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het midden van het motorrijtuig met beperkte snelheid staat.
5. Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke dragende structuur zijn ingeslagen en goed leesbaar zijn. Visuele controle.
6. Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op motorrijtuigen met beperkte snelheid als bedoeld in artikel 1b van het Kentekenreglement.
7. Het eerste tot en met het vierde lid zijn tot 1 januari 2025 niet van toepassing op motorrijtuigen met beperkte snelheid waarop ingevolge artikel III van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de implementatie van richtlijn 2014/45/EU alsmede ter invoering van een registratie- en kentekenplicht voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines en aanhangwagens die uitsluitend bestemd zijn om daardoor te worden voortbewogen en het niet meer toelaten tot het verkeer van nieuwe motorrijtuigen met beperkte snelheid (Stb. 2020, 167) geen kenteken behoorlijk zichtbaar aanwezig hoeft te zijn.

§ 5. Assen

Artikel 5.7.3
Eisen Wijze van keuren
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen: Visuele controle.
a. geen breuken of scheuren vertonen, en
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
Artikel 5.7.4
Eisen Wijze van keuren
1. De bovenbouw van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn.

§ 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen

Artikel 5.7.6
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is.
2. In de afmetingen, bedoeld in het eerste lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen. --
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mogen motorrijtuigen met beperkte snelheid die zijn ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen niet langer zijn dan 20,00 m.
Artikel 5.7.7
Eisen Wijze van keuren
1. De last onder de assen van motorrijtuigen met beperkte snelheid mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde technisch toegestane maximum aslasten, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden. Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt het voertuig gewogen.
2. De totale massa of de som van de aslasten van motorrijtuigen met beperkte snelheid mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde toegestane maximummassa, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.7.8
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten bij voortduring aan de in artikel 1.1 met betrekking tot motorrijtuigen met beperkte snelheid vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 29a, van toepassing. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
2. Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld.
Artikel 5.7.9
Eisen Wijze van keuren
1. Alle onderdelen van brandstofsystemen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
2. Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld.
3. De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. Visuele controle.
Artikel 5.7.11
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. Visuele en auditieve controle.
2. Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
3. Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn. Visuele en auditieve controle.
Artikel 5.7.12
Eisen Wijze van keuren
1. De accu van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De elektrische bedrading van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
Artikel 5.7.13
Eisen Wijze van keuren
1. De motorsteunen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk aan het chassis dan wel aan de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.

§ 7. Stuurinrichting

Artikel 5.7.14
Eisen Wijze van keuren
Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een massa in rijklare toestand van meer dan 400 kg moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te rijden. Visuele controle.
Artikel 5.7.16
Eisen Wijze van keuren
1. De aandrijving van motorrijtuigen met beperkte snelheid en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft.
2. Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. Visuele controle.

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.7.18
Eisen Wijze van keuren
1. De assen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3. De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4. De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd.
Artikel 5.7.19
Eisen Wijze van keuren
1. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing.
4. Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats.
Artikel 5.7.20
Eisen Wijze van keuren
1. De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur.
Artikel 5.7.24
Eisen Wijze van keuren
1. De wielen onderscheidenlijk velgen van motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.7.25
Eisen Wijze van keuren
De wielnaven van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
Artikel 5.7.26
Eisen Wijze van keuren
Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Visuele controle.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.7.27
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van banden of rupsbanden, waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. Visuele controle.
2. Het bepaalde in het eerste lid inzake het loopvlak is niet van toepassing op motorrijtuigen met beperkte snelheid ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van personen of goederen.
3. De luchtbanden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
4. De luchtbanden mogen geen uitstulpingen vertonen. Leden 4 en 5: visuele controle.
5. Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
6. De profilering van de hoofdgroeven van de banden van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van de slijtage-indicatoren. Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is.
Artikel 5.7.28
Eisen Wijze van keuren
1. Indien het motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken, ernstige lekkage of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd.

§ 5. Assen

Artikel 5.7.29
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De bestuurde wielen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel.
3. De stuurinrichting mag niet zijn voorzien van een elektrische overbrenging dan wel een uitsluitend pneumatische overbrenging.
4. Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. Visuele controle, waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast.
5. De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Visuele controle., Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van motorrijtuigen met beperkte snelheid op de wielen rust.
6. Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. Leden 6 en 7: visuele controle.
7. Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd.
8. De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. Visuele controle. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
9. De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn.
10. Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. Leden 10 en 11: visuele controle.
11. Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.

§ 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen

Artikel 5.7.31
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een goedwerkende reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle. Bij twijfel wordt het remsysteem onder druk gezet. – Onderdeel e: visuele controle.
b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;
d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen;
e. remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat er kans op breuk ontstaat.
2. De rembekrachtiger moet goed functioneren. Voor de controle van de vacuümrembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken.
3. Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. Visuele controle.
4. Remslangen mogen: – Onderdeel a: visuele controle.
a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en – Onderdeel b: visuele controle. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht.
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. – Onderdeel c: visuele controle.
5. De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. Leden 5 en 6: visuele controle.
6. De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
7. In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden.
8. De onderdelen van een antiblokkeersysteem: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. mogen niet zijn beschadig, gescheurd, gebroken, en d. mogen geen lekkage vertonen. Visuele controle.
9. De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
Artikel 5.7.38
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem die ten minste op één as werkt. Visuele controle.
2. Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. Leden 2 tot en met 4: in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd.
3. Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing.
4. Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken.
Artikel 5.7.39
Eisen Wijze van keuren
Van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. Visuele controle.

§ 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen

Artikel 5.7.41

Vervallen

Artikel 5.7.42
Eisen Wijze van keuren
Voor- en zijruiten van motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen: a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen, en b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. Visuele controle.
Artikel 5.7.43
Eisen Wijze van keuren
Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een voorruit, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. De installatie mag niet door handkracht worden aangedreven. Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege.
Artikel 5.7.45
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte van 10 m achter het voertuig, gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon, kan overzien, welk gedeelte een breedte heeft van 2,50 m en is gelegen links van het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdig liggende verticale vlak door het meest links gelegen punt van de totale breedte van het voertuig of van de daardoor voortbewogen aanhangwagen. Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
2. Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte van 30 m achter het voertuig, gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon, kan overzien, welk gedeelte een breedte heeft van 3,50 m en is gelegen rechts van het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdig liggende verticale vlak door het meest rechts gelegen punt van de totale breedte van het voertuig of van de daardoor voortbewogen aanhangwagen.
3. Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een lengte van meer dan 6 m die zijn voorzien van een gesloten carrosserie en die zijn ingericht voor het vervoer van goederen, moeten zijn voorzien van een trottoirspiegel waarmee de bestuurder het wegdek naast de cabine aan de rechterzijde kan overzien. Leden 3 tot en met 6: visuele controle.
4. De trottoirspiegel moet zodanig zijn aangebracht dat geen punt van de spiegel of van de steun waarop deze is gemonteerd, zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt. Indien de hoogte van de cabine zodanig is dat niet aan dit voorschrift kan worden voldaan, mag het voertuig niet van een trottoirspiegel zijn voorzien.
5. De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd.
6. Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
Artikel 5.7.46
Eisen Wijze van keuren
De zitplaatsen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Visuele controle.
Artikel 5.7.47
Eisen Wijze van keuren
Indien een motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van gordels, moeten deze: a. deugdelijk zijn bevestigd en mogen deze niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging; en b. zijn voorzien van een goed werkende sluiting en blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. – Onderdeel a: visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. – Onderdeel b: visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel. Indien dit geen uitsluitsel biedt, moet tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd.
Artikel 5.7.48
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van motorrijtuigen met beperkte snelheid die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3. Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
4. Geen deel van de buitenzijde van het motorrijtuig met beperkte snelheid mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.

§ 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van artikel 20b van de wet zijn aangewezen

Artikel 5.7.51
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van: – Onderdelen a tot en met f: visuele controle. – Onderdeel g: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel h: visuele controle.
a. twee dimlichten;
b. twee stadslichten;
c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, alsmede waarschuwingsknipperlichten;
d. twee achterlichten;
e. twee remlichten;
f. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;
g. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn;
h. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien het voertuig niet is voorzien van een kentekenplaat.
2. Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing op motorrijtuigen met beperkte snelheid die hydrostatisch worden aangedreven en waarbij de hydrostatische aandrijving tevens dienst doet als reminrichting. Visuele controle.
Artikel 5.7.53
Eisen Wijze van keuren
1. De dimlichten en de stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 4: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De richtingaanwijzers en zijrichtingaanwijzers, alsmede de waarschuwingsknipperlichten, mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. Zijrichtingaanwijzers mogen naar de zijkant niet anders dan ambergeel uitstralen.
3. De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4. De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
Artikel 5.7.54

Vervallen

Artikel 5.7.55
Eisen Wijze van keuren
1. De in artikel 5.7.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan.
2. De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
4. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing.
5. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
6. De in artikel 5.7.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Leden 6 en 7: visuele controle.
7. De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden.
8. De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.7.56
Eisen Wijze van keuren
De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is.
Artikel 5.7.57
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van: – Onderdelen a tot en met h: visuele controle.
a. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; – Onderdeel i: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen j tot en met u: visuele controle.
b. twee extra dimlichten;
c. twee extra stadslichten;
d. twee mistvoorlichten;
e. één of twee mistachterlichten;
f. twee of vier parkeerlichten;
g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig;
h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
i. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m; de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn;
j. één of twee achteruitrijlichten;
k. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig;
l. staaklichten;
m. zijmarkeringslichten;
n. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig;
o. werklichten;
p. twee extra remlichten of één derde remlicht;
q. twee dagrijlichten;
r. bochtverlichting;
s. hoeklichten;
t. achterkentekenplaatverlichting;
u. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig, indien deze markering niet reeds ingevolge artikel 5.18.22, tweede lid, verplicht is;
v. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien deze retroreflector niet reeds op grond van artikel 5.7.51, eerste lid, aanhef en onderdeel h, verplicht is;
w. verlichting die tijdens werkzaamheden op het wegdek een projectie maakt ter waarschuwing van andere verkeersdeelnemers.
2. Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. Leden 2 en 3: visuele controle.
3. Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van een ambergele of witte opvallende markering aan de zijkant van het voertuig of van een ambergele of rode opvallende markering aan de achterkant van het voertuig.
Artikel 5.7.59
Eisen Wijze van keuren
1. De grote lichten, het dimlicht, de mistvoorlichten en de achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 9: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
3. De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. Indien de parkeerlichten zijn samengebouwd met de richtingaanwijzers, mogen zij ambergeel stralen.
4. De extra richtingaanwijzers en extra waarschuwingsknipperlichten, alsmede de zijrichtingaanwijzers, mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
5. De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen.
6. De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
7. De dagrijlichten, hoeklichten en bochtlichten mogen niet anders dan wit stralen.
8. Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
9. De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
Artikel 5.7.59a
Eisen Wijze van keuren
1. De in artikel 5.7.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing.
4. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.7.60

Vervallen

Artikel 5.7.62
Eisen Wijze van keuren
Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.7.64
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten.
3. In afwijking van het tweede lid, mogen de zijmarkeringslichten van motorrijtuigen met beperkte snelheid synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig knipperen.
Artikel 5.7.65
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.7.51, 5.7.57 en 5.7.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.
2. Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. Visuele controle.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.7.66
Eisen Wijze van keuren
1. De inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen moet van een deugdelijke constructie zijn en moet deugdelijk aan het motorrijtuig met beperkte snelheid zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de in het eerste lid bedoelde inrichting mogen niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn.
3. De bedieningsorganen van de in het eerste lid bedoelde inrichting moeten gemakkelijk bereikbaar zijn en gemakkelijk en zonder gevaar te bedienen zijn.

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.7.71
Eisen Wijze van keuren
1. Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten ten minste zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld.
2. Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. Leden 2 tot en met 4: visuele en auditieve controle.
3. Hybride elektrische of elektrische motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt.
4. Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met derde lid.
Artikel 5.7.72
Eisen Wijze van keuren
Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten, met uitzondering van walsen, aan de voorzijde of achterzijde zijn voorzien van een bevestigingspunt ten behoeve van het slepen van het voertuig. Visuele controle.

Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers

Artikel 5.8.0

Een landbouw- of bosbouwtrekker moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

§ 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen

Artikel 5.8.1
Eisen Wijze van keuren
1. De landbouw- of bosbouwtrekker moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. Leden 1 en 2: visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 2 en 3, van toepassing.
2. De landbouw- of bosbouwtrekker moet aan de achterzijde zijn voorzien van de juiste kentekenplaat.
3. Kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
4. De kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd en het kenteken moet goed leesbaar zijn. Visuele controle, waarbij letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van de landbouw- of bosbouwtrekker staat.
5. Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke dragende structuur zijn ingeslagen en goed leesbaar zijn. Visuele controle.
6. Landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 30 juni 2009 moeten zijn voorzien van één of meerdere constructieplaten die goed leesbaar zijn en waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de technisch toegestane maximummassa’s die op de constructieplaten zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa’s die zijn aangegeven in het kentekenregister. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
7. Het eerste lid is tot 1 januari 2022 niet van toepassing op landbouw- of bosbouwtrekkers die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2021.
8. Het tweede tot en met het vierde lid zijn tot 1 januari 2025 niet van toepassing op landbouw- of bosbouwtrekkers die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2021 en waarop ingevolge artikel III van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de implementatie van richtlijn 2014/45/EU alsmede ter invoering van een registratie- en kentekenplicht voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines en aanhangwagens die uitsluitend bestemd zijn om daardoor te worden voortbewogen en het niet meer toelaten tot het verkeer van nieuwe motorrijtuigen met beperkte snelheid (Stb. 2020, 167) geen kenteken behoorlijk zichtbaar aanwezig hoeft te zijn.

§ 12. Diversen

Artikel 5.8.3
Eisen Wijze van keuren
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle.
Artikel 5.8.4
Eisen Wijze van keuren
1. De boven-, op- en aanbouw van landbouw- of bosbouwtrekkers moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De ondersteuning van de boven-, op- en aanbouw van landbouw- of bosbouwtrekkers moet deugdelijk zijn.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.8.6
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, dan wel niet breder dan 3,00 m indien de breedtevermeerdering het gevolg is van de montage van bredere banden of dubbellucht banden en de daarvoor noodzakelijk aangebrachte wielafscherming en markering. Uitrusting breder dan 2,55 m vallende binnen het breedste punt van de banden wordt niet in aanmerking genomen, indien deze te demonteren is en niet leidt tot extra laadruimte; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, mogen landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen vóór 1 januari 2021 niet breder zijn dan 3,00 m.
3. In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen.
Artikel 5.8.7
Eisen Wijze van keuren
1. De last onder de assen van een landbouw- of bosbouwtrekker mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde technisch toegestane maximum aslasten, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden. Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. De totale massa of de som van de aslasten van een landbouw- of bosbouwtrekker mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde toegestane maximummassa, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.8.8
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten bij voortduring voldoen aan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 29a, van toepassing. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
Artikel 5.8.9
Eisen Wijze van keuren
1. Alle onderdelen van brandstofsystemen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen.
2. De brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. Leden 2 en 3: visuele controle.
3. De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop.
Artikel 5.8.11
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. Visuele en auditieve controle met draaiende motor.
2. Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
3. Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn. Auditieve controle.
4. Indien in het kentekenregister een geluidsniveau voor het voertuig is vermeld, mag de landbouw- of bosbouwtrekker in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 38a tot en met 38c, van overeenkomstige toepassing. Auditieve controle. Indien uitvoerbaar en toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden.
5. Landbouw- of bosbouwtrekkers die in gebruik zijn genomen na 31 december 2020, waarvoor geen waarde als bedoeld in het vierde lid is vermeld, mogen geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan: a. 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1voor zover het betreft een landbouw- of bosbouwtrekker met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking; en b. 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1 voor zover het betreft een landbouw- of bosbouwtrekker met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking.
Artikel 5.8.12
Eisen Wijze van keuren
1. De accu van landbouw- of bosbouwtrekkers moet deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De elektrische bedrading van landbouw- of bosbouwtrekkers moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
Artikel 5.8.13
Eisen Wijze van keuren
1. De motorsteunen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel aan de carrosserie, alsmede aan de motor, zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.

§ 3. Motor en brandstofsystemen

Artikel 5.8.14
Eisen Wijze van keuren
Landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2017 moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te rijden. Visuele controle.
Artikel 5.8.16
Eisen Wijze van keuren
1. De aandrijving en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft.
2. Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. Visuele controle.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.8.18
Eisen Wijze van keuren
1. De assen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3. De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4. De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.
Artikel 5.8.19
Eisen Wijze van keuren
1. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels moeten deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels, alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging, mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats.
Artikel 5.8.20
Eisen Wijze van keuren
1. De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur.
Artikel 5.8.24
Eisen Wijze van keuren
1. De wielen onderscheidenlijk velgen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij het wiel vrij kan ronddraaien.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.8.25
Eisen Wijze van keuren
De wielnaven moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
Artikel 5.8.26
Eisen Wijze van keuren
1. Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Visuele controle.
2. De waarschuwingsinrichting van het stabiliteitscontrolesysteem van landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

§ 5. Assen

Artikel 5.8.27
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van banden of rupsbanden, waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. De luchtbanden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
3. De luchtbanden mogen geen uitstulpingen vertonen. Leden 3 en 4: visuele controle.
4. Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
5. De profilering van de hoofdgroeven van de banden van landbouw- of bosbouwtrekkers moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van de slijtage-indicatoren. Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is.
6. De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de landbouw- of bosbouwtrekker. De band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. Visuele controle.
7. De waarschuwingsinrichting van het controlesysteem voor de bandenspanning van landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
Artikel 5.8.28
Eisen Wijze van keuren
1. Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. Banden worden niet beschouwd als deel van het veersysteem. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken, ernstige lekkage of scheuren vertonen, mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.
3. Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van schokdempers, moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en goed werken.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.8.29
Eisen Wijze van keuren
1. De bestuurde wielen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. Visuele controle, waarbij met de wielen in de stand van rechtuit rijden het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid, waarbij de bestuurde wielen van stand veranderen.
2. Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen, mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. Visuele controle, waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen, waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast.
3. De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen geen breuken of scheuren vertonen; c. mogen niet zijn vervormd; en d. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de landbouw- of bosbouwtrekker op de wielen rust.
4. Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. Visuele controle.
5. Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. Leden 5 en 6: visuele controle, waarbij het stuurwiel langzaam van links naar rechts word gedraaid en axiaal wordt bewogen.
6. Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 51, van toepassing.
7. De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling, wordt de stuurkogel of -verbinding op doelmatige wijze belast; b. axiale speling, wordt op de stuurkogel of -verbinding trek- en drukkracht uitgeoefend. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
8. Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats.
9. De stuurbekrachtiger moet goed werken. Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn.
10. Slangen van de stuurinrichting mogen: a. geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is, en b. geen bewegende delen raken. Visuele controle.
11. De onderdelen van de stuurbekrachtiging mogen geen ernstige lekkage vertonen. Leden 11 en 12: visuele controle, waarbij het stuurwiel bij stationair draaiende motor in de uiterste stand wordt gedraaid en gehouden.
12. De onderdelen van een volledig hydraulische stuurinrichting mogen geen lekkage vertonen.
13. De waarschuwingsinrichting van de elektronische stuurbekrachtiging van landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.

§ 5. Assen

Artikel 5.8.31
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een goed werkende reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; en e. remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat kans op breuk ontstaat. – Onderdeel a tot en met c: visuele controle. – Onderdelen d en e: visuele controle. In geval van twijfel wordt het remsysteem onder druk gezet.
2. Een landbouw- of bosbouwtrekker moet zijn voorzien van een antiblokkeersysteem, indien het voertuig: a. in gebruik is genomen na 31 december 2020; b. een maximumconstructiesnelheid heeft van meer dan 60 km/h; c. niet meer dan vier assen heeft; en d. de technisch toegestane maximummassa meer dan 3.500 kg is.
3. De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed werken. Controle waarbij de rem in werking wordt gesteld bij draaiende motor.
4. De compressor en de drukregelaar moeten goed werken en tijdig in werking treden. Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen.
5. Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt.
6. Rempedalen moeten een stroef oppervlak hebben en deugdelijk functioneren, alsmede in voorkomend geval zijn voorzien van een deugdelijke koppeling tussen het linker- en rechterrempedaal. Visuele controle.
7. Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren; en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. Visuele controle.
8. Remleidingen mogen geen knikken vertonen. Visuele controle.
9. Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien.
10. De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. Visuele controle, terwijl het wiel met de hand wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn.
11. De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. Visuele controle.
12. Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate zijn beschadigd. Visuele controle. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit mogelijk is zonder demontage.
13. De onderdelen van een antiblokkeersysteem: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd, gebroken; en d. mogen geen lekkage vertonen. Visuele controle.
14. De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven. Leden 14 en 15: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
15. Het elektronisch remsysteem moet goed werken.
Artikel 5.8.38
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximumconstructiesnelheid van: a. meer dan 40 km/h, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt; b. meer dan 30 km/h, maar niet meer dan 40 km/h, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt; c. niet meer dan 30 km/h, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt. Visuele controle door middel van een beproeving op de weg. De snelheid moet bij de aanvang van de remproef de maximumconstructiesnelheid bedragen, met een maximum van 40 km/h. De remvertraging wordt met een elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld: a. indien op de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de minimaal behaalde remvertraging; b. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a kan worden vastgesteld, geldt de waarde die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten waarden die gelijk of groter zijn aan de minimaal vereiste remvertraging en gedurende ten minste een halve seconde zijn gemeten; c. indien de remvertraging niet volgens de onderdelen a of b kan worden vastgesteld, geldt als remvertraging de waarde die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld: – indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging waarneembaar is, is de hoogst behaalde waarde van de remvertraging bepalend; – indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging waarneembaar is, is de waarde van de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend. Indien op een remtestinrichting kan worden vastgesteld dat de remvertraging voldoet, kan de beproeving op de weg achterwege blijven. De bij de remproef behaalde remvertraging wordt berekend door de remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de massa van het voertuig in rijklare toestand.
2. De bedrijfsrem van een landbouw- of bosbouwtrekker in gebruik genomen: a. na 31 december 2020 en met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 30 km/h, moet op alle wielen werken; b. vóór 1 januari 2021, moet ten minste op de wielen van één as werken. Visuele controle. Terwijl de wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt hierop gelijktijdig gecontroleerd.
3. De bedrijfsrem van een landbouw- of bosbouwtrekker met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h, moet op alle wielen werken. Visuele controle. Terwijl de wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt hierop gelijktijdig gecontroleerd.
Artikel 5.8.39
Eisen Wijze van keuren
1. Van landbouw- of bosbouwtrekkers moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. Terwijl twee wielen zich vrij van de grond bevindt wordt de vastzetinrichting onderscheidenlijk vergrendeling in werking gesteld, waarna gecontroleerd wordt of één van de assen wordt geremd.
2. De parkeerrem van landbouw- of bosbouwtrekkers moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,6 m/s2 bedraagt en de parkeerrem ook in achterwaartse richting functioneert. Indien de remvertraging niet bepaald kan worden op een remtestinrichting, wordt hieraan geacht te zijn voldaan, indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond bevinden.

§ 4. Krachtoverbrenging

Artikel 5.8.41
Eisen Wijze van keuren
De deuren van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten goed sluiten. Minimaal één deur die direct toegang geeft tot de bestuurdersruimte, moet op normale wijze vanaf de binnen- en buitenzijde kunnen worden geopend. Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten.
Artikel 5.8.42
Eisen Wijze van keuren
1. Voor- en zijruiten van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: a. niet in ernstige mate beschadigd zijn; b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. Visuele controle. Aan de in onderdeel b genoemde eis wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2020, moeten zodanig zijn gebouwd of ingericht dat vanaf de bestuurderszitplaats voldoende uitzicht naar voren en opzij is. Visuele controle, door een persoon van gemiddelde gestalte die op gebruikelijke wijze is gezeten op de voor hem in de juiste rijstand gestelde bestuurderszitplaats. In geval van twijfel wordt gemeten volgens de volgende methode: – vanuit een punt op de grond recht onder de oogpunten van de bestuurder wordt op een afstand van 12,00 m denkbeeldig een halve cirkel getrokken; – naar voren gezien mogen binnen een afstand van 9,50 m op dezelfde hoogte als de denkbeeldige cirkel één of twee objecten van maximaal 0,70 m breed zijn afgeschermd; - naar de zijkant gezien mogen één of twee objecten van maximaal 1,50 m breed zijn afgeschermd. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
Artikel 5.8.43
Eisen Wijze van keuren
Landbouw- of bosbouwtrekkers met een voorruit, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege.
Artikel 5.8.45
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een: a. linkerbuitenspiegel; b. rechterbuitenspiegel of camera-monitorsysteem, indien in gebruik genomen na 31 december 2017. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De spiegels en camera-monitorsystemen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
3. Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
Artikel 5.8.46
Eisen Wijze van keuren
De zitplaatsen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Visuele controle.
Artikel 5.8.47
Eisen Wijze van keuren
1. Indien landbouw- of bosbouwtrekkers zijn voorzien van gordels, moeten deze: a. deugdelijk zijn bevestigd en mogen deze niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging; en b. zijn voorzien van een goed werkende sluiting en blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. – Onderdeel a: visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. – Onderdeel b: visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel. Indien dit geen uitsluitsel biedt, moet tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd.
2. De waarschuwingsinrichting van het gordelspansysteem en gordelkrachtbegrenzingssysteem van landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. Leden 2 en 3: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
3. De waarschuwingsinrichting van het airbagsysteem van landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect vertonen.
Artikel 5.8.48
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van landbouw- of bosbouwtrekkers die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
4. De wielen onderscheidenlijk banden van landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h, moeten aan de bovenzijde voor ten minste twee derde deel van de totale breedte van de banden zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen, onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.32a, derde lid. Leden 4 en 5: visuele controle.
5. Geen deel van de buitenzijde van de landbouw- of bosbouwtrekker mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.8.51
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van: a. twee dimlichten; b. twee stadslichten; c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; d. waarschuwingsknipperlichten, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017; e. twee achterlichten; f. twee remlichten, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2000; g. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; h. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m en in gebruik is genomen na 31 december 2017; i. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017; j. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133 gestelde eisen, indien het voertuig breder is dan 2,55 m en in gebruik is genomen na 31 december 2017; k. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien het voertuig niet is voorzien van een kentekenplaat; l. zijmarkeringslichten indien het voertuig langer is dan 4,60 m en in gebruik is genomen na 31 december 2021. – Onderdelen a tot en met g: visuele controle. – Onderdeel h: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel i: visuele controle. – Onderdeel j: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel k: visuele controle – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
2. Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden moet deze zijn voorzien van twee extra stadslichten of twee staaklichten, en een breedtemarkering die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen. Visuele controle
Artikel 5.8.53
Eisen Wijze van keuren
1. De dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 6: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
3. De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4. De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
5. De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit licht uitstralen en mag niet naar achteren uitstralen.
6. De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel licht uitstralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood licht mag uitstralen.
Artikel 5.8.54
Eisen Wijze van keuren
1. De dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. Indien zulks voor de bruikbaarheid als landbouw- of bosbouwtrekker noodzakelijk is, mogen de dimlichten op een hoogte van meer dan 1,20 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. De extra dimlichten moeten zover mogelijk vooraan het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 3,00 m boven het wegdek. Leden 1 tot en met 7: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten.
2. De stadslichten moeten naar voren stralen en zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, en
c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw van het voertuig noodzakelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m zijn aangebracht.
3. De richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten moeten zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, en
b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mag het hoogste punt van het lichtdoorlatende gedeelte van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht.
4. De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,40 m, en
b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw van het voertuig noodzakelijk is, mogen de achterlichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht.
5. De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,40 m, en
b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de remlichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht.
6. De rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,40 m, en
c. op een hoogte van niet minder dan 0, 25 m en niet meer dan 0,90 m indien twee retroreflectoren zijn aangebracht. Indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,20 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien vier retroreflectoren zijn aangebracht, mogen de extra twee retroreflectoren niet hoger dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht.
Artikel 5.8.55
Eisen Wijze van keuren
1. De in artikel 5.8.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan.
2. De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
4. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing.
5. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
6. De in artikel 5.8.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Leden 6 en 7: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, worden zonder gereedschap afneembare werktuigen buiten beschouwing gelaten.
7. De in artikel 5.8.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden.
8. De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.8.56
Eisen Wijze van keuren
De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is.
Artikel 5.8.57
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van: a. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; b. twee extra dimlichten; c. twee extra stadslichten; d. twee extra achterlichten; e. twee mistvoorlichten; f. één of twee mistachterlichten; g. parkeerlichten; h. zijrichtingaanwijzers aan de zijkanten van het voertuig; i. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; j. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m; de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; k. één of twee achteruitrijlichten; l. twee staaklichten; m. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; n. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig; o. zijmarkeringslichten; p. lijnmarkering aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterzijde van het voertuig, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 153, van toepassing is; q. manoeuvreerlichten aan elke zijkant van het voertuig; r. werklichten; s. een derde remlicht; t. twee dagrijlichten; u. twee bochtlichten; v. twee hoeklichten; w. achterkentekenplaatverlichting, voor zover deze niet reeds ingevolge artikel 5.8.51, eerste lid, onderdeel i, verplicht is; x. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 tot en met 133, gestelde eisen; y. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123 van toepassing is, indien deze niet reeds op grond van artikel 5.8.51, eerste lid, aanhef en onderdeel k, verplicht is. – Onderdelen a tot en met i: visuele controle. – Onderdeel j: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen k tot en met y: visuele controle.
2. Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel 5.8.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemde datum in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die vóór of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.8.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen. Visuele controle.
Artikel 5.8.59
Eisen Wijze van keuren
1. De grote lichten, de mistvoorlichten en de achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 10: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
3. De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. Indien de parkeerlichten zijn samengebouwd met de richtingaanwijzers, mogen zij ambergeel stralen.
4. De extra richtingaanwijzers en extra waarschuwingslichten, alsmede de zijrichtingaanwijzers, mogen naar voren niet anders dan wit of ambergeel, en naar achteren niet anders dan rood of ambergeel stralen.
5. De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen.
6. De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
7. De dagrijlichten, hoeklichten, bochtlichten en manoeuvreerlichten mogen niet anders dan wit stralen.
8. Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
9. De lijn- of contourmarkering aan de zijkant is wit of geel. De lijn- of contourmarkering aan de achterzijde is rood, wit of geel.
10. De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
Artikel 5.8.59a
Eisen Wijze van keuren
1. De in artikel 5.8.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing.
4. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.8.60
Eisen Wijze van keuren
1. De grote lichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht, waarbij de buitenranden van het lichtdoorlatende gedeelte zich niet dichter bij het punt van de grootste breedte van het voertuig mogen bevinden dan de buitenranden van het lichtdoorlatende gedeelte van de dimlichten. Visuele controle.
2. De extra dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 3,00 m boven het wegdek. De extra stadslichten moeten zijn samengebouwd met de extra dimlichten. Leden 2 tot en met 5: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten.
3. De mistvoorlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek doch niet hoger dan de verplichte dimlichten zijn aangebracht.
4. Het mistachterlicht of de mistachterlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0, 25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw niet mogelijk is, mogen het licht of de lichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst.
5. De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek Indien zulks door de vorm van de bovenbouw niet mogelijk is, mogen het licht of de lichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht.
6. De markeringslichten moeten: a. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig zijn aangebracht; b. zo hoog mogelijk als met inachtneming van het bepaalde onder a mogelijk is zijn aangebracht. Visuele controle.
7. De ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig moeten: Leden 7 tot en met 9: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten.
a. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m evenwijdig aan het middenlangsvlak boven het wegdek zijn aangebracht. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht;
b. zodanig zijn aangebracht dat:
1°. één retroreflector zich bevindt in het middelste derde gedeelte van de aanhangwagen;
2°. de onderlinge afstand tussen de retroreflectoren niet meer dan 3,00 m bedraagt;
3°. de afstand van de voorste retroreflector tot de voorzijde van de aanhangwagen niet meer dan 3,00 m bedraagt;
4°. de afstand van de achterste retroreflector tot de achterzijde van de aanhangwagen niet meer dan 1,00 m bedraagt, waarbij het voertuiggedeelte boven de 2,00 m buiten beschouwing wordt gelaten in de afstand tot de achterzijde.
8. De zijmarkeringslichten aan de zijkanten moeten zijn aangebracht:
a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich iet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt;
b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en
c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek.
9. Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.8.51, onderdeel e. Indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd mogen twee extra remlichten worden aangebracht.
Artikel 5.8.62
Eisen Wijze van keuren
1. Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. Het ingeschakeld zijn van de richtingaanwijzers of waarschuwingsknipperlichten moet door middel van een optisch of akoestisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt, indien de landbouw- of bosbouwtrekker in gebruik is genomen na 31 december 2018. Visuele of auditieve controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.8.64
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, met uitzondering van grote lichten en werklichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten en remlichten ten behoeve van het noodstopsignaal, niet zijn voorzien van knipperende lichten.
3. In afwijking van het tweede lid, mogen de zijmarkeringslichten van landbouw- of bosbouwtrekkers synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig knipperen.
Artikel 5.8.65
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.8.51, 5.8.57 en 5.8.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.
2. Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.8.66
Eisen Wijze van keuren
1. Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen of verwisselbaar uitrustingsstuk, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig zijn gesleten, onverminderd het bepaalde in artikel 5.8.68, tweede lid, aanhef en onderdeel h. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, mogen niet gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig zijn gesleten.
3. De bedieningsorganen van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, moeten gemakkelijk bereikbaar zijn en gemakkelijk en zonder gevaar te bedienen.
4. De achtertraverse, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.8.71
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten ten minste zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld.
2. Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. Leden 2 en 3: visuele en auditieve controle.
3. Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid.
Artikel 5.8.72
Eisen Wijze van keuren
Een landbouw- of bosbouwtrekker mag niet zijn voorzien van een afscherming tussen de zitplaatsen. Visuele controle.

Afdeling 9. Fietsen

Artikel 5.9.0

Een fiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

§ 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen

Artikel 5.9.3
Eisen Wijze van keuren
Het frame van fietsen mag: Onderdelen a tot en met c: visuele controle.
a. niet zodanig zijn vervormd;
b. geen zodanige breuken of scheuren vertonen, en
c. niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de stijfheid en sterkte ervan in gevaar worden gebracht.

§ 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen

Artikel 5.9.6
Eisen Wijze van keuren
1. Fietsen op twee wielen mogen niet breder zijn dan 0,75 m. Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt gemeten.
2. Fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met zijspanwagen mogen niet breder zijn dan 1,50 m.
Artikel 5.9.12
Eisen Wijze van keuren
1. De accu, indien aanwezig, van fietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De elektrische bedrading van fietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.

§ 12. Diversen

Artikel 5.9.29
Eisen Wijze van keuren
1. Fietsen moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
3. De voorvork van fietsen mag geen zodanige breuken of scheuren vertonen en niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat vervorming optreedt.

§ 7. Stuurinrichting

Artikel 5.9.38
Eisen Wijze van keuren
1. Fietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende rem. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Fietsen met uitsluitend velgremmen moeten zijn voorzien van twee goed werkende afzonderlijke remmen, waarmee twee wielen kunnen worden geremd.
Artikel 5.9.39
Eisen Wijze van keuren
Van fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met zijspanwagen moet de rem of één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. Visuele controle.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.9.46
Eisen Wijze van keuren
De trappers van fietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd en zijn voorzien van een stroef oppervlak. Visuele controle.
Artikel 5.9.48
Eisen Wijze van keuren
Fietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Visuele controle.

§ 9. Carrosserie

Artikel 5.9.51
Eisen Wijze van keuren
1. Fietsen op twee wielen moeten zijn voorzien van: Onderdelen a tot en met c: visuele controle.
a. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig;
b. witte of gele retroreflectoren aan de wielen, en
c. vier ambergele of gele retroreflectoren aan de trappers.
2. Fietsen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van: – Onderdelen a, c en d: visuele controle.
a. een rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig; – Onderdeel b: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten.
b. een naar voren gerichte witte retroreflector indien de fiets breder is dan 0,75 m en is voorzien van één voorwiel;
c. witte of gele retroreflectoren aan de wielen, en
d. vier ambergele of gele retroreflectoren aan de trappers.
Artikel 5.9.52
Eisen Wijze van keuren
Zijspanwagens, verbonden aan een fiets, moeten zijn voorzien van: Onderdelen a en b: visuele controle.
a. een rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, en
b. een witte of gele retroreflector aan het wiel.
Artikel 5.9.54
Eisen Wijze van keuren
1. De rode retroreflector moet zijn aangebracht: a. bij fietsen met één achterwiel tussen de bagagedrager en het spatbord, dan wel bij afwezigheid van een bagagedrager op het spatbord op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek, dan wel onder het zadel; Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
b. bij fietsen met twee achterwielen aan de uiterste linkerzijde, op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek, en
c. bij zijspanwagens aan de uiterste buitenzijde, op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m.
2. De in artikel 5.9.51, tweede lid, onderdeel b, bedoelde witte retroreflector moet zijn aangebracht aan de uiterste linkerzijde van het voertuig. Leden 2 en 3: visuele controle.
3. De witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten de omtrek van het wiel volgen en op of zo dicht mogelijk bij de velg zijn aangebracht, zodanig dat zij aan beide zijkanten van het voertuig zichtbaar zijn.
Artikel 5.9.55
Eisen Wijze van keuren
1. De in de artikelen 5.9.51 en 5.9.52 bedoelde retroreflectoren mogen voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De in de artikelen 5.9.51 en 5.9.52 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden.
3. De rode retroreflectoren en de witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 125 en 126, van toepassing.
Artikel 5.9.57
Eisen Wijze van keuren
1. Fietsen mogen zijn voorzien van: a. een naar voren gerichte witte retroreflector indien deze niet reeds ingevolge artikel 5.9.51 verplicht is, en b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. Zijspanwagens, verbonden aan een fiets, mogen zijn voorzien van: a. een naar voren gerichte witte retroreflector, en b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig.
3. Fietsen en zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
Artikel 5.9.60
Eisen Wijze van keuren
De witte retroreflector op de zijspanwagen moet zijn aangebracht aan de uiterste buitenzijde. Visuele controle.
Artikel 5.9.65
Eisen Wijze van keuren
Fietsen mogen niet zijn voorzien van meer retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.9.51, 5.9.52, 5.9.57 en 5.9.57a is voorgeschreven of toegestaan. Visuele controle.

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.9.71
Eisen Wijze van keuren
Fietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel. Visuele en auditieve controle, waarbij de bel in werking wordt gesteld.

Afdeling 9. Fietsen

Artikel 5.10.0

Een gehandicaptenvoertuig voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede een gehandicaptenvoertuig uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.10.1
Eisen Wijze van keuren
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een voertuigidentificatienummer dat goed leesbaar is. Visuele controle.

§ 4. Krachtoverbrenging

Artikel 5.10.3
Eisen Wijze van keuren
1. De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van gehandicaptenvoertuigen mogen: Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
a. geen breuken of scheuren vertonen, en
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
2. Indien het gehandicaptenvoertuig is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zijn doorgeroest, en
c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht.
3. De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.10.4
Eisen Wijze van keuren
De bovenbouw van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk op het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd. Visuele controle.

§ 5. Assen

Artikel 5.10.6
Eisen Wijze van keuren
Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is.

§ 4. Krachtoverbrenging

Artikel 5.10.8
Eisen Wijze van keuren
1. Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring aan de in artikel 1.1 met betrekking tot gehandicaptenvoertuigen vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 29a, van toepassing. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
2. Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld.
Artikel 5.10.9
Eisen Wijze van keuren
1. Alle onderdelen van brandstofsystemen dan wel van de elektrische aandrijving van gehandicaptenvoertuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen.
2. Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld.
3. De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. Leden 3 tot en met 6: visuele controle.
4. Gehandicaptenvoertuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een: a. voorziening voor het regelen van de snelheid van het voertuig, en b. vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare brandstofniveaumeter, tenzij het voertuig is voorzien van een brandstoftank met reservestand.
5. Gehandicaptenvoertuigen met een elektromotor moeten zijn voorzien van een: a. aan- en uitschakelaar voor de elektromotor, en b. schakelaar voor het regelen van de snelheid van het voertuig.
6. Gehandicaptenvoertuigen met een elektromotor moeten zijn voorzien van een vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare: a. aanduiding omtrent de ladingsconditie van de tractiebatterijen, en b. aan- en uitindicator voor de elektrische installatie.
Artikel 5.10.11
Eisen Wijze van keuren
1. Gehandicaptenvoertuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd.
3. Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn.
Artikel 5.10.12
Eisen Wijze van keuren
1. De accu dan wel de tractiebatterij van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De elektrische bedrading van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
3. Gehandicaptenvoertuigen met elektrische aandrijving moeten zijn voorzien van een beveiliging tegen overbelasting. Na een onderbreking van de stroomvoorziening moet de bestuurder deze door middel van een schakelaar, welke zich binnen het bereik van de bestuurder bevindt, kunnen herstellen.
Artikel 5.10.13
Eisen Wijze van keuren
1. Motorsteunen van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel aan de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.10.14
Eisen Wijze van keuren
Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te rijden. Visuele controle.
Artikel 5.10.16
Eisen Wijze van keuren
De onderdelen van de aandrijving van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
Artikel 5.10.17
Eisen Wijze van keuren
Bij gehandicaptenvoertuigen met een verbrandingsmotor moet de aandrijving tussen motor en wielen op eenvoudige wijze kunnen worden onderbroken. Visuele controle.

§ 4. Krachtoverbrenging

Artikel 5.10.18
Eisen Wijze van keuren
1. De assen van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3. De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
4. De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Visuele controle.
Artikel 5.10.19
Eisen Wijze van keuren
1. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing.
4. Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats.
Artikel 5.10.20
Eisen Wijze van keuren
1. De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur.
Artikel 5.10.24
Eisen Wijze van keuren
1. De wielen onderscheidenlijk velgen van gehandicaptenvoertuigen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.10.26
Eisen Wijze van keuren
Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Visuele controle.

§ 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen

Artikel 5.10.27
Eisen Wijze van keuren
1. De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
2. De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. Visuele controle.
3. Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn. Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
4. De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. Leden 4 tot en met 7: visuele controle.
5. Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
6. De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van het gehandicaptenvoertuig.
7. De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben.
Artikel 5.10.28
Eisen Wijze van keuren
1. Indien het gehandicaptenvoertuig is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd.

§ 9. Carrosserie

Artikel 5.10.29
Eisen Wijze van keuren
1. Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting. Leden 1 tot en met 5: visuele controle.
2. De bestuurde wielen van gehandicaptenvoertuigen moeten goed reageren op de beweging van het bedieningsorgaan van de stuurinrichting.
3. De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast.
4. Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
5. Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd.
6. De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van:
a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het gehandicaptenvoertuig op de wielen rust;
b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend.
In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
7. De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts worden bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn.
8. Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. Visuele controle.

§ 6. Ophanging

Artikel 5.10.31
Eisen Wijze van keuren
1. Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. Bij twijfel het remsysteem onder druk zetten. – Onderdeel e: visuele controle.
c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;
d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en
e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat.
2. Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. Visuele controle.
3. Remslangen mogen: – Onderdeel a: visuele controle.
a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en – Onderdeel b: visuele controle. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht.
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen – Onderdeel c: visuele controle.
4. Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. Visuele controle.
5. Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. Visuele controle, waarbij de wielen vrij van de grond met de hand worden rondgedraaid.
6. De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. Visuele controle Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn.
7. De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. Visuele controle.
Artikel 5.10.32
Eisen Wijze van keuren
In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden.
Artikel 5.10.38
Eisen Wijze van keuren
1. Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem: a. die op alle wielen werkt, en b. waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd.
2. Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken. In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd.
Artikel 5.10.39
Eisen Wijze van keuren
1. Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt. Terwijl twee wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd.
2. De parkeerrem van gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie, moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd.
3. Bij gehandicaptenvoertuigen niet voorzien van een gesloten carrosserie, moet vanuit de zitpositie van de bestuurder: a. de rem of één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, dan wel b. een afzonderlijke vastzetinrichting kunnen worden bediend. Visuele controle.

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.10.41
Eisen Wijze van keuren
1. De deuren van gehandicaptenvoertuigen moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten.
2. Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel aan de voorzijde van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten.
3. De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Visuele controle.
Artikel 5.10.42
Eisen Wijze van keuren
1. De ruiten van gehandicaptenvoertuigen moeten uit gelaagd of gehard glas dan wel uit plastisch materiaal bestaan. Leden 1 tot en met 5: visuele controle.
2. De voorruit en de naast de bestuurderzitplaats aanwezige zijruiten van gehandicaptenvoertuigen mogen geen ernstige beschadigingen of verkleuringen vertonen.
3. De voorruit en de naast de bestuurderzitplaats aanwezige zijruiten van gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen, die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
4. Indien het gehandicaptenvoertuig niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen ernstige beschadigingen of verkleuringen vertonen.
5. Indien het gehandicaptenvoertuig niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen, die het uitzicht van de bestuurder belemmeren.
Artikel 5.10.43
Eisen Wijze van keuren
Gehandicaptenvoertuigen met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft, alsmede van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege.
Artikel 5.10.44
Eisen Wijze van keuren
Gehandicaptenvoertuigen met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld.
Artikel 5.10.45
Eisen Wijze van keuren
1. Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een binnenspiegel. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel indien met de verplichte binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn.
3. De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd.
4. Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
Artikel 5.10.46
Eisen Wijze van keuren
De zitplaatsen en rugleuningen van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Visuele controle Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van vergrendeling.
Artikel 5.10.47
Eisen Wijze van keuren
Indien een gehandicaptenvoertuig is voorzien van gordels, moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en mogen deze niet zijn beschadigd. Het pluizen van een gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd.
Artikel 5.10.48
Eisen Wijze van keuren
1. Gehandicaptenvoertuigen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van gehandicaptenvoertuigen die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3. De wielen onderscheidenlijk banden van gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten goed zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen.
4. Geen deel van de buitenzijde van het gehandicaptenvoertuig mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.

§ 5. Assen

Artikel 5.10.51
Eisen Wijze van keuren
1. Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van: Leden 1 en 2: visuele controle.
a. twee grote lichten;
b. twee dimlichten;
c. twee stadslichten;
d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant en waarschuwingsknipperlichten;
f. twee achterlichten;
g. twee remlichten;
h. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig.
2. Gehandicaptenvoertuigen niet voorzien van een gesloten carrosserie, moeten zijn voorzien van één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig.
Artikel 5.10.53
Eisen Wijze van keuren
1. De grote lichten, de dimlichten en de stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
3. De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4. De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
Artikel 5.10.54
Eisen Wijze van keuren
1. De grote lichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. Leden 1 tot en met 7: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten.
2. De dimlichten en de stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
3. De richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten moeten zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en
b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
4. De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en
b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
5. De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en
b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
6. De rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en
b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
7. In afwijking van het zesde lid, moet bij gehandicaptenvoertuigen niet voorzien van een gesloten carrosserie de rode retroreflector zijn aangebracht aan de linkerzijde van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek.
Artikel 5.10.55
Eisen Wijze van keuren
1. De in artikel 5.10.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan.
2. De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
4. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
5. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
6. De in artikel 5.10.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Leden 6 tot en met 8: visuele controle.
7. De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden.
8. Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 127, van toepassing.
Artikel 5.10.56
Eisen Wijze van keuren
De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is.
Artikel 5.10.57
Eisen Wijze van keuren
1. Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie mogen zijn voorzien van: Onderdelen a tot en met k: visuele controle.
a. één of twee mistachterlichten;
b. twee mistvoorlichten;
c. twee of vier parkeerlichten;
d. één of twee achteruitrijlichten;
e. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig;
g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.10.51 verplicht zijn;
h. één derde remlicht;
i. twee dagrijlichten;
j. bochtlichten;
k. hoeklichten.
2. Gehandicaptenvoertuigen niet voorzien van een gesloten carrosserie, mogen zijn voorzien van: Onderdelen a tot en met h: visuele controle.
a. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel;
b. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel;
c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten;
d. één of twee remlichten;
e. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig.
g. één of twee mistachterlichten;
h. één of twee achteruitrijlichten.
3. Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. Visuele controle.
Artikel 5.10.59
Eisen Wijze van keuren
1. De lichten aan de voorzijde mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 7: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. Indien de parkeerlichten zijn samengebouwd met de richtingaanwijzers, mogen zij ambergeel stralen.
3. De mistachterlichten en het derde remlicht mogen niet anders dan rood stralen.
4. De zijrichtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen.
5. De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
6. De dagrijlichten, hoeklichten, bochtlichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit stralen.
7. De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
Artikel 5.10.59a
Eisen Wijze van keuren
1. De in artikel 5.10.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.10.60
Eisen Wijze van keuren
1. De mistvoorlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek doch niet hoger dan de dimlichten zijn aangebracht. Leden 1 tot en met 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
2. De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
3. Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.10.51, eerste lid, onderdeel g.
4. Het mistachterlicht of de mistachterlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. Indien het voertuig is uitgerust met één achterwiel, moet het mistachterlicht in het midden van het voertuig zijn geplaatst. De afstand tot het remlicht moet ten minste 0,10 m bedragen.
Artikel 5.10.62
Eisen Wijze van keuren
Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. Visuele controle.
Artikel 5.10.64
Eisen Wijze van keuren
1. Gehandicaptenvoertuigen mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Gehandicaptenvoertuigen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten.
Artikel 5.10.65
Eisen Wijze van keuren
1. Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.10.51 en 5.10.57 is voorgeschreven of toegestaan. Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.
2. Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. Visuele controle.

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.10.71
Eisen Wijze van keuren
1. Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. Leden 1 en 2: visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn of bel in werking wordt gesteld.
2. Gehandicaptenvoertuigen niet voorzien van een gesloten carrosserie, moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd.
3. Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. Leden 3 tot en met 5: visuele en auditieve controle.
4. Hybride elektrische of elektrische gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voor zien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt.
5. Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid.

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

Artikel 5.11.0

Een gehandicaptenvoertuig, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

§ 12. Diversen

Artikel 5.11.3
Eisen Wijze van keuren
1. Het frame dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van gehandicaptenvoertuigen mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. Indien het gehandicaptenvoertuig is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen:
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zijn doorgeroest, en
c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht.
3. De onderdelen die deel uitmaken van het frame of de daarvoor in de plaats tredende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd.

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.11.6
Eisen Wijze van keuren
Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is.

§ 11. Verbinding tussen mobiele machine en aanhangwagen

Artikel 5.11.8
Eisen Wijze van keuren
1. Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring aan de in artikel 1.1 met betrekking tot gehandicaptenvoertuigen vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 29a, van toepassing. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
2. Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld.
Artikel 5.11.9
Eisen Wijze van keuren
1. Alle onderdelen van de elektrische aandrijving van gehandicaptenvoertuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een: a. aan- en uitschakelaar voor de elektromotor, en b. schakelaar voor het regelen van de snelheid van het voertuig.
3. Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare: a. aanduiding omtrent de ladingsconditie van de tractiebatterijen, en b. aan- en uitindicator voor de elektrische installatie.
Artikel 5.11.12
Eisen Wijze van keuren
1. De tractiebatterij van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De elektrische bedrading van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
3. Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een beveiliging tegen overbelasting. Na een onderbreking van de stroomvoorziening moet de bestuurder deze door middel van een schakelaar, welke zich binnen het bereik van de bestuurder bevindt, kunnen herstellen.

§ 9. Carrosserie

Artikel 5.11.17
Eisen Wijze van keuren
Bij gehandicaptenvoertuigen moet de snelheid regelbaar zijn. Visuele controle.

§ 12. Diversen

Artikel 5.11.18
Eisen Wijze van keuren
1. De assen van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3. De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
4. De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Visuele controle.
Artikel 5.11.20
Eisen Wijze van keuren
1. De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur.
Artikel 5.11.24
Eisen Wijze van keuren
1. De wielen onderscheidenlijk velgen van gehandicaptenvoertuigen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.

§ 6. Ophanging

Artikel 5.11.27
Eisen Wijze van keuren
1. De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
2. De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. Visuele controle.
3. Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn. Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
4. De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. Leden 4 tot en met 7: visuele controle.
5. Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
6. De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van het gehandicaptenvoertuig.
7. De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben.
Artikel 5.11.28
Eisen Wijze van keuren
1. Indien het gehandicaptenvoertuig is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen en moeten deugdelijk zijn bevestigd.

§ 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen

Artikel 5.11.29
Eisen Wijze van keuren
1. De stuurinrichting van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast.
3. Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen.
4. Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd.
5. De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het gehandicaptenvoertuig op de wielen rust;
b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend.
In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.11.31
Eisen Wijze van keuren
1. Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een goedwerkende bedrijfsrem die ten minste op de wielen van één as werkt en waarvan de onderdelen: – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. Bij twijfel het remsysteem onder druk zetten. – Onderdeel e: visuele controle.
a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen;
b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken;
d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en
e. remschijven mogen geen ernstige slijtage vertonen.
2. Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. Leden 2 en 3: visuele controle.
3. De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt.
4. Remslangen mogen: – Onderdeel a: visuele controle.
a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en – Onderdeel b: visuele controle, De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht.
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. – Onderdeel c: visuele controle.
5. Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. Visuele controle, waarbij de wielen vrij van de grond met de hand worden rondgedraaid.
6. De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn.
Artikel 5.11.32
Eisen Wijze van keuren
In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden.
Artikel 5.11.38
Eisen Wijze van keuren
Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken. In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd.
Artikel 5.11.39
Eisen Wijze van keuren
Van gehandicaptenvoertuigen moet vanuit de zitpositie van de bestuurder: Visuele controle.
a. de rem of één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, dan wel
b. een afzonderlijke vastzetinrichting kunnen worden bediend.

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

Artikel 5.11.46
Eisen Wijze van keuren
De zitplaats en rugleuning van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd. Visuele controle.
Artikel 5.11.48
Eisen Wijze van keuren
Gehandicaptenvoertuigen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Visuele controle.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.11.51
Eisen Wijze van keuren
Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig. Visuele controle.
Artikel 5.11.54
Eisen Wijze van keuren
De rode retroreflector moet zijn aangebracht aan de linkerzijde van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Visuele controle.
Artikel 5.11.55
Eisen Wijze van keuren
1. De rode retroreflector mag ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De rode retroreflector mag geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden.
3. De rode retroreflector moet zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 127, van toepassing.
Artikel 5.11.57
Eisen Wijze van keuren
1. Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van: Onderdelen a tot en met h: visuele controle.
a. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel;
b. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel;
c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten;
d. één of twee remlichten;
e. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig;
g. één of twee mistachterlichten;
h. één of twee achteruitrijlichten.
2. Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. Visuele controle.
Artikel 5.11.59
Eisen Wijze van keuren
1. De lichten aan de voorzijde, mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 4: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De mistachterlichten en de achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
3. De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
4 De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
Artikel 5.11.59a
Eisen Wijze van keuren
1. De in artikel 5.11.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.11.64
Eisen Wijze van keuren
1. Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van verblindende lichten. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Gehandicaptenvoertuigen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten.
Artikel 5.11.65
Eisen Wijze van keuren
1. Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.11.51 en 5.11.57 is voorgeschreven of toegestaan. Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.
2. Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. Visuele controle.

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.11.71
Eisen Wijze van keuren
1. Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. Leden 1 tot en met 3: visuele en auditieve controle.
2. Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen.
3. Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid.

Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen

Artikel 5.12.0

Een aanhangwagen van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.12.1
Eisen Wijze van Keuren
1. De aanhangwagen moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. Leden 1 en 2: visuele controle, tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 2 en 3, van toepassing.
2. De aanhangwagen moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaat.
3. De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle. De eis aan het goedkeuringsmerk wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
4. Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd. Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van de aanhangwagen staat.
5. Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke structuur zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. Visuele controle.
6. Aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van één of meerdere constructieplaten die goed leesbaar zijn en waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de maximummassa's die op de constructieplaten zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa's die zijn aangegeven in het kentekenregister. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

§ 5. Assen

Artikel 5.12.3
Eisen Wijze van Keuren
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van aanhangwagens mogen: Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
a. geen breuken of scheuren vertonen;
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.
Artikel 5.12.4
Eisen Wijze van Keuren
1. De bovenbouw van aanhangwagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.
Artikel 5.12.5
Eisen Wijze van Keuren
1. De accu van aanhangwagens, indien aanwezig, moet deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
2. De elektrische bedrading van aanhangwagens moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

§ 6. Ophanging

Artikel 5.12.6
Eisen Wijze van Keuren
1. Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, mogen niet langer zijn dan 12,00 m. Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. Artikel 5.1a.1 is van toepassing.
2. In afwijking van het eerste lid, mogen kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m.
3. Van opleggers die na 31 december 1997 in gebruik worden genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,04 m en mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,00 m. Leden 3 tot en met 5: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van overeenkomstige toepassing is.
4. Van opleggers die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,05 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt.
5. In afwijking van het derde lid, mag van kermis- of circusvoertuigen de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 17,50 m.
6. Aanhangwagens mogen niet breder zijn dan 2,55 m, met dien verstande dat aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg, die in gebruik zijn genomen voor 1 februari 1999, niet breder mogen zijn dan 2,60 m. Leden 6 tot en met 8: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is.
7. In afwijking van het zesde lid, mogen:
8. Aanhangwagens mogen niet hoger zijn dan 4,00 m.
9. In de afmetingen, bedoeld in het eerste, derde, zesde, zevende en achtste lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen.
Artikel 5.12.7
Eisen Wijze van Keuren
1. De last onder de assen van aanhangwagens mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten. Bij middenasaanhangwagens, aanhangwagens met een stijve dissel en opleggers mag de last onder de koppeling niet meer bedragen dan in het kentekenregister is vermeld. Leden 1 tot en met 3: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. De totale massa van aanhangwagens mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde toegestane maximummassa.
3. De som van de aslasten van autonome aanhangwagens mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde toegestane maximummassa.

§ 7. Stuurinrichting

Artikel 5.12.9
Eisen Wijze van Keuren
1. Alle onderdelen van brandstofsystemen aan aanhangwagens moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt.
3. De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. Visuele controle.

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.12.18
Eisen Wijze van Keuren
1. De assen van aanhangwagens moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 tot en met 4: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3. De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4. De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.
Artikel 5.12.19
Eisen Wijze van Keuren
1. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. Stofhoezen van de fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Artikel 5.12.20
Eisen Wijze van Keuren
1. De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur.
Artikel 5.12.21
Eisen Wijze van Keuren
De wielbasis van aanhangwagens mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. Aan deze eis is in artikel 5.12.1 reeds getoetst.
Artikel 5.12.24
Eisen Wijze van Keuren
1. De wielen onderscheidenlijk velgen van aanhangwagens mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt en het wiel vrij kan ronddraaien.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.12.26
Eisen Wijze van Keuren
Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

§ 7. Stuurinrichting

Artikel 5.12.27
Eisen Wijze van Keuren
1. Aanhangwagens moeten zijn voorzien van banden waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. De banden van aanhangwagens mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. Leden 2 en 3: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
3. De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4. De profilering van de hoofdgroeven van de banden van aanhangwagens moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is.
5. De banden van aanhangwagens mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van de eerste volzin is naprofileren toegestaan, indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘regroovable’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. De wijze van keuren bij het tweede en derde lid is van toepassing.
6. De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de aanhangwagen. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. Leden 6 en 7: visuele controle.
7. De op de band van een aanhangwagen, in gebruik genomen na 31 december 1997 vermelde loadindex, mag niet kleiner zijn dan de loadindex behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 50, van toepassing.
8. Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
9. De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Artikel 5.12.28
Eisen Wijze van Keuren
1. Aanhangwagens moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.
3. Aanhangwagens die zijn voorzien van gasvering, en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, die zijn voorzien van schroefveren, moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goedwerkende schokdempers. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk verscheidene keren ingeveerd.
4. Schokdempers van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en moeten goed werken. De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing.

§ 3. Motor

Artikel 5.12.29
Eisen Wijze van Keuren
1. De gestuurde wielen van aanhangwagens moeten goed kunnen reageren op het commando van de stuurinrichting van het trekkend voertuig. Leden 1 tot en met 5: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen van de gestuurde assen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.
3. Stofhoezen van de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
4. De onderdelen van het hydraulische besturingssysteem mogen geen lekkage vertonen.
5. De slangen van het hydraulische besturingssysteem mogen: a. geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is, en b. geen bewegende delen raken.
6. De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. – Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van:
a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast;
b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend.
– In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
7. Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Artikel 5.12.30
Eisen Wijze van Keuren
1. De draaikransen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De axiale speling van de draaikransen mag: a. niet meer bedragen dan 3,5 mm; b. niet zodanig zijn dat de draaikranshelften op elkaar inslijten. – Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Het zichtbaar maken van de speling geschiedt op de volgende wijze: a. door middel van een hefboom of koevoet, b. dan wel door het chassis te heffen.
– In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
3. De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikransen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing.

§ 6. Ophanging

Artikel 5.12.31
Eisen Wijze van Keuren
1. Aanhangwagens, met uitzondering van opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle of auditieve controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Bij een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moet, indien mogelijk met de drukluchtremkrachtregelaar(s) in de stand van vol doorsturen, de maximale remdruk snel worden ingestuurd door het rempedaal van het trekkende voertuig snel in te trappen dan wel door druk vanuit een externe bron snel in te sturen. Indien de aanhangwagen is voorzien van een hydraulisch remsysteem en er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem, moet het remsysteem met behulp van het trekkende voertuig onder druk worden gebracht op de wijze, bepaald in artikel 5.3.31, eerste lid, onderdeel d.
– Onderdeel e: visuele controle.
2. Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 55 en 56, van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. – Onderdelen a tot en met c: visuele controle.
3. Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
4. Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien.
5. De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt het wiel rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn.
6. De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. De wijze van keuren bij het derde lid is van toepassing.
7. Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit mogelijk is zonder demontage.
8. De onderdelen van een antiblokkeersysteem: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; Visuele of auditieve controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en
d. mogen geen lekkage vertonen.
9. De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem van aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 2000, mag geen defect aangeven. Leden 9 en 10: visuele en auditieve controle. Wanneer een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven door een controlemiddel aangesloten op de stekker van het systeem, dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel worden de wielen, bijvoorbeeld met een wielspinner, op snelheid gebracht.
10. De waarschuwingsinrichting van het elektronisch remsysteem van aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 2000, mag geen defect aangeven.
11. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1997, met uitzondering van opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de som van de aslasten niet meer bedraagt dan 3.500 kg, moeten zijn voorzien van automatische remstelinrichtingen. Leden 11 en 12: visuele controle.
12. Aanhangwagens waarvan de som van de toegestane aslasten meer dan 750 kg maar niet meer dan 3.500 kg bedraagt, in gebruik genomen na 1 mei 2016, met uitzondering van aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens, mogen niet zijn voorzien van een oploopremsysteem.
Artikel 5.12.35
Eisen Wijze van Keuren
1. Aanhangwagens met een drukluchtremsysteem moeten zijn voorzien van: a. drukmeetpunten waarmee de drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcilinders op iedere as, kunnen worden gemeten, en Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten.
2. Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed functioneren. Visuele controle met behulp van manometers, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. Indien mogelijk wordt de controle ook uitgevoerd wanneer de drukluchtremkrachtregelaar de volle druk doorstuurt. Controle op het goed functioneren kan achterwege blijven, indien een controle is uitgevoerd volgens het derde lid.
3. Aanhangwagens met drukluchtremkrachtregelaars, in gebruik genomen na 30 september 1981, moeten zijn voorzien van een plaat waarop duidelijk leesbaar de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars is vermeld. De vermelde drukluchtremkrachtregelaars moeten aanwezig zijn en moeten globaal zijn afgesteld zoals voor de beladingstoestand van het voertuig is vermeld op de plaat. – Visuele controle op de aanwezigheid, waarbij het merk en type van de drukluchtremkrachtregelaar mag afwijken. – Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast of veerbalgdruk kan worden vastgesteld, vindt de controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld waarbij de afstelling ten hoogste 0,5 bar mag afwijken van de gegevens op de plaat.
De volgende twee afstellingen moeten ten minste worden gecontroleerd:
a. de stand waarin de regelaar zich bevindt behorende bij de vastgestelde aslast, en
b. wanneer de regelaar de volle druk doorstuurt, voor zover dit mogelijk is zonder demontage.
– Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast of veerbalgdruk niet kan worden vastgesteld, vindt een globale controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld.
Bij een niet maximaal belaste as wordt de werking van de regelaar gecontroleerd door:
a. de druk te meten die de regelaar doorstuurt in de stand waarin deze zich dan bevindt;
b. de afstelling te meten van de stand waarin de regelaar de volle druk doorstuurt, voor zover dit mogelijk is zonder demontage.
De onder punt b gemeten druk moet hoger zijn dan de druk vastgesteld onder punt a. Indien de betreffende as nagenoeg maximaal is belast, mag de onder punt b gemeten druk gelijk zijn aan de vastgestelde druk onder a.
4. De ontwateringsventielen van reservoirs moeten goed functioneren. Visuele controle, waarbij het ontwateringsventiel, indien mogelijk, moet worden bediend.
Artikel 5.12.36
Eisen Wijze van Keuren
1. De slag van drukluchtremcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld.
2. De slag van drukluchtremcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan twee derde deel van de maximumslag van de betrokken remcilinder. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.12.38
Eisen Wijze van Keuren
1. Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,0 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
2. Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 31 december 1997 doch voor 1 januari 2012, en opleggers in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
3. Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1998, en opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
4. Aanhangwagens in gebruik genomen voor 1 oktober 1971, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
5. Indien de remkrachten van de aanhangwagen groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten, die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het eerste lid. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
6. De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de bedrijfsrem bedient en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd.
7. De bedrijfsrem moet zodanig werken dat de kans op blokkeren van wielen zo gering mogelijk is. Controle hierop heeft reeds plaatsgevonden op grond van de artikelen 5.12.35, tweede en derde lid, en 5.12.38, zevende lid.
8. Aanhangwagens mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing.
Artikel 5.12.39
Eisen Wijze van Keuren
1. Aanhangwagens, met uitzondering van opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, moeten zijn voorzien van een goedwerkende vastzetinrichting die ten minste op de wielen van één niet hefbare as werkt en door een geheel mechanische overbrenging met de hand in werking kan worden gesteld, ook wanneer het voertuig niet aan een motorvoertuig is verbonden. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de vastzetinrichting wordt bediend.
2. Het eerste lid is niet van toepassing, indien de aanhangwagen: a. is voorzien van een veerrem die ten minste op de wielen van één niet hefbare as werkt en die automatisch in werking treedt bij het ontkoppelen of drukloos maken van het remsysteem, of Leden 2 en 3: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
b. in gebruik is genomen vóór 1 januari 1998 en is voorzien van een hydraulisch dan wel elektrisch bekrachtigd remsysteem en is uitgerust met wielkeggen.
3. In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, mag de veerrem werken op een hefbare as, mits deze as automatisch op het wegdek zakt wanneer de veerrem wordt geactiveerd.
Artikel 5.12.40
Eisen Wijze van Keuren
1. Bij het verbreken van de verbinding tussen de aanhangwagen en het trekkende voertuig moet de reminrichting van de aanhangwagen automatisch in werking treden. Visuele controle, terwijl de luchtslang van de voorraad tussen het trekkende voertuig of een andere externe bron en de aanhangwagen wordt losgenomen.
2. Bij het koppelen van de reminrichting van de aanhangwagen aan die van het trekkende voertuig moet de reminrichting van de aanhangwagen automatisch in de bedrijfstoestand komen. Visuele controle. Indien een losknop aanwezig is, moet deze, nadat de luchtslang van de voorraad is losgekoppeld, eerst worden bediend en moet vervolgens de luchtslang van de voorraad worden aangesloten. Hierbij moet de losknop terugkeren in zijn oorspronkelijke stand.
3. De in het eerste en tweede lid gestelde eisen gelden niet voor middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel met een toegestane maximummassa van ten hoogste 1.500 kg. Leden 3 en 4: visuele controle.
4. Indien de aanhangwagen is voorzien van een losbreekreminrichting, moet deze goed functioneren.

§ 5. Assen

Artikel 5.12.41
Eisen Wijze van Keuren
Het slot en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen van aanhangwagens moeten een goede sluiting waarborgen. Visuele controle, waarbij de deuren en laadbakkleppen worden geopend en gesloten.
Artikel 5.12.48
Eisen Wijze van Keuren
1. Aanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van aanhangwagens die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3. Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten.
4. De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. Op aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1974 is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 102 tot en met 106c, van toepassing. Leden 4 tot en met 6: visuele controle.
5. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 107 tot en met 111, van toepassing.
6. Geen deel aan de buitenzijde van de aanhangwagen mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
Artikel 5.12.49
Eisen Wijze van Keuren
1. Aanhangwagens die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een deugdelijke stootbalk, indien de afstand van de onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen van het koetswerk op een afstand van meer dan 1,00 m achter het hart van de achterste as, meer bedraagt dan 0,70 m, dan wel meer bedraagt dan 0,55 m, indien het voertuig na 31 december 1997, in gebruik is genomen. Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op vuilniswagens met een laadmogelijkheid aan de achterzijde, dolly’s en asfaltwagens.
3. De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor aanhangwagens, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1998, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor aanhangwagens, in gebruik genomen na 31 december 1997, niet meer bedragen dan 0,55 m. Leden 3 tot en met 6: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
4. Indien de aanhangwagen in gebruik is genomen na 31 december 2004, mag de stootbalk niet meer dan 0,45 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. In afwijking van de eerste volzin, mag de stootbalk bij aanhangwagens ingericht als betonmolen, betonmixer of betonpomp niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen.
5. Indien de aanhangwagen in gebruik is genomen na 30 juni 1967 en voor 1 januari 2005, mag de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten.
6. De stootbalk mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan: a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten. In afwijking van het bepaalde in de aanhef, mag de stootbalk bij aanhangwagens bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken aan weerszijden niet meer dan 0,20 m smaller zijn.
7. De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. Leden 7 en 8: visuele controle.
8. De uiteinden van de stootbalk mogen niet naar achteren zijn omgebogen.

§ 7. Stuurinrichting

Artikel 5.12.51
Eisen Wijze van Keuren
Aanhangwagens moeten zijn voorzien van: – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
a. twee stadslichten indien het voertuig breder is dan 1,60 m en na 30 juni 1967 in gebruik is genomen; – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
b. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; c. twee achterlichten; – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
d. twee remlichten; – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
e. achterkentekenplaatverlichting – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
f. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
g. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; het mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 is gebruik is genomen; – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
i. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing;
j. twee markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m;
k. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122 van toepassing;
l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 2012 in gebruik is genomen;
m. lijnmarkering aan de achterzijde, indien het voertuig breder is dan 2,10 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de som van de toegestane aslasten meer bedraagt dan 3.500 kg; hierbij is bijlage VIII, artikel 153, van toepassing;
n. lijnmarkering aan de zijkant, indien het voertuig langer is dan 6,00 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de som van de toegestane aslasten meer bedraagt dan 3.500 kg; hierbij is bijlage VIII, artikel 153, van toepassing.
Artikel 5.12.53
Eisen Wijze van Keuren
1. De stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 6: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De richtingaanwijzers en de remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
3. De achterlichten en de mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4. De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
5. De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen.
6. De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen.
7. De lijn- of contourmarkering aan de zijkant is wit of geel. De lijn- of contourmarkering aan de achterzijde is rood, wit of geel. Visuele controle.
Artikel 5.12.55
Eisen Wijze van Keuren
1. De in artikel 5.12.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
4. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing.
5. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
6. De in artikel 5.12.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten.
7. De in artikel 5.12.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. Visuele controle.
Artikel 5.12.57
Eisen Wijze van Keuren
1. Aanhangwagens mogen zijn voorzien van: – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met r: visuele controle
a. twee extra achterlichten; – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met r: visuele controle
b. extra achteruitrijlichten; – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met r: visuele controle
c. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig; – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met r: visuele controle
d. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met r: visuele controle
e. twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge artikel 5.12.51 verplicht zijn; – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met r: visuele controle
f. twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.12.51 verplicht zijn; – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met r: visuele controle
g. twee staaklichten;
h. één extra mistachterlicht;
i. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.12.51 verplicht zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing;
j. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig indien deze niet reeds ingevolge artikel 5.12.51 verplicht zijn;
k. werklichten;
l. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat:
m. in afwijking van onderdeel l mogen twee extra remlichten worden aangebracht;
n. een lampje aan de voorzijde van het voertuig dat de werking van het antiblokkeer- of besturingssysteem aangeeft;
o. twee stadslichten;
p. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg;
q. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering aan de zijkant van het voertuig en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig, voor zover deze niet reeds ingevolge artikel 5.12.51 verplicht is. Hierbij is bijlage VIII, artikel 153 van toepassing;
r. lijnmarkering aan de voorkant. Hierbij is bijlage VIII, artikel 153, van toepassing.
2. Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel 5.12.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.12.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen. Zijmarkeringslichten moeten voldoen aan het bepaalde in onderdeel i van het eerste lid. Leden 2 en 3: visuele controle.
3. Aanhangwagens mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn.
4. De extra achteruitrijlichten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, mogen aan de zijkant van het voertuig zijn gemonteerd. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.12.58
Eisen Wijze van Keuren
1. Aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen voeren zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Lid 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers of tekens.
Artikel 5.12.59
Eisen Wijze van Keuren
1. De achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
3. De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen.
4. De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit stralen en naar achteren niet anders dan rood stralen.
5. Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen.
6. De markering aan de achterzijde moet bestaan uit één rechthoekig bord, dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van een rood fluorescerende omranding op een geel retroreflecterende achtergrond. Visuele controle.
7. De lijn- en contourmarkering aan de zijkant is wit of geel. De lijn- en contourmarkering aan de achterzijde is rood, wit of geel. De lijnmarkering aan de voorzijde is wit. Visuele controle.
Artikel 5.12.59a
Eisen Wijze van Keuren
1. De in artikel 5.12.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing.
4. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.12.61
Eisen Wijze van Keuren
1. Bij aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.12.51 en 5.12.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover de aanhangwagen in gebruik is genomen na 31 december 1997. Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, moeten de stadslichten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig.
3. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de markering aan de achterzijde van het voertuig, mistachterlichten en werklichten.
Artikel 5.12.64
Eisen Wijze van Keuren
1. Aanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, de waarschuwingsknipperlichten en de remlichten ten behoeve van het noodstopsignaal, niet zijn voorzien van knipperende lichten. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. In afwijking van het eerste lid, mogen de zijmarkeringslichten van aanhangwagens synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig knipperen.
Artikel 5.12.65
Eisen Wijze van Keuren
1. Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.12.51, 5.12.57 en 5.12.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.
2. Aanhangwagens niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.12.66
Eisen Wijze van Keuren
1. De koppeling en de trekinrichting van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De trekinrichting van een autonome aanhangwagen alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van verschijnselen van corrosie van het oppervlak. Leden 2 en 3: visuele controle.
3. De trekinrichting van een middenasaanhangwagen of aanhangwagen met een stijve dissel alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen door corrosie niet overmatig zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2 afdeling 1, 2 en 3 van toepassing.
4. De trekinrichting van een autonome aanhangwagen mag niet zodanig zijn vervormd dat een langsbeen, gemeten over een afstand van 0,90 m, een uitwijking heeft van meer dan 18 mm ten opzichte van de rechte lijn. De trekinrichting van een middenasaanhangwagen of aanhangwagen met een stijve dissel mag niet overmatig zijn vervormd. Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei gemeten.
5. Aanhangwagens waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 1.500 kg en die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van een hulpkoppeling. De hulpkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet vervormd, gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. Leden 5 tot en met 7: visuele controle.
6. Aanhangwagens die zijn voorzien van een losbreekreminrichting, mogen niet tevens zijn voorzien van een hulpkoppeling.
7. Delen van de koppeling van aanhangwagens mogen tijdens het ontkoppelen, het losbreken of in afgekoppelde toestand het wegdek niet kunnen raken.
Artikel 5.12.67
Eisen Wijze van Keuren
Indien de aanhangwagen is voorzien van een kogelkoppeling: a. moet de sluit- en borginrichting goed functioneren, en b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd. Visuele controle, waarbij de sluit- en borginrichting met behulp van een koppelingskogel wordt gecontroleerd.
Artikel 5.12.68
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 40 mm: a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 41,5 mm bedragen, en b. moet de dikte van het trekoog ten minste 28,0 mm bedragen. Leden 1 tot en met 3: – Onderdelen a: er wordt in alle richtingen gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber. – Onderdelen b: ter plaatse van de slijtagevlakken wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 50 mm:
a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 52,5 mm bedragen, en
b. moet de dikte van het trekoog ten minste 41,5 mm bedragen.
3. Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 57,5 mm:
a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 59,5 mm bedragen, en
b. moet de dikte van het trekoog ten minste 19 mm bedragen.
4. Het trekoog mag: a. niet zijn vervormd of gescheurd; b. niet zijn voorzien van een ingelaste trekoogbus; c. niet zijn hersteld door middel van lassen of oplassen. Visuele controle.
Artikel 5.12.69
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 2 inch: a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 49,0 mm bedragen, en Leden 1 en 2: er wordt gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber, waarbij het meetgedeelte van het gereedschap ter plaatse van de koppelingspen ten minste 2 mm en ten hoogste 4 mm dik is.
b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 70,0 mm bedragen.
2. Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 3,5 inch:
a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 86,0 mm bedragen, en
b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 110,0 mm bedragen.
3. De plaat van de opleggerkoppeling mag niet in ernstige mate zijn vervormd of ingesleten. Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 2 inch of 3,5 inch, mag binnen een straal van 0,45 m gemeten vanuit het hart van de koppelingspen, de onvlakheid van de koppelingsplaat niet meer dan 5 mm bedragen. Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen en zo dicht mogelijk bij de koppelingspen gemeten.
4. De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de plaat van de opleggerkoppeling mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle.
Artikel 5.12.70
Eisen Wijze van Keuren
1. Op aanhangwagens die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van voertuigen dan bedoeld in de artikelen 5.12.67 tot en met 5.12.69, zijn de artikelen 5.3.66, 5.3.67, 5.3.68 en 5.3.69 van overeenkomstige toepassing. De wijze van keuren bij de artikelen 5.3.66, 5.3.67, 5.3.68 en 5.3.69, is van overeenkomstige toepassing.
2. De achtertraverse van deze aanhangwagens, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

Afdeling 9. Fietsen

Artikel 5.13.0

Een aanhangwagen van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.13.1
Eisen Wijze van keuren
1. Aanhangwagens in gebruik genomen na 29 oktober 2012, moeten zijn voorzien van een voertuigidentificatienummer dat in het chassis, frame of soortgelijke structuur is ingeslagen, welk nummer goed leesbaar is. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Aanhangwagens in gebruik genomen na 29 oktober 2012, moeten zijn goedgekeurd en zijn voorzien van een constructieplaat waarop de volgende gegevens zijn vermeld:
a. de naam van de fabrikant;
b. indien typegoedgekeurd, het typegoedkeuringsnummer van het voertuig;
c. het voertuigidentificatienummer, en
d. de technische toegestane maximummassa en aslasten.

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.13.3
Eisen Wijze van keuren
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van aanhangwagens mogen: Onderdelen a en b: visuele controle.
a. geen breuken of scheuren vertonen, en
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
Artikel 5.13.4
Eisen Wijze van keuren
1. De bovenbouw van aanhangwagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn.
Artikel 5.13.5
Eisen Wijze van keuren
1. De accu van aanhangwagens, indien aanwezig, moet deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De elektrische bedrading van aanhangwagens moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.

§ 6. Ophanging

Artikel 5.13.6
Eisen Wijze van keuren
Aanhangwagens mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. Visuele controle. De aanhangwagens worden in geval van twijfel gemeten. Artikel 5.1a.1 is van toepassing. Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken.

§ 6. Ophanging

Artikel 5.13.9
Eisen Wijze van keuren
1. Alle onderdelen van brandstofsystemen van aanhangwagens moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen.
2. Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt.
3. De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. Visuele controle.

§ 9. Carrosserie

Artikel 5.13.18
Eisen Wijze van keuren
1. De assen van aanhangwagens moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3. De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4. De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd.
Artikel 5.13.20
Eisen Wijze van keuren
1. De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur.
Artikel 5.13.24
Eisen Wijze van keuren
1. De wielen onderscheidenlijk velgen van aanhangwagens mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.

§ 6. Ophanging

Artikel 5.13.27
Eisen Wijze van keuren
1. Aanhangwagens moeten zijn voorzien van banden waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De banden van aanhangwagens mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.
3. De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4. De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is.
5. De banden van aanhangwagens mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. Leden 5 tot en met 8: visuele controle.
6. Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
7. De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van de aanhangwagen.
8. De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben.
Artikel 5.13.28
Eisen Wijze van keuren
1. Indien de aanhangwagen is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd.
3. Aanhangwagens die zijn voorzien van schroefveren moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. Visuele controle, waarbij de aanhangwagen zo mogelijk verscheidene keren wordt ingeveerd.
4. Schokdempers van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.

§ 7. Stuurinrichting

Artikel 5.13.31
Eisen Wijze van keuren
1. Indien de aanhangwagen is voorzien van een reminrichting, moet deze zodanig werken dat het voertuig ten gevolge van de remwerking geen zijwaartse bewegingen maakt. Bij twijfel wordt een remproef uitgevoerd.
2. Indien de aanhangwagen is voorzien van een reminrichting: – Onderdelen a, b en c: visuele controle.
a. moeten de onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; – Onderdeel d: visuele controle bij twijfel moet het remsysteem met behulp van het trekkende voertuig onder druk worden gebracht.
b. mogen de onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; – Onderdeel e: visuele controle.
c. mogen de onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast;
d. mogen de onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en
e. mogen de remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat.
3. Remslangen mogen: Visuele controle.
a. niet in ernstige mate zijn misvormd;
b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en
c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
4. Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien.
5. De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. Visuele controle, terwijl de wielen zich vrij van de grond bevinden. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn.
6. De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. Visuele controle.

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.13.41
Eisen Wijze van keuren
Het slot en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen van aanhangwagens moeten een goede sluiting waarborgen. Visuele controle, waarbij de deuren en laadbakkleppen worden geopend en gesloten.
Artikel 5.13.48
Eisen Wijze van keuren
1. Aanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van aanhangwagens die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten.
4. De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens moeten goed zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. Leden 4 en 5: visuele controle.
5. Geen deel van de buitenzijde van de aanhangwagen mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
Artikel 5.13.50
Eisen Wijze van keuren
Aanhangwagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat. Visuele controle.

§ 12. Diversen

Artikel 5.13.51
Eisen Wijze van keuren
1. Aanhangwagens moeten zijn voorzien van: – Onderdelen a tot en met i: visuele controle.
a. twee stadslichten indien het voertuig breder is dan 1,60 m; – Onderdelen j en k: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten.
b. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig;
c. twee achterlichten;
d. twee remlichten;
e. achterkentekenplaatverlichting;
f. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;
g. één mistachterlicht in of links van het middenlangsvlak van het voertuig;
h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
i. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn;
j. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig breder is dan 2,10 m;
k. zijmarkeringslichten indien het voertuig langer is dan 6,00 m.
2. Het eerste lid, onderdeel g, is niet van toepassing op een aanhangwagen die wordt getrokken door een voertuig dat niet is voorzien van een mistachterlicht. Visuele controle.
Artikel 5.13.53
Eisen Wijze van keuren
1. De stadslichten mogen niet anders dan wit stralen. Leden 1 tot en met 6: visuele controle.
2. De richtingaanwijzers en de remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
3. De achterlichten en het mistachterlicht mogen niet anders dan rood stralen.
4. De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
5. De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
6. De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen.
Artikel 5.13.54
Eisen Wijze van keuren
1. De stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig voor de eerste as zijn aangebracht: Leden 1 tot en met 9: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten.
a. op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, en
c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
2. De richtingaanwijzers moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, en
c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de richtingaanwijzers op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
3. De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en
c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de achterlichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
4. De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en
b. op een hoogte van niet minder dan 0, 25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de remlichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
5. De rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en
c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek.
6. Het mistachterlicht moet zijn aangebracht:
a. op ten minste 0,10 m afstand van de remlichten, en
b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek.
7. De witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig moeten voor de eerste as zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand van niet minder dan 0,60 m dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en
c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht.
8. De ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig moeten:
a. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m evenwijdig aan het middenlangsvlak boven het wegdek zijn aangebracht. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht;
b. zodanig zijn aangebracht dat:
1°. één retroreflector zich bevindt in het middelste derde gedeelte van de aanhangwagen;
2°. de onderlinge afstand tussen de retroreflectoren niet meer dan 3,00 m bedraagt;
3°. de afstand van de voorste retroreflector tot de voorzijde van de aanhangwagen niet meer dan 3,00 m bedraagt;
4°. de afstand van de achterste retroreflector tot de achterzijde van de aanhangwagen niet meer dan 1,00 m bedraagt, waarbij het voertuiggedeelte boven de 2,00 m buiten beschouwing wordt gelaten in de afstand tot de achterzijde.
9. De zijmarkeringslichten moeten zijn aangebracht:
a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt;
b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en
c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks voor de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de zijmarkeringslichten op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht.
10. De markeringslichten moeten zijn aangebracht: a. zo hoog mogelijk boven het wegdek; b. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig. Visuele controle.
Artikel 5.13.55
Eisen Wijze van keuren
1. De in artikel 5.13.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
4. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
5. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijk kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
6. De in artikel 5.13.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Leden 6 en 7: visuele controle.
7. De in artikel 5.13.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden.
Artikel 5.13.57
Eisen Wijze van keuren
1. Aanhangwagens mogen zijn voorzien van: Onderdelen a tot en met k: visuele controle.
a. twee stadslichten, indien het voertuig niet breder is dan 1,60 m;
b. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge artikel 5.13.51 verplicht zijn;
c. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.13.51 verplicht zijn;
d. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.13.51 verplicht zijn
e. één of twee achteruitrijlichten;
f. werklichten;
g. één derde remlicht;
h. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig;
i. twee staaklichten;
j. één of twee mistachterlichten.
2. Aanhangwagens mogen zijn voorzien van: Visuele controle.
a. extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde;
b. extra rode retroreflecterende voorzieningen aan de achterzijde, en
c. extra retroreflecterende voorzieningen aan de zijkanten van het voertuig, welke ambergeel moeten zijn, met uitzondering van de achterste zijreflector, welke rood mag zijn.
Artikel 5.13.58
Eisen Wijze van keuren
1. Aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens.
Artikel 5.13.59
Eisen Wijze van keuren
1. De markeringslichten en de staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
3. De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen.
4 De extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen.
5. De mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
Artikel 5.13.59a
Eisen Wijze van keuren
1. De in artikel 5.13.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.13.60
Eisen Wijze van keuren
1. De achteruitrijlichten mogen niet lager dan 0,25 m en niet hoger dan 1,20 m boven het wegdek zijn aangebracht. Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten.
2. De markeringslichten moeten zijn aangebracht: Visuele controle.
a. zo hoog mogelijk boven het wegdek, en
b. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig.
3. Het mistachterlicht of de mistachterlichten moeten zijn aangebracht: Leden 3 tot en met 6: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten.
a. op ten minste 0,10 m afstand van de remlichten, en
b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek.
Indien slechts één mistachterlicht aanwezig is, moet dit licht links van het middenlangsvlak van het voertuig zijn aangebracht.
4. De zijmarkeringslichten moeten zijn aangebracht:
a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt;
b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en
c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de zijmarkeringslichten op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht.
5. Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.13.51, eerste lid, onderdeel d.
6. De stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig voor de eerste as zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, en
c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
Artikel 5.13.64
Eisen Wijze van keuren
Aanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, de waarschuwingsknipperlichten en de remlichten ten behoeve van het noodstopsignaal, niet zijn voorzien van knipperende lichten. Visuele controle.
Artikel 5.13.65
Eisen Wijze van Keuren
1. Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.13.51, 5.13.57 en 5.13.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.
2. Aanhangwagens niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. Visuele controle.

§ 6. Ophanging

Artikel 5.13.66
Eisen Wijze van keuren
1. De koppeling van aanhangwagens moet zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 129, van toepassing. Leden 1 tot en met 6: visuele controle.
2. De koppeling en de trekdriehoek of trekboom van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, ernstig vervormd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn.
3. De trekdriehoek of trekboom mag niet zijn doorgeroest.
4. Aanhangwagens die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van een hulpkoppeling. De hulpkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet vervormd, gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn.
5. Aanhangwagens die zijn voorzien van een losbreekreminrichting, mogen niet tevens zijn voorzien van een hulpkoppeling.
6. Delen van de koppeling van aanhangwagens mogen tijdens het ontkoppelen, het losbreken of in afgekoppelde toestand het wegdek niet kunnen raken.
Artikel 5.13.67
Eisen Wijze van keuren
Indien de aanhangwagen is voorzien van een kogelkoppeling: a. moet de sluit- en borginrichting goed functioneren, en b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd. Visuele controle, waarbij de sluit- en borginrichting met behulp van de koppelingskogel wordt gecontroleerd.

Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg

Artikel 5.14.0
1.

Een landbouw- of bosbouwaanhangwagen en een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk achter een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, moeten voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

2.

In afwijking van het eerste lid, moet een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk dat niet om een verticale as kan draaien ten opzichte van het trekkende voertuig, voldoen aan het bepaalde in afdeling 18.

§ 4. Krachtoverbrenging

Artikel 5.14.3
Eisen Wijze van keuren
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Visuele controle.
Artikel 5.14.4
Eisen Wijze van keuren
1. De bovenbouw moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn.
Artikel 5.14.5
Eisen Wijze van keuren
1. De accu, indien aanwezig, moet deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De elektrische bedrading moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.

§ 5. Assen

Artikel 5.14.6
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens, niet zijnde opleggers, mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, dan wel niet breder dan 3,00 m indien de breedtevermeerdering het gevolg is van de montage van bredere banden of dubbellucht banden en de daarvoor noodzakelijk aangebrachte wielafscherming en markering. Uitrusting breder dan 2,55 m vallende binnen het breedste punt van de banden wordt niet in aanmerking genomen, indien deze te demonteren is en niet leidt tot extra laadruimte; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. – Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken.
2. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, mogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens in gebruik genomen vóór 1 januari 2022 niet breder zijn dan 3,00 m. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is.
3. In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen.
4. Verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. – Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken.
5. Van landbouw- of bosbouwaanhangwagens, zijnde opleggers, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,17 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt en mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,12 m. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van overeenkomstige toepassing is.
Artikel 5.14.7
Eisen Wijze van keuren
1. De totale massa, de som van de aslasten, de last onder de assen en de last onder de koppeling van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister vermelde technisch toegestane maximummassa’s. Indien deze massa’s niet geregistreerd zijn, mogen ze niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig op de constructieplaat vermelde technisch toegestane maximummassa’s. Leden 1 tot en met 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen.
2. Indien van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen die of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk dat in gebruik genomen is na 30 juni 2021, de technisch toegestane maximummassa’s niet met behulp van het eerste lid kunnen worden vastgesteld, geldt voor dit voertuig een technisch toegestane maximummassa van 750 kg.
3. Indien er geen constructieplaat aanwezig is en het voertuig in gebruik is genomen vóór 1 januari 2018, geldt dat de totale last onder de wielen op één aslijn niet meer mag bedragen dan 10.000 kg.

§ 6. Ophanging

Artikel 5.14.9
Eisen Wijze van keuren
1. Alle onderdelen van brandstofsystemen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen.
2. De brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas, wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact ingeschakeld moet zijn.
3. De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. Visuele controle.

§ 3. Brandstofsystemen

Artikel 5.14.18
Eisen Wijze van keuren
1. De assen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3. De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4. De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd.
Artikel 5.14.19
Eisen Wijze van keuren
1. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels moeten deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels, alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging, mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats.
Artikel 5.14.20
Eisen Wijze van keuren
1. De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur.
Artikel 5.14.24
Eisen Wijze van keuren
1. De wielen onderscheidenlijk velgen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij het wiel vrij kan ronddraaien.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.14.26
Eisen Wijze van keuren
Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Visuele controle.

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.14.27
Eisen Wijze van keuren
1. De banden moeten zijn voorzien van een loopvlak dat niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
3. De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
4. De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
5. De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is.
6. De last onder de band mag niet groter zijn dan de op de banden vermelde loadindex. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 50, van overeenkomstige toepassing. Bij twijfel wordt het voertuig gewogen.
7. Het op de banden vermelde snelheidscategoriesymbool van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik genomen na 31 december 2020 moet verenigbaar zijn met de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 50a, van toepassing. Visuele controle.
8. Het zesde en zevende lid zijn niet van toepassing indien tijdelijk andere banden zijn gemonteerd en de last respectievelijk snelheid ten opzichte van de op de banden aangebrachte loadindex en rijsnelheid niet wordt overschreden.
Artikel 5.14.28
Eisen Wijze van keuren
1. De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken, ernstige lekkage of scheuren vertonen, mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die zijn voorzien van gasvering of schroefveren, moeten zijn voorzien van schokdempers die deugdelijk zijn bevestigd en goed werken.
Artikel 5.14.30
Eisen Wijze van keuren
1. De draaikransen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Visuele controle.
2. De axiale speling van de draaikransen mag: a. niet meer bedragen dan 3,5 mm; b. niet zodanig zijn dat de draaikranshelften op elkaar inslijten. Visuele controle. Het zichtbaar maken van de speling geschiedt: a. door middel van een hefboom of koevoet, of b. door het chassis te heffen. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
3. De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikransen, mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Visuele controle.

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.14.31
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een massa in rijklare toestand van meer dan 3.500 kg, moeten zijn voorzien van een goed werkende reminrichting. Leden 1 tot en met 7: visuele controle. In geval van twijfel omtrent de massa, wordt het voertuig gewogen.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten landbouw- of bosbouwaanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 2017 en met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van meer dan 1.500 kg, zijn voorzien van een goed werkende reminrichting.
3. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik genomen na 31 december 2017 en met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van meer dan 3.500 kg, zijn voorzien van een goed werkende reminrichting.
4. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h en met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van meer dan 750 kg, zijn voorzien van een goed werkende reminrichting.
5. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van meer dan 8.000 kg, zijn voorzien van een tweeleidingremsysteem, tenzij deze voertuigen in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 2018 en een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 40 km/h hebben.
6. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik genomen na 31 december 2017 mogen niet zijn voorzien van een éénleidingremsysteem.
7. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van meer dan 3.500 kg, zijn voorzien van een antiblokkeersysteem tenzij deze voertuigen in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 2018 en een maximumconstructiesnelheid van meer dan 60 km/h hebben.
8. De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem van aanhangwagens mag geen defect aangeven. Leden 8 en 9: visuele en auditieve controle. Wanneer een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven door een controlemiddel aangesloten op de stekker van het systeem, dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel worden de wielen, bijvoorbeeld met een wielspinner, op snelheid gebracht.
9. De waarschuwingsinrichting van het elektronisch remsysteem van aanhangwagens mag geen defect aangeven.
10. Indien landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken zijn voorzien van een reminrichting: a. moeten de onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen de onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing; c. mogen de onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. mogen de onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; en e. mogen de remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat kans op breuk ontstaat. – Onderdeel a tot en met c: visuele controle. – Onderdelen d en e: visuele controle. In geval van twijfel wordt het remsysteem met behulp van het trekkende voertuig onder druk gezet.
11. Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren; en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. Visuele controle.
12. Remleidingen mogen geen knikken vertonen. Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt.
13. Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien.
14. De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn.
15. De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. Leden 15 tot en met 17: visuele controle.
16. Indien de oplooprem is voorzien van een automatische blokkering ten behoeve van het achteruitrijden, moet deze goed werken.
17. De onderdelen van een antiblokkeersysteem: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd, gebroken; en d. mogen geen lekkage vertonen.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.14.41
Eisen Wijze van keuren
Het slot en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen moeten een goede sluiting waarborgen. Visuele controle, waarbij de deuren en laadbakkleppen worden geopend en gesloten.
Artikel 5.14.48
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
4. De wielen onderscheidenlijk banden mogen niet aanlopen. Leden 4 tot en met 7: visuele controle.
5. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h moeten boven de wielen een afscherming hebben die ten minste twee derde deel van de totale breedte van de band afdekt.
6. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens waarvan de som van de technisch toegestane maximummassa’s per as meer dan 3.500 kg bedraagt, met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h en in gebruik genomen na 31 december 2017, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 110, van overeenkomstige toepassing, met uitzonderling van het eerste lid, aanhef en onderdeel f.
7. Geen deel van de buitenzijde van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

Artikel 5.14.51
Eisen Wijze van keuren
Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken moeten zijn voorzien van: a. twee stadslichten indien het voertuig breder is dan 1,60 m en een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h heeft; b. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; c. twee achterlichten; d. twee remlichten; e. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; f. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; g. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; h. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 januari 2017; i. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 tot en met 133, gestelde eisen, indien het voertuig breder is dan 2,55 m en in gebruik is genomen na 31 december 2017; j. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien het voertuig aan de achterzijde niet is voorzien van een kentekenplaat; k. zijmarkeringslichten indien het een landbouw- of bosbouwaanhangwagen betreft met de voertuigclassificatie R3 of R4, die langer is dan 4,60 m en in gebruik is genomen na 31 december 2021. Onderdeel a: visuele controle, ingeval van twijfel wordt gemeten. Onderdelen b tot en met h: visuele controle. Onderdeel i: visuele controle, ingeval van twijfel wordt gemeten. Onderdelen j en k: visuele controle.
Artikel 5.14.53
Eisen Wijze van keuren
1. De stadslichten mogen niet anders dan wit of geel licht uitstralen. Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De richtingaanwijzers en remlichten mogen niet anders dan ambergeel of rood stralen.
3. De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
4. De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit licht uitstralen en mag niet naar achteren uitstralen.
5. De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel licht uitstralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood licht mag uitstralen.
Artikel 5.14.54
Eisen Wijze van keuren
1. De stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht: Leden 1 tot en met 7 visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten.
a. op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, en
c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
2. De richtingaanwijzers moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, en
c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de richtingaanwijzers op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
3. De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en
c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de achterlichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
4. De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en
b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de remlichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht.
5. De rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en
c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek; indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,20 m boven het wegdek zijn aangebracht.
6. De witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig moeten zijn aangebracht:
a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig;
b. op een onderlinge afstand van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en
c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht.
7. De ambergele retroreflectoren aan elke zijkant en het voertuig moeten:
a. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht;
b. zodanig zijn aangebracht dat:
1°. één retroreflector zich bevindt in het middelste derde gedeelte van de aanhangwagen;
2°. de onderlinge afstand tussen de retroreflectoren niet meer dan 3,00 m bedraagt;
3°. de afstand van de voorste retroreflector tot de voorzijde van de aanhangwagen niet meer dan 3,00 m;
4°. de afstand van de achterste retroreflector tot de achterzijde van de aanhangwagen niet meer dan 1,00 m bedraagt, waarbij het voertuiggedeelte boven de 2,00 m buiten beschouwing wordt gelaten in de afstand tot de achterzijde.
8. De markeringslichten moeten zijn aangebracht: a. zo hoog mogelijk boven het wegdek, en b. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig. Visuele controle.
Artikel 5.14.55
Eisen Wijze van keuren
1. De in artikel 5.14.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
4. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing.
5. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
6. De in artikel 5.14.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Leden 6 en 7: visuele controle.
7. De in artikel 5.14.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden.
Artikel 5.14.57
Eisen Wijze van keuren
Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen zijn voorzien van: a. twee stadslichten, indien deze verlichting niet reeds op grond van artikel 5.14.51, eerste lid, aanhef en onderdeel a, verplicht is; b. twee extra achterlichten; c. één of twee extra remlichten; d. één of twee achteruitrijlichten; e. één of twee mistachterlichten; f. twee extra rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; g. twee extra witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; h. extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig; de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; i. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig; j. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; k. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig; l. zijmarkeringslichten; m. lijn- of contourmarkering aan de zijkant en achterzijde van het voertuig; n. twee staaklichten; o. werklichten; p. een licht aan de voorzijde van het voertuig dat de werking van het antiblokkeer- of besturingssysteem aangeeft; q. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 januari 2021; r. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 tot en met 133, gestelde eisen; s. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien deze retroreflector niet reeds op grond van artikel 5.14.51, eerste lid, aanhef en onderdeel j, verplicht is. Visuele controle.
Artikel 5.14.59
Eisen Wijze van keuren
1. De stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 8: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De achterlichten en mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
3. De extra richtingaanwijzers en de waarschuwingslichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen.
4. De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen.
5. De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen.
6. De remlichten mogen niet anders dan rood stralen.
7. De lijn- of contourmarkering aan de zijkant is wit of geel. De lijn- of contourmarkering aan de achterzijde is rood, wit of geel.
8. De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
Artikel 5.14.59a
Eisen Wijze van keuren
1. De in artikel 5.14.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing.
4. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.14.60
Eisen Wijze van keuren
1. De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
2. Op de stadslichten en markeringslichten is artikel 5.14.54, eerste lid, onderscheidenlijk achtste lid, van toepassing. Visuele controle.
3. Mistachterlicht of de mistachterlichten moeten zijn aangebracht: Leden 3 tot en met 5: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
a. op ten minste 0,10 m afstand van de remlichten, en
b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek.
Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst.
4. Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.13.51, eerste lid, onderdeel d. Indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd mogen twee extra remlichten worden aangebracht.
5. De zijmarkeringslichten moeten zijn aangebracht:
a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt;
b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en
c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de zijmarkeringslichten op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht.
Artikel 5.14.64
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen, met uitzondering van werklichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten en remlichten ten behoeve van het noodstopsignaal, niet zijn voorzien van knipperende lichten.
3. In afwijking van het tweede lid, mogen de zijmarkeringslichten van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig knipperen.
Artikel 5.14.65
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.14.51, 5.14.57 en 5.14.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.
2. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. Visuele controle.

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.14.66
Eisen Wijze van keuren
1. De koppeling en trekinrichting moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig zijn gesleten. Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt.
2. De trekdriehoek, alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van verschijnselen van corrosie van het oppervlak. Leden 2 en 3: visuele controle.
3. De dissel, alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.
4. De trekdriehoek mag niet zodanig zijn vervormd dat een langsbeen, gemeten over een afstand van 0,90 m, een uitwijking heeft van meer dan 18 mm ten opzichte van de rechte lijn. Een dissel mag niet overmatig zijn vervormd. Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei gemeten.
5. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h en met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van niet meer dan 3.500 kg, die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van een hulpkoppeling, indien deze aanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken voertuigen worden gekoppeld door middel van één koppelpunt. Leden 5 tot en met 8: visuele controle.
6. De hulpkoppeling, bedoeld in het vijfde lid, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet vervormd, gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn.
7. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die zijn voorzien van een losbreekreminrichting, mogen niet tevens zijn voorzien van een hulpkoppeling.
8. Delen van de koppeling van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen tijdens het ontkoppelen, het losbreken of in afgekoppelde toestand het wegdek niet kunnen raken.
Artikel 5.14.67
Eisen Wijze van keuren
Indien landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken zijn voorzien van een koppeling: a. moet de sluit- en borginrichting goed werken, en b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd. Visuele controle.

Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen

Artikel 5.15.0

Een motorfietsaanhangwagen en een bromfietsaanhangwagen moeten voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

§ 6. Ophanging

Artikel 5.15.2
Eisen Wijze van keuren
1. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen slechts éénassig zijn. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Bij éénwielige motorfietsaanhangwagens en éénwielige bromfietsaanhangwagens moet het wiel zodanig zijn bevestigd dat het uitsluitend draaibaar is om de eigen horizontale as.
Artikel 5.15.3
Eisen Wijze van keuren
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie mogen: Visuele controle.
a. geen breuken of scheuren vertonen, en
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht.
Artikel 5.15.4
Eisen Wijze van keuren
1. De bovenbouw moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn.
Artikel 5.15.5
Eisen Wijze van keuren
1. De accu, indien aanwezig, moet deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De elektrische bedrading moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.15.6
Eisen Wijze van keuren
1. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen: a. niet breder zijn dan 2,00 m b. niet hoger zijn dan 1,00 m. Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mogen bromfietsaanhangwagens achter een bromfiets op twee wielen niet breder zijn dan 1,00 m.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.15.18
Eisen Wijze van keuren
1. De as moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mag geen breuken of scheuren vertonen. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. De as mag niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3. De as magen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4. De as mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd.
Artikel 5.15.20
Eisen Wijze van keuren
1. De wiellagers mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur.
Artikel 5.15.24
Eisen Wijze van keuren
1. De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.

§ 7. Stuurinrichting

Artikel 5.15.27
Eisen Wijze van keuren
1. De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. Leden 1 tot en met 7: visuele controle.
2. De banden mogen geen uitstulpingen vertonen.
3. De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is.
4. Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
5. De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting.
6. Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn.
7. De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben.

§ 3. Brandstofsystemen

Artikel 5.15.41
Eisen Wijze van keuren
De sloten en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen moeten een goede sluiting waarborgen. Visuele controle, waarbij de deuren en laadbakkleppen worden geopend en gesloten.
Artikel 5.15.48
Eisen Wijze van keuren
1. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3. De wielen onderscheidenlijk banden moeten goed zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen.
4. Geen deel van de buitenzijde van motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
Artikel 5.15.50
Eisen Wijze van keuren
Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat. Visuele controle.

§ 4. Krachtoverbrenging

Artikel 5.15.51
Eisen Wijze van keuren
1. Motorfietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van: Leden 1 en 2: visuele controle.
a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien de trekkende motorfiets van richtingaanwijzers is voorzien;
b. één of twee achterlichten;
c. één of twee remlichten, indien de trekkende motorfiets van een remlicht is voorzien;
d. achterkentekenplaatverlichting;
e. één of twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;
f. ten minste één ambergele retroreflector aan elke zijkant van het voertuig.
2. Bromfietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van:
a. één of twee achterlichten;
b. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig;
c. ten minste één ambergele retroreflector aan elke zijkant van het voertuig, en
d. achterkentekenplaatverlichting.
Artikel 5.15.53
Eisen Wijze van keuren
1. De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De achterlichten en de remlichten mogen niet anders dan rood stralen.
3. De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen.
Artikel 5.15.54
Eisen Wijze van keuren
1. De richtingaanwijzers moeten zijn aangebracht: Leden 1 tot en met 5: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten.
a. aan de uiterste zijden van het voertuig en op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,24 m, en
b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek.
De lichten moeten zodanig zijn aangebracht dat zij waarneembaar zijn voor een waarnemer die zich in het mediaanvlak van het voertuig bevindt op een afstand van 10 m achter het voertuig.
2. De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek.
3. Het remlicht of de remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. Indien één licht is aangebracht, is dit in het midden of links van het midden van het voertuig zijn geplaatst.
4. De rode retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan de uiterste zijden van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek.
5. De in artikel 5.15.51 bedoelde ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant op een hoogte van niet minder dan 0,30 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Ten minste één retroreflector moet zich bevinden in het middelste derde gedeelte van motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens met inbegrip van de dissel.
Artikel 5.15.55
Eisen Wijze van keuren
1. De in artikel 5.15.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
4. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn bevestigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
5. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
6. De in artikel 5.15.51 bedoelde lichten en retroreflectoren voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Leden 6 en 7: visuele controle.
7. De in artikel 5.15.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden.
Artikel 5.15.57
Eisen Wijze van keuren
1. Motorfietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van: a. één mistachterlicht; b. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, en; c. werklichten, en d. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: 1°. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en 2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.15.51, eerste lid, onder c. Leden 1 en 2: – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
2. Bromfietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van: a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig; b. één of twee remlichten, en c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, en d. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: 1°. dat licht zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en 2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in het tweede lid, onder b.
3. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van: Visuele controle.
a. extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde,
b. extra rode retroreflecterende voorzieningen aan de achterzijde, en
c. extra retroreflecterende voorzieningen aan de zijkanten van het voertuig, welke ambergeel moeten zijn, met uitzondering van de achterste zijreflector, welke rood mag zijn.
Artikel 5.15.59
Eisen Wijze van keuren
1. De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De remlichten en het mistachterlicht mogen niet anders dan rood stralen.
Artikel 5.15.59a
Eisen Wijze van keuren
1. De in artikel 5.15.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
4. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.15.60
Eisen Wijze van keuren
1. De richtingaanwijzers moeten zijn aangebracht: Leden 1 tot en met 3: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
a. aan de uiterste zijden van het voertuig en op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,24 m, en
b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek.
De lichten moeten zodanig zijn aangebracht dat zij waarneembaar zijn voor een waarnemer die zich in het mediaanvlak van het voertuig bevindt op een afstand van 10 m achter het voertuig.
2. Het mistachterlicht moet zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek, links van het midden van het voertuig op een afstand van niet minder dan 0,10 m van het remlicht.
3. Het remlicht of de remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. Indien één licht is aangebracht, moet dit in het midden of links van het midden van het voertuig zijn geplaatst.
Artikel 5.15.64
Eisen Wijze van keuren
Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende lichten. Visuele controle.
Artikel 5.15.65
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.15.51, 5.15.57 en 5.15.57a is voorgeschreven of toegestaan. Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.
2. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. Visuele controle.

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.15.66
Eisen Wijze van keuren
1. De koppeling onderscheidenlijk de dissel moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet zijn doorgeroest. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de koppeling onderscheidenlijk de dissel mogen niet gescheurd, ernstig vervormd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn.
Artikel 5.15.67
Eisen Wijze van keuren
Indien motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens zijn voorzien van een kogelkoppeling: a. moet de sluit- en borginrichting goed functioneren, en b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd. Visuele controle.
Artikel 5.15.70
Eisen Wijze van keuren
1. De koppeling van motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens met één wiel mag slechts bewegingen toelaten om een horizontale en een verticale as, loodrecht op de lengte-as van het trekkend motorvoertuig. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De koppeling van motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens met meer dan één wiel moet bewegingen om een as in de lengterichting van het trekkend motorvoertuig toelaten.

Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen

Artikel 5.16.0

Een fietsaanhangwagen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.16.6
Eisen Wijze van keuren
Fietsaanhangwagens mogen niet breder zijn dan 1,00 m. Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.16.51
Eisen Wijze van keuren
Fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van: a. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, en b. witte of gele retroreflectoren aan de wielen. Visuele controle.
Artikel 5.16.54
Eisen Wijze van keuren
1. De rode retroreflector moet zijn aangebracht uiterst links aan de achterzijde van de fietsaanhangwagen, op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
2. De witte of gele retroreflectoren moeten de omtrek van het wiel volgen en op of zo dicht mogelijk bij de velg zijn aangebracht, zodanig dat zij aan beide zijkanten van de fietsaanhangwagen zichtbaar zijn. Visuele controle.
Artikel 5.16.55
Eisen Wijze van keuren
1. De in artikel 5.16.51 bedoelde retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
3. De retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 125 en 126, van toepassing.
Artikel 5.16.57
Eisen Wijze van keuren
1. Fietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van: Leden 1 en 2: visuele controle.
a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig;
b. één of twee achterlichten die zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 151, van toepassing;
c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 125 en 126, van toepassing, en
d. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig.
2. Fietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
Artikel 5.16.64
Eisen Wijze van keuren
Aanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende lichten. Visuele controle.
Artikel 5.16.65
Eisen Wijze van keuren
1. Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.16.51 en 5.16.57 is voorgeschreven of toegestaan. Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.
2. Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. Visuele controle.

Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

Artikel 5.17.0

Een wagen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

§ 12. Diversen

Artikel 5.17.3
Eisen Wijze van keuren
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van wagens mogen: Visuele controle.
a. geen breuken of scheuren vertonen, en
b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht.
Artikel 5.17.4
Eisen Wijze van keuren
1. De bovenbouw van wagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.17.6
Eisen Wijze van keuren
1. Wagens mogen: a. niet breder zijn dan 2,60 m, en b. niet hoger zijn dan 4,00 m. Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
2. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mogen onbespannen wagens niet breder zijn dan 1,50 m.
Artikel 5.17.7
Eisen Wijze van keuren
1. De last onder enig wiel van wagens mag niet meer bedragen dan 2.400 kg. Een samenstel van wielen dat op één wielnaaf is gemonteerd, wordt als één wiel beschouwd. Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt het voertuig gewogen.
2. In afwijking van het eerste lid, mag de last onder een wiel dat niet is voorzien van een rubberen band, niet meer bedragen dan 120 kg per cm bandbreedte.
Artikel 5.17.24
Eisen Wijze van keuren
1. De wielen onderscheidenlijk velgen van wagens mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.

§ 0. Algemeen

Artikel 5.17.27
Eisen Wijze van keuren
1. De wielen van wagens mogen niet zijn voorzien van metalen banden met uitstekende delen. Visuele controle.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op wagens met een massa van ten hoogste 750 kg, ingericht als landbouwwerktuig. In geval van twijfel wordt het voertuig gewogen.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.17.40
Eisen Wijze van keuren
Handwagens met motorvermogen moeten zodanig zijn ingericht dat, indien de bestuurder het bedieningstoestel loslaat, het voertuig onmiddellijk tot stilstand wordt gebracht. Visuele controle.

§ 5. Assen

Artikel 5.17.48
Eisen Wijze van keuren
1. Wagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van wagens die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.

§ 3. Brandstofsystemen en milieu

Artikel 5.17.51
Eisen Wijze van keuren
Wagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van: a. twee rode retroreflectoren indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m bedraagt, dan wel één rode retroreflector indien het een wagen betreft waarvan de breedte ten hoogste 1,50 m bedraagt; b. één rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is. Visuele controle.
Artikel 5.17.54
Eisen Wijze van keuren
1. De rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig op gelijke hoogte zijn aangebracht: Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
a. niet meer dan 0,45 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde van het voertuig, en
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek.
2. Indien één retroreflector is voorgeschreven, moet deze zijn aangebracht:
a. aan de uiterste linkerzijde van het voertuig, en
b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek.
Artikel 5.17.55
Eisen Wijze van keuren
1. De rode retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
Artikel 5.17.57
Eisen Wijze van keuren
1. Wagens mogen zijn voorzien van: Leden 1 en 2: visuele controle.
a. twee lichten aan de voorzijde;
b. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig.
c. twee achterlichten indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m bedraagt, dan wel ten minste één achterlicht indien het een wagen betreft waarvan de breedte ten hoogste 1,50 m bedraagt;
d. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig;
e. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig.
2. Wagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig.
Artikel 5.17.59
Eisen Wijze van keuren
1. De lichten aan de voorzijde mogen niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 3: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen.
3. De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
Artikel 5.17.59a
Eisen Wijze van keuren
1. De in artikel 5.17.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
3. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.17.64
Eisen Wijze van keuren
1. Wagens mogen niet zijn voorzien van verblindende verlichting. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Wagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende verlichting.
Artikel 5.17.65
Eisen Wijze van keuren
1. Wagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in artikelen 5.17.51 en 5.17.57 is voorgeschreven of toegestaan. Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.
2. Wagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. Visuele controle.

Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen

§ 6. Ophanging

Artikel 5.18.0

Verwisselbare gedragen uitrustingsstukken mogen slechts worden gebruikt door:

Artikel 5.18.1
1.

Met een motorvoertuig mag niet meer dan één aanhangwagen worden voortbewogen.

2.

Met een gelede bus, een gehandicaptenvoertuig of een motorfiets met zijspanwagen waarvan het wiel van de zijspanwagen ongeremd is, mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.

3.

Met een motorvoertuig, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, mag geen landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk worden getrokken.

4.

Een samenstel van een motorvoertuig en één aanhangwagen heeft ten hoogste twee draaipunten.

5.

Het eerste lid is niet van toepassing op:

6.

In afwijking van het eerste lid mag met een bedrijfsauto, landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid als bedoeld in artikel 1b, eerste lid, van het Kentekenreglement, een samenstel van dolly en oplegger worden voortbewogen.

7.

Met een motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine als bedoeld in artikel 1b, eerste lid, onderdelen a, b of d, van het Kentekenreglement mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.

8.

Met een motorvoertuig mag geen aanhangwagen worden voortbewogen indien de lengte van het samenstel de toegestane lengte van het samenstel overschrijdt.

Artikel 5.18.2
1.

Met een motorvoertuig mag niet meer dan één motorvoertuig worden gesleept.

2.

Voertuigen voorzien van een drukluchtremsysteem mogen alleen met behulp van een sleepstang worden gesleept.

3.

Het drukluchtremsysteem van het gesleepte voertuig dient te zijn aangesloten op het drukluchtremsysteem van het trekkende voertuig.

4.

Een dolly of afsleepas en een zich daarop bevindend motorvoertuig worden als één motorvoertuig beschouwd. De dolly of afsleepas dient in dat geval te zijn voorzien van een reminrichting.

5.

Een afsleepas mag slechts gebruikt worden, indien zich daarop een motorvoertuig bevindt.

6.

Met een motorvoertuig mag geen tweewielig motorvoertuig of samenstel van voertuigen worden gesleept.

7.

Met een tweewielig motorvoertuig, een gelede bus of een samenstel van voertuigen mag geen motorvoertuig worden gesleept.

Artikel 5.18.3
1.

De bestuurder mag bij het besturen van het voertuig niet door passagiers, lading of op andere wijze worden gehinderd.

2.

In een voertuig waarin vervoer van een passagier in een rolstoel plaatsvindt, zijn geen losse voorwerpen aanwezig die het risico op letsel bij een noodstop, een aanrijding of een botsing kunnen verhogen.

Artikel 5.18.4

De bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen moet:

Artikel 5.18.5
1.

De spiegels, gezichtsveldverbeterende voorzieningen of camera-monitorsystemen van bedrijfsauto’s, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6, kan overzien.

2.

Indien het gezichtsveld van de voor voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort voorgeschreven spiegels of camera-monitorsystemen wordt beperkt door lading die aan de achterzijde van het voertuig is aangebracht of door een door het voertuig voortbewogen aanhangwagen, met inbegrip van de lading, moet het voertuig zijn voorzien van een linker- onderscheidenlijk rechterbuitenspiegel of camera-monitorsystemen waarmee de bestuurder een in bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6, vastgesteld weggedeelte kan overzien.

Artikel 5.18.6
1.

De lading of delen daarvan moeten zodanig zijn gezekerd dat deze onder normale verkeerssituaties, waaronder begrepen volle remmingen, plotselinge uitwijkmanoeuvres en slecht wegdek, niet van het voertuig kunnen vallen of de stabiliteit van het voertuig niet in gevaar kunnen brengen. Om hieraan te voldoen moet de lading of delen daarvan zodanig worden vastgezet dat minimaal de volgende versnellings- of vertragingskrachten kunnen worden weerstaan:

In aanvulling hierop moet lading zodanig zijn gezekerd dat deze door opwaartse krachten niet van het voertuig kan vallen.

2.

Losse lading die naar haar aard niet op of aan het voertuig bevestigd kan worden, moet deugdelijk zijn afgedekt indien gevaar of hinder ontstaat of kan ontstaan als gevolg van afvallende of wegwaaiende lading.

3.

In afwijking van het eerste lid, moet voertuiggebonden lading, zoals voertuiguitrustingsstukken, voertuiggereedschappen en stuwagemiddelen, zodanig zijn bevestigd dat deze niet van het voertuig kan vallen.

4.

In afwijking van het eerste lid, moeten verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, afneembare bovenbouwen, gestandaardiseerde laadstructuren en meeneemheftrucks deugdelijk zijn bevestigd met geschikte vastzetsystemen, zekeringssystemen en stuwagemiddelen.

5.

Vastzetsystemen, zekeringssystemen, stuwagemiddelen en onderdelen daarvan moeten goed functioneren en geschikt zijn voor het doel waarvoor ze gebruikt worden.

Artikel 5.18.7
1.

Bij het vervoer van goederen aan de voor- of achterzijde van het voertuig moet worden voldaan aan de volgende eisen:

2.

Bij het vervoer van goederen op het dak moet worden voldaan aan de volgende eisen:

3.

Bij vervoer van glas, plaatmateriaal of soortgelijke goederen aan één of beide zijkanten van een bedrijfsauto of aanhangwagen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moet worden voldaan aan de volgende eisen:

Artikel 5.18.8
1.

De lading van voertuigen en verwisselbare uitrustingsstukken mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren.

2.

Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van verwisselbare uitrustingsstukken die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.

3.

Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op lading, verwisselbare uitrustingsstukken of delen daarvan die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.

4.

Geen deel van de buitenzijde van verwisselbare uitrustingsstukken mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.

Artikel 5.18.9
1.

Opklapbare delen aan de buitenzijde van voertuigen moeten tijdens het transport van het voertuig over de weg in opgeklapte toestand deugdelijk zijn vergrendeld.

2.

Tenzij voor het gebruik op de weg noodzakelijk, moeten opklapbare delen van verwisselbare uitrustingsstukken tijdens het transport van het voertuig in opgeklapte toestand deugdelijk zijn vergrendeld.

3.

Uitklapbare aerodynamische voorzieningen aan de achterzijde van bedrijfsauto’s en aanhangwagens moeten in ingeklapte toestand deugdelijk zijn vergrendeld.

4.

Uitklapbare aerodynamische voorzieningen aan de achterzijde van bedrijfsauto’s en aanhangwagens moeten op wegen waar een maximumsnelheid geldt van 50 km/h of minder en voetgangers, fietsers of bromfietsers van de rijbaan gebruik dienen te maken, zijn ingeklapt.

Artikel 5.18.10
1.

Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg, aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg afkomstig uit een land waar voor deze aanhangwagens geen afzonderlijk kenteken is opgegeven en landbouw- en bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken waarvoor geen afzonderlijk kenteken is opgegeven, moeten, indien zij zijn gekoppeld aan een motorvoertuig waarvoor een kenteken is opgegeven en landbouw- en bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken waarvoor geen afzonderlijk kenteken is opgegeven, zijn voorzien van het kenteken van het trekkend motorvoertuig. Indien meerdere aanhangwagens zijn gekoppeld aan een motorvoertuig, geldt de eerste zin alleen voor de achterste aanhangwagen.

2.

In afwijking van het eerste lid mogen aanhangwagens als bedoeld in het eerste lid zijn voorzien van een kenteken dat op naam van de eigenaar van het trekkend motorvoertuig is gesteld, indien het trekkend motorvoertuig een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine is.

3.

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg die afkomstig zijn uit een land waar voor deze aanhangwagen een afzonderlijk kenteken is opgegeven, indien de bij het kenteken behorende kentekenplaat wordt gevoerd.

4.

De kentekenplaat, bedoeld in het eerste en tweede lid, moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van de aanhangwagen zijn bevestigd.

5.

Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd.

§ 8. Reminrichting

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

Artikel 5.18.11
1.

De lengte van een samenstel van opleggertrekker en oplegger mag niet meer bedragen dan 16,50 m.

2.

Van een samenstel van bedrijfsauto en autonome aanhangwagen, middenasaanhangwagen of aanhangwagen met een stijve dissel, niet zijnde een samenstel van opleggertrekker en oplegger, mag:

3.

In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen, gestandaardiseerde laadstructuren en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken begrepen.

4.

Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een samenstel van bedrijfsauto en dolly met oplegger, waarbij de lengte van het samenstel van dolly met oplegger niet meer mag bedragen dan 12,00 m.

5.

In afwijking van het eerste en vierde lid, mag bij het gebruik van een gestandaardiseerde laadstructuur in de vorm van een 45 voet-container met een lengte van maximaal 13,72 m en een breedte van maximaal 2,55 m, dan wel 2,60 m in het geval van een geconditioneerde gestandaardiseerde laadstructuur, indien deze container stapelbaar is en geschikt is voor het vervoer op een zeeschip, de lengte van het samenstel niet meer bedragen dan 17,30 m.

6.

Bij een samenstel van bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, en een aanhangwagen of samenstel van dolly met oplegger met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, niet zijnde een samenstel van opleggertrekker en oplegger, mag de afstand tussen de achterste as van de bedrijfsauto en de voorste as van de aanhangwagen of dolly niet minder bedragen dan 3,00 m.

7.

De lengte van samenstellen van personenauto of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen, mag niet meer bedragen dan 18,00 m.

8.

De lengte van een samenstel van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen, mag niet meer bedragen dan 24,00 m.

9.

In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, mag de lengte van een samenstel van rijdend werktuig en aanhangwagen niet meer bedragen dan 20,00 m.

10.

De lengte van een samenstel van een bus en een aanhangwagen mag niet meer bedragen dan 18,75 m.

11.

Een uitschuifbaar voertuig is in onbeladen toestand geheel ingeschoven, tenzij de uitgeschoven delen zijn voorzien van zijdelingse afscherming als bedoeld in artikel 5.12.48, vijfde lid, in welk geval het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 107 tot en met 111, met uitzondering van de artikelen 109, tweede lid, en 110, tweede lid, van overeenkomstige toepassing is.

Artikel 5.18.12
1.

Bij het vervoer van lading met een voertuig of samenstel van voertuigen:

2.

Het eerste lid, met uitzondering van onderdeel e, is niet van toepassing op samenstellen van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen.

3.

Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op:

4.

Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing, indien aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig zijn aangebracht.

5.

Ter ondersteuning van de lading mag de laadvloer worden verlengd voor zover daardoor de in de artikelen 5.3.6, eerste lid, onderdeel a, 5.12.6, eerste lid, en 5.18.11, eerste en tweede lid, opgenomen afmetingen niet worden overschreden. Lading mag niet uitsluitend op de laadvloerverlenging rusten.

6.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mag een meeneemheftruck bevestigd aan de achterzijde van een voertuig dat is ingericht voor het vervoer van goederen:

7.

In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, mag de uitsteek van een afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur achter het hart van de achterste as van het voertuig niet meer dan 0,5 maal de lengte van het voertuig bedragen, zoals vermeld in het kentekenregister of na meting vastgesteld, met een maximum van 5,00 m, waarbij voor een oplegger geldt dat de uitsteek van de afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur achter het hart van de achterste as van het voertuig niet meer mag zijn dan 0,5 maal de afstand van hart koppeling tot achterzijde met eveneens een maximum van 5,00 m.

8.

De stootbalk, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,20 m smaller zijn dan:

De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt.

Artikel 5.18.12a
1.

De lengte van een bedrijfsauto, met inbegrip van één of meer verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, mag niet meer bedragen dan in artikel 5.3.6, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, is bepaald, waarbij:

2.

Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing, indien op het voertuig of aan de voor- of achterzijde van de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren of richtingaanwijzers zijn aangebracht.

Artikel 5.18.13
1.

In afwijking van artikel 5.18.12 mag, voor zover niet op andere wijze op het voertuig of samenstel van voertuigen dan wel voor zover niet binnen de afmetingen van het voertuig of samenstel van voertuigen kan worden geladen, bij het vervoer van in de lengte ondeelbare lading:

2.

In afwijking van artikel 5.18.12, mag de lengte van een samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, met inbegrip van de lading, dat is ingericht voor het vervoer van voertuigen, meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12 is toegestaan, doch niet meer dan 20,75 m, waarbij:

Artikel 5.18.14
1.

De breedte van personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens, mag met inbegrip van de lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken niet meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen.

2.

Met inbegrip van de lading mag de breedte van voertuigen waarvan de lading bestaat uit in de breedte ondeelbare lading, meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen, doch niet meer dan voor het vervoer noodzakelijk is, met een maximum van 3,00 m.

3.

Lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteken, moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133.

4.

Het derde lid is niet van toepassing op lading van personenauto’s en driewielige motorrijtuigen.

5.

Lading van personenauto’s en driewielige motorrijtuigen mag niet meer dan 0,20 m buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken.

Artikel 5.18.15

De hoogte van personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens, met inbegrip van de lading, mag niet meer bedragen dan 4,00 m.

Artikel 5.18.16
1.

Een bedrijfsauto, bus of een samenstel van voertuigen moet in elke gebruikstoestand naar beide zijden een volledige cirkel kunnen beschrijven binnen een ruimte die wordt begrensd door twee concentrische cirkels, waarvan de buitenste een straal van 12,50 m en de binnenste een straal van 5,30 m heeft, zonder dat een van de buitenpunten van het voertuig buiten de omtrek van de cirkels komt.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien het een oplegger betreft waarvan het laadvlak zich geheel of grotendeels op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte als of lager dan de assen boven het wegdek bevindt, de oplegger wordt gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading en de oplegger vóór 1 april 1983 in gebruik is genomen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van kermis- en circusvoertuigen, rijdende werktuigen en samenstellen van rijdende werktuigen en aanhangwagens.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van trekker en oplegger als bedoeld in artikel 5.18.13, eerste lid, onderdeel b.

5.

Ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid, moet bij een stilstaande bus op de bodem met een lijn het loodrechte vlak worden aangegeven dat raakt aan de buitenzijde van het voertuig ten opzichte van de cirkel. Bij een gelede bus worden de twee stijve delen langs het vlak opgesteld. Wanneer het voertuig de cirkelvormige ruimte, bedoeld in het eerste lid, in rechte lijn binnenrijdt, mag geen voertuigdeel meer dan 0,60 m buiten het vermelde loodrecht vlak komen.

6.

De maximale uitzwaai van een bedrijfsauto mag niet meer bedragen dan:

Artikel 5.18.17a
1.

De op de kentekencard of het kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa mag niet worden overschreden of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand mag niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximummassa van het voertuig.

2.

Indien op de kentekencard of het kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus of in het kentekenregister de toegestane maximummassa niet is vermeld dan wel indien de bedrijfsauto of bus niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand niet meer bedragen dan:

3.

In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onderdeel a, mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand van een rijdend werktuig niet meer bedragen dan 60.000 kg.

Artikel 5.18.17b
1.

De op de kentekencard of het kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa van het samenstel van een bedrijfsauto of bus met een aanhangwagen mag niet worden overschreden of de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand mag niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximummassa van het samenstel.

2.

Indien op de kentekencard of het kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus de toegestane maximummassa van het samenstel van een bedrijfsauto of bus met een aanhangwagen of in het kentekenregister niet is vermeld dan wel indien de bedrijfsauto of bus niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane maximummassa van het samenstel of de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand niet meer bedragen dan:

3.

In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onderdeel a, mag de toegestane maximummassa van een samenstel of de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand van een rijdend werktuig met een aanhangwagen niet meer bedragen dan 60.000 kg.

Artikel 5.18.17c
1.

Indien voor een aanhangwagen een kentekencard of kentekenbewijs is afgegeven, mag de daarop of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa niet worden overschreden of mag de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand, uitgezonderd de aslasten van een niet autonome aanhangwagen, niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximummassa. Bij middenasaanhangwagens en opleggers mag de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand in combinatie met een positieve last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand, niet meer bedragen dan de toegestane maximummassa.

2.

Indien op de kentekencard of het kentekenbewijs van een middenasaanhangwagen of in het kentekenregister geen toegestane maximummassa is vermeld dan wel indien de middenasaanhangwagen niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand in combinatie met een positieve last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand, niet meer bedragen dan 20.000 kg. Indien de middenasaanhangwagen is voorzien van gasvering of van in EU-verband als gelijkwaardig aangemerkte vering en is voorzien van drie assen, mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand in combinatie met een positieve last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand, niet meer bedragen dan 24.000 kg.

3.

Indien van een aanhangwagen de toegestane maximummassa niet met behulp van het eerste en tweede lid kan worden vastgesteld, geldt voor deze aanhangwagen een toegestane maximummassa van 750 kg.

Artikel 5.18.17d
1.

De op het kentekenbewijs van de bedrijfsauto of bus of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximumlast onder de as, alsmede de toegestane maximumlast onder het asstel, mag niet worden overschreden.

2.

Indien op de kentekencard of het kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus of in het kentekenregister de in het eerste lid bedoelde waarden niet zijn vermeld, dan wel indien de bedrijfsauto of bus niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane maximumlast onder de as of asstel niet meer bedragen dan:

3.

In afwijking van het tweede lid, mag de last onder enige as van een rijdend werktuig niet meer bedragen dan:

Artikel 5.18.17e
1.

De op het kentekenbewijs van een aanhangwagen of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximumlast onder de as, alsmede de toegestane maximumlast onder het asstel, mag niet worden overschreden.

2.

Indien op de kentekencard of het kentekenbewijs van een aanhangwagen of in het kentekenregister de in het eerste lid bedoelde waarden niet zijn vermeld, of indien de aanhangwagen niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane maximumlast onder de as of asstel niet meer mag bedragen dan:

Artikel 5.18.17f
1.

De in het kentekenregister vermelde toegestane maximumlast onder de koppeling van een aanhangwagen mag niet worden overschreden.

2.

Indien van een middenasaanhangwagen in het kentekenregister de in het eerste lid bedoelde waarde niet is vermeld dan wel indien de middenasaanhangwagen niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane last onder de koppeling:

Artikel 5.18.17g
1.

De op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van een bedrijfsauto, bus of dolly of in het kentekenregister vermelde toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen mag niet worden overschreden of de som van de aslasten van een aanhangwagen, alsmede van een samenstel van dolly en oplegger, mag niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximum te trekken massa aanhangwagen.

2.

Indien de bedrijfsauto, bus of dolly niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen, alsmede van een samenstel van een dolly met oplegger, niet meer bedragen dan de laagste van de volgende waarden:

3.

Indien in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van een bedrijfsauto, bus of dolly geen maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.

Artikel 5.18.17h
1.

Personenauto’s mogen niet zodanig zijn beladen dat de toegestane maximumlast van enige as of asstel, de maximumlast onder de koppeling, of de toegestane maximummassa van het voertuig wordt overschreden dan wel de som van de aslasten meer bedraagt dan de toegestane maximummassa.

2.

Bussen mogen niet meer passagiers vervoeren dan het maximumaantal passagiers dat op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of in het kentekenregister, dan wel op de plaat als bedoeld in artikel 5.3a.1, zevende lid, is vermeld. Indien het maximumaantal passagiers niet op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs, in het kentekenregister, dan wel op de plaat als bedoeld in artikel 5.3a.1, zevende lid, is vermeld, wordt het maximumaantal passagiers vastgesteld door de toegestane maximummassa te verminderen met de massa in rijklare toestand gedeeld door 68 kg.

Artikel 5.18.18
1.

De totale massa of de som van de aslasten van aanhangwagens die worden voortbewogen door personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3.500 kg, mag niet meer bedragen dan de maximummassa die volgt uit het op de koppeling van het trekkend voertuig aangebrachte identificatiekenmerk of goedkeuringsmerk. Indien de koppeling daaromtrent geen gegevens vermeldt, mag de totale massa of de som van de aslasten van de aanhangwagen niet meer bedragen dan 750 kg en niet meer dan:

2.

De last onder de bestuurde as of assen van motorvoertuigen in beladen toestand mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voertuig in beladen toestand. Indien het een gelede bus betreft, mag die last niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voorste deel van het motorvoertuig in beladen toestand.

3.

De last onder de gestuurde as of assen, niet zijnde zelfsturende assen, van autonome aanhangwagens in beladen toestand of samenstellen van een dolly met oplegger in beladen toestand, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de aanhangwagen respectievelijk het samenstel van de dolly en de oplegger.

4.

De last onder de koppeling van opleggers in beladen toestand mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de oplegger in beladen toestand.

Artikel 5.18.18a
1.

Indien in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van personenauto’s een maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, mag:

achter die personenauto’s maximaal 3.500 kg bedragen en daarbij de laagste van de volgende waarden niet overschrijden:

2.

Indien in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van personenauto’s een maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, mag:

achter die personenauto’s maximaal 750 kg bedragen en daarbij de laagste van de volgende waarden niet overschrijden:

3.

De massa van aanhangwagens of de som van de aslasten van aanhangwagens achter driewielige motorrijtuigen mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van het trekkende driewielige motorrijtuig.

4.

Indien in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van een personenauto geen maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.

B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

Artikel 5.18.19
1.

Lading van motorfietsen op twee wielen mag niet meer dan 0,20 m buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken.

2.

Motorfietsaanhangwagens moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:

C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens

Artikel 5.18.20
1.

De lengte van een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en één of meer aanhangwagens, mag niet meer bedragen dan 18,75 m.

2.

In de afmetingen, bedoeld in het eerste lid, zijn afneembare bovenbouwen, gestandaardiseerde laadstructuren en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken begrepen.

3.

In afwijking van het eerste lid, mag de lengte van een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk dat niet om een verticale as kan draaien ten opzichte van het trekkende voertuig, niet meer bedragen dan 12 m.

4.

In afwijking van in het eerste lid, mag de lengte van een samenstel van motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, met inbegrip van de lading, niet meer dan 20,75 m, waarbij:

Artikel 5.18.21
1.

Bij het vervoer van lading met een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine of een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en één of meer aanhangwagens:

2.

In afwijking van het eerste lid, mag voor zover niet op andere wijze op het voertuig of samenstel van voertuigen, of voor zover niet binnen de bestaande afmetingen van het voertuig of samenstel van voertuigen kan worden geladen, bij het vervoer van in de lengte ondeelbare lading, met uitzondering van afneembare bovenbouwen of gestandaardiseerde laadstructuren, de lengte van de vervoerde lading meer bedragen dan ingevolge het eerste lid is toegestaan, waarbij:

3.

Ter ondersteuning van de lading mag de laadvloer worden verlengd, voor zover daardoor de afmetingen, bedoeld in de artikelen 5.7.6, eerste lid, onderdeel a, 5.7a.6, eerste lid, onderdeel a, 5.8.6, eerste lid, onderdeel a, 5.12.6, eerste lid, onderdeel a, 5.14.6, eerste lid, onderdeel a, en 5.18.20, niet worden overschreden. Lading mag niet uitsluitend op de laadvloerverlenging rusten.

4.

De stootbalk, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,20 m smaller zijn dan:

5.

De stootbalk, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt.

6.

Indien gebruikt gemaakt wordt van het gele zwaai-, flits, of knipperlicht ingevolge artikel 5.7.57a of 5.8.57a moet het licht zodanig gemonteerd zijn dat het signaal kan worden waargenomen rondom het voertuig vanaf een afstand van 20 m vanaf het voertuig, gemeten op 1,5 m boven het wegdek.

Artikel 5.18.21a
1.

De lengte van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines, landbouw- of bosbouwaanhangwagens of verwisselbare getrokken uitrustingsstukken, mag, met inbegrip van één of meer verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, niet meer bedragen dan is bepaald in onderscheidenlijk de artikelen 5.7.6, eerste lid, onderdeel a, 5.7a.6, eerste lid, onderdeel a, 5.8.6, eerste lid, onderdeel a, en 5.14.6, eerste lid, onderdeel a, waarbij:

2.

Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing, indien aan de achterzijde van de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of kentekenplaat zijn aangebracht.

3.

Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing, indien er maatregelen zijn getroffen die bewerkstelligen dat gezichtsveldbeperkingen bij kruisingen, verkeersknooppunten en uitritten worden opgeheven.

Artikel 5.18.22
1.

De breedte van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid of mobiele machines en daardoor voortbewogen aanhangwagens, mag, met inbegrip van de lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, niet meer bedragen dan 3,00 m.

2.

Lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteken, moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133.

3.

Landbouw- of bosbouwtrekkers, mobiele machines, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik genomen na 31 december 2020 en daardoor voortbewogen aanhangwagens die, met inbegrip van de lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, meer dan 2,55 m breed zijn, moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133.

Artikel 5.18.23

De hoogte van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines en daardoor voortbewogen aanhangwagens, mag, met inbegrip van de lading en één of meer verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, niet meer bedragen dan 4,00 m.

Artikel 5.18.24
1.

De last onder de bestuurde as of assen van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voertuig.

2.

De last onder de bestuurde as of assen, niet zijnde zelfsturende assen, van de door landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines voortbewogen autonome aanhangwagens, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de aanhangwagen in beladen toestand.

Artikel 5.18.25
1.

De op de kentekencard, in het kentekenregister of op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine vermelde technisch toegestane maximummassa mag niet worden overschreden of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand mag niet meer bedragen dan de vermelde technisch toegestane maximummassa van het voertuig, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden.

2.

De toegestane maximummassa of de som van de aslasten van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines in beladen toestand, mag niet meer bedragen dan:

3.

In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van:

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

Artikel 5.18.25a
1.

Van een samenstel van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine met één of meer aanhangwagens, mag:

2.

De toegestane maximummassa van een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en één of meer aanhangwagens of de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand, mag niet meer bedragen dan:

3.

In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onderdeel a, mag de toegestane maximummassa van een samenstel of de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand van een motorrijtuig met beperkte snelheid dat of mobiele machine die is ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen met een aanhangwagen niet meer bedragen dan 60.000 kg.

Artikel 5.18.26
1.

Bromfietsen op twee wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,00 m.

2.

Bromfietsen op meer dan twee wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 2,00 m.

Artikel 5.18.27
1.

Bromfietsaanhangwagens achter tweewielige bromfietsen moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:

2.

Bromfietsaanhangwagens achter bromfietsen op meer dan twee wielen moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:

E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

Artikel 5.18.28
1.

Fietsen op twee wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 0,75 m.

2.

Fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met zijspanwagen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,50 m.

Artikel 5.18.29
1.

Fietsaanhangwagens achter tweewielige fietsen mogen in aangekoppelde toestand met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,00 m.

2.

Fietsaanhangwagens achter fietsen op meer dan twee wielen mogen in aangekoppelde toestand met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,50 m.

F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens

Artikel 5.18.30
1.

De breedte van gehandicaptenvoertuigen mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,10 m.

2.

De breedte van wagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,50 m.

3.

De breedte van bespannen wagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 2,60 m. Indien de lading bestaat uit losse veldgewassen, mag de breedte van de lading niet meer bedragen dan 3,50 m.

4.

De hoogte van gehandicaptenvoertuigen mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 2,00 m.

5.

De hoogte van wagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 4,00 m.

G. Middenasaanhangwagens

Artikel 5.18.31
1.

Middenasaanhangwagens van de voertuigcategorie O moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:

2.

Het eerste lid, onderdelen a en c, zijn van overeenkomstige toepassing op een aanhangwagen met een stijve dissel van de voertuigcategorie O.

§ 9. Carrosserie

Artikel 5.18.32

Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen behoeven in geval van nood niet te voldoen aan de artikelen 5.2.27, achtste lid, 5.3.27, negende lid, 5.3a.27, negende lid, en 5.5.27, achtste lid, mits in dat geval de rijsnelheid en het rijgedrag worden aangepast aan de door de fabrikant vastgestelde voorschriften.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

A. Aanhangwagens

Artikel 5.18.33

Aanhangwagens van de voertuigcategorie O, niet zijnde opleggers, met een totale massa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s of driewielige motorrijtuigen hoeven niet te zijn voorzien van een reminrichting, indien deze totale massa niet hoger is dan de helft van de massa in rijklare toestand van het trekkend voertuig.

B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

Artikel 5.18.34
1.

Bij samenstellen van voertuigen waarvan de aanhangwagen van een reminrichting is voorzien, moet de reminrichting van de aanhangwagen in werking treden bij het bedienen van de bedrijfsrem van het trekkend voertuig.

2.

Indien de aanhangwagen is voorzien van een losbreekreminrichting, moet deze zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekhaak daarvan zijn verbonden, dat de inrichting slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling.

3.

Indien zowel het trekkend voertuig als de aanhangwagen zijn voorzien van een ABS- of EBS-systeem, moeten de daartoe bestemde ISO 7638-stekkers op beide voertuigen met elkaar verbonden worden. Indien deze voorziening op één van beide voertuigen ontbreekt, moeten de remsystemen zodanig zijn aangesloten dat het mogelijk blijft dat er met zowel het trekkend voertuig als met de aanhangwagen lastafhankelijk geremd kan worden.

4.

Bij een samenstel van voertuigen bestaande uit een bedrijfsauto en dolly met oplegger moeten alle voertuigen zijn voorzien van een EBS-remsysteem.

5.

Indien in het samenstel, bedoeld in het vijfde lid, de dolly is uitgerust met een voertuigstabiliteitssysteem, moet deze tevens beschikken over een voorziening die de remmen van de getrokken oplegger automatisch activeert zodra het voertuigstabiliteitssysteem van de dolly ingrijpt.

6.

Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, die in gebruik is genomen voor 1 januari 2022, en een aanhangwagen die afzonderlijk geremd kan worden.

Artikel 5.18.35
1.

De remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van trekkend voertuig en aanhangwagens moet, zowel beladen als onbeladen, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedragen.

2.

In afwijking van het eerste lid, moet de remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen voldoen aan de eisen die aan de remvertraging van het trekkende voertuig worden gesteld in de op die categorie voertuigen betrekking hebbende afdeling van dit hoofdstuk.

Artikel 5.18.35a

Dubbel uitgevoerde rempedalen van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines moeten zijn gekoppeld.

Artikel 5.18.36

De parkeerrem van het trekkend motorvoertuig van een samenstel van motorvoertuig en aanhangwagen moet het samenstel van voertuigen op een helling van 10,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedraagt.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.18.36a

Vervallen

Artikel 5.18.36b

Vervallen

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

Artikel 5.18.37

Indien met een personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig een aanhangwagen wordt voortbewogen, moet het trekkende voertuig zijn voorzien van één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig.

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

Artikel 5.18.38
1.

De verlichtingsinstallatie van aanhangwagens moet zodanig functioneren dat de functies van de verlichting en de lichtsignalen overeenstemmen met die van het trekkende voertuig.

2.

De verlichtingsinstallatie van verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers moet zodanig functioneren dat de functies van de verlichting en de lichtsignalen overeenstemmen met die van het voertuig.

Artikel 5.18.38a
1.

Indien een aanhangwagen wordt voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus die is voorzien van één of twee mistachterlichten, behoeven in afwijking van artikel 5.18.38, eerste lid, alleen de één of twee mistachterlichten op de aanhangwagen te branden, mits de bediening van de mistachterlichten op het trekkende voertuig en de aanhangwagen vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt.

2.

Indien een voertuig aan de achterzijde is voorzien van een lastdrager, behoeft in afwijking van artikel 5.18.38, tweede lid, alleen het mistachterlicht op de lastdrager te branden, mits de bediening van het mistachterlicht op de lastdrager vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt. Wanneer de lastdrager niet is voorzien van een mistachterlicht, dan behoeven de één of twee mistachterlichten op het voertuig niet te branden wanneer de verlichtingsinstallatie van de lastdrager is aangesloten.

E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

Artikel 5.18.43
1.

Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie, die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:

2.

Gehandicaptenvoertuigen zonder motor, die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:

3.

Het tweede lid is niet van toepassing bij het gebruik maken van het voetpad of het trottoir of bij het oversteken van het ene naar het andere voetpad of trottoir.

Artikel 5.18.44
1.

De in artikel 5.18.43 bedoelde lichten moeten goed werken.

2.

De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.

3.

De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.

4.

Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.

5.

De in artikel 5.18.43 bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.

Artikel 5.18.45
1.

De lichten aan de voorzijde mogen niet anders dan wit of geel stralen.

2.

De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.

D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen

Artikel 5.18.46

Fietsaanhangwagens die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, dienen te zijn voorzien van een achterlicht.

Artikel 5.18.47
1.

Het achterlicht dient goed te werken.

2.

Het verlichtingsarmatuur en de onderdelen daarvan dienen deugdelijk aan het voertuig te zijn bevestigd.

3.

Het glas van de verlichtingsarmatuur mag niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst dan wel de functie nadelig wordt beïnvloed;

4.

Het achterlicht mag niet zijn afgeschermd.

Artikel 5.18.48

Het achterlicht mag niet anders dan rood stralen.

Artikel 5.18.49

Het achterlicht dient uiterst links aan de achterzijde van het voertuig te zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.

E. Wagens

Artikel 5.18.50

Wagens die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:

Artikel 5.18.51
1.

De in artikel 5.18.50 bedoelde lichten moeten goed werken.

2.

De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.

3.

De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst dan wel de functie nadelig wordt beïnvloed.

4.

Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur, en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten op gelijke hoogte symmetrisch links en rechts midden van het voertuig zijn bevestigd.

5.

De in artikel 5.18.50 bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.

Artikel 5.18.52
1.

De voorlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.

2.

De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.

Artikel 5.18.53
1.

De voorlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde.

2.

De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde en op een hoogte van niet meer dan 1,25 m boven het wegdek.

3.

Indien één achterlicht is toegestaan, moet dit aan de achterzijde van de wagen zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m van de uiterste linkerzijde van het voertuig en op een hoogte van niet meer dan 1,25 m boven het wegdek.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

Artikel 5.18.54
1.

Bij samenstellen van voertuigen moet de aanhangwagen of het verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk door een enkele, passende en geschikte koppeling die niet kan lostrillen, geborgd zijn en moet deze zodanig aan het trekkende voertuig zijn verbonden dat zijdelings uitwijken van de aanhangwagen of het verwisselbaar uitrustingsstuk zoveel mogelijk wordt voorkomen.

2.

De totale speling in de verbinding tussen het trekkende en getrokken voertuig mag niet meer dan 3 mm bedragen.

C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines

Artikel 5.18.55

Aanhangwagens moeten zich zodanig ten opzichte van het trekkend voertuig kunnen bewegen dat de voertuigen in hun uiterste standen, met een maximum van 90°, niet worden begrensd door delen van de reminrichting, van de elektrische installatie en van de koppeling, alsmede, voor zover aanwezig, van de hulpkoppeling en van de besturingsonderdelen.

Artikel 5.18.56
1.

Bij samenstellen van voertuigen moet het trekoog of de kogelkoppeling van de aanhangwagen horizontaal of nagenoeg horizontaal liggen, indien het samenstel zich op een horizontaal wegdek bevindt.

2.

Bij gebruik van aanhangwagens voorzien van een trekdriehoek met verzet, moet de koppelinrichting op het trekkend voertuig van een type zijn dat in verticale richting niet beweegbaar is.

3.

Opleggers mogen alleen aan een opleggertrekker of een dolly zijn gekoppeld indien een hoekverdraaiing van de opleggerschotel naar boven en naar beneden mogelijk is, indien het samenstel van opleggertrekker en oplegger of het samenstel van dolly en oplegger zich op een horizontaal wegdek bevindt.

4.

Bij gebruik van aanhangwagens voorzien van een koppeling die om de horizontale as kan draaien, moet de koppelinrichting op het trekkende voertuig van een type zijn dat niet om de horizontale as kan draaien.

Artikel 5.18.57

Indien een aanhangwagen is voorzien van een hulpkoppeling moet deze zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekinrichting daarvan zijn verbonden, dat deze slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling.

C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen

Artikel 5.18.58

Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagen moeten zodanig aan een motorfiets onderscheidenlijk bromfiets zijn verbonden dat de koppeling zowel bewegingen toelaat om een horizontale as als om een verticale as, loodrecht op de lengte-as van de motorfiets onderscheidenlijk bromfiets. Indien de aanhangwagen meer dan één wiel heeft, moet de koppeling bovendien bewegingen om een as in de lengterichting van het trekkend voertuig toelaten.

D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen

Artikel 5.18.59

Een fietsaanhangwagen moet goed met de fiets zijn verbonden.

§ 1. Afmetingen, massa’s en lasten

Artikel 5.18.60
1.

Bromfietsen op drie of meer wielen met een carrosserie moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een rond bord of rond vlak met een doorsnede van ten minste 0,20 m, wit van kleur met een rode rand en met in het witte vlak duidelijk leesbaar de aanduiding ‘45’ in zwarte kleur.

2.

Aanhangwagens ingericht voor het vervoer van personen moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een rond bord of rond vlak met een doorsnede van ten minste 0,20 m, wit van kleur met een rode rand en met in het witte vlak duidelijk leesbaar de aanduiding ‘25’ in zwarte kleur.

Artikel 5.18.61

Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5.3.1, 5.3a.1 en 5.12.1, moeten:

Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie

§ 7. Stuurinrichting

Artikel 6.1
1.

De in paragraaf 2 vermelde wijzigingen in de constructie van geregistreerde voertuigen, moeten, voor zover niet anders is bepaald, zijn goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg, waarbij moet worden voldaan aan de in paragraaf 2 ter zake van de betrokken wijziging vermelde eisen.

2.

Indien het voertuig gaat behoren tot een andere voertuigcategorie of een andere voertuigclassificatie dan die waarvoor het bij toelating tot het verkeer op de weg is goedgekeurd en het geen wijziging van voertuigcategorie betreft ten gevolge van het tijdelijk aanbrengen van rupsbanden, wordt het voertuig aangemerkt als reeds tot die nieuwe voertuigcategorie of voertuigclassificatie behorend en moet het voldoen aan de voor die voertuigcategorie of voertuigclassificatie geldende eisen.

3.

Indien een voertuig waarvoor een kenteken opgegeven dient te zijn wordt gewijzigd in een voertuig waarvoor dat niet het geval is, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 5 gestelde eisen en, voor zover van toepassing, aan de eisen voor goedkeuring, bedoeld in hoofdstuk 3, zoals deze luidden ten tijde van de ingebruikname van het voertuig.

4.

De in het tweede en derde lid bedoelde voertuigen moeten zijn goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg.

Artikel 6.2
1.

Op de wijziging in de constructie van een geregistreerd voertuig, met uitzondering van de inbouw van een elektrische aandrijflijn of een brandstofsysteem voor al dan niet tot vloeistof verdicht gas, zijn de eisen van toepassing zoals die luidden ten tijde van de ingebruikname van het voertuig.

2.

Op de inbouw van een elektrische aandrijflijn of een brandstofsysteem voor al dan niet tot vloeistof verdicht gas in een gekentekend voertuig zijn de eisen van toepassing zoals die luidden op de datum van de aanvraag van de goedkeuring.

§ 8. Reminrichting

Artikel 6.3
1.

Bij wijziging in de constructie van een voertuig waardoor de onderstaande voertuiggegevens wijzigen en na deze wijziging niet meer overeenstemmen met het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging:

2.

In aanvulling op het eerste lid, moet bij voertuigen in gebruik genomen na 31 december 1997 voor de volgende wijzigingen in de constructie tevens worden voldaan aan de in bijlage IX opgenomen eisen met betrekking tot deugdelijkheid en weggedrag, voor zover deze van toepassing zijn op de betreffende voertuigcategorie:

3.

Bij wijziging van de brandstofsoort van een voertuig, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas door inbouw van een LPG- of CNG-installatie, wordt in afwijking van de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met hoofdstuk 3, voldaan aan VN/ECE-reglement 115, voor zover die eisen onderwerpen betreffen die tevens zijn geregeld in VN/ECE-reglement 115 en er voor het voertuig, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, een LPG- of CNG-installatie beschikbaar is die aan VN/ECE-reglement 115 voldoet.

3a. In afwijking van het derde lid en van de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met hoofdstuk 3, van toepassing zijn en onderwerpen betreffen die tevens zijn geregeld in bijlage X, mag in een voertuig dat uiterlijk op 31 december 2014 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, mits voldaan wordt aan de eisen, genoemd in bijlage X, hoofdstuk 1, worden ingebouwd en gebruikt een LPG- of CNG-installatie waarvoor uiterlijk op 31 december 2014 een goedkeuring is verleend op grond van de eisen, bedoeld in de bijlage behorende bij artikel 3 van de Regeling keuringsvoorschriften motorrijtuigen luchtverontreiniging.

3b. In aanvulling op de in dit artikel gestelde eisen zijn voor landbouw- of bosbouwtrekkers, mobiele machines, motorrijtuigen met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken de eisen ten aanzien van specifieke onderdelen en de installatie voor in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas en elektrische veiligheid van overeenkomstige toepassing.

4.

In aanvulling op de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met hoofdstuk 3, van toepassing zijn, voldoen bij wijziging van de brandstofsoort in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas door uitbouw van een LPG- of CNG-installatie, de uitbouw en het voertuig aan de eisen in bijlage X, hoofdstuk 2.

5.

Een personenauto, bedrijfsauto of bus moet bij wijziging in de constructie tevens voldoen aan de in bijlage IX, hoofdstuk 3, artikel 3, onderdeel b, opgenomen eisen ten aanzien van het weggedrag, voor zover dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het veilig gebruik van het voertuig.

6.

Een motorfiets moet bij wijziging in de constructie tevens voldoen aan de in bijlage IX, hoofdstuk 5, titel 2, artikel 6, opgenomen eisen ten aanzien van het weggedrag voor zover dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het veilig gebruik van het voertuig.

7.

Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing op bromfietsen en driewielige motorrijtuigen.

8.

In afwijking van artikel 6.1, eerste lid, mag een wijziging in de constructie van motorfietsen waarbij het vermogen afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde worden aangetoond door middel van een verklaring, afgegeven door de fabrikant van het voertuig of de vertegenwoordiger van die fabrikant in Nederland, waaruit blijkt dat de wijziging volgens fabrieksvoorschriften is uitgevoerd en het gewijzigde vermogen voorkomt in een typegoedkeuring.

Artikel 6.4
1.

Bij wijziging van de onderstaande voertuigonderdelen, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging:

2.

Bij het aanbrengen van een knielsysteem moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

3.

Bij wijziging van de inrichting van een taxi moet de gewijzigde inrichting voldoen aan de eisen in bijlage VI, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

4.

Bij wijziging van de inrichting van een bus moet de gewijzigde inrichting voldoen aan de eisen in hoofdstuk 3, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

Artikel 6.5

Indien een snelheidsbegrenzer wordt aangebracht, afgesteld of verzegeld in bedrijfsauto’s of bussen van de categorieën, genoemd in de artikelen 5.3.15, tweede lid, respectievelijk 5.3a.15, tweede lid, moeten deze voertuigen voldoen aan de in hoofdstuk 3 opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

Artikel 6.6
1.

Indien voor een bus een goedkeuring als T100-bus wordt verzocht, moet deze bus voldoen aan de in bijlage XI opgenomen eisen.

2.

Indien de bouw of inrichting van een bus, ten aanzien waarvan tevens keuring als T100-bus is verzocht, wordt gewijzigd, moet deze bus voldoen aan de in hoofdstuk 5, afdeling 3a, opgenomen eisen en aan de in bijlage XI opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

Artikel 6.7

Indien een koppeling wordt aangebracht op bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, moeten deze voertuigen voldoen aan de in hoofdstuk 3 opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

Artikel 6.8

Indien de vering van een aanhangwagen, niet zijnde een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg wordt gewijzigd, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Artikel 7.0

Een schadevoertuig moet na herstel voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.

Artikel 7.1
Eisen Wijze van keuren
1. Een schadevoertuig moet na herstel voldoen aan de in dit artikel vermelde eisen.
2. De voor het betreffende voertuig opgenomen eisen in hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10, zijn van toepassing. De in hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10, vermelde wijze van keuren is van toepassing.
3. Het chassis, frame dan wel de zelfdragende carrosserie moet de oorspronkelijke maatvoering hebben. De maatvoering van het chassis dan wel de bodemplaat van de zelfdragende carrosserie wordt met daartoe bestemde meetapparatuur gemeten. De relevante meetpunten aan de onderzijde van het voertuig worden gecontroleerd. De toegestane afwijking van de meetpunten van de voertuigbodem bedraagt 10 mm in zowel de lengte-, breedte-, als hoogterichting.
4. De wielstanden moeten overeenkomen met de fabrieksgegevens. De wielstanden worden met daartoe bestemde meetapparatuur gemeten. De volgende waarden worden vastgesteld: a. de totale sporing van de voorwielen; b. de totale sporing van de achterwielen; c. de wielvlucht van elk wiel; en d. de rijlijn van de achterwielen. Voor de sporing geldt een maximale afwijking van 0º30’ ten opzichte van de maximale fabriekstoleranties. Indien de fabriekstolerantie niet bekend is, mag de waarde links en rechts maximaal 1º verschillen. Voor de wielvlucht van elk wiel geldt een maximale afwijking van 0º30’ ten opzichte van de maximale fabriekstoleranties. Indien de fabriekstolerantie niet bekend is, mag de waarde links en rechts maximaal 1º verschillen. Voor de rijlijn geldt een maximale afwijking van 0º30’ ten opzichte van de maximale fabriekstoleranties. Indien de fabriekstolerantie niet bekend is, mag de waarde 1º zijn.
5. Indien elektronische veiligheidssystemen aanwezig zijn, moeten deze goed functioneren. Leden 5 en 6: visuele controle.
6. De autogordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Indien gordelspanners geactiveerd zijn geweest, moeten deze zijn vervangen.
7. De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven. Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
8. Op plaatsen waar is aangegeven dat zich een airbag bevindt, moet een niet geactiveerde airbag aanwezig zijn. Visuele controle, indien mogelijk, door middel van het uitlezen van het elektronische systeem.
9. Het voertuig moet van deugdelijke bouw en inrichting zijn. Visuele controle.

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

Afdeling 1. Algemeen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 8.1.1
1.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

2.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 8.1.2
1.

Met de in dit hoofdstuk opgenomen technische eisen worden gelijkgesteld de technische eisen die in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, zijn vastgesteld en die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

2.

Met de in dit hoofdstuk bedoelde certificaten van goedkeuring worden gelijkgesteld certificaten van goedkeuring afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt en die voldoen aan de eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

§ 2. Afmetingen en massa’s

C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen

Artikel 8.1.3
1.

De meetmiddelen, genoemd onder a tot en met h, j en k, moeten zijn typegoedgekeurd:

2.

Ten bewijze van een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een typekeuringscertificaat verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in de afdelingen 3 en 4 voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.

3.

Het eerste lid is niet van toepassing op niet in roetmeters geïntegreerde toerentellers en olietemperatuurmeters die gebruikt worden ten behoeve van de periodieke keuring.

Artikel 8.1.4

Een uitlaatgastester als bedoeld in artikel 8.1.3, eerste lid, onder i:

Artikel 8.1.4a
1.

De meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met h, j, k en l, ondergaan vóór ingebruikname een eerste keuring.

2.

Ten bewijze van een keuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een certificaat van eerste keuring verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in de afdelingen 3 en 4 voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.

Artikel 8.1.5
1.

De meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, ondergaan na ingebruikname periodiek een herkeuring. Ten bewijze van de herkeuring wordt een herkeuringscertificaat afgegeven.

2.

Voor het verkrijgen van het herkeuringscertificaat, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan aan de in de afdelingen 3 en 4 voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.

3.

Het tweede lid is niet van toepassing op een uitlaatgastester. Een uitlaatgastester voldoet voor het verkrijgen van het herkeuringscertificaat aan de eisen opgenomen in de bijlagen I en XII van richtlijn 2014/32/EU.

Artikel 8.1.6
1.

Kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters is gecertificeerd op grond van de in afdeling 4, paragraaf 9.5, opgenomen specifieke eisen.

2.

Koplamptestapparaten voldoen aan de in afdeling 4 opgenomen specifieke eisen.

Artikel 8.1.7
1.

Indien ter uitvoering van de in deze paragraaf bedoelde keuringen bijzondere hulpmiddelen nodig zijn of informatie nodig is, kan degene die het meetmiddel ter keuring aanbiedt, worden verzocht deze ter beschikking te stellen.

2.

Het niet beschikbaar stellen van noodzakelijke hulpmiddelen of informatie kan leiden tot het niet goedkeuren van het meetmiddel.

§ 2.2. Certificaten

Artikel 8.1.8

Een typekeuringscertificaat verliest zijn geldigheid, indien:

Artikel 8.1.9
1.

De geldigheidsduur van een keuringscertificaat bedraagt:

2.

In afwijking van het eerste lid, kan bij de typegoedkeuring een kortere geldigheidsduur worden bepaald.

3.

De geldigheidsduur, bedoeld in het eerste lid:

4.

Indien een keuringscertificaat wordt afgegeven binnen twee maanden vóór het tijdstip waarop de termijn, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, verstrijkt, vangt in afwijking van het derde lid de geldigheidsduur van het keuringscertificaat aan met ingang van dat tijdstip.

5.

Een keuringscertificaat verliest zijn geldigheid, indien:

6.

Specifieke gebruiksomstandigheden van belang bij de keuring en bij het gebruik van het meetmiddel, worden vermeld in het keuringscertificaat.

Artikel 8.1.10
1.

De aanvraag van een typekeuringscertificaat wordt, met inachtneming van de in de afdelingen 3 en 4 gestelde voorschriften, ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling.

2.

De aanvraag van een certificaat van eerste keuring dan wel een certificaat van herkeuring wordt voor wat betreft:

3.

De aanvraag van een erkenning voor het certificeren van kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters wordt, met inachtneming van de in afdeling 4 gestelde voorschriften, ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling.

Artikel 8.1.11

Vervallen

D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen

Artikel 8.1.12
1.

Elk meetmiddel dat een keuring of herkeuring ondergaat, wordt na iedere keuring voorzien van de verzegelingen die in het typekeuringscertificaat zijn beschreven.

2.

Onder verzegeling wordt verstaan:

3.

Na de eerste keuring, alsmede na de herkeuring, wordt op het meetmiddel een goedkeuringsmerk aangebracht door de keuringsinstelling of door een onderzoeksgerechtigde.

Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen

§ 1. Keuringsinstellingen

Artikel 8.2.1
1.

De aanwijzing door de minister van een keuringsinstelling als bedoeld in artikel 8.1.10, eerste lid, kan beperkt blijven tot een of meerdere bevoegdheden, alsmede tot een of meerdere meetmiddelen.

2.

De keuringsinstelling, bedoeld in het eerste lid, beschikt over een kwaliteitssysteem waarin de procedures zijn vastgelegd voor:

3.

De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, kan door de minister worden ingetrokken, indien de betrokken keuringsinstelling:

4.

Van de aanwijzing van een keuringsinstelling, alsmede van de intrekking daarvan, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 8.2.2

De in artikel 8.1.10, eerste lid, bedoelde keuringsinstelling is tevens belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen voortvloeiende uit de erkenning van onderzoeksgerechtigden en de erkenning van instellingen voor het certificeren van kalibratiegas. Het toezicht wordt uitgevoerd door hiertoe door deze keuringsinstelling aangewezen werknemers.

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 8.2.3
1.

Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als onderzoeksgerechtigde worden erkend ten aanzien van een bepaald meetmiddel, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met j, indien wordt voldaan aan de in de artikelen 8.2.4 en 8.2.5 gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling wordt vastgesteld.

2.

De erkenning wordt verleend op aanvraag en tegen betaling van het door de keuringsinstelling vastgestelde tarief.

3.

De aanvraag bevat gegevens met betrekking tot de organisatie van de onderneming of instelling, haar personele bezetting en de ten behoeve van het onderzoek te gebruiken standaarden en andere materiële middelen.

Artikel 8.2.4

De onderneming of instelling is voor wat betreft organisatie, personeel en materieel zodanig ingericht en beschikt over zodanige documentatie, dat zij in staat is met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat voldaan wordt aan de in de afdelingen 3 en 4 ten aanzien van het desbetreffende meetmiddel gestelde eisen.

Artikel 8.2.5

De aanvrager van een erkenning als onderzoeksgerechtigde beschikt over een relevant kwaliteitssysteem dat zodanig is opgezet dat wordt voldaan aan de kwaliteitsnorm NEN-EN-ISO 9001 in de meest recente versie of dat een naar het oordeel van de keuringsinstelling minimaal gelijkwaardig kwaliteitsniveau biedt. Hieraan wordt in ieder geval voldaan, indien de aanvrager het desbetreffende NEN-EN-ISO-certificaat kan overleggen.

Artikel 8.2.6
1.

In de beschikking van de keuringsinstelling houdende erkenning als onderzoeksgerechtigde worden de in verband met die erkenning van belang zijnde gegevens met betrekking tot de organisatorische, personele en materiële inrichting van de onderneming of instelling vastgelegd.

2.

Van de beschikking houdende erkenning als onderzoeksgerechtigde wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 8.2.7

Op een onderneming of instelling die als onderzoeksgerechtigde is erkend, rusten de volgende verplichtingen:

Artikel 8.2.8
1.

Een onderneming of instelling die als onderzoeksgerechtigde is erkend, stelt voorafgaand aan de herkeuring van een niet-mechanisch meetmiddel aan de hand van de documentatie, behorende bij de voor dat meetmiddel geldende typegoedkeuring, vast dat het betrokken meetmiddel niet op zodanige wijze is aangepast dat niet meer verondersteld mag worden dat het meetmiddel overeenstemt met het goedgekeurde type.

2.

Zolang er geen specifieke meetvoorwaarden zijn voor een meetmiddel en nadat vastgesteld is dat het meetmiddel niet op zodanige wijze is aangepast dat niet meer verondersteld mag worden dat het meetmiddel overeenstemt met het goedgekeurde type, mag de herkeuring door elke onderzoeksgerechtigde uitgevoerd worden.

Artikel 8.2.9
1.

De erkenning, bedoeld in artikel 8.2.3, eerste lid, wordt door de keuringsinstelling bij beschikking ingetrokken, indien:

2.

Van de beschikking houdende intrekking van de erkenning als onderzoeksgerechtigde wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 8.2.10

De onderzoeksgerechtigde is gehouden tot betaling aan de keuringsinstelling van het door deze keuringsinstelling ter zake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 8.2.11
1.

Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als inrichting voor het certificeren van kalibratiegas voor uitlaatgastesters worden erkend, indien wordt voldaan aan de in het tweede lid gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling wordt vastgesteld.

2.

De organisatie, het personeel en materieel is zodanig ingericht, dat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het te certificeren kalibratiegas de vereiste kwaliteit heeft. De standaarden die bij het certificeren worden gebruikt, zijn afgeleid van standaarden van de instelling, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Metrologiewet, dan wel van andere, door de minister aangewezen standaarden.

Artikel 8.2.12
1.

De erkenning wordt verleend op aanvraag en tegen betaling van het door de keuringsinstelling vastgestelde tarief.

2.

De aanvraag bevat gegevens met betrekking tot de organisatie van de onderneming of instelling, haar personele bezetting en de ten behoeve van het onderzoek te gebruiken standaarden en andere materiële middelen.

Artikel 8.2.13
1.

In de beschikking van de keuringsinstelling houdende erkenning als erkende instelling of onderneming voor het certificeren van kalibratiegas worden de in verband met die erkenning van belang zijnde gegevens met betrekking tot de organisatorische, personele en materiële inrichting van de onderneming of instelling vastgelegd.

2.

Van de beschikking houdende erkenning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 8.2.14

Op de tot het certificeren van kalibratiegas erkende inrichting rusten de volgende verplichtingen:

Artikel 8.2.15
1.

De erkenning, bedoeld in artikel 8.2.11, eerste lid, wordt door de keuringsinstelling bij beschikking ingetrokken, indien:

2.

Van de beschikking tot intrekking van de erkenning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 8.2.16

De erkende onderneming of instelling is gehouden tot betaling aan de keuringsinstelling van het door deze keuringsinstelling ter zake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.

Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen

Artikel 8.3.1

De in artikel 8.1.3 vermelde meetmiddelen voldoen, tenzij in afdeling 1 of 4 anders is bepaald, aan de in deze afdeling gestelde eisen.

Artikel 8.3.2
1.

Het meetmiddel is van een zodanige opbouw en werking, dat de toetsing aan dit hoofdstuk redelijkerwijs mogelijk is.

2.

Het meetmiddel is zodanig ingericht, dat er geen misverstanden kunnen ontstaan met betrekking tot de aangewezen of geregistreerde meetwaarde.

3.

Het meetmiddel is niet voorzien van een voor de gebruiker toegankelijke justeerinrichting of andere instelinrichting die de meetnauwkeurigheid kan beïnvloeden, tenzij het gebruik van deze inrichtingen in de specifieke eisen is toegestaan.

4.

Het meetmiddel heeft zodanige eigenschappen, dat geen onredelijke eisen gesteld worden aan de vaardigheid en inspanning van de gebruiker.

Artikel 8.3.3
1.

Bij het onderzoek naar de gevoeligheid voor invloedsfactoren wordt niet meer dan één onafhankelijke invloedsfactor gelijktijdig in beschouwing genomen.

2.

In afwijking van het eerste lid, geldt voor elektronische meetmiddelen die niet door het lichtnet worden gevoed dat gelijktijdig aan de eisen in artikel 8.3.4, vierde lid, en de spanningsvariatie-eis in 8.3.9, onder a, moet worden voldaan.

Artikel 8.3.4
1.

Indien in de specifieke eisen van afdeling 4 een controle-inrichting is voorgeschreven, stemt de werking en het resultaat van deze inrichting overeen met de door de fabrikant vastgelegde specificaties. Een onderbouwing van de waarde van het controleresultaat gerelateerd aan de maximale fout van het meetmiddel, wordt bij de aanbieding voor de typekeuring door de aanbieder overgelegd.

2.

De maximale fouten, genoemd in afdeling 4, gelden onder de vastgelegde gebruiksomstandigheden en bij gebruik van de meetmiddelen overeenkomstig de handleiding behorende bij het meetmiddel.

3.

Indien het meetmiddel wordt blootgesteld aan een verstoring, bedraagt een daarvan het gevolg zijnde verandering van de fout in de aanwijzing of registratie niet meer dan de waarde van de maximale fout, genoemd in afdeling 4. Aan deze eis behoeft niet te worden voldaan, indien de verstoring tot gevolg heeft dat:

4.

De vastgelegde gebruiksomstandigheden voor de omgevingstemperatuur omvatten het temperatuurgebied van –10 °C tot 40 °C. Het vermelde temperatuurgebied mag beperkt zijn tot het gebied van ten minste 5 °C tot 40 °C.

5.

Bij het onderzoek voor de typekeuring overlegt de aanbieder een schriftelijke verklaring waarin wordt bevestigd dat het meetmiddel voldoet aan de gestelde eisen. Tevens doet hij daarbij een opgave van de periode waarover het meetmiddel, bij normaal gebruik en bij correcte uitvoering van eventuele door de gebruiker te verrichten justeringen, wordt verwacht te voldoen aan de eisen met betrekking tot de maximale fout.

Artikel 8.3.5
1.

Elk meetmiddel is voorzien van de volgende duidelijk leesbare en onuitwisbare opschriften:

Indien een meetmiddel is opgebouwd uit een aanwijseenheid met een separaat aan te sluiten meeteenheid, zijn de aanduidingen, genoemd onder a tot en met e, tevens vermeld op de separate meeteenheid. De aanduidingen, genoemd onder f tot en met h, zijn aangebracht in de onmiddellijke nabijheid van de aanwijzing en worden herhaald bij elke aanwijsinrichting.

2.

Voor zover de meetmiddelen zijn voorzien van een registratie-inrichting, worden op elke registratie ten minste de aanduidingen, genoemd in het eerste lid, onder e en f, vastgelegd.

3.

Aanwijzingen en registraties bedoeld voor de gebruiker van het meetmiddel, zijn in de Nederlandse taal gesteld.

4.

Andere aanduidingen dan die bedoeld in het eerste en tweede lid, mogen slechts worden aangebracht voor zover deze niet leiden tot misleiding of misvatting.

Artikel 8.3.6
1.

Meetmiddelen zijn voorzien van een handleiding gesteld in de Nederlandse taal.

2.

Ter beoordeling van de meetresultaten bevat de handleiding ten minste:

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

Artikel 8.3.7

De elektronische meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, voldoen, tenzij in afdeling 1 of 4 anders is bepaald, aan de in deze paragraaf gestelde eisen.

Artikel 8.3.8

Vervallen

Artikel 8.3.9

Het meetmiddel voldoet wat betreft storingsgevoeligheid aan de volgende eisen:

Omschrijving Geldende eis Artikel Storingsniveau
spanningsvariatie 8.3.4, tweede lid B.6 1
spanningsonderbreking 8.3.4, derde lid B.7 2a en 2b
bursts (transienten) 8.3.4, derde lid B.8 2
elektrostatische ontlading 8.3.4, derde lid B.9 1
elektromagnetische instraling 8.3.4, derde lid B.10 2
Artikel 8.3.10

De metrologisch relevante programmatuur van het meetmiddel voldoet aan de volgende eisen:

§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen

Artikel 8.3.11

Een hulpinrichting is zodanig opgebouwd dat zij:

Artikel 8.3.12
1.

Hulpinrichtingen mogen worden aangesloten op de in deze regeling vermelde meetmiddelen, indien de desbetreffende combinatie voor gebruik is goedgekeurd.

2.

Indien de combinatie, bedoeld in het eerste lid, niet voor gebruik is goedgekeurd, mag een hulpinrichting worden aangesloten op een in deze regeling genoemd meetmiddel, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

3.

Een testcertificaat als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, moet zijn afgegeven door een keuringsinstelling op grond van een door die instelling uitgevoerd onderzoek, waarbij is vastgesteld dat aan de eisen, genoemd in artikel 8.3.11, is voldaan.

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 8.3.13
1.

Een hulpinrichting, bestaande uit een voorziening als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b, van de Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK, is voorzien van een geldig testcertificaat.

2.

Het testcertificaat wordt afgegeven door een keuringsinstelling.

3.

Artikel 8.1.8 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.3.14
1.

Een hulpinrichting, bestaande uit een voorziening als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b, van de Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK is voorzien van een geldig controlecertificaat.

2.

Het controlecertificaat wordt afgegeven door een keuringsinstelling of een onderzoeksgerechtigde.

3.

De artikelen 8.1.9 en 8.2.1 tot en met 8.2.10 zijn van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 1. Algemeen

§ 1. Algemene bepalingen

A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

Artikel 8.4.1

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 8.4.2

De handleiding behorende bij de roetmeter bevat naast de informatie, bedoeld in artikel 8.3.6, tweede lid:

A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

§ 1.1. Algemeen

Artikel 8.4.3

De roetmeter is voorzien van:

C. Gehandicaptenvoertuigen

Artikel 8.4.4
1.

De in de volgende leden opgenomen eisen worden getoetst ten opzichte van het verloop van de roetuitstoot als functie van de tijd, zoals dit verloop bij de maximale gasstroomsnelheid optreedt.

2.

De maximale fout van de roetmeter wordt gecontroleerd door vergelijking met een standaard roetmeter voor roetuitstoot door een representatief aantal personenauto’s en bedrijfsauto’s. De fout in de waarde gepresenteerd door of berekend uit het signaal van de testconnector mag niet meer bedragen dan 0,3 m–1 + 5%. Deze maximale fout geldt voor een roetpiek met een breedte van ten minste 0,25 seconde en een vlakheid binnen 20% van de gemiddelde waarde binnen deze 0,25 seconde.

3.

De specifieke fysische responsie van de roetmeter moet zodanig zijn aangevuld met een elektrisch correctiefilter, dat de piekwaarde zoals deze kan worden bepaald uit het op de testaansluiting gepresenteerde meetsignaal, niet meer dan 5% afwijkt van de waarde die zou worden verkregen indien de fysische responsie een verwaarloosbare invloed zou hebben en de werkelijke waarde van de roetpiek uitsluitend zou worden gereduceerd door een eerste orde elektrisch filter dat in 0,4 seconde 90% van een stapvormige verandering aanwijst. Deze eis geldt voor een willekeurige vorm van de roetpiek zoals deze onder praktische omstandigheden kan worden verkregen.

4.

De roetmeter moet zijn voorzien van een elektrisch filter dat volgens een vaste karakteristiek het meetsignaal beïnvloedt. Dit filter moet zijn opgenomen in het meetsignaal dat de waarde van de genormeerde opaciteit weergeeft. Dit hoofdfilter moet beantwoorden aan de volgende karakteristiek:

Hierin is:

N i het ingangssignaal van het filter;

N u het uitgangssignaal van het filter;

t de tijd in seconden;

τ de filterconstante in seconden;

De nominale waarde voor τ hierin is:

De tolerantie van de karakteristiek van het hoofdfilter wordt begrensd door de karakteristieken gevonden voor τ = 0,44 s en τ = 0,43 s.

De overeenkomstige karakteristiek in numerieke vorm wordt weergegeven door:

Y n = (1 – δ ) * Xn + δ * Yn–1

Hierin geldt voor δ de volgende waarde:

δ = 10 –ts

In het bovenstaande is ts de bemonsteringstijd in seconden van de ingangsgrootheid X en de waarde Y is de uitgangsgrootheid van het filter. De index n stelt het volgnummer van de bemonstering voor.

5.

De maximale verschuiving van de aanwijzing zonder doorvoer van uitlaatgas bij de aanwijzing 0% en 100% opaciteit mag niet meer bedragen dan 1% ongecorrigeerde opaciteit per uur of, indien justering als bedoeld in artikel 8.4.3, onderdeel b, na een bepaald tijdsinterval plaatsvindt, niet meer dan 0,5% ongecorrigeerde opaciteit over dit tijdsinterval.

C. Gehandicaptenvoertuigen

Artikel 8.4.5

Het optisch systeem voldoet aan de volgende eisen:

B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers

Artikel 8.4.6
1.

Een meetcuvette wordt op een temperatuur gehouden die ligt tussen de waarden 80 °C en 110 °C, tenzij door de aanbieder bij de typekeuring onomstotelijk wordt aangetoond dat een lagere temperatuur dan wel het achterwege laten van een verwarming van die cuvette een verwaarloosbare invloed heeft.

2.

De temperatuur van het uitlaatgas moet worden bepaald met een temperatuuropnemer waarvan de positie en de responsiesnelheid zodanig zijn dat voldaan wordt aan het vierde lid.

3.

De opwarmtijd van de roetmeter mag niet meer bedragen dan 15 minuten bij omgevingstemperaturen boven 10 °C en niet meer dan 20 minuten bij omgevingstemperaturen boven –10 °C. Tijdens deze opwarmtijd moeten metingen met de roetmeter niet mogelijk zijn.

4.

Het meetresultaat moet zijn gecorrigeerd voor de feitelijke temperatuur van het uitlaatgas ter plaatse waar de lichtabsorptie wordt gemeten. De correctie moet zodanig nauwkeurig worden berekend, dat de absorptiecoëfficiënt wordt weergegeven voor een uitlaatgastemperatuur van 100 ± 5 °C.

D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen

Artikel 8.4.7
1.

Een in de uitlaat van het motorvoertuig gebrachte sonde mag geen merkbare invloed hebben op de motorwerking.

2.

Een in de uitlaat geplaatste sonde moet zodanig zijn gepositioneerd, dat effecten van de wand van het uitlaatsysteem verwaarloosbaar zijn. Hieraan wordt voldaan, indien de opening van de sonde zich op een afstand van ten minste 5 mm van de wand van de uitlaat bevindt.

3.

Een monsternameslang moet van een zodanige opbouw zijn dat effecten veroorzaakt door condensatie worden geëlimineerd. Aan deze eis wordt voldaan als een ingangstemperatuur van 150 °C niet tot een lagere uitgangstemperatuur leidt dan 50 °C bij een gasstroomsnelheid in de uitlaat van niet meer dan 50 m/s en een omgevingstemperatuur van –10 °C dan wel 5 °C als een beperkende gebruiksomstandigheid voor het temperatuurgebied, bedoeld in artikel 8.3.4, vierde lid, geldt. De monsternameslang moet zijn voorzien van een identificatie.

E. Wagens

Artikel 8.4.8
1.

De roetmeter moet ten minste in de twee volgende functiestanden kunnen worden ingesteld:

2.

De roetmeter mag zijn voorzien van een functiestand ‘ongefilterde piekwaarde’, waarin de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt wordt aangewezen, niet beïnvloed door de werking van het hoofdfilter. In dat geval moet op de registratie het gebruik van deze functiestand zijn aangegeven.

3.

Andere functiestanden dan die bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn slechts toegestaan voor zover deze niet leiden tot misleiding of misvatting.

F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens

Artikel 8.4.9

De roetmeter is voorzien van een analoge of digitale aanwijsinrichting die ten minste de volgende aanwijzingen presenteert:

G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O

Artikel 8.4.10
1.

De roetmeter is voorzien van een interne of externe afdrukinrichting waarmee ten minste de volgende gegevens worden vastgelegd:

2.

Indien de meting, ongeacht de reden, vroegtijdig wordt beëindigd, moeten de tot dan gemeten gegevens met de afdrukinrichting kunnen worden vastgelegd.

3.

Andere informatie dan die bedoeld in het eerste en tweede lid, mag slechts worden geregistreerd voor zover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.

A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

Artikel 8.4.11
1.

De roetmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter overeenkomstig het bepaalde in de paragrafen 2 en 3 van dit hoofdstuk.

2.

Indien de roetmeter niet is voorzien van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter, moet de roetmeter zijn voorzien van een signaalingang waarmee het meetsignaal van een separate toerenteller en olietemperatuurmeter kan worden overgedragen naar de roetmeter.

E. Wagens

Artikel 8.4.12
1.

Alvorens tot de meting wordt overgegaan, moeten de gegevens, bedoeld in artikel 8.4.10, eerste lid, onderdeel b, in de roetmeter kunnen worden ingevoerd.

2.

De programmatuur van de roetmeter moet zodanig zijn dat degene die het apparaat bedient automatisch door de in het derde lid bedoelde meetprocedure wordt geleid.

3.

De meetprocedure moet achtereenvolgens ten minste de volgende stappen doorlopen:

Artikel 8.4.12a
2.

Roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven, kunnen worden omgebouwd tot roetmeters die aangeven dat de meetprocedure wordt beëindigd, indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste of tweede meting kleiner of gelijk is dan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1.

§ 2. Toerentellers

C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen

Artikel 8.4.13

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 8.4.14
1.

De handleiding behorende bij de toerenteller bevat naast de informatie, bedoeld in artikel 8.3.6, tweede lid:

2.

Indien het een geïntegreerde toerenteller betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.

C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen

Artikel 8.4.15

De maximale fout voor toerentellers bedraagt:

Artikel 8.4.16
1.

De toerenteller moet zijn voorzien van een aanwijsinrichting, die digitaal of analoog het gemeten toerental aangeeft.

2.

De aanwijzing van het toerental moet plaatsvinden in omwentelingen per minuut.

3.

De kleinste afleeseenheid mag ten hoogste een waarde hebben van 10 min–1.

4.

Het meetbereik van een toerenteller moet ten minste het gebied van 500 min–1 tot 6.000 min–1 omvatten.

Artikel 8.4.17

Niet-geïntegreerde toerentellers die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan het gemeten toerental kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.

§ 6. Diversen

C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen

Artikel 8.4.18

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 8.4.19
1.

De handleiding behorende bij de olietemperatuurmeter bevat naast de informatie, bedoeld in artikel 8.3.6, tweede lid:

2.

Indien het een geïntegreerde olietemperatuurmeter betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.

A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

Artikel 8.4.20

De maximale fout voor olietemperatuurmeters bedraagt:

Artikel 8.4.21
1.

De aanwijzing van de olietemperatuur moet plaats vinden in graden Celsius (°C).

2.

De kleinste afleeseenheid mag ten hoogste een waarde hebben van 2 °C.

3.

Het meetbereik van een olietemperatuurmeter moet ten minste het gebied van 50 °C tot 100 °C omvatten.

Artikel 8.4.22

De opnemer moet een zodanige lengte hebben en zodanig flexibel zijn dat het temperatuurgevoelige deel op een eenvoudige en bedrijfszekere wijze in de olie kan worden ondergedompeld die zich in het carter van de te onderzoeken voertuigmotor bevindt.

Artikel 8.4.23

Niet-geïntegreerde olietemperatuurmeters die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan de gemeten olietemperatuur kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.

§ 2. Eisen wijziging in de constructie

E. Wagens

Artikel 8.4.24

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 8.4.25

In afwijking van artikel 8.3.6, eerste lid, is voor de manometer geen handleiding vereist.

D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen

Artikel 8.4.26

De manometer voldoet aan de volgende eisen:

§ 5. Verbinding tussen voertuigen

A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

Artikel 8.4.27

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

E. Wagens

Artikel 8.4.28

De pedaalkrachtmeter voldoet aan de volgende eisen:

§ 1. Algemene bepalingen

§ 2.1. Algemeen

Artikel 8.4.29

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 8.4.30

De handleiding behorende bij de remvertragingsmeter bevat naast de informatie, bedoeld in artikel 8.3.6, tweede lid, de wijze van opstelling van de remvertragingsmeter, waarbij nader wordt belicht:

A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

Artikel 8.4.31
1.

De remvertragingsmeter is zodanig ingericht dat een controle van de juiste aanwijzing bij het nulpunt en bij de lokale waarde van de zwaartekrachtversnelling op een eenvoudige wijze mogelijk is.

2.

De remvertragingsmeter is voorzien van een standaanwijsinrichting, tenzij een automatische inrichting een juiste meting zonder een dergelijke inrichting mogelijk maakt.

Artikel 8.4.32

De remvertragingsmeter is voorzien van een justeerinrichting, indien voldaan wordt aan de volgende eisen:

Artikel 8.4.33

De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een standcorrectie-inrichting indien voldaan wordt aan de volgende eisen:

Artikel 8.4.34
1.

De maximale fout voor zowel toenemende als afnemende remvertraging bedraagt 0,1 m/s2.

2.

De maximale fout in de registratie van de meettijd bedraagt 2% van de werkelijke meettijd.

3.

De maximale fout in de meettijd voor de aanwijzing van een verandering van de remvertraging ter grootte van het gehele aanwijsbereik bedraagt 0,1 seconde.

4.

De maximale fout veroorzaakt door de standcorrectie-inrichting of door instelling op de grenswaarde van de standaanwijzing bij gebruik of justering bedraagt 0,02 m/s2.

5.

De maximale fout in de berekening van de resulterende meetwaarde bedraagt 0,02 m/s2.

6.

De maximale fout veroorzaakt door een beperkte afleesnauwkeurigheid van de analoge registratie, bedoeld in artikel 8.4.39, derde lid, bedraagt 0,02 m/s2.

Artikel 8.4.35

De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer.

Artikel 8.4.36

De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van meerdere aanwijsbereiken. Zij moeten in elk geval één aanwijsbereik hebben dat ten minste het gebied van 0 tot 9,81 m/s2 omvat.

Artikel 8.4.37

De remvertragingsmeter heeft een ononderbroken meetduur van ten minste 5 seconden.

Artikel 8.4.38

De remvertragingsmeter is voorzien van een registratie-inrichting, waarmee het verloop van de remvertraging als functie van de tijd wordt vastgelegd.

Artikel 8.4.39
1.

De remvertragingsmeter moet zijn voorzien van een analoge registratie waarmee het verloop van de remvertraging over ten minste 5 seconden zichtbaar wordt gemaakt.

2.

Een analoge registratie moet plaatsvinden op voor het doel geschikt materiaal met voldoende bestendigheid tegen vocht, vuil en temperatuurinvloeden.

3.

Indien de analoge registratie van de remvertraging de aanwijzing van de remvertragingsmeter vormt, dan wel bedoeld is om gebruikt te worden voor de vaststelling van de gemeten waarde, moet zowel een verandering van 1 m/s2 als een tijdsverloop van 1 seconde overeenkomen met een verandering in de registratiepositie van ten minste 5 mm.

4.

Voor remvertragingsmeters waarbij de analoge registratie slechts bedoeld is om te worden benut voor een globale informatie over het verloop van de remvertraging moet de verandering in de registratiepositie, bedoeld in het derde lid, ten minste 2,5 mm zijn.

Artikel 8.4.40
1.

Indien de analoge presentatie niet voldoet aan de eis in artikel 8.4.39, derde lid, of de eis in artikel 8.4.34, zesde lid, moet de remvertragingsmeter na elke meting een meetwaardetabel leveren waarin het verloop van de remvertraging als functie van de tijd en waar mogelijk de resulterende meetwaarde wordt weergegeven.

2.

De registratie van de remvertraging moet plaatsvinden met een interval tussen de verschillende meetwaarden van ten hoogste 0,1 seconde.

Artikel 8.4.41

Een resulterende meetwaarde is representatief voor de gemeten remvertraging, indien:

§ 7. Rollenremtestbanken

§ 1.2.5. Monsternamesysteem

Artikel 8.4.42

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 8.4.43

De handleiding behorende bij de rollenremtestbank bevat naast de informatie, bedoeld in artikel 8.3.6, tweede lid, de beperkingen in het gebruik en betekenis van de berekende remvertraging.

Artikel 8.4.44

Onverminderd het bepaalde in artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a, wordt een verzegeling aangebracht tussen de rollenremtestbank en zijn fundering.

§ 1.2.2. Maximale fout

§ 7.2.1. Controle-inrichting

Artikel 8.4.45

De rollenremtestbank moet een voorziening hebben waarmee op een betrouwbare en veilige wijze door het aanbrengen van een kracht inwerkend op de krachtopnemers een statische remkracht kan worden gesimuleerd.

Artikel 8.4.46
1.

Een rollenremtestbank moet zijn voorzien van de volgende controle-inrichtingen:

2.

Met de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de rollenremtestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle moeten alle circuits worden gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing. De omzetting van remkracht inclusief de circuits die het primaire meetsignaal genereren, mogen hiervan zijn uitgezonderd.

§ 1.2.4. Temperatuuraspecten

Artikel 8.4.47

Een geïntegreerde manometer of pedaalkrachtmeter voldoet aan de eisen in paragraaf 4 respectievelijk paragraaf 5 van deze afdeling.

E. Fietsen en fietsaanhangwagens

Artikel 8.4.48
1.

Voor een klasse I rollenremtestbank, dan wel voor het eerste aanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:

2.

Voor een klasse II rollenremtestbank, dan wel voor het tweede deelaanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:

Artikel 8.4.49

Bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fouten, bedoeld in artikel 8.4.48.

Artikel 8.4.50

Bij een rollenremtestbank voorzien van een extrapolatie-inrichting, is het maximale verschil tussen de gepresenteerde extrapolatiewaarde en de waarde berekend door middel van lineaire extrapolatie van de werkelijke waarden van de remkracht bij een ingestuurde druk van 1 bar en bij een ingestuurde druk 0,2 bar beneden de hoogste waarde, gebruikt bij de remtest van een voertuig, gelijk aan 2,5 maal de waarde, genoemd in artikel 8.4.48, tweede lid.

§ 1.2.7. Aanwijsinrichting

Artikel 8.4.51

De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde, indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.

§ 1.2.8. Registratie-inrichting

Artikel 8.4.52

Indien een rollenremtestbank voorzien is van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer voor de ingestuurde druk, zijn de in de paragrafen 7.2.4 tot en met 7.2.6 aan remkracht gestelde eisen, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8.4.53
1.

Klasse I rollenremtestbanken zijn voorzien van een analoge aanwijzing, eventueel in combinatie met een digitale aanwijzing.

2.

Klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken zijn voorzien van:

Artikel 8.4.54

Rollenremtestbanken voorzien van een extrapolatie-inrichting zijn voorzien van een geïntegreerde manometer voor de ingestuurde druk.

Artikel 8.4.55
1.

De rollenremtestbank is van een zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden verricht aan voertuigen waarvoor de rollenremtestbank op grond van het aanwijsbereik bestemd is.

2.

De rollenremtestbank is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die niet in werking mag treden voor remkrachten binnen het aanwijsbereik.

Artikel 8.4.56
1.

Het maximale draagvermogen van de rollen zoals vermeld op de rollenremtestbank mag per wiel en in kilogram uitgedrukt niet kleiner zijn dan een zesde maal de maximale waarde van het aanwijsbereik zoals uitgedrukt in Newton.

2.

De diameter van de rollen mag niet kleiner zijn dan:

3.

Tijdens de remtest is de omtreksnelheid van de rollen niet lager dan 2 km/h.

Artikel 8.4.57
1.

De rollenremtestbank is voorzien van een inrichting waarmee overmatige slijtage van de banden wordt voorkomen. Indien deze inrichting instelbaar is, kan instelling niet plaatsvinden zonder verbreking van een verzegeling.

2.

Het oppervlak van de rollen en de instelling van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, is zodanig dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent.

3.

Ten behoeve van de vaststelling dat de rollenremtestbank aan de eis, bedoeld in het tweede lid, voldoet, dient de fabrikant van de rollenremtestbank bij de aanbieding voor een typekeuring door middel van beproevingsresultaten aan te tonen dat aan de betreffende eis wordt voldaan over het gehele aanwijsbereik van de rollenremtestbank.

4.

Indien de inrichting, bedoeld in het eerste lid, instelbaar is, moet het mogelijk zijn de instelling van de desbetreffende inrichting bij een keuring vast te stellen.

A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O

Artikel 8.4.58

De rolweerstand wordt altijd als remkracht gepresenteerd.

Artikel 8.4.59

Op de rollenremtestbank kunnen gelijktijdig voor het linker- en rechterwiel van een gemeten as ten minste de volgende waarden worden vastgesteld:

Artikel 8.4.59a
1.

Indien een rollenremtestbank voorzien is van een presentatie van een berekende maximale remvertraging, moet de berekening van deze waarde gemaakt worden overeenkomstig de formule a = F/M; hierbij is F de berekende extrapolatiewaarde, bedoeld in artikel 8.4.69, en M de maximale massa per as van het voertuig zoals vermeld in het kentekenregister of op het kentekenbewijs, of bij opleggers het maximale gewicht van de assen tezamen zoals vermeld in het kentekenregister of op het kentekenbewijs.

2.

De in het eerste lid bedoelde waarde moet zijn voorzien van het bijschrift 'Berekende statische remvertraging’.

Artikel 8.4.59b
1.

Dynamische effecten moeten op een juiste wijze in de resulterende meetwaarde zijn verwerkt.

2.

Een resulterende meetwaarde mag niet worden gepresenteerd, indien de verkregen meetwaarden zo instabiel zijn dat niet kan worden voldaan aan de eis, bedoeld in artikel 8.4.51.

3.

Een resulterende meetwaarde mag niet eerder worden aangewezen dan na beëindiging van de remtest door:

4.

De rollenremtestbank moet zijn voorzien van een signalering die tijdens de remtest aangeeft dat de verkregen meetwaarden voldoende stabiel zijn om na beëindiging van de remtest een resulterende meetwaarde te presenteren.

§ 7.1. Algemeen

Artikel 8.4.60

De analoge aanwijzing is zodanig van opbouw dat de momentele waarde van een fluctuerende remkracht kan worden geschat en de voor de beoordeling van het onderzochte remsysteem relevante fluctuaties, alsmede het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel, in de momentele waarde zichtbaar zijn.

Artikel 8.4.61

Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing en een digitale aanwijzing is voorzien:

Artikel 8.4.62

Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing is voorzien, bedraagt de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid, niet meer dan een vijfde deel van de maximale fout voor statische metingen, geldend voor het betreffende meetresultaat.

Artikel 8.4.63

Een digitale aanwijzing is zodanig dat:

§ 1.2.5. Monsternamesysteem

Artikel 8.4.64
1.

Een gepresenteerde niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde moet betrekking hebben op de hoogste waarde van de gemiddelde remkracht over één rotatieperiode, zoals deze tijdens de remtest optreedt.

2.

Indien bij rollenremtestbanken die voorzien zijn van een registratie-inrichting de meting wordt beëindigd voordat de inrichting, bedoeld in artikel 8.4.57, eerste lid, in werking is getreden, wordt deze waarde aangegeven op de registratie, met voor luchtdrukgestuurde remsystemen daarbij de vermelding van de gemiddelde waarde van de ingestuurde druk, bepaald over de rotatieperiode, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 8.4.65

Een niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde reageert als volgt op testsignalen:

Artikel 8.4.66

Een rollenremtestbank die is voorzien van een extrapolatie-inrichting moet:

B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers

Artikel 8.4.67
1.

De verhouding van het druktraject waarover meting en extrapolatie plaatsvindt, ten opzichte van het druktraject waarover de meting plaatsvindt, dient te voldoen aan de volgende voorwaarde:

waarbij geldt: PX ≤ PEX

Hierin is:

PEX de maximum extrapolatiedruk;

PX de extrapolatiedruk;

PL de laagste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie;

PH de hoogste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie.

2.

Een gepresenteerde extrapolatiewaarde die op grond van de voorwaarde, genoemd in het eerste lid, betrekking heeft op een ingestuurde druk, lager dan de maximum extrapolatiedruk, moet duidelijk worden geïdentificeerd door een aangewezen en een afgedrukte waarschuwing dat de gesimuleerde of de werkelijke asbelasting nog kan worden verhoogd.

Artikel 8.4.68

Onregelmatigheden in de remkrachthelling voor waarden van de ingestuurde druk kleiner dan 1 bar, mogen niet leiden tot verschillende extrapolatiewaarden.

Artikel 8.4.69
1.

Een berekende extrapolatiewaarde reageert als volgt op testsignalen:

2.

Voor de berekening van de referentiewaarden, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt rekening gehouden met de werkelijke relatie tussen een statisch simulatiesignaal en de daaraan gerelateerde aangewezen waarde, waarbij de fluctuaties gesuperponeerd op het simulatiesignaal zijn geëlimineerd.

Artikel 8.4.70

Na beëindiging van de remtest mag naast de berekende extrapolatiewaarde tevens een gemeten waarde voor de remkracht en de bijbehorende ingestuurde druk worden gepresenteerd. Deze gemeten waarden moeten overeenkomen met de voor het extrapolatieproces gebruikte hoogste waarden voor de gemiddelde remkracht per rotatieperiode en de bijbehorende ingestuurde druk, gemiddeld over dezelfde periode. Deze waarde voldoet aan de eisen in paragraaf 7.2.6, met uitzondering van artikel 8.4.65, onderdeel b.

§ 1.1. Algemeen

Artikel 8.4.71
1.

Een klasse II en klasse I/II rollenremtestbank moeten zijn voorzien van een interne of externe afdrukinrichting waarmee ten minste de volgende gegevens worden vastgelegd:

2.

Andere informatie dan die bedoeld in het eerste lid, mag slechts worden geregistreerd voor zover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.

D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen

Artikel 8.4.72
1.

Klasse I rollenremtestbanken en klasse I/II rollenremtestbanken, voor wat betreft het klasse I-bereik waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de eisen die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, moeten blijven voldoen aan die eisen.

2.

Ten aanzien van rollenremtestbanken als bedoeld in het eerste lid, bedraagt in afwijking van de eisen gesteld aan meetnauwkeurigheid de maximale fout, in plus en in min, bij een kracht:

Artikel 8.4.73
1.

Klasse II rollenremtestbanken en klasse I/IIrollenremtestbanken die niet voorzien zijn van hydraulische of pneumatische krachtopnemers waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de voorschriften die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, mogen tot uiterlijk 36 maanden na de datum van afgifte van het certificaat worden gebruikt bij een algemene periodieke keuring.

2.

Rollenremtestbanken als bedoeld in het eerste lid, moeten uiterlijk na 36 maanden na 1 februari 2004 voldoen aan de eisen in dit hoofdstuk, met uitzondering van de artikelen 8.3.4, vijfde lid, 8.3.5, eerste lid, onderdelen b en g, 8.3.5, tweede lid, 8.3.5, derde lid, 8.3.11, 8.4.56, tweede lid, en 8.4.57, derde lid, met dien verstande dat:

§ 8. Platenremtestbanken

§ 1.2.2. Maximale fout

Artikel 8.4.74

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

§ 1.2.1. Controle-inrichtingen

Artikel 8.4.75
1.

De platenremtestbank moet een voorziening hebben waarmee op een betrouwbare en veilige wijze door het aanbrengen van een kracht inwerkend op de krachtopnemers een statische remkracht kan worden gesimuleerd.

2.

De platenremtestbank moet zijn voorzien van de volgende controle-inrichtingen:

3.

Met de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de platenremtestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle moeten alle circuits worden gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing. De omzetting van remkracht inclusief de circuits die het primaire meetsignaal genereren, mogen hiervan zijn uitgezonderd.

§ 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling

§ 1.2.5. Monsternamesysteem

Artikel 8.4.77

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 8.4.78

Vervallen

Artikel 8.4.79

De deeltjesteller is, naast de in artikel 8.3.5, eerste lid, vermelde opschriften, voorzien van een opschrift dat het minimale en het nominale debiet aangeeft.

Artikel 8.4.80

Het aantal deeltjes per volume wordt uitgedrukt als aantal deeltjes per cm3 voor deeltjes met gespecificeerde maten, bijvoorbeeld ‘#/cm3’.

§ 1.2.5. Monsternamesysteem

Artikel 8.4.81

De afleeseenheid mag niet meer bedragen dan 1.000 deeltjes/cm3.

Artikel 8.4.82

Het minimum meetbereik, dat onderverdeeld mag worden, bedraagt 5.000 tot 5.000.000 deeltjes/cm3. Overschrijding van het meetbereik wordt (visueel) aangegeven door het instrument.

Artikel 8.4.83
Soort fout Maximale fout * [deeltjes/cm3]
Absoluut 25.000
Relatief ± 25% van de werkelijke waarde
Artikel 8.4.84
1.

De maximale fouten, bedoeld in artikel 8.4.83, wordt onder de volgende condities, bij een deeltjesgrootte van 80 nm +/- 5% tenzij anders aangegeven, niet overschreden:

2.

De detectie efficiëntie gerelateerd aan de deeltjesgrootte is:

Detectie efficiëntie Deeltjesgrootte
20 – 60% 23 nm +/- 5%
60 – 130% 50 nm +/- 5%
70 – 130% 80 nm +/- 5%
3.

De volgende verstoringen mogen geen invloed hebben die groter is dan de absolute maximale fout of moeten automatisch door het instrument worden gedetecteerd en aangegeven:

4.

Bij de meting van deeltjesconcentratie wijst een instrument, met inbegrip van het bijbehorende systeem voor gasbehandeling, bij onderzoek met referentie PN-monsters, binnen 15 seconden 95% van de uiteindelijke waarde aan na verandering van omgevingslucht (responsietijd). Het instrument mag voorzien zijn van een registratie inrichting om deze eis te controleren.

5.

Na de opwarmtijd voldoet het instrument aan de metrologische eisen volgens dit voorschrift. Het instrument voorkomt een aanwijzing van deeltjesconcentratie gedurende de opwarmtijd.

6.

Bij normaal gebruik van het instrument mogen de meetresultaten, na justering met een referentie PN-monster of de interne justeerinrichting, de maximale fouten gedurende ten minste twaalf uur niet overschrijden, zonder dat gedurende deze periode gebruik wordt gemaakt van een referentie PN-monster of interne justering door de gebruiker. Indien het instrument is uitgerust met een methode voor driftcompensatie, zoals een automatische nulstelling of een automatische interne justering, mag de werking van deze justeringen geen aanwijzing veroorzaken die kan leiden tot verwarring met een meting van een externe deeltjesconcentratie.

7.

Indien door dezelfde persoon met hetzelfde instrument binnen relatief korte tijd twintig opeenvolgende metingen aan hetzelfde referentie PN-monster worden uitgevoerd, mag de standaarddeviatie van deze twintig resultaten niet groter zijn dan een derde van de absolute waarde van de maximale fout.

§ 1.2.5. Monsternamesysteem

D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen

Artikel 8.4.85
1.

Alle onderdelen van het gasbehandelingssysteem zijn vervaardigd van materialen die bestand zijn tegen corrosie; in het bijzonder is het materiaal van de sonde bestand tegen de temperatuur van uitlaatgassen. De gebruikte materialen mogen de samenstelling van het gasmonster niet beïnvloeden.

2.

De sonde is zodanig ontworpen dat deze ten minste 30 cm in de uitlaatpijp van het voertuig kan worden gebracht en dat deze, ongeacht de insteekdiepte, door een bevestiging op zijn plaats wordt gehouden.

3.

Het instrument bevat:

4.

Indien een referentie PN-monster nodig is vanwege het meet principe, is een simpele voorziening om een monster te verzorgen bij het instrument beschikbaar.

5.

De pomp waarmee het gas wordt aangezogen:

6.

Het instrument bevat een inrichting die aangeeft wanneer de gasstroom daalt tot een niveau dat zou veroorzaken dat:

Deze inrichting moet voorkomen dat er metingen kunnen worden uitgevoerd wanneer één van deze grenswaarden is bereikt.

7.

Het gasbehandelingssysteem is zodanig luchtdicht dat de invloed op het meetresultaat door verdunning met omgevingslucht niet meer bedraagt dan de helft van de absolute waarde van de maximale fout;

Wanneer een zodanig lek optreedt dat één van deze grenswaarden wordt overschreden, mogen geen metingen worden uitgevoerd.

Een schone lucht test procedure met voldoende nauwkeurigheid (bijvoorbeeld HEPA filter met 99,97% efficiëntie) om dit lek te detecteren is beschreven in de handleiding.

8.

Het instrument bevat een inrichting die minimaal bij eerste gebruik per etmaal een automatische nulstelling of nulstelling-procedure uitvoert. Deze inrichting mag gecombineerd zijn met de schone-lucht-test-procedure in het zevende lid.

9.

Het instrument heeft een registratiefrequentie gelijk aan of groter dan 1 Hz.

10.

De registratietijd bedraagt in totaal minimaal 15 seconden en mag worden opgedeeld in perioden.

Artikel 8.4.86
1.

Het instrument is volgens goed vakmanschap ontworpen om te verzekeren dat deeltjesconcentratie reductie factoren stabiel zijn gedurende een voertuig test.

2.

Het instrument heeft meer dan 95 procent verwijderingseffectiviteit van 30 nm Tetracontaan (C40H82) deeltjes bij een concentratie van 5.000 tot 10.000 per cm3.

§ 1.2.7. Aanwijsinrichting

Artikel 8.4.87
1.

Indien de detectie van verstoringen als bedoeld in artikel 8.4.84, derde lid plaatsvindt met automatische controle-inrichtingen, moet het mogelijk zijn het juiste functioneren hiervan te controleren.

2.

Het instrument is voorzien van een automatische controle-inrichting die zodanig functioneert dat, voordat een meting kan worden aangewezen of afgedrukt, alle interen justeringen, referentie PN-monster justering en alle andere controle-inrichting parameters zijn gewaarborgd voor de juiste waarde of status (dat is binnen de grenswaarden).

§ 1.2.8. Registratie-inrichting

Artikel 8.4.88
1.

Voor zover het instrument is voorzien van een voor de gebruiker toegankelijke justering, vindt deze justering plaats door middel van een semi-automatische justeerinrichting.

2.

Indien bij een instrument, uitgevoerd met een automatische of semi-automatische justeerinrichting, justering noodzakelijk is, mag geen meting mogelijk zijn alvorens de juiste justeringen zijn uitgevoerd.

3.

Zowel bij een automatische als een semi-automatische justeerinrichting is een signalering toegestaan voor een noodzaak tot justering.

§ 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting

Artikel 8.4.89

Vervallen

§ 10. Bromfietsrollentestbank

§ 1.2. Technische eisen

Artikel 8.4.90

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

§ 3.1. Algemeen

Artikel 8.4.91
1.

Een bromfietsrollentestbank is voorzien van de volgende controle-inrichtingen:

2.

Met de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de bromfietsrollentestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle worden alle circuits gecontroleerd die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing.

§ 3.2. Technische eisen

Artikel 8.4.92

De maximale fout voor bromfietsrollentestbanken bedraagt bij een snelheid:

Artikel 8.4.93

Een bromfietsrollentestbank simuleert een weerstand die overeenkomt met de wegweerstand.

Artikel 8.4.94

De maximale fout in de meting van de omtreksnelheid van de rollen bedraagt één tiende van de maximale fout, bedoeld in artikel 8.4.92.

Artikel 8.4.95

De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde, indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.

§ 3.2. Technische eisen

Artikel 8.4.96
1.

De bromfietsrollentestbank is voorzien van een digitale aanwijzing.

2.

De bromfietsrollentestbank mag zijn voorzien van:

Artikel 8.4.97

Een bromfietsrollentestbank is van een zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden verricht waarvoor de bromfietsrollentestbank op grond van zijn aanwijsbereik is bestemd.

Artikel 8.4.98

Het oppervlak van de rollen is zodanig dat de diameter niet meer dan 0,5% varieert.

§ 1.2.7. Aanwijsinrichting

Artikel 8.4.99

De bromfietsrollentestbank stelt ten minste de volgende waarden vast:

Artikel 8.4.100

Dynamische effecten zijn op een juiste wijze in de resulterende meetwaarde verwerkt.

§ 1.2.4. Temperatuuraspecten

Artikel 8.4.101

De afmetingen van de cijfers, alsmede de helderheid en het contrast van de weergave, van een digitale aanwijsinrichting zijn zodanig dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze mogelijk is.

§ 4.2. Technische eisen

Artikel 8.4.102

Een gepresenteerde resulterende meetwaarde heeft betrekking op de hoogste waarde van het gemiddelde over minimaal 2 seconden waarbij het voertuig zijn maximale prestatie levert.

§ 4.1. Algemeen

Artikel 8.4.103
1.

Indien een bromfietsrollentestbank is voorzien van een interne of externe afdrukinrichting, worden ten minste de volgende gegevens vastgelegd:

2.

Andere informatie dan die bedoeld in het eerste lid, mag slechts worden geregistreerd voor zover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.

§ 1.2.7. Aanwijsinrichting

Artikel 8.4.104

Onverminderd het bepaalde in artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a, wordt, indien de bromfietsrollentestbank is bedoeld voor installatie in de vloer, een verzegeling aangebracht tussen de bromfietsrollentestbank en zijn fundering.

Artikel 8.4.105

De handleiding behorende bij de bromfietsrollentestbank bevat naast de informatie, bedoeld in artikel 8.3.6, tweede lid:

§ 6. Remvertragingsmeters

§ 2.2. Certificaten

Artikel 8.4.106

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

Artikel 8.4.107

De geluidsniveaumeter en de geluidsbron worden jaarlijks getoetst volgens de eisen, bedoeld in artikel 8.4.108.

§ 6.2. Technische eisen

Artikel 8.4.108

De geluidsniveaumeter en de geluidsbron voldoen ten minste aan de eisen in richtlijn 70/157/EEG, ten bewijze waarvan verklaringen aanwezig zijn van een keuringsinstelling als bedoeld in artikel 8.1.10.

Artikel 8.4.109

Vervallen

§ 12. Koplamptestapparaten

Artikel 8.4.110

Het koplamptestapparaat voldoet aan de volgende eisen:

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

§ 1. Ontheffingen

Artikel 9.1

Onverminderd het bepaalde in artikel 149a, tweede lid, van de wet, kan het ingevolge artikel 149 van de wet bevoegde gezag ontheffing verlenen van het bepaalde in de artikelen 5.1.1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid, 5.1.2 en 5.1.3.

§ 2. Onderzoeksgerechtigden

Artikel 9.2

De aanvrager van een ontheffing dient bij zijn aanvraag het voor de ontheffing vastgestelde tarief aan het bevoegd gezag te voldoen op de door het bevoegd gezag vastgestelde wijze.

§ 3. Olietemperatuurmeters

Artikel 9.3

Het bevoegd gezag vermeldt in de beschikking houdende verlening van de ontheffing ten minste de volgende gegevens:

§ 7. Rollenremtestbanken

Artikel 9.4
1.

Het bevoegd gezag kan tarieven vaststellen voor het behandelen van aanvragen tot ontheffing.

2.

Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van de tarieven bepalen dat in geval van weigering of buiten behandeling laten van een aanvraag een deel van het voldane tarief wordt terugbetaald aan de aanvrager.

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Artikel 10.1

Overtreding van de artikelen 5.1.1, eerste en tweede lid, 5.1.2, en 5.1.3 is een strafbaar feit.

Artikel 10.2

Bij veroordeling van de bestuurder van een motorvoertuig wegens overtreding van artikel 5.1.1, eerste of tweede lid, of artikel 5.1.2 kan hem de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 11.1

Vervallen

Artikel 11.2

Vervallen

Artikel 11.3

Vervallen

Artikel 11.4

Vervallen

Artikel 11.5

Vervallen

Artikel 11.6

Vervallen

Artikel 11.7

Voertuigen van de voertuigcategorie N die vóór 29 april 2009 zijn goedgekeurd en geregistreerd als kampeerwagen, ambulance of lijkwagen in een andere lidstaat van de Europese Unie en waarvoor na 28 april 2009 een kentekenbewijs wordt aangevraagd, dan wel waarvoor na 31 december 2013 inschrijving of tenaamstelling wordt gevraagd, blijven tot deze voertuigcategorie behoren, mits de inrichting dan wel de typecarrosserie niet is gewijzigd.

Artikel 11.8
1.

Voor middenasaanhangwagens waarvoor vóór 29 april 2009 een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs is afgegeven, wordt onder de wielbasis verstaan de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig.

2.

Voor middenasaanhangwagens in gebruik genomen na 28 april 2009, die zijn toegelaten op grond van een nationale typegoedkeuring die is afgegeven vóór 29 april 2009, is de wielbasis de horizontaal evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig.

Artikel 11.9
1.

In afwijking van artikel 2.2 wordt van een voertuig dat op grond van artikel 58y van het Kentekenreglement is ingeschreven en te naam gesteld de datum van eerste toelating vastgesteld op:

2.

Na 31 december 2020 worden geen voertuigen gewijzigd in een motorrijtuig met beperkte snelheid.

3.

Na 30 juni 2021 worden geen motorrijtuigen met beperkte snelheid voor het eerst in gebruik genomen.

Artikel 11.10

Vervallen

Artikel 11.11
1.

Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een voertuig geen gegeven bevat als bedoeld in artikel 5.2.7, eerste of tweede lid, artikel 5.2.23, artikel 5.3.23, of artikel 5.4.21, blijft toepassing van het betrokken artikel of artikellid voor wat betreft het in dat artikel of artikellid geregelde aspect ten aanzien van het betrokken voertuig achterwege.

2.

Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in artikel 5.3.7, eerste lid, worden voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum last onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum last onder de achteras(sen tezamen)’.

3.

Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in artikel 5.3.7, tweede lid, wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximummassa’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde ‘massa ledig voertuig’ en het ‘laadvermogen’, dan wel de op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde ‘maximummassa beladen voertuig’.

4.

Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in artikel 5.12.7, eerste lid, worden voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum druk onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum druk onder de achteras(sen tezamen)’.

5.

Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in artikel 5.12.7, tweede lid, wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximummassa’ aangemerkt de som van het voor het betrokken voertuig op de kentekencard of het kentekenbewijs vermelde ‘ledig gewicht’ en het ‘laadvermogen’, dan wel het op de kentekencard of het kentekenbewijs vermelde ‘maximum totaalgewicht’.

Artikel 11.12

Ontheffingen die door het bevoegde gezag zijn verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijven geldig voor de geldigheidsduur van de desbetreffende ontheffing.

Artikel 11.13

De volgende regelingen worden ingetrokken:

Artikel 11.14

De volgende bekendmakingen worden ingetrokken:

Artikel 11.15

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit voertuigen in werking treedt.

Artikel 11.16

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling voertuigen.

Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid

Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer

Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer

§ 1. Algemeen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer

§ 1. Algemeen

Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.

Artikel 3. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig

Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.

Artikel 2. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig

Artikel 5. Nader onderzoek

Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.

§ 3. Samengestelde voertuigen

Artikel 4. Identificatie

Artikel 5. Nader onderzoek

Artikel 8. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn

§ 3. Samengestelde voertuigen

Artikel 6. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn

Artikel 7. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn

Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.

Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Artikel 9. Wijze van inslag

Artikel 10. Geen inslag van het voertuigidentificatienummer

Artikel 1. Begripsbepalingen

§ 2. Voertuigen

Wijze van bepalen datum eerste toelating

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.

Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.

§ 1. Algemeen

Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer

Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.

Artikel 1. Begripsbepalingen

Artikel 5. Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland

Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.

Artikel 2. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig

Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.

Artikel 3. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig

Artikel 11. Onjuiste datum eerste toelating

Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.

Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid

Artikel 7. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn

§ 3. Samengestelde voertuigen

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer

§ 1. Algemeen

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

Artikel 9. Wijze van inslag

§ 2. Voertuigen

Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7

Artikel 1. Begripsbepalingen

Artikel 3. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig

§ 1. Algemeen

Artikel 4. Identificatie

Artikel 5. Nader onderzoek

Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.

§ 3. Samengestelde voertuigen

Artikel 6. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn

Artikel 7. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn

Artikel 8. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn

Zelfbalancerende bromfietsen moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de eisen opgenomen in annex 2 van deze bijlage.

Artikel 9. Wijze van inslag

Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.

Artikel 7. Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten

Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.

Wijze van bepalen datum eerste toelating

§ 1. Algemeen

Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer

Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer

Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer

Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Artikel 1. Begripsbepalingen

Artikel 2. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig

§ 2. Voertuigen

Artikel 2. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig

Artikel 1

Artikel 3. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig

Artikel 5. Nader onderzoek

Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer

Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer

§ 1. Algemeen

Artikel 1. Begripsbepalingen

§ 2. Voertuigen

§ 2. Voertuigen

Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig

Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig

Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig

Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.

Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer

Artikel 5. Identificatie

Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.

Artikel 6. Nader onderzoek

§ 3. Samengestelde voertuigen

§ 3. Samengestelde voertuigen

VN/ECE-reglement 100: reglement nr. 100 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van elektrische voertuigen wat de specifieke voorschriften inzake constructie, functionele veiligheid en emissie van waterstof betreft.2Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).

Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn

Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.

Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie

Hoofdstuk 2. Inslag voertuigidentificatienummer

Hoofdstuk 2. Inslag van het voertuigidentificatienummer

Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer

Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer

Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.

Artikel 1. Begripsbepalingen

Wijze van bepalen datum eerste toelating

§ 2. Voertuigen

Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig

Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.

Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig

Artikel 3. Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.

Artikel 4. Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.

Artikel 5. Identificatie

Artikel 6. Nader onderzoek

Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer

Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer

§ 1. Algemeen

Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.

Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer

Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.

§ 1. Algemeen

Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer

Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer

Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.

Artikel 1. Begripsbepalingen

Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer

Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer

Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

§ 2. Voertuigen

Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig

Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.

Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig

Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.

Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer

In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.

Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid

Artikel 6. Nader onderzoek

Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.

Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.8, vierde lid

Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn

Artikel 7a. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar meer dan 180° draaibaar zijn

Artikel 6. Nader onderzoek

Artikel 7b. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar niet verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar niet meer dan 180° draaibaar zijn

§ 3. Samengestelde voertuigen

Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn

Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.

Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.

Hoofdstuk 2. Inslag van het voertuigidentificatienummer

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.

Artikel 12. Geen inslag van het voertuigidentificatienummer

Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie

§ 2. Voertuigen

Wijze van bepalen datum eerste toelating

Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.

Artikel 1. Begripsbepalingen

§ 2. Voertuigen

Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.

Wijze van bepalen datum eerste toelating

Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van:

Artikel 1. Begripsbepalingen

Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.

Artikel 5. Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland

Artikel 6. Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd

Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.

Artikel 7. Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten

Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.

Artikel 5. Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland

Artikel 9. Voertuig is eerder in gebruik genomen

Artikel 6. Nader onderzoek

Artikel 10. Nader onderzoek

De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.

Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn

Artikel 9. Voertuig is eerder in gebruik genomen

Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.

Artikel 10. Nader onderzoek

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.

Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn

De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.

§ 1. Algemeen

Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.

§ 1. Begripsbepalingen

De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.

Nationale kleine serie typegoedkeuring en individuele goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S

§ 2. Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens

§ 2.1. Eisen niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens

Vervallen.

Artikel 3

Artikel 2b

Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.

Artikel 2d

Artikel 5

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 6. Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd

§ 2.2. Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en fietsaanhangwagens

Artikel 10

Individuele toelatingseisen voor voertuigen van de voertuigcategorie O

Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.

Artikel 9. Voertuig is eerder in gebruik genomen

Artikel 12

Individuele inrichtingseisen voor voertuigen met de voertuigclassificatie M2 of M3

Artikel 13

Artikel 14

Hoofdstuk 2. Goedkeuringseisen

Artikel 15

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:

Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11

Vervallen

Artikel 17

Artikel 18

De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.

Artikel 7. Bescherming tegen brandrisico’s; elektrische installatie

§ 2.3. Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:

Artikel 10. Deuren; plaats en aantal

Artikel 21

Artikel 12. Deuren; overige eisen

Artikel 22

De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.

Artikel 23

Artikel 16. Toegangen; verbindingsweg tussen twee compartimenten

De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig verticaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig verticaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.

Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer

Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer

§ 1. Algemeen

Artikel 1. Begripsbepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27

Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig

Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig

Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.

Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig

Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.

Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer

In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.

Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12

Artikel 6. Nader onderzoek

§ 3. Samengestelde voertuigen

Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn

Artikel 7a. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar meer dan 180° draaibaar zijn

Artikel 7a. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar meer dan 180° draaibaar zijn

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.

Artikel 7b. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar niet verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar niet meer dan 180° draaibaar zijn

Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn

Boven de treden bij een bedrijfsdeur en indien zich plaatselijk meer dan één trede in de hoofddoorgang bevindt moeten bij deze treden doelmatige handgrepen ten behoeve van de passagiers zijn aangebracht. De vrije ruimte om deze handgrepen moet ten minste 0,035 m bedragen.

Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn

Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie

Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie

Hoofdstuk 2. Inslag van het voertuigidentificatienummer

Artikel 11. Wijze van inslag

Artikel 12. Geen inslag van het voertuigidentificatienummer

Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

§ 1. Algemeen

Artikel 1. Begripsbepalingen

§ 2. Voertuigen

Artikel 2. Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.

Artikel 3. Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig

Artikel 3. Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig

Artikel 4. Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.

De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan: gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.

Artikel 6. Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd

Artikel 6. Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd

Artikel 7. Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten

Artikel 8. Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating

Artikel 8. Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating

Artikel 9. Voertuig is eerder in gebruik genomen

Artikel 9. Voertuig is eerder in gebruik genomen

Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.

Artikel 11. Onjuiste datum eerste toelating

Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.

Hoofdstuk 1. Voertuigeisen

Titel 1. Algemeen

§ 1. Vaststelling afmetingen

Artikel 1

Op de retroreflector moet:

Artikel 2

Artikel 11

Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

Artikel 1

In deze bijlage en de bijbehorende annexen wordt verstaan onder:

§ 2.1. Eisen niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens

De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.

Artikel 3

Artikel 3

Artikel 4

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.

Artikel 5

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 9

Op de retroreflector moet:

Artikel 10

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 11

Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 14

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.

Artikel 15

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 18

Artikel 19

Artikel 19

§ 2.3. Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen

Artikel 20

Artikel 20

Artikel 21

Artikel 21

Artikel 22

Artikel 22

Artikel 23

Artikel 23

Artikel 24

Artikel 24

Annex 1. behorende bij de artikelen 3, 4, 5, 6, eerste lid, 7, vierde lid, 8, eerste lid, en 22

A. Meting lichtsterktecoëfficiënt

B. Proef waterpenetratie

B. Proef waterpenetratie

C. Brandstoffenproef voorzijde

D. Brandstoffenproef achterzijde

D. Brandstoffenproef achterzijde

E. Smeermiddelenproef voorzijde

F. Warmteproef

F. Warmteproef

G. Meetopstelling ter bepaling van de kleur van het retroreflecterende licht

H. Corrosieproef

I. Sterkte bevestiging

Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.

A. Proef waterpenetratie

B. Brandstoffenproef voorzijde

C. Brandstoffenproef achterzijde

D. Smeermiddelenproef voorzijde

Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.

E. Warmteproef

F. Proef bestandheid tegen inslag

G. Corrosieproef

H. Proef sterkte bevestiging

Annex 3. behorende bij de artikelen 23 en 24

A. Meting lichtsterktecoëfficiënt

Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.

B. Proef waterpenetratie

Artikel 44. Roetmeting

Toelatingseisen taxi’s

Artikel 1. Begripsbepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

Deze paragraaf is van toepassing voor zover het voertuig is voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, dit systeem is voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting en communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.

Artikel 3.1. Aantal uitgangen

Artikel 3.1. Aantal uitgangen

Indien wordt voldaan aan artikel 45b en het uitleesapparaat geen foutcodes beginnend met de letter P weergeeft in modus 03 en de readiness-test is afgerond, is de EOBD-procedure succesvol doorlopen.

Artikel 3.3. Afmetingen uitgangen

Artikel 3.4. Uitvoering uitgangen

Artikel 3.5. Handgrepen uitgangen

Artikel 3.5. Handgrepen uitgangen

Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.

Artikel 3.7. Oprijplateau’s en -goten

Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden, moet aan de volgende eisen voldoen:

Artikel 3.8. Liftinstallaties

De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:

Artikel 5. Zitplaatsen

Artikel 6. Plaatsen voor rolstoelen

De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:

Titel 5. Ophanging

§ 1. Loadindex

Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.

Hoofdstuk 1. Voertuigeisen

De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:

§ 1. Vaststelling afmetingen

Artikel 1

Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:

Artikel 2

Afdeling 1. Onderdelen van de reminrichting

De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:

Artikel 3

Titel 2. Algemene bouwwijze van het voertuig

Afdeling 1. Voertuigen zonder een volledig dragend chassis

Artikel 4

De beoordeling van roestschade vindt plaats:

Artikel 55. Remslang

Remslangen mogen:

§ 4. Wijze van keuren

Artikel 7

De in deze afdeling gestelde eisen worden beoordeeld door middel van visuele controle, terwijl het voertuig, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen, zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

Artikel 9

Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:

Artikel 57. Wijze van bepaling remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens

Artikel 11

Artikel 12

Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:

§ 2.1. Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg

De beoordeling van roestschade vindt plaats:

§ 1. Chassisraam

Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.

Artikel 15

Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:

Artikel 16

Artikel 17

Artikel 17

De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.

Artikel 64. Gebruik van de rollenremtestbank

Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:

De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:

Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:

Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:

De beoordeling van roestschade vindt plaats:

De beoordeling van roestschade vindt plaats:

Artikel 23

§ 2.3. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten

Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.

De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.

De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:

Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.

Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.

De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:

Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.

Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.

Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.

Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaatsvindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd:

Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:

Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:

Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.

Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.

Artikel 30

Artikel 31

Vervallen.

De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:

De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:

Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:

Voor het bepalen van de remvertraging:

Vervallen.

De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:

Vervallen.

Vervallen.

Artikel 37

Artikel 38

§ 4.1. Personenauto, bedrijfsauto of bus

§ 4. Landbouw- en bosbouwtrekkers

Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.

Artikel 38b

Artikel 38c

Artikel 84. Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem

Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg:

§ 1. Koolmonoxide

De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.

§ 4.2. Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg

Artikel 40. Controle werking emissiebestrijdingssysteem

De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.

Artikel 42. Koolmonoxidegehalte en lambdawaarde bij verhoogd toerental

Artikel 43. Wijze van keuren

§ 2. Roet

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

Artikel 45. Wijze van keuren

a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;

Artikel 45a

§ 4. Deeltjes

Artikel 45b

Artikel 45c

Titel 6. Stuurinrichting

§ 4. Deeltjes

5,2 m/s2: remweg max. 11,9 m

Artikel 46

Artikel 47

Titel 4. Assen

4,1 m/s2: remweg max. 15,1 m

Artikel 46

Artikel 47

§ 2. Draaipunten

3,2 m/s2: remweg max. 18,9 m

§ 3. Wiellagers

2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m

Titel 5. Ophanging

2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m

Artikel 50

Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.

Artikel 50a

§ 3. Snelheidscategorie

Artikel 50b

Artikel 53

Titel 6. Stuurinrichting

4,0 m/s2: remweg max. 15,4 m

Artikel 51. Controle stuurkoppeling

§ 2. Stuurkogels

Artikel 52. Maximale toegestane speling stuurkogels

Remslangen mogen:

Afdeling 1. Onderdelen van de reminrichting

Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.

Artikel 53

Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.

§ 2. Remschijf

Artikel 54. Remschijf

§ 3. Remslang

Artikel 55. Remslang

Remslangen mogen:

§ 4. Wijze van keuren

Artikel 56. Wijze van keuren

De in deze afdeling gestelde eisen worden beoordeeld door middel van visuele controle, terwijl het voertuig, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen, zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

Afdeling 2. Remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens

Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.

Artikel 57. Wijze van bepaling remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens

Artikel 58. Pedaal- en remkrachten

De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).

§ 2. Rollenremtestbank

§ 2.1. Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg

Artikel 59. Bepalen van de remvertraging

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

Artikel 61. Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem

Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.

Artikel 62

Artikel 102

Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:

§ 1. Wiel- en opspatafscherming

§ 2.2. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen

Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.

Artikel 65. Extrapolatiedruk bedrijfsauto, bus en aanhangwagen bedrijfsrem

Artikel 66. Bepaling remkrachten bedrijfsrem

Artikel 106a

Artikel 67. Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem

Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.

Artikel 68. Bepalen remvertraging parkeerrem

§ 2.4. Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg

§ 2.3. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten

Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaatsvindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd:

Artikel 108

Artikel 70. Bepalen remvertraging bedrijfsrem

Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.

Artikel 110

Artikel 72. Bepalen remvertraging parkeerrem

§ 3.1. Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg

§ 2.4. Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg

Voor het bepalen van de remvertraging:

Titel 9. Lichten en retroreflecterende voorzieningen

Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:

Artikel 75. Maximale remkrachten bedrijfsrem

Artikel 114

Artikel 76. Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem

Vervallen.

§ 3.1. Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg

Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:

§ 4. Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter

Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.

Artikel 115

Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. In ieder geval is sprake van een gasontladingslichtbron, indien:

Artikel 116

Artikel 80

Artikel 117

Artikel 81. Bepalen remvertraging parkeerrem

Artikel 118

§ 4. Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter

§ 4.1. Personenauto, bedrijfsauto of bus

Aanvangssnelheid 40 km/h:

Artikel 119

Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.

Artikel 120

Artikel 84. Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem

§ 4. Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter

a ahw = remvertraging aanhangwagen;

Artikel 121

m tot.geremd = de in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig is vermeld, geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de totale gemeten massa van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd;

Artikel 86. Voorwaarden beproeving bedrijfsrem

Artikel 87. Bepalen remvertraging bedrijfsrem

Bij het bepalen van de remvertraging moet het volgende in acht worden genomen:

Artikel 88. Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem

§ 3. Retroreflecterende voorzieningen fietsen

Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

§ 4.2. Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg

a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;

Artikel 125

m ahw = de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.

Afdeling 3. Remvertraging motorfietsen

Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.

§ 5. Opvallende markering van begeleidingsvoertuigen

Aanvangssnelheid 40 km/h:

Artikel 98

Afdeling 4. Beschadigingen en bewerkingen

4,5 m/s2: remweg max. 13,7 m

4,2 m/s2: remweg max. 14,7 m

Artikel 129

3,9 m/s2: remweg max. 15,5 m

3,8 m/s2: remweg max. 16,2 m

Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid

Artikel 130

Hoofdstuk 2. Gebruikseisen

Artikel 131

2,2 m/s2: remweg max. 28,0 m

Afdeling 4. Remvertraging bromfietsen

Artikel 90. afgelegde remweg

Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.

Artikel 133a

§ 1. Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg

Artikel 91

Artikel 134

Artikel 92

Artikel 93

Artikel 94

2,4 m/s2: remweg max. 25,7 m

Titel 8. Carrosserie

Afdeling 1. Voorruiten

De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:

Artikel 91

Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.

Artikel 92

Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3

Artikel 94

Artikel 105

Artikel 95

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

§ 2. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg

Artikel 96

Artikel 101

Vervallen.

Artikel 98

Artikel 99

Artikel 102

Artikel 100

Artikel 147

Afdeling 2. Trottoirspiegel

Artikel 105

Artikel 101

Vervallen.

Afdeling 3. Afscherming

De stand van de lichtbundel van het mistvoorlicht wordt gecontroleerd met behulp van een koplamptestapparaat dat juist voor het voertuig moet zijn opgesteld en waarbij:

De opspatafscherming moet:

De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst, indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen. Indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.

De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.

Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.

Achterlichten van fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, ‘e’ of ‘E’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.

Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.

§ 1. Wiel- en opspatafscherming

De opspatafscherming moet:

Artikel 106b

Artikel 111

Artikel 106c

§ 3. Frontbeschermingsinrichting

Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.

Artikel 107

Artikel 108

Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:

1 De loadindexen hebben betrekking op enkelgemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt tweemaal de aslast in enkele montage.

2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’, mag voor de waarde van de variatie in aslast de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.

Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.

Deugdelijkheid en weggedrag

§ 3. Frontbeschermingsinrichting

Artikel 112

Titel 9. Lichten en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 1. Dimlicht

Artikel 113

Artikel 114

Afdeling 1a. Mistvoorlicht

Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.

Hoofdstuk 5. Wijziging in de constructie waardoor de wielbasis niet meer overeenstemt met het kentekenregister

Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.

Titel 2. Vergroting van de wielbasis van een motorfiets en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van weggedrag

Afdeling 2. Gasontladingslichtbronnen

Artikel 115

Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. In ieder geval is sprake van een gasontladingslichtbron, indien:

Artikel 116

Vervallen.

Artikel 117

Artikel 4. Duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig

Artikel 118

Artikel 5. Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig

Afdeling 3. Zijmarkeringslichten en retroreflectoren

Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.

Artikel 119

Artikel 124

Artikel 120

Artikel 121

Artikel 122

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

§ 2. Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek

Artikel 123

§ 4. Retroreflecterende voorzieningen gehandicaptenvoertuigen

Bij wijziging van de brandstofsoort in CNG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.

§ 2.1. Eisen toelating CNG-onderdelen

§ 3. Retroreflecterende voorzieningen fietsen

Artikel 125

§ 2.2. Inbouwvoorschriften

Artikel 126

Artikel 128

§ 4. Retroreflecterende voorzieningen gehandicaptenvoertuigen

Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.

§ 5. Opvallende markering van begeleidingsvoertuigen

§ 5. Opvallende markering van begeleidingsvoertuigen

Artikel 127a

Artikel 130

De lengtemarkering moet bestaan uit:

Artikel 128

2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.

Artikel 129

Titel 2. Carrosserie

Hoofdstuk 2. Gebruikseisen

De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:

Artikel 130

§ 1. Linker- en rechterbuitenspiegel

Artikel 131

De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.

Artikel 133

De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de gezichtsvelden, bedoeld in de artikelen 136 tot en met 149, kan overzien.

§ 0. Definities

Artikel 133a

Voor de toepassing van deze titel wordt onder spiegel tevens verstaan deugdelijk bevestigde camera-monitorsystemen.

§ 1. Linker- en rechterbuitenspiegel

Motorvoertuigen die geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.

§ 2.2.2. CNG-tank

Artikel 135

Artikel 1.44

Artikel 136

De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:

§ 2. Troittoirspiegel

Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.

Artikel 137a

Artikel 143

Artikel 138

De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:

Artikel 139

De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto die na 30 september 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:

Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6

Annex 1. behorende bij de artikelen 5 tot en met 7

Artikel 141

§ 5. Vooruitkijkspiegel of camera-monitorsysteem

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

§ 5. Assen

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 6. Ophanging

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 5. Assen

§ 8. Reminrichting

§ 3. Motor en brandstofsystemen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 0. Algemeen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen

§ 12. Diversen

§ 12. Diversen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 2. Afmetingen en massa’s

Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers

§ 6. Ophanging

§ 0. Algemeen

§ 12. Diversen

§ 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van artikel 20b van de wet zijn aangewezen

§ 0. Algemeen

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 5. Assen

§ 6. Ophanging

§ 6. Ophanging

§ 7. Stuurinrichting

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 12. Diversen

Afdeling 9. Fietsen

§ 6. Ophanging

§ 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen

§ 12. Diversen

§ 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen

§ 0. Algemeen

§ 5. Assen

§ 8. Reminrichting

Afdeling 9. Fietsen

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

§ 6. Ophanging

§ 7. Stuurinrichting

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 6. Ophanging

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 8. Reminrichting

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 7. Stuurinrichting

§ 0. Algemeen

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 9. Carrosserie

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 9. Carrosserie

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 12. Diversen

§ 0. Algemeen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 9. Carrosserie

Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen

§ 8. Reminrichting

§ 5. Assen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 7. Stuurinrichting

§ 9. Carrosserie

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 9. Carrosserie

§ 6. Ophanging

§ 5. Assen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 3. Motor

§ 8. Reminrichting

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 7. Stuurinrichting

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 9. Carrosserie

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 9. Carrosserie

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 3. Brandstofsystemen

§ 9. Carrosserie

§ 8. Reminrichting

§ 6. Ophanging

§ 7. Stuurinrichting

§ 9. Carrosserie

§ 7. Stuurinrichting

§ 8. Reminrichting

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen

Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen

§ 5. Assen

§ 8. Reminrichting

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 8. Reminrichting

Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg

§ 0. Algemeen

§ 0. Algemeen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 8. Reminrichting

§ 0. Algemeen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Afdeling 17. Wagens

§ 6. Ophanging

§ 9. Carrosserie

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens

D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens

G. Middenasaanhangwagens

§ 6. Ophanging

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.18.36c
1.

Extra achteruitrijlichten die overeenkomstig de artikelen 5.3.57, vierde lid, 5.3a.57, vierde lid, of 5.12.57, vierde lid, op een bedrijfsauto, bus of aanhangwagen zijn gemonteerd, mogen ook branden bij een voorwaartse snelheid. Indien de voorwaartse snelheid van het voertuig meer dan 10 km/h bedraagt, worden de lichten automatisch uitgeschakeld en blijven zij uitgeschakeld totdat zij opzettelijk opnieuw worden ingeschakeld.

2.

Manoeuvreerlichten mogen branden totdat het voertuig een snelheid heeft bereikt van 10 km/h.

Artikel 5.18.36d
1.

Het noodstopsignaal van personenauto's, bedrijfsauto's, bussen en aanhangwagens voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus mag alleen worden geactiveerd, indien de voertuigsnelheid meer dan 50 km/h bedraagt en:

2.

Het noodstopsignaal wordt automatisch gedeactiveerd indien het antiblokkeersysteem niet meer in werking is of de remvertraging minder bedraagt dan 2,5 m/s2.

A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.

C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens en samenstellen hiervan

B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

§ 6. Ophanging

F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens

G. Middenasaanhangwagens

D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie

§ 2. Eisen wijziging in de constructie

Artikel 6.9

Indien een voertuig wordt gewijzigd in een taxi of ov-auto, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3, afdeling 6, opgenomen eisen.

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

Afdeling 1. Algemeen

§ 3. Reminrichting

§ 6. Ophanging

§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen

C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens

Afdeling 18. Gebruikseisen

§ 0. Algemeen

§ 5. Verbinding tussen voertuigen

§ 1. Afmetingen, massa’s en lasten

Afdeling 1. Algemeen

§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen

§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen

§ 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting

§ 1. Algemeen

B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen

§ 2.2. Technische eisen

§ 3. Olietemperatuurmeters

D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen

§ 1.2.4. Temperatuuraspecten

§ 1. Algemene bepalingen

§ 1.2.1. Controle-inrichtingen

§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 1.2.4. Temperatuuraspecten

C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen

§ 1. Roetmeters

§ 1.1. Algemeen

§ 1.2. Technische eisen

§ 4. Manometers

§ 5.2. Technische eisen

§ 1.2.6. Functiestanden

§ 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting

§ 1.2.10. Meetprogramma

§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken

§ 3.1. Algemeen

§ 1.1. Algemeen

§ 1.1. Algemeen

§ 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas

§ 1.2.2. Maximale fout

§ 1.2.3. Optisch systeem

§ 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling

B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen

C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen

§ 1.2.10. Meetprogramma

§ 1.2.10. Meetprogramma

§ 2.2. Technische eisen

§ 4. Manometers

§ 3.1. Algemeen

§ 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting

§ 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting

§ 1.2.8. Registratie-inrichting

§ 8. Platenremtestbanken

§ 8.1. Algemeen

§ 7.2.3. Uitvoering

§ 7. Rollenremtestbanken

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

§ 3. Beschikking inzake ontheffing

§ 5. Pedaalkrachtmeters

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid

Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

§ 2. Voertuigen

Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.

Artikel 3. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig

Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.

Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.

Artikel 8. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn

Hoofdstuk 2. Inslag voertuigidentificatienummer

Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.

Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid

§ 1. Algemeen

Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.

§ 2. Voertuigen

Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.

Artikel 4. Identificatie

Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.

Artikel 4. Identificatie

Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.

Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.

Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid

Artikel 1. Begripsbepalingen

Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Artikel 2. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig

Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7

Artikel 2. Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig

Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.

Hoofdstuk 2. Inslag voertuigidentificatienummer

Artikel 10. Geen inslag van het voertuigidentificatienummer

Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten wat betreft:

De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.

§ 1. Algemeen

Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.

Artikel 4. Het toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer

Artikel 5. Identificatie

Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.

Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie wordt bepaald door het chassis.

Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.

§ 1. Algemeen

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.

§ 2. Voertuigen

Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer

In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.

Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.

Artikel 1. Begripsbepalingen

Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer

Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.

Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig

1 Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand.

§ 1. Algemeen

VN/ECE-reglement 100: reglement nr. 100 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van elektrische voertuigen wat de specifieke voorschriften inzake constructie, functionele veiligheid en emissie van waterstof betreft.2Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).

Artikel 6. Nader onderzoek

Artikel 5. Identificatie

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.

Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn

2 Mits aan de voorschriften van ISO 10571:1995 (Banden voor mobiele kranen en soortgelijke gespecialiseerde machines) of van ETRTO Standards Manual wordt voldaan.

Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.

Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Artikel 11. Wijze van inslag

Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer

Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.

§ 1. Algemeen

Artikel 2. Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.

Artikel 3. Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.

Artikel 3. Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.

Artikel 8. Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating

Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.

Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.

Artikel 11. Onjuiste datum eerste toelating

Artikel 11. Wijze van inslag

De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig verticaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig verticaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.

Artikel 11. Onjuiste datum eerste toelating

De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.

Artikel 4

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.

Artikel 4

De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:

Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.

Artikel 11

De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.

Artikel 2c

Artikel 16

Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.9, derde lid

Artikel 20

Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in verordening (EG) nr. 661/2009 tot 6 juli 2022 en met ingang van 6 juli 2022 aan het bepaalde in verordening (EU) 2019/2144 omtrent de retroreflector van Klasse I.

De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.

Artikel 14. Toegangen; bedrijfsdeuren

Artikel 24

Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, mag:

De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:

§ 2. Voertuigen

Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig

Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27

Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer

Artikel 6. Nader onderzoek

Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.

Onverminderd het in artikel 4 bepaalde ten aanzien van de ruiten, bedoeld in dat artikel, moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.

Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12

Artikel 7b. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar niet verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar niet meer dan 180° draaibaar zijn

Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.

Artikel 12. Geen inslag van het voertuigidentificatienummer

Wijze van bepalen datum eerste toelating

De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.

De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.

Artikel 2. Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig

De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.

Artikel 10. Nader onderzoek

Nadere invulling van de permanente eisen en gebruikseisen

Voorafgaand aan het verkrijgen van een goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg, overlegt de aanvrager van de goedkeuring documentatie over de elektrische aandrijflijn aan de Dienst wegverkeer.

Onverminderd het in artikel 4 bepaalde ten aanzien van de ruiten, bedoeld in dat artikel, moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.

§ 2. Overeenstemming voertuig met kentekenregister

Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens

Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.

Artikel 2

De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.

Artikel 5

Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, mag:

De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.

§ 2.2. Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en fietsaanhangwagens

Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.

Artikel 12

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.

Artikel 15

De beoordeling van roestschade vindt plaats:

Annex 2. behorende bij de artikelen 14, 15, 16, eerste lid, 17, derde lid, en 18, eerste lid

De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:

D. Smeermiddelenproef voorzijde

De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:

B. Proef waterpenetratie

De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:

Artikel 2. Algemeen

Artikel 3.2. Plaats uitgangen

Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:

Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.

Artikel 3.6. Treden uitgangen

Artikel 46

Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.

Artikel 7. Ligplaatsen

De beoordeling van roestschade vindt plaats:

Nadere invulling van de permanente eisen en gebruikseisen

Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:

Titel 1. Algemeen

De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).

§ 2. Overeenstemming voertuig met kentekenregister

De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:

§ 3. Kentekenplaat

De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.

Controle op de juistheid van de gegevens, bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:

Artikel 5

Artikel 6

Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:

Artikel 8

Remslangen mogen:

Artikel 10

De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:

Afdeling 2. Voertuigen met een volledig dragend chassis

Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.

Artikel 19

Artikel 20

Artikel 22

Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.

Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.

Artikel 26

Artikel 71. Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem

Deze paragraaf is van toepassing voor zover communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.

Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.

§ 2. Motorfietsen en driewielige motorrijtuigen

Artikel 33

Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:

Vervallen.

De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:

De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:

Artikel 38a

Artikel 39

Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd.

Artikel 41. Koolmonoxidegehalte bij stationair toerental

Bij het bepalen van de remvertraging moet het volgende in acht worden genomen:

§ 3. Emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem (EOBD)

Deze paragraaf is van toepassing voor zover het voertuig is voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, dit systeem is voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting en communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.

m tot.geremd = de in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig is vermeld, geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de totale gemeten massa van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd;

§ 1. Fusees

Artikel 49

4,0 m/s2: remweg max. 6,0 m

Het snelheidscategoriesymbool, zoals in onderstaande lijst is vermeld, van een band van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet lager zijn dan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid.

§ 1. Stuurkoppeling

§ 1. Remleiding

Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.

De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).

§ 2. Rollenremtestbank

Artikel 60. Bepalen van de remkrachten bedrijfsrem

Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.

§ 1. Wijze van bepaling van remvertraging

De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.

Artikel 100

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

Afdeling 3. Afscherming

Vervallen.

Artikel 63. Bepalen remvertraging parkeerrem

Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.

Artikel 64. Gebruik van de rollenremtestbank

De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.

Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.

Artikel 72. Bepalen remvertraging parkeerrem

Artikel 71. Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem

Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.

Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.

Artikel 73. Bepaling remvertraging bedrijfsrem

Artikel 74. Bepaling remkrachten bedrijfsrem

Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.

Artikel 77. Bepalen remvertraging

Vervallen.

Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.

Artikel 82. Pedaalkracht bedrijfsrem

Artikel 83. Bepalen remvertraging

De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:

§ 4.2. Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg

Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.

Artikel 124

Vervallen.

Artikel 125

a ahw = remvertraging aanhangwagen;

Artikel 126

4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m

Artikel 128

Artikel 128

3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m

2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m

2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m

Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid

§ 0. Definities

Aanvangssnelheid 25 km/h:

2,4 m/s2: remweg max. 10,0 m

Artikel 136

§ 1. Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg

Aanvangssnelheid 40 km/h:

Artikel 102

De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:

De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.

Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid

De gezichtsveldverbeterende voorziening is:

Artikel 149

§ 1. Wiel- en opspatafscherming

Artikel 102

Titel 3. Verlichting en retroreflecterende voorzieningen

Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.

De stand van de lichtbundel van het mistvoorlicht wordt gecontroleerd met behulp van een koplamptestapparaat dat juist voor het voertuig moet zijn opgesteld en waarbij:

De opspatafscherming moet:

Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.

§ 2. Zijdelingse afscherming

Artikel 113

Artikel 110

Artikel 111

De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:

Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.

De stand van de lichtbundel van het mistvoorlicht wordt gecontroleerd met behulp van een koplamptestapparaat dat juist voor het voertuig moet zijn opgesteld en waarbij:

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Artikel 114a

Artikel 114b

Vervallen.

Artikel 120

Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.

Vervallen.

§ 1. Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflecterende voorzieningen

De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto die na 30 september 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:

Artikel 1.1

Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.

Artikel 127

Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, is artikel 153 van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 4. Beschadigingen en bewerkingen

Titel 10. Verbinding tussen trekkend voertuig en aanhangwagen

Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.

Titel 2. Carrosserie

Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weerbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.

Artikel 138

De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:

Artikel 134

Achterlichten van fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, ‘e’ of ‘E’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.

Vervallen.

Artikel 136a

Artikel 137

De rechterbuitenspiegel van een landbouw- of bosbouwtrekker of mobiele machine moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee:

Artikel 139

Artikel 140

De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:

De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:

Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6

Artikel 142

Artikel 142a

Annex 4. behorende bij artikel 50, eerste lid

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 5.2.57a
Eisen Wijze van Keuren
1. Personenauto’s in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Personenauto’s in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten.
3. Personenauto’s als bedoeld in artikel 41a van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van verlichte transparanten die afzonderlijk zijn geschakeld en niet langer of breder zijn dan het betreffende voertuig.
Artikel 5.3.57a
Eisen Wijze van Keuren
1. Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Bedrijfsauto’s in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten.
3. Bedrijfsauto’s als bedoeld in artikel 41a van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van verlichte transparanten die afzonderlijk zijn geschakeld en niet langer of breder zijn dan het betreffende voertuig.
Artikel 5.3a.57a
Eisen Wijze van Keuren
1. Bussen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Bussen in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten.
3. Bussen als bedoeld in artikel 41a, eerste lid, onderdeel b, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van verlichte transparanten die afzonderlijk zijn geschakeld, naar achteren niet rood stralen en niet langer of breder zijn dan het betreffende voertuig.
Artikel 5.5.57a
Eisen Wijze van Keuren
1. Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. Leden 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Driewielige motorrijtuigen in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten.
Artikel 5.6.72
1.

In afwijking van artikel 5.6.0, moet een bromfiets die door de minister op grond van artikel 20b van de wet is aangewezen, voldoen aan deze paragraaf en wordt die bromfiets beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.

2.

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

aangewezen bromfiets: bromfiets die door de minister is aangewezen op grond van artikel 20b van de wet.

Artikel 5.6.73
Eisen Wijze van Keuren
Aangewezen bromfietsen moeten zijn voorzien van een voertuigidentificatienummer dat in het frame, in het chassis of in een vergelijkbare constructie is ingeslagen en goed leesbaar is. Visuele controle.
Artikel 5.6.74
Eisen Wijze van Keuren
1. De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van aangewezen bromfietsen mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
2. Indien een aangewezen bromfiets is opgebouwd uit een frame met een voor- of achtervork, mag dat frame met die voor- of achtervork: a. geen breuken of scheuren vertonen, b. niet zijn doorgeroest, en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. Leden 2 en 3: visuele controle.
3. De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.6.75
Eisen Wijze van Keuren
Aangewezen bromfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 2,00 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m; c. niet hoger zijn dan 2,00 m. Visuele controle. In geval van twijfel wordt de aangewezen bromfiets gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is.
Artikel 5.6.76
Eisen Wijze van Keuren
1. Aangewezen bromfietsen moeten bij voortduring voldoen aan de in artikel 20b van de wet vermelde maximumconstructiesnelheid. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 28 tot en met 29a, van toepassing. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
2. Aangewezen bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Eventueel wordt de meting opnieuw uitgevoerd.
Artikel 5.6.77
Eisen Wijze van Keuren
1. Alle onderdelen van de brandstofsystemen van aangewezen bromfietsen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. De aanwezige brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen.
3. De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop.
4. De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische aangewezen bromfietsen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd.
Artikel 5.6.78
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien een aangewezen bromfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. Leden 2 tot en met 8: visuele controle.
3. De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.
4. De LPG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst.
5. Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte.
6. Het vullen van de tank mag alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water.
7. De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
8. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
Artikel 5.6.79
Eisen Wijze van Keuren
1. Indien een aangewezen bromfiets is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen.
2. De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. Leden 2 tot en met 5: visuele controle.
3. De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.
4. De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank mag niet verstreken zijn.
5. Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte.
6. De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. Leden 6 tot en met 9: visuele controle.
7. De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
8. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
9. De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.
Artikel 5.6.80
Eisen Wijze van Keuren
1. Aangewezen bromfietsen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. Visuele en auditieve controle.
2. Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
3. Aangewezen bromfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 90 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 36, 37 en 38 van toepassing.
Artikel 5.6.81
Eisen Wijze van Keuren
1. De accu van aangewezen bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. De elektrische bedrading van aangewezen bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
3. De motor van aangewezen bromfietsen moet deugdelijk bevestigd zijn.
4. De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.
Artikel 5.6.82
Eisen Wijze van Keuren
De snelheid van aangewezen bromfietsen moet op eenvoudige en doeltreffende wijze regelbaar zijn. Visuele controle.
Artikel 5.6.83
Eisen Wijze van Keuren
1. De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van aangewezen bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft.
2. Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. Visuele controle.
Artikel 5.6.84
Eisen Wijze van Keuren
1. De assen van aangewezen bromfietsen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3. De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4. De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
Artikel 5.6.85
Eisen Wijze van Keuren
De wiellagers van aangewezen bromfietsen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
Artikel 5.6.86
Eisen Wijze van Keuren
1. De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van aangewezen bromfietsen mogen geen breuken, scheuren ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken. Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.6.87
Eisen Wijze van Keuren
1. De wielen van aangewezen bromfietsen moeten zijn voorzien van luchtbanden. Visuele controle.
2. Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
Artikel 5.6.88
Eisen Wijze van Keuren
Van aangewezen bromfietsen: a. moet de stuurinrichting dan wel het besturingssysteem deugdelijk zijn; b. mogen de stofhoezen niet zodanig beschadigd zijn, dat de hoezen niet meer afdichten; c. moeten koppelingen en verbindingen spelingsvrij zijn; d. moeten de voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
Artikel 5.6.89
Eisen Wijze van Keuren
1. Aangewezen bromfietsen moeten zijn voorzien van een goedwerkend remsysteem. Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij een rijproef wordt uitgevoerd.
2. Het voertuig mag als gevolg van het remmen of van een snelheidsvermindering geen zijwaartse beweging maken.
Artikel 5.6.90
Eisen Wijze van Keuren
Aangewezen bromfietsen moeten zijn voorzien van een remsysteem waarvan de remvertraging ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Bij twijfel controle door middel van een vertragingsproef, waarbij aan de hand van de afgelegde vertragingsafstand wordt bepaald of aan de vereiste vertraging wordt voldaan.
Artikel 5.6.91
Eisen Wijze van Keuren
Permanent aangebrachte inrichtingen aan aangewezen bromfietsen om lading mee te kunnen vervoeren, moeten deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
Artikel 5.6.92
Eisen Wijze van Keuren
1. Aangewezen bromfietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De wielen onderscheidenlijk banden van aangewezen bromfietsen mogen niet aanlopen.
Artikel 5.6.93
Eisen Wijze van Keuren
1. Aangewezen bromfietsen moeten zijn voorzien van: a. rode opvallende retroreflecterende lijnmarkering of één of twee rode retroreflectoren, aangebracht aan de achterzijde van het voertuig op een hoogte van minimaal 0,15 m en maximaal 0,90 m; b. witte of gele opvallende retroreflecterende markering of één of twee ambergele zijretroreflectoren, aangebracht aan de zijkant van het voertuig. Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
2. Aangewezen bromfietsen op drie of vier wielen moeten daarnaast voorzien zijn van twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde, indien het motorvoertuig is voorzien van een gesloten carrosserie. Visuele controle.
Artikel 5.6.94
Eisen Wijze van Keuren
Een aangewezen bromfiets mag zijn voorzien van: a. één of twee lichten aan de voorzijde; b. één of twee achterlichten; c. één of twee remlichten; d. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; e. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; f. één dagrijlicht. Visuele controle.
Artikel 5.6.95
Eisen Wijze van Keuren
1. Het licht aan de voorzijde van een aangewezen bromfiets mag niet anders dan wit of geel stralen. Leden 1 tot en met 4: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. Het achterlicht en het remlicht mogen niet anders dan rood stralen.
3. De richtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen.
4. Het dagrijlicht mag niet anders dan wit stralen.

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 7. Stuurinrichting

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 0. Algemeen

§ 3. Motor en brandstofsystemen

§ 2. Afmetingen en massa’s

Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers

§ 9. Carrosserie

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 9. Carrosserie

§ 5. Assen

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

§ 7. Stuurinrichting

§ 5. Assen

§ 5. Assen

Afdeling 9. Fietsen

§ 9. Carrosserie

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen

§ 8. Reminrichting

§ 12. Diversen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 2. Afmetingen en massa’s

Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

§ 12. Diversen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 5. Assen

§ 9. Carrosserie

Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen

§ 3. Motor en brandstofsystemen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen

§ 12. Diversen

Artikel 5.12.57a
Eisen Wijze van Keuren
1. Aanhangwagens in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Leden 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Aanhangwagens in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten.

Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen

§ 3. Brandstofsystemen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

§ 5. Assen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.13.57a
Eisen Wijze van Keuren
1. Aanhangwagens in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Aanhangwagens in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten.

Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 0. Algemeen

§ 9. Carrosserie

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

§ 3. Brandstofsystemen en milieu

Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen

§ 3. Brandstofsystemen

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

§ 9. Carrosserie

Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen

§ 3. Brandstofsystemen en milieu

§ 7. Stuurinrichting

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

§ 7. Stuurinrichting

§ 9. Carrosserie

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

§ 5. Assen

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

G. Middenasaanhangwagens

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 0. Algemeen

A. Aanhangwagens

A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.

C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines

D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen

D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

§ 5. Verbinding tussen voertuigen

F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan

D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen

§ 6. Diversen

Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie

§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 0. Algemeen

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie

Afdeling 1. Algemeen

§ 6. Ophanging

D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens

F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens

§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken

Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen

§ 2a. Sneeuwkettingen

§ 5. Verbinding tussen voertuigen

Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas

§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 5. Verbinding tussen voertuigen

A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen

§ 1.2.1. Controle-inrichtingen

D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen

§ 1.2.5. Monsternamesysteem

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan

§ 1.2.7. Aanwijsinrichting

§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken

§ 1. Algemene bepalingen

C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O

§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen

§ 4. Manometers

§ 1.2. Technische eisen

§ 2. Eisen wijziging in de constructie

D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens

§ 1. Algemene bepalingen

G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O

§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen

§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken

§ 1.2. Technische eisen

§ 1.1. Algemeen

§ 1.2.4. Temperatuuraspecten

§ 1.2.4. Temperatuuraspecten

§ 1.2.6. Functiestanden

§ 2.2. Technische eisen

§ 2.1. Algemeen

§ 2. Eisen wijziging in de constructie

§ 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling

§ 1.2.4. Temperatuuraspecten

§ 1.2.2. Maximale fout

§ 5.1. Algemeen

§ 5.2. Technische eisen

§ 6.2. Technische eisen

§ 10. Bromfietsrollentestbank

§ 5.2. Technische eisen

§ 2.1. Algemeen

§ 7.1. Algemeen

§ 7.2. Technische eisen

§ 10.5. Gepresenteerde meetwaarden

§ 7.2. Technische eisen

§ 5.2. Technische eisen

§ 7.2.2. De maximale fout

§ 11. Geluidsniveaumeter

§ 6.2. Technische eisen

§ 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting

§ 12. Koplamptestapparaten

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

§ 12. Koplamptestapparaten

§ 2. Aanvraag ontheffing

§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen

§ 4. Tarieven

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid

In deze bijlage wordt verstaan onder:

§ 1. Algemeen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Artikel 5. Nader onderzoek

Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer

Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.

Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.

Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid

Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

In deze bijlage wordt verstaan onder:

In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.

Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn

§ 1. Algemeen

De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.

§ 1. Algemeen

Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.

Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.

Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig

§ 3. Samengestelde voertuigen

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.

Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.

1 Krabbengang toegestaan.

Artikel 11. Wijze van inslag

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.

Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid

Vervallen

Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11

Vervallen

De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.

Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.

Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn

Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens

Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.

Artikel 2

De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.

De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.

Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.

De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:

Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.

Op de retroreflector moet:

Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.

Artikel 19

Op de retroreflector moet:

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.

De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.

Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.

Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5

Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.

De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:

§ 2. Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens

Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.

De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:

Op de retroreflector moet:

Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in verordening (EG) nr. 661/2009 tot 6 juli 2022 en met ingang van 6 juli 2022 aan het bepaalde in verordening (EU) 2019/2144 omtrent de retroreflector van Klasse I.

Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.

Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, mag:

De beoordeling van roestschade vindt plaats:

De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).

Artikel 4. Doorgangen

Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.

Artikel 13

De beoordeling van roestschade vindt plaats:

De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.

Artikel 18

Artikel 21

Artikel 22

Artikel 24

Artikel 25

Artikel 72. Bepalen remvertraging parkeerrem

Titel 3. Motor en brandstofsystemen

Afdeling 1. Maximumconstructiesnelheid

Artikel 29

Artikel 29a

§ 1. Personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen

Artikel 32

Artikel 32

Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister vermeld is dan moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.

De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:

De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:

De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:

Vervallen.

Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.

De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:

Artikel 44. Roetmeting

m tot.geremd = de in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig is vermeld, geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de totale gemeten massa van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd;

a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;

Indien wordt voldaan aan artikel 45b en het uitleesapparaat geen foutcodes beginnend met de letter P weergeeft in modus 03 en de readiness-test is afgerond, is de EOBD-procedure succesvol doorlopen.

Aanvangssnelheid 40 km/h:

4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m

§ 1. Fusees

3,8 m/s2: remweg max. 16,2 m

Artikel 48

§ 2. Draagvermogen

Aanvangssnelheid 25 km/h:

Aanvangssnelheid 40 km/h:

2,5 m/s2: remweg max. 24,7 m

Titel 7. Reminrichting

Artikel 60. Bepalen van de remkrachten bedrijfsrem

De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).

Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.

Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:

De opspatafscherming moet:

Artikel 69. Referentieremkracht

Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:

Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg:

De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.

§ 3. Platenremtestbank

Artikel 78. Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem

Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:

Artikel 79

De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:

Artikel 85. Bepalen remvertraging parkeerrem

Artikel 127a

Titel 10. Verbinding tussen trekkend voertuig en aanhangwagen

Hoofdstuk 2. Gebruikseisen

2,4 m/s2: remweg max. 25,7 m

4,0 m/s2: remweg max. 6,0 m

Aanvangssnelheid 40 km/h:

2,5 m/s2: remweg max. 24,7 m

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

2,5 m/s2: remweg max. 24,7 m

Artikel 93

De lengtemarkering moet bestaan uit:

De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.

Artikel 103

Artikel 104

Artikel 106

Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3

Artikel 106a

De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:

De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:

Artikel 109

Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.

Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.

Vervallen.

Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.

De stand van de lichtbundel van het mistvoorlicht wordt gecontroleerd met behulp van een koplamptestapparaat dat juist voor het voertuig moet zijn opgesteld en waarbij:

Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.

Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.

Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.

Vervallen.

Artikel 124

Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.

Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:

Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.

Titel 1. Afmetingen en massa’s

Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.

Artikel 132

Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.

§ 2. Troittoirspiegel

De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:

Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.

Artikel 143

§ 4. Gezichtsveldverbeterende voorziening

De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst, indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen. Indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.

Artikel 145

De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 152

Artikel 147

§ 5. Vooruitkijkspiegel of camera-monitorsysteem

De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:

§ 2.2.7. Gasleidingen en -slangen

Vervallen.

Artikel 1.63

§ 6. Wijze van keuren

Artikel 150

De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst, indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen. Indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.

Titel 3. Verlichting en retroreflecterende voorzieningen

1 De loadindexen hebben betrekking op enkelgemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt tweemaal de aslast in enkele montage.

Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6

Artikel 152

Deugdelijkheid en weggedrag

Artikel 153

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 5.2.79
Eisen Wijze van Keuren
1. Een ligplaats moet zijn voorzien van een vastzetinrichting voor een draagbaar. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Ligplaatsen in personenauto's die in gebruik zijn genomen na 31 december 2011, moeten met doelmatige veiligheidsvoorzieningen zijn uitgerust ten einde te voorkomen dat de passagier uit de ligplaats kan geraken.

Afdeling 3. Bedrijfsauto’s

§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen

§ 13. Aanvullende eisen taxi’s

§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen

§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen

§ 0. Algemeen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 3. Motor en brandstofsystemen

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen

§ 7. Stuurinrichting

§ 8. Reminrichting

§ 9. Carrosserie

§ 12. Diversen

Afdeling 3a. Bussen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 8. Reminrichting

§ 12. Diversen

§ 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen

§ 12. Diversen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 3. Motor en brandstofsystemen

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 7. Stuurinrichting

§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen

§ 9. Carrosserie

Afdeling 4. Motorfietsen

§ 9. Carrosserie

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 3. Motor en brandstofsystemen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 0. Algemeen

§ 12. Diversen

§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen

§ 0. Algemeen

§ 0. Algemeen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 6. Ophanging

§ 9. Carrosserie

Afdeling 4. Motorfietsen

§ 0. Algemeen

§ 9. Carrosserie

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 12. Diversen

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 5. Assen

§ 3. Motor en brandstofsystemen

§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

§ 0. Algemeen

§ 8. Reminrichting

Afdeling 6. Bromfietsen

§ 6. Ophanging

§ 8. Reminrichting

§ 3. Motor en brandstofsystemen

§ 9. Carrosserie

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 5. Assen

§ 6. Ophanging

§ 12. Diversen

§ 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 9. Carrosserie

§ 4. Krachtoverbrenging

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 0. Algemeen

§ 5. Assen

§ 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 0. Algemeen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 3. Motor en brandstofsystemen

§ 3. Motor en brandstofsystemen

§ 4. Krachtoverbrenging

Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 6. Ophanging

§ 0. Algemeen

§ 6. Ophanging

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 9. Carrosserie

§ 3. Motor en brandstofsystemen

§ 6. Ophanging

§ 8. Reminrichting

Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.

§ 7. Stuurinrichting

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 12. Diversen

§ 9. Carrosserie

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 0. Algemeen

Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 6. Ophanging

§ 6. Ophanging

§ 3. Motor

Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

§ 0. Algemeen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 3. Motor

§ 0. Algemeen

§ 3. Brandstofsystemen en milieu

Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 9. Carrosserie

§ 3. Brandstofsystemen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.14.29
Eisen Wijze van keuren Wijze van keuren Wijze van keuren
1. De gestuurde wielen moeten goed kunnen reageren op het commando van de stuurinrichting van het trekkende voertuig. Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt.
2. De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen geen breuken of scheuren vertonen; c. mogen niet zijn vervormd; en d. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.
3. Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
4. De onderdelen van het hydraulische besturingssysteem mogen geen lekkage vertonen.
5. De slangen van het hydraulische besturingssysteem mogen: a. geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is, en b. geen bewegende delen raken.
6. De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling, wordt de stuurkogel of -verbinding op doelmatige wijze belast; b. axiale speling, wordt op de stuurkogel of -verbinding trek- en drukkracht uitgeoefend. Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling, wordt de stuurkogel of -verbinding op doelmatige wijze belast; b. axiale speling, wordt op de stuurkogel of -verbinding trek- en drukkracht uitgeoefend. Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling, wordt de stuurkogel of -verbinding op doelmatige wijze belast; b. axiale speling, wordt op de stuurkogel of -verbinding trek- en drukkracht uitgeoefend.
7. Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt.

§ 5. Assen

Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen

§ 5. Assen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 2. Afmetingen en massa’s

Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen

§ 5. Assen

Artikel 5.16.59
Eisen Wijze van keuren
1. De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.

Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 9. Carrosserie

§ 9. Carrosserie

Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen

§ 9. Carrosserie

§ 5. Assen

B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines

D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens

G. Middenasaanhangwagens

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 8. Reminrichting

B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

§ 5. Assen

B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens

G. Middenasaanhangwagens

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan

A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan

B. Aanhangwagens en lastdragers

§ 9. Carrosserie

Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie

§ 2. Eisen wijziging in de constructie

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

Afdeling 1. Algemeen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens

B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers

A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O

Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen

§ 2. Onderzoeksgerechtigden

Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 6. Diversen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 6. Diversen

§ 1.2.1. Controle-inrichtingen

B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers

§ 1.2.6. Functiestanden

§ 1. Algemene bepalingen

B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens

§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen

§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken

§ 5. Pedaalkrachtmeters

§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen

§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 2.2. Certificaten

A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

§ 1.2.1. Controle-inrichtingen

§ 1.2. Technische eisen

§ 1.2.2. Maximale fout

§ 1.2.3. Optisch systeem

§ 8. Platenremtestbanken

§ 1.2.3. Optisch systeem

§ 4. Manometers

§ 1.2.1. Controle-inrichtingen

§ 4.1. Algemeen

§ 6. Remvertragingsmeters

§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken

§ 2.2. Technische eisen

§ 3.1. Algemeen

§ 7.2.1. Controle-inrichting

§ 4.1. Algemeen

§ 7.2. Technische eisen

§ 7.2.3. Uitvoering

§ 11. Geluidsniveaumeter

§ 6.1. Algemeen

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

§ 7. Rollenremtestbanken

§ 10. Bromfietsrollentestbank

§ 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen

§ 4. Tarieven

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid

Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.

Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.

Artikel 8. Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating

Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.

Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11

Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7

Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.

Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.

In deze bijlage wordt verstaan onder:

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.

Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.

1 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.

Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.

Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid

Vervallen

Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid

Vervallen

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.

Artikel 1

Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.

Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.

Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.

De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.

Artikel 5. Identificatie

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.

De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig verticaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig verticaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.

Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27

Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.

Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5

Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.

In deze bijlage en de bijbehorende annexen wordt verstaan onder:

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.

De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:

De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.

Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.

De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.

De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).

De beoordeling van roestschade vindt plaats:

De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.

Artikel 14

Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.

§ 2. Overige onderdelen

Afdeling 3. Roetschadereparatie

Artikel 27

Artikel 74. Bepaling remkrachten bedrijfsrem

Artikel 34

Artikel 35

§ 3. Bromfietsen

a ahw = remvertraging aanhangwagen;

4,5 m/s2: remweg max. 13,7 m

4,2 m/s2: remweg max. 14,7 m

3,9 m/s2: remweg max. 15,5 m

§ 1. Loadindex

4,0 m/s2: remweg max. 15,4 m

2,4 m/s2: remweg max. 25,7 m

Artikel 92

Vervallen.

Vervallen.

Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.

Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.

Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.

Voor het bepalen van de remvertraging:

Vervallen.

De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.

Titel 1. Afmetingen en massa’s

2,5 m/s2: remweg max. 9,6 m

4,0 m/s2: remweg max. 15,4 m

4,0 m/s2: remweg max. 6,0 m

De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:

Artikel 142

Vervallen.

Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.

Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid

Vervallen.

Artikel 105

Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3

De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.

Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.

Vervallen.

Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.

Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.

00: goedkeuring volgens de originele niet-geamendeerde versie van het reglement;

Voor de toepassing van deze titel wordt onder spiegel tevens verstaan deugdelijk bevestigde camera-monitorsystemen.

De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst, indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen. Indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.

Artikel 144

1 De loadindexen hebben betrekking op enkelgemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt tweemaal de aslast in enkele montage.

Artikel 144

Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.

Artikel 151

De gezichtsveldverbeterende voorziening is:

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Artikel 148

Artikel 149

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Artikel 1

§ 2.2.8. Gasvoerende verbindingen tussen de diverse CNG-onderdelen

Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.

Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:

Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6

Artikel 1.71

Annex 2. behorende bij artikel 15, eerste lid

Artikel 2

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.

Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.

Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.

Artikel 4. Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.

In deze bijlage en de bijbehorende annexen wordt verstaan onder:

Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.9, derde lid

Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, vierde lid

Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.

Op de retroreflector moet:

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.

De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.

Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.

In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.

De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.

Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.

Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.13

Artikel 5. Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland

Op de retroreflector moet:

Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.

Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.

Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid

Vervallen

De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:

Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid

Artikel 4

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.

Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.

De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.

De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.

Controle op de juistheid van de gegevens, bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:

Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:

Afdeling 2. Geluid

Artikel 80

Afdeling 3. Emissie

3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m

2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m

2,2 m/s2: remweg max. 28,0 m

2,5 m/s2: remweg max. 9,6 m

2,4 m/s2: remweg max. 25,7 m

De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.

De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.

Vervallen.

Vervallen.

Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.

§ 4. Retroreflecterende voorzieningen gehandicaptenvoertuigen

3,9 m/s2: remweg max. 15,5 m

Artikel 89. Afgelegde remweg

5,2 m/s2: remweg max. 11,9 m

3,2 m/s2: remweg max. 18,9 m

Artikel 132

Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.

Artikel 97

De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.

Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid

Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3

Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.

Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.

Vervallen.

Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.

Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.

De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.

De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de gezichtsvelden, bedoeld in de artikelen 136 tot en met 149, kan overzien.

Achterlichten van fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, ‘e’ of ‘E’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.

De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:

Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.

Annex 4. behorende bij artikel 50, eerste lid

Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers, asbevestigingen, profielen en trekinrichting middenasaanhangwagen en aanhangwagen met een stijve dissel.

Vervallen.

De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.

Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers, asbevestigingen, profielen en trekinrichting middenasaanhangwagen en aanhangwagen met een stijve dissel.

Annex 3. behorende bij de artikelen 17 tot en met 19

Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.

Annex 4. behorende bij artikel 50, eerste lid, en artikel 50a, eerste lid

Annex 5. behorende bij artikel 50, vierde lid, en 50a, derde lid

Titel 1. Vergroting van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, met een volledig zelfdragende carrosserie en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag

Titel 2. Vergroting van de wielbasis van een motorfiets en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van weggedrag

De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.

Deugdelijkheid en weggedrag

In deze annex:

Artikel 1

Artikel 3. Duurbeproeving in langsrichting van het voertuig

§ 2.1. Eisen toelating CNG-onderdelen

In deze annex:

Artikel 1.31

110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens VN/ECE-reglement 110);

Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid

Hoofdstuk 5. Wijziging in de constructie waardoor de wielbasis niet meer overeenstemt met het kentekenregister

Titel 1. Vergroting van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, met een volledig zelfdragende carrosserie en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag

Titel 2. Vergroting van de wielbasis van een motorfiets en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van weggedrag

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 1.2a

Vervallen

Afdeling 3. Aanwijzing van een technische dienst

§ 1. Eisen voor de aanwijzing

Artikel 1.5

Vervallen

Artikel 1.6

Vervallen

Artikel 1.7

Vervallen

Artikel 1.8

Vervallen

Artikel 1.9

Vervallen

Artikel 1.10

Vervallen

Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating

Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 1. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën M, N en O

§ 1. Typegoedkeuring

§ 2. Individuele goedkeuring

Afdeling 3. Goedkeuring systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken, voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, alsmede alcoholsloten

Afdeling 4. Goedkeuring productieprocessen

Afdeling 5. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S

Afdeling 6. Nationale goedkeuringen mobiele machines

§ 1. Aanvraag en toezicht EU-typegoedkeuring en VN/ECE-typegoedkeuring

§ 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring

Artikel 3.23a

Vervallen

Artikel 3.23b

Vervallen

Afdeling 8. Vervallen goedkeuringen en verlies geldigheid typegoedkeuring

Artikel 3.25a

Een typegoedkeuring voor het alcoholslot verliest haar geldigheid, indien:

Afdeling 10. Uitzonderingen als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet, op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet

Hoofdstuk 5. Permanente eisen

Hoofdstuk 4. Verkoopverboden

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 8. Vervallen goedkeuringen en verlies geldigheid typegoedkeuring

Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren

Afdeling 2. Personenauto’s

§ 0. Algemeen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 6. Ophanging

§ 7. Stuurinrichting

§ 8. Reminrichting

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen

Afdeling 3. Bedrijfsauto’s

§ 0. Algemeen

§ 0. Algemeen

§ 5. Assen

§ 5. Assen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 7. Stuurinrichting

Afdeling 3a. Bussen

§ 12. Diversen

§ 12. Diversen

§ 5. Assen

§ 5. Assen

§ 8. Reminrichting

§ 8. Reminrichting

§ 6. Ophanging

Afdeling 4. Motorfietsen

§ 0. Algemeen

§ 12. Diversen

§ 3. Motor en brandstofsystemen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 5. Assen

§ 6. Ophanging

§ 9. Carrosserie

Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen

§ 7. Stuurinrichting

§ 8. Reminrichting

§ 5. Assen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 12. Diversen

Afdeling 6. Bromfietsen

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 0. Algemeen

§ 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 6. Ophanging

§ 6. Ophanging

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 12. Diversen

§ 3. Motor en brandstofsystemen

§ 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen

§ 2. Afmetingen en massa’s

Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers

§ 0. Algemeen

§ 7. Stuurinrichting

§ 12. Diversen

Afdeling 9. Fietsen

§ 7. Stuurinrichting

§ 7. Stuurinrichting

Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.

§ 6. Ophanging

§ 8. Reminrichting

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

§ 3. Motor en brandstofsystemen

§ 6. Ophanging

§ 6. Ophanging

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen

§ 5. Assen

§ 7. Stuurinrichting

§ 7. Stuurinrichting

§ 12. Diversen

Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen

§ 7. Stuurinrichting

§ 5. Assen

§ 5. Assen

§ 12. Diversen

Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

§ 6. Ophanging

Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 0. Algemeen

§ 6. Ophanging

§ 8. Reminrichting

Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 7. Stuurinrichting

Afdeling 17. Wagens

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

§ 6. Ophanging

§ 8. Reminrichting

A. Aanhangwagens

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan

B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens

§ 1. Afmetingen, massa’s en lasten

§ 9. Carrosserie

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie

B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens

§ 2. Onderzoeksgerechtigden

Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 1. Algemeen

§ 1. Algemeen

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen

C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen

§ 2. Onderzoeksgerechtigden

§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken

§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken

§ 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen

§ 4.2. Technische eisen

§ 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen

§ 2.2. Certificaten

§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen

§ 6. Remvertragingsmeters

§ 6.2. Technische eisen

§ 2. Onderzoeksgerechtigden

§ 1.2.3. Optisch systeem

§ 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting

§ 3.1. Algemeen

§ 5. Pedaalkrachtmeters

§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen

§ 6. Remvertragingsmeters

§ 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting

§ 7.2.1. Controle-inrichting

§ 7.1. Algemeen

§ 7.1. Algemeen

Artikel 8.4.89a
1.

Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van alcoholsloten voldoet aan de volgende eisen:

2.

Bij de productie van het in het eerste lid bedoelde kalibratiegas:

3.

Artikel 8.4.89, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

§ 10. Bromfietsrollentestbank

§ 7.2.2. De maximale fout

§ 7.2.3. Uitvoering

§ 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting

§ 7.2.3. Uitvoering

§ 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden

§ 7.1. Algemeen

§ 7.2. Technische eisen

§ 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting

§ 12. Koplamptestapparaten

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

§ 9. Uitlaatgastesters met lambdabepaling

§ 2. Aanvraag ontheffing

§ 8. Platenremtestbanken

§ 4. Tarieven

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.

Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.

Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.

Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.

Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.

Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.

Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.

Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid

Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.

4 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.

Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid

In deze bijlage wordt verstaan onder:

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.

De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.

Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid

Vervallen

Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.

Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11

Vervallen

Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.

Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.

Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.

Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5

Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27

Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5

Op de retroreflector moet:

Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in verordening (EG) nr. 661/2009 tot 6 juli 2022 en met ingang van 6 juli 2022 aan het bepaalde in verordening (EU) 2019/2144 omtrent de retroreflector van Klasse I.

Binnen een termijn van twee weken na het in werking treden van de zwaardere eisen, worden de voertuigen door de fabrikant aangemeld bij de Dienst Wegverkeer onder opgave van:

De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.

In deze bijlage wordt verstaan onder:

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Voertuigen met verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, welke gevoed wordt door benzine:

Artikel 28

Artikel 36

2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m

Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.

De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.

Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.

Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.

m tot.geremd = de in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig is vermeld, geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de totale gemeten massa van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd;

Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid

Artikel 119

Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:

Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3

Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.

waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:

De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:

Vervallen.

Annex 1. behorende bij de artikelen 5 tot en met 7

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.

Hoofdstuk 3. Wijziging in de constructie van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een zelfdragende carrosserie waardoor de inrichtingsomschrijving of het type carrosserie niet meer overeenstemmen met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag

1 De loadindexen hebben betrekking op enkelgemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt tweemaal de aslast in enkele montage.

Annex 1. behorende bij artikel 4

Bij wijziging van de brandstofsoort in CNG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.

Artikel 2

Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.

Hoofdstuk 3. Wijziging in de constructie van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een zelfdragende carrosserie waardoor de inrichtingsomschrijving of het type carrosserie niet meer overeenstemmen met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag

Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:

Annex 1. behorende bij artikel 4

De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.

Afdeling 1. Eisen LPG

4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ staat voor ‘Nederland’);

Artikel 3. Duurbeproeving in langsrichting van het voertuig

Afdeling 2. Eisen CNG

Artikel 4. Duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig

Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.

Artikel 5. Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig

Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weerbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.

Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6

Hoofdstuk 0. Algemeen

Artikel 1.0

Artikel 1.32

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23.a, vierde lid, van de Regeling voertuigen

Afdeling 1. Eisen LPG

Artikel 1
1.

Voor de toepassing van deze bijlage wordt, in afwijking van punt 3 van NEN-EN 50436-1, verstaan onder:

2.

Voor de toepassing van deze bijlage wordt, in aanvulling op punt 3 van NEN-EN 50436-1, verstaan onder:

Artikel 1.32

Artikel 2
1.

Alcoholsloten als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet voldoen aan de eisen uit NEN-EN 50436-1, voor zover in deze bijlage niet expliciet die eisen worden aangevuld of van die eisen wordt afgeweken.

2.

In aanvulling op NEN-EN 50436-1, voldoen alcoholsloten als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet, aan de in annex 1 vastgestelde aanvullende parameterinstellingen.

Artikel 1.29

Artikel 1.41

Artikel 3

In aanvulling op punt 4.1 uit NEN-EN 50436-1, gelden de volgende eisen:

§ 2.2.2. CNG-tank

Artikel 4
1.

In afwijking van punt 4.2 uit NEN-EN 50436-1, is uitsluitend voorzien in een overbruggingsfunctie bestemd voor onderhoud aan het motorrijtuig of het alcoholslot, waarmee het startmechanisme gedurende een in annex 1 vastgestelde maximale periode kan worden gedeblokkeerd zonder dat een initieel ademmonster of een hertest behoeft te worden afgelegd.

2.

Het gebruik van de overbruggingsfunctie, bedoeld in het eerste lid, is uitsluitend na invoer van een code mogelijk en wordt altijd geregistreerd in het datageheugen.

3.

De overbrugging moet op eenvoudige wijze voortijdig kunnen worden beëindigd.

Artikel 1.44

Artikel 5
1.

In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1, registreert het datageheugen ten minste de waarnemingen en gebeurtenissen vastgesteld in annex 2, met de daarbij behorende verplichte velden.

2.

Ten aanzien van het alcoholslot en de uitleesapplicatie zijn passende technische en organisatorische maatregelen getroffen om persoonsgegevens te beveiligen tegen ongeautoriseerd kennisnemen, tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking en om te garanderen dat waarnemingen en gebeurtenissen als bedoeld in het eerste lid onweerlegbaar en integer worden geregistreerd in het alcoholslotregister, bedoeld in artikel 129a, van de wet.

3.

Om aan het tweede lid te voldoen, wordt het alcoholslot alsmede de uitleesapplicatie beschermd door beveiligingsmaatregelen, zoals geformuleerd in het beschermingsprofiel Alcohol Interlock pp, v1.0.

Artikel 6
1.

In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1, wordt iedere waarneming of gebeurtenis als bedoeld in artikel 5, eerste lid, vastgelegd in een aparte verslagregel.

2.

Een verslagregel bevat ten minste de volgende velden:

3.

De in het tweede lid, onderdelen a tot en met e, bedoelde verplichte velden per gegevens record mogen worden gevolgd door niet-gestandaardiseerde aanvullende velden.

4.

Zowel verslagregels ontstaan in de handset, als de verslagregels ontstaan in de vaste eenheid, worden opgeslagen in het datageheugen.

5.

Het datageheugen heeft een geheugenruimte die voldoende ruimte biedt voor het vastleggen van ten minstealle verslagregels die het alcoholslot bij normaal gebruik genereert in de maximale periode gedurende welke het alcoholslot niet behoeft te worden gekalibreerd, plus de duur van de waarschuwing na het verstrijken van dezer maximale periode, zoals deze zijn vastgesteld in annex 1.

Artikel 7
1.

In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1, kunnen de verslagregels uit het datageheugen alleen worden uitgelezen door personen als bedoeld in artikel 66r van de Regeling aanpassing voertuigen, met een door de fabrikant van het alcoholslot te leveren en door de Dienst Wegverkeer goedgekeurde uitleesapplicatie.

2.

De uitlezing, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats met inachtneming van de in annex 3 opgenomen eisen.

3.

Het datageheugen genereert een beveiligd uitvoerbestand dat onverwijld aan de Dienst Wegverkeer wordt aangeboden op de in artikel 66ss van de Regeling aanpassing voertuigen aangegeven wijze overeenkomstig de structuurdefinitie zoals die overeenkomstig artikel 66f, derde lid, van de Regeling aanpassing voertuigen is vastgesteld door de Dienst Wegverkeer.

4.

Het datageheugen wordt pas geschoond nadat van de Dienst Wegverkeer een bevestiging is ontvangen dat het uitvoerbestand op correcte wijze is geregistreerd in het in artikel 129a van de wet bedoelde alcoholslotregister.

Artikel 1.33

Artikel 8

In afwijking van punt 4.7 van NEN-EN 50436-1, gelden voor de hertest de volgende eisen:

Artikel 1.39

Artikel 9
1.

In aanvulling op punt 4.8 van NEN-EN 50436-1, geeft het alcoholslot op het scherm aan dat het motorrijtuig waarin het alcoholslot is ingebouwd vervroegd moet worden teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in artikel 132k, eerste lid, van de wet, indien:

2.

In aanvulling op het eerste lid, geeft het alcoholslot op het scherm aan dat het motorrijtuig waarin het alcoholslot is ingebouwd vervroegd moet worden teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in artikel 132k, eerste lid, van de wet, indien:

§ 2.2.3. Tankbanden

Artikel 10
1.

In aanvulling op punt 4.10 van NEN-EN 50436-1, is de toegang tot het datageheugen, tot de middelen waarmee de parameters worden ingesteld en tot de mogelijkheden voor afstelling zodanig ontworpen dat onbevoegde of onbedoelde wijziging wordt voorkomen.

2.

In aanvulling op punt 4.10 van NEN-EN 50436-1, is het alcoholslot op een zodanige wijze ingesteld dat daardoor manipulatie bij het afgeven van het ademmonster wordt voorkomen.

Artikel 1.39

Artikel 11

In aanvulling op punt 5 van NEN-EN 50436-1, gelden de volgende eisen:

Artikel 1.34

Artikel 12
1.

In aanvulling op punt 6.1 van NEN-EN 50436-1, moet elk alcoholslot zijn voorzien van een instructie voor de installatie in de Nederlandse taal die ten minste de volgende informatie bevat:

2.

In aanvulling op punt 6.1 van NEN-EN 50436-1, wordt aan de instructie voor installatie het volgende onderdeel toegevoegd:

Criteria voor plaatsing

Bij de opstelling van de montagehandleiding voor de handset wordt ten minste op de volgende punten ingegaan:

Artikel 1.35

Artikel 1.36

Artikel 13
1.

De punten 8.1.1 tot en met 8.1.4 van NEN-EN 50436-1, zijn van overeenkomstige toepassing op losse handsets indien een verbinding van dit apparaat met het stroomcircuit van het desbetreffende motorrijtuig is voorzien.

2.

In aanvulling op het eerste lid, geldt voor losse handsets dat in delen van het alcoholslot met geïntegreerde batterijen de batterijen gedurende 60 seconden worden geplaatst met omgekeerde polariteit, tenzij een verkeerde polarisatie technisch niet mogelijk is.

Artikel 1.38

Artikel 14

In aanvulling op punt 8.3.1 van NEN-EN 50436-1, geldt voor losse handsets een omgevingstemperatuur van –20 °C tot +65 °C.

Artikel 1.39

Artikel 15

In aanvulling op punt 8.4.1 van NEN-EN 50436-1, worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:

Artikel 16

In aanvulling op punt 8.4.2 van NEN-EN 50436-1, worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:

Artikel 17

In afwijking van punt 8.4.4. van NEN-EN 50436-1, worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:

Artikel 1.49

Artikel 18

In aanvulling op punt 8.8. van NEN-EN 50436-1, gelden de volgende eisen:

Artikel 1.41

Artikel 19

In afwijking van de laatste alinea van punt 8.13 van NEN-EN 50436-1, voldoet het alcoholslot gedurende de in annex 1 genoemde periode, of langer indien door de fabrikant een langere termijn is aangegeven als uiterste termijn waarbinnen het alcoholslot niet behoeft te worden gekalibreerd, vermeerderd met de in annex 1 vastgestelde duur van de waarschuwing nadat deze termijn is verstreken, onder normale omstandigheden aan de eisen van de functionele beproevingen type 1 en type 3 uit punt 7.5.

Artikel 20

In aanvulling op hoofdstuk 8 van NEN-EN 50436-1, wordt een eis toegevoegd, luidende:

Nadat een ademmonster is afgegeven, geeft het alcoholslot het dienovereenkomstige uitvoersignaal:

Artikel 1.43

De in artikel 1.72 gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in de artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.

Artikel 1.46

Artikel 1.47

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

Vervallen

Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid

Vervallen

Vervallen.

Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.

De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan: gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.

Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.13

Voorafgaand aan het verkrijgen van een goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg, overlegt de aanvrager van de goedkeuring documentatie over de elektrische aandrijflijn aan de Dienst wegverkeer.

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.

Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27

Op de retroreflector moet:

Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11

Vervallen

De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.

De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:

De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).

De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.

Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, mag:

Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.

Controle op de juistheid van de gegevens, bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:

De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).

Vervallen.

Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:

Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:

Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.

Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg:

Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.

De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:

Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid

Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.

Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3

Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. In ieder geval is sprake van een gasontladingslichtbron, indien:

Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. In ieder geval is sprake van een gasontladingslichtbron, indien:

Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:

De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:

De linkerbuitenspiegel van een landbouw- of bosbouwtrekker of mobiele machine moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee:

De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.

Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers, asbevestigingen, profielen en trekinrichting middenasaanhangwagen en aanhangwagen met een stijve dissel.

Achterlichten van fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, ‘e’ of ‘E’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.

Motorvoertuigen die geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.

In deze bijlage wordt verstaan onder:

2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’, mag voor de waarde van de variatie in aslast de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.

Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid

Afdeling 2. Eisen CNG

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23.a, vierde lid, van de Regeling voertuigen

Hoofdstuk 4. Wijziging in de constructie waardoor de spoorbreedte van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg niet meer overeenstemt met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag

Artikel 1

Artikel 1.34

Artikel 1.30

Artikel 1.1

Afdeling 2. Eisen CNG

Artikel 1.32

Artikel 1.48

Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.

waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:

Artikel 1.50

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

In aanvulling op de artikelen 2 en 3 moet het, aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende, en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde, voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, dan wordt door de Dienst Wegverkeer, op de wijze vermeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.

Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.

Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7

In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.

De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:

Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.

Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.9, derde lid

Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, vierde lid

Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.

Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.

Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.13

Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.

Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27

Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5

Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in richtlijn 76/757/EEG omtrent de retroreflector van Klasse I.

De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:

Controle op de juistheid van de gegevens, bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:

De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.

Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.

4,1 m/s2: remweg max. 15,1 m

2,5 m/s2: remweg max. 24,7 m

Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.

Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid

Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3

Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.

2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.

Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.

Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid

Artikel 2. Algemeen

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23.a, vierde lid, van de Regeling voertuigen

Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig

Artikel 1.39

Artikel 1.40

Artikel 1.42

Artikel 1.46

De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:

Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.

Artikel 1.48

Artikel 1.58

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

§ 1. Aanvraag en toezicht EU-typegoedkeuring en VN/ECE-typegoedkeuring

Artikel 3.24a
1.

De aanvraag van een individuele goedkeuring voor voertuigen wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer.

2.

De aanvraag en behandeling van een individuele goedkeuring voor voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O geschiedt met inachtneming van de in richtlijn 2007/46/EG daaromtrent gegeven voorschriften en op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.

3.

De aanvraag en behandeling van een individuele goedkeuring voor voertuigen van de voertuigcategorieën L, T, C, R en S geschiedt op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.

Afdeling 8. Vervallen goedkeuringen en verlies geldigheid typegoedkeuring

Afdeling 9. Restantvoorraden en reeds ingebouwde alcoholsloten

Hoofdstuk 4. Verkoopverboden

Hoofdstuk 5. Permanente eisen

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen

Afdeling 2. Personenauto’s

Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren

§ 0. Algemeen

§ 0. Algemeen

§ 3. Motor en brandstofsystemen

Artikel 5.2.12a
Eisen Wijze van Keuren
De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische personenauto’s: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 6. Ophanging

§ 7. Stuurinrichting

§ 7. Stuurinrichting

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen

Afdeling 3. Bedrijfsauto’s

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.3.12a
Eisen Wijze van Keuren
De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische bedrijfsauto’s: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

§ 5. Assen

§ 6. Ophanging

§ 7. Stuurinrichting

§ 0. Algemeen

§ 9. Carrosserie

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 3a. Bussen

§ 9. Carrosserie

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 12. Diversen

Artikel 5.3a.12a
Eisen Wijze van Keuren
De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische bussen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

§ 5. Assen

§ 12. Diversen

§ 5. Assen

§ 6. Ophanging

§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen

Afdeling 4. Motorfietsen

Artikel 5.4.12a
Eisen Wijze van Keuren
De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische motorfietsen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. Visuele controle.

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 6. Ophanging

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 5. Assen

Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen

§ 6. Ophanging

Artikel 5.5.12a
Eisen Wijze van Keuren
De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische driewielige motorrijtuigen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. Visuele controle.

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 5. Assen

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 6. Bromfietsen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.6.12a
Eisen Wijze van Keuren
De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische bromfietsen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. Visuele controle.

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 7. Stuurinrichting

§ 3. Motor en brandstofsystemen

Artikel 5.6.96
Eisen Wijze van Keuren
1. Aangewezen bromfietsen mogen niet zijn voorzien van verblindende lichten. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Aangewezen bromfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende lichten.
Artikel 5.6.97
Eisen Wijze van Keuren
Aangewezen bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.6.93 en 5.6.94 is voorgeschreven of toegestaan. Visuele controle.
Artikel 5.6.98
Eisen Wijze van Keuren
Indien de aangewezen bromfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Visuele controle.
Artikel 5.6.99
Eisen Wijze van Keuren
1. Aangewezen bromfietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Visuele en auditieve controle, waarbij de bel dan wel hoorn in werking wordt gesteld.
2. Aangewezen bromfietsen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die er toe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de bromfiets te voorkomen. Leden 2 tot en met 4: visuele en auditieve controle.
3. Hybride elektrische of elektrische aangewezen bromfietsen mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem.
4. Aangewezen bromfietsen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 9. Carrosserie

Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers

§ 0. Algemeen

§ 7. Stuurinrichting

§ 6. Ophanging

Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.

§ 0. Algemeen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

§ 8. Reminrichting

§ 9. Carrosserie

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen

§ 5. Assen

Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen

§ 8. Reminrichting

§ 2. Afmetingen en massa’s

Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 5. Assen

Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 6. Ophanging

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 3. Brandstofsystemen

§ 5. Assen

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen

§ 2. Afmetingen en massa’s

F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

A. Aanhangwagens

C. Gehandicaptenvoertuigen

D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen

§ 5. Assen

B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens

C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens

Artikel 5.18.62
1.

Op een afsleepas zijn de artikelen 5.12.3, 5.12.6, zesde lid, 5.12.18, 5.12.27, 5.12.31, eerste tot en met zevende lid, 5.12.66 en 5.12.68 van overeenkomstige toepassing.

2.

Een afsleepas moet zijn voorzien van een constructieplaat waarop naast het type ten minste de technisch toegestane maximummassa is aangegeven.

3.

Aan de achterzijde van het door de afsleepas gesleepte voertuig moet een lichtbalk zijn geplaatst die is aangesloten op de verlichting van het trekkende voertuig met ten minste twee rode achterlichten, twee rode remlichten, twee rode retroreflectoren en twee ambergele richtingaanwijzers.

Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie

§ 3. Reminrichting

Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

Afdeling 1. Algemeen

§ 1. Algemene bepalingen

A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

C. Gehandicaptenvoertuigen

Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen

§ 9. Carrosserie

§ 5. Verbinding tussen voertuigen

§ 0. Algemeen

Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 1. Algemeen

§ 1. Algemeen

§ 1. Keuringsinstellingen

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen

§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen

§ 2.2. Certificaten

§ 1.2.3. Optisch systeem

§ 1.2.3. Optisch systeem

§ 3. Olietemperatuurmeters

§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen

§ 1.2.3. Optisch systeem

§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen

§ 1. Keuringsinstellingen

C. Gehandicaptenvoertuigen

§ 7. Rollenremtestbanken

§ 1.2.6. Functiestanden

Artikel 8.4.74a

Onverminderd het bepaalde in artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a, wordt een verzegeling aangebracht tussen de platenremtestbank en zijn fundering.

§ 6.2. Technische eisen

Artikel 8.4.75a

Een geïntegreerde pedaalkrachtmeter voldoet aan de eisen in de artikelen 8.4.27 en 8.4.28 en is voorzien van een arreteerinrichting.

Artikel 8.4.75b
1.

De maximale fout, in plus en in min, van de aangewezen statische remkracht bedraagt:

2.

Bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor de beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fout, bedoeld in het eerste lid.

3.

De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde, indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.

§ 7.2.2. De maximale fout

Artikel 8.4.75c
1.

De resulterende meetwaarden worden door analoge of digitale aanwijzingen aangegeven.

2.

Indien een registratie-inrichting aanwezig is, moet deze de resulterende meetwaarden vermelden.

3.

De aanwijzingen moeten:

4.

Een analoge of digitale aanwijzing is zodanig dat:

Artikel 8.4.75d
1.

De platenremtestbank is op eenvoudige wijze te bedienen en werkt op veilige wijze.

2.

Het oppervlak van de meetplaten is zodanig dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent.

3.

De minimale lengte van de meetplaat bedraagt 1,35 m.

Artikel 8.4.75e

De resulterende meetwaarde is de maximale gemeten remkracht, met uitzondering van een eventuele piekwaarde aan het begin van de meetperiode en aan het eind van de meetperiode.

§ 3.2. Technische eisen

Artikel 8.4.76
1.

Typekeuringscertificaten die afgegeven zijn vóór 1 januari 2012, vervallen met ingang van 1 augustus 2012.

2.

Platenremtestbanken die op basis van vóór 1 januari 2012 afgegeven typekeuringscertificaten in gebruik genomen zijn, moeten blijven voldoen aan de eisen zoals die van kracht waren op 31 december 2011.

§ 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting

§ 9.3.2. Beveiligingen

§ 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde

§ 7.2.5. Aanwijsinrichting

§ 8.2.1. Controle-inrichting

§ 7.2.8. Registratie-inrichting

§ 1.2. Technische eisen

§ 7.2.9. Overgangsmaatregelen

§ 1.2.4. Temperatuuraspecten

§ 1.2.5. Monsternamesysteem

§ 1.2.6. Functiestanden

§ 1.2.7. Aanwijsinrichting

§ 8. Platenremtestbanken

§ 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting

§ 8.2. Technische eisen

§ 9. Deeltjestellers

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

§ 1. Ontheffingen

§ 11. Geluidsniveaumeter

§ 3. Olietemperatuurmeters

§ 9. Deeltjestellers

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid

Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.

Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid

Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid

Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid

Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11

Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.

Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7

Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.9, derde lid

Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, vierde lid

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.

Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:

Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5

Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.

De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.

Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden, moet aan de volgende eisen voldoen:

De beoordeling van roestschade vindt plaats:

Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:

Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.

Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaatsvindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd:

Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid

Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3

De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:

De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto die na 30 september 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:

Vervallen.

Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.

2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.

Vervallen.

Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.

waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:

Artikel 1.42

2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.

Artikel 1.31

De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.

Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6

Artikel 1.37

Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6

Artikel 1.51

§ 2.2.2. CNG-tank

Artikel 1.44

Artikel 1.45

Artikel 1.66

Artikel 1.50

Artikel 1.70

Artikel 1.53

De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:

Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.

Artikel 1.55

Artikel 1.63

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:

Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.

Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.

Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid

Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid

Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:

2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.

Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:

Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:

Vervallen.

De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd. Indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.

Bij wijziging van de brandstofsoort in CNG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.

00: goedkeuring volgens de originele niet-geamendeerde versie van het reglement;

Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:

110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens VN/ECE-reglement 110);

Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6

Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6

Artikel 1.57

§ 2.2.3. Tankbanden

Artikel 1.49

Artikel 1.59

§ 2.2.6. Gasdichte behuizing op de tank

Artikel 1.57

Artikel 1.76

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.

Artikel 1.60

Artikel 1.61

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 5.12.31a
Eisen Wijze van keuren
1. Opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, mogen zijn voorzien van een reminrichting. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De reminrichting, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen aan de eisen, bedoeld in artikel 5.12.31.
Artikel 5.12.39a
Eisen Wijze van keuren
1. Opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, mogen zijn voorzien van een vastzetinrichting. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
2. De vastzetinrichting, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen aan de eisen, bedoeld in artikel 5.12.39, eerste lid. Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de vastzetinrichting wordt bediend.

§ 4. Krachtoverbrenging

Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen

§ 7. Stuurinrichting

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 5. Assen

Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen

§ 6. Ophanging

§ 3. Brandstofsystemen

Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 6. Ophanging

Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen

§ 5. Assen

E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

§ 9. Carrosserie

B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen

C. Gehandicaptenvoertuigen

B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen

§ 6. Diversen

§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen

E. Wagens

Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen

§ 2. Onderzoeksgerechtigden

Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen

§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 2. Onderzoeksgerechtigden

§ 2.2. Technische eisen

B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

§ 4.2. Technische eisen

§ 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen

§ 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen

§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen

§ 2. Toerentellers

§ 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling

§ 7.2.5. Aanwijsinrichting

§ 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting

§ 1.1. Algemeen

§ 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde

§ 7.2.8. Registratie-inrichting

§ 1.2.8. Registratie-inrichting

§ 11. Geluidsniveaumeter

§ 1.2.10. Meetprogramma

§ 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde

§ 10. Bromfietsrollentestbank

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

§ 4. Tarieven

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.

Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid

Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, vierde lid

Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.

Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.9, derde lid

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:

Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27

Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5

Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.

Controle op de juistheid van de gegevens, bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:

m ahw = de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.

De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:

Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid

Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3

Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.

Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.

Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:

Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.

§ 2.2.1. Algemeen

Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.

2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23.a, vierde lid, van de Regeling voertuigen

Artikel 1.60

§ 2.2.4. Overdrukbeveiliging ten behoeve van de tank

Artikel 1.58

§ 2.2.6. Gasdichte behuizing op de tank

Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:

In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:

Artikel 1.78

§ 2.2.7. Gasleidingen en -slangen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.

Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid

Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3

waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:

4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ staat voor ‘Nederland’);

De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.

Artikel 1.37

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23.a, vierde lid, van de Regeling voertuigen

Artikel 1.52

§ 2.2.8. Gasvoerende verbindingen tussen de diverse CNG-onderdelen

De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:

De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.

§ 2.2.12. Elektrische voorzieningen

Artikel 1.63

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 5.6.57a
Eisen Wijze van Keuren
Bromfietsen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de bromfiets herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Visuele controle.

§ 8. Reminrichting

§ 9. Carrosserie

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 0. Algemeen

Artikel 5.7.12a
Eisen Wijze van Keuren
De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische motorrijtuigen met beperkte snelheid: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset, en f. moeten goed zijn geïsoleerd. Visuele controle.

§ 6. Ophanging

Artikel 5.7.57a
Eisen Wijze van keuren
Motorrijtuigen met beperkte snelheid in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. Visuele controle.

§ 8. Reminrichting

Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers

Artikel 5.8.12a
Eisen Wijze van keuren
De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische landbouw- of bosbouwtrekkers: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; en f. moeten goed zijn geïsoleerd. Visuele controle.

§ 12. Diversen

§ 12. Diversen

Artikel 5.8.57a
Eisen Wijze van keuren
Landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.

Afdeling 9. Fietsen

§ 12. Diversen

Artikel 5.9.57a
Eisen Wijze van keuren
Fietsen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de fiets herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Visuele controle.

Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.

Artikel 5.10.12a
Eisen Wijze van Keuren
De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische gehandicaptenvoertuigen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset, en f. moeten goed zijn geïsoleerd. Visuele controle.

§ 0. Algemeen

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

Artikel 5.11.12a
Eisen Wijze van Keuren
De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische gehandicaptenvoertuigen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset, en f. moeten goed zijn geïsoleerd. Visuele controle.

§ 12. Diversen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen

§ 5. Assen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 12. Diversen

§ 4. Krachtoverbrenging

Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen

§ 3. Brandstofsystemen

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

§ 9. Carrosserie

§ 12. Diversen

§ 9. Carrosserie

Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 6. Ophanging

Artikel 5.14.57a
Eisen Wijze van keuren
Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. Visuele controle.

Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen

Artikel 5.15.57a
Eisen Wijze van Keuren
1. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten.

§ 11. Verbinding tussen motorfiets of bromfiets en aanhangwagen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 16. Fietsaanhangwagens

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens

C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen

§ 5. Verbinding tussen voertuigen

A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O

C. Gehandicaptenvoertuigen

§ 2. Afmetingen en massa’s

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

Afdeling 1. Algemeen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 6. Ophanging

B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen

Afdeling 18. Gebruikseisen

§ 6. Diversen

§ 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas

Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen

§ 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 6. Diversen

§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen

§ 3. Olietemperatuurmeters

§ 1. Roetmeters

§ 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen

E. Wagens

A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

§ 2. Toerentellers

§ 7.2.2. De maximale fout

§ 9. Uitlaatgastesters met lambdabepaling

§ 7.2.1. Controle-inrichting

§ 7.1. Algemeen

§ 1.2.2. Maximale fout

§ 1.2.3. Optisch systeem

§ 8.1. Algemeen

§ 8.2.1. Controle-inrichting

§ 8.2.3. Uitvoering

§ 2.1. Algemeen

§ 8.2.4. Overgangsmaatregelen

§ 9.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters

§ 9.2. Metrologische eisen gesteld aan deeltjestellers

§ 12. Koplamptestapparaten

§ 1. Ontheffingen

§ 2. Aanvraag ontheffing

§ 3. Beschikking inzake ontheffing

§ 4. Tarieven

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Vervallen

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7 en kleine serie typegoedkeuring voor de categorieën M, N en O behorende bij artikel 3.2, derde lid

Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.

Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11

Vervallen

Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.

De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:

Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid

Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, vierde lid

Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.

Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27

Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27

Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5

De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.

Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid

Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3

Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.

4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ staat voor ‘Nederland’);

4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ staat voor ‘Nederland’);

00: goedkeuring volgens de originele niet-geamendeerde versie van het reglement;

De kleur en afmetingen moeten zijn:

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.

Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weerbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.

Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23.a, vierde lid, van de Regeling voertuigen

Artikel 1.55

§ 2.2.9. Vulaansluiting

Artikel 1.56

§ 2.2.5. Automatische tankafsluiter

Artikel 1.64

Artikel 1.66

§ 2.2.8. Gasvoerende verbindingen tussen de diverse CNG-onderdelen

De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.

1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.

Artikel 1.70

§ 2.2.11. Handafsluiter

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame wordt bepaald door het frame.

Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid

Vervallen

Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11

Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid

Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.9, derde lid

Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, vierde lid

Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.13

Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27

De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.

Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5

Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.

Vervallen.

Artikel 106a
1.

Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2016 met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg en aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 2016 waarbij de som van de aslasten meer bedraagt dan 3.500 kg, moeten zijn voorzien van een deugdelijke opspatafscherming die de verstuiving van water door de banden beperkt.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s die een aantekening in het kentekenregister ‘G’ hebben.

Artikel 106b

De opspatafscherming moet:

Artikel 106c

Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.

Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3

Motorvoertuigen die geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.

De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.

In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:

De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.

De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.

De in artikel 1.72 gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6

Artikel 1.56

Bijlage XII. , behorende bij artikel 3.9, vijfde lid

§ 2.2.3. Tankbanden

Artikel 1.74

Artikel 1.71

Artikel 1

In deze bijlage wordt verstaan onder:

De in artikel 1.72 gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

§ 2.2.10. Automatische afsluitklep

Artikel 1.74

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11

Vervallen

Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, derde lid

Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid

Vervallen

De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:

De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:

Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid

Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3

De lengtemarkering moet bestaan uit:

De in artikel 1.72 gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

De kleur en afmetingen moeten zijn:

Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.

Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid

Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:

De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.

Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.

Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

Vervallen

Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11

Vervallen

Bijlage IV. , behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4 en 3.7, eerste lid

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Vervallen

Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid

Op de retroreflector moet:

Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.13

Bijlage IX. , behorende bij artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid

Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3

2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.

Bijlage XII. , behorende bij artikel 3.9, vijfde lid

De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:

De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 5.4.59b
Eisen Wijze van keuren
1. Het mistvoorlicht of de mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is.
2. Het extra dimlicht moet goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is.

§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen

Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen

§ 0. Algemeen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 6. Bromfietsen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen

§ 9. Carrosserie

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 3. Motor en brandstofsystemen

Artikel 5.7.59b
Eisen Wijze van keuren
1. De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is.
2. De extra dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is.
Artikel 5.7.61
Eisen Wijze van keuren
De richtingaanwijzers, stadslichten, parkeerlichten, achterlichten en retroreflector aan de achterzijde, bedoeld in de artikelen 5.7.51 en 5.7.57, zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.

§ 12. Diversen

Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers

Artikel 5.8.11a
Eisen Wijze van keuren
Onderdelen van landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2017, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen met uitzondering van water geen overmatige vloeistoflekkage vertonen. Visuele controle.
Artikel 5.8.15
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. Visuele controle. De werking en afleesbaarheid worden niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Indien een landbouw- of bosbouwtrekker moet zijn voorzien van een controleapparaat: a. moet de landbouw- of bosbouwtrekker zijn voorzien van een installatieplaatje en mag de op dat installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal twee jaar vanaf de installatiedatum bedraagt; b. moet het installatieplaatje, bedoeld in onderdeel a, zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd; c. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het installatieplaatje is vermeld; en d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening. Visuele controle.

§ 3. Motor en brandstofsystemen

Artikel 5.8.32
Eisen Wijze van keuren
1. In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden.
2. De vulopening van de reservoirs, bedoeld in het eerste lid, moet zijn afgesloten met een passende dop. Visuele controle.
Artikel 5.8.33
Eisen Wijze van keuren
Landbouw- of bosbouwtrekkers met een drukluchtremsysteem die in gebruik zijn genomen na 31 december 2020, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de energievoorraad in een van de bedrijfskringen onder de vereiste minimumdruk is gedaald. Visuele of auditieve controle, door om de beurt de bedrijfsremkringen leeg te laten lopen en weer te vullen.
Artikel 5.8.34
Eisen Wijze van keuren
Landbouw- of bosbouwtrekkers met een veerrem die in gebruik zijn genomen na 31 december 2020, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de veerrem in werking is gesteld. Visuele of auditieve controle, terwijl de veerrem in werking wordt gesteld.
Artikel 5.8.36
Eisen Wijze van keuren
1. De slag van drukluchtremcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. Visuele controle, waarbij de rem in werking wordt gesteld.
2. De slag van drukluchtremcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan twee derde deel van de maximumslag van de betrokken remcilinder. Visuele controle, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.8.37
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers met een: a. tweeleidingremsysteem ten behoeve van aanhangwagens, moeten aan de aansluitkop van de voorraadleiding een druk bezitten met een grenswaarde van 6,0 tot 8,5 bar en aan de aansluitkop van de commandoleiding, bij een maximale voorraaddruk, een druk met een grenswaarde van 6,0 tot 8,5 bar; b. éénleiding hydraulisch remsysteem ten behoeve van aanhangwagens, moet aan de aansluitkop een druk bezitten met een grenswaarde van 100 tot 160 bar; c. tweeleiding hydraulisch remsysteem ten behoeve van aanhangwagens, moeten aan de aansluitkop van de supplementaire leiding een druk bezitten met een grenswaarde van 15 tot 35 bar en aan de aansluitkop van de bedieningsleiding een druk met een grenswaarde van 115 tot 150 bar. Visuele controle met behulp van een manometer, waarbij de rem in werking wordt gesteld.
2. Bij landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2020, moeten de voorraad- en commandoleiding zijn voorzien van goed werkende automatische afsluiters. Visuele controle.
Artikel 5.8.59b
Eisen Wijze van keuren
1. De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is.
2. De extra dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is.
Artikel 5.8.61
Eisen Wijze van keuren
De richtingaanwijzers, stadslichten, parkeerlichten, achterlichten en retroreflector aan de achterzijde, bedoeld in de artikelen 5.8.51 en 5.8.57, moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.8.67
Eisen Wijze van keuren
Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een koppelingskogel met een nominale diameter van: a. 50 mm, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen; b. 80 mm, moet de diameter van de kogel ten minste 78,5 mm bedragen. Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
Artikel 5.8.68
Eisen Wijze van keuren
1. Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een vangmuilkoppeling met een nominale pendiameter van: a. 25 mm, moet de pendiameter ten minste 23,0 mm bedragen; b. 32 mm, moet de pendiameter ten minste 30,0 mm bedragen; c. 36 mm, moet de pendiameter ten minste 34,0 mm bedragen; d. 38 mm, moet de pendiameter ten minste 36,0 mm bedragen; e. 40 mm, moet de pendiameter ten minste 36,5 mm bedragen; f. 50 mm, moet de pendiameter ten minste 46,0 mm bedragen; g. 57,5 mm, moet de pendiameter ten minste 55,0 mm bedragen. Het contactgedeelte van de pen met het trekoog, wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. De koppelingen, bedoeld in het eerste lid, moeten voldoen aan de volgende eisen: a. de opwaartse speling van de pen mag niet meer dan 5 mm bedragen; b. de radiale speling in de onderste bus mag niet meer dan 2 mm bedragen; c. de onderste lagerbus mag niet loszitten en de bevestiging ervan mag niet zijn uitgeslagen; d. de sluit- en borginrichting moet goed werken; e. de radiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk mag niet meer dan 2 mm bedragen; f. axiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk is niet toegestaan; g. de bevestigingsmoer van de trekstang moet deugdelijk vastzitten en moet goed geborgd zijn; en h. het gedeelte van de vangmuil dat als geleiding voor het trekoog tijdens het aankoppelen is bedoeld, mag tekenen van vervorming, scheuren of uitgebroken delen vertonen, mits daardoor de sterkte of het functioneren van de koppeling, met inbegrip van de sluit- en borginrichting, niet wordt aangetast. Herstel daarvan door middel van lassen is toegestaan. – Onderdeel a: de pen wordt omhoog bewogen met behulp van bijvoorbeeld een schroevendraaier, waarbij de koppeling gesloten moet zijn en de handborg of controlestift, voor zover mogelijk, buiten werking moet zijn gesteld, teneinde de speling in het sluitingsmechanisme en de bovenste lagerbus van de pen bij de beoordeling te betrekken. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. – Onderdeel b: in geval van twijfel wordt meten, bijvoorbeeld met een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. – Onderdeel c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de koppeling wordt geopend en gesloten. – Onderdeel e: de trekstang wordt op- en neerwaarts en van links naar rechts bewogen. In geval van twijfel wordt gemeten, bijvoorbeeld met een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. – Onderdeel f: de trekstang wordt axiaal bewogen. – Onderdeel g: visuele controle. Een eventuele stofkap wordt verwijderd. – Onderdeel h: visuele controle.
Artikel 5.8.69
Eisen Wijze van keuren
1. Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een schotelkoppeling van 2 of 3,5 inch, mag: a. de onvlakheid van de schotel niet meer dan 3,5 mm bedragen, en b. de onvlakheid van de schotel, in afwijking van onderdeel a, voor wat betreft de uiterste linker- en rechterzijde over een breedte van 50 mm, gemeten vanaf de buitenzijde van de schotel, niet meer dan 5 mm bedragen. Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen over het hart van de schotel gemeten.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op kunststofdelen op de schotelkoppeling die bedoeld zijn als slijtvlak.
3. Een schotelkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
4. De speling in de sluitinrichting van een schotelkoppeling van 2 inch mag, uitgaande van een niet gesleten 2 inch pen, in de lengterichting van het voertuig niet meer dan 2 mm bedragen. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. Controle geschiedt met behulp van: a. een standaard pen van 2 inch die voldoet aan de nieuwmaat toleranties en voorzien is van een vlakke plaat, waarbij het uitstekende deel van de pen een hoogte heeft van ten minste 82,5 mm en ten hoogste 82,7 mm, dan wel b. een oplegger met een pen van 2 inch, daarbij rekening houdend met een eventuele gemeten slijtage van de pen.
5. De sluit- en borginrichting moet goed werken. Visuele controle, terwijl de sluit- en borginrichting wordt geopend en gesloten.
Artikel 5.8.70
Eisen Wijze van keuren
Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een penkoppeling met een nominale diameter van: a. 30 mm, moet de pendiameter ten minste 28,0 mm bedragen; b. 30,6 mm, moet de pendiameter ten minste 28,6 mm bedragen; c. 44,5 mm, moet de diameter van de pen ten minste 41,0 mm bedragen. Het contactgedeelte van de pen met het trekoog wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.

Afdeling 9. Fietsen

§ 9. Carrosserie

Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

Artikel 5.10.59b
Eisen Wijze van keuren
De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is.

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

§ 3. Motor

§ 8. Reminrichting

Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg

§ 12. Diversen

§ 7. Stuurinrichting

Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg

Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

Artikel 5.14.1
Eisen Wijze van keuren
1. De geregistreerde landbouw- of bosbouwaanhangwagen of het geregistreerde verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De geregistreerde landbouw- of bosbouwaanhangwagen of het geregistreerde verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaat.
3. De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd.
4. Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd. Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van het voertuig staat.
5. Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of een soortgelijke dragende structuur zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. Leden 5 en 6: Visuele controle.
6. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die in gebruik zijn genomen na 31 december 2017, moeten zijn voorzien van één of meerdere constructieplaten die goed leesbaar zijn en waarvan in het geval van een geregistreerd voertuig de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de technisch toegestane maximummassa’s die op de constructieplaten zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa’s die in het kentekenregister zijn opgenomen.
7. Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die niet zijn opgenomen in het kentekenregister, in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 2021 en een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h hebben.
8. Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een technische toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg.
9. Het eerste tot en met het vierde lid zijn tot 1 januari 2025 niet van toepassing op landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken waarop ingevolge artikel III van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de implementatie van richtlijn 2014/45/EU alsmede ter invoering van een registratie- en kentekenplicht voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines en aanhangwagens die uitsluitend bestemd zijn om daardoor te worden voortbewogen en het niet meer toelaten tot het verkeer van nieuwe motorrijtuigen met beperkte snelheid (Stb. 2020, 167) geen kenteken behoorlijk zichtbaar aanwezig hoeft te zijn.

§ 3. Brandstofsystemen

§ 5. Assen

Artikel 5.14.35
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken voorzien van een drukluchtremsysteem, moeten zijn voorzien van: a. drukmeetpunten waarmee de drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcilinders op iedere as, kunnen worden gemeten, en b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten. Visuele controle.
2. Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed werken. Visuele controle met behulp van manometers, waarbij de rem in werking wordt gesteld. Indien mogelijk, wordt de controle ook uitgevoerd wanneer de drukluchtremkrachtregelaar de volle druk doorstuurt.
3. De ontwateringsventielen van reservoirs moeten goed werken. Visuele controle, waarbij het ontwateringsventiel, indien mogelijk, moet worden bediend.
Artikel 5.14.36
Eisen Wijze van keuren
1. De slag van drukluchtremcilinders of hydraulische remcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. Visuele controle, waarbij de rem in werking wordt gesteld.
2. De slag van drukluchtremcilinders of hydraulische remcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan twee derde deel van de maximumslag van de betrokken remcilinder. Visuele controle, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.14.38
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg: a. ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid niet meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen vóór 1 januari 2018; b. ten minste 3,1 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen vóór 1 januari 2018; c. ten minste 3,0 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid niet meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017; d. ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017. Bij controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2 van overeenkomstige toepassing. Visuele controle. In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd.
2. De bedrijfsrem van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h moet op ten minste twee wielen van iedere as werken. Visuele controle. Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de bedrijfsrem bediend en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd.
3. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de geremde wielen van elke as. Visuele controle; in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd.
Artikel 5.14.40
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die in gebruik zijn genomen na 31 december 2017 en zijn voorzien van een remsysteem, moeten zijn voorzien van een losbreekreminrichting. Leden 1 en 2: visuele controle. Bij een tweeleiding-drukluchtremsysteem wordt de luchtslang van de voorraad tussen het trekkende voertuig of een andere externe bron en de aanhangwagen losgenomen.
2. Indien de landbouw- of bosbouwaanhangwagen of het verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk is voorzien van een losbreekinrichting, moet deze goed werken.
3. Bij het koppelen van een tweeleiding-drukluchtremsysteem aan het trekkende voertuig, moet de reminrichting automatisch in de bedrijfstoestand komen. Visuele controle. Indien een losknop aanwezig is, moet deze, nadat de luchtslang van de voorraad is losgekoppeld, worden bediend en moet vervolgens de luchtslang van de voorraad worden aangesloten. Hierbij moet de losknop terugkeren in zijn oorspronkelijke stand.
Artikel 5.14.61
Eisen Wijze van keuren
1. De verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.14.51 en 5.14.57, moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten.
2. In afwijking van het eerste lid, moeten de stadslichten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig.
3. Het eerste lid is niet van toepassing op de achteruitrijlichten, remlichten, achterkentekenplaatverlichting, rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek, mistachterlichten en werklichten.
Artikel 5.14.70
Eisen Wijze van keuren
De achtertraverse, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt.

Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen

Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen

Afdeling 17. Wagens

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

§ 8. Reminrichting

§ 9. Carrosserie

§ 2. Afmetingen en massa’s

Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen

§ 2. Afmetingen en massa’s

Artikel 5.18.25b
1.

De op de kentekencard, in het kentekenregister of op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximummassa mag niet worden overschreden.

2.

De som van de aslasten van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk in beladen toestand, uitgezonderd de aslasten van een niet-autonome aanhangwagen, mag niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximummassa, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet overschreden mag worden. Bij middenasaanhangwagens en opleggers mag de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand, vermeerderd met de last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand, niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximummassa, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet overschreden mag worden.

3.

Indien van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk de toegestane maximummassa niet met behulp van het eerste en tweede lid kan worden vastgesteld, geldt voor dit voertuig een maximumlast onder enig wiel van 5.000 kg.

Artikel 5.18.25c
1.

Van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag:

2.

De toegestane maximumlast onder de as van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet meer bedragen dan:

3.

In afwijking van het tweede lid, mag de toegestane maximumlast onder de as van motorrijtuigen met beperkte snelheid of mobiele machines niet meer bedragen dan 12.000 kg.

4.

Eveneens in afwijking van het tweede lid, mag de toegestane maximumlast van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken onder een pendelas niet meer bedragen dan 13.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg.

Artikel 5.18.25d
1.

De op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximumlast onder het asstel mag niet worden overschreden.

2.

De toegestane maximumlast onder het asstel van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximumlast onder het asstel van het voertuig.

Artikel 5.18.25e

Indien met een motorrijtuig met beperkte snelheid dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen als bedoeld in artikel 1.1, de begripsbepaling van ‘motorrijtuig met beperkte snelheid’, onderdeel b, onder 2°, geen passagiers in de aanhangwagen worden vervoerd, mag in het motorrijtuig slechts één passagier worden vervoerd.

B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens

G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O

§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan

B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens

B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen

Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

Afdeling 1. Algemeen

§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen

§ 2. Onderzoeksgerechtigden

Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen

§ 1. Keuringsinstellingen

§ 2. Onderzoeksgerechtigden

§ 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen

Afdeling 1. Algemeen

§ 2a. Sneeuwkettingen

§ 1.1. Algemeen

§ 5. Verbinding tussen voertuigen

§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen

§ 5. Pedaalkrachtmeters

§ 3. Olietemperatuurmeters

§ 8. Platenremtestbanken

§ 7.2.9. Overgangsmaatregelen

§ 7.2.3. Uitvoering

§ 2.2. Technische eisen

§ 9.1. Algemeen

§ 8.2.4. Overgangsmaatregelen

§ 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting

§ 9.3.1. Constructie

§ 9.3.2. Meetprogramma

§ 9.3.3. Beveiligingen

§ 5.1. Algemeen

§ 5.2. Technische eisen

§ 11. Geluidsniveaumeter

§ 8.2.2. De maximale fout

§ 10.3. De maximale fout

§ 12. Koplamptestapparaten

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

§ 9. Deeltjestellers

§ 2. Aanvraag ontheffing

§ 11. Geluidsniveaumeter

§ 4. Tarieven

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid

Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Vervallen

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

Vervallen

Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.

Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.9, tweede lid

Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, derde lid

Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.13 en 6.4, derde lid, en bijlage IV, artikel 9, tweede lid

Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5

Bijlage IX. , behorende bij artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid

Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid

Artikel 5.2.10b
Eisen Wijze van keuren
1. Indien de personenauto is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.2.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De waterstoftank mag geen deuken vertonen. Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. Visuele controle.
4. De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
5. De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
6. De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. Leden 6 tot en met 9: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
7. De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
8. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
9. De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.
10. Personenauto’s voorzien van een waterstofinstallatie moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: Visuele controle.
Artikel 5.2.11a
Eisen Wijze van keuren
Onderdelen van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen behoudens van water geen overmatige lekkage van vloeistof vertonen. Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

§ 5. Assen

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.2.59b
Eisen Wijze van keuren
De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is.

§ 9. Carrosserie

Afdeling 3. Bedrijfsauto’s

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.3.10b
Eisen Wijze van keuren
1. Indien de bedrijfsauto is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De waterstoftank mag geen deuken vertonen. Visuele controle, zo nodig terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. Visuele controle.
4. De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
5. De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
6. De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. Leden 6 tot en met 9: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
7. De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
8. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
9. De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.
10. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: Leden 10 en 11: visuele controle.
11. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel aan de voor- en achterzijde als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens:
Artikel 5.3.11a
Eisen Wijze van keuren
Onderdelen van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen behoudens van water geen overmatige lekkage van vloeistof vertonen. Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

§ 12. Diversen

§ 13. Aanvullende eisen taxi’s

§ 7. Stuurinrichting

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 9. Carrosserie

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.3.59b
Eisen Wijze van keuren
De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is.

§ 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen

Afdeling 3a. Bussen

§ 0. Algemeen

Artikel 5.3a.10b
Eisen Wijze van keuren
1. Indien de bus is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd artikel 5.3a.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De waterstoftank mag geen deuken vertonen. Visuele controle, zo nodig terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. Visuele controle.
4. De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
5. De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. Visuele controle.
6. De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. Leden 6 tot en met 9: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
7. De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
8. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
9. De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.
10. De voorzijde, de achterzijde en minimaal één deur aan de rechterzijde van de bus die is voorzien van een waterstofinstallatie, zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: Visuele controle.
11. Zolang de tankverbinding of het aansluitpunt verbonden is met het tankstation, moet het onmogelijk zijn het aandrijfsysteem te bedienen of de bus voort te bewegen. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
Artikel 5.3a.11a
Eisen Wijze van keuren
Onderdelen van bussen in gebruik genomen na 31 december 2017, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen behoudens van water geen overmatige lekkage van vloeistof vertonen. Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

§ 6. Ophanging

§ 7. Stuurinrichting

§ 9. Carrosserie

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Artikel 5.3a.59b
Eisen Wijze van keuren
De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is.

§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen

Afdeling 4. Motorfietsen

§ 0. Algemeen

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

§ 5. Assen

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 6. Ophanging

§ 8. Reminrichting

§ 12. Diversen

Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 0. Algemeen

Artikel 5.5.10b
Eisen Wijze van keuren
1. Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd artikel 5.5.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De waterstoftank mag geen deuken vertonen. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.
4. De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst.
5. De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
6. De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. Leden 6 tot en met 10: visuele controle.
7. De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
8. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
9. De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.
10. Driewielige motorrijtuigen voorzien van een waterstofinstallatie moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens:
Artikel 5.5.11a
Eisen Wijze van keuren
Onderdelen van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen behoudens van water geen overmatige lekkage van vloeistof vertonen. Visuele controle.

§ 0. Algemeen

§ 9. Carrosserie

Artikel 5.5.59b
Eisen Wijze van keuren
Het mistvoorlicht of de mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is.

§ 7. Stuurinrichting

Afdeling 6. Bromfietsen

§ 0. Algemeen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 12. Diversen

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 0. Algemeen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers

§ 8. Reminrichting

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen

§ 0. Algemeen

Afdeling 9. Fietsen

§ 0. Algemeen

Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

§ 12. Diversen

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

Artikel 5.12.11a
Eisen Wijze van keuren
Onderdelen van aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 2017, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen behoudens van water geen overmatige lekkage van vloeistof vertonen. Visuele controle.

Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

§ 9. Carrosserie

§ 8. Reminrichting

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 0. Algemeen

§ 2. Afmetingen en massa’s

Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

Afdeling 16. Fietsaanhangwagens

§ 8. Reminrichting

Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen

§ 6. Ophanging

F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan

§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid

F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens

§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens

A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O

C. Gehandicaptenvoertuigen

§ 5. Verbinding tussen voertuigen

§ 3. Reminrichting

Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie

Artikel 6.10
1.

Indien een emissiebeheersingssysteem van een voertuig wordt gewijzigd, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een emissiebeheersingssysteem dat wordt vervangen door:

3.

De in bijlage I van verordening (EG) 715/2007 opgenomen eis voor Euro 5-fijnstof, geldt bij wijziging van een emissiebeheersingssysteem als bedoeld in het eerste lid voor voertuigen van de voertuigcategorie N1, klasse I, eerst vanaf een datum van eerste toelating die ligt op of na 1 januari 2012.

4.

In afwijking van artikel 6.1, eerste lid, mag een wijziging in de constructie waarbij een emissiebeheersingssysteem van een voertuig met compressie-ontsteking is verwijderd, worden aangetoond door middel van een verklaring afgegeven door de kentekenhouder voor zover:

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

Afdeling 1. Algemeen

§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen

Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen

§ 1. Keuringsinstellingen

§ 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas

Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 3. Reminrichting

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 2. Toerentellers

§ 3. Olietemperatuurmeters

§ 4. Manometers

§ 8. Platenremtestbanken

§ 1.2.1. Controle-inrichtingen

§ 8.2. Technische eisen

§ 9.3. Technische eisen

§ 3.1. Algemeen

§ 9.1. Algemeen

§ 9.2. Metrologische eisen gesteld aan deeltjestellers

§ 4. Manometers

§ 4.1. Algemeen

§ 9.3.3. Beveiligingen

§ 10.2. Technische eisen

§ 10.1. Algemeen

§ 10.2. Technische eisen

§ 10.4. Uitvoering

§ 9.1. Algemeen

§ 9.2. Metrologische eisen gesteld aan deeltjestellers

§ 10.7. Resulterende meetwaarde

§ 11. Geluidsniveaumeter

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

§ 10. Bromfietsrollentestbank

§ 2. Aanvraag ontheffing

§ 12. Koplamptestapparaten

§ 11. Geluidsniveaumeter

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Vervallen

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

Vervallen

Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.9, tweede lid

Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, derde lid

Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.13

Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid

Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5

Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.

Bijlage IX. , behorende bij artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid

Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd. Indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in de artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6

Bijlage XII. , behorende bij artikel 3.9, vijfde lid

Artikel 1.67

Artikel 1.69

Artikel 1.76

Artikel 1.73

Artikel 1.75

§ 2.2.11. Handafsluiter

Hoofdstuk 7. Stabiliteit op lange termijn

§ 2.2.12. Elektrische voorzieningen

Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:

1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.

Artikel 1.81

Artikel 2

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 1.1a

In deze regeling wordt onder aanhangwagen, ambulance, bedrijfsauto, bromfiets, bus, dolly, driewielig motorrijtuig, gelede bus, gepantserd voertuig, kampeerwagen, landbouw- of bosbouwaanhangwagen, landbouw- of bosbouwtrekker, lijkwagen, middenasaanhangwagen, mobiele kraan, mobiele machine, motorfiets, motorrijtuig met beperkte snelheid, oplegger, opleggertrekker, ov-auto, overige voertuig voor speciale doeleinden, personenauto, taxi, voor rolstoelen toegankelijk voertuig en verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk:

Afdeling 2. Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie

Afdeling 3. Aanwijzing van een technische dienst

§ 1. Eisen voor de aanwijzing

Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating

Hoofdstuk 3. Nadere regels in verband met de goedkeuringen bedoeld in hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994

Afdeling 2. Goedkeuring voertuigen

§ 1. Typegoedkeuring

§ 2. Individuele goedkeuring

Afdeling 6. Goedkeuring taxi

Afdeling 7. Aanvraag en toezicht

§ 1. Aanvraag en toezicht EU-typegoedkeuring en VN/ECE-typegoedkeuring

§ 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring

§ 3. Aanvraag individuele goedkeuring

Afdeling 8. Vervallen goedkeuringen en verlies geldigheid typegoedkeuring

Afdeling 1. Algemeen

Hoofdstuk 5. Permanente eisen

Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen

Afdeling 9. Restantvoorraden

Afdeling 10. Uitzonderingen als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet, op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet

Afdeling 2. Personenauto’s

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 8. Reminrichting

§ 9. Carrosserie

§ 13. Aanvullende eisen taxi’s

Afdeling 3. Bedrijfsauto’s

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 5. Assen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 9. Carrosserie

Afdeling 3a. Bussen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 0. Algemeen

§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen

Afdeling 4. Motorfietsen

§ 5. Assen

§ 6. Ophanging

§ 7. Stuurinrichting

Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen

§ 12. Diversen

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 5. Assen

§ 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen

Afdeling 6. Bromfietsen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 0. Algemeen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van artikel 20b van de wet zijn aangewezen

§ 8. Reminrichting

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 8. Reminrichting

Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers

§ 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen

Afdeling 9. Fietsen

§ 8. Reminrichting

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

§ 12. Diversen

Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg

§ 9. Carrosserie

Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

Afdeling 16. Fietsaanhangwagens

§ 2. Afmetingen en massa’s

Afdeling 17. Wagens

§ 6. Ophanging

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 8. Reminrichting

§ 9. Carrosserie

Afdeling 16. Fietsaanhangwagens

§ 0. Algemeen

§ 6. Ophanging

Artikel 5.18.32a
1.

Banden van motorvoertuigen mogen niet zijn voorzien van sneeuwkettingen die bestaan uit metalen elementen.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, indien het gebruik van sneeuwkettingen noodzakelijk is voor het vervullen van een dringende taak.

G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O

A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O

A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie

§ 2. Eisen wijziging in de constructie

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen

§ 1. Algemeen

§ 1. Keuringsinstellingen

Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen

§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 3. Olietemperatuurmeters

§ 3.2. Technische eisen

§ 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting

§ 8. Platenremtestbanken

§ 9.1. Algemeen

§ 3.2. Technische eisen

§ 9.3. Technische eisen

§ 10. Bromfietsrollentestbank

§ 9.3.2. Meetprogramma

§ 6.1. Algemeen

§ 9.3. Technische eisen

§ 10.4. Uitvoering

§ 7.1. Algemeen

§ 10.9. Overige

§ 10.8. Registratie-inrichting

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

§ 1. Ontheffingen

§ 10. Bromfietsrollentestbank

§ 1. Ontheffingen

§ 2. Aanvraag ontheffing

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid

Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Vervallen

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

Vervallen

Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11

Vervallen

Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid

Vervallen

Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid

Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.9, derde lid

Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid

Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5

Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:

Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid

Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.

Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.

De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.

De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:

De in artikel 1.72 gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6

Bijlage XII. , behorende bij artikel 3.9, vijfde lid

Artikel 1.65

Hoofdstuk 2. Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al dan niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel

§ 2.2.9. Vulaansluiting

Artikel 1.76

Artikel 1.77

Artikel 1.78

Artikel 1

Artikel 2.1

Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:

1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.

Annex 2. , behorende bij artikel 5, eerste lid

Annex 3. , behorende bij de artikelen 1, tweede lid, 7, tweede lid, en 11, eerste en tweede lid

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Hoofdstuk 4. Verkoopverboden

Hoofdstuk 5. Permanente eisen

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren

Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren

Afdeling 2. Personenauto’s

§ 3. Motor en brandstofsystemen

§ 5. Assen

§ 7. Stuurinrichting

§ 8. Reminrichting

§ 9. Carrosserie

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 13. Aanvullende eisen taxi’s

Afdeling 3. Bedrijfsauto’s

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 0. Algemeen

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 8. Reminrichting

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 9. Carrosserie

§ 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen

Afdeling 3a. Bussen

§ 0. Algemeen

§ 0. Algemeen

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen

§ 0. Algemeen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 7. Stuurinrichting

§ 9. Carrosserie

§ 9. Carrosserie

Afdeling 4. Motorfietsen

§ 7. Stuurinrichting

§ 8. Reminrichting

Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen

§ 2. Afmetingen en massa’s

Afdeling 6. Bromfietsen

§ 3. Motor en brandstofsystemen

§ 8. Reminrichting

§ 12. Diversen

§ 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 5. Assen

Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers

§ 5. Assen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen

Afdeling 9. Fietsen

Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg

§ 6. Ophanging

Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg

§ 7. Stuurinrichting

Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg

§ 7. Stuurinrichting

§ 0. Algemeen

Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens

§ 6. Ophanging

§ 3. Brandstofsystemen en milieu

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 2. Afmetingen en massa’s

Afdeling 17. Wagens

§ 3. Brandstofsystemen en milieu

Afdeling 18. Gebruikseisen

§ 0. Algemeen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan

E. Fietsen en fietsaanhangwagens

§ 2a. Sneeuwkettingen

D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens

B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers

Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

Afdeling 1. Algemeen

§ 2. Onderzoeksgerechtigden

Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 2. Onderzoeksgerechtigden

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 6. Diversen

§ 1. Algemene bepalingen

§ 5. Pedaalkrachtmeters

§ 7.2.5. Aanwijsinrichting

§ 2. Toerentellers

§ 8.2.1. Controle-inrichting

§ 10. Bromfietsrollentestbank

§ 9.2. Metrologische eisen gesteld aan deeltjestellers

§ 10.5. Gepresenteerde meetwaarden

§ 11. Geluidsniveaumeter

§ 11.1. Algemeen

§ 11. Geluidsniveaumeter

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

§ 12. Koplamptestapparaten

§ 4. Tarieven

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid

Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Vervallen

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

Vervallen

Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid

Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.9, derde lid

Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:

De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.

Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.13 en 6.4, derde lid, en bijlage IV, artikel 9, tweede lid

Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid

Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5

Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid

Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid

00: goedkeuring volgens de originele niet-geamendeerde versie van het reglement;

Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.

Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in de artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.

De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.

Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6

Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6

Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid

Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid

Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:

De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd. Indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 8.3.10a

Indien de frequentie van een interne frequentiebron van invloed is op het meetresultaat, mag de frequentie geen grotere afwijking van zijn nominale waarde hebben dan overeenkomend met één tiende van de maximale fout.

Artikel 8.4.86a
1.

De programmatuur van de deeltjesteller moet zodanig zijn dat degene die het apparaat bedient automatisch door de in het tweede en derde lid bedoelde meetprocedure wordt geleid.

2.

Voor aanvang van een meting moeten de volgende gegevens worden ingevoerd:

3.

Nadat de sonde in de uitlaat is aangebracht, worden achtereenvolgens de volgende stappen van de roetfiltertest doorlopen:

4.

Indien nadat de sonde in de uitlaat wordt gebracht, de gemeten waarde direct oploopt tot meer dan tweemaal de grenswaarde, mag de meetprocedure worden afgebroken en is de test niet gehaald.

Artikel 45e. Controle werking roetfilter
1.

De goede werking van het roetfilter wordt gecontroleerd door meting van het aantal deeltjes per kubieke centimeter in de uitlaatgassen.

2.

De test, bedoeld in het eerste lid, wordt bij stationair toerental uitgevoerd.

Artikel 45f. Aantal deeltjes bij stationair toerental

De uitlaatgassen van personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen met een verbrandingsmotor met compressieontsteking en roetfilter, mogen bij stationair toerental niet meer deeltjes bevatten, dan:

Artikel 45g. Wijze van keuren
1.

De controle, bedoeld in artikel 45e, geschiedt door meting aan een stilstaande personenauto, bedrijfsauto of bus met een deeltjesteller die ten minste gedurende de door de fabrikant van de deeltjesteller opgegeven opwarmtijd onder elektrische spanning heeft gestaan.

2.

Voor elke test wordt gecontroleerd of het monsternamesysteem in goede staat verkeert, waarbij in het bijzonder moet worden gelet op beschadiging van de monsternameslang en sonde.

3.

De sonde wordt ten minste 0,30 m in de uitmonding van het uitlaatsysteem ingebracht.

4.

Indien het uitlaatsysteem meer dan één uitmonding heeft, beperkt de controle zich tot één uitmonding.

Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid

Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid

De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.

Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:

Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:

Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 3.1.1
1.

Voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O voldoen voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel I, bij verordening (EU) 2018/858.

2.

In afwijking van het eerste lid voldoen voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1, voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel I, aanhangsel 1, tabel 1 respectievelijk 2, bij verordening (EU) 2018/858.

3.

In afwijking van het eerste lid voldoen voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N, en O, voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel III, bij verordening (EU) 2018/858.

4.

In afwijking van het eerste tot en met derde lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de genoemde bijlagen bij verordening (EU) 2018/858 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale kleine serie typegoedkeuring verlenen, indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van die verordening.

5.

De artikelen 33, 34 en 35, met uitzondering van artikel 35, tweede lid, onderdeel e, van verordening (EU) 2018/858 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijzigingen in en de geldigheidsduur van nationale kleine serie goedkeuringen als bedoeld in dit artikel.

Artikel 3.1.2
1.

Voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O, met een datum van eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:

2.

In afwijking van het eerste lid voldoen voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N, en O, voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:

3.

Onverminderd het eerste en tweede lid, voldoen niet-seriematig geproduceerde voertuigen tevens aan de eisen wat betreft deugdelijkheid en weggedrag van een voertuig, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van bijlage IX van deze regeling.

4.

In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de bijlage II bij verordening (EU) 2018/858 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van die verordening.

5.

De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het vierde lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.

Artikel 3.1.3
1.

Voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O, met een datum van eerste toelating van voor 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage IV, zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020.

2.

In afwijking van het eerste lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie bedoelde goedkeuringseisen en een individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

3.

De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.

4.

In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, van deze eisen vrijstelling verlenen.

Artikel 3.1.4

Onverminderd de toepassing van bijlage II bij verordening (EU) 2018/858, worden, voor zover van toepassing bij een EU-goedkeuring of nationale goedkeuring van een voertuig, aanhangwagen, systeem, onderdeel of technische eenheid daarvan, tevens de volgende richtlijnen in acht genomen:

Artikel 3.1.5
1.

Om als taxi in gebruik te kunnen worden genomen beschikt een voertuig over een nationale individuele goedkeuring of nationale typegoedkeuring voor het gebruik als taxi.

2.

Voor goedkeuring als bedoeld in het eerste lid voldoet de taxi aan de in het derde, vierde, vijfde of zesde lid bedoelde goedkeuringseisen.

3.

Een taxi met een EU-typegoedkeuring wordt goedgekeurd indien het voldoet aan bijlage VI omdat het een voertuig betreft dat is typegoedgekeurd met een vaste indeling en deuren aan beide zijden van elke zitrij met een drempelhoogte van minder dan 50 cm vanaf het wegdek. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkgesteld aan het aantal zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.

4.

Een taxi met een EU-typegoedkeuring met een vaste indeling die niet is uitgevoerd met deuren aan beide zijden van elke zitrij wordt goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan bijlage VI. De zitplaatsen met deuren aan beide zijden van de zitrij worden verondersteld te voldoen aan bijlage VI. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.

5.

Een taxi met een variabele indeling wordt per indeling goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan bijlage VI. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.

6.

Overige taxi’s worden beoordeeld op de in bijlage VI gestelde eisen ten aanzien van:

7.

Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op ov-auto’s.

8.

Voor een taxi en ov-auto als bedoeld in het vijfde en zesde lid, wordt een goedkeuringsdocument afgegeven waaruit blijkt dat het voertuig is goedgekeurd voor het gebruik als taxi onderscheidenlijk ov-auto.

§ 1. Typegoedkeuring

§ 2. Individuele goedkeuring

Afdeling 7. Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten

Artikel 3.3.1
1.

Voertuigen van de voertuigcategorie L voldoen voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigclassificatie van categorie L vastgestelde goedkeuringseisen in de bijlagen II en V tot en met VIII bij verordening (EU) 168/2013.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de genoemde bijlagen bij verordening (EU) 168/2013 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale kleine serie typegoedkeuring verlenen, indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, als bedoeld in artikel 42, tweede lid, van die verordening.

3.

De artikelen 34 tot en met 37, met uitzondering van artikel 37, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 168/2013 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijzigingen in en de geldigheidsduur van nationale kleine serie goedkeuringen als bedoeld in dit artikel.

Artikel 3.3.2
1.

Voertuigen van voertuigcategorie L, met een datum van eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring:

2.

Onverminderd het eerste lid voldoen niet-seriematig geproduceerde voertuigen tevens aan de eisen wat betreft deugdelijkheid en weggedrag als bedoeld in artikel 3 of, indien niet van toepassing artikel 6, van bijlage IX van deze regeling.

3.

In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

4.

De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het derde lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.

Artikel 3.3.3
1.

Voertuigen van voertuigcategorie L met een datum van eerste toelating van voor 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage IV, zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

3.

De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast

4.

In afwijking van het tweede lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, ook van deze eisen vrijstelling verlenen.

Afdeling 4. Goedkeuring productieprocessen

Artikel 3.5.1
1.

Voertuigen van voertuigcategorieën T, C, R en S voldoen voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage I bij verordening (EU) 167/2013.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de genoemde bijlage bij verordening (EU) 167/2013 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale kleine serie typegoedkeuring verlenen, indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, bedoeld in artikel 37, eerste lid, tweede alinea, van die verordening.

3.

De artikelen 29 tot en met 32, met uitzondering van artikel 32, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 167/2013 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijzigingen in en de geldigheidsduur van nationale kleine serie goedkeuringen als bedoeld in dit artikel.

Artikel 3.5.2
1.

Voertuigen van de voertuigcategorieën T en C, met een datum van eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring:

2.

Voertuigen van voertuigcategorieën R en S met een eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring:

3.

In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in die leden voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

4.

De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het derde lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën T en C die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.

Artikel 3.5.3
1.

Voertuigen van voertuigcategorieën T, C, R en S met een datum van eerste toelating van voor 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage IV, zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020.

2.

In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

3.

De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën T en C die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.

4.

In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, ook van deze eisen vrijstelling verlenen.

Afdeling 6. Goedkeuring taxi

§ 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring

§ 3. Aanvraag individuele goedkeuring

Artikel 3.7.1
1.

De Dienst Wegverkeer kan een voorlopige nationale individuele goedkeuring voor ten hoogste twee jaar verlenen voor een voertuig als bedoeld in dit hoofdstuk of van systemen, onderdelen of technische eenheden daarvan waarin nieuwe technologieën zijn toegepast die onverenigbaar zijn met een of meer van de eisen voor die goedkeuring, bedoeld in dit hoofdstuk.

2.

De Dienst Wegverkeer kan de in het eerste lid bedoelde voorlopige nationale individuele goedkeuring verlenen indien:

3.

Onverminderd het tweede lid kan de Dienst Wegverkeer ter bescherming van inzittenden van het voertuig, ter bescherming van kwetsbare weggebruikers of in verband met de bescherming van de gezondheid, veiligheid, het milieu of andere aspecten van het openbaar belang, aanvullende eisen en voorwaarden verbinden aan het verlenen van een voorlopige nationale individuele goedkeuring. Deze eisen en voorwaarden mogen niet destructief zijn.

4.

De Dienst Wegverkeer kan een maximum aantal op grond van dit artikel te verlenen goedkeuringen aan voertuigen of vergelijkbare voertuigen van dezelfde fabrikant vaststellen.

5.

De in het eerste lid bedoelde termijn kan met ten hoogste vijf jaar worden verlengd, indien ten behoeve van die nieuwe technologieën of nieuwe concepten nationale, Europese of internationale wetgeving, in voorbereiding is.

Artikel 3.7.2

De Dienst Wegverkeer weigert een voorlopige nationale individuele goedkeuring als bedoeld in artikel 3.7.1 indien:

Artikel 3.7.3

Een op grond van artikel 3.7.1 afgegeven voorlopige nationale individuele goedkeuring wordt door de Dienst Wegverkeer omgezet in een definitieve nationale individuele goedkeuring met ingang van de dag dat voor het betreffende voertuig of systemen, onderdelen of technische eenheden daarvan, een wettelijke regeling voor goedkeuring in werking treedt.

Artikel 3.8.1

Retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens voldoen voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring aan de voorschriften opgenomen in bijlage Vb van deze regeling.

Artikel 3.8.2

Onverminderd artikel 29, derde lid, van verordening (EU) 2018/858 voldoet een rem- of stuurinrichting die is bedoeld om deel uit te maken van een voertuig van de voertuigcategorie O3 of O4, voor een nationale typegoedkeuring aan de voor het desbetreffende onderdeel voor het betreffende aangegeven voertuig relevante eisen opgenomen in bijlage II, deel I, bij verordening (EU) 2018/858 of aan de daarvoor door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

Artikel 3.9.1

Tenzij hierin is voorzien in een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen, stelt de Dienst Wegverkeer de wijze van keuren vast in verband met de nationale goedkeuringen, bedoeld in dit hoofdstuk, met uitzondering van wijze van keuren van de permanente eisen.

Artikel 3.9.2
1.

De Dienst Wegverkeer maakt, indien de voorwaarden of de beperkingen waaronder een EU- of nationale goedkeuring van een voertuig is verleend en dit ten behoeve van de handhaving van de permanente eisen bedoeld in hoofdstuk 5, noodzakelijk is, hiervan aantekening in het kentekenregister.

2.

Indien een aanvullende nationale individuele goedkeuring is verleend als bedoeld in artikel 3.1.5 wordt door de Dienst Wegverkeer bij de inschrijving in het kentekenregister van een:

Artikel 3.9.3

De Dienst Wegverkeer houdt in elk geval conformiteitscontroles op het overeenstemmen van de productie en de regelingen inzake het overeenstemmen van de productie van:

Artikel 3.10.1

Geen goedkeuring als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet, is vereist voor:

Artikel 3.10.2
1.

De Dienst Wegverkeer weigert EU- of nationale goedkeuring van een voertuig waarvoor goedkeuring is vereist indien voor de goedkeuring van dat betreffende voertuig geen goedkeuringseisen zijn vastgesteld.

2.

De Dienst Wegverkeer stelt Onze Minister in kennis van een weigering als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.11.1
1.

Een fabrikant die een voertuig als bedoeld in artikel 39 van verordening (EU) 167/2013, artikel 44 van verordening (EU) 168/2013 of artikel 49 van verordening (EU) 2018/858 toch nog op de markt wil aanbieden of in de handel wil brengen, kan, zo spoedig mogelijk nadat de goedkeuring ongeldig is geworden, daarvoor een verzoek indienen bij de Dienst Wegverkeer.

2.

Een verzoek als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van:

3.

In verband met de behandeling van de aanvraag bepaalt de Dienst Wegverkeer:

Artikel 3.11.2

Voor het maximaal aantal complete en voltooide voertuigen als bedoeld in verordening (EU) 2018/858 dat overeenkomstig de restant voorraadprocedure in gebruik wordt genomen geldt de beperking als beschreven in bijlage V, onder B, punt 2, van die verordening.

Afdeling 12. Uit de handel nemen of terugroepen

Artikel 3.12.1
1.

Indien een fabrikant voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn bestemd of voorzieningen ter bescherming van inzittenden en kwetsbare weggebruikers uit de handel neemt als bedoeld in artikel 27 van de wet, omdat deze niet conform dit hoofdstuk of de daaraan gestelde eisen in de desbetreffende geharmoniseerde technische reglementen als bedoeld in de overeenkomst van 1958 zijn goedgekeurd of indien de nationale- of VN/ECE goedkeuring op basis van onjuiste gegevens is verleend, zijn de hieronder genoemde artikelen van overeenkomstige toepassing:

2.

In verband met het in het kader van het markttoezicht uit de handel nemen of terugroepen van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn bestemd of voorzieningen ter bescherming van inzittenden en kwetsbare weggebruikers als bedoeld in artikel 27 van de wet, die zijn voorzien van een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk of zijn voorzien van een VN/ECE-goedkeuring, maar waarvan op basis van verkregen informatie of klachten voldoende redenen zijn om aan te nemen dat ze een ernstig risico vormen voor de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang of omdat ze niet voldoen aan de voor goedkeuring gestelde eisen, zijn de hieronder genoemde artikelen van overeenkomstige toepassing:

3.

In afwijking van het tweede lid, blijven de in dat lid van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen die betrekking hebben op de relatie tussen de lidstaat en de commissie of op verplichtingen voor de commissie buiten toepassing.

4.

Het eerste lid, onderdeel b, tweede lid, onderdeel b en het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op het uit de handel nemen of terugroepen als bedoeld in artikel 20f van de wet, van motorrijtuigen die als zodanig zijn aangewezen als bedoeld in artikel 20b van de wet.

Hoofdstuk 4. Verkoopverboden

Artikel 4.4

Het door een technische dienst in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 31, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:

Hoofdstuk 5. Permanente eisen

Afdeling 1. Algemeen

Artikel 5.1.4a

Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig niet voldoet aan de aan het gebruik verbonden eisen als bedoeld in artikel 71, tweede lid, van de wet, die worden bedoeld in artikel 11, eerste lid, van verordening (EG) 715/2007 of artikel 7, tweede lid, 9 of 11, tweede lid, tweede en derde alinea, van verordening (EG) 595/2009.

Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen

Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren

Afdeling 2. Personenauto’s

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 5. Assen

§ 6. Ophanging

Afdeling 3. Bedrijfsauto’s

§ 7. Stuurinrichting

Afdeling 3a. Bussen

§ 5. Assen

§ 7. Stuurinrichting

Afdeling 4. Motorfietsen

§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen

Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen

§ 12. Diversen

Afdeling 6. Bromfietsen

§ 9. Carrosserie

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen

Afdeling 9. Fietsen

Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg

Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 2. Afmetingen en massa’s

Afdeling 16. Fietsaanhangwagens

Afdeling 17. Wagens

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 1. Afmetingen, massa’s en lasten

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 18. Gebruikseisen

F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens

§ 8. Reminrichting

E. Wagens

B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen

Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 1. Roetmeters

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 1. Roetmeters

§ 2.1. Algemeen

§ 2. Toerentellers

§ 6. Remvertragingsmeters

§ 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting

§ 8. Platenremtestbanken

§ 4.2. Technische eisen

§ 8.2.1. Controle-inrichting

§ 9. Deeltjestellers

§ 7.2. Technische eisen

§ 10.9. Overige

§ 11.2. Technische eisen

§ 11.2. Technische eisen

§ 10.3. De maximale fout

§ 10.6. Aanwijsinrichting

§ 10.4. Uitvoering

§ 10.8. Registratie-inrichting

§ 10.5. Gepresenteerde meetwaarden

§ 11. Geluidsniveaumeter

§ 11.1. Algemeen

§ 10.8. Registratie-inrichting

§ 12. Koplamptestapparaten

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

§ 1. Ontheffingen

§ 2. Aanvraag ontheffing

§ 3. Beschikking inzake ontheffing

§ 12. Koplamptestapparaten

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid

Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid

Vervallen

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Vervallen

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

Vervallen

Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid

Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid

Vervallen

Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.

Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid

Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid

Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5

Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid

Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weerbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.

De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:

De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.

De in artikel 1.72 gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.

Artikel 1.82

Artikel 1.83

Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.

In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:

Hoofdstuk 2. Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al dan niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel

Artikel 1.80

Vervallen.

Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6

Artikel 1.82

In deze bijlage wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al dan niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 5.2.72
Eisen Wijze van keuren
1. Een personenauto mag niet zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting tussen de zitplaatsen. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. In afwijking van het eerste lid mag een personenauto die is voorzien van een afzonderlijk bestuurdergedeelte waarbij direct naast de bestuurderszitplaats geen zitplaats voor passagiers aanwezig is, zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting, mits de afscherming voldoet aan het gestelde in artikel 5.3a.72, derde tot en met achtste lid. De wijze van keuren, bedoeld in artikel 5.3a.72, derde tot en met achtste lid. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
3. Indien de personenauto is voorzien van een afscherming tussen de zitrijen, moet de afscherming voldoen aan de in het vierde tot en met negende lid gestelde eisen. -
4. De afscherming is gemaakt van een goedgekeurd materiaal of een gelijkwaardig en slagvast materiaal, niet zijnde acrylaat. In afwijking hiervan mag de afscherming zijn gemaakt van goed opgespannen, soepel, transparant gordijn van kunststof. Visuele controle, waarbij gecontroleerd wordt of de afscherming, niet zijnde het transparante gordijn van kunststof, is voorzien van een E- of e-keurmerk, dan wel dat uit documentatie van de fabrikant van de afscherming blijkt dat de afscherming voldoet. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
5. De afscherming is deugdelijk bevestigd. Leden 5 tot en met 9: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
6. De afscherming is zodanig geplaatst, dat de goede werking van de aanwezige veiligheidssystemen is gewaarborgd.
7. De afscherming mag geen scherpe delen hebben die in geval van een botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor de inzittenden kan opleveren.
8. De afscherming mag de doorgang naar de deuren en nooduitgangen niet belemmeren.
9. In afwijking van het bepaalde in artikel 5.2.45, eerste tot en met het vierde lid, moeten personenauto’s met een afscherming tussen de zitrijen zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel.
Artikel 5.3.72
Eisen Wijze van keuren
1. Een bedrijfsauto mag niet zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting tussen de zitplaatsen. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Indien de bedrijfsauto is voorzien van een afscherming tussen de zitrijen, moet de afscherming voldoen aan de in het derde tot en met achtste lid gestelde eisen. -
3. De afscherming is gemaakt van een goedgekeurd materiaal of een gelijkwaardig en slagvast materiaal, niet zijnde acrylaat. In afwijking hiervan mag de afscherming zijn gemaakt van goed opgespannen, soepel, transparant gordijn van kunststof. Visuele controle, waarbij gecontroleerd wordt of de afscherming, niet zijnde het transparante gordijn van kunststof, is voorzien van een E- of e-keurmerk, dan wel dat uit documentatie van de fabrikant van de afscherming blijkt dat de afscherming voldoet. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
4. De afscherming is deugdelijk bevestigd. Leden 4 tot en met 8: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
5. De afscherming is zodanig geplaatst, dat de goede werking van de aanwezige veiligheidssystemen is gewaarborgd.
6. De afscherming mag geen scherpe delen hebben die in geval van een botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor de inzittenden kan opleveren.
7. De afscherming mag de doorgang naar de deuren niet belemmeren.
8. In afwijking van het bepaalde in artikel 5.3.45, eerste tot en met het vierde lid, moeten bedrijfsauto’s met een afscherming tussen de zitrijen zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel.

Afdeling 3a. Bussen

§ 5. Assen

§ 8. Reminrichting

Artikel 5.3a.72
Eisen Wijze van keuren
1. Een bus mag niet zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting tussen de direct naast elkaar gelegen zitplaatsen voor de passagiers. Visuele controle.
2. Indien de bus is voorzien van een afscherming, moet de afscherming voldoen aan de in het derde tot en met achtste lid gestelde eisen. -
3. De afscherming is gemaakt van een goedgekeurd materiaal of gelijkwaardig en slagvast materiaal, niet zijnde acrylaat. In afwijking hiervan mag de afscherming zijn gemaakt van goed opgespannen, soepel, transparant gordijn van kunststof. Visuele controle, waarbij gecontroleerd wordt of de afscherming, niet zijnde het transparante gordijn van kunststof, is voorzien van een E- of e-keurmerk, dan wel dat uit documentatie van de fabrikant van de afscherming blijkt dat de afscherming voldoet.
4. De afscherming is deugdelijk bevestigd. Leden 4 tot en met 8: visuele controle.
5. De afscherming is zodanig geplaatst, dat de goede werking van de aanwezige veiligheidssystemen is gewaarborgd.
6. De afscherming mag de hoofddoorgang en toegang naar de uitgangen en de nooduitgangen zowel in geopende als in gesloten toestand niet belemmeren.
7. Het zesde lid is niet van toepassing indien de afscherming direct op de chauffeursdeur is geplaatst of is voorzien van een inrichting die de door- en toegang waarborgt met de afscherming in ruststand.
8. De afscherming mag het bestuurdersgedeelte niet permanent afsluiten van het passagiersgedeelte, tenzij het bestuurdersgedeelte is voorzien van twee uitgangen die zich niet in dezelfde zijwand bevinden.

Afdeling 4. Motorfietsen

Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen

§ 3. Motor en brandstofsystemen

§ 5. Assen

Artikel 5.5.72
Eisen Wijze van keuren
1. Een driewielig motorrijtuig mag niet zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting tussen de zitplaatsen. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
2. Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een afscherming tussen de zitrijen, moet de afscherming voldoen aan de in het derde tot en met achtste lid gestelde eisen. -
3. De afscherming is gemaakt van een goedgekeurd materiaal of een gelijkwaardig en slagvast materiaal, niet zijnde acrylaat. In afwijking hiervan mag de afscherming zijn gemaakt van goed opgespannen, soepel, transparant gordijn van kunststof. Visuele controle, waarbij gecontroleerd wordt of de afscherming, niet zijnde het transparante gordijn van kunststof, is voorzien van een E- of e-keurmerk, dan wel dat uit documentatie van de fabrikant van de afscherming blijkt dat de afscherming voldoet. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
4. De afscherming is deugdelijk bevestigd. Leden 4 tot en met 8: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
5. De afscherming is zodanig geplaatst, dat de goede werking van de aanwezige veiligheidssystemen is gewaarborgd.
6. De afscherming mag geen scherpe delen hebben die in geval van een botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor de inzittenden kan opleveren.
7. De afscherming mag de doorgang naar de deuren niet belemmeren.
8. In afwijking van het bepaalde in artikel 5.5.45, eerste tot en met het vierde lid, moeten driewielige motorrijtuigen met een afscherming tussen de zitrijen zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel.

Afdeling 6. Bromfietsen

§ 3. Motor en brandstofsystemen

Artikel 5.6.71a
Eisen Wijze van keuren
Een bromfiets op meer dan twee wielen met een gesloten carrosserie mag niet zijn voorzien van een afscherming tussen de zitplaatsen. Visuele controle.

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

Artikel 5.7.73
Eisen Wijze van keuren
Een motorrijtuig met beperkte snelheid met een gesloten carrosserie mag niet zijn voorzien van een afscherming tussen de zitplaatsen. Visuele controle.

Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers

Afdeling 9. Fietsen

Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

Artikel 5.10.72
Eisen Wijze van keuren
Een gehandicaptenvoertuig met een gesloten carrosserie mag niet zijn voorzien van een afscherming tussen de zitplaatsen. Visuele controle.

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg

§ 9. Carrosserie

Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 5. Assen

§ 9. Carrosserie

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 17. Wagens

Afdeling 18. Gebruikseisen

§ 1. Afmetingen, massa’s en lasten

B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie

Artikel 6.1a

Artikel 6.1, eerste lid, is niet van toepassing op een wijziging van een bus met betrekking tot een afscherming als bedoeld in artikel 5.3a.72, mits de afscherming is geplaatst in het bestuurdersgedeelte van de bus.

§ 2. Eisen wijziging in de constructie

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

Afdeling 1. Algemeen

Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen

§ 1. Keuringsinstellingen

§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen

§ 2. Toerentellers

§ 4. Manometers

§ 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas

§ 10. Bromfietsrollentestbank

§ 7.2.1. Controle-inrichting

§ 10.7. Resulterende meetwaarde

§ 11.1. Algemeen

§ 1. Ontheffingen

§ 2. Aanvraag ontheffing

§ 3. Beschikking inzake ontheffing

§ 4. Tarieven

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.

Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.8.1

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

Vervallen

Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11

Vervallen

Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid

Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid

Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.9, derde lid

Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.13 en 6.4, derde lid, en bijlage IV, artikel 9, tweede lid

Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.

Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5

Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid

Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid

De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd. Indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.

De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6

Artikel 1.79

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Afdeling 3. Bedrijfsauto’s

§ 3. Motor en brandstofsystemen

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 8. Reminrichting

§ 12. Diversen

Afdeling 3a. Bussen

§ 3. Motor en brandstofsystemen

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen

Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen

Afdeling 6. Bromfietsen

§ 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van artikel 20b van de wet zijn aangewezen

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers

§ 4. Krachtoverbrenging

Afdeling 9. Fietsen

§ 12. Diversen

Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg

Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

Afdeling 17. Wagens

§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

§ 5. Verbinding tussen voertuigen

Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen

Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen

§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 3. Olietemperatuurmeters

§ 4. Manometers

§ 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen

§ 6. Remvertragingsmeters

§ 7. Rollenremtestbanken

§ 5. Pedaalkrachtmeters

§ 8.2.4. Overgangsmaatregelen

§ 10.2. Technische eisen

§ 10.6. Aanwijsinrichting

§ 10.7. Resulterende meetwaarde

§ 10.9. Overige

§ 11. Geluidsniveaumeter

§ 7.2.9. Overgangsmaatregelen

§ 11.2. Technische eisen

§ 1. Ontheffingen

§ 2. Aanvraag ontheffing

§ 3. Beschikking inzake ontheffing

§ 4. Tarieven

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Vervallen

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

Vervallen

Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid

Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.

Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.13 en 6.4, derde lid, en bijlage IV, artikel 9, tweede lid

Voertuigen met verbrandingsmotor met compressie-ontsteking:

Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid

Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5

Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid

De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.

Artikel 1.79

Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.

De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.

Artikel 1.83

Artikel 2.2

Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:

Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6

T100-bussen

Artikel 1

Vervallen.

Artikel 2

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Afdeling 2. Gereserveerd

Afdeling 3. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën L

Afdeling 10. Uitzonderingen als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet, op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet

Afdeling 11. Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad

Hoofdstuk 4. Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen als bedoeld in artikel 29 en 31 van de wet waarvoor inbreuken erop tot sancties aanleiding geven

§ 0. Algemeen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen

Afdeling 3. Bedrijfsauto’s

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 5. Assen

§ 8. Reminrichting

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen

Afdeling 3a. Bussen

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

Afdeling 4. Motorfietsen

Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg

Artikel 5.12.32. remvloeistofreservoir
Eisen Wijze van Keuren
1. In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden.
2. De vulopening van de reservoirs, bedoeld in het eerste lid, moet zijn afgesloten met een passende dop. Visuele controle

Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens

§ 9. Carrosserie

Afdeling 16. Fietsaanhangwagens

Afdeling 17. Wagens

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 18. Gebruikseisen

§ 0. Algemeen

§ 3. Reminrichting

B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen

§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

Afdeling 1. Algemeen

§ 2.2. Certificaten

Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen

§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines

Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen

§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen

§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 1. Roetmeters

§ 1. Algemeen

§ 8. Platenremtestbanken

§ 8.2.2. De maximale fout

§ 9. Deeltjestellers

§ 6. Remvertragingsmeters

§ 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

§ 3. Beschikking inzake ontheffing

§ 4. Tarieven

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid

Vervallen

Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11

Vervallen

Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid

Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid

Vervallen

Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid

Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid

Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Afdeling 1a. Aanvulling grondslagen

Artikel 1.1a

Deze regeling berust mede op de artikelen 20f, tweede lid, 21, tweede lid, onderdeel b, derde lid, onderdeel b, vierde lid, onderdeel b, en vijfde lid, 23, eerste lid, 27, tweede lid, 29, 31, 51a, derde lid, 60, tweede lid, 71, tweede lid, en 94, eerste lid, van de wet.

Afdeling 2. Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie

§ 1. Eisen voor de aanwijzing

Hoofdstuk 3. Nadere regels in verband met de goedkeuringen bedoeld in hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994

Artikel 3.1.3a
1.

De Dienst Wegverkeer kan voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O die niet aan de in artikel 3.1.2, eerste of tweede lid, of 3.1.3 bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan ontheffing verlenen en voor deze voertuigen een nationale individuele goedkeuring verlenen.

2.

Deze nationale individuele goedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

3.

In het goedkeuringscertificaat voor het voertuig wordt beschreven voor welke goedkeuringseisen een ontheffing is verleend en wordt vermeld dat om die reden het rijden met het voertuig alleen is toegestaan indien een ontheffing als bedoeld in artikel 149 of 149a van de wet aanwezig is.

Afdeling 2. Nationale goedkeuringen personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h

Artikel 3.2.1
1.

Voertuigen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h die bij een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h voertuigen van voertuigcategorieën M en N zouden zijn, met een datum van eerste toelating op of na 1 januari 2021 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:

2.

Voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring als bedoeld in het eerste lid, blijven buiten beschouwing:

3.

In afwijking van het eerste lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de bijlage II, deel I, van verordening (EU) 2018/858 opgenomen goedkeuringseisen voor de voertuigcategorie waarbinnen het voertuig zou kunnen vallen en een nationale individuele goedkeuring verlenen voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

4.

De Dienst Wegverkeer stelt in elk geval alternatieve voorschriften als bedoeld in het derde lid vast voor de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast..

Artikel 3.2.2

Voertuigen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h die bij een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h voertuigen van voertuigcategorieën M en N zouden zijn, met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 2021, voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.

Afdeling 4. Gereserveerd

Artikel 3.5.4
1.

De Dienst Wegverkeer kan voertuigen van voertuigcategorieën T, C, R en S die niet aan de in artikel 3.5.2, eerste of tweede lid, of 3.5.3 bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan ontheffing verlenen en voor deze voertuigen een nationale individuele goedkeuring verlenen.

2.

Deze nationale individuele goedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

3.

In het goedkeuringscertificaat voor het voertuig wordt beschreven voor welke goedkeuringseisen een ontheffing is verleend en wordt vermeld dat daarom het rijden met het voertuig alleen is toegestaan indien een ontheffing als bedoeld in artikel 149 of 149a van de wet aanwezig is.

Artikel 3.6.1
1.

Mobiele machines voldoen voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring aan:

2.

In afwijking van het eerste lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale typegoedkeuring verlenen voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

Artikel 3.6.2
1.

De Dienst Wegverkeer kan voor mobiele machines die niet aan de in artikel 3.6.1, eerste of tweede lid, bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan ontheffing verlenen en voor deze voertuigen een nationale typegoedkeuring verlenen.

2.

Deze nationale typegoedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

3.

In het goedkeuringscertificaat voor het voertuig wordt beschreven van welke goedkeuringseisen een ontheffing is verleend en wordt vermeld dat om die reden het rijden met het voertuig alleen is toegestaan indien een ontheffing als bedoeld in artikel 149 of 149a van de wet aanwezig is in het voertuig.

Artikel 3.6.3
1.

Mobiele machines met een datum van eerste toelating op of na 1 januari 2021 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:

2.

In afwijking van het eerste lid, kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

3.

De Dienst Wegverkeer stelt in elk geval alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid vast voor de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.

Artikel 3.6.4
1.

De Dienst Wegverkeer kan voor mobiele machines die niet aan de in artikel 3.6.3, eerste of tweede lid, bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan ontheffing verlenen en voor deze voertuigen een nationale individuele goedkeuring verlenen.

2.

Deze nationale individuele goedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.

3.

In het goedkeuringscertificaat voor het voertuig wordt beschreven van welke goedkeuringseisen een ontheffing is verleend en wordt vermeld dat om die reden het rijden met het voertuig alleen is toegestaan indien een ontheffing als bedoeld in artikel 149 of 149a van de wet aanwezig is in het voertuig.

Afdeling 8. Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers

Artikel 3.8.3

Een reminrichting die is bedoeld om deel uit te maken van een mobiele machine voldoet voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de relevante voorschriften opgenomen in hoofdstuk 5, afdeling 7a, paragraaf 8, van deze regeling.

Afdeling 12. Uit de handel nemen of terugroepen

Hoofdstuk 4. Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen als bedoeld in artikel 29 en 31 van de wet waarvoor inbreuken erop tot sancties aanleiding geven

Hoofdstuk 5. Permanente eisen

Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen

Afdeling 2. Personenauto’s

§ 5. Assen

§ 9. Carrosserie

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

§ 12. Diversen

Afdeling 3. Bedrijfsauto’s

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 7. Stuurinrichting

Afdeling 3a. Bussen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 4. Krachtoverbrenging

§ 7. Stuurinrichting

Afdeling 4. Motorfietsen

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen

Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen

§ 2. Afmetingen en massa’s

§ 7. Stuurinrichting

Afdeling 6. Bromfietsen

Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid

Artikel 5.7.10
Eisen Wijze van keuren
1. Indien een motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.7.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De LPG-tank: a. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak; en b. mag geen deuken vertonen. Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. Visuele controle.
4. De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. Leden 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
5. Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of laadruimte.
6. Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. Visuele controle.
7. De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. Leden 7 en 8: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
8. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
Artikel 5.7.10a
Eisen Wijze van keuren
1. Indien een motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.7.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De CNG- of LNG-tank mag geen deuken vertonen. Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. Visuele controle.
4. De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
5. De vervaldatum van de goedkeuring en, indien van toepassing, van de herkwalificatie van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn. Visuele controle.
6. Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. Leden 6 tot en met 10: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
7. De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
8. De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
9. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
10. De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.
Artikel 5.7.10b
Eisen Wijze van keuren
1. Indien een motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.7.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De waterstoftank mag geen deuken vertonen. Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. Visuele controle.
4. De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
5. De vervaldatum van de goedkeuring en, indien van toepassing, van de herkwalificatie van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. Visuele controle.
6. De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. Leden 6 tot en met 9: Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
7. De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
8. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
9. De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.
10. Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens:
11. Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel aan de voor- en achterzijde als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens:

Afdeling 7a. Mobiele machines

Artikel 5.7a.0
1.

Een mobiele machine moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

2.

In afwijking van het eerste lid mag een mobiele machine die in gebruik is genomen vóór 1 januari 2021 voldoen aan de in afdeling 7 van dit hoofdstuk opgenomen eisen en worden beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.

Artikel 5.7a.1
Eisen Wijze van keuren
1. Een geregistreerde mobiele machine moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De geregistreerde mobiele machine moet aan de achterzijde zijn voorzien van de juiste kentekenplaat.
3. De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk zijn bevestigd.
4. De kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd en het kenteken moet goed leesbaar zijn. Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van de mobiele machine staat.
5. Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke dragende structuur zijn ingeslagen en goed leesbaar zijn. Leden 5 en 6: visuele controle.
6. Mobiele machines moeten zijn voorzien van één of meerdere constructieplaten die goed leesbaar zijn en in geval een geregistreerd voertuig moeten de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de technisch toegestane maximummassa’s die op de constructieplaten zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa’s die zijn aangegeven in het kentekenregister.
7. Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op mobiele machines als bedoeld in artikel 1b van het Kentekenreglement.
Artikel 5.7a.3
Eisen Wijze van keuren
De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van mobiele machines mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen; en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Visuele controle.
Artikel 5.7a.4
Eisen Wijze van keuren
1. De boven-, op- en aanbouw van mobiele machines moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De ondersteuning van de boven-, op- en aanbouw van mobiele machines moet deugdelijk zijn.
Artikel 5.7a.6
Eisen Wijze van keuren
1. Mobiele machines mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is.
2. In de afmetingen, bedoeld in het eerste lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, inbegrepen.
3. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, mogen mobiele machines die zijn ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen niet langer zijn dan 20,00 m.
Artikel 5.7a.7
Eisen Wijze van keuren
1. De last onder de assen van mobiele machines mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde technisch toegestane maximum aslasten, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden. Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt het voertuig gewogen.
2. De totale massa of de som van de aslasten van mobiele machines mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde toegestane maximummassa, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden.
Artikel 5.7a.8
Eisen Wijze van keuren
1. Mobiele machines moeten bij voortduring voldoen aan de in het kentekenregister geregistreerde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 29a, van toepassing. Visuele controle door middel van een beproeving op de weg.
2. Mobiele machines mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld.
Artikel 5.7a.9
Eisen Wijze van keuren
1. Alle onderdelen van brandstofsystemen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
2. De brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas, wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur die lekkage vaststelt, waarbij het contact ingeschakeld moet zijn.
3. De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. Visuele controle.
Artikel 5.7a.10
Eisen Wijze van keuren
1. Indien een mobiele machine is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.7a.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De LPG-tank: a. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak; en b. mag geen deuken vertonen. Visuele controle, zo nodig terwijl de mobiele machine zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. Visuele controle.
4. De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. Leden 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
5. Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of laadruimte.
6. Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. Visuele controle.
7. De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. Leden 7 en 8: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
8. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
Artikel 5.7a.10a
Eisen Wijze van keuren
1. Indien een mobiele machine is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.7a.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De CNG- of LNG-tank mag geen deuken vertonen. Visuele controle, zo nodig terwijl de mobiele machine zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3. De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. Visuele controle.
4. De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
5. De vervaldatum van de goedkeuring en, indien van toepassing, van de herkwalificatie van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn. Visuele controle.
6. Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. Leden 6 tot en met 10: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
7. De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
8. De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
9. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
10. De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.
Artikel 5.7a.10b
Eisen Wijze van keuren
1 Indien een mobiele machine is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.7a.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2 De waterstoftank mag geen deuken vertonen. Visuele controle, zo nodig terwijl de mobiele machine zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
3 De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. Visuele controle.
4 De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
5 De vervaldatum van de goedkeuring en, indien van toepassing, van de herkwalificatie van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. Visuele controle.
6 De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. Leden 6 tot en met 9: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing.
7 De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
8 De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
9 De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.
10 Mobiele machines voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: [956640-004.eps]
Artikel 5.7a.11
Eisen Wijze van keuren
1. Mobiele machines met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. Visuele en auditieve controle met draaiende motor.
2. Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
3. Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn. Auditieve controle.
Artikel 5.7a.11a
Eisen Wijze van keuren
Onderdelen van mobiele machines, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen geen overmatige lekkage van vloeistof, met uitzondering van water, vertonen. Visuele controle.
Artikel 5.7a.12
Eisen Wijze van keuren
1. De accu van mobiele machines moet deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De elektrische bedrading van mobiele machines moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd.
Artikel 5.7a.12a
Eisen Wijze van keuren
De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische mobiele machines: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; en f. moeten goed zijn geïsoleerd. Visuele controle.
Artikel 5.7a.13
Eisen Wijze van keuren
1. De motorsteunen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel aan de carrosserie, alsmede aan de motor, zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt.
Artikel 5.7a.14
Eisen Wijze van keuren
Mobiele machines moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te rijden. Visuele controle.
Artikel 5.7a.15
Eisen Wijze van keuren
Mobiele machines met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. Visuele controle.
Artikel 5.7a.16
Eisen Wijze van keuren
1. De aandrijving en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft.
2. Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. Visuele controle.
Artikel 5.7a.18
Eisen Wijze van keuren
1. De assen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht.
3. De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed.
4. De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.
Artikel 5.7a.19
Eisen Wijze van keuren
1. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels moeten deugdelijk zijn bevestigd. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
3. De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing.
4. Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats.
Artikel 5.7a.20
Eisen Wijze van keuren
1. De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur.
Artikel 5.7a.24
Eisen Wijze van keuren
1. De wielen onderscheidenlijk velgen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 5.7a.25
Eisen Wijze van keuren
De wielnaven moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
Artikel 5.7a.26
Eisen Wijze van keuren
Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Visuele controle.
Artikel 5.7a.27
Eisen Wijze van keuren
1. Mobiele machines moeten zijn voorzien van banden of rupsbanden, waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. Visuele controle.
2. Het bepaalde in het eerste lid inzake het loopvlak, is niet van toepassing op mobiele machines als bedoeld in artikel 1b van het Kentekenreglement.
3. De luchtbanden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid.
4. De luchtbanden mogen geen uitstulpingen vertonen. Leden 4 en 5: visuele controle.
5. Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken.
6. De profilering van de hoofdgroeven van de banden van mobiele machines moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van de slijtage-indicatoren. Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is.
Artikel 5.7a.28
Eisen Wijze van keuren
1. Indien de mobiele machine is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken, ernstige lekkage of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest of gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing.
3. Indien de mobiele machine is voorzien van schokdempers, moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en goed werken
Artikel 5.7a.29
Eisen Wijze van keuren
1. Mobiele machines moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. De bestuurde wielen moeten goed reageren op de draaiing van de stuurbediening.
3. De stuurinrichting mag niet zijn voorzien van een uitsluitend elektrische overbrenging dan wel een uitsluitend pneumatische overbrenging.
4. Bij draaiing van de stuurbediening tot aan de aanslagen, mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. Visuele controle, waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast.
5. De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen geen breuken of scheuren vertonen; c. mogen niet zijn vervormd; en d. mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle. De stuurbediening wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de mobiele machine op de wielen rust.
6. Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. Leden 6 en 7: visuele controle.
7. Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd.
8. De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. Visuele controle. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel.
9. De stuurbekrachtiger moet goed werken. Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn.
10. Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. Leden 10 en 11: visuele controle.
11. Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten.
12. De onderdelen van een volledig hydraulische stuurinrichting mogen geen lekkage vertonen. Visuele controle. Het stuurwiel wordt bij stationair draaiende motor in de uiterste stand gedraaid en gehouden.
Artikel 5.7a.31
Eisen Wijze van keuren
1. Mobiele machines moeten zijn voorzien van een goedwerkende reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; en e. remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat er kans op breuk ontstaat. – Onderdeel a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d en e: visuele controle. In geval van twijfel wordt het remsysteem onder druk gezet.
2. De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren. Controle waarbij de rem in werking wordt gesteld bij draaiende motor.
3. De compressor en de drukregelaar moeten goed werken en tijdig in werking treden. Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen.
4. Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. Controle door het rempedaal in te trappen.
5. Rempedalen moeten een stroef oppervlak hebben en deugdelijk functioneren, alsmede in voorkomend geval zijn voorzien van een deugdelijke koppeling tussen het linker- en rechterrempedaal. Visuele controle.
6. Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren; en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle.
7. Remleidingen mogen geen knikken vertonen. Visuele controle.
8. Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien.
9. De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn.
10. De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. Visuele controle.
11. Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. Visuele controle. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit mogelijk is zonder demontage.
12. De onderdelen van een antiblokkeersysteem: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd, gebroken; en d. mogen geen lekkage vertonen. Visuele controle.
13. De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd.
Artikel 5.7a.32
Eisen Wijze van keuren
1. In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden.
2. De vulopening van het reservoir van de hoofdremcilinder moet zijn afgesloten met een passende dop. Visuele controle.
Artikel 5.7a.33
Eisen Wijze van keuren
Mobiele machines met een drukluchtremsysteem die in gebruik zijn genomen na 30 april 2020, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de energievoorraad in een van de bedrijfskringen onder de vereiste minimumdruk is gedaald. Visuele of auditieve controle, door om de beurt de bedrijfsremkringen leeg te laten lopen en weer te vullen.
Artikel 5.7a.34
Eisen Wijze van keuren
Mobiele machines met een veerrem moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de veerrem in werking is gesteld. Visuele of auditieve controle, terwijl de veerrem in werking wordt gesteld.
Artikel 5.7a.36
Eisen Wijze van keuren
1. De slag van drukluchtremcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. Visuele controle, waarbij de rem in werking wordt gesteld.
2. De slag van drukluchtremcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan twee derde deel van de maximumslag van de betrokken remcilinder. Visuele controle, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.7a.38
Eisen Wijze van keuren
1. Mobiele machines moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem die ten minste op één as werkt. Visuele controle
2. Mobiele machines moeten zijn voorzien van twee onafhankelijke remsystemen.
3. Mobiele machines met een maximumconstructiesnelheid van: a. meer dan 40 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt; b. meer dan 30 km/h maar niet meer dan 40 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt; c. niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt. Leden 3 en 4: visuele controle door middel van een beproeving op de weg. De snelheid moet bij de aanvang van de remproef de maximumconstructiesnelheid bedragen met een maximum van 40 km/h. De remvertraging wordt met een elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld: a. indien op de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de minimaal behaalde remvertraging; b. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a kan worden vastgesteld, geldt de waarde die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten waarden die gelijk of groter zijn aan de minimaal vereiste remvertraging en gedurende minimaal een halve seconde zijn gemeten; c. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a of b kan worden vastgesteld, geldt als remvertraging de waarde die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld: 1°. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de hoogst behaalde waarde van remvertraging bepalend; 2°. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de waarde van de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend. Indien op een remtestinrichting kan worden vastgesteld dat de remvertraging voldoet, kan de beproeving op de weg achterwege gelaten worden. De bij de remproef behaalde remvertraging wordt berekend door de remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand.
4. Het voertuig mag bij het gebruik van de rem of remsystemen geen zijwaartse beweging maken.
Artikel 5.7a.39
Eisen Wijze van keuren
Van mobiele machines moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. Visuele controle.
Artikel 5.7a.41
Eisen Wijze van keuren
De deuren van mobiele machines moeten goed sluiten. Minimaal één deur die direct toegang geeft tot de bestuurdersruimte, moet op zowel vanaf de binnenzijde als vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten.
Artikel 5.7a.42
Eisen Wijze van keuren
1. Voor- en zijruiten van mobiele machines mogen: a. niet in ernstige mate beschadigd zijn; b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. Visuele controle.
2. Mobiele machines moeten zodanig zijn gebouwd of ingericht dat er vanaf de bestuurderszitplaats voldoende uitzicht naar voren en opzij is. Visuele controle, door een persoon van gemiddeld gestalte die op gebruikelijke wijze is gezeten op de voor hem in de juiste rijstand gestelde bestuurderszitplaats. In geval van twijfel wordt gemeten volgens de volgende methode: – vanuit een punt op de grond recht onder de oogpunten van de bestuurder wordt een halve denkbeeldige cirkel getrokken van 12,00 m; – naar voren gezien mogen binnen een afstand van 9,50 m op dezelfde hoogte als de denkbeeldige cirkel één of twee objecten van maximaal 0,70 m breed zijn afgeschermd; – naar de zijkant gezien mogen één of twee objecten van maximaal 1,50 m breed zijn afgeschermd.
3. Om te voldoen aan het tweede lid mogen ook inrichtingen voor indirect zicht worden gebruikt.
Artikel 5.7a.43
Eisen Wijze van keuren
Mobiele machines met een voorruit, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. De installatie mag niet door handkracht worden aangedreven. Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege.
Artikel 5.7a.45
Eisen Wijze van keuren
1. Mobiele machines moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel of camera-monitorsysteem. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 136a van toepassing.
2. Mobiele machines moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel of camera-monitorsysteem. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 137a van toepassing.
3. Mobiele machines moeten zijn voorzien van een trottoirspiegel of camera-monitorsysteem. Visuele controle. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 142a van toepassing.
4. Indien een trottoirspiegel of camera-monitorsysteem is gemonteerd, moet deze zodanig zijn aangebracht dat geen enkel punt van de spiegel, camera-monitorsysteem of van de steun waarop deze is gemonteerd, zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt. Indien de hoogte van de cabine zodanig is dat niet aan dit voorschrift kan worden voldaan, mag het voertuig niet van een trottoirspiegel zijn voorzien. Leden 4 tot en met 7: visuele controle.
5. De spiegels en camera-monitorsystemen moeten deugdelijk zijn bevestigd.
6. Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd.
7. Indien in een mobiele machine het stuur aan de rechterzijde is geplaatst, moeten alle verplicht aanwezige voorzieningen voor indirect zicht in spiegelbeeld geplaatst zijn ten opzichte van de situatie waarbij het stuur links is geplaatst. Een linkerbuitenspiegel dient altijd aanwezig te zijn.
8. Het gestelde in het eerste tot en met het vierde lid is niet van toepassing op mobiele machines als bedoeld in artikel 1b van het Kentekenreglement.
Artikel 5.7a.46
Eisen Wijze van keuren
De zitplaatsen van mobiele machines moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Visuele controle.
Artikel 5.7a.47
Eisen Wijze van keuren
Indien mobiele machines zijn voorzien van gordels, moeten deze: a. deugdelijk zijn bevestigd en mogen deze niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging; en b. zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. – Onderdeel a: visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. – Onderdeel b: visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel indien dit geen uitsluitsel biedt, moet tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd.
Artikel 5.7a.48
Eisen Wijze van keuren
1. Mobiele machines mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van mobiele machines, die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
4. De wielen onderscheidenlijk banden van mobiele machines met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h, moeten aan de bovenzijde voor ten minste twee derde deel van de totale breedte van de banden zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen, onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.32a, derde lid. Leden 4 en 5: visuele controle.
5. Geen deel van de buitenzijde van de mobiele machine mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
Artikel 5.7a.51
Eisen Wijze van keuren
1. Mobiele machines moeten zijn voorzien van: a. twee dimlichten; b. twee stadslichten; c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, alsmede waarschuwingsknipperlichten; d. twee achterlichten; e. twee remlichten; f. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; g. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; h. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig kentekenplichtig is en in gebruik is genomen na 31 december 2020; i. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 tot en met 133, gestelde eisen, indien het voertuig breder is dan 2,55 m; j. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien het voertuig niet is voorzien van een kentekenplaat. – Onderdelen a tot en met f: visuele controle. – Onderdeel g: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen h tot en met j: visuele controle.
2. Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onderdeel e, is niet van toepassing op mobiele machines die een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h hebben, die hydrostatisch worden aangedreven en waarbij de hydrostatische aandrijving tevens dienst doet als reminrichting. Visuele controle.
Artikel 5.7a.53
Eisen Wijze van keuren
1. De dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel licht uitstralen. Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De richtingaanwijzers en zijrichtingaanwijzers, alsmede de waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit licht en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood licht uitstralen. Zijrichtingaanwijzers mogen naar de zijkant niet anders dan ambergeel licht uitstralen.
3. De achterlichten mogen niet anders dan rood licht uitstralen.
4. De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel licht uitstralen.
5. De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren uitstralen.
Artikel 5.7a.55
Eisen Wijze van keuren
1. De in artikel 5.7a.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan.
2. De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 2 en 3: visuele controle.
3. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing.
4. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
5. De in artikel 5.7a.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. Leden 5 en 6: visuele controle.
6. De in artikel 5.7a.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden.
7. De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.7a.56
Eisen Wijze van keuren
De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is.
Artikel 5.7a.57
Eisen Wijze van keuren
1. Mobiele machines mogen zijn voorzien van: a. meerdere grote lichten, waarvan tegelijkertijd niet meer dan vier grote lichten mogen werken; b. twee extra dimlichten; c. twee extra stadslichten; d. twee mistvoorlichten; e. één of twee mistachterlichten; f. twee of vier parkeerlichten; g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig; h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; i. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; j. één of twee achteruitrijlichten; k. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde; l. staaklichten; m. zijmarkeringslichten; n. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; o. werklichten; p. twee extra remlichten of één derde remlicht; q. twee dagrijlichten; r. bochtverlichting; s. hoeklichten. t. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 januari 2021; u. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig; v. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien deze retroreflector niet reeds op grond van artikel 5.7a.51, eerste lid, aanhef en onderdeel k, verplicht is; w. verlichting die tijdens werkzaamheden op het wegdek een projectie maakt ter waarschuwing van andere verkeersdeelnemers. – Onderdelen a tot en met h: visuele controle. – Onderdeel i: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen j tot en met w: visuele controle.
2. Mobiele machines mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. Leden 2 en 3: visuele controle.
3. Mobiele machines mogen zijn voorzien van een ambergele of witte opvallende markering aan de zijkant van het voertuig of van een ambergele of rode opvallende markering aan de achterkant van het voertuig.
Artikel 5.7a.57a
Eisen Wijze van keuren
Mobiele machines in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. Visuele controle.
Artikel 5.7a.59
Eisen Wijze van keuren
1. Het mistvoorlicht, het dimlicht, het groot licht en het stadslicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel licht uitstralen. Leden 1 tot en met 9: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
2. De mistachterlichten mogen niet anders dan rood licht uitstralen.
3. De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit licht en naar achteren niet anders dan rood licht uitstralen. Indien de parkeerlichten zijn samengebouwd met de richtingaanwijzers, mogen zij ambergeel licht uitstralen.
4. De extra richtingaanwijzers en extra waarschuwingsknipperlichten, alsmede de zijrichtingaanwijzers, mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit licht uitstralen en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood licht uitstralen.
5. De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel licht uitstralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood licht mag uitstralen.
6. De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit licht uitstralen en naar achteren niet anders dan rood licht uitstralen.
7. De dagrijlichten, hoeklichten en bochtlichten mogen niet anders dan wit licht uitstralen.
8. Het derde remlicht mag niet anders dan rood licht uitstralen.
9. De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit licht uitstralen en mag niet naar achteren uitstralen.
Artikel 5.7a.59a
Eisen Wijze van keuren
1. De in artikel 5.7a.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Leden 1 en 2: visuele controle.
2. De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing.
3. Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.7a.59b
Eisen Wijze van keuren
1. De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is.
2. De extra dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is.
Artikel 5.7a.61
Eisen Wijze van keuren
De richtingaanwijzers, stadslichten, parkeerlichten, achterlichten en de retroreflectoren aan de achterzijde, bedoeld in de artikelen 5.7a.51 en 5.7a.57, moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
Artikel 5.7a.62
Eisen Wijze van keuren
Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld.
Artikel 5.7a.64
Eisen Wijze van keuren
1. Mobiele machines mogen, met uitzondering van grote lichten en werklichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. Leden 1 tot en met 3: visuele controle.
2. Mobiele machines mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten.
3. In afwijking van het tweede lid, mogen de zijmarkeringslichten van mobiele machines synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig meeknipperen.
Artikel 5.7a.65
Eisen Wijze van keuren
1. Mobiele machines mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.7a.51, 5.7a.57 en 5.7a.57a is voorgeschreven of toegestaan; en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken.
2. Mobiele machines mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. Visuele controle.
Artikel 5.7a.66
Eisen Wijze van keuren
1. Indien een mobiele machine is voorzien van een inrichting voor het koppelen van een aanhangwagen of verwisselbaar uitrustingsstuk, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in artikel 5.7a.68, tweede lid, aanhef en onderdeel h. Leden 1 tot en met 4: visuele controle.
2. De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de in het eerste lid bedoelde inrichting mogen niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn.
3. De bedieningsorganen van de in het eerste lid bedoelde inrichting moeten gemakkelijk bereikbaar zijn en gemakkelijk en zonder gevaar te bedienen zijn.
4. De achtertraverse met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: geen breuken of scheuren vertonen, en niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
Artikel 5.7a.67
Eisen Wijze van keuren
Indien een mobiele machine is voorzien van een koppelingskogel met een nominale diameter van: a. 50 mm, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen; b. 80 mm, moet de diameter van de kogel ten minste 78,5 mm bedragen. Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
Artikel 5.7a.68
Eisen Wijze van keuren
1. Indien een mobiele machine is voorzien van een vangmuilkoppeling met een nominale pendiameter van: a. 25 mm, moet de pendiameter ten minste 23,0 mm bedragen; b. 32 mm, moet de pendiameter ten minste 30,0 mm bedragen; c. 36 mm, moet de pendiameter ten minste 34,0 mm bedragen; d. 38 mm, moet de pendiameter ten minste 36,0 mm bedragen; e. 40 mm, moet de pendiameter ten minste 36,5 mm bedragen; f. 50 mm, moet de pendiameter ten minste 46,0 mm bedragen; g. 57,5 mm, moet de pendiameter ten minste 55,0 mm bedragen. Het contactgedeelte van de pen met het trekoog wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
2. De koppelingen, bedoeld in het eerste lid, moeten voldoen aan de volgende eisen: a. de opwaartse speling van de pen mag niet meer dan 5 mm bedragen; b. de radiale speling in de onderste bus mag niet meer dan 2 mm bedragen; c. de onderste lagerbus mag niet loszitten en de bevestiging ervan mag niet zijn uitgeslagen; d. de sluit- en borginrichting moet goed functioneren; e. de radiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk mag niet meer dan 2 mm bedragen; f. axiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk is niet toegestaan; g. de bevestigingsmoer van de trekstang moet deugdelijk vastzitten en moet goed geborgd zijn; en h. het gedeelte van de vangmuil dat als geleiding voor het trekoog tijdens het aankoppelen is bedoeld, mag tekenen van vervorming, van scheuren of van uitgebroken delen vertonen, mits daardoor de sterkte of het functioneren van de koppeling met inbegrip van de sluit- en borginrichting niet wordt aangetast. Herstel daarvan door middel van lassen is toegestaan. – Onderdeel a: de pen wordt omhoog bewogen met behulp van bijvoorbeeld een schroevendraaier, waarbij de koppeling gesloten moet zijn en de handborg of controlestift voor zover mogelijk buiten werking moet zijn gesteld, teneinde de speling in het sluitingsmechanisme en de bovenste lagerbus van de pen bij de beoordeling te betrekken. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. – Onderdeel b: in geval van twijfel meten met bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. – Onderdeel c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de koppeling wordt geopend en gesloten. – Onderdeel e: de trekstang wordt op- en neerwaarts en van links naar rechts bewogen. In geval van twijfel wordt gemeten met bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. – Onderdeel f: de trekstang wordt axiaal bewogen. – Onderdeel g: visuele controle. Een eventuele stofkap wordt verwijderd. – Onderdeel h: visuele controle.
Artikel 5.7a.69
Eisen Wijze van keuren
1. Indien een mobiele machine is voorzien van een schotelkoppeling van 2 of 3,5 inch, mag: a. de onvlakheid van de schotel niet meer dan 3,5 mm bedragen; en b. de onvlakheid van de schotel, in afwijking van het bepaalde in onderdeel a, voor wat betreft de uiterste linker- en rechterzijde over een breedte van 50 mm, gemeten vanaf de buitenzijde van de schotel, niet meer dan 5 mm bedragen. Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen over het hart van de schotel gemeten.
2. Dit eerste lid is niet van toepassing op kunststofdelen op de schotelkoppeling die bedoeld zijn als slijtvlak
3. Een schotelkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd. Visuele controle.
4. De speling in de sluitinrichting van een schotelkoppeling van 2 inch mag, uitgaande van een niet gesleten 2 inch pen, in de lengterichting van het voertuig niet meer dan 2 mm bedragen. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. Controle geschiedt met behulp van: een standaard pen van 2 inch, die voldoet aan de nieuwmaat toleranties en voorzien is van een vlakke plaat waarbij het uitstekende deel van de pen een hoogte heeft van ten minste 82,5 en ten hoogste 82,7 mm, dan wel een oplegger met een pen van 2 inch daarbij rekening houdend met een eventuele gemeten slijtage van de pen. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
5. De sluit- en borginrichting moet goed functioneren. Visuele controle terwijl de sluit- en borginrichting wordt geopend en gesloten.
Artikel 5.7a.70
Eisen Wijze van keuren
Indien een mobiele machine is voorzien van een penkoppeling met een nominale diameter van: a. 30 mm, moet de pendiameter ten minste 28,0 mm bedragen; b. 30,6 mm, moet de pendiameter ten minste 28,6 mm bedragen; c. 44,5 mm, moet de diameter van de pen ten minste 41,0 mm bedragen. Het contactgedeelte van de pen met het trekoog wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
Artikel 5.7a.71
Eisen Wijze van keuren
1. Mobiele machines moeten ten minste zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld.
2. Mobiele machines mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. Leden 2 tot en met 4: visuele en auditieve controle.
3. Hybride elektrische of elektrische mobiele machines mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt.
4. Mobiele machines mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met derde lid.
Artikel 5.7a.72
Eisen Wijze van keuren
Mobiele machines moeten, met uitzondering van walsen, aan de voorzijde of achterzijde zijn voorzien van een bevestigingspunt ten behoeve van het slepen van het voertuig. Visuele controle.
Artikel 5.7a.73
Eisen Wijze van keuren
Een mobiele machine met een gesloten carrosserie mag niet zijn voorzien van een afscherming tussen de zitplaatsen. Visuele controle.

Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers

Artikel 5.8.10
Eisen Wijze van keuren
1. Indien een landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.8.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en; c. mag geen deuken vertonen. Leden 2 tot en met 8: visuele controle.
3. De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.
4. De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst.
5. Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of laadruimte.
6. Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.
7. De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
8. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen.
Artikel 5.8.10a
Eisen Wijze van keuren
1. Indien een landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.8.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; en b. mag geen deuken vertonen. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.
4. De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst.
5. De vervaldatum van de goedkeuring en, indien van toepassing, van de herkwalificatie van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
6. Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. Leden 6 tot en met 10: visuele controle.
7. De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak.
8. De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
9. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
10. De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.
Artikel 5.8.10b
Eisen Wijze van keuren
1. Indien een landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.8.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.
2. De waterstoftank mag geen deuken vertonen. Leden 2 tot en met 4: visuele controle.
3. De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.
4. De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst.
5. De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
6. De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. Leden 6 tot en met 11: visuele controle.
7. De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen.
8. De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is.
9. De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water.
10. Landbouw- of bosbouwtrekkers met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens:
11. Landbouw- of bosbouwtrekkers met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel aan de voor- en achterzijde als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens:
Artikel 5.8.49
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van een deugdelijke beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden.
2. De afstand van de onderzijde van de beschermingsinrichting tot het wegdek mag tussen die punten die meer dan 0,20 m van de zijkanten van de voorste as van het voertuig zijn gelegen, met inbegrip van de wielen, niet meer dan 0,55 m bedragen. Leden 2 tot en met 7: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport.
3. De afstand van de voorzijde van het voertuig tot de voorzijde van de beschermingsinrichting mag niet meer dan 0,50 m bedragen.
4. De beschermingsinrichting: a. mag niet breder zijn dan de breedte van de voorste as met inbegrip van de wielen; b. mag aan weerszijden niet meer dan 0,20 m smaller zijn dan de voorste as met inbegrip van de wielen; en c. moet over de gehele breedte ten minste 0,20 m hoog zijn.
5. De uiteinden van de beschermingsinrichting mogen niet naar voren zijn omgebogen.
6. De buitenranden van de beschermingsinrichting mogen niet scherp zijn.
7. De beschermingsinrichting en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt.

Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie

§ 7. Stuurinrichting

Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg

§ 8. Reminrichting

§ 9. Carrosserie

Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken

Artikel 5.14.49
Eisen Wijze van keuren
1. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 2017, moeten aan de achterzijde op deugdelijke wijze zijn voorzien van een stootbalk, indien de afstand van de onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen van het koetswerk achter het hart van de achterste as, meer bedraagt dan 0,55 m. Visuele controle.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op dolly’s. -
3. De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor aanhangwagens niet meer bedragen dan 0,55 m. Leden 3 en 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten.
4. De stootbalk mag niet meer dan 0,45 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m, gemeten vanaf het wegdek, buiten beschouwing gelaten.
5. De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. Visuele controle.
Artikel 5.14.68
Eisen Wijze van keuren
1. Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 25 mm, 30,6 mm, 32 mm, 36 mm of 38 mm mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 27,0 mm, 32,6 mm, 34,0 mm, 38,0 mm respectievelijk 40,0 mm bedragen. Leden 1 en 2: er wordt in alle richtingen gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber.
2. Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 44,5 mm mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 46,5 mm bedragen.
3. Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 40 mm: a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 41,5 mm bedragen; en b. moet de dikte van het trekoog ten minste 28,0 mm bedragen. Leden 3 tot en met 5: – Onderdelen a: er wordt in alle richtingen gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber. – Onderdelen b: ter plaatse van de slijtagevlakken wordt gemeten met een geschikt meetmiddel.
4. Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 50 mm: a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 52,5 mm bedragen; en b. moet de dikte van het trekoog ten minste 41,5 mm bedragen.
5. Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 57,5 mm: a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 59,5 mm bedragen; en b. moet de dikte van het trekoog ten minste 19,0 mm bedragen.
6. Het trekoog mag: a. niet zijn vervormd of gescheurd; b. niet zijn voorzien van een ingelaste trekoogbus; c. niet zijn hersteld door middel van lassen of oplassen. Visuele controle.
Artikel 5.14.69
Eisen Wijze van keuren
1. Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 2 inch: a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 49,0 mm bedragen, en b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 70,0 mm bedragen. Leden 1 en 2: er wordt gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber, waarbij het meetgedeelte van het gereedschap ter plaatse van de koppelingspen ten minste 2 mm en ten hoogste 4 mm dik is.
2. Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 3,5 inch: a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 86,0 mm bedragen; b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 110,0 mm bedragen.
3. De plaat van de opleggerkoppeling mag niet in ernstige mate zijn vervormd of ingesleten. Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 2 inch of 3,5 inch, mag de onvlakheid van de koppelingsplaat niet meer dan 5 mm bedragen binnen een straal van 0,45 m gemeten vanuit het hart van de koppelingspen. Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen en zo dicht mogelijk bij de koppelingspen gemeten.
4. De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de plaat van de opleggerkoppeling mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. Visuele controle.

Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Afdeling 16. Fietsaanhangwagens

Afdeling 17. Wagens

§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig

Artikel 5.18.7a

Met mobiele machines in gebruik genomen na 31 december 2020 die alleen zijn bedoeld voor het vervoer van goederen, al dan niet voorzien van een aanhangwagen, mag geen lading worden vervoerd, tenzij:

§ 1. Afmetingen, massa’s en lasten

Artikel 5.18.25da
1.

De van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine op de kentekencard of in het kentekenregister vermelde technisch toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen mag niet worden overschreden of de som van de aslasten van een aanhangwagen, alsmede van een samenstel van dolly en oplegger, mag niet meer bedragen dan de vermelde technisch toegestane maximum te trekken massa aanhangwagen.

2.

De technisch toegestane maximum te trekken massa van één of meer aanhangwagens mag niet meer bedragen dan de laagste van de volgende waarden:

3.

Indien in het kentekenregister dan wel op het kentekenbewijs van een landbouw- of bosbouwtrekker, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk met een datum van eerste toelating na 30 juni 2021 geen technisch toegestane maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.

Artikel 5.18.25db
1.

De op de constructieplaat van de koppeling van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximumlast op de koppeling mag niet worden overschreden.

2.

In aanvulling op het gestelde in het eerste lid mag de toegestane maximumlast op de koppeling van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, indien de koppeling van het trekkende voertuig is:

F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens

Artikel 5.18.32a0
1.

De rijsnelheid mag niet hoger zijn dan de voor het voertuig in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid dan wel, in geval van een samenstel van voertuigen met verschillende maximumconstructiesnelheden, de laagste maximumconstructiesnelheid.

2.

Indien op een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine of één of meer getrokken voertuigen banden zijn gemonteerd waarop een lagere maximumsnelheid is vermeld dan de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, mag de rijsnelheid niet hoger zijn dan de op de gemonteerde banden vermelde maximumsnelheid.

3.

De rijsnelheid mag niet hoger zijn dan 25 km/h, indien een landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine:

Artikel 5.18.57a

Bij een samenstel van een trekkend voertuig en één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen moeten de tussen de voertuigen van het samenstel aanwezige ruimten die niet rechtstreeks door de bestuurder kunnen worden waargenomen aan beide zijden zijn afgeschermd. Deze afscherming mag bestaan uit een zelfspannende band of inschuivende stijve delen met een hoogte van ten minste 50 mm.

Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen

Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen

Hoofdstuk 8. Meetmiddelen

Afdeling 1. Algemeen

§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen

Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen

§ 1. Keuringsinstellingen

Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen

Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen

§ 1. Roetmeters

§ 6.2. Technische eisen

§ 7. Rollenremtestbanken

§ 7.2.2. De maximale fout

§ 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting

§ 7.2.3. Uitvoering

§ 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden

§ 7.2.5. Aanwijsinrichting

§ 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde

§ 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting

§ 7.2.8. Registratie-inrichting

§ 8. Platenremtestbanken

§ 8.1. Algemeen

§ 8.2. Technische eisen

§ 8.2.1. Controle-inrichting

§ 8.2.2. De maximale fout

§ 8.2.3. Uitvoering

§ 8.2.4. Overgangsmaatregelen

§ 9. Deeltjestellers

§ 9.1. Algemeen

§ 9.2. Metrologische eisen gesteld aan deeltjestellers

§ 9.3. Technische eisen

§ 9.3.1. Constructie

§ 9.3.2. Meetprogramma

§ 9.3.3. Beveiligingen

§ 9.4. Justeringen

§ 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters

§ 10. Bromfietsrollentestbank

§ 10.1. Algemeen

§ 10.2. Technische eisen

§ 10.3. De maximale fout

§ 10.4. Uitvoering

§ 10.5. Gepresenteerde meetwaarden

§ 10.6. Aanwijsinrichting

§ 10.7. Resulterende meetwaarde

§ 10.8. Registratie-inrichting

§ 10.9. Overige

§ 11. Geluidsniveaumeter

§ 11.1. Algemeen

§ 11.2. Technische eisen

§ 12. Koplamptestapparaten

Hoofdstuk 9. Ontheffingen

§ 1. Ontheffingen

§ 2. Aanvraag ontheffing

§ 3. Beschikking inzake ontheffing

§ 4. Tarieven

Hoofdstuk 10. Strafbepalingen

Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 11.9

Vervallen

Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid

Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid

Vervallen

Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.8.1

Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.8.1

Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid

Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5

Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5

Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid

De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.

Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.

De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.

Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6

Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid

Vervallen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 1.1b

Deze regeling berust mede op de artikelen 20f, tweede lid, 21, tweede lid, onderdeel b, derde lid, onderdeel b, vierde lid, onderdeel b, en vijfde lid, 23, eerste lid, 27, tweede lid, 29, 31, 51a, derde lid, 60, tweede lid, 71, tweede lid, en 94, eerste lid, van de wet.

Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid

Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid

Vervallen

Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid

Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid

Vervallen

De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig: