Regeling tot uitvoering de hoofdstukken III en VI van de Wegenverkeerswet 1994 (Regeling voertuigen)
Gelet op de artikelen 21, eerste en derde lid, 22, eerste, derde, vierde, en vijfde lid, 22a, eerste lid, 23, derde lid, 25a, eerste en derde lid, 25b, derde lid, 25c, 25e, vierde lid, 26, eerste en tweede lid, 30, eerste, derde en vierde lid, 31, derde lid, 34, derde en vierde lid, 58, tweede lid, onderdeel b, 60, eerste lid, onderdeel c, derde lid, vijfde lid, onderdeel c, en achtste lid, 71, 71a, 72, 75, derde lid, 76, derde lid, 81, tweede lid, 83, vierde lid, 84, eerste en tweede lid, 85a, vierde en vijfde lid, 86, zevende lid, 86a, eerste en tweede lid, 88, tweede lid, 98, 99, tweede en derde lid, 101, eerste en tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;
Besluit:
Treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit voertuigen in werking treedt.
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Afdeling 1. Begripsbepalingen
Artikel 1.1
In deze regeling wordt verstaan onder:
- aanhangwagen: voertuig dat is bestemd om aan een motorvoertuig te worden gekoppeld, met inbegrip van een oplegger; in ieder geval wordt als aanhangwagen aangemerkt een voertuig van de voertuigcategorie O, R of S;
- aanhangwagen met een stijve dissel: aanhangwagen met één as of één groep assen waarvan de dissel door de constructie ervan een statische belasting van ten hoogste 4.000 kg op het trekkende voertuig overbrengt, die niet voldoet aan de begripsbepaling van ‘middenasaanhangwagen’ en waarvan de koppeling die voor de voertuigcombinatie wordt gebruikt niet bestaat uit een koppelingspen en koppelingsschotel; in ieder geval wordt als aanhangwagen met een stijve dissel aangemerkt een aanhangwagen met carrosserietype DE;
- achterlicht: licht dat, van de achterzijde gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt en een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig;
- achteruitrijlicht: licht dat is bestemd voor het verlichten van de weg achter het voertuig en voor het waarschuwen van de overige weggebruikers dat het voertuig achteruit rijdt of achteruit gaat rijden;
- aerodynamische voorzieningen en uitrusting: voorzieningen of uitrusting die zijn of is ontworpen om de luchtweerstand van voertuigen te verminderen, met uitzondering van verlengde cabines;
- afneembare bovenbouw: zonder gebruik van gereedschap van een voertuig afneembare constructie met een vloeroppervlak van ten minste 5 m2, ingericht voor het vervoer van goederen of ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van personen of goederen, niet zijnde een gestandaardiseerde laadstructuur;
- afsleepas: hulpmiddel bedoeld om één van de assen van een motorvoertuig te dragen;
- akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem: systeem dat door middel van een geluidssignaal verkeersdeelnemers attendeert op de nadering van een hybride elektrisch voertuig of elektrisch aangedreven voertuig;
- ambulance: voertuig dat hoofdzakelijk bestemd is voor het vervoer van zieken of gewonden en hiertoe een speciale uitrusting heeft; in ieder geval wordt als ambulance aangemerkt een voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M met subcategorie SC;
- as: gemeenschappelijke draaiingsas van twee of meer wielen, die door een motor wordt aangedreven dan wel vrij draait en die uit een dan wel meer segmenten bestaat die in hetzelfde vlak loodrecht op de middellijn in lengterichting van het voertuig liggen;
- asfaltwagen: bedrijfsauto of aanhangwagen die ontworpen en gebouwd is voor het vervoer van asfalt en hiertoe een speciale uitrusting heeft;
- ashefinrichting: op een voertuig vast aangebrachte inrichting om de belasting op de as of assen naar gelang van de beladingstoestand van het voertuig te verlagen of te verhogen door het optrekken van de wielen van de bodem of het neerlaten van de wielen op de bodem, dan wel zonder het optrekken van de wielen van de bodem, teneinde de slijtage van de banden te verminderen wanneer het voertuig niet volledig beladen is, of het wegrijden van motorvoertuigen of voertuigcombinaties op een gladde bodem te vergemakkelijken door de belasting op de aangedreven as te vergroten;
- asstel: combinatie van twee of meer assen, evenwijdig gelegen op een onderlinge afstand van minder dan 1,80 m;
- autonome aanhangwagen: aanhangwagen met carrosserietype DB met ten minste twee assen, waarvan ten minste één as gestuurd is, die is uitgerust met een verticaal beweegbare trekinrichting, en een statische verticale belasting van minder dan 100 kg op het trekkende voertuig overbrengt;
- bedrijfsauto: voertuig op vier of meer wielen, en ingericht voor: in ieder geval wordt als bedrijfsauto aangemerkt een voertuig van de voertuigcategorie N;
- a. het vervoer van goederen, of
- b. het uitvoeren van andere werkzaamheden;
- belastbare as: as waarvan de belasting kan worden gevarieerd zonder dat de as met behulp van een ashefinrichting wordt opgetrokken;
- bestuurde as: as die rechtstreeks door middel van de stuurinrichting door de bestuurder kan worden bediend;
- bestuurd asstel: asstel dat rechtstreeks door middel van de stuurinrichting door de bestuurder kan worden bediend;
- bijzondere bromfiets: bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, onder d, van de wet;
- bochtverlichting: verlichtingsfunctie voor betere verlichting in bochten;
- bromfiets: voertuig van de voertuigcategorie L met de voertuigclassificatie L1e, L2e of L6e;
- bromfietsaanhangwagen: niet-zelfaangedreven voertuig op wielen dat is ontworpen en gebouwd om door een bromfiets te worden getrokken;
- bus: voertuig ingericht voor het vervoer van personen, met meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend; als bus wordt in ieder geval aangemerkt een voertuig van de voertuigcategorie M met de voertuigclassificatie M2 of M3;
- carrosserietype: carrosserietype als bedoeld in bijlage I bij verordening (EU) 2018/858;
- CNG-installatie: installatie, bestaande uit een geheel van gemonteerde onderdelen dat het mogelijk maakt om als brandstof voor de voortstuwingsmotor gebruik te maken van Compressed Natural Gas (CNG);
- contourmarkering: opvallende markering die dient om de horizontale en verticale dimensie (lengte, breedte en hoogte) van een voertuig aan te geven;
- dagrijlicht: licht dat voorwaarts gericht is en wordt gebruikt om het voertuig tijdens het overdag rijden beter zichtbaar te maken;
- dimlicht: licht waarmee de weg vóór het voertuig wordt verlicht zonder dat hierdoor andere weggebruikers worden verblind of gehinderd;
- dolly: aanhangwagen van de voertuigcategorie O met carrosserietype DA, DB, DC of subcategorie SJ of aanhangwagen van de voertuigcategorie R, bestemd voor:
- a. het koppelen van een oplegger aan een trekkend voertuig waarbij de dolly de voorzijde van een oplegger draagt;
- b. het dragen van de achterzijde van in de lengte ondeelbare lading, indien deze lading het chassis van het voertuig vervangt;
- c. het dragen van één van de assen van een motorvoertuig, de afsleepdolly; of
- d. het koppelen van een ontheffingsplichtige oplegger aan een trekkend voertuig, waarbij de dolly de massa van de lading verdeelt over de achteras dan wel -assen van het trekkend voertuig en de as of assen van de dolly;
- door alternatieve brandstoffen aangedreven voertuig: motorvoertuig van de voertuigcategorie M2, M3, N2 of N3 dat geheel of gedeeltelijk wordt aangedreven op basis van een alternatieve brandstof, te herkennen aan de vermelding op de voorgeschreven constructieplaat;
- draagvermogen: toegelaten maximummassa die de band kan dragen;
- driewielig motorrijtuig: voertuig van de voertuigcategorie L met de voertuigclassificatie L5e of L7e;
- eCall-boordsysteem: noodsysteem als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van Verordening (EU) 2015/758 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 inzake typegoedkeuringseisen voor de uitrol van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem en houdende wijziging van Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2015, L 123);
- elektrisch aangedreven voertuig: motorvoertuig dat uitsluitend wordt aangedreven door een elektromotor waarvan de tractie-energie wordt geleverd door een in het motorvoertuig geïnstalleerde tractiebatterij;
- elektrische aandrijflijn: aandrijflijn met elektrische circuit, bestaande uit:
- a. de tractiebatterij;
- b. de elektronische omzetters;
- c. de tractiemotoren;
- d. het laadcircuit;
- e. de kabelset en de connectoren; en
- f. de elektronische hulpapparatuur;
- emissiebeheersingssysteem: emissiebeheersingssysteem als bedoeld in artikel 3, elfde lid, van verordening (EG) 715/2007;
- emissievrije bedrijfsauto of bus: motorvoertuig van de voertuigcategorie M2, M3, N2 of N3 zonder interne verbrandingsmotor, of met een interne verbrandingsmotor die minder dan 1 g kooldioxide/kWh uitstoot, te herkennen aan de vermelding op de voorgeschreven constructieplaat;
- fietsaanhangwagen: niet-zelfaangedreven voertuig op wielen dat is ontworpen en gebouwd om door een fiets te worden getrokken;
- frontbeschermingsinrichting: afzonderlijke constructie die bedoeld is om het buitenoppervlak boven of onder de tot de originele uitrusting van het voertuig behorende bumper bij een botsing met een object te beschermen, met dien verstande dat hieronder niet worden begrepen constructies met een massa van minder dan 0,5 kg die uitsluitend bedoeld zijn ter bescherming van de lichten;
- geconditioneerd voertuig: voertuig waarvan de vaste bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur speciaal is ingericht voor het vervoer van goederen bij een gecontroleerde temperatuur en waarvan de zijwanden, met inbegrip van de isolatie, ten minste 45 mm dik zijn;
- gedeeltelijke contourmarkering: contourmarkering die de horizontale dimensie (lengte) van een voertuig aangeeft door middel van een doorlopende lijn en de verticale dimensie (hoogte) van het voertuig door middel van een markering van de bovenhoeken;
- gehandicaptenvoertuig: voertuig dat is ingericht voor het vervoer van een gehandicapte, niet breder is dan 1,10 m en niet is uitgerust met een motor, dan wel is uitgerust met een motor waarvan de door de constructie bepaalde maximumsnelheid niet meer dan 45 km/h bedraagt;
- gelede bus: bus die bestaat uit twee of meerdere starre delen die scharnierend met elkaar verbonden zijn; de passagiersruimten van elk deel zijn zodanig met elkaar verbonden dat de passagiers zich vrij van het ene naar het andere deel kunnen bewegen; de starre delen zijn permanent met elkaar verbonden zodat deze alleen kunnen worden losgemaakt door ingrepen waarvoor uitrusting benodigd is die men gewoonlijk alleen in een werkplaats aantreft; in ieder geval wordt als gelede bus aangemerkt een voertuig met carrosserietype CC, CD, CG, CH, CK, CL, CO, CP, CS of CT;
- gepantserd voertuig: voertuig dat bestemd is om de vervoerde personen of goederen te beschermen door middel van kogelwerende bepantsering; in ieder geval wordt als gepantserd voertuig aangemerkt een voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M, N of O en carrosserietype SB;
- gestandaardiseerde laadstructuur: zonder gebruik van gereedschap van een voertuig afneembare laadbak als bedoeld in ISO 668:1995 die uitsluitend is ingericht voor het vervoer van goederen, niet zijnde een lastdrager of een tot het voertuig behorende uitrusting;
- gestuurde as: as die wordt gestuurd door stuurkrachten, veroorzaakt door richtingverandering vanuit het voertuig zelf of vanuit het trekkend voertuig;
- gestuurd asstel: asstel dat wordt gestuurd door stuurkrachten, veroorzaakt door richtingverandering vanuit het voertuig zelf of vanuit het trekkend voertuig;
- gordel: geheel van banden met sluiting, verstelinrichtingen en bevestigingselementen dat in een motorvoertuig kan worden bevestigd en zodanig is ontworpen dat de kans op verwondingen voor de gebruiker bij botsing of plotselinge vertraging van het voertuig wordt verminderd doordat het de bewegingsmogelijkheid van het lichaam van de gebruiker beperkt en dat mede omvat alle onderdelen die energie kunnen opnemen of waarmee de gordel wordt ingetrokken;
- gordelbevestigingspunten: delen van de voertuigcarrosserie of van de zitplaatsconstructie of andere delen van het voertuig waaraan gordels moeten worden vastgemaakt;
- groot licht: licht dat de weg vóór het voertuig over een grote afstand verlicht;
- handwagen met motorvermogen: motorvoertuig dat hoofdzakelijk is bestemd om te worden bestuurd door een voetganger;
- hefbare as: as die door de ashefinrichting kan worden opgetrokken en neergelaten;
- hoeklicht: licht dat wordt gebruikt voor aanvullende verlichting van het deel van de weg dat zich bij de voorhoek van het voertuig bevindt, aan de kant waarnaar het voertuig gaat draaien;
- hoofdgroeven: brede groeven in het middelste gedeelte van het loopvlak van een band, welk gedeelte ongeveer 75% van de breedte van het loopvlak inneemt;
- hybride elektrisch voertuig: motorvoertuig met ten minste twee verschillende energie-omzetters en ten minste twee verschillende energie-opslagsystemen aan boord ten behoeve van de mechanische aandrijving van het voertuig, waarbij in ieder geval energie wordt geput uit een opslagvoorziening voor elektrische energie of kracht;
- inschrijving: inschrijving in het kentekenregister als bedoeld in artikel 47 van de wet;
- kampeerwagen: voertuig dat voorzien is van een woongedeelte met ten minste de volgende uitrusting die vast in het woongedeelte bevestigd is: in ieder geval wordt als kampeerwagen aangemerkt een voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M met subcategorie SA;
- a. tafel, die eventueel eenvoudig te verwijderen is;
- b. stoelen;
- c. slaapgelegenheid, eventueel door de stoelen om te vormen;
- d. kookvoorzieningen, en
- e. opbergmogelijkheden;
- kermis- en circusvoertuig: voertuig, niet zijnde een voertuig op rupsbanden, dat uitsluitend wordt gebruikt voor de feitelijke exploitatie van een kermis- of circusbedrijf;
- kinderbeveiligingssysteem: geheel van onderdelen, eventueel bestaande uit een combinatie van riemen of flexibele componenten met een sluiting, verstelinrichtingen en bevestigingselementen, soms tevens voorzien van een zitje of botsingsscherm, dat kan worden bevestigd aan een motorvoertuig, met het oogmerk de kans op verwonding van de gebruiker bij een botsing of een abrupte vertraging van het voertuig te verminderen doordat het de bewegingsmogelijkheid voor het lichaam van de gebruiker beperkt;
- klapstoel: extra zitplaats om bij gelegenheid te worden gebruikt en die gewoonlijk is weggeklapt;
- klimaatregelingssysteem: apparatuur die hoofdzakelijk bestemd is om de luchttemperatuur en de vochtigheid in de passagiersruimte van een voertuig te doen dalen;
- lading: alle personen, dieren, goederen, lastdragers, alsmede zonder gebruik van gereedschap van het voertuig los te nemen laad- en losinrichtingen en voertuiguitrustingen, het reservewiel alsmede verwisselbare gedragen uitrustingsstukken daaronder niet begrepen;
- landbouw- of bosbouwaanhangwagen: voertuig van de voertuigcategorie R;
- landbouw- of bosbouwtrekker: voertuig van de voertuigcategorie T of C;
- lastdrager: afneembare of uitschuifbare constructie die is bestemd voor het vervoer van goederen, met inbegrip van hulpmiddelen, en die:
- a. aan de bumper, op de trekhaak of op het dak van een personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig is aangebracht, dan wel is geïntegreerd in de achterzijde van het voertuig;
- b. aan de achterzijde, op de trekdriehoek of trekboom van een (middenas) aanhangwagen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg is aangebracht, of
- c. uitsluitend voor het vervoer van glas, plaatmateriaal of soortgelijke goederen aan één of beide zijkanten van een bedrijfsauto of aanhangwagen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg is aangebracht;
- licht: inrichting voor het verlichten van de weg of het geven van een lichtsignaal aan andere weggebruikers, waaronder begrepen de achterkentekenplaatverlichting en retroreflectoren;
- ligplaats: voorgeschreven ruimte om een persoon liggend in een bus, of op een draagbaar in een personenauto te vervoeren;
- lijkwagen: voertuig dat hoofdzakelijk bestemd is voor het vervoer van overledenen en hiertoe een speciale uitrusting heeft; in ieder geval wordt als lijkwagen aangemerkt een voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M en met carrosserietype SD;
- lijnmarkering: opvallende markering die dient om de horizontale dimensie (lengte en breedte) van een voertuig aan te geven door middel van een doorlopende lijn;
- LNG-installatie: installatie, bestaande uit een geheel van gemonteerde onderdelen dat het mogelijk maakt om als brandstof voor de voortstuwingsmotor gebruik te maken van Liquefied Natural Gas (LNG);
- loopvlak: deel van de band dat, gemeten symmetrisch ten opzichte van het midden, 50 mm minder bedraagt dan de breedte in de maataanduiding van de band;
- LPG-installatie: installatie, bestaande uit een geheel van gemonteerde onderdelen dat het mogelijk maakt om als brandstof voor de voortstuwingsmotor gebruik te maken van Liquefied Petroleum Gas (LPG);
- luchtband: band waarin zich in normale, bedrijfsvaardige toestand gas bevindt onder een hogere spanning dan de atmosferische;
- manoeuvreerlicht: licht aan de zijkant van een motorvoertuig, dat wordt gebruikt voor aanvullende verlichting tijdens langzame manoeuvres;
- markeringslicht: licht dat op het breedste punt van het voertuig zo hoog mogelijk is aangebracht, waardoor duidelijk de totale breedte van het voertuig wordt aangegeven. Dit licht is bestemd om voor bepaalde voertuigen en aanhangwagens de breedte- en achterlichten aan te vullen door in het bijzonder de aandacht te vestigen op de omvang;
- massa in rijklare toestand voor motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines: massa van het onbeladen voertuig, klaar voor normaal gebruik, met inbegrip van de massa van de bestuurder (75 kg), de standaarduitrusting volgens de specificaties van de fabrikant, koelvloeistof, smeermiddelen, brandstof en gereedschap; optionele accessoires niet inbegrepen;
- massa in rijklare toestand voor voertuigen van de voertuigcategorie M en N: massa van het voertuig met de brandstoftank of brandstoftanks gevuld tot ten minste 90% van zijn of hun inhoud, met inbegrip van de massa van de bestuurder (75 kg), brandstof en vloeistoffen, voorzien van de standaarduitrusting volgens de specificaties van de fabrikant en, als het voertuig daarmee is uitgerust, de massa van de carrosserie, de cabine, de koppeling, reservewielen en het gereedschap;
- massa in rijklare toestand voor voertuigen van de voertuigcategorie O: massa van het voertuig, met inbegrip van de brandstof en vloeistoffen, voorzien van de standaarduitrusting volgens de specificaties van de fabrikant, en, als de aanhangwagen daarmee is uitgerust, de massa van de carrosserie, extra koppelingen, reservewielen en het gereedschap;
- massa ledig voertuig voor voertuigen van de voertuigcategorieën M en N: massa van het voertuig in rijklare toestand verminderd met 100 kg;
- massa ledig voertuig voor voertuigen van de voertuigcategorie O: massa van het voertuig in rijklare toestand;
- massa ledig voertuig voor voertuigen van de voertuigcategorie L:
- a. massa van het voertuig zoals vermeld in de goedkeuring; of
- b. indien niet vermeld in de goedkeuring, massa van het voertuig in rijklare toestand, verminderd met:
- 1°. 7 kg voor voertuigen met de voertuigclassificatie L1e, L2e, L3e, L4e of L6e;
- 2°. 100 kg voor voertuigen met de voertuigclassificatie L5e of L7e;
- massa in rijklare toestand voor voertuigen van de voertuigcategorie L: massa van het voertuig als bedoeld in artikel 5 van verordening (EU) 168/2013;
- massa in rijklare toestand voor voertuigen van de voertuigcategorieën T, C, R en S: onbeladen massa in rijklare toestand van het voertuig als bedoeld in artikel 2 van verordening (EU) 2015/208;
- massieve band: band zonder luchtkamers, geheel vervaardigd van een elastisch materiaal;
- mechanische koppelinrichting: alle onderdelen en inrichtingen op onderstellen, dragende gedeelten van de carrosserie en het chassis van voertuigen waarmee het trekkend voertuig en het getrokken voertuig met elkaar kunnen worden verbonden; tevens behoren hiertoe vaste of demontabele onderdelen voor de bevestiging, afstelling of het gebruik van deze koppelinrichtingen;
- meeneemheftruck: motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, zonder laadruimte, uitgerust met een hefinrichting waarvan het zwaartepunt van de te heffen last tussen de wielen en achter de vooras ligt en dat zelfstandig voor laad- en losactiviteiten kan worden ingezet;
- metalen band: band waarvan het loopvlak geheel van vormvast materiaal is vervaardigd;
- middenasaanhangwagen: aanhangwagen waarvan de as of assen, indien gelijkmatig belast, zich dicht bij het zwaartepunt van het voertuig bevindt respectievelijk bevinden, zodat een statische verticale belasting van ten hoogste 10% van de met de technisch toegestane maximummassa van de aanhangwagen overeenkomende belasting of van 1.000 kg, waarbij de lichtste belasting van toepassing is, wordt overgebracht op het trekkende voertuig; in ieder geval wordt als middenasaanhangwagen aangemerkt een voertuig met carrosserietype DC;
- minister: Minister van Infrastructuur en Waterstaat;
- mistachterlicht: licht dat het voertuig bij dichte mist aan de achterzijde beter waarneembaar maakt;
- mistvoorlicht: licht dat dient voor een betere verlichting van de weg bij mist of een soortgelijke toestand van verminderd zicht;
- mobiele kraan: voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie N met de voertuigclassificatie N3 en met carrosserietype SF dat niet is ingericht voor het vervoer van goederen, maar is voorzien van een kraan waarvan het hefmoment ten minste 400 kNm bedraagt;
- mobiele machine: motorvoertuig dat speciaal is ontworpen en gebouwd voor het uitvoeren van werkzaamheden en niet is bedoeld voor personen- of goederenvervoer over de weg;
- mobiliteitshandicap: eigenschap die het gebruik van het openbaar vervoer bemoeilijkt, bijvoorbeeld als gevolg van een lichamelijke, zintuiglijke of geestelijke handicap, meereizende kinderen of meegevoerde goederen;
- motorfiets: voertuig van de voertuigcategorie L met de voertuigclassificatie L3e of L4e;
- motorfietsaanhangwagen: niet-zelfaangedreven voertuig op wielen dat is ontworpen en gebouwd om door een motorfiets te worden getrokken;
- motorrijtuig met beperkte snelheid: motorvoertuig voor het eerst in gebruik genomen voor 1 januari 2022 met een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan:
- a. 25 km/h, niet ingericht voor het vervoer van personen en;
- 1°. ingericht voor het bij op korte afstand van elkaar gelegen plaatsen afleveren of ophalen van goederen; of
- 2°. voorzien van een stuurwiel en een trekinrichting, dat uitsluitend wordt gebruikt in de periode van 1 juli tot en met 30 november, een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het dragen van voorraadkisten of -kratten, en als samenstel, inclusief lading of uitrusting, niet breder is dan 1,3 m;
- b. 45 km/h,
- 1°. niet ingericht voor het vervoer van personen en wel ingericht voor het uitvoeren van werkzaamheden buiten wegen, aan wegen of aan werken op, in, langs en boven wegen;
- 2°. voorzien van niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend, dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen;
- motorvoertuig: motorrijtuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel c, van de wet;
- noodstopsignaal: signaal om andere weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden kenbaar te maken dat het voertuig sterk vertraagt en dat wordt gegeven door de gelijktijdige werking van alle remlichten of richtingaanwijzers;
- ondeelbare lading: lading die ten behoeve van het vervoer over de weg niet in twee of meer ladingen kan worden gesplitst zonder dat zulks overmatige kosten of risico van schade meebrengt;
- oplegger: aanhangwagen die ontworpen is om aan een opleggertrekkend voertuig of aan een dolly te worden gekoppeld en die op het trekkende voertuig of de dolly een aanzienlijke statische verticale belasting overbrengt; in ieder geval wordt als oplegger aangemerkt een voertuig met carrosserietype DA;
- opleggertrekker: motorvoertuig dat hoofdzakelijk is ontworpen en gebouwd voor het trekken van opleggers; in ieder geval wordt als opleggertrekker aangemerkt een voertuig met carrosserietype BC;
- opspatafscherming: inrichting die bestemd is om de verstuiving van water dat door de banden van een rijdend voertuig wordt opgeworpen, te beperken;
- opvallende markering: markering die dient om een voertuig meer zichtbaarheid te geven door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet tot het voertuig behorende lichtbron, waarbij de waarnemer zich nabij deze lichtbron bevindt;
- origineel emissiebeheersingssysteem: emissiebeheerssysteem dat onder de voor het betrokken voertuig verleende typegoedkeuring valt, bedoeld in artikel 3, twaalfde lid, van verordening (EG) 715/2007;
- overig voertuig voor speciale doeleinden: voertuig van de voertuigcategorie M, N of O voor speciale doeleinden met carrosserietype SG niet zijnde een aanhangwagen voor het vervoer van uitzonderlijke ladingen, motorvoertuig voor het vervoer van uitzonderlijke ladingen, multifunctionele werktuigdrager of andere voertuigsoort genoemd in artikel 1.1a;
- ov-auto: personenauto bestemd voor het verrichten van openbaar vervoer als bedoeld in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000;
- parkeerlicht: licht dat is bestemd om de aanwezigheid van een geparkeerd voertuig aan te geven;
- pendelas: samenstel van twee of meer assen in één lijn loodrecht op de lengte-as van het voertuig zodanig ingericht dat de belasting op alle wielen gelijkmatig verdeeld wordt overgebracht op het wegdek. Een samenstel van wielen op één wielnaaf wordt aangemerkt als één wiel;
- personenauto: voertuig op vier of meer wielen, ingericht voor het vervoer van personen, met niet meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend; in ieder geval wordt als personenauto aangemerkt een voertuig van de voertuigcategorie M met de voertuigclassificatie M1;
- remlicht: licht dat wordt gebruikt om de weggebruikers die zich achter het voertuig bevinden kenbaar te maken dat de longitudinale beweging van het voertuig opzettelijk wordt vertraagd;
- retroreflector: inrichting die is bestemd om de aanwezigheid van een voertuig kenbaar te maken door weerkaatsing van het licht afkomstig van een niet tot dat voertuig behorende lichtbron, waarbij de waarnemer zich nabij deze lichten bevindt;
- richtingaanwijzer: licht dat is bestemd om andere weggebruikers kenbaar te maken dat de bestuurder het voornemen heeft naar links of naar rechts van richting te veranderen;
- rijdend werktuig: bedrijfsauto die is ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen;
- samenstel van voertuigen: trekkend voertuig met een of meer aanhangwagens;
- schadevoertuig: voertuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel u, van de wet. Hieronder wordt in ieder geval verstaan een voertuig:
- a. waarvan de dragende carrosseriedelen ernstig zijn vervormd;
- b. waarvan de langsbalken van het chassis ernstig zijn vervormd;
- c. waarvan één of meer deurstijlen ernstig zijn vervormd;
- d. waarvan het dak is verwijderd of de deur- of raamstijlen zijn doorgeknipt;
- e. waarvan één of meer wielophangingen ernstig zijn vervormd in combinatie met één van de overige punten;
- f. met ernstige brand- of waterschade, of
- g. waarvan het frame ernstig is beschadigd;
- semi-dieplader: open voertuig van de voertuigcategorie O met de voertuigclassificatie O3 of O4 waarvan het grotendeels verlaagde laadvlak zich in onbeladen toestand meer dan 0,70 m maar niet meer dan 1,10 m boven het wegdek bevindt, gemeten vanaf het wegdek tot aan de bovenkant van het laadvlak;
- seriehybride voertuig: hybride elektrisch voertuig waarvan alleen de elektrische motor mechanisch met de wielen verbonden is;
- staaklicht: licht aan de achterzijde van het voertuig dat voor de bestuurder de lengte van het voertuig kenbaar maakt;
- stadslicht: licht dat, van de voorzijde gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt en een aanwijzing is voor de breedte van het voertuig;
- stoel: complete structuur met bekleding, al dan niet geïntegreerd in de carrosseriestructuur van het voertuig, die bestemd is om zitplaats te bieden aan één persoon;
- subcategorie: subcategorie als bedoeld in bijlage I, deel A, bij verordening (EU) 2018/858;
- taxi: personenauto bestemd voor taxivervoer als bedoeld in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000;
- technisch toegestane maximummassa: door de fabrikant voor een voertuig op basis van de bouwkenmerken en de door het ontwerp bepaalde prestaties ervan vastgestelde maximummassa; de technisch toegestane maximummassa van een aanhangwagen of een oplegger omvat de statische massa die in aangekoppelde toestand op het trekkende voertuig wordt overgebracht;
- terreinvoertuig: voertuig van de voertuigcategorie M of N met specifieke technische kenmerken waardoor het buiten de normale wegen kan worden gebruikt;
- T-100 bus: bus die blijkens het kentekenregister is goedgekeurd voor een maximumsnelheid van 100 km/h;
- verlengde cabine: aerodynamische vormgeving aan de voorzijde van een voertuig van de voertuigcategorie N2 en N3, te herkennen aan de vermelding op de voorgeschreven constructieplaat;
- verlicht transparant: verlichting op een voertuig die uitsluitend informatie biedt over de bestemming of het gebruik van het voertuig, dan wel aanwijzingen weergeeft voor het overige wegverkeer;
- verwisselbaar gedragen uitrustingsstuk: inrichting die is ontworpen om door een voertuig te worden gedragen en waarmee aan het voertuig een extra functie wordt gegeven;
- verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk: voertuig van de voertuigcategorie S;
- verwisselbaar uitrustingsstuk: verwisselbaar gedragen uitrustingsstuk of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk;
- voertuig van de voertuigcategorie C: voertuig als bedoeld in artikel 4, negende lid, van verordening (EU) 167/2013;
- voertuig van de voertuigcategorie L: voertuig als bedoeld in artikel 4 van verordening (EU) 168/2013;
- voertuig van de voertuigcategorie M: voertuig als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van verordening (EU) 2018/858;
- voertuig van de voertuigcategorie N: voertuig als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van verordening (EU) 2018/858;
- voertuig van de voertuigcategorie O: voertuig als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel c, van verordening (EU) 2018/858;
- voertuig van de voertuigcategorie R: voertuig als bedoeld in artikel 4, tiende tot en met veertiende lid, van verordening (EU) 167/2013;
- voertuig van de voertuigcategorie S: voertuig als bedoeld in artikel 4, vijftiende tot en met zeventiende lid, van verordening (EU) 167/2013;
- voertuig van de voertuigcategorie T: voertuig als bedoeld in artikel 4, eerste tot en met achtste lid, van verordening (EU) 167/2013;
- voertuig voor speciale doeleinden: voertuig van de voertuigcategorie M, N, of O met specifieke technische kenmerken om een functie te vervullen waarvoor speciale voorzieningen of uitrustingen vereist zijn;
- volledige contourmarkering: contourmarkering die de omtrek (lengte, breedte en hoogte) van een voertuig aangeeft door middel van een doorlopende lijn;
- voor rolstoelen toegankelijk voertuig: voertuig dat specifiek gebouwd of verbouwd is ten behoeve van een of meer personen die in hun rolstoel zitten, wanneer het voertuig op de weg rijdt; in ieder geval wordt als voor rolstoelen toegankelijk voertuig aangemerkt een voertuig voor speciale doeleinden van de voertuigcategorie M met voertuigclassificatie M1 en subcategorie SH;
- voorziening voor indirect zicht: voorziening om het aan het voertuig grenzende gebied waar te nemen dat niet rechtstreeks kan worden waargenomen, zijnde een spiegel, een camera-monitor of een andere inrichting die de bestuurder informatie over het indirecte gezichtsveld geeft;
- waarschuwingsknipperlicht: gelijktijdige werking van alle richtingaanwijzers, bestemd om aan te geven dat het voertuig tijdelijk een bijzonder gevaar oplevert voor andere weggebruikers;
- wagen: voertuig, met uitzondering van een motorvoertuig, aanhangwagen, niet-gemotoriseerd gehandicaptenvoertuig, fiets en zijspanwagen, doch met inbegrip van een handwagen met motorvermogen;
- waterstofinstallatie: installatie, bestaande uit een geheel van gemonteerde onderdelen dat het mogelijk maakt om als brandstof voor de voortstuwingsmotor gebruik te maken van waterstof;
- werklicht: licht dat is bestemd voor het verlichten van een plaats waar werkzaamheden worden verricht;
- wet: Wegenverkeerswet 1994;
- wielbasis:
- a. ten aanzien van vóór 1 april 1983 in gebruik genomen voertuigen: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste as, van het eerste samenstel van assen of van de koppelingspen en het hart van de laatste as of het hart van het laatste samenstel van assen;
- b. ten aanzien van na 31 maart 1983 in gebruik genomen voertuigen, niet zijnde opleggers of na 28 april 2009 in gebruik genomen middenasaanhangwagens: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig;
- c. ten aanzien van na 31 maart 1983 in gebruik genomen opleggers of na 28 april 2009 in gebruik genomen middenasaanhangwagens: de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen de verticale hartlijn van de koppeling en het hart van de laatste as;
- zelfsturende as: as die wordt gestuurd doordat, door de wrijving van de banden op het wegdek, de wielen zelfstandig een zodanige stand innemen dat zij de cirkelbaan van het voertuig volgen;
- zelfsturend asstel: asstel dat wordt gestuurd doordat, door de wrijving van de banden op het wegdek, de wielen zelfstandig een zodanige stand innemen dat zij de cirkelbaan van het voertuig volgen;
- zijmarkeringslicht: licht dat, van de zijkant gezien, de aanwezigheid van het voertuig kenbaar maakt;
- zijspanwagen: voertuig, al dan niet afneembaar verbonden aan de zijkant van een fiets, bromfiets of motorfiets;
- zitbank: constructie die plaats biedt aan ten minste twee volwassenen;
- zitplaats: constructie, inclusief bekleding, die al dan niet een integrerend deel vormt van de constructie van het voertuig, die plaats biedt aan een volwassen persoon, met dien verstande dat de zitplaats zowel een afzonderlijke zitplaats kan zijn als een gedeelte van een bank dat plaats biedt aan één persoon en die afhankelijk van de richting als volgt wordt aangeduid:
- a. naar voren gerichte zitplaats: zitplaats die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in beweging is en die zodanig naar de voorkant van het voertuig is gericht dat het middenlangsvlak van de zitplaats een hoek van minder dan + 10° of – 10° vormt met het middenlangsvlak van het voertuig;
- b. naar achteren gerichte zitplaats: zitplaats die kan worden gebruikt terwijl het voertuig in beweging is en die zodanig naar de achterkant van het voertuig is gericht dat het middenlangsvlak van de zitplaats een hoek van minder dan + 10° of – 10° vormt met het middenlangsvlak van het voertuig;
- c. zijdelings gerichte zitplaats: zitplaats die, gelet op haar gerichtheid ten opzichte van het middenlangsvlak van het voertuig, niet voldoet aan de onderdelen a en b.
Afdeling 1a. Aanvulling grondslagen
Artikel 1.2
In deze regeling wordt verstaan onder:
- richtlijn 70/157/EEG: richtlijn 70/157/EEG van de Raad van 6 februari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lidstaten betreffende het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen (PbEG 1970, L 42);
- richtlijn 2005/64/EG: richtlijn 2005/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen inzake herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing, en tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEG 2005, L 310);
- richtlijn 2006/40/EG: richtlijn 2006/40/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen en houdende wijziging van Richtlijn 70/156/EEG van de Raad (PbEU 2006, L 161);
- richtlijn 2006/42/EG: Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines en tot wijziging van Richtlijn 95/16/EG (PbEU 2006 L 157);
- verordening (EG) 715/2007: Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) (PbEU 2007, L 171);
- verordening (EG) 79/2009: Verordening (EG) nr. 79/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen op waterstof en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2009, L 35);
- verordening (EG) 595/2009: Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (PbEU 2009, L 188);
- verordening (EU) 406/2010: Verordening (EU) nr. 406/2010 van de Commissie van 26 april 2010 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 79/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen op waterstof (PbEU 2010, L 122);
- verordening (EU) 167/2013: Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (PbEU 2013, L 60);
- verordening (EU) 168/2013: Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2013 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2013, L 60);
- verordening (EU) 3/2014: Gedelegeerde verordening (EU) nr. 3/2014 van de Commissie van 24 oktober 2013 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende functionele veiligheidsvoorschriften voor de goedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2014, L 7);
- verordening (EU) 44/2014: Gedelegeerde verordening (EU) Nr. 44/2014 van de Commissie van 21 november 2013 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voertuigconstructie en algemene voorschriften voor de goedkeuring van twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2014, L 25);
- verordening EU 134/2014: Gedelegeerde Verordening (EU) 134/2014 van de Commissie van 16 december 2013 tot aanvulling van Verordening (EU) 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de voorschriften voor milieuprestaties en prestaties van de aandrijfeenheid en tot wijziging van bijlage V bij die verordening (PbEU 2014, L53);
- verordening (EU) 540/2014: Verordening (EU) nr. 540/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende het geluidsniveau van motorvoertuigen en vervangende geluidsdempingssystemen, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van Richtlijn 70/157/EEG (PbEU 2014, L 158);
- verordening 901/2014: Uitvoeringsverordening (EU) 901/2014 van de Commissie van 18 juli 2014 tot uitvoering van Verordening (EU) 168/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de administratieve voorstellen voor de goedkeuring van en het markttoezicht op twee- of driewielige voertuigen en vierwielers (PbEU 2014, L249);
- verordening (EU) 1322/2014: gedelegeerde verordening (EU) nr. 1322/2014 van de Commissie van 19 september 2014 tot aanvulling en wijziging van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat de voertuigconstructie en algemene voorschriften voor de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen betreft (PbEU 2014, L 364);
- verordening (EU) 2015/208: Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/208 van de Commissie van 8 december 2014 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft functionele veiligheidsvoorschriften voor de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen (PbEU 2015, L 42);
- verordening (EU) 2015/758: Verordening (EU) 2015/758 van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2015 inzake typegoedkeuringseisen voor de uitrol van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem en houdende wijziging van Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2015, L 123);
- verordening (EU) 2016/1628: Verordening (EU) 2016/1628 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 inzake voorschriften met betrekking tot emissiegrenswaarden voor verontreinigende gassen en deeltjes en typegoedkeuring voor in niet voor de weg bestemde mobiele machines gemonteerde interne verbrandingsmotoren, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1024/2012 en (EU) nr. 167/2013, en tot wijziging en intrekking van Richtlijn 97/68/EG (PbEU 2016, L 252);
- verordening (EU) 2018/858: Verordening (EU) nr. 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2018, L 151);
- Verordening 2018/985: Gedelegeerde verordening (EU) 2018/985 van de commissie van 12 februari 2018 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft voorschriften voor milieuprestaties en prestaties van de aandrijfeenheid voor landbouw- en bosbouwvoertuigen en de motoren daarvan en tot intrekking van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/96 van de Commissie (PbEU 2018, L 182);
- verordening (EU) 2019/2144: Verordening (EU) 2019/2144 van het Europees parlement en de Raad van 27 november 2019 betreffende de voorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd wat de algemene veiligheid ervan en de bescherming van de inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers betreft, tot wijziging van Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 78/2009, (EG) nr. 79/2009 en (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 631/2009, (EU) nr. 406/2010, (EU) nr. 672/2010, (EU) nr. 1003/2010, (EU) nr. 1005/2010, (EU) nr. 1008/2010, (EU) nr. 1009/2010, (EU) nr. 19/2011, (EU) nr. 109/2011, (EU) nr. 458/2011, (EU) nr. 65/2012, (EU) nr. 130/2012, (EU) nr. 347/2012, (EU) nr. 351/2012, (EU) nr. 1230/2012 en (EU) 2015/166 van de Commissie (PbEU 2019, L 325).
Artikel 1.3
De vermelding in deze regeling, voor zover daarbij niet anders is aangegeven, van een EU-richtlijn omvat mede elke in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen richtlijn tot wijziging van die richtlijn. Het tot stand komen van een dergelijke richtlijn wordt door de minister bekendgemaakt in de Staatscourant.
Een wijziging van een richtlijn als bedoeld in het eerste lid, treedt voor de toepassing van deze regeling in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven, tenzij de minister een eerder tijdstip bepaalt. Indien een wijzigingsrichtlijn of een gewijzigde richtlijn de lidstaten verplicht tot dan wel de mogelijkheid biedt voor het afzonderlijk bepalen van de datum van toepassing van een of meer deelaspecten van die wijzigingsrichtlijn respectievelijk gewijzigde richtlijn, wordt deze eveneens door de minister bepaald.
De bekendmaking, bedoeld in het eerste lid, vermeldt:
- a. de vindplaats van de wijzigingsrichtlijn;
- b. de kaderrichtlijn of de bijzondere richtlijn die wordt gewijzigd;
- c. het artikel of artikelonderdeel waarop de wijziging betrekking heeft;
- d. de dag of het tijdstip, bedoeld in het tweede lid, eerste volzin; en
- e. in voorkomend geval datum en deelaspect als bedoeld in het tweede lid, tweede volzin.
Indien een verordening of een gewijzigde verordening de lidstaten verplicht tot dan wel de mogelijkheid biedt voor het afzonderlijk bekendmaken van de datum van toepassing van een of meer deelaspecten van die verordening respectievelijk gewijzigde verordening, wordt deze datum door de minister bekend gemaakt.
Het eerste tot en met derde lid zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van reglementen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE-reglementen) en verordeningen tot wijziging van een richtlijn.
Artikel 1.4
Vervallen
Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
Artikel 2.1
In het kader van een aanvraag tot inschrijving of tenaamstelling, een individuele goedkeuring of een door de Dienst Wegverkeer uitgevoerd onderzoek kan door de Dienst Wegverkeer het voertuigidentificatienummer worden vastgesteld.
Indien van een voertuig het voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan door de Dienst Wegverkeer een voertuigidentificatienummer worden vastgesteld, toegekend en ingeslagen.
Het voertuigidentificatienummer wordt vastgesteld, toegekend en ingeslagen op de wijze, bepaald in bijlage I.
Artikel 2.2
Onder de datum waarop een voertuig in gebruik is genomen, wordt in deze regeling verstaan de datum van eerste toelating van het voertuig zoals vermeld in het kentekenregister.
De datum van eerste toelating, bedoeld in het eerste lid, wordt door de Dienst Wegverkeer vastgesteld op de wijze, bepaald in bijlage II.
Voor voertuigen waarvoor vóór 1 januari 1995 een kentekenbewijs is afgegeven waarop geen datum eerste toelating is vermeld, wordt als datum eerste toelating beschouwd de op het kentekenbewijs vermelde datum van afgifte van deel I van het kentekenbewijs. Indien op het kentekenbewijs onder ‘bijzonderheden’ een bouwjaar is vermeld, wordt als datum eerste toelating beschouwd 30 juni van dit bouwjaar.
Hoofdstuk 3. Toelating tot de weg
Afdeling 3. Aanwijzing van een technische dienst
Artikel 3.1
Voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S, alsmede systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers die voor deze voertuigen zijn ontworpen en gebouwd, moeten zijn goedgekeurd voor toelating tot het verkeer op de weg.
Het eerste lid is niet van toepassing op bromfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, onder d, van de wet.
De goedkeuring, bedoeld in het eerste lid, bestaat uit een EU-typegoedkeuring, nationale typegoedkeuring, EU-kleine serie typegoedkeuring, nationale kleine serie typegoedkeuring, individuele goedkeuring of een goedkeuring afgegeven overeenkomstig een VN/ECE-reglement.
Met een nationale typegoedkeuring, een nationale kleine serie typegoedkeuring of een individuele goedkeuring als bedoeld in het derde lid, wordt gelijkgesteld een verklaring van goedkeuring afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, welke verklaring is afgegeven op basis van onderzoekingen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale onderzoekingen wordt nagestreefd.
De in dit hoofdstuk vermelde productieprocessen van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers moeten zijn goedgekeurd.
Voertuigen bestemd voor het gebruik door de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, hoeven voor de toelating tot het verkeer op de weg niet aan alle toelatingseisen inzake retroreflecterende voorzieningen, geluidssignalen en verlichting te voldoen en mogen voor wat betreft de genoemde aspecten zijn voorzien van aanvullende voorzieningen die voor overige voertuigen niet zijn toegestaan.
Afdeling 2. Goedkeuring voertuigen
§ 1. Typegoedkeuring
Artikel 3.2
Voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O, met uitzondering van voertuigen voor speciale doeleinden, moeten voor het verkrijgen van een EU-typegoedkeuring voldoen aan bijlage IV, deel I, bij richtlijn 2007/46/EG.
Voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N en O moeten voor het verkrijgen van een EU-typegoedkeuring voldoen aan bijlage XI bij richtlijn 2007/46/EG.
Voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1, met uitzondering van voertuigen voor speciale doeleinden, moeten voor het verkrijgen van een EU-kleine serie typegoedkeuring en een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan bijlage IV, deel 1, aanhangsel 1, tabel 1 respectievelijk tabel 2 bij richtlijn 2007/46/EG.
Voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O, met uitzondering van voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1, alsmede voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N en O, moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan bijlage IV bij deze regeling.
Artikel 3.3
Voertuigen van de voertuigcategorie L moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan bijlage IV.
Artikel 3.4
Voertuigen van de voertuigcategorieën T, C, R en S moeten voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring voldoen aan bijlage IV.
Artikel 3.5
De Dienst Wegverkeer kan een voorlopige EU-typegoedkeuring als bedoeld in artikel 20 van richtlijn 2007/46/EG verlenen aan voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken of voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers, indien hierin nieuwe technologieën of nieuwe concepten zijn toegepast die onverenigbaar zijn met EU-richtlijnen, EU-verordeningen of VN/ECE-reglementen.
De Dienst Wegverkeer kan bepalen dat voor een type waarin technologieën of concepten zijn verwerkt, die wegens hun specifieke aard niet aan de eisen in bijlage IV kunnen voldoen, een tijdelijke nationale kleine serie goedkeuring kan worden verleend, mits er naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer geen gevaar is voor de verkeersveiligheid.
Artikel 3.6
Richtlijn 2007/46/EG is niet van toepassing op voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van richtlijn 2007/46/EG.
§ 2. Individuele goedkeuring
Artikel 3.7
Voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voldoen aan bijlage IV bij deze regeling.
In afwijking van het eerste lid, mogen voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1 die in grote series worden geproduceerd in of voor derde landen en niet of niet langer dan zes maanden zijn geregistreerd, voldoen aan bijlage IV, deel I, aanhangsel 2, bij richtlijn 2007/46/EG.
Met uitzondering van de permanente eisen, stelt de Dienst Wegverkeer de wijze van keuren vast van de in bijlage IV bij deze regeling opgenomen eisen, met inbegrip van alternatieve voorschriften.
Artikel 3.8
De Dienst Wegverkeer kan bepalen dat voor prototypen van voertuigen of voertuigen waarin technologieën of concepten zijn verwerkt, die wegens hun specifieke aard niet aan de eisen, genoemd in bijlage IV, kunnen voldoen en waarvan bij de keuring niet kan worden vastgesteld dan wel slechts op termijn kan worden vastgesteld of aan de in dit hoofdstuk gestelde eisen wordt voldaan, tijdelijke individuele goedkeuring kan worden verleend, mits naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer er geen gevaar is voor de verkeersveiligheid.
Afdeling 1. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën M, N en O
Artikel 3.9
Een systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingsstuk of voorziening ter bescherming van weggebruikers en passagiers dat bedoeld is om deel uit te maken van een voertuig van de voertuigcategorie M, N of O en waarvoor onafhankelijk van een voertuig een typegoedkeuring kan worden verleend, moet voor het verkrijgen van een EU-typegoedkeuring voldoen aan de voorschriften van de relevante EU-richtlijnen, EU-verordeningen en VN/ECE-reglementen opgenomen in bijlage IV of XI van richtlijn 2007/46/EG.
De systemen, onderdelen, technische eenheden, uitrustingsstukken en voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers als bedoeld in bijlage Va moeten voor het verkrijgen van een overeenkomstig de bij het desbetreffende systeem, onderdeel, technische eenheid, uitrustingsstuk of voorziening vermelde VN/ECE-reglement af te geven goedkeuring voldoen aan de voorschriften van het relevante VN/ECE-reglement.
Retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens moeten voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring voldoen aan de voorschriften opgenomen in bijlage Vb.
Een reminrichting of stuurinrichting die is bedoeld om deel uit te maken van:
- a. een voertuig van de voertuigcategorie M, N of O, moet voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring voldoen aan de voor het desbetreffende onderdeel relevante voorschriften opgenomen in bijlage IV, deel I, bij richtlijn 2007/46/EG, waarbij de fabrikant tot tevredenheid van de Dienst Wegverkeer aantoont dat aan de essentiële voorschriften van de regelgeving is voldaan;
- b. een voertuig van de voertuigcategorie R of S, moet voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring voldoen aan de voor het desbetreffende onderdeel relevante voorschriften opgenomen in verordening (EU) 167/2013, waarbij de fabrikant tot tevredenheid van de Dienst Wegverkeer aantoont dat aan de essentiële voorschriften van de regelgeving is voldaan.
Afdeling 4. Goedkeuring productieprocessen
Artikel 3.10
Het productieproces van voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1 moet voor het verkrijgen van een goedkeuring van het productieproces wat betreft herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassing voldoen aan de voorschriften van de relevante EU-richtlijnen en EU-verordeningen opgenomen in bijlage IV of XI van richtlijn 2007/46/EG.
Afdeling 5. Voertuigen met een speciaal gebruiksdoel
Artikel 3.11
Vervallen
Afdeling 3. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën L
Artikel 3.12
Een taxi moet in het kader van de toelating tot het verkeer op de weg in aanvulling op de eisen opgenomen in afdeling 2 van dit hoofdstuk, voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen.
Artikel 3.13
Een taxi met een EU-typegoedkeuring wordt verondersteld te voldoen aan bijlage VI, indien het een voertuig betreft dat is typegoedgekeurd met een vaste indeling en deuren aan beide zijden van elke zitrij met een drempelhoogte van minder dan 50 cm vanaf het wegdek. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkgesteld aan het aantal zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
Een taxi met een EU-typegoedkeuring met een vaste indeling die niet is uitgevoerd met deuren aan beide zijden van elke zitrij wordt goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan bijlage VI. De zitplaatsen met deuren aan beide zijden van de zitrij worden verondersteld te voldoen aan bijlage VI. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
Een taxi met een variabele indeling wordt per indeling goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan bijlage VI. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
Overige taxi’s worden beoordeeld op de in bijlage VI gestelde eisen ten aanzien van:
- a. een vaste indeling volgens de typegoedkeuring en deuren aan beide zijden van elke zitrij;
- b. inrichtingen met zitplaatsen anders dan onder a, en
- c. de gedeelten ten behoeven van andere vormen van vervoer dan op zitplaatsen.
Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, dan wel andere vervoersplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
Artikel 3.14
Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op personenauto’s bestemd voor openbaar vervoer als bedoeld in artikel 1 van de Wet personenvervoer 2000.
Artikel 3.15
Bij de inschrijving van de taxi als bedoeld in artikel 3.13, eerste en tweede lid, wordt in het kentekenregister vermeld: ‘Taxi, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’.
Bij de inschrijving van de taxi bedoeld in artikel 3.13 derde en vierde lid wordt een goedkeuringsdocument afgegeven waaruit blijkt dat het voertuig is goedgekeurd voor het gebruik als taxi. Bij de inschrijving in het kentekenregister wordt onder ‘bijzonderheden’ vermeld: ‘Taxi, zie goedkeuringsdocument’.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de inschrijving van een voertuig voor gebruik als OV-voertuig. In het kentekenregister wordt vermeld: ‘OV-auto, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’ dan wel ‘OV-auto, zie goedkeuringsdocument’.
Afdeling 5. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
§ 1. Aanvraag en toezicht EG-typegoedkeuring en VN/ECE typegoedkeuring
Artikel 3.16
De aanvraag van een EU-typegoedkeuring voor voertuigen, onderdelen, systemen, technische eenheden, uitrustingsstukken of voorzieningen ter bescherming van weggebruikers en passagiers of een EU-typegoedkeuring voor een productieproces wordt door de fabrikant ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
De aanvraag en behandeling van een EU-typegoedkeuring geschiedt met inachtneming van de in richtlijn 2007/46/EG daaromtrent gegeven voorschriften.
Artikel 3.17
De aanvraag van een typegoedkeuring voor onderdelen, systemen en technische eenheden op basis van een VN/ECE-reglement of een typegoedkeuring voor een productieproces op basis van een VN/ECE-reglement wordt door de fabrikant ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
De aanvraag en behandeling van een typegoedkeuring op basis van een VN/ECE-reglement geschiedt met inachtneming van de in het desbetreffende VN/ECE-reglement daaromtrent gegeven voorschriften.
Artikel 3.18
Het toezicht op een verleende EU-typegoedkeuring wordt uitgeoefend door de Dienst Wegverkeer.
Het toezicht op een EU-typegoedkeuring geschiedt met inachtneming van de in richtlijn 2007/46/EG daaromtrent gegeven voorschriften.
Indien er niet wordt voldaan aan de in richtlijn 2007/46/EG, vermelde verplichtingen, wordt de fabrikant in staat gesteld de geconstateerde tekortkomingen binnen een door de Dienst Wegverkeer te bepalen termijn te herstellen en kan het toezicht worden geïntensiveerd.
Artikel 3.19
Het toezicht op een typegoedkeuring verleend op basis van een VN/ECE-reglement wordt uitgeoefend door de Dienst Wegverkeer.
Het toezicht op een typegoedkeuring op basis van een VN/ECE-reglement geschiedt met inachtneming van de in het desbetreffende VN/ECE-reglement daaromtrent gegeven voorschriften.
Indien er niet wordt voldaan aan de in het VN/ECE-reglement op basis waarvan de typegoedkeuring wordt aangevraagd vermelde verplichtingen, wordt de fabrikant in staat gesteld de geconstateerde tekortkomingen binnen een door de Dienst Wegverkeer te bepalen termijn te herstellen en kan het toezicht worden geïntensiveerd.
Artikel 3.20
De aanvraag van een EU-kleine serie typegoedkeuring voor voertuigen wordt door de fabrikant ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
De aanvraag en behandeling van een EU-kleine serie typegoedkeuring geschiedt met inachtneming van de in richtlijn 2007/46/EG daaromtrent gegeven voorschriften.
Artikel 3.21
Het toezicht op een verleende EU-kleine serie typegoedkeuring wordt uitgeoefend door de Dienst Wegverkeer.
Het toezicht op een EU-kleine serie typegoedkeuring geschiedt met inachtneming van de in richtlijn 2007/46/EG daaromtrent gegeven voorschriften.
Indien er niet wordt voldaan aan de in richtlijn 2007/46/EG vermelde verplichtingen, wordt de fabrikant in staat gesteld de geconstateerde tekortkomingen binnen een door de Dienst Wegverkeer te bepalen termijn te herstellen en kan het toezicht worden geïntensiveerd.
§ 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring
Artikel 3.22
De artikelen 3.16 en 3.18 zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag van en het toezicht op een nationale typegoedkeuring voor onderdelen, systemen en technische eenheden.
Artikel 3.23
De aanvraag van een nationale typegoedkeuring voor taxi’s wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
Het toezicht op een verleende nationale typegoedkeuring voor taxi’s wordt uitgeoefend door de Dienst Wegverkeer op de door deze dienst te bepalen wijze.
Artikel 3.24
De artikelen 3.20 en 3.21 zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag van en het toezicht op een nationale kleine serie typegoedkeuring.
De fabrikant mag de in richtlijn 2007/46/EG vermelde maximale aantal jaarlijks te verkopen, registreren, of in het verkeer te brengen voertuigen niet overschrijden en doet opgave aan de Dienst Wegverkeer van de per kalenderjaar verkochte, geregistreerde of in het verkeer gebrachte voertuigen.
Afdeling 9. Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer
Artikel 3.25
Een EU-typegoedkeuring vervalt van rechtswege zodra voor de registratie, verkoop of het in het verkeer brengen van nieuwe voertuigen zwaardere eisen van kracht worden, tenzij:
- a. in richtlijn 2007/46/EG of een hierop gebaseerde EU-richtlijn of EU-verordening anders is bepaald, of
- b. artikel 3.26, eerste en tweede lid, van toepassing is.
Een typegoedkeuring op basis van een VN/ECE-reglement vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden, tenzij in het VN/ECE-reglement op basis waarvan de typegoedkeuring is verleend anders is bepaald.
Een EU-kleine serie typegoedkeuring vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden, tenzij:
- a. in richtlijn 2007/46/EG of een hierop gebaseerde EU-richtlijn of EU-verordening anders is bepaald, of
- b. artikel 3.26, eerste en tweede lid, van toepassing is.
Een nationale typegoedkeuring vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden.
Een nationale kleine serie typegoedkeuring vervalt van rechtswege zodra zwaardere eisen van kracht worden, tenzij artikel 3.27 van toepassing is.
Een individuele goedkeuring vervalt zodra zwaardere eisen van kracht worden.
Afdeling 7. Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten
Artikel 3.26
Complete voertuigen mogen op grond van een ingevolge richtlijn 2007/46/EG verleende goedkeuring nog gedurende een periode van 12 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in artikel 27 en bijlage XII, deel B, tweede gedachtestreepje, van deze richtlijn.
Voltooide voertuigen mogen op grond van een ingevolge richtlijn 2007/46/EG verleende goedkeuring nog gedurende een periode van 18 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan aan de voorwaarden, genoemd in artikel 27 en bijlage XII, deel B, tweede gedachtestreepje, van deze richtlijn.
Met betrekking tot het opnemen van voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S in een restantvoorraad, moet worden voldaan aan de in bijlage VII opgenomen voorschriften.
Artikel 3.27
Voertuigen mogen op grond van een verleende nationale typegoedkeuring of kleine serie typegoedkeuring nog gedurende een periode van 18 maanden na het van kracht worden van zwaardere eisen tot het verkeer worden toegelaten, mits wordt voldaan aan de in bijlage VII opgenomen voorschriften.
Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
Artikel 4.1
Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen zonder dat goedkeuring is verleend of indien de indruk van goedkeuring wordt gewekt met documenten, certificaten van overeenstemming, voorgeschreven platen of goedkeuringsmerken, die zijn vervalst als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel a, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:
- a. artikel 72, tweede lid, onderdeel f, van verordening (EU) 167/2013;
- b. artikel 76, tweede lid, onderdeel f, van verordening (EU) 168/2013;
- c. artikel 84, derde lid, onderdeel b, van verordening (EU) 2018/858.
Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen doordat niet aan de voor goedkeuring gestelde eisen wordt voldaan, als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel b, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:
- a. artikel 72, eerste lid, in samenhang met artikel 17, 18 of 19, van verordening (EU) 167/2013;
- b. artikel 76, eerste lid, in samenhang met artikel 9, van verordening (EU) 168/2013;
- c. artikel 84, eerste lid, in samenhang met artikel 5, van verordening (EU) 2018/858;
- d. artikel 41, eerste lid, van verordening (EU) 2019/1020 juncto artikel 2bis van richtlijn 70/157/EEG tot 1 juli 2027 indien het geluidsniveau of de uitlaatinrichting van een voertuig niet beantwoordt aan de voorschriften van bijlage I van die richtlijn of indien een uitlaatrichting of een onderdeel daarvan dat wordt beschouwd als technische eenheid, niet in overeenstemming is met het type waarvoor goedkeuring is verleend;
- e. artikel 41, eerste lid, van verordening (EU) 2019/1020 juncto artikel 5, eerste lid, onderdeel b, derde lid, onderdeel b en vijfde lid, onderdeel b, van richtlijn 2006/40/EG indien niet wordt voldaan aan de in de artikelleden bedoelde emissies van klimaatregelingsapparatuur, klimaatsystemen of klimaatregelingssystemen.
Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen door zonder goedkeuring te handelen in strijd met een ontheffing, vrijstelling of vergunning of terwijl in strijd met de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen wordt gehandeld als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel c, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:
- a. artikel 72, eerste lid, in samenhang met artikel 35, van verordening (EU) 167/2013;
- b. artikel 76, eerste lid, in samenhang met artikel 40, van verordening (EU) 168/2013;
- c. artikel 84, eerste lid, in samenhang met artikel 39, van verordening (EU) 2018/858.
Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen door die te voorzien van vervalste of onjuiste certificaten van overeenstemming, platen of goedkeuringsmerken met het doel anderen te misleiden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onderdeel d, van de wet heeft betrekking op het handelen in strijd met:
- a. artikel 72, tweede lid, onderdeel f, van verordening (EU) 167/2013;
- b. artikel 76, tweede lid, onderdeel f, van verordening (EU) 168/2013;
- c. artikel 84, derde lid, onderdeel b, van verordening (EU) 2018/858.
Artikel 4.2
Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen door die zonder certificaten van overeenstemming of zonder voorgeschreven platen of goedkeuringsmerken op de markt aan te bieden of in de handel te brengen als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:
- a. artikel 72, eerste lid, in samenhang met artikel 33 of 34, van verordening (EU) 167/2013;
- b. artikel 76, eerste lid, in samenhang met artikel 38 of 39, van verordening (EU) 168/2013;
- c. artikel 84, eerste lid, in samenhang met artikel 36, 37, 38 of 39, van verordening (EU) 2018/858.
Artikel 4.3
Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen door het gebruik van manipulatie-instrumenten of -strategieën of het vervalsen van testresultaten als bedoeld in artikel 29, derde lid, onderdeel a, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:
- a. artikel 13, tweede lid, onderdeel b of d, van verordening (EG) 715/2007;
- b. artikel 7, eerste lid, en 11, tweede lid, onderdeel b of d, van verordening (EG) 595/2009;
- c. artikel 72, tweede lid, onderdeel b of d, van verordening (EU) 167/2013;
- d. artikel 76, tweede lid, onderdeel b of d, juncto artikel 19 van verordening (EU) 168/2013;
- e. artikel 11, tweede lid, onderdeel b, van verordening (EU) 2015/758;
- f. artikel 84, tweede lid, onderdeel b, van verordening (EU) 2018/858.
Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen door het afleggen van valse verklaringen als bedoeld in artikel 29, derde lid, onderdeel b, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:
- a. artikel 13, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EG) 715/2007;
- b. artikel 11, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EG) 595/2009;
- c. artikel 72, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EU) 167/2013;
- d. artikel 76, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EU) 168/2013;
- e. artikel 11, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EU) 2015/758;
- f. artikel 84, tweede lid, onderdeel a, van verordening (EU) 2018/858;
- g. artikel 41, eerste lid, van verordening (EU) 2019/1020 juncto artikel 8 van verordening (EU) 540/2014.
Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen door het achterhouden van gegevens of technische specificaties als bedoeld in artikel 29, derde lid, onderdeel c, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:
- a. artikel 13, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EG) 715/2007;
- b. artikel 11, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EG) 595/2009;
- c. artikel 72, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 167/2013;
- d. artikel 76, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 168/2013;
- e. artikel 11, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 2015/758;
- f. artikel 84, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 2018/858;
- g. artikel 41, eerste lid, van verordening (EU) 2019/1020 juncto artikel 5, tweede lid, van richtlijn 2005/64/EG;
Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen door het weigeren van toegang tot informatie als bedoeld in artikel 29, derde lid, onderdeel d, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:
- a. artikel 72, tweede lid, onderdeel e, van verordening (EU) 167/2013;
- b. artikel 76, tweede lid, onderdeel e, van verordening (EU) 168/2013;
- c. artikel 84, derde lid, onderdeel a, van verordening (EU) 2018/858.
Het door een marktdeelnemer in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen door het niet nakomen van op hem rustende verplichtingen als bedoeld in artikel 29, derde lid, onderdeel e, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:
- a. artikel 13, eerste lid, in samenhang met artikel 4, eerste, tweede of derde lid, 5, eerste of tweede lid, of 11, eerste lid, van verordening (EG) 715/2007;
- b. artikel 11, eerste lid, in samenhang met artikel 4, eerste of tweede lid, artikel 5, eerste, tweede of derde lid, 5bis, of artikel 9, van verordening (EG) 595/2009;
- c. artikel 72, eerste lid, in samenhang met artikel 7, 8, 9, 10, 11,12, 13, 14, 15, 16, 53, 54 of 55 van verordening (EU) 167/2013;
- d. artikel 76, eerste lid, in samenhang met artikelen 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 17, 55, 56, 57 58 of 59 van verordening (EU) 168/2013;
- e. artikel 11, eerste lid, in samenhang met artikel 4, 5 of artikel 11, tweede lid, onderdeel e, van verordening (EU) 2015/758;
- f. artikel 84, eerste lid, in samenhang met artikel 9, vijfde lid, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 20, 21, 48, 49, 50, 59 of 65, van verordening (EU) 2018/858;
- g. artikel 41, eerste lid, van verordening (EU) 2019/1020 juncto de artikelen 5 tot en met 7 van verordening (EU) 540/2014.
Hoofdstuk 5. Permanente eisen
Afdeling 7. Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten
Artikel 5.1.1
Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig:
- a. niet deugdelijk van bouw of inrichting is, dan wel rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud verkeert;
- b. zodanig is gebouwd of ingericht dat de bestuurder onvoldoende uitzicht naar voren of opzij heeft;
- c. niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de bouw of inrichting van voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort, gestelde eisen; of
- d. indien het een mobiele machine betreft, wordt voortbewogen in een andere rijstand dan door de voertuigfabrikant is bepaald.
Het is de bestuurder en de eigenaar of houder van een voertuig verboden het voertuig te laten staan, indien het voertuig niet voldoet aan de in de afdelingen 2 tot en met 17 van dit hoofdstuk ten aanzien van de verplichte rode retroreflectoren aan de achterzijde van voertuigen gestelde eisen.
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c, en het tweede lid, zijn op motorvoertuigen welke niet vallen onder een van de in de afdelingen 2 tot en met 8 van dit hoofdstuk vermelde categorieën motorvoertuigen, de in afdeling 2 van dit hoofdstuk vermelde eisen van overeenkomstige toepassing.
Artikel 5.1.2
Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de in afdeling 18 van dit hoofdstuk ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.
Artikel 5.1.3
Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de aantekeningen die ingevolge artikel 52b van de wet voor het voertuig in het kentekenregister zijn opgenomen.
Artikel 5.1.4
Gehandicaptenvoertuigen zonder motor moeten voldoen aan de in afdeling 9 van dit hoofdstuk aan fietsen gestelde eisen, met uitzondering van het in artikel 5.9.6ter zake van de afmetingen bepaalde, waarvoor artikel 5.10.6 in de plaats treedt.
Artikel 5.1.5
Artikel 72, eerste lid, van de wet is niet van toepassing op:
- a. een voertuig waarvoor een kenteken is opgegeven dat de lettergroep ZZZ bevat, dan wel de lettergroep ZZ of de enkele letter A, E, H, K, L, N, P, S, T, V, W, X of Z en twee groepen van twee cijfers;
- b. een voertuig waarvoor een kenteken is opgegeven ter zake waarvan een kentekenbewijs als bedoeld in artikel 21 van het Kentekenreglement is afgegeven;
- c. een voertuig op de dag dat dit door ambtenaren van de Dienst Wegverkeer of door de ambtenaren, bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, wordt onderzocht in verband met de inschrijving of de wijziging van de inschrijving;
- d. rijdende werktuigen met:
- 1°. een lengte van meer dan 12,00 m;
- 2°. een breedte van meer dan 2,55 m, indien de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 10.000 kg;
- 3°. een breedte van meer dan 2,60 m, indien de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 10.000 kg;
- 4°. een toegestane maximummassa van meer dan 50.000 kg, dan wel
- 5°. een toegestane maximumlast onder enige as van meer dan 10.000 kg voor een niet-aangedreven as, dan wel van meer dan 11.500 kg voor een aangedreven as.
Van de in het eerste lid, onderdeel d, bedoelde uitzondering wordt melding gemaakt in het kentekenregister.
Artikel 5.1.6
Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een massa in rijklare toestand van niet meer dan 1.280 kg, die in gebruik is genomen na 31 december 2011 en reeds vóór de datum van eerste ingebruikname van een klimaatregelingssysteem is voorzien, verboden dit klimaatregelingssysteem te vullen of te laten vullen met gefluoreerde broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150.
Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een massa in rijklare toestand van niet meer dan 1.280 kg, welke is voorzien van een klimaatregelingssysteem, verboden dit klimaatregelingssysteem te vullen of te laten vullen met gefluoreerde broeikasgassen met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150, tenzij het voertuig in gebruik is genomen voor 1 januari 2018 en het klimaatregelingssysteem reeds dergelijke gassen bevat.
Het is de bestuurder van een personenauto of bedrijfsauto met een massa in rijklare toestand van niet meer dan 1.280 kg, die is voorzien van een klimaatregelingssysteem waaruit een abnormale hoeveelheid koelvloeistof lekt, verboden dit klimaatregelingssysteem bij te vullen of te laten bijvullen met gefluoreerde broeikasgassen dan nadat de noodzakelijke herstelling is voltooid.
Afdeling 11. Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad
Artikel 5.1a.1
Bij de vaststelling van de afmetingen van motorvoertuigen en samenstellen daarvan, met uitzondering van gehandicaptenvoertuigen, worden delen en onderdelen buiten beschouwing gelaten overeenkomstig bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 1, paragraaf 1.
Artikel 5.1a.2
De wielbasis van een voertuig wordt gemeten bij onbeladen toestand van het voertuig met alle wielen op het wegdek en in de stand van rechtuitrijden.
De afmetingen van voertuigen alsmede de last onder de as of assen worden, onverminderd het bepaalde in afdeling 18 van hoofdstuk 5, bepaald bij onbeladen toestand van het voertuig.
Artikel 5.1a.3
Voor de bepaling van het aantal wielen wordt een samenstel van wielen die op één wielnaaf zijn gemonteerd, aangemerkt als één wiel.
In afwijking van het eerste lid, worden voor het bepalen van het aantal wielen van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen twee op dezelfde as gemonteerde wielen als een wiel beschouwd, indien de afstand tussen de middens van de contactvlakken van deze wielen met de grond kleiner is dan 460 mm.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
- a. landbouw- of bosbouwtrekkers,
- b. motorrijtuigen met beperkte snelheid,
- c. mobiele machines,
- d. landbouw- of bosbouwaanhangwagens, en
- e. verwisselbare getrokken uitrustingsstukken.
Artikel 5.1a.4
Voor de bepaling van het aantal lichten wordt als één licht aangemerkt elke combinatie van twee of meer al dan niet identieke lichten die:
- a. dezelfde functie vervullen;
- b. licht van dezelfde kleur uitstralen, en
- c. een verlichtingsinrichting vormen waarvan:
- 1°. de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten op een zelfde verticaal vlak ten minste 60,0% beslaan van het oppervlak van de kleinste vierhoek die om de lichtdoorlatende gedeelten van de lichten kan worden beschreven, of
- 2°. de onderlinge afstand tussen de lichtdoorlatende gedeelten niet meer dan 75 mm bedraagt.
Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing, indien het voertuig is uitgerust met van fabriekswege aangebrachte lichten.
Artikel 5.1a.5
Met betrekking tot de verlichting moet voor de bepaling van de hoogte boven het wegdek en de afstand vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig, worden gemeten de kortste afstand vanaf de rand van het lichtdoorlatende gedeelte.
Afdeling 11. Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad
Artikel 5.1b.1
Met betrekking tot de in dit hoofdstuk opgenomen eisen en de wijze van keuren daarvan, wordt verstaan onder:
- a. bedrijfstemperatuur: temperatuur van een motor na ongeveer vijftien minuten functioneren onder normale bedrijfsomstandigheden;
- b. stationair toerental: toerental van de draaiende motor, waarbij:
- 1°. de koudstartinrichting of het handgas niet is ingeschakeld;
- 2°. het gaspedaal of het handgas en het koppelingspedaal in ruststand zijn;
- 3°. de keuzehendel van de versnellingsbak in de neutrale stand staat bij een niet- of halfautomatische versnellingsbak dan wel in de parkeerstand of in de neutrale stand bij een volautomatische versnellingsbak;
- 4°. lampen en andere stroomverbruikers niet zijn ingeschakeld, met uitzondering van lampen die bij het starten automatisch gaan branden; en
- 5°. geen hydraulische functies actief zijn;
- c. controleapparaat: controleapparaat als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel a, van Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer (PbEU 2014, L 60).
Artikel 5.1b.2
De keuring van de in dit hoofdstuk opgenomen eisen wordt uitgevoerd zonder demontage, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
De keuring van de in dit hoofdstuk opgenomen eisen wordt uitgevoerd met de banden op de juiste spanning.
De keuring van de in dit hoofdstuk opgenomen eisen wordt uitgevoerd zonder rijproef, tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald.
De keuring van voertuigen met variabele afmetingen wordt uitgevoerd in de stand waarin het voertuig ter keuring wordt aangeboden.
Artikel 5.1b.3
Indien in dit hoofdstuk een visuele controle wordt voorgeschreven en deze controle onvoldoende uitsluitsel biedt, wordt het desbetreffende onderdeel aanvullend op één van de volgende wijzen gecontroleerd:
- a. door gebruik te maken van hulpmiddelen zoals een spiegel, hamertje, bandijzer, staalborstel of schuurpapier, en
- b. door het uitoefenen van een kracht, al dan niet met behulp van gereedschap.
Teneinde een goede controle te waarborgen, worden de hierna vermelde onderdelen verwijderd of geopend in de daarachter beschreven gevallen:
| a. | wieldoppen; | voor zover deze de wielbevestigingsbouten afdekken; |
|---|---|---|
| b. | kofferdeksel; | in alle gevallen; |
| c. | motorkap; | in alle gevallen; |
| d. | tankklep; | voor zover deze een visuele controle van de brandstofdop onmogelijk maakt; |
| e. | beschermdop op koppelingskogel; | in alle gevallen; |
| f. | onderbeplating ten behoeve van stroomlijning of geluidsisolatie; | voor zover deze een visuele controle onmogelijk maakt van direct voor de verkeersveiligheid van belang zijnde aspecten, zoals de bevestiging van het stuurhuis of de wielophanging; |
| g. | kunststofbeplating in of over de wielkasten; | alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van het afgedekte onderdeel en geen andere controle mogelijk is; |
| h. | tapijt of vloerbedekking; | alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van het afgedekte onderdeel en geen andere controle mogelijk is; |
| i. | zijskirts, waaronder kunststofspoilers aan dorpels; | alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van het afgedekte onderdeel en verwijdering kan geschieden zonder lakbeschadiging (bijvoorbeeld bevestigd met parkers). Zijskirts bevestigd door middel van popnagels of andere permanente bevestigingsmiddelen mogen niet worden verwijderd; |
| j. | beschermkappen om stuurkoppelingen; | alleen indien duidelijke twijfel bestaat over de conditie van die koppelingen, voor zover deze kappen een visuele controle van die koppelingen onmogelijk maken; |
| k. | beschermkappen om reminrichtingen; | voor zover deze een visuele controle van remschijven onmogelijk maken; |
| l. | overige onderdelen; | voor zover deze een visuele controle onmogelijk maken. |
Indien het verwijderen dan wel openen van de onderdelen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a tot en met e en l, niet mogelijk is, wordt een beschikking tot weigering van de afgifte van een keuringsbewijs afgegeven.
De verwijdering van onderdelen, bedoeld in het tweede lid, onderdelen f tot en met k, mag alleen geschieden indien er geen gevaar voor beschadiging van het voertuig of het onderdeel bestaat. Na eventuele verwijdering moeten de desbetreffende onderdelen wederom worden gemonteerd.
Indien, ondanks twijfel omtrent de conditie van het afgedekte onderdeel, niet tot verwijdering is overgegaan vanwege het gevaar voor beschadiging, moet op het keuringsrapport worden vermeld dat het afgedekte onderdeel niet is beoordeeld.
Voor het meten van voertuigafmetingen, wielbasis en spoorbreedte wordt een meetband met een minimale nauwkeurigheidsklasse III met voldoende bereik gebruikt.
Voor de beoordeling van de werking van de reminrichting mag uitsluitend tot demontage van wielen en remtrommels worden overgegaan, indien twijfel bestaat:
- a. over de goede bevestiging van de remvoering, dan wel
- b. of de drager dan wel het bevestigingsmiddel van de remvoering, de remtrommel of remschijf raakt.
Artikel 5.1b.4
Indien in het kentekenregister of op het kentekenbewijs deel 1A dan wel deel I onder ‘bijzonderheden’ uitzonderingen op de eisen zijn vermeld, moeten deze in acht worden genomen.
Afdeling 11. Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad
Artikel 5.2.0
Een personenauto moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 0. Algemeen
Artikel 5.2.1
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De personenauto moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 2 en 3, van toepassing. |
| 2. | De personenauto moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten. | |
| 3. | Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke structuur zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle. |
| 4. | De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle. Aan de eis van het goedkeuringsmerk, wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 5. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het midden van de personenauto staat. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.2.3
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van personenauto’s mogen: | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. |
Artikel 5.2.4
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De bovenbouw van personenauto’s moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.2.6
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Personenauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de personenauto gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
Artikel 5.2.7
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De last onder de assen van personenauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten. | Leden 1 en 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De totale massa of de som van de aslasten van personenauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde toegestane maximummassa. |
§ 3. Motor en brandstofsystemen
Artikel 5.2.9
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van personenauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| – Indien de motor is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle op lekkage, indien mogelijk, uitgevoerd op alle brandstofsystemen. | ||
| – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. | ||
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
Artikel 5.2.10
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de personenauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.2.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | Leden 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | |
| 6. | Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | Visuele controle. |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 7 en 8: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. |
Artikel 5.2.10a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de personenauto is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.2.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van koel-of verwarmingsinstallaties ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte of een koelinstallatie ten behoeve van het koelen van de laadruimte. | Leden 6 tot en met 10: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 7. | De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 8. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 9. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 10. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. |
Artikel 5.2.11
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle, terwijl de personenauto zich met draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Personenauto’s mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 4. | Personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een personenauto met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een personenauto met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Personenauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 5. | De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volumepercentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 6. | Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1992 die zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | De uitlaatgassen van personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 8. | Personenauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1995, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
| 9. | Bij personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking waarvan: – de in het kentekenregister vermelde deeltjesmassa type 1 kleiner is dan of gelijk is aan 0,005 g/km respectievelijk 5 mg/km, of – de in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde milieuclassificatie gelijk is aan of groter is dan Euro 6 of Euro VI, of – in het kentekenregister is vastgelegd dat een roetfilter is vastgesteld, moet het roetfilter aanwezig en niet duidelijk defect zijn. | Visuele controle. |
| 10. | Als bij personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, de EOBD-procedure succesvol wordt doorlopen en geen emissiegerelateerde fouten worden geconstateerd, geldt dit als alternatief voor de eisen als bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45c van bijlage VIII van toepassing. | – |
| 11. | Bij personenauto’s met roetfilter zoals bedoeld in het negende lid, dient het roetfilter goed te werken. Hierbij is het bepaalde in de Bijlage VIII, artikelen 45e tot en met 45g, van toepassing. | – |
| 12. | De verplichtingen, bedoeld in het zevende en tiende lid, gelden niet voor personenauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking en roetfilter als bedoeld in het negende lid. | – |
Artikel 5.2.12
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van personenauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van personenauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
Artikel 5.2.13
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De motorsteunen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
§ 0. Algemeen
Artikel 5.2.15
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. | Visuele controle. De werking en afleesbaarheid wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Indien een personenauto moet zijn voorzien van een controleapparaat: a. moet de personenauto zijn voorzien van een installatieplaatje en mag de op het installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal 24 maanden vanaf de installatiedatum bedraagt; b. moet het onder a bedoelde installatieplaatje zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd; c. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het onder a bedoelde installatieplaatje is vermeld, en d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening. | – Onderdeel a: de aanwezigheid van en de geldigheidsduur op het installatieplaatje van de tachograaf wordt visueel gecontroleerd. – Onderdeel b: visuele controle van de verzegeling van het installatieplaatje van de tachograaf. – Onderdeel c: bij twijfel meting van de bandenomtrek. – Onderdeel d: visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen van de tachograaf. – De wijze van gebruik van het voertuig en de onderdelen a tot en met d worden niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, indien er geen installatieplaatje in of op het voertuig aanwezig is. |
Artikel 5.2.16
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De aandrijving van personenauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.2.18
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. |
Artikel 5.2.19
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van personenauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
Artikel 5.2.20
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers van personenauto’s mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.2.21
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielbasis van personenauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van artikel 5.2.1 getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis, links en rechts gemeten, niet meer dan 15 mm verschillen. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.2.22
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De afstanden tussen de fuseedraaipunten en twee punten aan het chassis dan wel aan de carrosserie, die symmetrisch links en rechts ten opzichte van de langsas van het voertuig zijn gelegen, mogen recht en kruiselings gemeten onderling niet meer dan 15 mm verschillen. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.2.23
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De spoorbreedte van personenauto’s mag niet meer dan 2,0% groter zijn dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.2.24
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van personenauto’s mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt en het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.2.26
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De waarschuwingsinrichting van het stabiliteitscontrolesysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
§ 0. Algemeen
Artikel 5.2.27
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen van personenauto’s moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Leden 2 en 3: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van de eerste volzin is naprofileren toegestaan, indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘regroovable’ of door het teken ‘ ’, met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede en derde lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de personenauto. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Visuele controle. |
| 7. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 8. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve wanneer een nood- of reservewiel wordt gebruikt. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan. |
| 9. | De banden moeten een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven, moet hiermee rekening gehouden worden. |
| – Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt, moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden. | ||
| – Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is, moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden. | ||
| – Indien geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn, wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden. | ||
| – De banden op één as moeten een gelijke bandenspanning hebben met een maximaal verschil van 0,3 bar. | ||
| – Bij het constateren van een te lage bandenspanning moet deze op de juiste bandenspanning worden gebracht. | ||
| 10. | De waarschuwingsinrichting van het controlesysteem voor de bandenspanning van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.2.28
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goed werkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de personenauto zo mogelijk verscheidene keren wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
§ 5. Assen
Artikel 5.2.29
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bestuurde wielen van personenauto’s moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid, met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15° zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de personenauto op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Leden 5 en 6: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 51, van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing | – Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; | ||
| b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. | ||
| – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. | ||
| 8. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 9. | De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiging mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | De wijze van keuren bij het vierde lid is van toepassing. |
| 11. | De onderdelen van de stuurbekrachtiging mogen geen ernstige lekkage vertonen. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt bij stationair draaiende motor in de uiterste stand gedraaid en gehouden. |
| 12. | De waarschuwingsinrichting van de elektronische stuurbekrachtiging van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.2.31
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat over de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | De rembekrachtiger en de remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| – Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. | ||
| 3. | Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt. |
| 4. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 5. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 55 en 56, van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 6. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
| 7. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt het wiel rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 8. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 9. | Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit zonder demontage mogelijk is. |
| 10. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en d. mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 11. | De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Leden 11 en 12: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 12. | De waarschuwingsinrichting van het elektronisch remsysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. |
Artikel 5.2.32
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
| 2. | De vulopening van de reservoirs, bedoeld in het eerste lid, moet zijn afgesloten met een passende dop. | Visuele controle. |
Artikel 5.2.38
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,8 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2 van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Personenauto’s in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,2 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | |
| 3. | Personenauto’s in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging van personenauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | |
| 4. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 5. | Personenauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | Leden 5 en 6: de wijze van keuren bij het eerste tot en met derde lid is van toepassing. |
| 6. | In afwijking van het eerste en tweede lid, moeten ambulances, kampeerwagens en lijkwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 2.500 kg, zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van deze voertuigen is het bepaalde ten aanzien van personenauto’s in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. |
Artikel 5.2.39
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 2. | De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,6 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren. | Leden 2 en 3: in geval van een elektrisch bediende parkeerrem, waarbij de remvertraging niet bepaald kan worden op een remtestinrichting, wordt hieraan geacht te zijn voldaan, indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 2018, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,2 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren. | |
| 4. | De remvertraging van de parkeerrem van personenauto’s in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.2.41
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De deuren van personenauto’s moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
Artikel 5.2.42
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95 van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van personenauto’s mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Indien de personenauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Visuele controle. |
| 5. | Indien de personenauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.2.43
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. | Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege. |
| 2. | Personenauto’s met een voorruit, die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. | Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.2.44
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Personenauto’s met een voorruit, die na 30 september 1971 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. | Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.2.45
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s in gebruik genomen na 25 januari 2010, moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel, een rechterbuitenspiegel en een binnenspiegel. | Leden 1 tot en met 6: visuele controle. |
| 2. | Indien met de in het eerste lid bedoelde binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien, behoeft deze niet aanwezig te zijn. | |
| 3. | Personenauto’s in gebruik genomen vóór 26 januari 2010, moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en een binnenspiegel. | |
| 4. | De in het derde lid bedoelde personenauto’s moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel, indien met de binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn. | |
| 5. | De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 6. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. | |
| 7. | In afwijking van het eerste, derde en vierde lid mogen verplichte spiegels zijn vervangen door goedwerkende camera-monitorsystemen. Indien spiegels vervangen zijn door camera-monitorsystemen, dan moeten deze systemen deugdelijk bevestigd zijn. | Visuele controle |
Artikel 5.2.46
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2014, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. | Visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op: a. personenauto’s in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten; b. zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande personenauto; en c. personenauto’s met een in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h. | – |
| 3. | De zitplaatsen en rugleuningen van personenauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1 en 2, van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 4. | Bij zitplaatsen waarvan de rugleuning toegang geeft tot een daarachter gelegen zitplaats moet de ontgrendeling van de rugleuning goed werken. | Visuele controle |
Artikel 5.2.47
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen. | Leden 1 en 2: visuele controle. Indien in het middelste gedeelte van een doorlopende bank geen (heup)gordel aanwezig is, wordt dit gedeelte niet aangemerkt als zitplaats en behoeft geen (heup)gordel te zijn aangebracht. In geval van een kampeerwagen is de controle beperkt tot de voorste zitplaatsen en tot de overige zitplaatsen voor zover deze zijn voorzien van gordels. |
| 2. | Personenauto’s die na 31 december 1989 doch voor 1 oktober 2000 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen. | |
| 3. | Personenauto’s die na 1 januari 1971 doch voor 1 januari 1990 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor de zitplaats van de bestuurder en de naast deze plaats aanwezige zitplaatsen, voor zover deze aan een portier grenzen. | Leden 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | Het eerste, tweede en derde lid zijn niet van toepassing op klapstoelen, zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in stilstaande personenauto’s en personenauto’s met een in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h. | |
| 5. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 6. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
| 7. | De waarschuwingsinrichting van het gordelspansysteem en gordelkrachtbegrenzingssysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Leden 7 en 8: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 8. | De waarschuwingsinrichting van het airbagsysteem van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. |
Artikel 5.2.47a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel, moeten voldoen aan de in artikel 5.2.78 gestelde eisen. | Leden 1 en 2: visuele controle. Aan deze eisen wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Personenauto’s die zijn voorzien van een ligplaats moeten voldoen aan de in artikel 5.2.79 gestelde eisen. |
Artikel 5.2.48
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van personenauto’s die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | In aanvulling op het bepaalde in het eerste en tweede lid, mogen personenauto’s aan de voorzijde niet zijn voorzien van voorzieningen die in geval van botsing de kans op lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Het bepaalde in het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op voertuigdelen en voorzieningen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Leden 4 en 5: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 5. | De wielen onderscheidenlijk banden van personenauto’s: a. moeten goed zijn afgeschermd; b. mogen niet meer dan 30 mm buiten de afscherming uitsteken, en c. mogen niet aanlopen. | |
| 6. | Geen deel van de buitenzijde van de personenauto mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | Visuele controle. |
Artikel 5.2.49a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s in gebruik genomen na 30 juni 2018 mogen niet zijn voorzien van een klimaatregelingssysteem dat gefluoreerde broeikasgassen bevat met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150. | Visuele controle. Indien uit het in de motorruimte aanwezige opschrift blijkt dat de gassen (R)12, (R)32, (R)125 of (R)134a zijn toegepast, wordt niet voldaan aan deze eis. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Het eerste lid is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op personenauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2012 en reeds voor de datum van eerste ingebruikname van een dergelijk klimaatregelingssysteem zijn voorzien. | – |
Artikel 5.2.50
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Frontbeschermingsinrichtingen van personenauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EU-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikel 112, gestelde eisen. | Visuele controle. Indien een EU-typegoedkeuringsmerk aanwezig is, blijft verdere controle achterwege. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.2.51
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikelen 115 en 117, gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met l: visuele controle. – Onderdeel m tot en met p: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| c. twee stadslichten; | ||
| d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen; | ||
| e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | ||
| f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig worden beschouwd als zijrichtingaanwijzers, indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts; | ||
| g. twee achterlichten; | ||
| h. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; | ||
| i. een achterkentekenplaatverlichting; | ||
| j. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| k. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | ||
| l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | ||
| m. twee markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | ||
| n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | ||
| o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | ||
| p. een derde remlicht indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 2001, aangebracht zodanig dat: | ||
| 1°. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en | ||
| 2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in onderdeel p. | ||
| 2. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel p, moeten twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.2.51a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de auto herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel zwaai-, flits- of knipperlicht. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op personenauto’s gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken. | |
| 3. | Personenauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de auto herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. |
Artikel 5.2.53
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De grote lichten, dimlichten, stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 9: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
| 3. | De zijrichtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 4. | De achterlichten en mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 5. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
| 6. | Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen. | |
| 7. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. | |
| 8. | De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 9. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen. |
Artikel 5.2.55
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.2.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in artikel 5.2.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in artikel 5.2.51 bedoelde retroreflectoren van het voertuig mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 8. | Indien de personenauto is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
Artikel 5.2.56
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
| 2. | Personenauto’s die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
Artikel 5.2.57
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s mogen zijn voorzien van: | Onderdelen a tot en met u: visuele controle. |
| a. twee mistvoorlichten; | ||
| b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; | ||
| c. twee extra stadslichten; | ||
| d. twee extra achterlichten; | ||
| e. twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn; | ||
| f. twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn; | ||
| g. twee staaklichten; | ||
| h. parkeerlichten; | ||
| i. één extra mistachterlicht aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| j. extra achteruitrijlichten; | ||
| k. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; | ||
| l. extra zijrichtingaanwijzers aan beide zijkanten van het voertuig; | ||
| m. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien deze retroreflectoren niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | ||
| n. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| o. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn, waarbij bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing is; | ||
| p. werklichten; | ||
| q. een derde remlicht, indien dit licht niet reeds ingevolge artikel 5.2.51 verplicht is, aangebracht overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.2.51, eerste lid, onderdeel p; | ||
| r. twee dagrijlichten; | ||
| s. twee bochtlichten; | ||
| t. twee hoeklichten; | ||
| u. één manoeuvreerlicht aan elke zijkant van het voertuig. | ||
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel 5.2.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.2.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Personenauto’s mogen zijn voorzien van extra rode retroreflecterende voorzieningen aan de achterzijde en extra retroreflecterende voorzieningen aan de zijkanten van het voertuig, welke ambergeel moeten zijn, met uitzondering van de achterste retroreflector aan de zijkant, welke rood mag zijn. | |
| 4. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel q, mogen twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.2.58
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Lid 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht. |
Artikel 5.2.59
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De mistvoorlichten en de achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 7: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen, tenzij zij zijn ingebouwd in ambergeel stralende zijrichtingaanwijzers. | |
| 3. | De extra richtingaanwijzers, extra waarschuwingsknipperlichten en extra zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan wit of ambergeel, en naar achteren niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
| 4. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen. | |
| 5. | De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 6. | Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen. | |
| 7. | De dagrijlichten, bochtlichten, hoeklichten en manoeuvreerlichten mogen niet anders dan wit stralen. |
Artikel 5.2.59a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.2.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.2.61
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bij personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.2.51 en 5.2.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de mistachterlichten, werklichten, hoeklichten en bochtlichten. | – |
Artikel 5.2.62
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het ingeschakeld zijn van de grote lichten indien de personenauto na 31 december 1997 in gebruik is genomen, de mistvoorlichten indien de personenauto na 31 december 2012 in gebruik is genomen en het mistachterlicht of de mistachterlichten, moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | Het ingeschakeld zijn van de richtingaanwijzers of de waarschuwingsknipperlichten, indien de personenauto na 31 december 1997 in gebruik is genomen, moet door middel van een optisch of akoestisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt | Visuele of auditieve controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.2.64
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Personenauto’s mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, de waarschuwingsknipperlichten en de remlichten ten behoeve van het noodstopsignaal, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
| 3. | Het tweede lid is niet van toepassing op personenauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. | – |
| 4. | In afwijking van het tweede lid, mogen de zijmarkeringslichten van personenauto’s synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig knipperen. | Visuele controle. |
Artikel 5.2.65
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.2.51, 5.2.51a, 5.2.57 en 5.2.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Personenauto’s niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.2.66
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Indien de personenauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, geschiedt de controle op de wijze, bepaald in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
Artikel 5.2.67
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien een personenauto is voorzien van een koppelingskogel, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Bij personenauto’s die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van een aanhangwagen dan bedoeld in het eerste lid, moet worden voldaan aan het bepaalde bij of krachtens artikel 5.3.68. | De wijze van keuren bij artikel 5.3.68 is van toepassing. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.2.71
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld. |
| 2. | Personenauto’s mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik, diefstal van of ongeoorloofde toegang tot het voertuig te voorkomen. | Leden 2 tot en met 5: visuele en auditieve controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | Hybride elektrische of elektrische personenauto’s mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt. | |
| 4. | Personenauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn. | |
| 5. | Met uitzondering van personenauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen personenauto’s niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid. | |
| 6. | Het eCall-boordsysteem van personenauto’s moet deugdelijk zijn geïnstalleerd en geconfigureerd en goed werken. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. Indien mogelijk door de technische kenmerken van het voertuig en indien de nodige gegevens beschikbaar zijn, wordt de controle mede uitgevoerd met behulp van een elektronische interface. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.2.73
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Een taxi waarvoor een goedkeuringsdocument is afgegeven, moet in aanvulling op de eisen opgenomen in de paragrafen 0 tot en met 12 van deze afdeling voldoen aan de in deze paragraaf opgenomen eisen. | – |
| 2. | Deze paragraaf is van overeenkomstige toepassing op ov-auto’s, hetgeen blijkt uit een vermelding in het kentekenregister. | – |
Artikel 5.2.74
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De inrichting van een taxi moet overeenstemmen met het goedkeuringsdocument, bedoeld in artikel 3.1.5, achtste lid, tenzij in deze afdeling anders is bepaald. | Visuele controle. |
Artikel 5.2.75
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien in het goedkeuringsdocument rails of andere bevestigingspunten voor de bevestiging van rolstoelen of ligplaatsen zijn aangegeven, kan het aantal stoelen of banken in de taxi minder zijn dan in het goedkeuringsdocument is vermeld. | Visuele controle. |
| 2. | Indien op de rails stoelen of banken zijn bevestigd, moet de positionering ervan zodanig zijn dat voldoende doorgang naar een deur is gewaarborgd. | Visuele controle. Van voldoende doorgang is sprake, indien een volwassen persoon de deur ongehinderd kan bereiken. |
| 3. | Aanwezige interieurdelen mogen de doorgang naar een uitgang niet belemmeren. | Visuele controle. |
Artikel 5.2.76
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien in het goedkeuringsdocument een nooduitgang in het dak of een noodhamer is aangegeven, moet ten minste één van beide aanwezig zijn. | Visuele controle. |
| 2. | De nooduitgang in het dak moet van binnen en van buiten kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de nooduitgang aan de binnenzijde moet worden geopend en gesloten. |
| 3. | De noodhamer moet zodanig zijn bevestigd dat deze kan worden gebruikt door een zich in het voertuig bevindend persoon vanuit een positie direct voor het noodraam. | Visuele controle, waarbij de noodhamer uit de inklemming wordt verwijderd en weer wordt aangebracht. |
| 4. | Met een in het goedkeuringsdocument bij een schuifdeur aangegeven tweede deurklink, moet de betreffende schuifdeur kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de schuifdeur aan de binnenzijde moet worden geopend en gesloten. |
Artikel 5.2.77
Vervallen
Artikel 5.2.78
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Op de plaats waar rolstoelen kunnen worden bevestigd moeten, met uitzondering van de plaatsen waar eventuele stoelen of banken zijn bevestigd, de bevestigingssystemen voor deze rolstoelen en de daarbij behorende gordels aanwezig zijn. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De rails of vastzetsystemen, alsmede de onderdelen ervan voor de bevestiging van rolstoelen, mogen niet zodanig zijn vervormd of beschadigd dat de sterkte en de werking ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | Vastzetsystemen moeten op de daarvoor aanwezige bevestigingspunten passend kunnen worden bevestigd. | Visuele controle, waarbij de vastzetinrichting op het betreffende bevestigingspunt moet worden aangebracht. |
| 4. | Vergrendelinrichtingen van vastzetsystemen moeten met de hand te bedienen zijn en moeten naar behoren functioneren. | Visuele controle, waarbij de vergrendelinrichting moet worden bediend. |
| 5. | Bevestigingsmiddelen niet zijnde vastzetsystemen en de daarbij behorende gordels moeten zijn voorzien van een goedwerkende sluiting en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de sterkte en werking ervan in gevaar wordt gebracht. | Visuele controle, waarbij moet worden beproefd of de sluiting van de bevestigingsmiddelen en de daarbij behorende gordels functioneren. |
Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
Artikel 5.3.0
Een bedrijfsauto moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.3.1
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bedrijfsauto moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 en 2: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 2 en 3, van toepassing. |
| 2. | De bedrijfsauto moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten. | |
| 3. | De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle. De eis aan het goedkeuringsmerk wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het midden van de bedrijfsauto staat. |
| 5. | Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke structuur zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van één of meerdere constructieplaten die goed leesbaar zijn en waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de maximummassa's die op de constructieplaten zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa's die zijn aangegeven in het kentekenregister. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 7. | Als bij een bedrijfsauto met een verlengde cabine die in gebruik is genomen na 31 oktober 2019 de maximaal toegestane lengte wordt overschreden, dient dit te blijken uit de vermelding van het symbool ‘96/53/EC ARTICLE 9A COMPLIANT’ onder of naast de verplichte opschriften op de voorgeschreven constructieplaat. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.3.3
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bedrijfsauto’s mogen: | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen; | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing |
Artikel 5.3.4
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bovenbouw van bedrijfsauto’s moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. |
§ 13. Aanvullende eisen taxi’s
Artikel 5.3.6
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. In geval van twijfel wordt de bedrijfsauto gemeten, waarbij de in het eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, bedoelde maten niet meer dan 1% mogen afwijken. Artikel 5.1a.1 is van toepassing. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, mogen: | |
| a. rijdende werktuigen niet langer zijn dan 20,00 m; | ||
| b. kermis- en circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m; en | ||
| c. bedrijfsauto’s met een verlengde cabine langer zijn dan 12,00 m, maar niet langer dan het voor de lengte vermelde gegeven op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister. | ||
| 3. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, mogen: | |
| a. geconditioneerde voertuigen niet breder zijn dan 2,60 m; | ||
| b. bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg, en in gebruik genomen voor 1 februari 1999, niet breder zijn dan 2,60 m; | ||
| c. rijdende werktuigen niet breder zijn dan 3,00 m; en | ||
| d. bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h niet breder zijn dan 3,00 m indien de breedtevermeerdering het gevolg is van de montage van bredere banden of dubbellucht banden en de daarvoor noodzakelijk aangebrachte wielafscherming en markering. Uitrusting breder dan 2,55 m vallende binnen het breedste punt van de banden wordt niet in aanmerking genomen, indien deze te demonteren is en niet leidt tot extra laadruimte. | ||
| 4. | In de afmetingen, bedoeld in het eerste en het derde lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen. | – |
Artikel 5.3.7
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De last onder de assen van bedrijfsauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten. | Leden 1 en 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De totale massa of de som van de aslasten van bedrijfsauto’s mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde toegestane maximummassa. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.3.9
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van bedrijfsauto’s moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| – Indien de motor is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle op lekkage, indien mogelijk, uitgevoerd op alle brandstofsystemen. | ||
| – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. | ||
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
Artikel 5.3.10
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | Leden 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of laadruimte. | – |
| 6. | Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | Visuele controle. |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 7 en 8: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. |
Artikel 5.3.10a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van koel-of verwarmingsinstallaties ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte of een koelinstallatie ten behoeve van het koelen van de laadruimte. | Leden 6 tot en met 10: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 7. | De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 8. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 9. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 10. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. |
Artikel 5.3.11
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle, terwijl de bedrijfsauto zich met draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bedrijfsauto’s mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 4. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een bedrijfsauto met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een bedrijfsauto met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 5. | De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volume percentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 6. | Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1994 die zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | De uitlaatgassen van bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 8. | Bedrijfsauto's met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die zijn voorzien van een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
| 9. | Bij bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking waarvan: – de in het kentekenregister vermelde deeltjesmassa type 1 kleiner is dan of gelijk is aan 0,005 g/km respectievelijk 5 mg/km, of – de in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde milieuclassificatie gelijk is aan of groter is dan Euro 6 of Euro VI, of – in het kentekenregister is vastgelegd dat een roetfilter is vastgesteld, moet het roetfilter aanwezig en niet duidelijk defect zijn. | Visuele controle. |
| 10. | Als bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, de EOBD-procedure succesvol wordt doorlopen en geen emissiegerelateerde fouten worden geconstateerd, geldt dit als alternatief voor de eisen als bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45c van bijlage VIII van toepassing. | – |
| 11. | Bij bedrijfsauto’s met roetfilter zoals bedoeld in het negende lid, dient het roetfilter goed te werken. Hierbij is het bepaalde in de Bijlage VIII, artikelen 45e tot en met 45g, van toepassing. | – |
| 12. | De verplichtingen, bedoeld in het zevende en tiende lid, gelden niet voor bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking en roetfilter als bedoeld in het negende lid. | – |
Artikel 5.3.12
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van bedrijfsauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van bedrijfsauto’s moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
Artikel 5.3.13
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De motorsteunen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
§ 13. Aanvullende eisen taxi’s
Artikel 5.3.15
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. | Visuele controle. De werking en afleesbaarheid wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De volgende categorieën motorvoertuigen moeten zijn voorzien van een snelheidsbegrenzer: | Visuele controle aan de hand van het installatieplaatje. |
| a. bedrijfsauto’s met een dieselmotor, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg, die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen; | ||
| b. bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, doch niet meer dan 12.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen, en | ||
| c. bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 12.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen. | ||
| 3. | De snelheidsbegrenzer moet zijn afgesteld opeen zodanige snelheid, dat de maximumsnelheid van bedrijfsauto’s, niet meer dan 90 km/h kan bedragen. De ingestelde snelheid is onuitwisbaar vermeld op een installatieplaatje dat op een duidelijk zichtbare plaats in de stuurcabine van het voertuig is aangebracht. | Visuele controle of het installatieplaatje de juiste snelheid aangeeft. Tevens wordt, waar toepasbaar, met een diagnosesysteem vastgesteld of de ingestelde snelheid juist is. |
| 4. | De snelheidsbegrenzer en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen moeten met behulp van een verzegeling of door de noodzaak om speciale gereedschappen te gebruiken zijn beschermd tegen niet-toegestane bijstelling of onderbreking van de stroomvoorziening. | Visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen. |
| 5. | Het tweede lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s: a. in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten; b. die blijkens een voor het betrokken voertuig opgenomen aantekening in het kentekenregister niet van een snelheidsbegrenzer behoeven te zijn voorzien; c. met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h indien is voldaan aan artikel 5.3.8. | Visuele controle. – Onderdeel a: of een bedrijfsauto wordt gebruikt door een in artikel 29, eerste lid, of artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde dienst, wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | Indien een bedrijfsauto moet zijn voorzien van een controleapparaat: a. moet de bedrijfsauto zijn voorzien van een installatieplaatje en mag de op het installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal 24 maanden vanaf de installatiedatum bedraagt; b. moet het onder a bedoelde installatieplaatje zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd; | – Onderdeel a: de aanwezigheid van en de geldigheidsduur op het installatieplaatje van de tachograaf wordt visueel gecontroleerd. – Onderdeel b: visuele controle van de verzegeling van het installatieplaatje van de tachograaf. – Onderdeel c: bij twijfel meting van de bandenomtrek. – Onderdeel d: visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen van de tachograaf. – De wijze van gebruik van het voertuig en de onderdelen a tot en met d worden niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, indien er geen installatieplaatje in of op het voertuig aanwezig is. |
| c. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het onder a bedoelde installatieplaatje is vermeld, en | ||
| d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening. |
Artikel 5.3.16
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De aandrijving van bedrijfsauto’s en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.3.18
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. Bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. |
Artikel 5.3.19
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
Artikel 5.3.20
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers van bedrijfsauto’s mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zo nodig een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.3.21
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielbasis van bedrijfsauto’s mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van artikel 5.3.1 getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis links en rechts gemeten niet meer dan: a.15 mm verschillen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, en b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.3.22
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De afstanden tussen de fuseedraaipunten en twee punten aan het chassis dan wel aan de carrosserie, die symmetrisch links en rechts ten opzichte van de langsas van het voertuig zijn gelegen, mogen recht en kruiselings gemeten onderling niet meer dan: | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. | |
| a. 15 mm verschillen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, en | ||
| b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg. |
Artikel 5.3.23
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De spoorbreedte van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg mag niet meer dan 2,0% groter zijn dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.3.24
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van bedrijfsauto’s mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt en het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.3.25
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De wielnaven van bedrijfsauto’s moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.3.26
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De waarschuwingsinrichting van het stabiliteitscontrolesysteem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
§ 3. Motor en brandstofsystemen
Artikel 5.3.27
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen van bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Leden 2 en 3: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van bedrijfsauto’s moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van bedrijfsauto’s mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van de eerste volzin is naprofileren toegestaan, indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘regroovable’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede en derde lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de bedrijfsauto. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De op de band van een bedrijfsauto, in gebruik genomen na 31 december 1997, vermelde loadindex, mag niet kleiner zijn dan de loadindex behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 50, van toepassing. | |
| 8. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 9. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve wanneer een nood- of reservewiel wordt gebruikt. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan. |
| 10. | Bij bedrijfsauto’s met een maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moeten de banden een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven, moet hiermee rekening gehouden worden. – Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt, moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden. |
| – Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is, moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden. | ||
| – Indien geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn, wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden. | ||
| – De banden op één as moeten een gelijke bandenspanning hebben met een maximaal verschil van 0,3 bar. | ||
| – Bij het constateren van een te lage bandenspanning moet deze op de juiste bandenspanning worden gebracht. | ||
| 11. | De waarschuwingsinrichting van het controlesysteem voor de bandenspanning van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.3.28
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zo nodig een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bedrijfsauto’s die zijn voorzien van gasvering en bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk verscheidene keren ingeveerd en zo nodig aan een rijproef onderworpen. |
| 4. | Schokdempers van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk zijn bevestigd. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.3.29
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bestuurde wielen van bedrijfsauto’s moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en 30° bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de bedrijfsauto op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Leden 5 en 6: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 51, van toepassing | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; | ||
| b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. | ||
| – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. | ||
| 8. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 9. | De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiging mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | De wijze van keuren bij het vierde lid is van toepassing. |
| 11. | De onderdelen van de stuurbekrachtiging mogen geen ernstige lekkage vertonen. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt bij stationair draaiende motor in de uiterste stand gedraaid en gehouden. |
| 12. | De waarschuwingsinrichting van de elektronische stuurbekrachtiging van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
§ 0. Algemeen
Artikel 5.3.31
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| – Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. | ||
| 3. | De compressor en de drukregelaar moeten goed functioneren en tijdig in werking treden. | Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen. |
| 4. | Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt. |
| 5. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 55 en 56, van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 7. | Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 8. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
| 9. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt het wiel rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 10. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 11. | Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit mogelijk is zonder demontage. |
| 12. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van automatische remstelinrichtingen. Deze verplichting geldt niet voor bedrijfsauto’s die een aantekening in het kentekenregister G hebben. | Visuele controle. |
| 13. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: | De wijze van keuren bij het zevende lid is van toepassing. |
| a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | ||
| b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | ||
| c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en | ||
| d. mogen geen lekkage vertonen. | ||
| 14. | De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Leden 14 en 15: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
| 15. | De waarschuwingsinrichting van het elektronisch remsysteem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. |
Artikel 5.3.32
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
| 2. | De vulopening van de reservoirs, bedoeld in het eerste lid, moet zijn afgesloten met een passende dop. | Visuele controle. |
Artikel 5.3.33
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Bedrijfsauto’s met een drukluchtremsysteem, die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de energievoorraad in een van de bedrijfsremkringen onder de vereiste minimumdruk is gedaald. | Visuele of auditieve controle door om de beurt de bedrijfsremkringen leeg te laten lopen en weer te vullen. |
Artikel 5.3.34
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Bedrijfsauto’s met een veerrem, die in gebruik zijn genomen na 30 september 1975, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de veerrem in werking is gesteld. | Visuele of auditieve controle, terwijl de veerrem in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.3.35
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s met een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moeten zijn voorzien van: a. drukmeetpunten waarmee de drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcilinders op iedere as, kunnen worden gemeten; b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten, en | – Onderdelen a en b: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel c: visuele controle met behulp van manometers of de dashboardmeter(s), waarbij de bedrijfsremkringen beurtelings worden ontlucht. De resterende druk in de niet ontluchte kringen moet van een redelijk niveau zijn. |
| c. een goed functionerend meerkringsbeveiligingsventiel indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 1975. | ||
| 2. | Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed functioneren. | Visuele controle met behulp van manometers, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. Indien mogelijk wordt de controle ook uitgevoerd wanneer de drukluchtremkrachtregelaar de volle druk doorstuurt. Controle op het goed functioneren kan achterwege blijven, indien een controle is uitgevoerd volgens het derde lid. |
| 3. | Bedrijfsauto’s met drukluchtremkrachtregelaars, in gebruik genomen na 30 september 1981, moeten zijn voorzien van een plaat waarop duidelijk leesbaar de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars is vermeld. De vermelde drukluchtremkrachtregelaars moeten aanwezig zijn en moeten globaal zijn afgesteld zoals voor de beladingstoestand van het voertuig is vermeld op de plaat. | – Visuele controle op de aanwezigheid, waarbij het merk en type van de drukluchtremkrachtregelaar mag afwijken. – Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast of veerbalgdruk kan worden vastgesteld, vindt de controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld waarbij de afstelling ten hoogste 0,5 bar mag afwijken van de gegevens op de plaat. |
| De volgende twee afstellingen moeten ten minste worden gecontroleerd: | ||
| a. de stand waarin de regelaar zich bevindt behorende bij de vastgestelde aslast, en | ||
| b. wanneer de regelaar de volle druk doorstuurt, voor zover dit mogelijk is zonder demontage. | ||
| – Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast of veerbalgdruk niet kan worden vastgesteld, vindt een globale controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld. | ||
| Bij een niet maximaal belaste as wordt de werking van de regelaar gecontroleerd door: | ||
| a. de druk te meten die de regelaar doorstuurt in de stand waarin deze zich dan bevindt; | ||
| b. de afstelling te meten van de stand waarin de regelaar de volle druk doorstuurt, voor zover dit mogelijk is zonder demontage. | ||
| De onder punt b gemeten druk moet hoger zijn dan de druk vastgesteld onder punt a. Indien de betreffende as nagenoeg maximaal is belast, mag de onder punt b gemeten druk gelijk zijn aan de vastgestelde druk onder a. | ||
| 4. | De ontwateringsventielen van reservoirs moeten goed functioneren. | Visuele controle, waarbij het ontwateringsventiel, indien mogelijk, moet worden bediend. |
Artikel 5.3.36
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De slag van drukluchtremcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
| 2. | De slag van drukluchtremcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan twee derde deel van de maximumslag van de betrokken remcilinder. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.3.37
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s met een tweeleidingremsysteem ten behoeve van aanhangwagens moeten aan de aansluitkop van de voorraadleiding een druk bezitten met een grenswaarde van 6,5 tot 8,5 bar, en aan de aansluitkop van de commandoleiding, bij een maximale voorraaddruk, een druk met een grenswaarde van 6,0 tot 8,5 bar. | Visuele controle met behulp van een manometer, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
| 2. | Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1997, mogen niet zijn voorzien van een éénleidingremsysteem ten behoeve van een aanhangwagen. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bij bedrijfsauto’s met een éénleidingremsysteem ten behoeve van aanhangwagens moet aan de aansluitkop de voorraaddruk van het remsysteem aanwezig zijn. Deze druk moet ten minste 5 doch niet meer dan 6 bar bedragen. | Visuele controle met behulp van een manometer. |
| 4. | Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1997, mogen niet zijn voorzien van een afzonderlijke inrichting voor de bediening van de remmen van de aanhangwagen. | Leden 4 en 5: visuele controle. |
| 5. | Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1997, moeten de voorraad- en commandoleiding zijn voorzien van goedwerkende automatische afsluiters. |
Artikel 5.3.38
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2 van toepassing. | Leden 1 tot en met 5: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h in gebruik genomen na 31 december 1997 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | |
| 3. | Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 1998, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | |
| 4. | Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van bedrijfsauto’s is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | |
| 5. | Indien de remkrachten van de bedrijfsauto groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het eerste en tweede lid. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | |
| 6. | Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,5 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | Indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer de maximumconstructiesnelheid bedragen. |
| 7. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 8. | Bedrijfsauto’s mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste tot en met vijfde lid is van toepassing. |
Artikel 5.3.39
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen van één niet hefbare as werkt. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 2. | De remvertraging van de parkeerrem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,6 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren. | Leden 2 en 3: in geval van een elektrisch bediende parkeerrem, waarbij de remvertraging niet bepaald kan worden op een remtestinrichting, wordt hieraan geacht te zijn voldaan, indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 2018, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,2 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren. | |
| 4. | De remvertraging van de parkeerrem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.3.41
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De deuren en de laadbakkleppen van bedrijfsauto’s moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| 3. | Aerodynamische voorzieningen en uitrusting die intrekbaar of inklapbaar zijn, moeten zowel in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand kunnen worden vergrendeld. | Visuele controle, waarbij in beide situaties de vergrendeling wordt bediend. |
| 4. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
Artikel 5.3.42
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bedrijfsauto’s mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 100, van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bedrijfsauto’s mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Indien de bedrijfsauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Visuele controle. |
| 5. | Indien de bedrijfsauto niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | Geen enkel deel van de aerodynamische voorziening of uitrusting mag, wanneer gemonteerd op een voertuig en zowel in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand, boven de onderrand van de voorruit uitkomen, tenzij deze voor de bestuurder niet direct zichtbaar is als gevolg van het instrumentenpaneel of andere standaardbinneninrichting. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.3.43
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. | Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege. |
| 2. | Bedrijfsauto’s met een voorruit, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. | Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.3.44
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Bedrijfsauto’s met een voorruit, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. | Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.3.45
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een rechterbuitenspiegel. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, mogen bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg zijn voorzien van een binnenspiegel in plaats van een rechterbuitenspiegel, mits met de binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte voldoende kan worden overzien. | |
| 3. | De volgende bedrijfsauto’s moeten aan de rechterzijde zijn voorzien van een trottoirspiegel: | |
| a. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg, in gebruik genomen voor 1 januari 2000; | ||
| b. rijdende werktuigen, en | ||
| c. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1999. | ||
| 4. | De verplichting, bedoeld in het derde lid, geldt niet indien het onmogelijk is om een trottoirspiegel zodanig te monteren dat: a. geen punt van de spiegel zich op een hoogte van minder dan 2,20 m boven het wegdek bevindt, of b. de spiegel volledig zichtbaar is vanaf de bestuurdersplaats. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 5. | De volgende bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van een breedtespiegel aan de rechterzijde: | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| a. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg, en | ||
| b. voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1999. | ||
| 6. | De verplichting, bedoeld in het vijfde lid, geldt niet, indien: a. het voertuig is voorzien van een gezichtsveldverbeterende voorziening die de bestuurder een beter zicht verschaft op de weggebruikers die zich rechts van het voertuig bevinden, of b. een trottoirspiegel niet verplicht is. | |
| 7. | Voor het vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met frontstuur, met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg en in gebruik genomen na 25 januari 2008, moeten zijn voorzien van: | |
| a. een vooruitkijkspiegel dan wel een goed werkend camera-monitorsysteem, en | ||
| b. een breedtespiegel aan de linkerzijde. | ||
| 8. | In afwijking van het zevende lid, onderdeel a, is een vooruitkijkspiegel of een camera-monitorsysteem niet verplicht, indien vanaf de linkerzijde een recht lijnstuk kan worden overzien, gelegen op een hoogte van 1,20 m boven het wegdek en 0,30 m voor het voertuig. | Leden 8 en 9: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 9. | De verplichting, bedoeld in het zevende lid, onderdeel a, geldt niet indien het onmogelijk is om een vooruitkijkspiegel of een camera-monitorsysteem zodanig te monteren dat geen punt van de spiegel of het camera-monitorsysteem zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt. | |
| 10. | In afwijking van het derde lid, is een trottoirspiegel niet verplicht, indien de bedrijfsauto is voorzien van een vooruitkijkspiegel of een camera-monitorsysteem en een breedtespiegel, mits de bestuurder met deze combinatie van spiegels het grondoppervlak gelegen aan de rechterzijde direct naast de cabine kan zien. | Leden 10 tot en met 15: visuele controle. |
| 11. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, niet zijnde kampeerwagens, die in gebruik zijn genomen na 31 december 1977, moeten zijn voorzien van een gezichtsveldverbeterende voorziening die de bestuurder een beter zicht verschaft op de weggebruikers die zich rechts van het voertuig bevinden. | |
| 12. | Het elfde lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s: | |
| a. met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg die in gebruik zijn genomen na 25 januari 2008, en | ||
| b. die in gebruik zijn genomen vóór 26 januari 2008 en voldoen aan het derde, vijfde, en zevende lid, aanhef en onderdeel a. | ||
| 13. | De spiegels en camera-monitorsystemen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 14. | Het spiegelglas van de spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. | |
| 15. | Indien in een bedrijfsauto het stuur aan de rechterzijde is geplaatst, moeten alle verplicht aanwezige voorzieningen voor indirect zicht in spiegelbeeld geplaatst zijn ten opzichte van de situatie waarbij het stuur links is geplaatst. Een linkerbuitenspiegel dient altijd aanwezig te zijn. | |
| 16. | In afwijking van het eerste, tweede, derde, vijfde, zevende en elfde lid mogen verplichte spiegels zijn vervangen door goedwerkende camera-monitorsystemen. Indien spiegels vervangen zijn door camera-monitorsystemen, dan moeten deze systemen deugdelijk bevestigd zijn. | Visuele controle |
Artikel 5.3.46
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 21 januari 2014, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. | Visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op: a. bedrijfsauto’s in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten; b. zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande bedrijfsauto; en c. bedrijfsauto’s met een in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h. | – |
| 3. | De zitplaatsen en rugleuningen van bedrijfsauto’s moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 4. | Bij zitplaatsen waarvan de rugleuning toegang geeft tot een daarachter gelegen zitplaats moet de ontgrendeling van de rugleuning goed werken. | Visuele controle |
Artikel 5.3.47
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s, die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor: a. de zitplaats van de bestuurder en de ernaast gelegen naar voren gerichte zitplaatsen, en b. de overige naar voren gerichte zitplaatsen. | Visuele controle. Indien in het middelste gedeelte van een bank geen gordel aanwezig is, wordt dit gedeelte niet aangemerkt als zitplaats. In geval van een kampeerwagen is de controle beperkt tot de voorste zitplaatsen en tot de overige zitplaatsen voor zover deze zijn voorzien van gordels. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op klapstoelen, zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande bedrijfsauto en bedrijfsauto’s met een in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 3. | Het eerste lid is niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande bedrijfsauto. | Visuele controle. |
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 5. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, moet bij een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd. |
| 6. | De waarschuwingsinrichting van het gordelspansysteem en gordelkrachtbegrenzingssysteem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Leden 5 en 6: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. Indien het een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
| 7. | De waarschuwingsinrichting van het airbagsysteem van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. |
Artikel 5.3.47a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Bedrijfsauto’s die na 1 september 2008 in gebruik zijn genomen en zijn ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel, moeten voldoen aan de in artikel 5.2.78 gestelde eisen. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.3.48
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van bedrijfsauto’s die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | In aanvulling op het bepaalde in het eerste en tweede lid, mogen bedrijfsauto’s aan de voorzijde niet zijn voorzien van voorzieningen die in geval van botsing de kans op lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Het bepaalde in het eerste tot en met derde lid is niet van toepassing op voertuigdelen en voorzieningen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 5. | De wielen onderscheidenlijk banden van bedrijfsauto’s: a. met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1974: 1°. moeten zijn afgeschermd, en 2°. mogen niet aanlopen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 102 tot en met 106c, van toepassing. b. met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen vóór 1 januari 1975: 1°. moeten goed zijn afgeschermd, en 2°. mogen niet aanlopen. c. met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg: 1°. moeten goed zijn afgeschermd; 2°. mogen niet meer dan 30 mm buiten de afscherming uitsteken, en 3°. mogen niet aanlopen. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 107 tot en met 111, van toepassing. De eerste volzin is niet van toepassing op opleggertrekkers. | |
| 7. | Geen deel van de buitenzijde van de bedrijfsauto mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
Artikel 5.3.49
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een deugdelijke stootbalk, indien de afstand van de onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen van het koetswerk op een afstand van meer dan 1,00 m achter het hart van de achterste as, meer bedraagt dan 0,70 m dan wel meer bedraagt dan 0,55 m, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op vuilniswagens met een laadmogelijkheid aan de achterzijde, opleggertrekkers en asfaltwagens. | – |
| 3. | De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1998, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor bedrijfsauto’s, in gebruik genomen na 31 december 1997, niet meer bedragen dan 0,55 m. | Leden 3 tot en met 6: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Indien de bedrijfsauto in gebruik is genomen na 31 december 2004, mag de stootbalk niet meer dan 0,45 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. In afwijking van de eerste volzin, mag de stootbalk bij bedrijfsauto’s ingericht als betonmolen, betonmixer of betonpomp niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. | |
| 5. | Indien de bedrijfsauto in gebruik is genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2005, mag de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. | |
| 6. | De stootbalk mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan: | |
| a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel | ||
| b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten. | ||
| In afwijking van het bepaalde in de aanhef, mag de stootbalk bij bedrijfsauto’s bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken aan weerszijden niet meer dan 0,20 m smaller zijn. | ||
| 7. | De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. | Leden 7 tot en met 9: visuele controle. |
| 8. | De uiteinden van de stootbalk mogen niet naar achteren zijn omgebogen. | |
| 9. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg, in gebruik genomen na 9 augustus 2004, moeten zijn voorzien van een deugdelijke beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden. Deze verplichting geldt niet voor bedrijfsauto’s die een aantekening in het kentekenregister 'G' hebben. | |
| 10. | De afstand van de onderzijde van de beschermingsinrichting tot het wegdek mag tussen de punten die meer dan 0,20 m van de zijkanten van de voorste as van het voertuig zijn gelegen, met inbegrip van de wielen, niet meer dan 0,45 m bedragen, waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten. | Leden 10 en 11: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 11. | De afstand van de voorzijde van het voertuig tot de voorzijde van de beschermingsinrichting mag niet meer dan 0,40 m bedragen, waarbij voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden buiten beschouwing worden gelaten. | |
| 12. | De bescherminrichting mag: a. niet breder zijn dan de breedte van het voertuig met inbegrip van de spatborden van de voorste as; | Leden 12 en 13: visuele controle. |
| b. aan weerszijden niet meer dan 0,10 m smaller zijn dan de voorste as met inbegrip van de wielen, waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten, of | ||
| c. aan weerszijden niet meer dan 0,20 m smaller zijn dan het voertuig gemeten over de uiterste punten van de instaptrede naar de bestuurderscabine. | ||
| 13. | De beschermingsinrichting aan de voorzijde en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. |
Artikel 5.3.49a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 30 juni 2018 en met een massa in rijklare toestand van niet meer dan 1.280 kg mogen niet zijn voorzien van een klimaatregelingssysteem dat gefluoreerde broeikasgassen bevat met een aardopwarmingsvermogen van meer dan 150. | Visuele controle. Indien uit het in de motorruimte aanwezige opschrift blijkt dat de gassen (R)12, (R)32, (R)125 of (R)134a zijn toegepast, wordt niet voldaan aan deze eis. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Het eerste lid is tot 1 januari 2018 niet van toepassing op bedrijfsauto’s die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2012 en reeds voor de datum van eerste ingebruikname van een dergelijk klimaatregelingssysteem zijn voorzien. | – |
Artikel 5.3.50
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Frontbeschermingsinrichtingen van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, die na 31 december 2008 in gebruik zijn genomen, moeten zijn goedgekeurd voor het voertuig waarop zij zijn aangebracht en moeten zijn voorzien van een EU-typegoedkeuringsmerk dat voldoet aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikel 112, gestelde eisen. | Visuele controle. Indien een EU-typegoedkeuringsmerk aanwezig is, blijft verdere controle achterwege. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.3.51
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikelen 115 en 117, gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen g tot en met k: visuele controle. – Onderdelen l tot en met r: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| c. twee stadslichten; | ||
| d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van bedrijfsauto`s in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen; | ||
| e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | ||
| f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m dan wel na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig worden beschouwd als zijrichtingaanwijzers, indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts; | ||
| g. twee achterlichten; | ||
| h. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; | ||
| i. een achterkentekenplaatverlichting; | ||
| j. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| k. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | ||
| l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en twee achteruitrijlichten indien het voertuig langer is dan 6,00 m en na 31 december 2012 in gebruik is genomen; | ||
| m. twee markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | ||
| n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing. Deze lichten zijn niet verplicht voor chassiscabines; | ||
| o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | ||
| p. een derde remlicht indien de toegestane maximummassa van het voertuig niet meer bedraagt dan 3.500 kg en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2012, aangebracht zodanig dat: het derde remlicht is niet verplicht voor chassiscabines, opleggertrekkers en voertuigen met een open laadruimte; | ||
| q. lijnmarkering aan de achterzijde indien het voertuig breder is dan 2,10 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 7.500 kg; hierbij is bijlage VIII, artikel 153, van toepassing; | ||
| r. lijnmarkering aan de zijkant indien het voertuig langer is dan 6,00 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 7.500 kg; hierbij is bijlage VIII, artikel 153, van toepassing. | ||
| 2. | Onverminderd het eerste lid, voldoen begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, aan de krachtens artikel 71 van de wet gestelde eisen. | Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel p, moeten twee extra remlichten worden aangebracht indien het derde remlicht niet op een vast deel van de carrosserie of bovenbouw binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. | Leden 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | Het eerste lid, onderdelen q en r, is niet van toepassing op opleggertrekkers. |
Artikel 5.3.51a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de auto herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel zwaai-, flits- of knipperlicht. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken. | |
| 3. | Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de auto herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. |
Artikel 5.3.53
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De grote lichten, dimlichten, stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 8: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten alsmede de zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. Zijrichtingaanwijzers mogen naar de zijkant niet anders dan ambergeel uitstralen. | |
| 3. | De achterlichten en mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
| 5. | Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen. | |
| 6. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. | |
| 7. | De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 8. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen. | |
| 9. | De lijn- of contourmarkering aan de zijkant is wit of geel. De lijn- of contourmarkering aan de achterzijde is rood, wit of geel. | Visuele controle. |
Artikel 5.3.55
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.3.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in artikel 5.3.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in artikel 5.3.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 8. | Indien de bedrijfsauto is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
Artikel 5.3.56
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
| 2. | Bedrijfsauto’s die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
Artikel 5.3.57
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van: a. twee mistvoorlichten; b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; | – Onderdelen a tot en met r: visuele controle. – Onderdeel s: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen t tot en met aa: visuele controle. |
| c. twee extra stadslichten; | ||
| d. twee extra achterlichten; | ||
| e. twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn; | ||
| f. twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn; | ||
| g. twee staaklichten; | ||
| h. één extra mistachterlicht; | ||
| i. extra achteruitrijlichten; | ||
| j. parkeerlichten; | ||
| k. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; | ||
| l. extra zijrichtingaanwijzers aan beide zijkanten van het voertuig; | ||
| m. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; | ||
| n. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | ||
| o. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn, waarbij bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing is; | ||
| q. werklichten; | ||
| r. een derde remlicht, indien dit niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht is, aangebracht overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.3.51, eerste lid, onderdeel p; | ||
| s. in afwijking van onderdeel r, mogen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd; | ||
| t. in afwijking van onderdeel r, mogen bij bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht; | ||
| u. twee dagrijlichten; | ||
| v. twee bochtlichten; | ||
| w. twee hoeklichten; | ||
| x. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg; | ||
| y. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering, aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig, voor zover deze niet reeds ingevolge artikel 5.3.51 verplicht is; hierbij is bijlage VIII, artikel 153, van toepassing; | ||
| z. één manoeuvreerlicht aan elke zijkant van het voertuig; | ||
| aa. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien de maximumconstructiesnelheid ten hoogste 25 km/h bedraagt. | ||
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel 5.3.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.3.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 4. | De extra achteruitrijlichten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, mogen aan de zijkant van het voertuig zijn gemonteerd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.3.58
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. | |
| 3. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht. |
Artikel 5.3.59
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De mistvoorlichten en de achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 7: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen, dan wel indien zij zijn ingebouwd in de zijrichtingaanwijzers, niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 3. | De extra richtingaanwijzers, extra waarschuwingsknipperlichten en extra zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan wit of ambergeel, en naar achteren niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
| 4. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen. | |
| 5. | De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 6. | De dagrijlichten, bochtlichten, hoeklichten en manoeuvreerlichten mogen niet anders dan wit stralen. | |
| 7. | Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen. | |
| 8. | De markering aan de achterzijde moet bestaan uit één rechthoekig bord, dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van rood fluorescerende en geel retroreflecterende parallel lopende diagonale strepen. | Visuele controle. |
| 9. | De lijn- of contourmarkering aan de zijkant is wit of geel. De lijn- of contourmarkering aan de achterzijde is rood, wit of geel. | Visuele controle. |
Artikel 5.3.59a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.3.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.3.61
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bij bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.3.51 en 5.3.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de markering aan de achterzijde van het voertuig, de rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek, de mistachterlichten, werklichten, hoeklichten en bochtlichten. | – |
Artikel 5.3.62
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het ingeschakeld zijn van de grote lichten indien de bedrijfsauto na 31 december 1997 in gebruik is genomen, de mistvoorlichten indien de bedrijfsauto na 31 december 2012 in gebruik is genomen, en het mistachterlicht of de mistachterlichten, moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | Het ingeschakeld zijn van de richtingaanwijzers of de waarschuwingsknipperlichten, indien de bedrijfsauto na 31 december 1997 in gebruik is genomen, moet door middel van een optisch of akoestisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt | Visuele of auditieve controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.3.64
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Bedrijfsauto’s mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, de waarschuwingsknipperlichten en de remlichten ten behoeve van het noodstopsignaal, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
| 3. | Het tweede lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. | – |
| 4. | In afwijking van het tweede lid, mogen de zijmarkeringslichten van bedrijfsauto’s synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig knipperen. | Visuele controle. |
Artikel 5.3.65
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.3.51, 5.3.51a, 5.3.57 en 5.3.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Bedrijfsauto’s niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
§ 5. Assen
Artikel 5.3.66
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.68, tweede lid, onderdeel h. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De achtertraverse, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. |
Artikel 5.3.67
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Indien de bedrijfsauto is voorzien van een koppelingskogel, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
Artikel 5.3.68
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een vangmuilkoppeling met een nominale pendiameter van: | Het contactgedeelte van de pen met het trekoog wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| a. 40 mm, moet de pendiameter ten minste 36,5 mm bedragen; | ||
| b. 50 mm, moet de pendiameter ten minste 46 mm bedragen; | ||
| c. 57,5 mm, moet de pendiameter ten minste 55 mm bedragen. | ||
| 2. | De in het eerste lid bedoelde koppelingen moeten voldoen aan de volgende eisen: a. de opwaartse speling van de pen mag niet meer dan 5 mm bedragen; b. de radiale speling in de onderste bus mag niet meer dan 2 mm bedragen; c. de onderste lagerbus mag niet loszitten en de bevestiging ervan mag niet zijn uitgeslagen; d. de sluit- en borginrichting moet goed functioneren; e. de radiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk mag niet meer dan 2 mm bedragen; f. axiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk is niet toegestaan; g. de bevestigingsmoer van de trekstang moet deugdelijk vastzitten en moet goed geborgd zijn, en h. het gedeelte van de vangmuil dat als geleiding voor het trekoog tijdens het aankoppelen is bedoeld, mag tekenen van vervorming, van scheuren of van uitgebroken delen vertonen, mits daardoor de sterkte of het functioneren van de koppeling met inbegrip van de sluit- en borginrichting niet wordt aangetast. Herstel daarvan door middel van lassen is toegestaan. | – Onderdeel a: de pen wordt omhoog bewogen met behulp van bijvoorbeeld een schroevendraaier, waarbij de koppeling gesloten moet zijn en de handborg of controlestift voor zover mogelijk buiten werking moet zijn gesteld, teneinde de speling in het sluitingsmechanisme en de bovenste lagerbus van de pen bij de beoordeling te betrekken. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. – Onderdeel b: in geval van twijfel meten met bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. – Onderdeel c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de koppeling wordt geopend en gesloten. – Onderdeel e: de trekstang wordt op- en neerwaarts en van links naar rechts bewogen. In geval van twijfel wordt gemeten met bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. – Onderdeel f: de trekstang wordt axiaal bewogen. – Onderdeel g: visuele controle. Een eventuele stofkap wordt verwijderd. – Onderdeel h: visuele controle. |
Artikel 5.3.69
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een schotelkoppeling van 2 of 3,5 inch, mag: a. de onvlakheid van de schotel niet meer dan 3,5 mm bedragen, en | In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen over het hart van de schotel gemeten. |
| b. de onvlakheid van de schotel, in afwijking van het bepaalde onder a, voor wat betreft de uiterste linker en rechterzijde over een breedte van 50 mm, gemeten vanaf de buitenzijde van de schotel, niet meer dan 5 mm bedragen. | ||
| Dit lid is niet van toepassing op kunststofdelen op de schotelkoppeling die bedoeld zijn als slijtvlak. | ||
| 2. | Een schotelkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | De speling in de sluitinrichting van een schotelkoppeling van 2 inch mag, uitgaande van een niet gesleten 2 inch pen, in de lengterichting van het voertuig niet meer dan 2 mm bedragen. | Controleren met behulp van: a. een standaard pen van 2 inch, die voldoet aan de nieuwmaat toleranties en voorzien is van een vlakke plaat waarbij het uitstekende deel van de pen een hoogte heeft van ten minste 82,5 en ten hoogste 82,7 mm, dan wel |
| b. een oplegger met een pen van 2 inch daarbij rekening houdend met een eventuele gemeten slijtage van de pen. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. | ||
| 4. | De sluit- en borginrichting moet goed functioneren. | Visuele controle, terwijl de sluit- en borginrichting wordt geopend en gesloten. |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.3.71
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld. |
| 2. | Bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. | Leden 2 tot en met 5: visuele en auditieve controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | Hybride elektrische of elektrische bedrijfsauto’s mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt. | |
| 4. | Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn. | |
| 5. | Met uitzondering van bedrijfsauto’s in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen bedrijfsauto’s niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid. | |
| 6. | Het eCall-boordsysteem van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moet deugdelijk zijn geïnstalleerd en geconfigureerd en goed werken. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. Indien mogelijk door de technische kenmerken van het voertuig en indien de nodige gegevens beschikbaar zijn, wordt de controle mede uitgevoerd met behulp van een elektronische interface. |
Afdeling 3a. Bussen
Artikel 5.3a.0
Een bus moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.3a.1
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bus moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 2 en 3, van toepassing. |
| 2. | De bus moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaten. | |
| 3. | De kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk aan de voor- en achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | |
| 4. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaten mogen niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het midden van de bus staat. |
| 5. | Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke structuur zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | Bussen die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van één of meerdere constructieplaten die goed leesbaar zijn en waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de maximummassa's die op de constructieplaten zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa's die zijn aangegeven in het kentekenregister. | |
| 7. | In een bus moet per mogelijke indeling op een goed zichtbare plaats zijn aangegeven het toegestane maximumaantal: a. zitplaatsen; b. staanplaatsen, en c. rolstoelplaatsen. Vermelde aantallen mogen niet hoger zijn dan waarvoor de bus is goedgekeurd. | |
| 8. | Het zevende lid is niet van toepassing op bussen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. | – |
| 9. | De inrichting van de bus moet blijven voldoen aan de eisen zoals deze luidden ten tijde van goedkeuring. | Visuele controle. Bij twijfel wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd. |
| 10. | Het negende lid is niet van toepassing ten aanzien van een afscherming die in het bestuurdersgedeelte van de bus is aangebracht. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.3a.3
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bussen mogen: | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. |
Artikel 5.3a.4
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bovenbouw van bussen moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.3a.6
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen mogen: a. niet breder zijn dan 2,55 m, en b. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de bus gemeten. Artikel 5.1a.1 is van toepassing. |
| 2. | Bussen met twee assen mogen: a. niet langer zijn dan 13,50 m, en b. indien de bus in gebruik is genomen voor 10 september 2003, mag deze in afwijking van onderdeel a tot 1 januari 2021 niet langer zijn dan 15,00 m. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt de bus gemeten. Deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. Artikel 5.1a.1 is van toepassing. |
| 3. | Bussen met meer dan twee assen mogen niet langer zijn dan 15,00 m. | |
| 4. | Gelede bussen mogen niet langer zijn dan 18,75 m. | |
| 5. | De afmetingen, bedoeld in het tweede, derde en vierde lid, zijn met inbegrip van een skibox. | – |
| 6. | Het aantal aanwezige zitplaatsen, staanplaatsen en rolstoelplaatsen mag niet hoger zijn dan voor het voertuig is toegestaan. Een T100 bus mag niet zijn voorzien van staanplaatsen. | Visuele controle en toetsing aan de gegevens in het kentekenregister en indien aanwezig op de plaats, bedoeld in artikel 5.3a.1, zevende lid. Tijdens de periodieke keuring moet bij twijfel het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer worden geraadpleegd. |
Artikel 5.3a.7
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De last onder de assen van bussen mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister vermelde toegestane maximum aslasten. | Leden 1 en 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. |
| 2. | De totale massa of de som van de aslasten van bussen mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa. |
§ 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
Artikel 5.3a.9
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van bussen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle, terwijl de bus zich met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| – Indien de motor is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle op lekkage, indien mogelijk, uitgevoerd op alle brandstofsystemen. | ||
| – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. | ||
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
Artikel 5.3a.10
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bus is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3a.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | Leden 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | – |
| 6. | Indien de bus na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | Visuele controle. |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 7 en 8: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | |
| 9. | De voorzijde, de achterzijde en minimaal één deur aan de rechterzijde van de bus die is voorzien van een LPG-installatie, zijn voorzien van een weerbestendige sticker met het volgende herkenningsteken: | Visuele controle. |
Artikel 5.3a.10a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bus is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3a.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van koel-of verwarmingsinstallaties ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte of een koelinstallatie ten behoeve van het koelen van de laadruimte. | Leden 6 tot en met 10: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 7. | De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 8. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 9. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 10. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
| 11. | De voorzijde, de achterzijde en minimaal één deur aan de rechterzijde van de bus die is voorzien van een CNG-installatie, zijn voorzien van een weerbestendige sticker met het volgende herkenningsteken: | Leden 11 en 12: visuele controle. |
| 12. | De voorzijde, de achterzijde en minimaal één deur aan de rechterzijde van de bus die is voorzien van een LNG-installatie, zijn voorzien van een weerbestendige sticker met het volgende herkenningsteken: |
Artikel 5.3a.11
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle, terwijl de bus zich met draaiende motor boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bussen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 4. | Bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een bus met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een bus met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. | |
| 5. | De uitlaatgassen van bussen met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking mogen bij stationair toerental en op bedrijfstemperatuur zijnde motor niet meer dan het voorgeschreven volume percentage koolmonoxide bevatten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 40, 41 en 43, van toepassing. | – |
| 6. | Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1994 die zijn uitgerust met een emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, dient het emissiebestrijdingssysteem goed te werken. De goede werking ervan wordt beoordeeld aan de hand van het gehalte koolmonoxide van de uitlaatgassen, alsmede aan de hand van een op grond van de samenstelling van de uitlaatgassen berekende lucht-brandstofverhouding. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 40, 42 en 43, van toepassing. | – |
| 7. | De uitlaatgassen van bussen met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1979, mogen niet meer dan de aangegeven hoeveelheid roet bevatten, waarbij de eventueel aangewezen bijzondere meetvoorschriften in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 44 en 45, van toepassing. | – |
| 8. | Bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die zijn voorzien van een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 40 van toepassing. | Visuele controle. |
| 9. | Bij bussen met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking waarvan: – de in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde milieuclassificatie gelijk is aan of groter is dan Euro 6 of Euro VI, of – in het kentekenregister is vastgelegd dat een roetfilter is vastgesteld, moet het roetfilter aanwezig en niet duidelijk defect zijn. | Visuele controle. |
| 10. | Indien bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, zijn voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, moet dit systeem zijn voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting en mag het systeem geen emissiegerelateerde fouten bevatten. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45d van bijlage VIII van toepassing. | – |
| 11. | Als bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik zijn genomen na 31 december 2005, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking welke uitsluitend wordt gevoed door benzine, dan wel met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, de EOBD-procedure succesvol wordt doorlopen en geen emissiegerelateerde fouten worden geconstateerd, geldt dit als alternatief voor de eisen als bedoeld in het vijfde, zesde en zevende lid. Hierbij is het bepaalde in de artikelen 45a tot en met 45c van bijlage VIII van toepassing. | – |
| 12. | De verplichtingen, bedoeld in het zevende en tiende lid, gelden niet voor bussen met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking en roetfilter als bedoeld in het negende lid. | – |
Artikel 5.3a.12
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van bussen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van bussen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bij bussen die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1984, moeten de stroomkringen, met uitzondering van die van de startmotor, door zekeringen of automatische schakelaars tegen overbelasting zijn beschermd. | Visuele controle. |
Artikel 5.3a.13
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De motorsteunen van bussen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
§ 12. Diversen
Artikel 5.3a.15
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. | Visuele controle. De werking en afleesbaarheid wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De volgende bussen zijn voorzien van een snelheidsbegrenzer: | Visuele controle aan de hand van het installatieplaatje. |
| a. bussen met een dieselmotor, met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 10.000 kg, die na 30 september 2001 doch voor 1 januari 2005 in gebruik zijn genomen; | ||
| b. bussen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 10.000 kg, die na 31 december 2004 in gebruik zijn genomen; | ||
| c. bussen met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg, die na 31 december 1987 in gebruik zijn genomen. | ||
| 3. | De snelheidsbegrenzer moet zijn afgesteld op: a. een zodanige snelheid, dat de maximumsnelheid van bussen niet meer dan 100 km/h kan bedragen; | Visuele controle of het installatieplaatje de juiste snelheid aangeeft. Tevens wordt, waar toepasbaar, met een diagnosesysteem vastgesteld of de ingestelde snelheid juist is. |
| b. maximaal 100 km/h, indien het een bus betreft met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg, die voor 1 januari 2005 in gebruik is genomen. | ||
| De ingestelde snelheid is onuitwisbaar vermeld op een installatieplaatje dat op een duidelijk zichtbare plaats in de stuurcabine van het voertuig is aangebracht. | ||
| 4. | De snelheidsbegrenzer en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen moeten met behulp van een verzegeling of door de noodzaak om speciale gereedschappen te gebruiken zijn beschermd tegen niet-toegestane bijstelling of onderbreking van de stroomvoorziening. | Visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen. |
| 5. | Het tweede lid is niet van toepassing op bussen: a. in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten; b. die blijkens een voor het betrokken voertuig opgenomen aantekening in het kentekenregister niet van een snelheidsbegrenzer behoeven te zijn voorzien; c. met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h indien is voldaan aan artikel 5.3a.8. | Visuele controle. – Onderdeel a: of een bus wordt gebruikt door een in artikel 29, eerste lid, of artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde dienst, wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | Indien een bus moet zijn voorzien van een controleapparaat: a. moet de bus zijn voorzien van een installatieplaatje en mag de op het installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal 24 maanden vanaf de installatiedatum bedraagt; b. moet het onder a bedoelde installatieplaatje zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd; c. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het onder a bedoelde installatieplaatje is vermeld, en | – Onderdeel a: de aanwezigheid van en de geldigheidsduur op het installatieplaatje van de tachograaf wordt visueel gecontroleerd. – Onderdeel b: visuele controle van de verzegeling van het installatieplaatje van de tachograaf. – Onderdeel c: bij twijfel meting van de bandenomtrek. – Onderdeel d: visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen van de tachograaf. – De wijze van gebruik van het voertuig en de onderdelen a tot en met d worden niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, indien er geen installatieplaatje in of op het voertuig aanwezig is. |
| d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening. |
Artikel 5.3a.16
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De aandrijving van bussen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.3a.18
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van bussen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. Bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. |
Artikel 5.3a.19
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bussen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
Artikel 5.3a.20
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers van bussen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zo nodig een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.3a.21
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielbasis van bussen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Aan deze eis is reeds op basis van artikel 5.3a.1 getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis links en rechts gemeten niet meer dan: | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
| a.15 mm verschillen bij bussen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg; | ||
| b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg. |
Artikel 5.3a.22
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De afstanden tussen de fuseedraaipunten en twee punten aan het chassis dan wel aan de carrosserie, die symmetrisch links en rechts ten opzichte van de langsas van het voertuig zijn gelegen, mogen recht en kruiselings gemeten onderling niet meer dan: | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. | |
| a. 15 mm verschillen bij bussen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg; | ||
| b. 0,5% afwijken van de hoogst gemeten waarde bij bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg. |
Artikel 5.3a.23
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De spoorbreedte van bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg mag niet meer dan 2,0% groter zijn dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.3a.24
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van bussen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt en het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.3a.25
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De wielnaven van bussen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.3a.26
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De waarschuwingsinrichting van het stabiliteitscontrolesysteem van bussen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
§ 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
Artikel 5.3a.27
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen van bussen moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Leden 2 en 3: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van bussen moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van bussen mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van de eerste volzin is naprofileren toegestaan, indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘regroovable’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede en derde lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de bus. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De op de band van een bus, in gebruik genomen na 31 december 1997, en op de band van een T100-bus vermelde loadindex, mag niet kleiner zijn dan de loadindex behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 50, van toepassing. | |
| 8. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 9. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve in geval van nood waarbij een nood- of reservewiel wordt gebruikt. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan. |
| 10. | Bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moeten de banden een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven, moet hiermee rekening gehouden worden. |
| – Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt, moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden. | ||
| – Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is, moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden. | ||
| – Indien geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn, wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden. | ||
| – De banden op één as moeten een gelijke bandenspanning hebben met een maximaal verschil van 0,3 bar. | ||
| – Bij het constateren van een te lage bandenspanning moet deze op de juiste bandenspanning worden gebracht. | ||
| 11. | De waarschuwingsinrichting van het controlesysteem voor de bandenspanning van bussen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.3a.28
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt zo nodig een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bussen die zijn voorzien van gasvering en bussen met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk verscheidene keren ingeveerd en zo nodig aan een rijproef onderworpen. |
| 4. | Schokdempers van bussen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | Knielsystemen van bussen moeten goed functioneren. | Visuele controle, waarbij het systeem in werking wordt gesteld. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.3a.29
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bestuurde wielen van bussen moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en 30° bij bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de bus op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Leden 5 en 6: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 51, van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Voor het zichtbaar maken van: |
| a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; | ||
| b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. | ||
| 8. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 9. | De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiging mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | De wijze van keuren bij het vierde lid is van toepassing. |
| 11. | De onderdelen van de stuurbekrachtiging mogen geen ernstige lekkage vertonen. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Het stuurwiel wordt bij stationair draaiende motor in de uiterste stand gedraaid en gehouden. |
| 12. | De waarschuwingsinrichting van de elektronische stuurbekrachtiging van bussen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
§ 12. Diversen
Artikel 5.3a.31
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem wordt het onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| – Visuele controle van de remkrachtregelaar, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. | ||
| 3. | De compressor en de drukregelaar moeten goed functioneren en tijdig in werking treden. | Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen. |
| 4. | Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt. |
| 5. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 55 en 56, van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. – Onderdeel c: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 7. | Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 8. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
| 9. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt het wiel rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 10. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 11. | Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit mogelijk is zonder demontage. |
| 12. | Bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van automatische remstelinrichtingen. Deze verplichting geldt niet voor bussen die een aantekening in het kentekenregister 'G' hebben. | Leden 12 en 13: visuele controle. |
| 13. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h in gebruik genomen na 31 maart 2002, moeten zijn voorzien van een antiblokkeersysteem. | |
| 14. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: | De wijze van keuren bij het zevende lid is van toepassing. |
| a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | ||
| b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | ||
| c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en | ||
| d. mogen geen lekkage vertonen. | ||
| 15. | De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem van bussen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Leden 15 en 16: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
| 16. | De waarschuwingsinrichting van het elektronisch remsysteem van bussen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. |
Artikel 5.3a.32
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
| 2. | De vulopening van de reservoirs, bedoeld in het eerste lid, moet zijn afgesloten met een passende dop. | Visuele controle. |
Artikel 5.3a.33
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Bussen met een drukluchtremsysteem, die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de energievoorraad in een van de bedrijfsremkringen onder de vereiste minimumdruk is gedaald. | Visuele of auditieve controle door om de beurt de bedrijfsremkringen leeg te laten lopen en weer te vullen. |
Artikel 5.3a.34
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Bussen met een veerrem, die in gebruik zijn genomen na 30 september 1975, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de veerrem in werking is gesteld. | Visuele of auditieve controle, terwijl de veerrem in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.3a.35
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen met een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moeten zijn voorzien van: a. drukmeetpunten waarmee de drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcilinders op iedere as, kunnen worden gemeten; b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten, en | – Onderdelen a en b: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel c: visuele controle met behulp van manometers of de dashboardmeter(s), waarbij de bedrijfsremkringen beurtelings worden ontlucht. De resterende druk in de niet ontluchte kringen moet van een redelijk niveau zijn. |
| c. een goed functionerend meerkringsbeveiligingsventiel indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 september 1975. | ||
| 2. | Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed functioneren. | Visuele controle met behulp van manometers, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. Indien mogelijk wordt de controle ook uitgevoerd wanneer de drukluchtremkrachtregelaar de volle druk doorstuurt. Controle op het goed functioneren kan achterwege blijven, indien een controle is uitgevoerd volgens het derde lid. |
| 3. | Bussen met drukluchtremkrachtregelaars, in gebruik genomen na 30 september 1981, moeten zijn voorzien van een plaat waarop duidelijk leesbaar de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars is vermeld. De vermelde drukluchtremkrachtregelaars moeten aanwezig zijn en moeten globaal zijn afgesteld zoals voor de beladingstoestand van het voertuig is vermeld op de plaat. | – Visuele controle op de aanwezigheid, waarbij het merk en type van de drukluchtremkrachtregelaar mag afwijken. – Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast of veerbalgdruk kan worden vastgesteld, vindt de controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld waarbij de afstelling ten hoogste 0,5 bar mag afwijken van de gegevens op de plaat. De volgende twee afstellingen moeten ten minste worden gecontroleerd: |
| a. de stand waarin de regelaar zich bevindt behorende bij de vastgestelde aslast, en | ||
| b. wanneer de regelaar de volle druk doorstuurt, voor zover dit mogelijk is zonder demontage. | ||
| – Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast of veerbalgdruk niet kan worden vastgesteld, vindt een globale controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld. | ||
| Bij een niet maximaal belaste as wordt de werking van de regelaar gecontroleerd door: | ||
| a. de druk te meten die de regelaar doorstuurt in de stand waarin deze zich dan bevindt; | ||
| b. de afstelling te meten van de stand waarin de regelaar de volle druk doorstuurt, voor zover dit mogelijk is zonder demontage. | ||
| De onder punt b gemeten druk moet hoger zijn dan de druk vastgesteld onder punt a. Indien de betreffende as nagenoeg maximaal is belast, mag de onder punt b gemeten druk gelijk zijn aan de vastgestelde druk onder a. | ||
| 4. | De ontwateringsventielen van reservoirs moeten goed functioneren. | Visuele controle, waarbij het ontwateringsventiel, indien mogelijk, moet worden bediend. |
Artikel 5.3a.36
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De slag van drukluchtremcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
| 2. | De slag van drukluchtremcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan twee derde deel van de maximumslag van de betrokken remcilinder. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.3a.37
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen met een tweeleidingremsysteem ten behoeve van aanhangwagens moeten aan de aansluitkop van de voorraadleiding een druk bezitten met een grenswaarde van 6,5 tot 8,5 bar, en aan de aansluitkop van de commandoleiding, bij een maximale voorraaddruk, een druk met een grenswaarde van 6,0 tot 8,5 bar. | Visuele controle met behulp van een manometer, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
| 2. | Bussen in gebruik genomen na 31 december 1997, mogen niet zijn voorzien van een éénleidingremsysteem ten behoeve van een aanhangwagen. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | Bij bussen met een éénleidingremsysteem ten behoeve van aanhangwagens moet aan de aansluitkop de voorraaddruk van het remsysteem aanwezig zijn. Deze druk moet ten minste 5 doch niet meer dan 6 bar bedragen. | Visuele controle met behulp van een manometer. |
| 4. | Bussen, in gebruik genomen na 31 december 1997, mogen niet zijn voorzien van een afzonderlijke inrichting voor de bediening van de remmen van de aanhangwagen. | Lid 4 en 5: visuele controle. |
| 5. | Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1997, moeten de voorraad- en commandoleiding zijn voorzien van goedwerkende automatische afsluiters. |
Artikel 5.3a.38
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,0 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2 van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| 2. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N. Bij de controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | |
| 3. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van bussen is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | |
| 4. | Indien de remkrachten van de bus groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het eerste en tweede lid. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | |
| 5. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,5 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | Indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd, moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer de maximumconstructiesnelheid bedragen. |
| 6. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 7. | Bussen mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste tot en met vierde lid is van toepassing. |
| 8. | Bussen moeten tevens zijn voorzien van een hulprem. | Leden 8 en 9: visuele controle. |
| 9. | De bedrijfsrem en de hulprem mogen gemeenschappelijke delen hebben. |
Artikel 5.3a.39
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen van één niet hefbare as werkt. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 2. | De remvertraging van de parkeerrem van bussen in gebruik genomen na 31 december 2017, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,6 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren. | Leden 2 en 3: in geval van een elektrisch bediende parkeerrem, waarbij de remvertraging niet bepaald kan worden op een remtestinrichting, wordt hieraan geacht te zijn voldaan, indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden. |
| 3. | De remvertraging van de parkeerrem van bussen in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 2018, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,2 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. De parkeerrem moet ook in achterwaartse richting functioneren. | |
| 4. | De remvertraging van de parkeerrem van bussen in gebruik genomen voor 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.3a.41
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De deuren en de laadbakkleppen van bussen moeten goed sluiten. De bedrijfs- en nooddeuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend, ongeacht of de daarvoor benodigde energievoorziening werkt. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten, indien noodzakelijk met behulp van de aanwezige noodbedienings-inrichtingen. |
| 2. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de laadbakkleppen en aerodynamische voorzieningen en uitrusting aan de achterzijde mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Aerodynamische voorzieningen en uitrusting die intrekbaar of inklapbaar zijn, moeten zowel in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand kunnen worden vergrendeld. | Visuele controle, waarbij in beide situaties de vergrendeling wordt bediend. |
| 4. | Indien een deur in een bus, in gebruik genomen na 30 juni 1984, niet rechtstreeks door de chauffeur kan worden waargenomen, moet de normale bediening zodanig zijn uitgevoerd dat passagiers deze niet kunnen openen voordat de chauffeur de bediening ervan vanaf de bestuurderszitplaats heeft vrijgegeven. | |
| 5. | Bussen moeten zijn voorzien van voldoende uitgangen. | Visuele controle. Bij twijfel wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd. |
| 6. | De hoofddoorgang, de toegang naar de uitgangen, de treden bij de bedrijfsdeuren en de treden bij de hoofddoorgang, de vereiste opschriften en de bedieningsinrichtingen van de (nood)uitgangen en trappen moeten zodanig kunnen worden verlicht dat deze duidelijk waarneembaar zijn. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende verlichting wordt ingeschakeld. |
| 7. | Trappen en treden moeten in zodanige staat verkeren dat deze een vrije in- en uitstap waarborgen. | Visuele controle. |
| 8. | Uitgangen moeten tot een hoogte van ten minste 0,80 m boven de vloer volledig afgesloten kunnen worden. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 9. | Noodluiken dienen van binnen en van buiten te kunnen worden geopend of verwijderd. | Noodluiken, indien mogelijk, vanaf binnenzijde bus bedienen. Indien het een type dakluik betreft dat niet zonder beschadiging kan worden geopend, nagaan of de voor opening benodigde delen in voldoende staat van onderhoud verkeren en het luik of de bediening geen beschadigingen vertoont. |
| 10. | Noodramen moeten op geschikte wijze kunnen worden geopend met een noodhamer of een bedieningsorgaan dat op een zichtbare plaats en in de nabijheid van het noodraam zijn aangebracht. | In geval van een breekraam controle op de aanwezigheid van noodhamer bij ieder noodraam. Draaibare noodramen bedienen. |
| 11. | Deuren en scharnierende noodramen die niet duidelijk vanuit de bestuurderszitplaats zichtbaar zijn, dienen te zijn uitgerust met een inrichting om de bestuurder te waarschuwen wanneer deze niet zijn gesloten. | Leden 10 tot en met 12: visuele controle. |
| 12. | Een noodraam dat de vereiste opening vrijgeeft door breken van het noodraam, mag niet zijn bekleed met folie, tenzij dat in stukken van ten hoogste 150 cm2 of in ten minste 8 tot het midden van het noodraam reikende segmenten is gedeeld. | |
| 13. | Bij de uitgangen moeten opschriften zijn aangebracht waaruit blijkt op welke wijze de uitgang moet worden geopend in geval van een noodsituatie. | Visuele controle. De opschriften mogen ook in pictogrammen zijn uitgebeeld. |
| 14. | Iedere nooduitgang moet aan de binnenzijde van het voertuig zijn voorzien van een opschrift ‘Nooduitgang’. Bij bussen in gebruik genomen na 11 februari 2005 is dit opschrift ook aan de buitenzijde bij elke nooduitgang verplicht. | Visuele controle. Het opschrift mag ook in een andere taal zijn gesteld of in een pictogram zijn uitgebeeld. |
| 15. | Het derde tot en met dertiende lid is niet van toepassing op bussen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. | – |
| 16. | Het achtste lid is niet van toepassing op bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h, mits een voorziening is aangebracht ter voorkoming dat de passagiers uit het voertuig vallen tijdens rijden. |
Artikel 5.3a.42
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bussen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 96 tot en met 100, van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bussen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | Geen enkel deel van de aerodynamische voorziening of uitrusting mag, wanneer gemonteerd op een voertuig en zowel in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand, boven de onderrand van de voorruit uitkomen, tenzij deze voor de bestuurder niet direct zichtbaar is als gevolg van het instrumentenpaneel of andere standaardbinneninrichting. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport |
| 5. | De bus moet zodanig zijn ingericht of uitgerust dat verblinding van de bestuurder door en weerkaatsing van de binnenverlichting wordt voorkomen. | Leden 4 en 5: visuele controle. |
| 6. | Bij bussen in gebruik genomen na 13 februari 2008, moeten vormen van visueel vermaak voor passagiers zich buiten het gezichtsveld van de bestuurder bevinden. |
Artikel 5.3a.43
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. | Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege. |
| 2. | Bussen met een voorruit die na 30 juni 1985 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. | Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.3a.44
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen met een voorruit die na 30 juni 1985 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
| 2. | Bussen met een gesloten carrosserie die na 30 juni 1985 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter verwarming van de passagiersruimte. | |
| 3. | Bussen met een gesloten carrosserie die na 30 juni 1985 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkend ventilatiesysteem voor de passagiersruimte welke voldoende luchtcirculatie waarborgt. |
Artikel 5.3a.45
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een rechterbuitenspiegel. | Leden 1 tot en met lid 3: visuele controle. |
| 2. | De spiegels zijn deugdelijk bevestigd. | |
| 3. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. | |
| 4. | In afwijking van het eerste lid mogen verplichte spiegels zijn vervangen door goedwerkende camera-monitorsystemen. Indien spiegels vervangen zijn door camera-monitorsystemen, dan moeten deze systemen deugdelijk bevestigd zijn. | Visuele controle |
Artikel 5.3a.46
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h behorende tot klasse III of klasse B, in gebruik genomen na 21 januari 2014, mogen niet zijn voorzien van zijdelings gerichte zitplaatsen. | Visuele controle, waarbij het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer wordt geraadpleegd. |
| 2. | De zitplaatsen en rugleuningen van bussen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
| 3. | Het eerste lid is niet van toepassing op bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg behorende tot klasse III of klasse B, waarin de zijdelings gerichte zitplaatsen achterin het voertuig bijeen zijn geplaatst tot een zitgroep met maximaal tien plaatsen, met dien verstande dat deze zitplaatsen, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3a.47, zijn voorzien van een hoofdsteun, een tweepuntsgordel met oprolmechanisme en leuningen waardoor ten hoogste drie zitplaatsen ononderbroken aaneensluiten. | Visuele controle, waarbij het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer wordt geraadpleegd. |
| 4. | Het aantal aanwezige zitplaatsen mag niet groter zijn dan het maximumaantal zitplaatsen waarvoor de bus is goedgekeurd. | Visuele controle aan de hand van opschriften als bedoeld in artikel 5.3a.1, zevende lid, en het kentekenregister. In geval van twijfel wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd. |
| 5. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h van klasse I die in gebruik zijn genomen na 12 februari 2005, moeten zijn voorzien van ten minste vier voor passagiers met een mobiliteitshandicap gereserveerde zitplaatsen die zijn voorzien van handgrepen. Deze zitplaatsen moeten in de nabijheid van een voor deze passagiers geschikte bedrijfsdeur zijn geplaatst. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | Op bussen met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h van een andere klasse dan klasse I die in gebruik zijn genomen na 12 februari 2005 en zijn voorzien van technische voorzieningen ter verbetering van de toegang voor passagiers met een mobiliteitshandicap, is het vijfde lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het aantal gereserveerde zitplaatsen voor deze passagiers voor bussen van klasse II en klasse III ten minste twee bedraagt, en voor bussen van klasse A en klasse B ten minste één. Een klapstoel mag niet worden aangeduid als gereserveerde zitplaats. | |
| 7. | Voor bussen als bedoeld in het vijfde en zesde lid, geldt dat bussen van klasse I en klasse II moeten zijn voorzien van ten minste twee, en bussen van klasse A van ten minste één naar voren of naar achteren gerichte zitplaats, speciaal bedoeld voor andere passagiers met een mobiliteitshandicap dan rolstoelgebruikers. Deze zitplaatsen moeten van merktekens zijn voorzien en in de nabijheid van een voor deze passagiers geschikte bedrijfsdeur zijn geplaatst. | |
| 8. | De ruimte tussen de rugleuning van een zitplaats en een daar voor gelegen meubelstuk moet bij bussen met een maximumconstructiesnelheid meer dan 25 km/h gemeten ter hoogte van de zitting ten minste 0,65 m bedragen. | Leden 8 en 9: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten en wordt het goedkeuringsdossier van de Dienst Wegverkeer geraadpleegd. |
| 9. | De ruimte tussen twee tegenover elkaar gelegen zitplaatsen moet bij bussen met een maximumconstructiesnelheid meer dan 25 km/h gemeten ter hoogte van de zitting ten minste 1,25 m bedragen. | |
| 10. | Het derde tot en met negende lid is niet van toepassing op bussen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. | – |
| 11. | Bij zitplaatsen waarvan de rugleuning toegang geeft tot een daarachter gelegen zitplaats moet de ontgrendeling van de rugleuning goed werken. | Visuele controle |
Artikel 5.3a.47
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen die na 31 december 1997 in gebruik zijn genomen en T100-bussen, moeten zijn voorzien van gordels voor: a. de zitplaats van de bestuurder en de ernaast gelegen naar voren gerichte zitplaatsen, en | Visuele controle. In geval van een kampeerwagen is de controle beperkt tot de voorste zitplaatsen en tot de overige zitplaatsen voor zover deze zijn voorzien van gordels. |
| b. de overige naar voren gerichte zitplaatsen indien op een afstand van maximaal 1,30 m voor de rugleuning van deze zitplaats zich geen veiligheidsscherm of rugleuning van een ervoor gelegen zitplaats bevindt. | ||
| 2. | In afwijking van het eerste lid, moeten de volgende bussen zijn voorzien van gordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen: | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| a. bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die na 30 september 2002 in gebruik zijn genomen, en | ||
| b. bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg die na 30 september 2000 in gebruik zijn genomen. | ||
| 3. | Het eerste en tweede lid is niet van toepassing op: | |
| a. bussen welke uitsluitend zijn goedgekeurd volgens klasse A, klasse I en klasse II; | ||
| b. bussen waarbij de klasse niet is vastgesteld en die beschikken over staanplaatsen; | ||
| c. klapstoelen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande bus; | ||
| d. zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaande bus; | ||
| e. bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h. | ||
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 5. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, moet bij een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd. |
| 6. | De vloer, handvatten en handrails van bussen die beschikken over staanplaatsen, moeten deugdelijk zijn uitgevoerd. | Visuele controle. |
| 7. | De waarschuwingsinrichting van het gordelspansysteem en gordelkrachtbegrenzingssysteem van bussen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Leden 7 en 8: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. Indien het een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft, wordt in geval van twijfel een rijproef uitgevoerd. |
| 8. | De waarschuwingsinrichting van het airbagsysteem van bussen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. |
Artikel 5.3a.48
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van bussen die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van bussen moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. | Visuele controle. |
| 5. | Een intrekbare trede van een bus, in gebruik genomen na 12 februari 2005, mag geen letsel kunnen toebrengen aan passagiers of personen buiten de bus. | Visuele controle, waarbij de intrekbare trede wordt uitgeschoven. |
| 6. | Geen deel aan de buitenzijde van de bus mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | Visuele controle. |
| 7. | Liften moeten deugdelijk aan de bus zijn bevestigd en goed functioneren. | Visuele controle, waarbij de lift in werking wordt gesteld. |
| 8. | Oprijplaten dan wel andere middelen bestemd om personen in rolstoelen in de bus te plaatsen, moeten deugdelijk aan de bus kunnen worden bevestigd. | Visuele controle. Eventuele oprijplaten moeten aanwezig zijn en worden aangebracht. |
| 9. | Bij het bedieningspaneel van de liftinstallatie moet een opschrift aanwezig zijn dat de bedieningsaanwijzing bevat. Het opschrift moet vanaf het liftplateau tijdens het gebruik ervan duidelijk zichtbaar zijn. | Visuele controle. Het opschrift mag ook in een pictogram zijn uitgebeeld. |
| 10. | Op de plaats waar rolstoelen kunnen worden bevestigd moeten, met uitzondering van de plaatsen waar eventuele stoelen of banken zijn bevestigd, de vastzetinrichting voor deze rolstoelen en de daarbij behorende gordels aanwezig zijn. | Leden 10 en 11: visuele controle. |
| 11. | De rails en de vastzetinrichtingen alsmede de onderdelen ervan voor de bevestiging van rolstoelen, mogen niet zijn vervormd of beschadigd. | |
| 12. | Vastzetinrichtingen moeten op de daarvoor aanwezige bevestigingspunten passend kunnen worden bevestigd. | Visuele controle, waarbij de vastzetinrichting op het betreffende bevestigingspunt moet worden aangebracht. |
| 13. | Vergrendelinrichtingen van vastzetinrichtingen moeten met de hand te bedienen zijn en moeten functioneren. | Visuele controle, waarbij de vergrendelinrichting moet worden bediend. |
| 14. | Bevestigingsmiddelen niet zijnde vastzetinrichtingen en de daarbij behorende gordels moeten zijn voorzien van een goedwerkende sluiting en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de sterkte en werking ervan in gevaar wordt gebracht. | Visuele controle, waarbij moet worden beproefd of de sluiting van de bevestigingsmiddelen en de daarbij behorende gordels functioneren. |
| 15. | In afwijking van hetgeen in het tiende tot en met veertiende lid ten aanzien van de bevestigingsmiddelen en gordels is bepaald, kan een rolstoelruimte zodanig zijn ontworpen dat de rolstoelgebruiker zonder bevestiging met de rolstoel naar achteren gericht tegen een steun of rugleuning wordt geplaatst. De rolstoelruimte moet dan wel zijn voorzien van voorzieningen die voorkomen dat de op de rolstoel gezeten persoon, om kan vallen. De vloer moet in dat geval met een anti-sliplaag zijn bekleed en aan een wand of buitenwand van het voertuig moet een leuning of handgreep zijn aangebracht die de rolstoelgebruiker gemakkelijk kan vastgrijpen. Naast een dergelijke rolstoelruimte moet de volgende tekst zijn aangebracht: ‘Plaats gereserveerd voor een rolstoel. Rolstoel naar achter gericht tegen de steun of de rugleuning plaatsen en vastzetten op de rem’. | Leden 15 tot en met 19: visuele controle. |
| 16. | Het interieur mag geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel kunnen opleveren. | |
| 17. | De bevestiging en constructie van ligplaatsen moeten deugdelijk zijn. | |
| 18. | Een ligplaats moet in lengte- en breedterichting met doelmatige veiligheidsvoorzieningen zijn uitgerust ten einde te voorkomen dat de passagier uit de ligplaats kan geraken. | |
| 19. | Het gedeelte van een ligplaats dat grenst aan of zich uitstrekt tot voorbij de achterste begrenzing van het bestuurderscompartiment moet van een afscherming zijn voorzien die voldoet aan bijlage IV, annex 2, hoofdstuk 2, artikel 33, zesde en zevende lid, zoals deze artikelen luidde op 31 augustus 2020. |
Artikel 5.3a.49
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een deugdelijke beschermingsinrichting aan de achterzijde tegen klemrijden, indien de afstand van de onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen van het koetswerk op een afstand van meer dan 1,00 m achter het hart van de achterste as, meer bedraagt dan 0,70 m dan wel meer bedraagt dan 0,55 m, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De afstand van de onderzijde van de beschermingsinrichting tot het wegdek mag voor bussen, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1998, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor bussen, in gebruik genomen na 31 december 1997, niet meer bedragen dan 0,55 m. | |
| 3. | Indien de bus in gebruik is genomen na 31 december 2004, mag de beschermingsinrichting niet meer dan 0,45 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. | |
| 4. | Indien de bus in gebruik is genomen na 30 juni 1967 doch voor 1 januari 2005, mag de beschermingsinrichting niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. | |
| 5. | De beschermingsinrichting mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan: | |
| a. het voertuig op de plaats waar de beschermingsinrichting is aangebracht, dan wel | ||
| b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten. | ||
| 6. | De beschermingsinrichting en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. | Visuele controle. |
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
Artikel 5.3a.51
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Bussen moeten zijn voorzien van: a. twee grote lichten; b. twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikelen 115 en 117, gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; | – Onderdelen a tot en met e: visuele controle. – Onderdeel f: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel g tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l tot en met o: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. | |
| c. twee stadslichten; | ||
| d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van bussen in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen; | ||
| e. waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; | ||
| f. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m dan wel na 31 december 1997 in gebruik is genomen. Richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig worden beschouwd als zijrichtingaanwijzers, indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts; | ||
| g. twee achterlichten; | ||
| h. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; | ||
| i. een achterkentekenplaatverlichting; | ||
| j. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| k. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | ||
| l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en twee achteruitrijlichten indien het voertuig langer is dan 6,00 m en na 31 december 2012 in gebruik is genomen; | ||
| m. twee markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | ||
| n. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | ||
| o. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing. |
Artikel 5.3a.51a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de bus herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel zwaai-, flits- of knipperlicht. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op bussen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken. | |
| 3. | Bussen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de bus herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. |
Artikel 5.3a.53
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De grote lichten, dimlichten, stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 7: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten alsmede de zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. Zijrichtingaanwijzers mogen naar de zijkant niet anders dan ambergeel uitstralen. | |
| 3. | De achterlichten en mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
| 5. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. | |
| 6. | De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 7. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen. |
Artikel 5.3a.55
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.3a.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in artikel 5.3a.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in artikel 5.3a.51 bedoelde retroreflectoren en de markering aan de achterzijde van het voertuig mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 8. | Indien de bus is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
Artikel 5.3a.56
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
| 2. | Bussen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
Artikel 5.3a.57
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen mogen zijn voorzien van: a. twee mistvoorlichten; b. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; c. twee extra stadslichten; | – Onderdelen a tot en met q: visuele controle. – Onderdelen r en s: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen t tot en met aa: visuele controle. |
| d. twee extra achterlichten; | ||
| e. twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge artikel 5.3a.51 verplicht zijn; | ||
| f. twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3a.51 verplicht zijn; | ||
| g. twee staaklichten; | ||
| h. één extra mistachterlicht; | ||
| i. extra achteruitrijlichten; | ||
| j. parkeerlichten; | ||
| k. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; | ||
| l. extra zijrichtingaanwijzers aan beide zijkanten van het voertuig; | ||
| m. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; | ||
| n. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | ||
| o. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| p. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.3a.51 verplicht zijn, waarbij bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing is; | ||
| q. werklichten; | ||
| r. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: | ||
| s. in afwijking van onderdeel r mogen bij bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd; | ||
| t. in afwijking van onderdeel r mogen bij bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg twee extra remlichten worden aangebracht; | ||
| u. twee dagrijlichten; | ||
| v. twee bochtlichten; | ||
| w. twee hoeklichten; | ||
| x. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg en het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 1967; hierbij is het bepaalde in bijlage VIII van toepassing; | ||
| y. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig; hierbij is bijlage VIII, artikel 153 van toepassing; | ||
| z. één manoeuvreerlicht aan elke zijkant van het voertuig; | ||
| aa. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien de maximumconstructiesnelheid ten hoogste 25 km/h bedraagt. | ||
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel 5.3a.51a verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.3a.53a met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Bussen mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 4. | De extra achteruitrijlichten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel i, mogen aan de zijkant van het voertuig zijn gemonteerd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.3a.58
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Lid 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht. |
Artikel 5.3a.59
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De mistvoorlichten en de achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 7: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen, dan wel indien zij zijn ingebouwd in de zijrichtingaanwijzers, niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 3. | De extra richtingaanwijzers, extra waarschuwingsknipperlichten en extra zijrichtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan wit of ambergeel, en naar achteren niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
| 4. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen. | |
| 5. | De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 6. | De dagrijlichten, bochtlichten, hoeklichten en manoeuvreerlichten mogen niet anders dan wit stralen. | |
| 7. | Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen. | |
| 8. | De markering aan de achterzijde moet bestaan uit één rechthoekig bord, dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van rood fluorescerende en geel retroreflecterende parallel lopende diagonale strepen. | Visuele controle. |
| 9. | De lijn- en contourmarkering aan de zijkant is wit of geel. De lijn- en contourmarkering aan de achterzijde is rood, wit of geel. | Visuele controle. |
Artikel 5.3a.59a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.3a.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.3a.61
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bij bussen in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.3a.51 en 5.3a.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de markering aan de achterzijde van het voertuig, de rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek, de mistachterlichten, werklichten, hoeklichten en bochtlichten. | – |
Artikel 5.3a.62
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het ingeschakeld zijn van de grote lichten indien de bus na 31 december 1997 in gebruik genomen is, de mistvoorlichten indien de bus na 31 december 2012 in gebruik is genomen, en het mistachterlicht of de mistachterlichten, moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | Het ingeschakeld zijn van de richtingaanwijzers of de waarschuwingsknipperlichten, indien de bus na 31 december 1997 in gebruik genomen is, moet door middel van een optisch of akoestisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele of auditieve controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.3a.64
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Bussen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, de waarschuwingsknipperlichten en de remlichten ten behoeve van het noodstopsignaal, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
| 3. | Het tweede lid is niet van toepassing op bussen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. | – |
| 4. | In afwijking van het tweede lid, mogen de zijmarkeringslichten van bussen synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig knipperen. | Visuele controle. |
Artikel 5.3a.65
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.3a.51,5.3a.51a,5.3a.57 en 5.3a.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig, behoudens de ingevolge artikel 5.3a.41, zesde lid, verplichte binnenverlichting. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Bussen niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
§ 5. Assen
Artikel 5.3a.66
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bus is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3a.68, tweede lid, onderdeel h. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De achtertraverse, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. |
Artikel 5.3a.67
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Indien de bus is voorzien van een koppelingskogel, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
Artikel 5.3a.68
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bus is voorzien van een vangmuilkoppeling met een nominale pendiameter van: a. 40 mm, moet de pendiameter ten minste 36,5 mm bedragen; b. 50 mm, moet de pendiameter ten minste 46 mm bedragen; c. 57,5 mm, moet de pendiameter ten minste 55 mm bedragen. | Het contactgedeelte van de pen met het trekoog wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | De in het eerste lid bedoelde koppelingen moeten voldoen aan de volgende eisen: a. de opwaartse speling van de pen mag niet meer dan 5 mm bedragen; b. de radiale speling in de onderste bus mag niet meer dan 2 mm bedragen; c. de onderste lagerbus mag niet loszitten en de bevestiging ervan mag niet zijn uitgeslagen; d. de sluit- en borginrichting moet goed functioneren; | – Onderdeel a: de pen wordt omhoog bewogen met behulp van bijvoorbeeld een schroevendraaier, waarbij de koppeling gesloten moet zijn en de handborg of controlestift voor zover mogelijk buiten werking moet zijn gesteld, teneinde de speling in het sluitingsmechanisme en de bovenste lagerbus van de pen bij de beoordeling te betrekken. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. – Onderdeel b: in geval van twijfel meten met bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. |
| e. de radiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk mag niet meer dan 2 mm bedragen; f. axiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk is niet toegestaan; g. de bevestigingsmoer van de trekstang moet deugdelijk vastzitten en moet goed geborgd zijn, en | – Onderdeel c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de koppeling wordt geopend en gesloten. – Onderdeel e: de trekstang wordt op- en neerwaarts en van links naar rechts bewogen. In geval van twijfel wordt gemeten met bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. | |
| h. het gedeelte van de vangmuil dat als geleiding voor het trekoog tijdens het aankoppelen is bedoeld, mag tekenen van vervorming, van scheuren of van uitgebroken delen vertonen, mits daardoor de sterkte of het functioneren van de koppeling met inbegrip van de sluit- en borginrichting niet wordt aangetast. Herstel daarvan door middel van lassen is toegestaan. | – Onderdeel f: de trekstang wordt axiaal bewogen. – Onderdeel g: visuele controle. Een eventuele stofkap wordt verwijderd. – Onderdeel h: visuele controle. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.3a.71
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld. |
| 2. | Bussen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. | Leden 2 tot en met 5: visuele en auditieve controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | Hybride elektrische of elektrische bussen mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt. | |
| 4. | Bussen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn. | |
| 5. | Met uitzondering van bussen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen bussen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid. |
Afdeling 4. Motorfietsen
Artikel 5.4.0
Een motorfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 0. Algemeen
Artikel 5.4.1
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De motorfiets moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis of frame zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | |
| 3. | De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | |
| 4. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van de motorfiets staat. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.4.3
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het frame of de zelfdragende constructie alsmede de voor- en achtervork van motorfietsen mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen; | – Onderdelen a en b: visuele controle. – Onderdeel c: visuele controle. Bij twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| b. niet zijn doorgeroest; | ||
| c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. | ||
| 2. | Onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.4.4
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Een aan een motorfiets gekoppelde zijspanwagen moet deugdelijk aan het frame of aan de zelfdragende constructie van de motorfiets zijn bevestigd. | Visuele controle. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.4.6
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 2,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. | Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt de motorfiets gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
| 2. | Motorfietsen met zijspanwagen alsmede motorvoertuigen op drie asymmetrisch geplaatste wielen, die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1996, mogen niet breder zijn dan 2,55 m. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.4.9
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van de brandstofsystemen van motorfietsen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 2. | De brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. Een LPG-installatie wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
Artikel 5.4.10
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.4.9, voldoen aan in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 4. | De gasvoerende slangen van rubber mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. |
Artikel 5.4.10a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.4.9, voldoen aan de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank mag niet verstreken zijn. | |
| 4. | Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig. | |
| Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is, wordt de motor gestart en nadat is overgeschakeld op CNG wordt gecontroleerd of de spoel is bekrachtigd. Daarna wordt door het contact uit te schakelen gecontroleerd of de bekrachtiging is weggevallen. | ||
| 5. | De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 5 tot en met 8: visuele controle |
| 6. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 7. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 8. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. |
Artikel 5.4.11
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle bij draaiende motor. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Motorfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 33, 34 en 35, van toepassing. | – |
| 4. | Motorfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen te hoog geluidsniveau produceren. Hierbij is het bepaalde inbijlage VIII, artikelen 33, 34 en 35, van toepassing. | – |
Artikel 5.4.12
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van motorfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van motorfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
Artikel 5.4.13
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De motor van motorfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.4.15
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. | Visuele controle. |
Artikel 5.4.16
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van motorfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.4.18
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van motorfietsen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | Visuele controle. |
Artikel 5.4.20
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers van motorfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging van wiellagers mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.4.21
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De wielbasis van motorfietsen mag niet meer dan 60 mm afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | In geval van twijfel wordt de wielbasis gemeten, waarbij artikel 5.1a.2 van toepassing is. |
Artikel 5.4.24
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van motorfietsen mogen geen breuken, scheuren, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
Artikel 5.4.27
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen van motorfietsen moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Leden 2 en 3: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,0 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. |
| 5. | De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | Leden 5 en 6: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 6. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 7. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van de motorfiets. | Visuele controle. |
Artikel 5.4.28
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. | Visuele controle, waarbij de motorfiets verscheidene keren wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
§ 0. Algemeen
Artikel 5.4.29
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 2. | De voorvork moet zonder zware punten in het balhoofd kunnen draaien. | Visuele controle, waarbij het voorwiel naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt bewogen, terwijl de massa van de motorfiets op de grond rust. |
| 3. | De balhoofdlagering mag geen zichtbare speling vertonen. | Visuele controle, waarbij de motorfiets voorwaarts wordt bewogen en de voorwielrem in werking wordt gesteld, dan wel het voorwiel wordt ontlast en de voorvork wordt bewogen. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.4.31
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen: a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl het remsysteem onder druk wordt gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt langzaam ingetrapt, totdat een kracht van 500 N (50 kg) op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Bij een remhendel wordt de drukproef uitgevoerd met maximale handkracht. |
| 2. | Remschijven mogen geen dusdanige slijtage vertonen dat gevaar op breuk ontstaat. | Visuele controle. |
| 3. | Het rempedaal onderscheidenlijk de remhendel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt. | Controle waarbij het rempedaal wordt ingetrapt met een kracht van ten hoogste 500 N (50 kg). Bij een remhendel moet dit worden uitgevoerd met de maximale handkracht. |
| 4. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 5. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. – Onderdeel c: visuele controle. |
| De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | ||
| 6. | Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. | Visuele controle, waarbij de rem wordt bediend. |
| 7. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien. |
| 8. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 9. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle. |
| 10. | In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
| 11. | De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 12. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: | Visuele controle. |
| a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | ||
| b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | ||
| c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en | ||
| d. mogen geen lekkage vertonen. |
Artikel 5.4.38
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen moeten ofwel met twee afzonderlijke bedrijfsremsystemen, ofwel met een gescheiden bedrijfsremsysteem zijn uitgerust, waarbij ten minste één rem het voorwiel en ten minste één rem het achterwiel remt. | |
| 2. | Motorfietsen in gebruik genomen na 31 maart 1997, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem of twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg: a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,9 m/s2 bedraagt, dan wel indien als gevolg van onvoldoende wrijving deze waarde niet kan worden bereikt, ten minste 5,2 m/s2 bij gelijktijdig gebruik van de beide remmen bedraagt; b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,6 m/s2 bedraagt, dan wel indien als gevolg van onvoldoende wrijving deze waarde niet kan worden bereikt, ten minste 5,2 m/s2 bij gelijktijdig gebruik van de beide remmen bedraagt; | Leden 2 en 3: bij twijfel, controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 40 km/h bedragen. De maximale bedieningskrachten, vermeld in het vijfde lid, moeten in acht worden genomen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 3, van toepassing. |
| c. bij gebruik van de voorwielrem bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 3,2 m/s2 bedraagt; | ||
| d. bij gebruik van de achterwielrem bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 3,2 m/s2 bedraagt; | ||
| e. in geval van een gecombineerde reminrichting: | ||
| 1°. bij gebruik van de gecombineerde reminrichting en minste 4,5 m/s2 bedraagt, dan wel ten minste 4,8 m/s2 bedraagt bij aangekoppelde zijspanwagen, en | ||
| 2°. bij gebruik van de andere rem ten minste 2,2 m/s2 bedraagt. | ||
| 3. | Motorfietsen in gebruik genomen na 26 november 1975 doch voor 1 april 1997, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem of twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg: | |
| a. bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, en bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 4,1 m/s2; | ||
| b. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,5 m/s2 bedraagt; | ||
| c. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,8 m/s2 bedraagt. | ||
| 4. | Motorfietsen in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 27 november 1975, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem of twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,2 m/s2 bedraagt. | Leden 4 en 5: bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 40 km/h bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 3, van toepassing. |
| 5. | Motorfietsen in gebruik genomen vóór 1 juli 1967, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem of twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. | |
| 6. | De voor het gebruik van de remmen benodigde bedieningskracht mag bij motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975, bij gebruik van een remhendel niet meer dan 200 N en bij gebruik van een rempedaal niet meer bedragen dan: a. 500 N, dan wel b. 350 N indien de motorfiets na 31 maart 1997 in gebruik is genomen. | – |
§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
Artikel 5.4.41
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Windschermen en stroomlijnkappen van motorfietsen mogen de bediening van de stuurinrichting, de koppeling en de remmen niet belemmeren. | Visuele controle, waarbij het stuur naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt bewogen en de handels van de koppeling en reminrichting worden bediend. |
| 2. | Windschermen, stroomlijnkappen en permanent aangebrachte inrichtingen om lading mee te kunnen vervoeren, moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.4.45
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 16 juni 2003, moeten zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | Motorfietsen die in gebruik zijn genomen na 26 november 1975 doch voor 17 juni 2003, moeten zijn voorzien van: a. een linkerbuitenspiegel, en b. een rechterbuitenspiegel indien de maximumsnelheid van het voertuig 100 km/h of meer kan bedragen en het voertuig na 31 december 1996 in gebruik is genomen. | |
| 3. | De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 4. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. | |
| 5. | In afwijking van het eerste, derde en vierde lid mogen verplichte spiegels bij motorfietsen met een gedeeltelijk gesloten carrosserie zijn vervangen door goedwerkende camera-monitorsystemen. Indien spiegels vervangen zijn door camera-monitorsystemen, dan moeten deze systemen deugdelijk bevestigd zijn. | Visuele controle |
Artikel 5.4.46
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De zitplaats of zitplaatsen van motorfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Voetsteunen moeten deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.4.48
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk banden van motorfietsen mogen niet aanlopen. | |
| 3. | Geen deel aan de buitenzijde van een motorfiets mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
§ 0. Algemeen
Artikel 5.4.51
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen moeten zijn voorzien van: a. één groot licht; | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| b. één dimlicht; | ||
| c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 december 1996; het licht van de richtingaanwijzers van motorfietsen in gebruik genomen na 30 juni 1967 moet knipperen; | ||
| d. één stadslicht indien het voertuig na 31 oktober 1997 in gebruik is genomen; | ||
| e. één achterlicht; | ||
| f. één remlicht indien het voertuig in gebruik is genomen na 26 november 1975; | ||
| g. achterkentekenplaatverlichting; | ||
| h. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig. | ||
| 2. | Onverminderd het eerste lid, onderdeel c, mag, indien de motorfiets is voorzien van een zijspanwagen en in gebruik is genomen na 31 oktober 1997, de aan de motorfiets aangebrachte richtingaanwijzer aan de zijde van de zijspanwagen niet functioneren. |
Artikel 5.4.51a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan een motorfiets in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de motorfiets of zijspanwagen verbonden aan een motorfiets herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel zwaai-, flits- of knipperlicht. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken. | |
| 3. | Motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de motorfiets of zijspanwagen verbonden aan een motorfiets herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. |
Artikel 5.4.52
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets, moeten zijn voorzien van: | Visuele controle. | |
| a. één richtingaanwijzer aan de voorzijde en één richtingaanwijzer aan de achterzijde indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 oktober 1997; | ||
| b. één achterlicht; | ||
| c. één stadslicht indien de motorfiets in gebruik is genomen na 31 oktober 1997; | ||
| d. één remlicht indien de motorfiets in gebruik in genomen na 31 oktober 1997, en | ||
| e. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig. |
Artikel 5.4.52a
Vervallen
Artikel 5.4.53
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De grote lichten, dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. | Visuele controle, waarbij het rempedaal wordt ingetrapt dan wel de remhendel wordt bediend. |
| 5. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. | Visuele controle, waarbij het desbetreffende licht wordt ingeschakeld. |
Artikel 5.4.54
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De afstand tussen de lichtdoorlatende gedeelten van de richtingaanwijzers aan de voorzijde bedraagt ten minste 240 mm. | Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt de afstand tussen de richtingaanwijzers gemeten. |
| 2. | De afstand tussen de lichtdoorlatende gedeelten van de richtingaanwijzers aan de achterzijde bedraagt ten minste 180 mm. |
Artikel 5.4.55
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in de artikelen 5.4.51 en 5.4.52 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. De op een motorfiets zonder zijspanwagen gemonteerde lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in de artikelen 5.4.51 en 5.4.52 bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 tot en met 8: visuele controle. |
| 7. | De retroreflector mag geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloed. | |
| 8. | Remlichten van motorfietsen moeten werken bij bediening van de achterwielrem of de voorwielrem. |
Artikel 5.4.56
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het dimlicht moet goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
| 2. | Motorfietsen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
Artikel 5.4.57
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen mogen zijn voorzien van: | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| a. één extra groot licht; | ||
| b. één extra dimlicht; | ||
| c. één extra stadslicht; | ||
| d. één of twee mistvoorlichten; | ||
| e. één of twee mistachterlichten; | ||
| f. waarschuwingsknipperlichten; | ||
| g. één of twee parkeerlichten; | ||
| h. ambergele retroreflectoren aan de voorste zijkanten van het voertuig, ambergele of rode retroreflectoren aan de achterste zijkanten van het voertuig; | ||
| i. één witte retroreflector aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| j. werklichten; | ||
| k. één extra achterlicht; | ||
| l. één of twee extra remlichten; | ||
| m. één of twee dagrijlichten; | ||
| n. één of twee bochtlichten. | ||
| 2. | Lichten die ingevolge artikel 5.4.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.4.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | |
| 3. | Motorfietsen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 4. | Indien een motorfiets is verbonden aan een zijspanwagen mag de combinatie voorzien zijn van ten hoogste twee dagrijlichten. |
Artikel 5.4.57a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Motorfietsen in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | |
| 3. | Motorfietsen als bedoeld in artikel 41a van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van verlichte transparanten die afzonderlijk zijn geschakeld, naar achteren niet rood stralen en niet langer of breder zijn dan het betreffende voertuig. |
Artikel 5.4.58
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Zijspanwagens, verbonden aan een motorfiets, mogen zijn voorzien van: | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| a. een stadslicht; | ||
| b. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten; | ||
| c. een remlicht; | ||
| d. een witte retroreflector aan de voorzijde van de zijspanwagen; | ||
| e. een ambergele retroreflector aan elke zijkant van de zijspanwagen; | ||
| f. een parkeerlicht aan de verst van de motorfiets verwijderde zijkant van de zijspanwagen; | ||
| g. een dagrijlicht. | ||
| 2. | Zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. |
Artikel 5.4.58a
Vervallen
Artikel 5.4.59
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het mistvoorlicht, het dimlicht, het groot licht en het stadslicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel stralen. Indien twee stadslichten zijn gemonteerd, mogen de stadslichten ambergeel stralen. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 4. | Het remlicht en het mistachterlicht mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 5. | De dagrijlichten en bochtlichten mogen niet anders dan wit stralen. |
Artikel 5.4.59a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.4.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.4.62
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een optisch signaal dan wel door de stand van de schakelaar aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.4.64
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen mogen, met uitzondering van groot licht, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | |
| 3. | Het tweede lid is niet van toepassing op motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. | – |
Artikel 5.4.65
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen en zijspanwagens verbonden aan motorfietsen mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.4.51, 5.4.51a, 5.4.57,5.4.57a en 5.4.58 is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Motorfietsen niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.4.66
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de motorfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast of vervormd. | Visuele controle. |
| 2. | Indien de inrichting, bedoeld in het eerste lid, is voorzien van een koppelingskogel, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.4.71
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsen moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld. |
| 2. | Motorfietsen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de motorfiets of de zijspanwagen te voorkomen, alsmede van een geluidssignaal dat de bestuurder kenbaar maakt dat de richtingaanwijzer is ingeschakeld. | Leden 2 tot en met 5: visuele en auditieve controle. |
| 3. | Hybride elektrische of elektrische motorfietsen mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt. | |
| 4. | Motorfietsen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn. | |
| 5. | Met uitzondering van motorfietsen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen motorfietsen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid. |
Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
Artikel 5.5.0
Een driewielig motorrijtuig moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.5.1
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het driewielige motorrijtuig moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 en 2: visuele controle, tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 2 en 3, van toepassing. |
| 2. | Het driewielige motorrijtuig moet aan de achterzijde en mag aan de voorzijde zijn voorzien van de juiste kentekenplaat. | |
| 3. | Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis of frame zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle. |
| 4. | De kentekenplaten moeten deugdelijk zijn bevestigd en zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk. | Visuele controle. Aan de eis van het goedkeuringsmerk, wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 5. | De kentekenplaat aan de achterzijde mag niet zijn afgeschermd en het kenteken moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van het driewielig motorrijtuig staat. |
§ 5. Assen
Artikel 5.5.3
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van driewielige motorrijtuigen mogen: | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. | ||
| Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | ||
| 2. | Indien het driewielig motorrijtuig is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork, mogen deze onderdelen: a. geen breuken of scheuren vertonen; b. niet zijn doorgeroest, en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | |
| 3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.5.4
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De bovenbouw van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk op het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
§ 3. Motor en brandstofsystemen
Artikel 5.5.6
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen na 31 oktober 1997 mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 2,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. | Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen die in gebruik zijn genomen voor 1 november 1997 mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. |
Artikel 5.5.7
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De ledige massa van driewielige motorrijtuigen die na 1 februari 1999 in gebruik zijn genomen, mag niet meer bedragen dan voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs is vermeld, en in elk geval niet meer dan 1.000 kg. | Leden 1 en 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De totale massa van driewielige motorrijtuigen die na 1 februari 1999 in gebruik zijn genomen, mag niet meer bedragen dan voor het betrokken voertuig in het kentekenregister is vermeld, en in elk geval niet meer dan: | |
| a. 1.300 kg voor driewielige motorrijtuigen gebruikt in het personenvervoer; | ||
| b. 2.500 kg voor driewielige motorrijtuigen gebruikt in het goederenvervoer. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.5.9
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen dan wel van de elektrische aandrijving van driewielige motorrijtuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | – Visuele controle met draaiende respectievelijk niet-draaiende motor. |
| – Indien de motor is uitgerust met meer dan één brandstofsysteem, wordt de controle op lekkage, indien mogelijk, uitgevoerd op alle brandstofsystemen. | ||
| – Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. | ||
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
Artikel 5.5.10
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.5.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 8: visuele controle. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | |
| 6. | Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. |
Artikel 5.5.10a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.5.9, voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| 5. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | Leden 6 tot en met 10: visuele controle. |
| 7. | De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 8. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 9. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 10. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. |
Artikel 5.5.11
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 33 tot en met 35, van toepassing. | Leden 3 en 4: auditieve controle. Indien toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 4. | Driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1 voor zover het betreft een driewielig motorrijtuig met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en 95 dB(A) bij een toerental van 2.000 min-1 voor zover het betreft een driewielig motorrijtuig met een verbrandingsmotor met compressieontsteking. Driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 30 tot en met 32, van toepassing. |
Artikel 5.5.12
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van driewielige motorrijtuigen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
Artikel 5.5.13
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De motorsteunen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, dan worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.5.15
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 26 november 1975, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. | Visuele controle. De werking en afleesbaarheid wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.5.16
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De aandrijving van driewielige motorrijtuigen en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.5.18
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
Artikel 5.5.19
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
Artikel 5.5.20
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers van driewielige motorrijtuigen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.5.21
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielbasis van driewielige motorrijtuigen mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, onderscheidenlijk niet meer dan 60 mm indien het een driewielig motorrijtuig met kettingaandrijving betreft. | Aan deze eis is in artikel 5.5.1 reeds getoetst. |
| 2. | Behoudens fabrieksmatige verschillen mag de wielbasis van driewielige motorrijtuigen op vier wielen links en rechts gemeten niet meer dan 15 mm verschillen. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.5.24
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van driewielige motorrijtuigen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.5.26
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle. |
| 2. | De waarschuwingsinrichting van het stabiliteitscontrolesysteem van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.5.27
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen van driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Leden 2 en 3: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van het driewielig motorrijtuig. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Visuele controle. |
| 7. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 8. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben, behalve wanneer een nood- of reservewiel wordt gebruikt. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is een nood- of reservewiel met een afwijkende maataanduiding niet toegestaan. |
| 9. | De banden moeten een juiste bandenspanning hebben zoals deze door de voertuigfabrikant is voorgeschreven voor het betreffende voertuig. Indien geen bandenspanning door de voertuigfabrikant is voorgeschreven, moeten de banden op één as een gelijke bandenspanning hebben. | – Visuele controle met behulp van een doelmatige bandenspanningsmeter. – De juiste minimale bandenspanning wordt vastgesteld aan de hand van de in of op het voertuig aanwezige bandenspanningstabel. – Indien een differentiatie in bandenmaat is gegeven, moet hiermee rekening gehouden worden. |
| – Indien de gemonteerde bandenmaat niet vermeld wordt, moet de voorgeschreven spanning van de meest overeenkomende bandenmaat gebruikt worden. | ||
| – Indien de tabel niet leesbaar of niet beschikbaar is, moet informatie van de banden- of voertuigfabrikant gebruikt worden. | ||
| – Indien geen gegevens van de banden- of voertuigfabrikant beschikbaar zijn, wordt de hoogste bandenspanning als referentiewaarde aangehouden. | ||
| – De banden op één as moeten een gelijke bandenspanning hebben met een maximaal verschil van 0,3 bar. | ||
| – Bij het constateren van een te lage bandenspanning moet deze op de juiste bandenspanning worden gebracht. | ||
| 10. | De waarschuwingsinrichting van het controlesysteem voor de bandenspanning van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.5.28
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | Indien een driewielig motorrijtuig is voorzien van schokdempers, moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en goed werken. | Visuele controle, waarbij het driewielige motorrijtuig zo mogelijk verscheidene keren wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
§ 0. Algemeen
Artikel 5.5.29
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bestuurde wielen van driewielige motorrijtuigen moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle waarbij, met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. Terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust, wordt het stuurwiel met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Leden 5 en 6: visuele controle. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 51, van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de wielen rust; |
| b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. | ||
| In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. | ||
| 8. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
| 9. | De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts worden bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiging mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | Visuele controle. |
| 11. | De onderdelen van de stuurbekrachtiging mogen geen ernstige lekkage vertonen. | Visuele controle. Het stuurwiel wordt bij stationair draaiende motor in de uiterste stand gedraaid en gehouden. |
| 12. | De waarschuwingsinrichting van de elektronische stuurbekrachtiging van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.5.30
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een voorvork, moet deze zonder zware punten in het balhoofd kunnen draaien. | Visuele controle, waarbij het voorwiel naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt bewogen, terwijl de massa van het driewielige motorrijtuig op de grond rust. |
| 2. | De balhoofdlagering mag geen zichtbare speling vertonen. | Visuele controle, waarbij het driewielige motorrijtuig in voorwaartse beweging wordt gebracht, waarna de voorwielrem in werking wordt gesteld, dan wel het voorwiel wordt ontlast en de voorvork wordt bewogen. |
§ 0. Algemeen
Artikel 5.5.31
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien er sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien er sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. Indien er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van de reminrichting wordt het remsysteem onder druk gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, wordt de drukproef uitgevoerd met draaiende motor. |
| c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; | – Onderdeel e: visuele controle. | |
| d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; | ||
| e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | ||
| 2. | De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | – Voor de controle van de vacuüm-rembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| – Visuele controle van de remkrachtregelaar. | ||
| 3. | Het rempedaal onderscheidenlijk de remhendel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt. |
| 4. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 5. | Remslangen mogen: | – Onderdeel a: visuele controle. |
| a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 55 en 56, van toepassing; | – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. | |
| b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | – Onderdeel c: visuele controle. | |
| c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | ||
| 6. | Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. | Visuele controle, waarbij de rem wordt bediend. |
| 7. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Visuele controle, waarbij de wielen vrij van de grond met de hand worden rondgedraaid. |
| 8. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt het wiel rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 9. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle. |
| 10. | Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. | Visuele controle. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit zonder demontage mogelijk is. |
| 11. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: | Visuele controle. |
| a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | ||
| b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | ||
| c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en | ||
| d. mogen geen lekkage vertonen. | ||
| 12. | De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Leden 12 en 13: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 13. | De waarschuwingsinrichting van het elektronisch remsysteem van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. |
Artikel 5.5.32
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
| 2. | De vulopening van de reservoirs, bedoeld in het eerste lid, moet zijn afgesloten met een passende dop. | Visuele controle. |
Artikel 5.5.38
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 maart 1990, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg: a. ten minste 4,5 m/s2 bedraagt bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N onderscheidenlijk bij een kracht op de remhendel van niet meer dan 200 N; | Leden 1 tot en met 4: – De controle moet plaatsvinden door middel van een beproeving op de weg. – De snelheid moet bij de aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. |
| b. ten minste 4,0 m/s2 bedraagt bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N onderscheidenlijk bij een kracht op de remhendel van niet meer dan 200 N, indien het een voertuig betreft dat voor 1 april 1997 in gebruik is genomen en dat is bestemd voor het vervoer van goederen; c. in geval van een gecombineerde reminrichting: | – De remvertraging wordt met een elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld: a. indien op de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de minimaal behaalde remvertraging; | |
| 1°. bij gebruik van de gecombineerde reminrichting ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, en 2°. bij gebruik van de andere bedrijfsrem of hulprem ten minste 2,2 m/s2 bedraagt. | b. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a kan worden vastgesteld, geldt de waarde die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten waarden die gelijk of groter zijn aan de minimaal vereiste remvertraging en gedurende minimaal een halve seconde zijn gemeten; | |
| c. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a of b kan worden vastgesteld, geldt als remvertraging de waarde die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld: | ||
| 1°. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de hoogst behaalde waarde van remvertraging bepalend; | ||
| 2°. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de waarde van de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend. | ||
| – Indien op een remtestinrichting kan worden vastgesteld dat de remvertraging voldoet kan de beproeving op de weg achterwege gelaten worden. De bij de remproef behaalde remvertraging wordt berekend door de remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg. | ||
| 2. | Driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van meer dan 400 kg, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch vóór 1 april 1990, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N onderscheidenlijk bij een kracht op de remhendel van niet meer dan 200 N. | |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, in gebruik genomen na 26 november 1975 doch vóór 1 april 1990, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt, welke waarde bij voertuigen met twee reminrichtingen moet worden gehaald bij gebruik van beide remmen tezamen; bij gebruik van elke der reminrichtingen afzonderlijk moet de remvertraging ten minste 1,7 m/s2 bedragen. | |
| 4. | Driewielige motorrijtuigen, in gebruik genomen voor 27 november 1975, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt, welke waarde bij voertuigen met twee reminrichtingen moet worden gehaald bij gebruik van beide remmen tezamen. | |
| 5. | De bedrijfsrem van driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van minder dan 400 kg, in gebruik genomen na 31 maart 1990, en van driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van meer dan 400 kg moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt dan wel de remhendel licht ingedrukt, en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. |
| 6. | Driewielige motorrijtuigen mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. | Indien een remproef op de weg wordt uitgevoerd moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 50 km/h bedragen. Indien gebruik wordt gemaakt van een remtestinrichting mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, waarbij de wielen niet blokkeren. |
Artikel 5.5.39
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Van driewielige motorrijtuigen moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. | Terwijl één of twee wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt de vastzetinrichting onderscheidenlijk vergrendeling in werking gesteld, waarna gecontroleerd wordt of één van de assen wordt geremd. |
§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
Artikel 5.5.41
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De deuren van driewielige motorrijtuigen moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
Artikel 5.5.42
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurders zitplaats aanwezige zijruiten, dan wel het windscherm van driewielige motorrijtuigen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95, van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurders zitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Indien het driewielig motorrijtuig niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Visuele controle. |
| 5. | Indien het driewielig motorrijtuig niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.5.43
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. | Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen met een voorruit met een ledige massa van niet meer dan 400 kg die voor 27 november 1975 in gebruik zijn genomen. | – |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen met een voorruit, die na 31 december 1994 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. | Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.5.44
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen met een voorruit, die na 16 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. | Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen met een voorruit en met een gesloten carrosserie, die na 31 december 1994 doch voor 17 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. |
Artikel 5.5.45
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel. | Visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen: | – |
| a. waarvan de ledige massa niet meer bedraagt dan 400 kg; | ||
| b. waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat hij vanaf zijn zitplaats het achter hem gelegen weggedeelte kan overzien; en | ||
| c. die in gebruik zijn genomen vóór 27 november 1975. | ||
| 3. | Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, met uitzondering van voertuigen die in gebruik zijn genomen vóór 17 juni 2003 en voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in het tweede lid, onderdelen a en b, moeten zijn voorzien van een binnenspiegel. | Leden 3 tot en met 6: visuele controle. |
| 4. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel, indien met de verplichte binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn. | |
| 5. | De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 6. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. | |
| 7. | In afwijking van het eerste, derde en vierde lid mogen verplichte spiegels bij driewielige motorrijtuigen met een gedeeltelijk gesloten carrosserie zijn vervangen door goedwerkende camera-monitorsystemen. Indien spiegels vervangen zijn door camera-monitorsystemen, dan moeten deze systemen deugdelijk bevestigd zijn. | Visuele controle |
Artikel 5.5.46
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De zitplaatsen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
| 2. | De zitplaatsen en rugleuningen van driewielige motorrijtuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van de vergrendeling. |
Artikel 5.5.47
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, die na 16 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren en naar achteren gerichte zitplaatsen. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen met een gesloten carrosserie, die na 31 december 1989 doch voor 17 juni 2003 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen. | |
| 3. | Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op klapstoelen en zitplaatsen die uitsluitend zijn bestemd voor gebruik in een stilstaand voertuig. | |
| 4. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 5. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
| 6. | De waarschuwingsinrichting van het gordelspansysteem en gordelkrachtbegrenzingssysteem van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Leden 6 en 7: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 7. | De waarschuwingsinrichting van het airbagsysteem van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. |
Artikel 5.5.48
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van driewielige motorrijtuigen die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van driewielige motorrijtuigen mogen niet aanlopen. | Leden 4 en 5: visuele controle. |
| 5. | Geen deel aan de buitenzijde van een driewielig motorrijtuig mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.5.51
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van: | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| a. twee grote lichten; | ||
| b. twee dimlichten; | ||
| c. twee stadslichten; | ||
| d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van driewielige motorrijtuigen die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen; | ||
| e. twee achterlichten; | ||
| f. twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; | ||
| g. een achterkentekenplaatverlichting; | ||
| h. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig. | ||
| 2. | De in het eerste lid, onderdelen d en f, bedoelde lichten zijn niet verplicht voor driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg, in gebruik genomen voor 27 november 1975, waarbij de bestuurder een zodanige plaats inneemt dat de door hem met de arm gegeven seinen zowel goed zichtbaar zijn voor het tegemoetkomend verkeer als voor het achteropkomend verkeer. | |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen met een breedte van niet meer dan 1,30 m mogen in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a, b, c, e, f en h, zijn voorzien van: | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. één groot licht; | ||
| b. één dimlicht; | ||
| c. één stadslicht | ||
| d. één achterlicht; | ||
| e. één remlicht; | ||
| f. één rode retroreflector. |
Artikel 5.5.51a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar bedoelde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die het motorrijtuig herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. Deze voertuigen moeten zijn voorzien van geel zwaai-, flits- of knipperlicht. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen gedurende hun inzet voor onopvallende politietaken. | |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die het motorrijtuig herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. |
Artikel 5.5.53
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De grote lichten, dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De richtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
| 3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
| 5. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. |
Artikel 5.5.55
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.5.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in artikel 5.5.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in artikel 5.5.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
| 8. | Indien een driewielig motorrijtuig is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling vanaf de bestuurderszitplaats aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet deze inrichting goed werken. | Visuele controle, waarbij de inrichting met de hand wordt bediend. |
Artikel 5.5.56
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het dimlicht of de dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing. | – |
Artikel 5.5.57
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van: | – Onderdelen a tot en met l, alsmede o en p: visuele controle. – Onderdelen m en n: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. één of twee mistvoorlichten; | ||
| b. één of twee mistachterlichten; | ||
| c. twee extra stadslichten; | ||
| d. twee extra achterlichten; | ||
| e. parkeerlichten; | ||
| f. één of twee achteruitrijlichten; | ||
| g. extra zijrichtingaanwijzers aan beide zijkanten van het voertuig; | ||
| h. twee extra richtingaanwijzers aan de voor- en achterzijde van het voertuig; | ||
| i. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; | ||
| j. ambergele retroreflectoren aan de voorste zijkanten van het voertuig, ambergele of rode retroreflectoren aan de achterste zijkanten van het voertuig; | ||
| k. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| l. werklichten; | ||
| m. één of twee dagrijlichten indien het voertuig niet breder is dan 1,30 m, dan wel twee dagrijlichten indien het voertuig breder is dan 1,30 m; | ||
| n. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: | ||
| o. waarschuwingsknipperlichten; | ||
| p. zijmarkeringslichten. | ||
| 2. | Lichten die ingevolge artikel 5.5.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.5.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig. | |
| 4. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel n, mogen twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.5.58
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. | |
| 3. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden vastgesteld betreffende het blauwe zwaai-, flits- of knipperlicht. |
Artikel 5.5.59
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De mistvoorlichten en de achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 6: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De mistachterlichten en het derde remlicht van het voertuig mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De extra richtingaanwijzers, extra zijrichtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten, mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
| 5. | De dagrijlichten mogen niet anders dan wit stralen. | |
| 6. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen. |
Artikel 5.5.59a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.5.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.5.61
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bij driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 1967 en breder dan 1,30 m moeten de lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.5.51, eerste en tweede lid, en 5.5.57, zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de grote lichten, achterlichten, achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de mistachterlichten, werklichten, hoeklichten en bochtlichten. | – |
Artikel 5.5.62
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.5.64
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
| 3. | Het tweede lid is niet van toepassing op driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten. | – |
Artikel 5.5.65
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.5.51, 5.5.51a, 5.5.57 en 5.5.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.5.66
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, geschiedt de controle op de wijze, bepaald in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3. | Visuele controle. |
| 2. | Indien de inrichting, bedoeld in het eerste lid, is voorzien van een koppelingskogel, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.5.71
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. | Leden 2 tot en met 5: visuele en auditieve controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoefte van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | Hybride elektrische of elektrische driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt. | |
| 4. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, moeten zijn voorzien van een tweetonige hoorn. | |
| 5. | Met uitzondering van driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen driewielige motorrijtuigen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid. |
Afdeling 6. Bromfietsen
Artikel 5.6.0
Een bromfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.6.1
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bromfiets moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Het voertuigidentificatienummer is in het chassis of frame ingeslagen en is goed leesbaar. | |
| 3. | De kentekenplaat is voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | |
| 4. | Het kenteken is goed leesbaar en de kentekenplaat is niet afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van de bromfiets staat. |
| 5. | Het eerste, derde en vierde lid zijn niet van toepassing op motorvoertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 6 km/h en motorvoertuigen die bestemd zijn om door een voetganger te worden meegevoerd. | – |
§ 5. Assen
Artikel 5.6.3
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bromfietsen mogen: | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle. Bij twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | ||
| 2. | Indien de bromfiets is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen: a. geen breuken of scheuren vertonen; b. niet zijn doorgeroest, en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.6.4
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Een aan een bromfiets gekoppelde zijspanwagen moet deugdelijk aan het frame of aan de zelfdragende constructie van de bromfiets zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De bovenbouw van bromfietsen moet deugdelijk op het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.6.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 4,00 m; b. niet breder zijn dan 1,00 m, en c. niet hoger zijn dan 2,50 m. | Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt de bromfiets gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, mogen bromfietsen op meer dan twee wielen niet breder zijn dan 2,00 m. |
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.6.8
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen die blijkens de kentekencard, het kentekenbewijs of het kentekenregister een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h tot en met 45 km/h hebben, moeten bij voortduring aan deze snelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 28 tot en met 29a, van toepassing. | – |
| 2. | Bromfietsen die blijkens de kentekencard, het kentekenbewijs of het kentekenregister een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h hebben, moeten bij voortduring aan deze snelheid, vermeerderd met 4 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 28 tot en met 29a, van toepassing. | – |
| 3. | Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de in het eerste en tweede lid vermelde maximumconstructiesnelheid te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Eventueel wordt de meting opnieuw uitgevoerd. |
Artikel 5.6.9
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van de brandstofsystemen dan wel van de elektrische aandrijving van bromfietsen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 2. | De brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.10
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.6.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 8: visuele controle. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De LPG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast die in de buitenlucht moet uitmonden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | |
| 6. | Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. |
Artikel 5.6.10a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.6.9, voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 5: visuele controle. |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank mag niet verstreken zijn. | |
| 5. | Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | |
| 6. | De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 6 tot en met 9: visuele controle. |
| 7. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 9. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. |
Artikel 5.6.11
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Bromfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 36, 37 en 38, van toepassing. | – |
| 4. | Bromfietsen waarvoor geen waarde als bedoeld in het derde lid is vermeld, mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 97 dB(A) voor bromfietsen die blijkens de gegevens in het kentekenregister een maximumconstructiesnelheid hebben van meer dan 25 km/h en niet meer dan 90 dB(A) voor andere bromfietsen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 36, 37 en 38, van toepassing. | – |
Artikel 5.6.12
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
Artikel 5.6.13
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De motor van bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.6.15
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Bromfietsen die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter, die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.16
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.6.18
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van bromfietsen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.19
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
Artikel 5.6.20
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers van bromfietsen mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging van wiellagers mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.6.24
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van bromfietsen mogen geen breuken, scheuren ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.6.27
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen van bromfietsen moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Leden 2 tot en met 5: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn. | |
| 5. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van de bromfiets. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben. | |
| 8. | De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
Artikel 5.6.28
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. | Visuele controle, waarbij de bromfiets verscheidene keren wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.29
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Van bromfietsen met twee wielen: a. moeten de voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen deugdelijk zijn bevestigd; b. moet de voorvork zonder zware punten in het balhoofd kunnen draaien, en c. mag de balhoofdlagering geen zichtbare speling vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij het voorwiel naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt bewogen, terwijl de massa van de bromfiets op de grond rust. – Onderdeel c: visuele controle, waarbij de bromfiets voorwaarts wordt bewogen en de voorwielrem in werking wordt gesteld, dan wel het voorwiel wordt ontlast en de voorvork wordt bewogen. |
| 2. | Van bromfietsen op drie of vier wielen: a. moeten de bestuurde wielen goed reageren op de draaiing van het stuurwiel; b. mogen bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien; c. moeten de voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast; | – Onderdeel a: visuele controle, waarbij met de wielen in de stand van rechtuitrijden, het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid met een hoekverdraaiing van ten hoogste 15°, zo nodig met draaiende motor. De bestuurde wielen moeten hierbij van stand veranderen. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. – Onderdeel c: visuele controle. Terwijl de massa van de bromfiets op de wielen rust, wordt het stuurwiel met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid. |
| d. moeten stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten; | – Onderdeel d: visuele controle. – Onderdeel e: visuele controle. Hierbij wordt het stuurwiel langzaam naar links en naar rechts gedraaid en axiaal bewogen. | |
| e. moeten koppelingen een zichtbaar spelingvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen; | – Onderdeel f: visuele controle. – Onderdeel g: visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: | |
| f. mogen flexibele koppelingen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt; g. mogen de verbindingen in het stangenstelsel niet te veel speling vertonen, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing is; en | 1° radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van de bromfiets op de wielen rust 2° axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. | |
| h. mag, indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, dit gedeelte geen corrosie vertonen. | – Onderdeel h: visuele controle indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
§ 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
Artikel 5.6.31
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de onderdelen: a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; en d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen. | – Onderdeel a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl het remsysteem onder druk wordt gezet, hierna aangeduid met ‘drukproef’. Het rempedaal wordt, bij een hydraulisch remsysteem langzaam, ingetrapt totdat een kracht van 500 N (50 kg) op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht wordt gedurende ongeveer 10 seconden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Bij een remhendel moet de drukproef worden uitgevoerd met de maximale handkracht. |
| 2. | Remschijven mogen geen dusdanige slijtage vertonen dat gevaar op breuk ontstaat. | Visuele controle. |
| 3. | Het rempedaal onderscheidenlijk de remhendel mag geen zodanige slag maken dat het pedaal dan wel de handel tot een aanslag kan worden ingetrapt of ingedrukt | Controle waarbij het rempedaal wordt ingetrapt met een kracht van ten hoogste 500 N (50 kg). Bij een remhendel moet dit worden uitgevoerd met de maximale handkracht. |
| 4. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 5. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle, waarbij de bestuurde wielen naar de uiterste linker- en rechterstuurstand worden gebracht. |
| c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | – Onderdeel c: visuele controle. | |
| De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | ||
| 6. | Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. | Visuele controle, waarbij de rem wordt bediend. |
| 7. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien. |
| 8. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 9. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle. |
| 10. | In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
| 11. | De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 12. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: | Visuele controle. |
| a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | ||
| b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | ||
| c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en | ||
| d. mogen geen lekkage vertonen. |
Artikel 5.6.38
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen moeten ofwel met twee afzonderlijke bedrijfsremsystemen, ofwel met een gescheiden bedrijfsremsysteem zijn uitgerust, waarbij ten minste één rem het voorwiel en ten minste één rem het achterwiel remt. | |
| 2. | Bromfietsen op twee wielen, in gebruik genomen na 31 december 2006, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem of twee bedrijfsremmen waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg; a. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 2,5 m/s2 bedraagt; b. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, en c. bij gebruik van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 4, van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan twee wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 3. | Bromfietsen op twee wielen, in gebruik genomen voor 1 januari 2007, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem of twee bedrijfsremmen met onafhankelijke bedieningsorganen en overbrengingen, waarvan de één ten minste op het voorwiel en de ander ten minste op het achterwiel werkt. De remvertraging van de voorwielrem en de achterwielrem tezamen moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedragen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 4, van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan twee wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 4. | Bromfietsen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van een bedrijfsreminrichting waarmee, bij bediening van de voor- en achterrem tezamen, hetzij bij bediening van een gezamenlijke reminrichting, de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 4, van toepassing. | Bij twijfel controle door middel van een remproef op de weg, waarbij aan de hand van de afgelegde remweg wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan. De snelheid bij aanvang van de remproef moet ongeveer 25 km/h bedragen bij een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 25 km/h onderscheidenlijk 40 km/h voor een bromfiets met een door de constructie bepaalde snelheid van 45 km/h. Tevens is het ook toegestaan om bij bromfietsen op meer dan twee wielen een zelfregistrerende remvertragingsmeter te gebruiken. |
| 5. | De in het derde lid bedoelde bedrijfsreminrichting moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt dan wel de remhendel licht ingedrukt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. |
Artikel 5.6.39
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Van bromfietsen op meer dan twee wielen moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond bevindt, wordt de vastzetinrichting onderscheidenlijk vergrendeling in werking gesteld, waarna gecontroleerd wordt of een van de assen wordt geremd. |
§ 12. Diversen
Artikel 5.6.41
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Windschermen en stroomlijnkappen van bromfietsen mogen de bediening van de stuurinrichting, de koppeling en de remmen niet belemmeren. | Visuele controle, waarbij het stuur naar de uiterste linker- en rechterstuurstand wordt bewogen en de hendels van de koppeling en reminrichting worden bediend. |
| 2. | Windschermen, stroomlijnkappen en permanent aangebrachte inrichtingen om lading mee te kunnen vervoeren, moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | De deuren van bromfietsen moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 4. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel worden geopend en gesloten. |
| 5. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.42
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bromfietsen mogen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. Ten aanzien van de voorruit is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 91 tot en met 95, van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten van bromfietsen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | |
| 3. | De lichtdoorlatendheid van de voorruit en de naast de bestuurderszitplaats aanwezige zijruiten mag niet minder dan 55% bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Indien de bromfiets niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen beschadigingen of verkleuringen vertonen. | Leden 4 en 5: visuele controle. |
| 5. | Indien de bromfiets niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel mag de achterruit niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. |
Artikel 5.6.43
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen met een voorruit, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. | Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege. |
| 2. | Bromfietsen met een voorruit, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. | Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.6.45
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid moeten bromfietsen op meer dan twee wielen met gesloten carrosserie, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, zijn voorzien van een binnenspiegel en een linkerbuitenspiegel dan wel zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel. | |
| 3. | De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 4. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. | |
| 5. | In afwijking van het tweede lid mogen verplichte spiegels bij bromfietsen op meer dan twee wielen met een gesloten carrosserie, vervangen zijn door goedwerkende camera-monitorsystemen. Indien spiegels vervangen zijn door camera-monitorsystemen, dan moeten deze systemen deugdelijk bevestigd zijn. | Visuele controle |
Artikel 5.6.46
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De zitplaats of zitplaatsen van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Voetsteunen moeten deugdelijk zijn aangebracht. |
Artikel 5.6.47
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen op meer dan twee wielen met een gesloten carrosserie en een ledige massa van meer dan 250 kg, die na 31 december 2006 in gebruik zijn genomen, moeten zijn voorzien van gordels voor alle naar voren gerichte zitplaatsen. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op klapstoelen. | |
| 3. | De gordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. |
| 4. | De gordels moeten zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | Visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
Artikel 5.6.48
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk banden van bromfietsen mogen niet aanlopen. | |
| 3. | Geen deel aan de buitenzijde van een bromfiets mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
§ 0. Algemeen
Artikel 5.6.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen op twee wielen moeten zijn voorzien van: | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| a. één dimlicht; | ||
| b. één achterlicht; | ||
| c. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| d. één remlicht indien de bromfiets een vermogen van meer dan 0,5 kW en een maximumsnelheid van meer dan 25 km/h heeft en in gebruik is genomen na 31 december 2006; | ||
| e. één ambergele retroreflector aan de zijkant van het voertuig indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2006; | ||
| f. vier ambergele retroreflectoren aan de trappers voor zover de bromfiets is voorzien van niet-intrekbare trappers en in gebruik is genomen na 31 december 2006. | ||
| 2. | Bromfietsen op drie wielen moeten zijn voorzien van: | |
| a. één dimlicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee dimlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt; | ||
| b. één stadslicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2006, en twee stadslichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2006; | ||
| c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde indien het voertuig is voorzien van een gesloten carrosserie; | ||
| d. één achterlicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee achterlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt; | ||
| e. één of twee remlichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2006, en twee remlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2006; | ||
| f. één of twee rode achterretroreflectoren indien de breedte van het voertuig 1,00 m of minder bedraagt en twee rode achterretroreflectoren indien de breedte van het voertuig meer dan 1,00 m bedraagt; | ||
| g. vier ambergele retroreflectoren aan de trappers voor zover de bromfiets is voorzien van niet-intrekbare trappers en in gebruik is genomen na 31 december 2006. | ||
| 3. | Bromfietsen op vier wielen moeten zijn voorzien van: | |
| a. één dimlicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee dimlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt; | ||
| b. één stadslicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee stadslichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt; | ||
| c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde indien het voertuig is voorzien van een gesloten carrosserie; | ||
| d. één achterlicht indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee achterlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt; | ||
| e. één of twee remlichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee remlichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt; | ||
| f. één of twee rode achterretroreflectoren indien de breedte van het voertuig 1,00 m of minder bedraagt en twee rode achterretroreflectoren indien de breedte van het voertuig meer dan 1,00 m bedraagt. |
Artikel 5.6.52
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Zijspanwagens, verbonden aan een bromfiets, moeten zijn voorzien van een rode retroreflector, aangebracht aan de achterzijde van het voertuig op ten minste 0,25 m en ten hoogste 0,90 m boven het wegdek. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.6.53
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De richtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
| 3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De remlichten mogen niet anders dan rood stralen. | Visuele controle, waarbij het rempedaal wordt ingetrapt dan wel de remhendel wordt bediend. |
Artikel 5.6.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in de artikelen 5.6.51 en 5.6.52 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het verlichte oppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt, dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in de artikelen 5.6.51 en 5.6.52 bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 tot en met 8: visuele controle. |
| 7. | De in de artikelen 5.6.51 en 5.6.52 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 8. | Remlichten van bromfietsen in gebruik genomen na 31 december 2006 moeten werken bij bediening van zowel de achterwielrem als de voorwielrem. |
Artikel 5.6.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen op twee wielen mogen zijn voorzien van: | Visuele controle. |
| a. één of twee grote lichten; | ||
| b. één extra dimlicht; | ||
| c. één of twee stadslichten; | ||
| d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde twee richtingaanwijzers aan de achterzijde en waarschuwingsknipperlichten; | ||
| e. één extra achterlicht indien de breedte van het voertuig niet meer bedraagt dan 1,30m; | ||
| f. één of twee remlichten; | ||
| g. ambergele retroreflectoren aan de voorste zijkanten van het voertuig, ambergele of rode retroreflectoren aan de achterste zijkanten van het voertuig; | ||
| h. achterkentekenplaatverlichting; | ||
| i. één naar voren gerichte witte retroreflector; | ||
| j. één dagrijlicht. | ||
| 2. | Bromfietsen op drie of vier wielen mogen zijn voorzien van: | – Onderdelen a en i: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. één of twee grote lichten indien de breedte van het voertuig 1,30 m of minder bedraagt en twee grote lichten indien de breedte van het voertuig meer dan 1,30 m bedraagt; | – Onderdelen b tot en met h: visuele controle. | |
| b. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde twee richtingaanwijzers aan de achterzijde en waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig niet is voorzien van een gesloten carrosserie; | ||
| c. achterkentekenplaatverlichting; | ||
| d. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig; | ||
| e. naar voren gerichte witte retroreflectoren; | ||
| f. één of twee mistvoorlichten; | ||
| g. één of twee mistachterlichten; | ||
| h. één of twee achteruitrijlichten; | ||
| i. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: | ||
| 3. | Bromfietsen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | Visuele controle. |
| 4. | In afwijking van het tweede lid, onderdeel i, mogen twee extra remlichten worden aangebracht, indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.6.58
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Zijspanwagens, verbonden aan een bromfiets, mogen zijn voorzien van: | – Onderdelen a en e: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. één stadslicht aan de uiterste buitenzijde van het voertuig op ten minste 0,35 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek; | – Onderdelen b, c, d, f en g: visuele controle. | |
| b. één achterlicht; | ||
| c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten; | ||
| d. één remlicht; | ||
| e. een naar voren gerichte witte retroreflector aan de voorzijde van het voertuig, aangebracht aan de uiterste buitenzijde op ten minste 0,45 m en ten hoogste 1,20 m boven het wegdek; | ||
| f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig; | ||
| g. één dagrijlicht. | ||
| 2. | Zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het grote licht, het dimlicht, het mistvoorlicht, het achteruitrijlicht en het stadslicht mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | Het achterlicht, het mistachterlicht, het derde remlicht en het remlicht mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | Richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 4. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. | |
| 5. | Het dagrijlicht mag niet anders dan wit stralen. |
Artikel 5.6.59a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.6.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.6.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen mogen, met uitzondering van groot licht, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Bromfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. |
Artikel 5.6.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.6.51, 5.6.52, 5.6.57, 5.6.57a en 5.6.58 is voorgeschreven of toegestaan. In of op het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen doen dit niet naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
Artikel 5.6.66
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bromfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle. |
| 2. | Indien de inrichting, bedoeld in het eerste lid, is voorzien van een koppelingskogel, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
§ 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
Artikel 5.6.71
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bromfietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. | Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn dan wel bel in werking wordt gesteld. |
| 2. | Bromfietsen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die er toe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de bromfiets of de zijspanwagen te voorkomen. | Leden 2 tot en met 4: visuele en auditieve controle. |
| 3. | Hybride elektrische of elektrische bromfietsen mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt. | |
| 4. | Bromfietsen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met derde lid. |
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
Artikel 5.7.0
Een motorrijtuig met beperkte snelheid moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op een mobiele machine die in gebruik is genomen vóór 1 januari 2021.
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.7.1
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het geregistreerde motorrijtuig met beperkte snelheid moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle |
| 2. | Het geregistreerde motorrijtuig met beperkte snelheid moet aan de achterzijde zijn voorzien van de juiste kentekenplaat. | |
| 3. | De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 4. | De kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd en het kenteken moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m vóór dan wel achter het midden van het motorrijtuig met beperkte snelheid staat. |
| 5. | Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke dragende structuur zijn ingeslagen en goed leesbaar zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op motorrijtuigen met beperkte snelheid als bedoeld in artikel 1b van het Kentekenreglement. | – |
| 7. | Het eerste tot en met het vierde lid zijn tot 1 januari 2025 niet van toepassing op motorrijtuigen met beperkte snelheid waarop ingevolge artikel III van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de implementatie van richtlijn 2014/45/EU alsmede ter invoering van een registratie- en kentekenplicht voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines en aanhangwagens die uitsluitend bestemd zijn om daardoor te worden voortbewogen en het niet meer toelaten tot het verkeer van nieuwe motorrijtuigen met beperkte snelheid (Stb. 2020, 167) geen kenteken behoorlijk zichtbaar aanwezig hoeft te zijn. | – |
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
Artikel 5.7.3
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen: | Visuele controle. | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. |
Artikel 5.7.4
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bovenbouw van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.7.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
| 2. | In de afmetingen, bedoeld in het eerste lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen. | -- |
| 3. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mogen motorrijtuigen met beperkte snelheid die zijn ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen niet langer zijn dan 20,00 m. |
Artikel 5.7.7
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De last onder de assen van motorrijtuigen met beperkte snelheid mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde technisch toegestane maximum aslasten, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden. | Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt het voertuig gewogen. |
| 2. | De totale massa of de som van de aslasten van motorrijtuigen met beperkte snelheid mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde toegestane maximummassa, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.7.8
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten bij voortduring aan de in artikel 1.1 met betrekking tot motorrijtuigen met beperkte snelheid vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 29a, van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
Artikel 5.7.9
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
Artikel 5.7.11
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn. | Visuele en auditieve controle. |
Artikel 5.7.12
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
Artikel 5.7.13
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De motorsteunen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk aan het chassis dan wel aan de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
§ 5. Assen
Artikel 5.7.14
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een massa in rijklare toestand van meer dan 400 kg moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te rijden. | Visuele controle. |
Artikel 5.7.16
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De aandrijving van motorrijtuigen met beperkte snelheid en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.7.18
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. |
Artikel 5.7.19
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
Artikel 5.7.20
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
Artikel 5.7.24
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.7.25
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De wielnaven van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.7.26
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.7.27
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van banden of rupsbanden, waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. | Visuele controle. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid inzake het loopvlak is niet van toepassing op motorrijtuigen met beperkte snelheid ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van personen of goederen. | – |
| 3. | De luchtbanden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 4. | De luchtbanden mogen geen uitstulpingen vertonen. | Leden 4 en 5: visuele controle. |
| 5. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 6. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van de slijtage-indicatoren. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
Artikel 5.7.28
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien het motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken, ernstige lekkage of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.7.29
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De bestuurde wielen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | |
| 3. | De stuurinrichting mag niet zijn voorzien van een elektrische overbrenging dan wel een uitsluitend pneumatische overbrenging. | |
| 4. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 5. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle., Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van motorrijtuigen met beperkte snelheid op de wielen rust. |
| 6. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 8. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 9. | De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | Leden 10 en 11: visuele controle. |
| 11. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. |
§ 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
Artikel 5.7.31
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een goedwerkende reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele of auditieve controle. Bij twijfel wordt het remsysteem onder druk gezet. – Onderdeel e: visuele controle. |
| b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | ||
| c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; | ||
| d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; | ||
| e. remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat er kans op breuk ontstaat. | ||
| 2. | De rembekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de vacuümrembekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor allereerst de vacuümvoorraad opgebruikt door het rempedaal meerdere malen in te trappen. Vervolgens wordt met ingetrapt rempedaal de motor gestart waarna door de opbouw van het vacuüm het pedaal verder moet wegzakken. |
| 3. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 4. | Remslangen mogen: | – Onderdeel a: visuele controle. |
| a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | – Onderdeel b: visuele controle. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. | |
| c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel c: visuele controle. | |
| 5. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Leden 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | |
| 7. | In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
| 8. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. mogen niet zijn beschadig, gescheurd, gebroken, en d. mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. |
| 9. | De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.7.38
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem die ten minste op één as werkt. | Visuele controle. |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. | Leden 2 tot en met 4: in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 3. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van overeenkomstige toepassing. | |
| 4. | Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken, tenzij dit ten behoeve van sturen bedoeld is. |
Artikel 5.7.39
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Van motorrijtuigen met beperkte snelheid moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. | Visuele controle. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.7.41
Vervallen
Artikel 5.7.42
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Voor- en zijruiten van motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen: a. geen beschadigingen of verkleuringen vertonen, en b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. |
Artikel 5.7.43
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een voorruit, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. De installatie mag niet door handkracht worden aangedreven. | Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege. |
Artikel 5.7.45
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte van 10 m achter het voertuig, gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon, kan overzien, welk gedeelte een breedte heeft van 2,50 m en is gelegen links van het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdig liggende verticale vlak door het meest links gelegen punt van de totale breedte van het voertuig of van de daardoor voortbewogen aanhangwagen. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel waarmee de bestuurder ten minste een vlak weggedeelte van 30 m achter het voertuig, gemeten vanaf de spiegel tot aan de horizon, kan overzien, welk gedeelte een breedte heeft van 3,50 m en is gelegen rechts van het aan de lengte-as van het voertuig evenwijdig liggende verticale vlak door het meest rechts gelegen punt van de totale breedte van het voertuig of van de daardoor voortbewogen aanhangwagen. | |
| 3. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een lengte van meer dan 6 m die zijn voorzien van een gesloten carrosserie en die zijn ingericht voor het vervoer van goederen, moeten zijn voorzien van een trottoirspiegel waarmee de bestuurder het wegdek naast de cabine aan de rechterzijde kan overzien. | Leden 3 tot en met 6: visuele controle. |
| 4. | De trottoirspiegel moet zodanig zijn aangebracht dat geen punt van de spiegel of van de steun waarop deze is gemonteerd, zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt. Indien de hoogte van de cabine zodanig is dat niet aan dit voorschrift kan worden voldaan, mag het voertuig niet van een trottoirspiegel zijn voorzien. | |
| 5. | De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 6. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. | |
| 7. | Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op motorrijtuigen met beperkte snelheid met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h waarbij de bestuurder de vereiste gezichtsvelden kan verkrijgen door direct zicht. | Visuele controle, door een persoon van gemiddeld gestalte die op gebruikelijke wijze zit of staat, waarbij een aanwezige zitplaats in de juiste rijstand is afgesteld. Hierbij mag het hoofd en bovenlichaam bewogen worden. In geval van twijfel wordt gemeten of de gezichtsvelden, bedoeld in bijlage VIII, artikelen 136a en 137a, behaald worden. |
Artikel 5.7.46
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De zitplaatsen van motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld. | Visuele controle. |
Artikel 5.7.47
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Indien een motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van gordels, moeten deze: a. deugdelijk zijn bevestigd en mogen deze niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging; en b. zijn voorzien van een goed werkende sluiting en blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | – Onderdeel a: visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. – Onderdeel b: visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel. Indien dit geen uitsluitsel biedt, moet tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd. |
Artikel 5.7.48
| 1. | Scherpe of uitstekende delen aan de voor- en achterzijde van motorrijtuigen met beperkte snelheid die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd. | Visuele controle. |
|---|---|---|
| 2. | Scherpe of uitstekende delen aan de zijkanten van motorrijtuigen met beperkte snelheid die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij het beoordelingsgebied is gelegen aan beide zijkanten en wordt begrensd door de buitenrand van het voertuig uitgezonderd de delen die gelegen zijn op meer dan 80 mm vanaf de buitenrand van het voertuig in de richting van het middenlangsvlak. De buitenrand van het voertuig is de zijrand van het voertuig die met een verticale lijn met een lengte van 2 m, haaks op het middenlangsvlak van het voertuig, als eerste wordt geraakt. De bolling van de banden boven het wegdek wordt daarbij buiten beschouwing gelaten. Voor de buitenrand van het beoordelingsgebied van het voertuig die in de lengterichting achter de grootste breedte is gelegen wordt de grootste breedte van het voertuig gehanteerd. De bolling van de banden boven het wegdek wordt daarbij buiten beschouwing gelaten. |
| De delen van het voertuig gelegen achter de grootste breedte van het voertuig en die een snij- of prikfunctie hebben en direct raakbaar zijn met de verticale 2 m lijn moeten zijn afgeschermd, ook als die zijn gelegen buiten het beoordelingsgebied. | ||
| 3. | Onverminderd het tweede lid mag het buitenoppervlak aan elke zijkant van het motorrijtuig met beperkte snelheid geen naar buiten gerichte delen bevatten waaraan andere weggebruikers kunnen blijven haken. | Leden 3 en 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | |
| 5. | Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op: a. buitenachteruitkijkspiegels, met inbegrip van de steunen ervan; b. rupskettingen en delen van een rupsband of -ketting die zich bevinden in het door de buitenste rand van de rupsband; c. wielen en wielafschermingen die zich bevinden in het door de buitenzijkant van de banden gevormde verticale vlak; d. opstappen en treden, met inbegrip van de steunen ervan; e. mechanische, elektrische, pneumatische of hydraulische verbindingen, met inbegrip van de steunen ervan; f. scharnierstructuren op inklapbare kantelbeveiligingsinrichtingen; g. bandenspanningsmeters en inrichtingen of leidingen om de banden op te pompen of leeg te laten lopen; h. antislipinrichtingen op de wielen; i. delen, niet zijnde direct raakbare delen met een snij- of prikfunctie, die zijn gemarkeerd met een breedtemarkering die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen; en j. zijrichtingaanwijzers, markeringslichten, stads- en achterlichten, parkeerlichten, retroreflectoren, markeringen van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig en de rode reflector in de vorm van een afgeknotte driehoek. | |
| 6. | Geen deel van de buitenzijde van het motorrijtuig met beperkte snelheid mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. | Visuele controle. |
§ 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van artikel 20b van de wet zijn aangewezen
Artikel 5.7.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten zijn voorzien van: | – Onderdelen a tot en met f: visuele controle. – Onderdeel g: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel h: visuele controle. |
| a. twee dimlichten; | ||
| b. twee stadslichten; | ||
| c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, alsmede waarschuwingsknipperlichten; | ||
| d. twee achterlichten; | ||
| e. twee remlichten; | ||
| f. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| g. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | ||
| h. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien het voertuig niet is voorzien van een kentekenplaat; | ||
| i. één of meer gele zwaai-, flits- of knipperlichten, indien het voertuig breder is dan 2,60 m, waarbij wordt voldaan aan de eisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, tweede lid, van het RVV 1990. | ||
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing op motorrijtuigen met beperkte snelheid die hydrostatisch worden aangedreven en waarbij de hydrostatische aandrijving tevens dienst doet als reminrichting. | Visuele controle. |
Artikel 5.7.53
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De dimlichten en de stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De richtingaanwijzers en zijrichtingaanwijzers, alsmede de waarschuwingsknipperlichten, mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. Zijrichtingaanwijzers mogen naar de zijkant niet anders dan ambergeel uitstralen. | |
| 3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. |
Artikel 5.7.54
Vervallen
Artikel 5.7.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.7.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in artikel 5.7.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 8. | De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.7.56
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
Artikel 5.7.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van: | – Onderdelen a tot en met h: visuele controle. |
| a. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; | – Onderdeel i: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen j tot en met u: visuele controle. | |
| b. twee extra dimlichten; | ||
| c. twee extra stadslichten; | ||
| d. twee mistvoorlichten; | ||
| e. één of twee mistachterlichten; | ||
| f. twee of vier parkeerlichten; | ||
| g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig; | ||
| h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| i. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m; de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | ||
| j. één of twee achteruitrijlichten; | ||
| k. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| l. staaklichten; | ||
| m. zijmarkeringslichten; | ||
| n. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; | ||
| o. werklichten; | ||
| p. twee extra remlichten of één derde remlicht; | ||
| q. twee dagrijlichten; | ||
| r. bochtverlichting; | ||
| s. hoeklichten; | ||
| t. achterkentekenplaatverlichting; | ||
| u. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig, indien deze markering niet reeds ingevolge artikel 5.18.22, tweede lid, verplicht is; | ||
| v. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien deze retroreflector niet reeds op grond van artikel 5.7.51, eerste lid, aanhef en onderdeel h, verplicht is; | ||
| w. verlichting die tijdens werkzaamheden op het wegdek een projectie maakt ter waarschuwing van andere verkeersdeelnemers. | ||
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van een ambergele of witte opvallende markering aan de zijkant van het voertuig of van een ambergele of rode opvallende markering aan de achterkant van het voertuig. |
Artikel 5.7.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De grote lichten, het dimlicht, de mistvoorlichten en de achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 9: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. Indien de parkeerlichten zijn samengebouwd met de richtingaanwijzers, mogen zij ambergeel stralen. | |
| 4. | De extra richtingaanwijzers en extra waarschuwingsknipperlichten, alsmede de zijrichtingaanwijzers, mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
| 5. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen. | |
| 6. | De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 7. | De dagrijlichten, hoeklichten en bochtlichten mogen niet anders dan wit stralen. | |
| 8. | Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen. | |
| 9. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. |
Artikel 5.7.59a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.7.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.7.60
Vervallen
Artikel 5.7.62
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.7.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | |
| 3. | In afwijking van het tweede lid, mogen de zijmarkeringslichten van motorrijtuigen met beperkte snelheid synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig knipperen. |
Artikel 5.7.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.7.51, 5.7.57 en 5.7.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.7.66
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen moet van een deugdelijke constructie zijn en moet deugdelijk aan het motorrijtuig met beperkte snelheid zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de in het eerste lid bedoelde inrichting mogen niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn. | |
| 3. | De bedieningsorganen van de in het eerste lid bedoelde inrichting moeten gemakkelijk bereikbaar zijn en gemakkelijk en zonder gevaar te bedienen zijn. |
§ 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
Artikel 5.7.71
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten ten minste zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld. |
| 2. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. | Leden 2 tot en met 4: visuele en auditieve controle. |
| 3. | Hybride elektrische of elektrische motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt. | |
| 4. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met derde lid. |
Artikel 5.7.72
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Motorrijtuigen met beperkte snelheid moeten, met uitzondering van walsen, aan de voorzijde of achterzijde zijn voorzien van een bevestigingspunt ten behoeve van het slepen van het voertuig. | Visuele controle. |
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
Artikel 5.8.0
Een landbouw- of bosbouwtrekker moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
Artikel 5.8.1
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De landbouw- of bosbouwtrekker moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 en 2: visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 2 en 3, van toepassing. |
| 2. | De landbouw- of bosbouwtrekker moet aan de achterzijde zijn voorzien van de juiste kentekenplaat. | |
| 3. | Kentekenplaten moeten zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | De kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd en het kenteken moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle, waarbij letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van de landbouw- of bosbouwtrekker staat. |
| 5. | Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke dragende structuur zijn ingeslagen en goed leesbaar zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 30 juni 2009 moeten zijn voorzien van één of meerdere constructieplaten die goed leesbaar zijn en waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de technisch toegestane maximummassa’s die op de constructieplaten zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa’s die zijn aangegeven in het kentekenregister. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 7. | Het eerste lid is tot 1 januari 2022 niet van toepassing op landbouw- of bosbouwtrekkers die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2021. | |
| 8. | Het tweede tot en met het vierde lid zijn tot 1 januari 2025 niet van toepassing op landbouw- of bosbouwtrekkers die in gebruik zijn genomen voor 1 januari 2021 en waarop ingevolge artikel III van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de implementatie van richtlijn 2014/45/EU alsmede ter invoering van een registratie- en kentekenplicht voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines en aanhangwagens die uitsluitend bestemd zijn om daardoor te worden voortbewogen en het niet meer toelaten tot het verkeer van nieuwe motorrijtuigen met beperkte snelheid (Stb. 2020, 167) geen kenteken behoorlijk zichtbaar aanwezig hoeft te zijn. |
§ 0. Algemeen
Artikel 5.8.3
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
Artikel 5.8.4
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De boven-, op- en aanbouw van landbouw- of bosbouwtrekkers moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De ondersteuning van de boven-, op- en aanbouw van landbouw- of bosbouwtrekkers moet deugdelijk zijn. |
§ 0. Algemeen
Artikel 5.8.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, dan wel niet breder dan 3,00 m indien de breedtevermeerdering het gevolg is van de montage van bredere banden of dubbellucht banden en de daarvoor noodzakelijk aangebrachte wielafscherming en markering. Uitrusting breder dan 2,55 m vallende binnen het breedste punt van de banden wordt niet in aanmerking genomen, indien deze te demonteren is en niet leidt tot extra laadruimte; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, mogen landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen vóór 1 januari 2021 niet breder zijn dan 3,00 m. | |
| 3. | In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen. | – |
Artikel 5.8.7
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De last onder de assen van een landbouw- of bosbouwtrekker mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde technisch toegestane maximum aslasten, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden. | Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De totale massa of de som van de aslasten van een landbouw- of bosbouwtrekker mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde toegestane maximummassa, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.8.8
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten bij voortduring voldoen aan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 29a, van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.8.9
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 2. | De brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. |
Artikel 5.8.11
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle met draaiende motor. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn. | Auditieve controle. |
| 4. | Indien in het kentekenregister een geluidsniveau voor het voertuig is vermeld, mag de landbouw- of bosbouwtrekker in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau produceren dan de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister, vermeerderd met 2 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 38a tot en met 38c, van overeenkomstige toepassing. | Leden 4 en 5: auditieve controle. Indien uitvoerbaar en toepasbaar wordt met een geluidsmeter klasse 1 vastgesteld of het geluidsniveau niet wordt overschreden. |
| 5. | Landbouw- of bosbouwtrekkers die in gebruik zijn genomen na 31 december 2020, waarvoor geen waarde als bedoeld in het vierde lid is vermeld, mogen geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan: a. 95 dB(A) bij een toerental van 3.500 min-1voor zover het betreft een landbouw- of bosbouwtrekker met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking; en b. 95 dB(A) bij een toerental van 1.500 min-1 voor zover het betreft een landbouw- of bosbouwtrekker met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking. |
Artikel 5.8.12
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van landbouw- of bosbouwtrekkers moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van landbouw- of bosbouwtrekkers moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
Artikel 5.8.13
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De motorsteunen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel aan de carrosserie, alsmede aan de motor, zijn bevestigd. Indien de motor en de versnellingsbak zijn samengebouwd, worden de steunen van de versnellingsbak mede als motorsteunen beschouwd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.8.14
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2017 moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te rijden. | Visuele controle. |
Artikel 5.8.16
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De aandrijving en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
§ 5. Assen
Artikel 5.8.18
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. |
Artikel 5.8.19
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels, alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging, mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
Artikel 5.8.20
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
Artikel 5.8.24
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.8.25
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De wielnaven moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.8.26
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle. |
| 2. | De waarschuwingsinrichting van het stabiliteitscontrolesysteem van landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.8.27
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van banden of rupsbanden, waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De luchtbanden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De luchtbanden mogen geen uitstulpingen vertonen. | Leden 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 5. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van landbouw- of bosbouwtrekkers moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van de slijtage-indicatoren. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de landbouw- of bosbouwtrekker. De band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Visuele controle. |
| 7. | De waarschuwingsinrichting van het controlesysteem voor de bandenspanning van landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.8.28
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. Banden worden niet beschouwd als deel van het veersysteem. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken, ernstige lekkage of scheuren vertonen, mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | |
| 3. | Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van schokdempers, moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en goed werken. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.8.29
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bestuurde wielen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten goed reageren op de draaiing van het stuurwiel. | Visuele controle, waarbij met de wielen in de stand van rechtuit rijden het stuurwiel naar links en naar rechts wordt gedraaid, waarbij de bestuurde wielen van stand veranderen. |
| 2. | Bij draaiing van het stuurwiel tot aan de aanslagen, mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, waarbij de stuurbekrachtiging buiten werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen, waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen geen breuken of scheuren vertonen; c. mogen niet zijn vervormd; en d. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. Het stuurwiel wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de landbouw- of bosbouwtrekker op de wielen rust. |
| 4. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
| 5. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Leden 5 en 6: visuele controle, waarbij het stuurwiel langzaam van links naar rechts word gedraaid en axiaal wordt bewogen. |
| 6. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd en de vulkanisatie mag niet in ernstige mate zijn losgeraakt. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 51, van toepassing. | |
| 7. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling, wordt de stuurkogel of -verbinding op doelmatige wijze belast; b. axiale speling, wordt op de stuurkogel of -verbinding trek- en drukkracht uitgeoefend. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 8. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
| 9. | De stuurbekrachtiger moet goed werken. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen van de stuurinrichting mogen: a. geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is, en b. geen bewegende delen raken. | Visuele controle. |
| 11. | De onderdelen van de stuurbekrachtiging mogen geen ernstige lekkage vertonen. | Leden 11 en 12: visuele controle, waarbij het stuurwiel bij stationair draaiende motor in de uiterste stand wordt gedraaid en gehouden. |
| 12. | De onderdelen van een volledig hydraulische stuurinrichting mogen geen lekkage vertonen. | |
| 13. | De waarschuwingsinrichting van de elektronische stuurbekrachtiging van landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
§ 5. Assen
Artikel 5.8.31
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een goed werkende reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; en e. remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat kans op breuk ontstaat. | – Onderdeel a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. In geval van twijfel wordt het remsysteem onder druk gezet. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | Een landbouw- of bosbouwtrekker moet zijn voorzien van een antiblokkeersysteem, indien het voertuig: a. in gebruik is genomen na 31 december 2020; b. een maximumconstructiesnelheid heeft van meer dan 60 km/h; c. niet meer dan vier assen heeft; en d. de technisch toegestane maximummassa meer dan 3.500 kg is. | |
| 3. | De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed werken. | Controle waarbij de rem in werking wordt gesteld bij draaiende motor. |
| 4. | De compressor en de drukregelaar moeten goed werken en tijdig in werking treden. | Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen. |
| 5. | Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt, tenzij de bediening van de hydraulische remsystemen vanuit een energievoorraad wordt gevoed. | Controle door het rempedaal in te trappen. Bij twijfel wordt het pedaal met een kracht van ten hoogste 700 N ingetrapt. |
| 6. | Rempedalen moeten een stroef oppervlak hebben en deugdelijk functioneren, alsmede in voorkomend geval zijn voorzien van een deugdelijke koppeling tussen het linker- en rechterrempedaal. | Visuele controle. |
| 7. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren; en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | Visuele controle. |
| 8. | Remleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle. |
| 9. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien. |
| 10. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl het wiel met de hand wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 11. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle. |
| 12. | Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate zijn beschadigd. | Visuele controle. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit mogelijk is zonder demontage. |
| 13. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd, gebroken; en d. mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. |
| 14. | De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven. | Leden 14 en 15: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 15. | Het elektronisch remsysteem moet goed werken. |
Artikel 5.8.38
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximumconstructiesnelheid van: a. meer dan 40 km/h, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt; b. meer dan 30 km/h, maar niet meer dan 40 km/h, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt; c. niet meer dan 30 km/h, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt. | Visuele controle door middel van een beproeving op de weg. De snelheid moet bij de aanvang van de remproef de maximumconstructiesnelheid bedragen, met een maximum van 40 km/h. De remvertraging wordt met een elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld: a. indien op de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de minimaal behaalde remvertraging; b. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a kan worden vastgesteld, geldt de waarde die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten waarden die gelijk of groter zijn aan de minimaal vereiste remvertraging en gedurende ten minste een halve seconde zijn gemeten; c. indien de remvertraging niet volgens de onderdelen a of b kan worden vastgesteld, geldt als remvertraging de waarde die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld: – indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging waarneembaar is, is de hoogst behaalde waarde van de remvertraging bepalend; – indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging waarneembaar is, is de waarde van de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend. Indien op een remtestinrichting kan worden vastgesteld dat de remvertraging voldoet, kan de beproeving op de weg achterwege blijven. De bij de remproef behaalde remvertraging wordt berekend door de remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de massa van het voertuig in rijklare toestand. |
| 2. | De bedrijfsrem van een landbouw- of bosbouwtrekker in gebruik genomen: a. na 31 december 2020 en met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 30 km/h, moet op alle wielen werken; b. vóór 1 januari 2021, moet ten minste op de wielen van één as werken. | Visuele controle. Terwijl de wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt hierop gelijktijdig gecontroleerd. |
| 3. | De bedrijfsrem van een landbouw- of bosbouwtrekker met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h, moet op alle wielen werken. | Visuele controle. Terwijl de wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt het rempedaal licht ingetrapt en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt hierop gelijktijdig gecontroleerd. |
Artikel 5.8.39
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Van landbouw- of bosbouwtrekkers moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond bevindt wordt de vastzetinrichting onderscheidenlijk vergrendeling in werking gesteld, waarna gecontroleerd wordt of één van de assen wordt geremd. |
| 2. | De parkeerrem van landbouw- of bosbouwtrekkers moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, ten minste 1,6 m/s2 bedraagt en de parkeerrem ook in achterwaartse richting functioneert. | Indien de remvertraging niet bepaald kan worden op een remtestinrichting, wordt hieraan geacht te zijn voldaan, indien de parkeerrem wordt bediend en de wielen blokkeren terwijl deze zich vrij van de grond bevinden. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.8.41
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De deuren van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten goed sluiten. Minimaal één deur die direct toegang geeft tot de bestuurdersruimte, moet op normale wijze vanaf de binnen- en buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
Artikel 5.8.42
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Voor- en zijruiten van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen: a. niet in ernstige mate beschadigd zijn; b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. Aan de in onderdeel b genoemde eis wordt niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2020, moeten zodanig zijn gebouwd of ingericht dat vanaf de bestuurderszitplaats voldoende uitzicht naar voren en opzij is. | Visuele controle, door een persoon van gemiddeld gestalte die op gebruikelijke wijze is gezeten op de voor hem in de juiste rijstand gestelde bestuurderszitplaats. Hierbij is het toegestaan dat de bestuurder zittende op de bestuurdersplaats zich zijwaarts verplaatst om de onderbreking van het zicht te beperken. In geval van twijfel wordt gemeten volgens de volgende methode: – vanuit een punt op de grond recht onder de oogpunten van de bestuurder wordt een halve denkbeeldige cirkel getrokken van 12,00 m; – naar voren gezien mogen binnen een afstand van 9,50 m op dezelfde hoogte als de denkbeeldige cirkel één of twee objecten van maximaal 0,70 m breed zijn afgeschermd. Een onderbreking van het zicht op de cirkel met een straal van 12,00 m vanuit de oogpunten van de bestuurder, buiten het zicht naar voren binnen 9,50 m, zowel links als rechts, mag niet groter zijn dan 5,5 m gemeten op de omtrek van die cirkel. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.8.43
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Landbouw- of bosbouwtrekkers met een voorruit, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. | Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege. |
Artikel 5.8.45
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van een: a. linkerbuitenspiegel; b. rechterbuitenspiegel of camera-monitorsysteem, indien in gebruik genomen na 31 december 2017. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De spiegels en camera-monitorsystemen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 3. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. | |
| 4. | Het eerste lid is niet van toepassing op landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h waarbij de bestuurder de vereiste gezichtsvelden, bedoeld in bijlage VIII, artikelen 136a en 137a, kan verkrijgen door direct zicht. | Visuele controle, door een persoon van gemiddeld gestalte die op gebruikelijke wijze zit of staat, waarbij een aanwezige zitplaats in de juiste rijstand is afgesteld. Hierbij mogen het hoofd en bovenlichaam bewogen worden. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.8.46
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De zitplaatsen van landbouw- of bosbouwtrekkers moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld. | Visuele controle. |
Artikel 5.8.47
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien landbouw- of bosbouwtrekkers zijn voorzien van gordels, moeten deze: a. deugdelijk zijn bevestigd en mogen deze niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging; en b. zijn voorzien van een goed werkende sluiting en blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | – Onderdeel a: visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. – Onderdeel b: visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme, wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel. Indien dit geen uitsluitsel biedt, moet tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd. |
| 2. | De waarschuwingsinrichting van het gordelspansysteem en gordelkrachtbegrenzingssysteem van landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect aangeven. | Leden 2 en 3: visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 3. | De waarschuwingsinrichting van het airbagsysteem van landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2017, mag geen defect vertonen. |
Artikel 5.8.48
| 1. | Scherpe of uitstekende delen aan de voor- en achterzijde van landbouw- of bosbouwtrekkers die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd. | Visuele controle. |
|---|---|---|
| 2. | Scherpe of uitstekende delen aan de zijkanten van landbouw- of bosbouwtrekkers die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij het beoordelingsgebied is gelegen aan beide zijkanten en wordt begrensd door de buitenrand van het voertuig uitgezonderd de delen die gelegen zijn op meer dan 80 mm vanaf de buitenrand van het voertuig in de richting van het middenlangsvlak. De buitenrand van het voertuig is de zijrand van het voertuig die met een verticale lijn met een lengte van 2 m, haaks op het middenlangsvlak van het voertuig, als eerste wordt geraakt. De bolling van de banden boven het wegdek wordt daarbij buiten beschouwing gelaten. Voor de buitenrand van het beoordelingsgebied van het voertuig die in de lengterichting achter de grootste breedte is gelegen wordt de grootste breedte van het voertuig gehanteerd. De bolling van de banden boven het wegdek wordt daarbij buiten beschouwing gelaten. De delen van het voertuig gelegen achter de grootste breedte van het voertuig en die een snij- of prikfunctie hebben en direct raakbaar zijn met de verticale 2 m lijn moeten zijn afgeschermd, ook als die zijn gelegen buiten het beoordelingsgebied. |
| 3. | Onverminderd het tweede lid mag het buitenoppervlak aan elke zijkant van de landbouw- of bosbouwtrekker geen naar buiten gerichte delen bevatten waaraan andere weggebruikers kunnen blijven haken. | Leden 3 en 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | |
| 5. | Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op: a. buitenachteruitkijkspiegels, met inbegrip van de steunen ervan; b. rupskettingen en delen van een rupsband of -ketting die zich bevinden in het door de buitenste rand van de rupsband; c. wielen en wielafschermingen die zich bevinden in het door de buitenzijkant van de banden gevormde verticale vlak; d. opstappen en treden, met inbegrip van de steunen ervan; e. mechanische, elektrische, pneumatische of hydraulische verbindingen, met inbegrip van de steunen ervan; f. scharnierstructuren op inklapbare kantelbeveiligingsinrichtingen; g. bandenspanningsmeters en inrichtingen of leidingen om de banden op te pompen of leeg te laten lopen; h. antislipinrichtingen op de wielen; i. delen, niet zijnde direct raakbare delen met een snij- of prikfunctie, die zijn gemarkeerd met een breedtemarkering die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen; en j. zijrichtingaanwijzers, markeringslichten, stads- en achterlichten, parkeerlichten, retroreflectoren, markeringen van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig en de rode reflector in de vorm van een afgeknotte driehoek. | |
| 6. | De wielen onderscheidenlijk banden van landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h, niet zijnde voertuigen breder dan 2,55 m waarbij de montage van afscherming onverenigbaar is in verband met de noodzakelijke bewegingsvrijheid van de wielen in ruw terrein, moeten aan de bovenzijde voor ten minste twee derde deel van de totale breedte van de banden zijn afgeschermd, onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.32, tweede lid. De voorste en de achterste rand van de afscherming moeten een hoek van ten minste 90 graden afdekken. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 7. | De wielen onderscheidenlijk banden van landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet aanlopen. | Leden 7 en 8: visuele controle. |
| 8. | Geen deel van de buitenzijde van de landbouw- of bosbouwtrekker mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
§ 12. Diversen
Artikel 5.8.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten zijn voorzien van: a. twee dimlichten; b. twee stadslichten; c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; d. waarschuwingsknipperlichten, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017; e. twee achterlichten; f. twee remlichten, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2000; g. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; h. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m en in gebruik is genomen na 31 december 2017; i. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017; j. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133 gestelde eisen, indien het voertuig breder is dan 2,55 m en in gebruik is genomen na 31 december 2017; k. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien het voertuig niet is voorzien van een kentekenplaat; l. zijmarkeringslichten indien het voertuig langer is dan 4,60 m en in gebruik is genomen na 31 december 2021. | – Onderdelen a tot en met g: visuele controle. – Onderdeel h: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel i: visuele controle. – Onderdeel j: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdeel k: visuele controle – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden moet deze zijn voorzien van twee extra stadslichten of twee staaklichten, en een breedtemarkering die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen. | Visuele controle |
Artikel 5.8.53
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 6: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
| 3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
| 5. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit licht uitstralen en mag niet naar achteren uitstralen. | |
| 6. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel licht uitstralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood licht mag uitstralen. |
Artikel 5.8.54
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. Indien zulks voor de bruikbaarheid als landbouw- of bosbouwtrekker noodzakelijk is, mogen de dimlichten op een hoogte van meer dan 1,20 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. De extra dimlichten moeten zover mogelijk vooraan het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 3,00 m boven het wegdek. | Leden 1 tot en met 7: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De stadslichten moeten naar voren stralen en zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw van het voertuig noodzakelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m zijn aangebracht. | ||
| 3. | De richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten moeten zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig noodzakelijk is, mag het hoogste punt van het lichtdoorlatende gedeelte van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 4. | De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,40 m, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw van het voertuig noodzakelijk is, mogen de achterlichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 5. | De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,40 m, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de remlichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 6. | De rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,50 m dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,40 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0, 25 m en niet meer dan 0,90 m indien twee retroreflectoren zijn aangebracht. Indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,20 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien vier retroreflectoren zijn aangebracht, mogen de extra twee retroreflectoren niet hoger dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht. |
Artikel 5.8.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.8.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in artikel 5.8.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. Tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, worden zonder gereedschap afneembare werktuigen buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in artikel 5.8.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 8. | De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.8.56
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
Artikel 5.8.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van: a. meerdere grote lichten, tegelijkertijd mogen niet meer dan vier grote lichten werken; b. twee extra dimlichten; c. twee extra stadslichten; d. twee extra achterlichten; e. twee mistvoorlichten; f. één of twee mistachterlichten; g. parkeerlichten; h. zijrichtingaanwijzers aan de zijkanten van het voertuig; i. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; j. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m; de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; k. één of twee achteruitrijlichten; l. twee staaklichten; m. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; n. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig; o. zijmarkeringslichten; p. lijnmarkering aan de zijkant en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterzijde van het voertuig, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 153, van toepassing is; q. manoeuvreerlichten aan elke zijkant van het voertuig; r. werklichten; s. een derde remlicht; t. twee dagrijlichten; u. twee bochtlichten; v. twee hoeklichten; w. achterkentekenplaatverlichting, voor zover deze niet reeds ingevolge artikel 5.8.51, eerste lid, onderdeel i, verplicht is; x. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen; y. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123 van toepassing is, indien deze niet reeds op grond van artikel 5.8.51, eerste lid, aanhef en onderdeel k, verplicht is. | – Onderdelen a tot en met i: visuele controle. – Onderdeel j: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen k tot en met y: visuele controle. |
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel 5.8.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemde datum in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die vóór of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.8.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. |
Artikel 5.8.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De grote lichten, de mistvoorlichten en de achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 10: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. Indien de parkeerlichten zijn samengebouwd met de richtingaanwijzers, mogen zij ambergeel stralen. | |
| 4. | De extra richtingaanwijzers en extra waarschuwingslichten, alsmede de zijrichtingaanwijzers, mogen naar voren niet anders dan wit of ambergeel, en naar achteren niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
| 5. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen. | |
| 6. | De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 7. | De dagrijlichten, hoeklichten, bochtlichten en manoeuvreerlichten mogen niet anders dan wit stralen. | |
| 8. | Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen. | |
| 9. | De lijn- of contourmarkering aan de zijkant is wit of geel. De lijn- of contourmarkering aan de achterzijde is rood, wit of geel. | |
| 10. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. |
Artikel 5.8.59a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.8.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.8.60
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De grote lichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht, waarbij de buitenranden van het lichtdoorlatende gedeelte zich niet dichter bij het punt van de grootste breedte van het voertuig mogen bevinden dan de buitenranden van het lichtdoorlatende gedeelte van de dimlichten. | Visuele controle. |
| 2. | De extra dimlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,50 m en niet meer dan 3,00 m boven het wegdek. De extra stadslichten moeten zijn samengebouwd met de extra dimlichten. | Leden 2 tot en met 5: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 3. | De mistvoorlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek doch niet hoger dan de verplichte dimlichten zijn aangebracht. | |
| 4. | Het mistachterlicht of de mistachterlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0, 25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw niet mogelijk is, mogen het licht of de lichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. | |
| 5. | De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek Indien zulks door de vorm van de bovenbouw niet mogelijk is, mogen het licht of de lichten op een hoogte van meer dan 1,90 m doch niet meer dan 2,30 m boven het wegdek zijn aangebracht. | |
| 6. | De markeringslichten moeten: a. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig zijn aangebracht; b. zo hoog mogelijk als met inachtneming van het bepaalde onder a mogelijk is zijn aangebracht. | Visuele controle. |
| 7. | De ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig moeten: | Leden 7 tot en met 9: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m evenwijdig aan het middenlangsvlak boven het wegdek zijn aangebracht. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht; | ||
| b. zodanig zijn aangebracht dat: | ||
| 1°. één retroreflector zich bevindt in het middelste derde gedeelte van de aanhangwagen; | ||
| 2°. de onderlinge afstand tussen de retroreflectoren niet meer dan 3,00 m bedraagt; | ||
| 3°. de afstand van de voorste retroreflector tot de voorzijde van de aanhangwagen niet meer dan 3,00 m bedraagt; | ||
| 4°. de afstand van de achterste retroreflector tot de achterzijde van de aanhangwagen niet meer dan 1,00 m bedraagt, waarbij het voertuiggedeelte boven de 2,00 m buiten beschouwing wordt gelaten in de afstand tot de achterzijde. | ||
| 8. | De zijmarkeringslichten aan de zijkanten moeten zijn aangebracht: | |
| a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich iet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | ||
| b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,90 m boven het wegdek. | ||
| 9. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.8.51, onderdeel e. Indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd mogen twee extra remlichten worden aangebracht. |
Artikel 5.8.62
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | Het ingeschakeld zijn van de richtingaanwijzers of waarschuwingsknipperlichten moet door middel van een optisch of akoestisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt, indien de landbouw- of bosbouwtrekker in gebruik is genomen na 31 december 2018. | Visuele of auditieve controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.8.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, met uitzondering van grote lichten en werklichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten en remlichten ten behoeve van het noodstopsignaal, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | |
| 3. | In afwijking van het tweede lid, mogen de zijmarkeringslichten van landbouw- of bosbouwtrekkers synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig knipperen. |
Artikel 5.8.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.8.51, 5.8.57 en 5.8.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.8.66
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen of verwisselbaar uitrustingsstuk, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig zijn gesleten, onverminderd het bepaalde in artikel 5.8.68, tweede lid, aanhef en onderdeel h. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, mogen niet gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig zijn gesleten. | |
| 3. | De bedieningsorganen van de inrichting voor het koppelen van een aanhangwagen, moeten gemakkelijk bereikbaar zijn en gemakkelijk en zonder gevaar te bedienen. | |
| 4. | De achtertraverse, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.8.71
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers moeten ten minste zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. | Leden 2 en 3: visuele en auditieve controle. |
| 3. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid. |
Artikel 5.8.72
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Een landbouw- of bosbouwtrekker mag niet zijn voorzien van een afscherming tussen de zitplaatsen. | Visuele controle. |
Afdeling 9. Fietsen
Artikel 5.9.0
Een fiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
Artikel 5.9.3
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Het frame van fietsen mag: | Onderdelen a tot en met c: visuele controle. | |
| a. niet zodanig zijn vervormd; | ||
| b. geen zodanige breuken of scheuren vertonen, en | ||
| c. niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de stijfheid en sterkte ervan in gevaar worden gebracht. |
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.9.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Fietsen op twee wielen mogen niet breder zijn dan 0,75 m. | Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met zijspanwagen mogen niet breder zijn dan 1,50 m. |
Artikel 5.9.12
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu, indien aanwezig, van fietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van fietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
§ 5. Assen
Artikel 5.9.29
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Fietsen moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 3. | De voorvork van fietsen mag geen zodanige breuken of scheuren vertonen en niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat vervorming optreedt. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.9.38
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Fietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende rem. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Fietsen met uitsluitend velgremmen moeten zijn voorzien van twee goed werkende afzonderlijke remmen, waarmee twee wielen kunnen worden geremd. |
Artikel 5.9.39
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Van fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met zijspanwagen moet de rem of één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. | Visuele controle. |
§ 0. Algemeen
Artikel 5.9.46
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De trappers van fietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd en zijn voorzien van een stroef oppervlak. | Visuele controle. |
Artikel 5.9.48
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Fietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Visuele controle. |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.9.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Fietsen op twee wielen moeten zijn voorzien van: | Onderdelen a tot en met c: visuele controle. |
| a. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| b. witte of gele retroreflectoren aan de wielen, en | ||
| c. vier ambergele of gele retroreflectoren aan de trappers. | ||
| 2. | Fietsen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van: | – Onderdelen a, c en d: visuele controle. |
| a. een rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig; | – Onderdeel b: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. | |
| b. een naar voren gerichte witte retroreflector indien de fiets breder is dan 0,75 m en is voorzien van één voorwiel; | ||
| c. witte of gele retroreflectoren aan de wielen, en | ||
| d. vier ambergele of gele retroreflectoren aan de trappers. |
Artikel 5.9.52
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Zijspanwagens, verbonden aan een fiets, moeten zijn voorzien van: | Onderdelen a en b: visuele controle. | |
| a. een rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, en | ||
| b. een witte of gele retroreflector aan het wiel. |
Artikel 5.9.54
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De rode retroreflector moet zijn aangebracht: a. bij fietsen met één achterwiel tussen de bagagedrager en het spatbord, dan wel bij afwezigheid van een bagagedrager op het spatbord op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek, dan wel onder het zadel; | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| b. bij fietsen met twee achterwielen aan de uiterste linkerzijde, op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek, en | ||
| c. bij zijspanwagens aan de uiterste buitenzijde, op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m. | ||
| 2. | De in artikel 5.9.51, tweede lid, onderdeel b, bedoelde witte retroreflector moet zijn aangebracht aan de uiterste linkerzijde van het voertuig. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten de omtrek van het wiel volgen en op of zo dicht mogelijk bij de velg zijn aangebracht, zodanig dat zij aan beide zijkanten van het voertuig zichtbaar zijn. |
Artikel 5.9.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in de artikelen 5.9.51 en 5.9.52 bedoelde retroreflectoren mogen voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De in de artikelen 5.9.51 en 5.9.52 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 3. | De rode retroreflectoren en de witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 125 en 126, van toepassing. |
Artikel 5.9.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Fietsen mogen zijn voorzien van: a. een naar voren gerichte witte retroreflector indien deze niet reeds ingevolge artikel 5.9.51 verplicht is, en b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Zijspanwagens, verbonden aan een fiets, mogen zijn voorzien van: a. een naar voren gerichte witte retroreflector, en b. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | |
| 3. | Fietsen en zijspanwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. |
Artikel 5.9.60
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De witte retroreflector op de zijspanwagen moet zijn aangebracht aan de uiterste buitenzijde. | Visuele controle. |
Artikel 5.9.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Fietsen mogen niet zijn voorzien van meer retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.9.51, 5.9.52, 5.9.57 en 5.9.57a is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.9.71
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Fietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel. | Visuele en auditieve controle, waarbij de bel in werking wordt gesteld. |
Afdeling 9. Fietsen
Artikel 5.10.0
Een gehandicaptenvoertuig voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede een gehandicaptenvoertuig uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.10.1
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een voertuigidentificatienummer dat goed leesbaar is. | Visuele controle. |
§ 0. Algemeen
Artikel 5.10.3
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van gehandicaptenvoertuigen mogen: | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. | ||
| 2. | Indien het gehandicaptenvoertuig is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen: | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen; | ||
| b. niet zijn doorgeroest, en | ||
| c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | ||
| 3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.10.4
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De bovenbouw van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk op het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd. | Visuele controle. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.10.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.10.8
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring aan de in artikel 1.1 met betrekking tot gehandicaptenvoertuigen vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 29a, van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
Artikel 5.10.9
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen dan wel van de elektrische aandrijving van gehandicaptenvoertuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Leden 3 tot en met 6: visuele controle. |
| 4. | Gehandicaptenvoertuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een: a. voorziening voor het regelen van de snelheid van het voertuig, en b. vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare brandstofniveaumeter, tenzij het voertuig is voorzien van een brandstoftank met reservestand. | |
| 5. | Gehandicaptenvoertuigen met een elektromotor moeten zijn voorzien van een: a. aan- en uitschakelaar voor de elektromotor, en b. schakelaar voor het regelen van de snelheid van het voertuig. | |
| 6. | Gehandicaptenvoertuigen met een elektromotor moeten zijn voorzien van een vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare: a. aanduiding omtrent de ladingsconditie van de tractiebatterijen, en b. aan- en uitindicator voor de elektrische installatie. |
Artikel 5.10.11
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 3. | Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn. |
Artikel 5.10.12
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu dan wel de tractiebatterij van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. | |
| 3. | Gehandicaptenvoertuigen met elektrische aandrijving moeten zijn voorzien van een beveiliging tegen overbelasting. Na een onderbreking van de stroomvoorziening moet de bestuurder deze door middel van een schakelaar, welke zich binnen het bereik van de bestuurder bevindt, kunnen herstellen. |
Artikel 5.10.13
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorsteunen van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel aan de carrosserie alsmede aan de motor zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.10.14
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te rijden. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.16
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De onderdelen van de aandrijving van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.17
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Bij gehandicaptenvoertuigen met een verbrandingsmotor moet de aandrijving tussen motor en wielen op eenvoudige wijze kunnen worden onderbroken. | Visuele controle. |
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.10.18
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.19
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledige onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
Artikel 5.10.20
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
Artikel 5.10.24
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van gehandicaptenvoertuigen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.10.26
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle. |
§ 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
Artikel 5.10.27
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 2. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | Visuele controle. |
| 3. | Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 4. | De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | Leden 4 tot en met 7: visuele controle. |
| 5. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van het gehandicaptenvoertuig. | |
| 7. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben. |
Artikel 5.10.28
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien het gehandicaptenvoertuig is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. |
§ 5. Assen
Artikel 5.10.29
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle. |
| 2. | De bestuurde wielen van gehandicaptenvoertuigen moeten goed reageren op de beweging van het bedieningsorgaan van de stuurinrichting. | |
| 3. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | |
| 4. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | |
| 5. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: |
| a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het gehandicaptenvoertuig op de wielen rust; | ||
| b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. | ||
| In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. | ||
| 7. | De stuurbekrachtiger moet goed functioneren. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts worden bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 8. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | Visuele controle. |
§ 0. Algemeen
Artikel 5.10.31
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. Bij twijfel het remsysteem onder druk zetten. – Onderdeel e: visuele controle. |
| c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; | ||
| d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en | ||
| e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | ||
| 2. | Het oppervlak van het rempedaal moet stroef zijn. | Visuele controle. |
| 3. | Remslangen mogen: | – Onderdeel a: visuele controle. |
| a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | – Onderdeel b: visuele controle. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. | |
| c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen | – Onderdeel c: visuele controle. | |
| 4. | Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. | Visuele controle. |
| 5. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Visuele controle, waarbij de wielen vrij van de grond met de hand worden rondgedraaid. |
| 6. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 7. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.32
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
Artikel 5.10.38
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem: a. die op alle wielen werkt, en b. waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 2. | Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken. | In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
Artikel 5.10.39
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een parkeerrem die op ten minste twee wielen werkt. | Terwijl twee wielen zich vrij van de grond bevinden, wordt de parkeerrem vast aangetrokken en met behulp van de vergrendeling in deze stand gehouden, waarna gecontroleerd wordt of elk van beide wielen wordt geremd. |
| 2. | De parkeerrem van gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie, moet het voertuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s2 bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert. | In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 3. | Bij gehandicaptenvoertuigen niet voorzien van een gesloten carrosserie, moet vanuit de zitpositie van de bestuurder: a. de rem of één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, dan wel b. een afzonderlijke vastzetinrichting kunnen worden bediend. | Visuele controle. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.10.41
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De deuren van gehandicaptenvoertuigen moeten goed sluiten. De deuren die direct toegang geven tot de personenruimte, moeten op normale wijze vanaf de binnenzijde en vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
| 2. | Het slot en de scharnieren van de motorkap en het kofferdeksel aan de voorzijde van het voertuig moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de motorkap en het kofferdeksel wordt geopend en gesloten. |
| 3. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de motorkap en het kofferdeksel mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.42
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De ruiten van gehandicaptenvoertuigen moeten uit gelaagd of gehard glas dan wel uit plastisch materiaal bestaan. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle. |
| 2. | De voorruit en de naast de bestuurderzitplaats aanwezige zijruiten van gehandicaptenvoertuigen mogen geen ernstige beschadigingen of verkleuringen vertonen. | |
| 3. | De voorruit en de naast de bestuurderzitplaats aanwezige zijruiten van gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen, die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | |
| 4. | Indien het gehandicaptenvoertuig niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit geen ernstige beschadigingen of verkleuringen vertonen. | |
| 5. | Indien het gehandicaptenvoertuig niet is voorzien van een rechterbuitenspiegel, mag de achterruit niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen, die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. |
Artikel 5.10.43
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Gehandicaptenvoertuigen met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft, alsmede van een goed werkende ruitensproeierinstallatie. | Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege. |
Artikel 5.10.44
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Gehandicaptenvoertuigen met een voorruit moeten zijn voorzien van een goed werkende installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit. | Visuele controle, waarbij de installatie in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.10.45
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel en van een binnenspiegel. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel indien met de verplichte binnenspiegel het achter het voertuig gelegen weggedeelte niet voldoende kan worden overzien. Indien de binnenspiegel geen zicht naar achteren mogelijk maakt, behoeft deze niet aanwezig te zijn. | |
| 3. | De spiegels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 4. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. |
Artikel 5.10.46
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De zitplaatsen en rugleuningen van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De van fabriekswege aangebrachte verstelinrichtingen van de zitplaatsen en rugleuningen moeten goed kunnen worden vergrendeld. | Visuele controle Indien de zitplaats in de stand waarin deze wordt aangetroffen vergrendeld is, wordt voldaan aan de eis ten aanzien van vergrendeling. |
Artikel 5.10.47
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Indien een gehandicaptenvoertuig is voorzien van gordels, moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en mogen deze niet zijn beschadigd. Het pluizen van een gordel wordt niet gezien als een beschadiging. | Visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
Artikel 5.10.48
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van gehandicaptenvoertuigen die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | De wielen onderscheidenlijk banden van gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten goed zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. | |
| 4. | Geen deel van de buitenzijde van het gehandicaptenvoertuig mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
§ 5. Assen
Artikel 5.10.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van: | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| a. twee grote lichten; | ||
| b. twee dimlichten; | ||
| c. twee stadslichten; | ||
| d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant en waarschuwingsknipperlichten; | ||
| f. twee achterlichten; | ||
| g. twee remlichten; | ||
| h. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig. | ||
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen niet voorzien van een gesloten carrosserie, moeten zijn voorzien van één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig. |
Artikel 5.10.53
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De grote lichten, de dimlichten en de stadslichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
| 3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. |
Artikel 5.10.54
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De grote lichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | Leden 1 tot en met 7: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De dimlichten en de stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | ||
| 3. | De richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten moeten zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | ||
| 4. | De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | ||
| 5. | De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien het voertuig niet breder is dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | ||
| 6. | De rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 0,80 m, op een zo groot mogelijke onderlinge afstand, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | ||
| 7. | In afwijking van het zesde lid, moet bij gehandicaptenvoertuigen niet voorzien van een gesloten carrosserie de rode retroreflector zijn aangebracht aan de linkerzijde van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. |
Artikel 5.10.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.10.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in artikel 5.10.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 tot en met 8: visuele controle. |
| 7. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 8. | Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 127, van toepassing. |
Artikel 5.10.56
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
Artikel 5.10.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie mogen zijn voorzien van: | Onderdelen a tot en met k: visuele controle. |
| a. één of twee mistachterlichten; | ||
| b. twee mistvoorlichten; | ||
| c. twee of vier parkeerlichten; | ||
| d. één of twee achteruitrijlichten; | ||
| e. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig; | ||
| g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.10.51 verplicht zijn; | ||
| h. één derde remlicht; | ||
| i. twee dagrijlichten; | ||
| j. bochtlichten; | ||
| k. hoeklichten. | ||
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen niet voorzien van een gesloten carrosserie, mogen zijn voorzien van: | Onderdelen a tot en met h: visuele controle. |
| a. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel; | ||
| b. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel; | ||
| c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten; | ||
| d. één of twee remlichten; | ||
| e. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | ||
| g. één of twee mistachterlichten; | ||
| h. één of twee achteruitrijlichten. | ||
| 3. | Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De lichten aan de voorzijde mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 7: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. Indien de parkeerlichten zijn samengebouwd met de richtingaanwijzers, mogen zij ambergeel stralen. | |
| 3. | De mistachterlichten en het derde remlicht mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De zijrichtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 5. | De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
| 6. | De dagrijlichten, hoeklichten, bochtlichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit stralen. | |
| 7. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. |
Artikel 5.10.59a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.10.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.10.60
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De mistvoorlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek doch niet hoger dan de dimlichten zijn aangebracht. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | |
| 3. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.10.51, eerste lid, onderdeel g. | |
| 4. | Het mistachterlicht of de mistachterlichten moeten op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. Indien het voertuig is uitgerust met één achterwiel, moet het mistachterlicht in het midden van het voertuig zijn geplaatst. De afstand tot het remlicht moet ten minste 0,10 m bedragen. |
Artikel 5.10.62
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een optisch signaal aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle. |
Artikel 5.10.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen, met uitzondering van grote lichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. |
Artikel 5.10.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.10.51 en 5.10.57 is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.10.71
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen met een gesloten carrosserie moeten zijn voorzien van ten minste een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | Leden 1 en 2: visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn of bel in werking wordt gesteld. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen niet voorzien van een gesloten carrosserie, moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | |
| 3. | Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. | Leden 3 tot en met 5: visuele en auditieve controle. |
| 4. | Hybride elektrische of elektrische gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voor zien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt. | |
| 5. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met vierde lid. |
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Artikel 5.11.0
Een gehandicaptenvoertuig, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 12. Diversen
Artikel 5.11.3
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het frame dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van gehandicaptenvoertuigen mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Indien het gehandicaptenvoertuig is opgebouwd uit een frame met voor- of achtervork mogen deze onderdelen: | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen; | ||
| b. niet zijn doorgeroest, en | ||
| c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | ||
| 3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of de daarvoor in de plaats tredende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.11.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Gehandicaptenvoertuigen mogen: a. niet langer zijn dan 3,50 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m, en c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.11.8
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten bij voortduring aan de in artikel 1.1 met betrekking tot gehandicaptenvoertuigen vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h, voldoen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 29a, van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
Artikel 5.11.9
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van de elektrische aandrijving van gehandicaptenvoertuigen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een: a. aan- en uitschakelaar voor de elektromotor, en b. schakelaar voor het regelen van de snelheid van het voertuig. | |
| 3. | Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een vanuit de zitpositie van de bestuurder zichtbare: a. aanduiding omtrent de ladingsconditie van de tractiebatterijen, en b. aan- en uitindicator voor de elektrische installatie. |
Artikel 5.11.12
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De tractiebatterij van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. | |
| 3. | Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een beveiliging tegen overbelasting. Na een onderbreking van de stroomvoorziening moet de bestuurder deze door middel van een schakelaar, welke zich binnen het bereik van de bestuurder bevindt, kunnen herstellen. |
§ 11. Verbinding tussen mobiele machine en aanhangwagen
Artikel 5.11.17
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Bij gehandicaptenvoertuigen moet de snelheid regelbaar zijn. | Visuele controle. |
§ 12. Diversen
Artikel 5.11.18
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | Visuele controle. |
Artikel 5.11.20
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
Artikel 5.11.24
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van gehandicaptenvoertuigen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
§ 12. Diversen
Artikel 5.11.27
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 2. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | Visuele controle. |
| 3. | Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 4. | De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | Leden 4 tot en met 7: visuele controle. |
| 5. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van het gehandicaptenvoertuig. | |
| 7. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben. |
Artikel 5.11.28
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien het gehandicaptenvoertuig is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen en moeten deugdelijk zijn bevestigd. |
§ 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
Artikel 5.11.29
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De stuurinrichting van gehandicaptenvoertuigen moet deugdelijk zijn. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. | |
| 3. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | |
| 4. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 5. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. | Visuele controle. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling wordt het stuurwiel met krachtige, korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid terwijl de massa van het gehandicaptenvoertuig op de wielen rust; |
| b. axiale speling worden op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. | ||
| In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.11.31
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een goedwerkende bedrijfsrem die ten minste op de wielen van één as werkt en waarvan de onderdelen: | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. Bij twijfel het remsysteem onder druk zetten. – Onderdeel e: visuele controle. |
| a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | ||
| b. niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | ||
| c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; | ||
| d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en | ||
| e. remschijven mogen geen ernstige slijtage vertonen. | ||
| 2. | Remkabels mogen niet zijn gerafeld en moeten goed gangbaar zijn. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | |
| 4. | Remslangen mogen: | – Onderdeel a: visuele controle. |
| a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | – Onderdeel b: visuele controle, De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. | |
| c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel c: visuele controle. | |
| 5. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Visuele controle, waarbij de wielen vrij van de grond met de hand worden rondgedraaid. |
| 6. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt de rem in werking gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
Artikel 5.11.32
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
Artikel 5.11.38
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Het voertuig mag door het remmen geen zijwaartse beweging maken. | In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
Artikel 5.11.39
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Van gehandicaptenvoertuigen moet vanuit de zitpositie van de bestuurder: | Visuele controle. | |
| a. de rem of één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, dan wel | ||
| b. een afzonderlijke vastzetinrichting kunnen worden bediend. |
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
Artikel 5.11.46
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De zitplaats en rugleuning van gehandicaptenvoertuigen moeten deugdelijk aan het onderstel dan wel het frame zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.11.48
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Gehandicaptenvoertuigen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Visuele controle. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.11.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig. | Visuele controle. |
Artikel 5.11.54
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De rode retroreflector moet zijn aangebracht aan de linkerzijde van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. | Visuele controle. |
Artikel 5.11.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De rode retroreflector mag ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De rode retroreflector mag geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 3. | De rode retroreflector moet zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 127, van toepassing. |
Artikel 5.11.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van: | Onderdelen a tot en met h: visuele controle. |
| a. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel; | ||
| b. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel; | ||
| c. richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten; | ||
| d. één of twee remlichten; | ||
| e. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| f. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig; | ||
| g. één of twee mistachterlichten; | ||
| h. één of twee achteruitrijlichten. | ||
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | Visuele controle. |
Artikel 5.11.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De lichten aan de voorzijde, mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De mistachterlichten en de achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | De richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
| 4 | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. |
Artikel 5.11.59a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.11.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.11.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingsknipperlichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. |
Artikel 5.11.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.11.51 en 5.11.57 is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.11.71
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Gehandicaptenvoertuigen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | Leden 1 tot en met 3: visuele en auditieve controle. |
| 2. | Gehandicaptenvoertuigen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. | |
| 3. | Gehandicaptenvoertuigen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste en tweede lid. |
Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
Artikel 5.12.0
Een aanhangwagen van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 12. Diversen
Artikel 5.12.1
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De aanhangwagen moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard, dan wel het kentekenbewijs en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 en 2: visuele controle, tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 2 en 3, van toepassing. |
| 2. | De aanhangwagen moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaat. | |
| 3. | De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle. De eis aan het goedkeuringsmerk wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van de aanhangwagen staat. |
| 5. | Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke structuur zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van één of meerdere constructieplaten die goed leesbaar zijn en waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de maximummassa's die op de constructieplaten zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa's die zijn aangegeven in het kentekenregister. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
§ 5. Assen
Artikel 5.12.3
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van aanhangwagens mogen: | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen; | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. | ||
| Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. |
Artikel 5.12.4
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bovenbouw van aanhangwagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. |
Artikel 5.12.5
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van aanhangwagens, indien aanwezig, moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van aanhangwagens moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 0. Algemeen
Artikel 5.12.6
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, mogen niet langer zijn dan 12,00 m. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. Artikel 5.1a.1 is van toepassing. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, mogen kermis- of circusvoertuigen niet langer zijn dan 14,00 m. | |
| 3. | Van opleggers die na 31 december 1997 in gebruik worden genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,04 m en mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,00 m. | Leden 3 tot en met 5: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van overeenkomstige toepassing is. |
| 4. | Van opleggers die voor 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,05 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt. | |
| 5. | In afwijking van het derde lid, mag van kermis- of circusvoertuigen de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 17,50 m. | |
| 6. | Aanhangwagens mogen niet breder zijn dan 2,55 m, met dien verstande dat aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 10.000 kg, die in gebruik zijn genomen voor 1 februari 1999, niet breder mogen zijn dan 2,60 m. | Leden 6 tot en met 8: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
| 7. | In afwijking van het zesde lid, mogen: | |
| 8. | Aanhangwagens mogen niet hoger zijn dan 4,00 m. | |
| 9. | In de afmetingen, bedoeld in het eerste, derde, zesde, zevende en achtste lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen. | – |
Artikel 5.12.7
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De last onder de assen van aanhangwagens mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum aslasten. Bij middenasaanhangwagens, aanhangwagens met een stijve dissel en opleggers mag de last onder de koppeling niet meer bedragen dan in het kentekenregister is vermeld. | Leden 1 tot en met 3: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De totale massa van aanhangwagens mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde toegestane maximummassa. | |
| 3. | De som van de aslasten van autonome aanhangwagens mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde toegestane maximummassa. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.12.9
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen aan aanhangwagens moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen, waarbij de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.12.18
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van aanhangwagens moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. |
Artikel 5.12.19
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | Stofhoezen van de fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van de volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
Artikel 5.12.20
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
Artikel 5.12.21
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De wielbasis van aanhangwagens mag niet meer dan 2,0% afwijken van de waarde die voor het voertuig is vermeld in het kentekenregister. | Aan deze eis is in artikel 5.12.1 reeds getoetst. |
Artikel 5.12.24
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van aanhangwagens mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt en het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.12.26
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.12.27
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens moeten zijn voorzien van banden waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | De banden van aanhangwagens mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Leden 2 en 3: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden van aanhangwagens moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van aanhangwagens mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. In afwijking van de eerste volzin is naprofileren toegestaan, indien de mogelijkheid daartoe op de band is vermeld door de aanduiding ‘regroovable’ of door het teken met dien verstande dat het karkas van de band niet zichtbaar mag zijn. | De wijze van keuren bij het tweede en derde lid is van toepassing. |
| 6. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van het wiel in voorwaartse rijrichting van de aanhangwagen. Een band moet zodanig gemonteerd zijn dat dit overeenkomt met de door de bandenfabrikant aangebrachte markering op de band die de draairichting of de binnenkant of buitenkant aangeeft. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De op de band van een aanhangwagen, in gebruik genomen na 31 december 1997 vermelde loadindex, mag niet kleiner zijn dan de loadindex behorende bij de maximumlast per band van de in het kentekenregister vermelde aslast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 50, van toepassing. | |
| 8. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 9. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
Artikel 5.12.28
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h moeten zijn voorzien van een goed werkend veersysteem. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | |
| 3. | Aanhangwagens die zijn voorzien van gasvering, en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg, die zijn voorzien van schroefveren, moeten zijn voorzien van deugdelijk bevestigde en goedwerkende schokdempers. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg wordt zo mogelijk verscheidene keren ingeveerd. |
| 4. | Schokdempers van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en moeten goed werken. | De wijze van keuren bij het eerste en tweede lid is van toepassing. |
§ 5. Assen
Artikel 5.12.29
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De gestuurde wielen van aanhangwagens moeten goed kunnen reageren op het commando van de stuurinrichting van het trekkend voertuig. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen van de gestuurde assen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen, mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet zijn vervormd en mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | |
| 3. | Stofhoezen van de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 4. | De onderdelen van het hydraulische besturingssysteem mogen geen lekkage vertonen. | |
| 5. | De slangen van het hydraulische besturingssysteem mogen: a. geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is, en b. geen bewegende delen raken. | |
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. | – Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Voor het zichtbaar maken van: |
| a. radiale speling wordt de stuurkogel of stuurverbinding op doelmatige wijze belast; | ||
| b. axiale speling wordt op de stuurkogel of stuurverbinding trek- en drukkrachten uitgeoefend. | ||
| – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. | ||
| 7. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
Artikel 5.12.30
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De draaikransen van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De axiale speling van de draaikransen mag: a. niet meer bedragen dan 3,5 mm; b. niet zodanig zijn dat de draaikranshelften op elkaar inslijten. | – Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Het zichtbaar maken van de speling geschiedt op de volgende wijze: a. door middel van een hefboom of koevoet, b. dan wel door het chassis te heffen. |
| – In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. | ||
| 3. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikransen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | De wijze van keuren bij het eerste lid is van toepassing. |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.12.31
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens, met uitzondering van opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, moeten zijn voorzien van een reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; e. remschijven geen dusdanige slijtage mogen vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. – Onderdeel d: visuele controle of auditieve controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Bij een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moet, indien mogelijk met de drukluchtremkrachtregelaar(s) in de stand van vol doorsturen, de maximale remdruk snel worden ingestuurd door het rempedaal van het trekkende voertuig snel in te trappen dan wel door druk vanuit een externe bron snel in te sturen. Indien de aanhangwagen is voorzien van een hydraulisch remsysteem en er twijfel bestaat omtrent de deugdelijkheid van het remsysteem, moet het remsysteem met behulp van het trekkende voertuig onder druk worden gebracht op de wijze, bepaald in artikel 5.3.31, eerste lid, onderdeel d. |
| – Onderdeel e: visuele controle. | ||
| 2. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd. Indien een remslang is misvormd, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 55 en 56, van toepassing; b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. |
| 3. | Kunststofremleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 4. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond of hefinrichting met de hand rond te draaien. |
| 5. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, wordt het wiel rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 6. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | De wijze van keuren bij het derde lid is van toepassing. |
| 7. | Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit mogelijk is zonder demontage. |
| 8. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | Visuele of auditieve controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | ||
| c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken, en | ||
| d. mogen geen lekkage vertonen. | ||
| 9. | De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem van aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 2000, mag geen defect aangeven. | Leden 9 en 10: visuele en auditieve controle. Wanneer een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven door een controlemiddel aangesloten op de stekker van het systeem, dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel worden de wielen, bijvoorbeeld met een wielspinner, op snelheid gebracht. |
| 10. | De waarschuwingsinrichting van het elektronisch remsysteem van aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 2000, mag geen defect aangeven. | |
| 11. | Aanhangwagens met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1997, met uitzondering van opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de som van de aslasten niet meer bedraagt dan 3.500 kg, moeten zijn voorzien van automatische remstelinrichtingen. | Leden 11 en 12: visuele controle. |
| 12. | Aanhangwagens waarvan de som van de toegestane aslasten meer dan 750 kg maar niet meer dan 3.500 kg bedraagt, in gebruik genomen na 1 mei 2016, met uitzondering van aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens, mogen niet zijn voorzien van een oploopremsysteem. |
Artikel 5.12.35
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens met een drukluchtremsysteem moeten zijn voorzien van: a. drukmeetpunten waarmee de drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcilinders op iedere as, kunnen worden gemeten, en | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten. | ||
| 2. | Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed functioneren. | Visuele controle met behulp van manometers, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. Indien mogelijk wordt de controle ook uitgevoerd wanneer de drukluchtremkrachtregelaar de volle druk doorstuurt. Controle op het goed functioneren kan achterwege blijven, indien een controle is uitgevoerd volgens het derde lid. |
| 3. | Aanhangwagens met drukluchtremkrachtregelaars, in gebruik genomen na 30 september 1981, moeten zijn voorzien van een plaat waarop duidelijk leesbaar de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars is vermeld. De vermelde drukluchtremkrachtregelaars moeten aanwezig zijn en moeten globaal zijn afgesteld zoals voor de beladingstoestand van het voertuig is vermeld op de plaat. | – Visuele controle op de aanwezigheid, waarbij het merk en type van de drukluchtremkrachtregelaar mag afwijken. – Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast of veerbalgdruk kan worden vastgesteld, vindt de controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld waarbij de afstelling ten hoogste 0,5 bar mag afwijken van de gegevens op de plaat. |
| De volgende twee afstellingen moeten ten minste worden gecontroleerd: | ||
| a. de stand waarin de regelaar zich bevindt behorende bij de vastgestelde aslast, en | ||
| b. wanneer de regelaar de volle druk doorstuurt, voor zover dit mogelijk is zonder demontage. | ||
| – Indien ter plaatse de daadwerkelijke aslast of veerbalgdruk niet kan worden vastgesteld, vindt een globale controle van de afstelling van de drukluchtremkrachtregelaars plaats met behulp van manometers, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. Hierbij wordt de rem in werking gesteld. | ||
| Bij een niet maximaal belaste as wordt de werking van de regelaar gecontroleerd door: | ||
| a. de druk te meten die de regelaar doorstuurt in de stand waarin deze zich dan bevindt; | ||
| b. de afstelling te meten van de stand waarin de regelaar de volle druk doorstuurt, voor zover dit mogelijk is zonder demontage. | ||
| De onder punt b gemeten druk moet hoger zijn dan de druk vastgesteld onder punt a. Indien de betreffende as nagenoeg maximaal is belast, mag de onder punt b gemeten druk gelijk zijn aan de vastgestelde druk onder a. | ||
| 4. | De ontwateringsventielen van reservoirs moeten goed functioneren. | Visuele controle, waarbij het ontwateringsventiel, indien mogelijk, moet worden bediend. |
Artikel 5.12.36
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De slag van drukluchtremcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
| 2. | De slag van drukluchtremcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan twee derde deel van de maximumslag van de betrokken remcilinder. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.12.38
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,0 m/s2 bedraagt. Bij controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
| 2. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 31 december 1997 doch voor 1 januari 2012, en opleggers in gebruik genomen na 31 december 2011, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
| 3. | Aanhangwagens, niet zijnde opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 1998, en opleggers, in gebruik genomen na 30 september 1971 doch voor 1 januari 2012, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
| 4. | Aanhangwagens in gebruik genomen voor 1 oktober 1971, moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s2 bedraagt. Bij de controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
| 5. | Indien de remkrachten van de aanhangwagen groter of gelijk zijn aan de door de voertuigfabrikant vastgestelde referentieremkrachten, die horen bij de voorgeschreven minimum remvertraging, wordt voldaan aan het eerste lid. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | |
| 6. | De bedrijfsrem moet op alle wielen werken. | Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de bedrijfsrem bedient en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 7. | De bedrijfsrem moet zodanig werken dat de kans op blokkeren van wielen zo gering mogelijk is. | Controle hierop heeft reeds plaatsgevonden op grond van de artikelen 5.12.35, tweede en derde lid, en 5.12.38, zevende lid. |
| 8. | Aanhangwagens mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de wielen van elke as. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2, van toepassing. | – |
Artikel 5.12.39
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens, met uitzondering van opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, moeten zijn voorzien van een goedwerkende vastzetinrichting die ten minste op de wielen van één niet hefbare as werkt en door een geheel mechanische overbrenging met de hand in werking kan worden gesteld, ook wanneer het voertuig niet aan een motorvoertuig is verbonden. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de vastzetinrichting wordt bediend. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing, indien de aanhangwagen: a. is voorzien van een veerrem die ten minste op de wielen van één niet hefbare as werkt en die automatisch in werking treedt bij het ontkoppelen of drukloos maken van het remsysteem, of | Leden 2 en 3: visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| b. in gebruik is genomen vóór 1 januari 1998 en is voorzien van een hydraulisch dan wel elektrisch bekrachtigd remsysteem en is uitgerust met wielkeggen. | ||
| 3. | In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, mag de veerrem werken op een hefbare as, mits deze as automatisch op het wegdek zakt wanneer de veerrem wordt geactiveerd. |
Artikel 5.12.40
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bij het verbreken van de verbinding tussen de aanhangwagen en het trekkende voertuig moet de reminrichting van de aanhangwagen automatisch in werking treden. | Visuele controle, terwijl de luchtslang van de voorraad tussen het trekkende voertuig of een andere externe bron en de aanhangwagen wordt losgenomen. |
| 2. | Bij het koppelen van de reminrichting van de aanhangwagen aan die van het trekkende voertuig moet de reminrichting van de aanhangwagen automatisch in de bedrijfstoestand komen. | Visuele controle. Indien een losknop aanwezig is, moet deze, nadat de luchtslang van de voorraad is losgekoppeld, eerst worden bediend en moet vervolgens de luchtslang van de voorraad worden aangesloten. Hierbij moet de losknop terugkeren in zijn oorspronkelijke stand. |
| 3. | De in het eerste en tweede lid gestelde eisen gelden niet voor middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel met een toegestane maximummassa van ten hoogste 1.500 kg. | Leden 3 en 4: visuele controle. |
| 4. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een losbreekreminrichting, moet deze goed functioneren. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.12.41
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het slot en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen van aanhangwagens moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de deuren en laadbakkleppen worden geopend en gesloten. |
| 2. | De bevestiging van de scharnieren van de deuren, de laadbakkleppen en de aerodynamische voorziening of uitrusting aan de achterzijde mag niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 3, afdelingen 1, 2 en 3 van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | Aerodynamische voorzieningen en uitrusting die intrekbaar of inklapbaar zijn, moeten zowel in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand kunnen worden vergrendeld. | Visuele controle, waarbij in beide situaties de vergrendeling wordt bediend. |
Artikel 5.12.48
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van aanhangwagens die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste lid en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle, waarbij in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. Op aanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 1974 is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 102 tot en met 106c, van toepassing. | Leden 4 tot en met 6: visuele controle. |
| 5. | Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 107 tot en met 111, van toepassing. | |
| 6. | Geen deel aan de buitenzijde van de aanhangwagen mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
Artikel 5.12.49
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen, moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een deugdelijke stootbalk, indien de afstand van de onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen van het koetswerk op een afstand van meer dan 1,00 m achter het hart van de achterste as, meer bedraagt dan 0,70 m, dan wel meer bedraagt dan 0,55 m, indien het voertuig na 31 december 1997, in gebruik is genomen. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op vuilniswagens met een laadmogelijkheid aan de achterzijde, dolly’s en asfaltwagens. | – |
| 3. | De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor aanhangwagens, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1998, niet meer bedragen dan 0,70 m en voor aanhangwagens, in gebruik genomen na 31 december 1997, niet meer bedragen dan 0,55 m. | Leden 3 tot en met 6: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Indien de aanhangwagen in gebruik is genomen na 31 december 2004, mag de stootbalk niet meer dan 0,45 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. In afwijking van de eerste volzin, mag de stootbalk bij aanhangwagens ingericht als betonmolen, betonmixer of betonpomp niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. | |
| 5. | Indien de aanhangwagen in gebruik is genomen na 30 juni 1967 en voor 1 januari 2005, mag de stootbalk niet meer dan 0,60 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m gemeten vanaf het wegdek buiten beschouwing gelaten. | |
| 6. | De stootbalk mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,10 m smaller zijn dan: a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten. In afwijking van het bepaalde in de aanhef, mag de stootbalk bij aanhangwagens bestemd voor het vervoer van wissellaadbakken aan weerszijden niet meer dan 0,20 m smaller zijn. | |
| 7. | De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. | Leden 7 en 8: visuele controle. |
| 8. | De uiteinden van de stootbalk mogen niet naar achteren zijn omgebogen. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.12.51
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens moeten zijn voorzien van: | – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. | |
| a. twee stadslichten indien het voertuig breder is dan 1,60 m en na 30 juni 1967 in gebruik is genomen; | – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. | |
| b. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; c. twee achterlichten; | – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. | |
| d. twee remlichten; | – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. | |
| e. achterkentekenplaatverlichting | – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. | |
| f. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. | |
| g. één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; het mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. | |
| h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 is gebruik is genomen; | – Onderdeel a: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen b tot en met i: visuele controle. – Onderdelen j tot en met n: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. | |
| i. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | ||
| j. twee markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; | ||
| k. zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122 van toepassing; | ||
| l. één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 2012 in gebruik is genomen; | ||
| m. lijnmarkering aan de achterzijde, indien het voertuig breder is dan 2,10 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de som van de toegestane aslasten meer bedraagt dan 3.500 kg; hierbij is bijlage VIII, artikel 153, van toepassing; | ||
| n. lijnmarkering aan de zijkant, indien het voertuig langer is dan 6,00 m, na 31 december 2012 in gebruik is genomen en de som van de toegestane aslasten meer bedraagt dan 3.500 kg; hierbij is bijlage VIII, artikel 153, van toepassing. |
Artikel 5.12.53
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 6: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De richtingaanwijzers en de remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
| 3. | De achterlichten en de mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. | |
| 5. | De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit, en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 6. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen. | |
| 7. | De lijn- of contourmarkering aan de zijkant is wit of geel. De lijn- of contourmarkering aan de achterzijde is rood, wit of geel. | Visuele controle. |
Artikel 5.12.55
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.12.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in artikel 5.12.51 bedoelde lichten en retroreflectoren, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Visuele controle. Tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport wordt een zonder gereedschap afneembare lastdrager buiten beschouwing gelaten. |
| 7. | De in artikel 5.12.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. | Visuele controle. |
Artikel 5.12.57
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van: | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met s: visuele controle |
| a. twee extra achterlichten; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met s: visuele controle | |
| b. extra achteruitrijlichten; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met s: visuele controle | |
| c. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met s: visuele controle | |
| d. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met s: visuele controle | |
| e. twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee extra markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge artikel 5.12.51 verplicht zijn; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met s: visuele controle | |
| f. twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.12.51 verplicht zijn; | – Onderdelen a tot en met k: visuele controle. – Onderdeel l: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen m tot en met s: visuele controle | |
| g. twee staaklichten; | ||
| h. één extra mistachterlicht; | ||
| i. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.12.51 verplicht zijn. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; | ||
| j. witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig indien deze niet reeds ingevolge artikel 5.12.51 verplicht zijn; | ||
| k. werklichten; | ||
| l. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: | ||
| m. in afwijking van onderdeel l mogen twee extra remlichten worden aangebracht; | ||
| n. een lampje aan de voorzijde van het voertuig dat de werking van het antiblokkeer- of besturingssysteem aangeeft; | ||
| o. twee stadslichten; | ||
| p. een markering aan de achterzijde van het voertuig, indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg; | ||
| q. volledige contourmarkering, gedeeltelijke contourmarkering of lijnmarkering aan de zijkant van het voertuig en volledige contourmarkering of lijnmarkering aan de achterkant van het voertuig, voor zover deze niet reeds ingevolge artikel 5.12.51 verplicht is. Hierbij is bijlage VIII, artikel 153 van toepassing; | ||
| r. lijnmarkering aan de voorkant. Hierbij is bijlage VIII, artikel 153, van toepassing; | ||
| s. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien de maximumconstructiesnelheid ten hoogste 25 km/h bedraagt. | ||
| 2. | Lichten en retroreflecterende voorzieningen die ingevolge artikel 5.12.51 verplicht zijn gesteld voor voertuigen die na een in dat artikel genoemd tijdstip in gebruik zijn genomen, mogen zijn aangebracht op voertuigen die voor of op dat tijdstip in gebruik zijn genomen, mits wordt voldaan aan de in artikel 5.12.53 met betrekking tot die lichten gestelde eisen. Zijmarkeringslichten moeten voldoen aan het bepaalde in onderdeel i van het eerste lid. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van extra rode retroreflectoren aan de achterzijde en extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn. | |
| 4. | De extra achteruitrijlichten, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, mogen aan de zijkant van het voertuig zijn gemonteerd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.12.58
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen voeren zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | Lid 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers of tekens. |
Artikel 5.12.59
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 3. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen. | |
| 4. | De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit stralen en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 5. | Het derde remlicht mag niet anders dan rood stralen. | |
| 6. | De markering aan de achterzijde moet bestaan uit één rechthoekig bord, dan wel uit een set van twee of vier rechthoekige borden, welke zijn voorzien van een rood fluorescerende omranding op een geel retroreflecterende achtergrond. | Visuele controle. |
| 7. | De lijn- en contourmarkering aan de zijkant is wit of geel. De lijn- en contourmarkering aan de achterzijde is rood, wit of geel. De lijnmarkering aan de voorzijde is wit. | Visuele controle. |
Artikel 5.12.59a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.12.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.12.61
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bij aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1967 moeten de verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.12.51 en 5.12.57 zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. Voor richtingaanwijzers geldt de eerste volzin slechts voor zover de aanhangwagen in gebruik is genomen na 31 december 1997. | Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, moeten de stadslichten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor de achteruitrijlichten, remlichten, de achterkentekenplaatverlichting, de markering aan de achterzijde van het voertuig, de rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek, mistachterlichten en werklichten. | – |
Artikel 5.12.64
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, de waarschuwingsknipperlichten en de remlichten ten behoeve van het noodstopsignaal, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, mogen de zijmarkeringslichten van aanhangwagens synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig knipperen. |
Artikel 5.12.65
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.12.51, 5.12.57 en 5.12.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Aanhangwagens niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.12.66
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De koppeling en de trekinrichting van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De trekinrichting van een autonome aanhangwagen alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van verschijnselen van corrosie van het oppervlak. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De trekinrichting van een middenasaanhangwagen of aanhangwagen met een stijve dissel alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen door corrosie niet overmatig zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2 afdeling 1, 2 en 3 van toepassing. | |
| 4. | De trekinrichting van een autonome aanhangwagen mag niet zodanig zijn vervormd dat een langsbeen, gemeten over een afstand van 0,90 m, een uitwijking heeft van meer dan 18 mm ten opzichte van de rechte lijn. De trekinrichting van een middenasaanhangwagen of aanhangwagen met een stijve dissel mag niet overmatig zijn vervormd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei gemeten. |
| 5. | Aanhangwagens waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 1.500 kg en die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van een hulpkoppeling. De hulpkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet vervormd, gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | Leden 5 tot en met 7: visuele controle. |
| 6. | Aanhangwagens die zijn voorzien van een losbreekreminrichting, mogen niet tevens zijn voorzien van een hulpkoppeling. | |
| 7. | Delen van de koppeling van aanhangwagens mogen tijdens het ontkoppelen, het losbreken of in afgekoppelde toestand het wegdek niet kunnen raken. |
Artikel 5.12.67
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Indien de aanhangwagen is voorzien van een kogelkoppeling: a. moet de sluit- en borginrichting goed functioneren, en b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd. | Visuele controle, waarbij de sluit- en borginrichting met behulp van een koppelingskogel wordt gecontroleerd. |
Artikel 5.12.68
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 40 mm: a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 41,5 mm bedragen, en b. moet de dikte van het trekoog ten minste 28,0 mm bedragen. | Leden 1 tot en met 3: – Onderdelen a: er wordt in alle richtingen gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber. – Onderdelen b: ter plaatse van de slijtagevlakken wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 50 mm: | |
| a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 52,5 mm bedragen, en | ||
| b. moet de dikte van het trekoog ten minste 41,5 mm bedragen. | ||
| 3. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 57,5 mm: | |
| a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 59,5 mm bedragen, en | ||
| b. moet de dikte van het trekoog ten minste 19 mm bedragen. | ||
| 4. | Het trekoog mag: a. niet zijn vervormd of gescheurd; b. niet zijn voorzien van een ingelaste trekoogbus; c. niet zijn hersteld door middel van lassen of oplassen. | Visuele controle. |
Artikel 5.12.69
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 2 inch: a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 49,0 mm bedragen, en | Leden 1 en 2: er wordt gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber, waarbij het meetgedeelte van het gereedschap ter plaatse van de koppelingspen ten minste 2 mm en ten hoogste 4 mm dik is. |
| b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 70,0 mm bedragen. | ||
| 2. | Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 3,5 inch: | |
| a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 86,0 mm bedragen, en | ||
| b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 110,0 mm bedragen. | ||
| 3. | De plaat van de opleggerkoppeling mag niet in ernstige mate zijn vervormd of ingesleten. Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 2 inch of 3,5 inch, mag binnen een straal van 0,45 m gemeten vanuit het hart van de koppelingspen, de onvlakheid van de koppelingsplaat niet meer dan 5 mm bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen en zo dicht mogelijk bij de koppelingspen gemeten. |
| 4. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de plaat van de opleggerkoppeling mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
Artikel 5.12.70
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Op aanhangwagens die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van voertuigen dan bedoeld in de artikelen 5.12.67 tot en met 5.12.69, zijn de artikelen 5.3.66, 5.3.67, 5.3.68 en 5.3.69 van overeenkomstige toepassing. | De wijze van keuren bij de artikelen 5.3.66, 5.3.67, 5.3.68 en 5.3.69, is van overeenkomstige toepassing. |
| 2. | De achtertraverse van deze aanhangwagens, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
Afdeling 9. Fietsen
Artikel 5.13.0
Een aanhangwagen van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.13.1
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens in gebruik genomen na 29 oktober 2012, moeten zijn voorzien van een voertuigidentificatienummer dat in het chassis, frame of soortgelijke structuur is ingeslagen, welk nummer goed leesbaar is. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Aanhangwagens in gebruik genomen na 29 oktober 2012, moeten zijn goedgekeurd en zijn voorzien van een constructieplaat waarop de volgende gegevens zijn vermeld: | |
| a. de naam van de fabrikant; | ||
| b. indien typegoedgekeurd, het typegoedkeuringsnummer van het voertuig; | ||
| c. het voertuigidentificatienummer, en | ||
| d. de technische toegestane maximummassa en aslasten. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.13.3
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van aanhangwagens mogen: | Onderdelen a en b: visuele controle. | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. |
Artikel 5.13.4
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bovenbouw van aanhangwagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. |
Artikel 5.13.5
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van aanhangwagens, indien aanwezig, moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van aanhangwagens moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.13.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. De aanhangwagens worden in geval van twijfel gemeten. Artikel 5.1a.1 is van toepassing. Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.13.9
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen van aanhangwagens moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 2. | Brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.13.18
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van aanhangwagens moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. |
Artikel 5.13.20
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers van aanhangwagens mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
Artikel 5.13.24
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van aanhangwagens mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.13.27
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens moeten zijn voorzien van banden waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De banden van aanhangwagens mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 5. | De banden van aanhangwagens mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | Leden 5 tot en met 8: visuele controle. |
| 6. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 7. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting van de aanhangwagen. | |
| 8. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben. |
Artikel 5.13.28
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. Banden worden niet als deel van het veersysteem beschouwd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. | |
| 3. | Aanhangwagens die zijn voorzien van schroefveren moeten zijn voorzien van goed werkende schokdempers. | Visuele controle, waarbij de aanhangwagen zo mogelijk verscheidene keren wordt ingeveerd. |
| 4. | Schokdempers van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
§ 12. Diversen
Artikel 5.13.31
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een reminrichting, moet deze zodanig werken dat het voertuig ten gevolge van de remwerking geen zijwaartse bewegingen maakt. | Bij twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 2. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een reminrichting: | – Onderdelen a, b en c: visuele controle. |
| a. moeten de onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; | – Onderdeel d: visuele controle bij twijfel moet het remsysteem met behulp van het trekkende voertuig onder druk worden gebracht. | |
| b. mogen de onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; | – Onderdeel e: visuele controle. | |
| c. mogen de onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; | ||
| d. mogen de onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen, en | ||
| e. mogen de remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat er gevaar op breuk ontstaat. | ||
| 3. | Remslangen mogen: | Visuele controle. |
| a. niet in ernstige mate zijn misvormd; | ||
| b. niet langs andere voertuigdelen schuren, en | ||
| c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | ||
| De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | ||
| 4. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen die zijn voorzien van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien. |
| 5. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle, terwijl de wielen zich vrij van de grond bevinden. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 6. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle. |
§ 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
Artikel 5.13.41
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Het slot en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen van aanhangwagens moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de deuren en laadbakkleppen worden geopend en gesloten. |
Artikel 5.13.48
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van aanhangwagens die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | De wielen onderscheidenlijk banden van aanhangwagens moeten goed zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. | Leden 4 en 5: visuele controle. |
| 5. | Geen deel van de buitenzijde van de aanhangwagen mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
Artikel 5.13.50
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat. | Visuele controle. |
§ 12. Diversen
Artikel 5.13.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens moeten zijn voorzien van: | – Onderdelen a tot en met i: visuele controle. |
| a. twee stadslichten indien het voertuig breder is dan 1,60 m; | – Onderdelen j en k: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. | |
| b. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| c. twee achterlichten; | ||
| d. twee remlichten; | ||
| e. achterkentekenplaatverlichting; | ||
| f. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| g. één mistachterlicht in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; | ||
| h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| i. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; | ||
| j. twee markeringslichten aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig breder is dan 2,10 m; | ||
| k. zijmarkeringslichten indien het voertuig langer is dan 6,00 m. | ||
| 2. | Het eerste lid, onderdeel g, is niet van toepassing op een aanhangwagen die wordt getrokken door een voertuig dat niet is voorzien van een mistachterlicht. | Visuele controle. |
Artikel 5.13.53
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De stadslichten mogen niet anders dan wit stralen. | Leden 1 tot en met 6: visuele controle. |
| 2. | De richtingaanwijzers en de remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
| 3. | De achterlichten en het mistachterlicht mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. | |
| 5. | De markeringslichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 6. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen. |
Artikel 5.13.54
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig voor de eerste as zijn aangebracht: | Leden 1 tot en met 9: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 2. | De richtingaanwijzers moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de richtingaanwijzers op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 3. | De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de achterlichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 4. | De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0, 25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de remlichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 5. | De rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. | ||
| 6. | Het mistachterlicht moet zijn aangebracht: | |
| a. op ten minste 0,10 m afstand van de remlichten, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek. | ||
| 7. | De witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig moeten voor de eerste as zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand van niet minder dan 0,60 m dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 8. | De ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig moeten: | |
| a. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m evenwijdig aan het middenlangsvlak boven het wegdek zijn aangebracht. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht; | ||
| b. zodanig zijn aangebracht dat: | ||
| 1°. één retroreflector zich bevindt in het middelste derde gedeelte van de aanhangwagen; | ||
| 2°. de onderlinge afstand tussen de retroreflectoren niet meer dan 3,00 m bedraagt; | ||
| 3°. de afstand van de voorste retroreflector tot de voorzijde van de aanhangwagen niet meer dan 3,00 m bedraagt; | ||
| 4°. de afstand van de achterste retroreflector tot de achterzijde van de aanhangwagen niet meer dan 1,00 m bedraagt, waarbij het voertuiggedeelte boven de 2,00 m buiten beschouwing wordt gelaten in de afstand tot de achterzijde. | ||
| 9. | De zijmarkeringslichten moeten zijn aangebracht: | |
| a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | ||
| b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks voor de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de zijmarkeringslichten op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 10. | De markeringslichten moeten zijn aangebracht: a. zo hoog mogelijk boven het wegdek; b. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Visuele controle. |
Artikel 5.13.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.13.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijk kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in artikel 5.13.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De in artikel 5.13.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. |
Artikel 5.13.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van: | Onderdelen a tot en met j: visuele controle. |
| a. twee stadslichten, indien het voertuig niet breder is dan 1,60 m; | ||
| b. twee extra markeringslichten aan de voorzijde en twee extra markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten reeds ingevolge artikel 5.13.51 verplicht zijn; | ||
| c. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.13.51 verplicht zijn; | ||
| d. zijmarkeringslichten, indien deze lichten niet reeds ingevolge artikel 5.13.51 verplicht zijn | ||
| e. één of twee achteruitrijlichten; | ||
| f. werklichten; | ||
| g. één derde remlicht; | ||
| h. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| i. twee staaklichten; | ||
| j. één of twee mistachterlichten. | ||
| 2. | Aanhangwagens mogen zijn voorzien van: | Visuele controle. |
| a. extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde; | ||
| b. extra rode retroreflecterende voorzieningen aan de achterzijde, en | ||
| c. extra retroreflecterende voorzieningen aan de zijkanten van het voertuig, welke ambergeel moeten zijn, met uitzondering van de achterste zijreflector, welke rood mag zijn; | ||
| d. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien de maximumconstructiesnelheid ten hoogste 25 km/h bedraagt. |
Artikel 5.13.58
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens in gebruik bij de in artikel 29, eerste lid, en artikel 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Krachtens artikel 71 van de wet kunnen voorschriften worden gesteld met betrekking tot de uitvoering en de installatie van de in het eerste lid genoemde striping, letters, cijfers, tekens. |
Artikel 5.13.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De markeringslichten en de staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | |
| 3. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen. | |
| 4 | De extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 5. | De mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen. |
Artikel 5.13.59a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.13.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.13.60
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De achteruitrijlichten mogen niet lager dan 0,25 m en niet hoger dan 1,20 m boven het wegdek zijn aangebracht. | Visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De markeringslichten moeten zijn aangebracht: | Visuele controle. |
| a. zo hoog mogelijk boven het wegdek, en | ||
| b. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig. | ||
| 3. | Het mistachterlicht of de mistachterlichten moeten zijn aangebracht: | Leden 3 tot en met 6: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. op ten minste 0,10 m afstand van de remlichten, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek. | ||
| Indien slechts één mistachterlicht aanwezig is, moet dit licht links van het middenlangsvlak van het voertuig zijn aangebracht. | ||
| 4. | De zijmarkeringslichten moeten zijn aangebracht: | |
| a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | ||
| b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de zijmarkeringslichten op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 5. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.13.51, eerste lid, onderdeel d. | |
| 6. | De stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig voor de eerste as zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. |
Artikel 5.13.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, de waarschuwingsknipperlichten en de remlichten ten behoeve van het noodstopsignaal, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
Artikel 5.13.65
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.13.51, 5.13.57 en 5.13.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Aanhangwagens niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.13.66
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De koppeling van aanhangwagens moet zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 129, van toepassing. | Leden 1 tot en met 6: visuele controle. |
| 2. | De koppeling en de trekdriehoek of trekboom van aanhangwagens moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, ernstig vervormd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | |
| 3. | De trekdriehoek of trekboom mag niet zijn doorgeroest. | |
| 4. | Aanhangwagens die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van een hulpkoppeling. De hulpkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet vervormd, gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | |
| 5. | Aanhangwagens die zijn voorzien van een losbreekreminrichting, mogen niet tevens zijn voorzien van een hulpkoppeling. | |
| 6. | Delen van de koppeling van aanhangwagens mogen tijdens het ontkoppelen, het losbreken of in afgekoppelde toestand het wegdek niet kunnen raken. |
Artikel 5.13.67
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Indien de aanhangwagen is voorzien van een kogelkoppeling: a. moet de sluit- en borginrichting goed functioneren, en b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd. | Visuele controle, waarbij de sluit- en borginrichting met behulp van de koppelingskogel wordt gecontroleerd. |
Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
Artikel 5.14.0
Een landbouw- of bosbouwaanhangwagen en een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk achter een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, moeten voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
In afwijking van het eerste lid, moet een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk dat niet om een verticale as kan draaien ten opzichte van het trekkende voertuig, voldoen aan het bepaalde in afdeling 18.
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.14.3
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. | Visuele controle. |
Artikel 5.14.4
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bovenbouw moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. |
Artikel 5.14.5
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu, indien aanwezig, moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
§ 12. Diversen
Artikel 5.14.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens, niet zijnde opleggers, mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 2,55 m, dan wel niet breder dan 3,00 m indien de breedtevermeerdering het gevolg is van de montage van bredere banden of dubbellucht banden en de daarvoor noodzakelijk aangebrachte wielafscherming en markering. Uitrusting breder dan 2,55 m vallende binnen het breedste punt van de banden wordt niet in aanmerking genomen, indien deze te demonteren is en niet leidt tot extra laadruimte; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. – Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel b, mogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens in gebruik genomen vóór 1 januari 2022 niet breder zijn dan 3,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
| 3. | In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, begrepen. | – |
| 4. | Verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. – Onderdeel a: deze maat mag niet meer dan 1% afwijken. |
| 5. | Van landbouw- of bosbouwaanhangwagens, zijnde opleggers, mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en enig deel aan de voorzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 2,17 m, met uitzondering van een puntvormige uitbouw waarvan het verticaal geprojecteerde oppervlak wordt begrensd door rechte lijnen die raken aan de uiterste voorhoeken van de oplegger en een punt op het mediaanvlak van de oplegger dat op maximaal 2,50 m voor het hart van de koppelingspen ligt en mag de horizontaal gemeten afstand tussen het hart van de koppelingspen en de achterzijde van de oplegger niet meer bedragen dan 12,12 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van overeenkomstige toepassing is. |
Artikel 5.14.7
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De totale massa, de som van de aslasten, de last onder de assen en de last onder de koppeling van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister vermelde technisch toegestane maximummassa’s. Indien deze massa’s niet geregistreerd zijn, mogen ze niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig op de constructieplaat vermelde technisch toegestane maximummassa’s. | Leden 1 tot en met 2: bij twijfel wordt het voertuig gewogen. |
| 2. | Indien van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen die of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk dat in gebruik genomen is na 30 juni 2021, de technisch toegestane maximummassa’s niet met behulp van het eerste lid kunnen worden vastgesteld, geldt voor dit voertuig een technisch toegestane maximummassa van 750 kg. | |
| 3. | Indien er geen constructieplaat aanwezig is en het voertuig in gebruik is genomen vóór 1 januari 2018, geldt dat de totale last onder de wielen op één aslijn niet meer mag bedragen dan 10.000 kg. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.14.9
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle van alle aanwezige brandstofsystemen. |
| 2. | De brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas, wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur dat lekkage vaststelt, waarbij het contact ingeschakeld moet zijn. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
§ 5. Assen
Artikel 5.14.18
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. |
Artikel 5.14.19
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels, alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging, mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
Artikel 5.14.20
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
Artikel 5.14.24
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.14.26
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle. |
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
Artikel 5.14.27
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De banden moeten zijn voorzien van een loopvlak dat niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 3. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 4. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 5. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van slijtage-indicatoren. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met de profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
| 6. | De last onder de band mag niet groter zijn dan de op de banden vermelde loadindex. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 50, van overeenkomstige toepassing. | Bij twijfel wordt het voertuig gewogen. |
| 7. | Het op de banden vermelde snelheidscategoriesymbool van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik genomen na 31 december 2020 moet verenigbaar zijn met de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 50a, van toepassing. | Visuele controle. |
| 8. | Het zesde en zevende lid zijn niet van toepassing indien tijdelijk andere banden zijn gemonteerd en de last respectievelijk snelheid ten opzichte van de op de banden aangebrachte loadindex en rijsnelheid niet wordt overschreden. |
Artikel 5.14.28
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken, ernstige lekkage of scheuren vertonen, mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die zijn voorzien van gasvering of schroefveren, moeten zijn voorzien van schokdempers die deugdelijk zijn bevestigd en goed werken. |
Artikel 5.14.30
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De draaikransen moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen. | Visuele controle. |
| 2. | De axiale speling van de draaikransen mag: a. niet meer bedragen dan 3,5 mm; b. niet zodanig zijn dat de draaikranshelften op elkaar inslijten. | Visuele controle. Het zichtbaar maken van de speling geschiedt: a. door middel van een hefboom of koevoet, of b. door het chassis te heffen. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 3. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikransen, mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.14.31
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een massa in rijklare toestand van meer dan 3.500 kg, moeten zijn voorzien van een goed werkende reminrichting. | Leden 1 tot en met 7: visuele controle. In geval van twijfel omtrent de massa, wordt het voertuig gewogen. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten landbouw- of bosbouwaanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 2017 en met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van meer dan 1.500 kg, zijn voorzien van een goed werkende reminrichting. | |
| 3. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik genomen na 31 december 2017 en met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van meer dan 3.500 kg, zijn voorzien van een goed werkende reminrichting. | |
| 4. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h en met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van meer dan 750 kg, zijn voorzien van een goed werkende reminrichting. | |
| 5. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van meer dan 8.000 kg, zijn voorzien van een tweeleidingremsysteem, tenzij deze voertuigen in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 2018 en een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 40 km/h hebben. | |
| 6. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik genomen na 31 december 2017 mogen niet zijn voorzien van een éénleidingremsysteem. | |
| 7. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van meer dan 3.500 kg, zijn voorzien van een antiblokkeersysteem tenzij deze voertuigen in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 2018 en een maximumconstructiesnelheid van meer dan 60 km/h hebben. | |
| 8. | De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem van aanhangwagens mag geen defect aangeven. | Leden 8 en 9: visuele en auditieve controle. Wanneer een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven door een controlemiddel aangesloten op de stekker van het systeem, dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel worden de wielen, bijvoorbeeld met een wielspinner, op snelheid gebracht. |
| 9. | De waarschuwingsinrichting van het elektronisch remsysteem van aanhangwagens mag geen defect aangeven. | |
| 10. | Indien landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken zijn voorzien van een reminrichting: a. moeten de onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen de onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie aan de remleiding of remschijf, is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 53 en 54, van toepassing; c. mogen de onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. mogen de onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; en e. mogen de remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat kans op breuk ontstaat. | – Onderdeel a tot en met c: visuele controle. – Onderdelen d en e: visuele controle. In geval van twijfel wordt het remsysteem met behulp van het trekkende voertuig onder druk gezet. |
| 11. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren; en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | Visuele controle. |
| 12. | Remleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. |
| 13. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien. |
| 14. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 15. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Leden 15 tot en met 17: visuele controle. |
| 16. | Indien de oplooprem is voorzien van een automatische blokkering ten behoeve van het achteruitrijden, moet deze goed werken. | |
| 17. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd, gebroken; en d. mogen geen lekkage vertonen. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.14.41
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Het slot en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de deuren en laadbakkleppen worden geopend en gesloten. |
Artikel 5.14.48
| 1. | Scherpe of uitstekende delen aan de voor- en achterzijde van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd. | Visuele controle. |
|---|---|---|
| 2. | Scherpe of uitstekende delen aan de zijkanten van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij het beoordelingsgebied is gelegen aan beide zijkanten en wordt begrensd door de buitenrand van het voertuig uitgezonderd de delen die gelegen zijn op meer dan 80 mm vanaf de buitenrand van het voertuig in de richting van het middenlangsvlak. De buitenrand van het voertuig is de zijrand van het voertuig die met een verticale lijn met een lengte van 2 m, haaks op het middenlangsvlak van het voertuig, als eerste wordt geraakt. De bolling van de banden boven het wegdek wordt daarbij buiten beschouwing gelaten. Voor de buitenrand van het beoordelingsgebied van het voertuig die in de lengterichting achter de grootste breedte is gelegen wordt de grootste breedte van het voertuig gehanteerd. De bolling van de banden boven het wegdek wordt daarbij buiten beschouwing gelaten. De delen van het voertuig gelegen achter de grootste breedte van het voertuig en die een snij- of prikfunctie hebben en direct raakbaar zijn met de verticale 2 m lijn moeten zijn afgeschermd, ook als die zijn gelegen buiten het beoordelingsgebied. |
| 3. | Onverminderd het tweede lid mag het buitenoppervlak aan elke zijkant van de landbouw- of bosbouwaanhangwagen en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken geen naar buiten gerichte delen bevatten waaraan andere weggebruikers kunnen blijven haken. | Leden 3 en 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | |
| 5. | Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op: a. rupskettingen en delen van een rupsband of -ketting die zich bevinden in het door de buitenste rand van de rupsband; b. wielen en wielafschermingen die zich bevinden in het door de buitenzijkant van de banden gevormde verticale vlak; c. opstappen en treden, met inbegrip van de steunen ervan; d. mechanische, elektrische, pneumatische of hydraulische verbindingen, met inbegrip van de steunen ervan; e. scharnierstructuren op inklapbare kantelbeveiligingsinrichtingen; f. bandenspanningsmeters en inrichtingen of leidingen om de banden op te pompen of leeg te laten lopen; g. antislipinrichtingen op de wielen; h. delen, niet zijnde direct raakbare delen met een snij- of prikfunctie, die zijn gemarkeerd met een breedtemarkering die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen; en i. zijrichtingaanwijzers, markeringslichten, stads- en achterlichten, parkeerlichten, retroreflectoren, markeringen van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig en de rode reflector in de vorm van een afgeknotte driehoek. | |
| 6. | De wielen onderscheidenlijk banden van landbouw- of bosbouwaanhangwagens met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h, niet zijnde voertuigen breder dan 2,55 m waarbij de montage van afscherming onverenigbaar is in verband met de noodzakelijke bewegingsvrijheid van de wielen in ruw terrein, moeten aan de bovenzijde voor ten minste twee derde deel van de totale breedte van de banden zijn afgeschermd, onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.32, tweede lid. De voorste en de achterste rand van de afscherming moeten een hoek van ten minste 90 graden afdekken. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 7. | De wielen onderscheidenlijk banden van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen niet aanlopen. | Leden 7 tot en met 9: visuele controle. |
| 8. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens waarvan de som van de technisch toegestane maximummassa’s per as meer dan 3.500 kg bedraagt, met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h en in gebruik genomen na 31 december 2017, moeten zijn voorzien van zijdelingse afscherming. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 110, van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van het eerste lid, aanhef en onderdeel f. | |
| 9. | Geen deel van de buitenzijde van de landbouw- of bosbouwaanhangwagen en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.14.51
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken moeten zijn voorzien van: a. twee stadslichten indien het voertuig breder is dan 1,60 m en een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h heeft; b. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; c. twee achterlichten; d. twee remlichten; e. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; f. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; g. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; h. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017; i. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen, indien het voertuig breder is dan 2,55 m en in gebruik is genomen na 31 december 2017; j. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien het voertuig aan de achterzijde niet is voorzien van een kentekenplaat; k. zijmarkeringslichten indien het een landbouw- of bosbouwaanhangwagen betreft met de voertuigclassificatie R3 of R4, die langer is dan 4,60 m en in gebruik is genomen na 31 december 2021. | Onderdeel a: visuele controle, ingeval van twijfel wordt gemeten. Onderdelen b tot en met h: visuele controle. Onderdeel i: visuele controle, ingeval van twijfel wordt gemeten. Onderdelen j en k: visuele controle. |
Artikel 5.14.53
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De stadslichten mogen niet anders dan wit of geel licht uitstralen. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De richtingaanwijzers en remlichten mogen niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
| 3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 4. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit licht uitstralen en mag niet naar achteren uitstralen. | |
| 5. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel licht uitstralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood licht mag uitstralen. |
Artikel 5.14.54
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De stadslichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht: | Leden 1 tot en met 7 visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de stadslichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 2. | De richtingaanwijzers moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de richtingaanwijzers op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 3. | De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de achterlichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 4. | De remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de remlichten op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 5. | De rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek; indien zulks niet mogelijk is zonder gebruikmaking van bevestigingsmiddelen die gemakkelijk kunnen worden beschadigd, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,20 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 6. | De witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig moeten zijn aangebracht: | |
| a. op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig; | ||
| b. op een onderlinge afstand van niet minder dan 0,60 m, dan wel niet minder dan 0,40 m indien de grootste breedte van het voertuig minder bedraagt dan 1,30 m, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. | ||
| 7. | De ambergele retroreflectoren aan elke zijkant en het voertuig moeten: | |
| a. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek zijn aangebracht. Indien zulks in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de retroreflectoren op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht; | ||
| b. zodanig zijn aangebracht dat: | ||
| 1°. één retroreflector zich bevindt in het middelste derde gedeelte van de aanhangwagen; | ||
| 2°. de onderlinge afstand tussen de retroreflectoren niet meer dan 3,00 m bedraagt; | ||
| 3°. de afstand van de voorste retroreflector tot de voorzijde van de aanhangwagen niet meer dan 3,00 m; | ||
| 4°. de afstand van de achterste retroreflector tot de achterzijde van de aanhangwagen niet meer dan 1,00 m bedraagt, waarbij het voertuiggedeelte boven de 2,00 m buiten beschouwing wordt gelaten in de afstand tot de achterzijde. | ||
| 8. | De markeringslichten moeten zijn aangebracht: a. zo hoog mogelijk boven het wegdek, en b. zo dicht mogelijk bij het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Visuele controle. |
Artikel 5.14.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.14.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in artikel 5.14.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De in artikel 5.14.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. |
Artikel 5.14.57
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen zijn voorzien van: a. twee stadslichten, indien deze verlichting niet reeds op grond van artikel 5.14.51, eerste lid, aanhef en onderdeel a, verplicht is; b. twee extra achterlichten; c. één of twee extra remlichten; d. één of twee achteruitrijlichten; e. één of twee mistachterlichten; f. twee extra rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; g. twee extra witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; h. extra ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig; de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; i. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de achterzijde van het voertuig; j. waarschuwingsknipperlichten aan het meest naar achteren gelegen gedeelte van de zich aan de zij- of achterkant van het voertuig bevindende laad- en losklep in horizontale stand; k. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde van het voertuig; l. zijmarkeringslichten; m. lijn- of contourmarkering aan de zijkant en achterzijde van het voertuig; n. twee staaklichten; o. werklichten; p. een licht aan de voorzijde van het voertuig dat de werking van het antiblokkeer- of besturingssysteem aangeeft; q. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 januari 2021; r. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen; s. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien deze retroreflector niet reeds op grond van artikel 5.14.51, eerste lid, aanhef en onderdeel j, verplicht is. | Visuele controle. |
Artikel 5.14.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De stadslichten en achteruitrijlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 8: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De achterlichten en mistachterlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | De extra richtingaanwijzers en de waarschuwingslichten mogen niet anders dan rood of ambergeel stralen. | |
| 4. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel stralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood mag stralen. | |
| 5. | De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit en naar achteren niet anders dan rood stralen. | |
| 6. | De remlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 7. | De lijn- of contourmarkering aan de zijkant is wit of geel. De lijn- of contourmarkering aan de achterzijde is rood, wit of geel. | |
| 8. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. |
Artikel 5.14.59a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.14.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, kleur en sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie, moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.14.60
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De achteruitrijlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Op de stadslichten en markeringslichten is artikel 5.14.54, eerste lid, onderscheidenlijk achtste lid, van toepassing. | Visuele controle. |
| 3. | Mistachterlicht of de mistachterlichten moeten zijn aangebracht: | Leden 3 tot en met 5: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. op ten minste 0,10 m afstand van de remlichten, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,00 m boven het wegdek. | ||
| Indien één licht is aangebracht, moet dit links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. | ||
| 4. | Het derde remlicht moet zodanig zijn aangebracht dat: a. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en b. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.13.51, eerste lid, onderdeel d. Indien het derde remlicht niet binnen 0,15 m vanaf het middenlangsvlak kan worden bevestigd mogen twee extra remlichten worden aangebracht. | |
| 5. | De zijmarkeringslichten moeten zijn aangebracht: | |
| a. in de lengterichting van het voertuig waarbij ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevindt, en het meest naar voren geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 3,00 m van de voorkant van het voertuig bevindt, en het meest achterwaarts geplaatste zijmarkeringslicht zich niet meer dan 1,00 m van de achterkant van het voertuig bevindt; | ||
| b. op een onderlinge afstand van niet meer dan 3,00 m tussen twee opeenvolgende zijmarkeringslichten, en | ||
| c. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Indien zulks door de vorm van de bovenbouw noodzakelijk is, mogen de zijmarkeringslichten op een hoogte van meer dan 0,90 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek zijn aangebracht. |
Artikel 5.14.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen, met uitzondering van werklichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, waarschuwingsknipperlichten en remlichten ten behoeve van het noodstopsignaal, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | |
| 3. | In afwijking van het tweede lid, mogen de zijmarkeringslichten van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig knipperen. |
Artikel 5.14.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.14.51, 5.14.57 en 5.14.57a is voorgeschreven of toegestaan, en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.14.66
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De koppeling en trekinrichting moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet gescheurd, gebroken, vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig zijn gesleten. | Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. |
| 2. | De trekdriehoek, alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van verschijnselen van corrosie van het oppervlak. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De dissel, alsmede alle profielen die daar deel van uitmaken, met inbegrip van schoren, versterkingsstrippen en bevestigingsonderdelen, mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | |
| 4. | De trekdriehoek mag niet zodanig zijn vervormd dat een langsbeen, gemeten over een afstand van 0,90 m, een uitwijking heeft van meer dan 18 mm ten opzichte van de rechte lijn. Een dissel mag niet overmatig zijn vervormd. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei gemeten. |
| 5. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h en met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van niet meer dan 3.500 kg, die niet zijn voorzien van een losbreekreminrichting, moeten zijn voorzien van een hulpkoppeling, indien deze aanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken voertuigen worden gekoppeld door middel van één koppelpunt. | Leden 5 tot en met 8: visuele controle. |
| 6. | De hulpkoppeling, bedoeld in het vijfde lid, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet vervormd, gescheurd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. | |
| 7. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die zijn voorzien van een losbreekreminrichting, mogen niet tevens zijn voorzien van een hulpkoppeling. | |
| 8. | Delen van de koppeling van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen tijdens het ontkoppelen, het losbreken of in afgekoppelde toestand het wegdek niet kunnen raken. |
Artikel 5.14.67
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Indien landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken zijn voorzien van een koppeling: a. moet de sluit- en borginrichting goed werken, en b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd. | Visuele controle. |
Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
Artikel 5.15.0
Een motorfietsaanhangwagen en een bromfietsaanhangwagen moeten voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 6. Ophanging
Artikel 5.15.2
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen slechts éénassig zijn. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Bij éénwielige motorfietsaanhangwagens en éénwielige bromfietsaanhangwagens moet het wiel zodanig zijn bevestigd dat het uitsluitend draaibaar is om de eigen horizontale as. |
Artikel 5.15.3
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie mogen: | Visuele controle. | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. |
Artikel 5.15.4
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bovenbouw moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. |
Artikel 5.15.5
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu, indien aanwezig, moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.15.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen: a. niet breder zijn dan 2,00 m b. niet hoger zijn dan 1,00 m. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mogen bromfietsaanhangwagens achter een bromfiets op twee wielen niet breder zijn dan 1,00 m. |
§ 12. Diversen
Artikel 5.15.18
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De as moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mag geen breuken of scheuren vertonen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De as mag niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De as magen niet zodanig zijn beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De as mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. |
Artikel 5.15.20
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers mogen niet teveel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
Artikel 5.15.24
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.15.27
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Leden 1 tot en met 7: visuele controle. |
| 2. | De banden mogen geen uitstulpingen vertonen. | |
| 3. | De banden mogen niet zijn nageprofileerd. Van naprofileren is sprake indien slijtage-indicatoren zijn weggesneden, indien de profielvorm van de groef afwijkt van de originele profielvorm, of indien in de bodem van de groef het karkas van de band zichtbaar is. | |
| 4. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 5. | De op de band aangegeven draairichting moet overeenkomen met de draairichting van de band in voorwaartse rijrichting. | |
| 6. | Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn. | |
| 7. | De banden op één as moeten dezelfde maataanduiding hebben. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.15.41
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De sloten en de scharnieren van de deuren en laadbakkleppen moeten een goede sluiting waarborgen. | Visuele controle, waarbij de deuren en laadbakkleppen worden geopend en gesloten. |
Artikel 5.15.48
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | De wielen onderscheidenlijk banden moeten goed zijn afgeschermd en mogen niet aanlopen. | |
| 4. | Geen deel van de buitenzijde van motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
Artikel 5.15.50
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een mogelijkheid tot bevestiging van een kentekenplaat. | Visuele controle. |
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.15.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van: | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig, indien de trekkende motorfiets van richtingaanwijzers is voorzien; | ||
| b. één of twee achterlichten; | ||
| c. één of twee remlichten, indien de trekkende motorfiets van een remlicht is voorzien; | ||
| d. achterkentekenplaatverlichting; | ||
| e. één of twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| f. ten minste één ambergele retroreflector aan elke zijkant van het voertuig. | ||
| 2. | Bromfietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van: | |
| a. één of twee achterlichten; | ||
| b. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| c. ten minste één ambergele retroreflector aan elke zijkant van het voertuig, en | ||
| d. achterkentekenplaatverlichting. |
Artikel 5.15.53
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De achterlichten en de remlichten mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren stralen. |
Artikel 5.15.54
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De richtingaanwijzers moeten zijn aangebracht: | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, in geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. aan de uiterste zijden van het voertuig en op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,24 m, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. | ||
| De lichten moeten zodanig zijn aangebracht dat zij waarneembaar zijn voor een waarnemer die zich in het mediaanvlak van het voertuig bevindt op een afstand van 10 m achter het voertuig. | ||
| 2. | De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. | |
| 3. | Het remlicht of de remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. Indien één licht is aangebracht, is dit in het midden of links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. | |
| 4. | De rode retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan de uiterste zijden van het voertuig op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. | |
| 5. | De in artikel 5.15.51 bedoelde ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant op een hoogte van niet minder dan 0,30 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. Ten minste één retroreflector moet zich bevinden in het middelste derde gedeelte van motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens met inbegrip van de dissel. |
Artikel 5.15.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.15.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen, mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 4. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn bevestigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 5. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 6. | De in artikel 5.15.51 bedoelde lichten en retroreflectoren voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | De in artikel 5.15.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen die de retroreflectie beïnvloeden. |
Artikel 5.15.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van: a. één mistachterlicht; b. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, en; c. werklichten, en d. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: 1°. het zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en 2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in artikel 5.15.51, eerste lid, onder c. | Leden 1 en 2: – Onderdelen a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Bromfietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van: a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig; b. één of twee remlichten, en c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig, en d. een derde remlicht, aangebracht zodanig dat: 1°. dat licht zich bevindt op een afstand van ten hoogste 0,15 m vanaf het middenlangsvlak, en 2°. de onderzijde van het lichtdoorlatende gedeelte hoger ligt dan de bovenzijde van de remlichten, bedoeld in het tweede lid, onder b. | |
| 3. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van: | Visuele controle. |
| a. extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, | ||
| b. extra rode retroreflecterende voorzieningen aan de achterzijde, en | ||
| c. extra retroreflecterende voorzieningen aan de zijkanten van het voertuig, welke ambergeel moeten zijn, met uitzondering van de achterste zijreflector, welke rood mag zijn. |
Artikel 5.15.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. | Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De remlichten en het mistachterlicht mogen niet anders dan rood stralen. |
Artikel 5.15.59a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.15.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zijn verwijderd. | |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.15.60
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De richtingaanwijzers moeten zijn aangebracht: | Leden 1 tot en met 3: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. aan de uiterste zijden van het voertuig en op een onderlinge afstand, gemeten tussen de binnenranden van het lichtdoorlatende gedeelte, van niet minder dan 0,24 m, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. | ||
| De lichten moeten zodanig zijn aangebracht dat zij waarneembaar zijn voor een waarnemer die zich in het mediaanvlak van het voertuig bevindt op een afstand van 10 m achter het voertuig. | ||
| 2. | Het mistachterlicht moet zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek, links van het midden van het voertuig op een afstand van niet minder dan 0,10 m van het remlicht. | |
| 3. | Het remlicht of de remlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m boven het wegdek. Indien één licht is aangebracht, moet dit in het midden of links van het midden van het voertuig zijn geplaatst. |
Artikel 5.15.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
Artikel 5.15.65
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.15.51, 5.15.57 en 5.15.57a is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens niet in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.15.66
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De koppeling onderscheidenlijk de dissel moet deugdelijk zijn bevestigd en mag niet zijn doorgeroest. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de koppeling onderscheidenlijk de dissel mogen niet gescheurd, ernstig vervormd, gebroken dan wel overmatig gesleten zijn. |
Artikel 5.15.67
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Indien motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens zijn voorzien van een kogelkoppeling: a. moet de sluit- en borginrichting goed functioneren, en b. mogen de onderdelen niet zijn vervormd. | Visuele controle. |
Artikel 5.15.70
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De koppeling van motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens met één wiel mag slechts bewegingen toelaten om een horizontale en een verticale as, loodrecht op de lengte-as van het trekkend motorvoertuig. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De koppeling van motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens met meer dan één wiel moet bewegingen om een as in de lengterichting van het trekkend motorvoertuig toelaten. |
Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
Artikel 5.16.0
Een fietsaanhangwagen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
Artikel 5.16.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Fietsaanhangwagens mogen niet breder zijn dan 1,00 m. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.16.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van: a. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, en b. witte of gele retroreflectoren aan de wielen. | Visuele controle. |
Artikel 5.16.54
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De rode retroreflector moet zijn aangebracht uiterst links aan de achterzijde van de fietsaanhangwagen, op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | De witte of gele retroreflectoren moeten de omtrek van het wiel volgen en op of zo dicht mogelijk bij de velg zijn aangebracht, zodanig dat zij aan beide zijkanten van de fietsaanhangwagen zichtbaar zijn. | Visuele controle. |
Artikel 5.16.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.16.51 bedoelde retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 3. | De retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 125 en 126, van toepassing. |
Artikel 5.16.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Fietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van: | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| a. twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; | ||
| b. één of twee achterlichten die zijn voorzien van een goedkeuringsmerk. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 151, van toepassing; | ||
| c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 125 en 126, van toepassing, en | ||
| d. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | ||
| 2. | Fietsaanhangwagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. |
Artikel 5.16.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Aanhangwagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | Visuele controle. |
Artikel 5.16.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.16.51 en 5.16.57 is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Aanhangwagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
Artikel 5.17.0
Een wagen moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
§ 6. Ophanging
Artikel 5.17.3
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van wagens mogen: | Visuele controle. | |
| a. geen breuken of scheuren vertonen, en | ||
| b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. |
Artikel 5.17.4
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De bovenbouw van wagens moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De ondersteuning van de laadvloer onderscheidenlijk laadruimte moet deugdelijk zijn. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.17.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Wagens mogen: a. niet breder zijn dan 2,60 m, en b. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mogen onbespannen wagens niet breder zijn dan 1,50 m. |
Artikel 5.17.7
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De last onder enig wiel van wagens mag niet meer bedragen dan 2.400 kg. Een samenstel van wielen dat op één wielnaaf is gemonteerd, wordt als één wiel beschouwd. | Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt het voertuig gewogen. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, mag de last onder een wiel dat niet is voorzien van een rubberen band, niet meer bedragen dan 120 kg per cm bandbreedte. |
Artikel 5.17.24
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen van wagens mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
§ 0. Algemeen
Artikel 5.17.27
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen van wagens mogen niet zijn voorzien van metalen banden met uitstekende delen. | Visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op wagens met een massa van ten hoogste 750 kg, ingericht als landbouwwerktuig. | In geval van twijfel wordt het voertuig gewogen. |
§ 0. Algemeen
Artikel 5.17.40
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Handwagens met motorvermogen moeten zodanig zijn ingericht dat, indien de bestuurder het bedieningstoestel loslaat, het voertuig onmiddellijk tot stilstand wordt gebracht. | Visuele controle. |
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.17.48
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Wagens mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, moeten uitstekende delen van wagens die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, zijn afgeschermd. | |
| 3. | Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.17.51
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Wagens moeten aan de achterzijde zijn voorzien van: a. twee rode retroreflectoren indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m bedraagt, dan wel één rode retroreflector indien het een wagen betreft waarvan de breedte ten hoogste 1,50 m bedraagt; b. één rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek die is voorzien van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is. | Visuele controle. |
Artikel 5.17.54
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De rode retroreflectoren moeten aan de achterzijde van het voertuig op gelijke hoogte zijn aangebracht: | Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| a. niet meer dan 0,45 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde van het voertuig, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. | ||
| 2. | Indien één retroreflector is voorgeschreven, moet deze zijn aangebracht: | |
| a. aan de uiterste linkerzijde van het voertuig, en | ||
| b. op een hoogte van niet minder dan 0,35 m en niet meer dan 0,90 m boven het wegdek. |
Artikel 5.17.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De rode retroreflectoren mogen ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. |
Artikel 5.17.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Wagens mogen zijn voorzien van: | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| a. twee lichten aan de voorzijde; | ||
| b. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig. | ||
| c. twee achterlichten indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m bedraagt, dan wel ten minste één achterlicht indien het een wagen betreft waarvan de breedte ten hoogste 1,50 m bedraagt; | ||
| d. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; | ||
| e. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig. | ||
| 2. | Wagens mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. |
Artikel 5.17.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De lichten aan de voorzijde mogen niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. |
Artikel 5.17.59a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.17.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.17.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Wagens mogen niet zijn voorzien van verblindende verlichting. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Wagens mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende verlichting. |
Artikel 5.17.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Wagens mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in artikelen 5.17.51 en 5.17.57 is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Wagens mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
§ 6. Ophanging
Artikel 5.18.0
Verwisselbare gedragen uitrustingsstukken mogen slechts worden gebruikt door:
- a. landbouw- of bosbouwtrekkers;
- b. landbouw- of bosbouwaanhangwagens;
- c. motorrijtuigen met beperkte snelheid;
- d. mobiele machines;
- e. bedrijfsauto’s die worden ingezet voor werkzaamheden ten behoeve van wegen, werken of inrichtingen op, aan, in of boven wegen, daaronder begrepen gladheidsbestrijding of sneeuwruimen; en
- f. verwisselbare getrokken uitrustingsstukken.
Artikel 5.18.1
Met een motorvoertuig mag niet meer dan één aanhangwagen worden voortbewogen.
Met een gelede bus, een gehandicaptenvoertuig of een motorfiets met zijspanwagen waarvan het wiel van de zijspanwagen ongeremd is, mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.
Met een motorvoertuig, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, mag geen landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk worden getrokken.
Met een bijzondere bromfiets mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.
Een samenstel van een motorvoertuig en één aanhangwagen heeft ten hoogste twee draaipunten.
Het eerste lid is niet van toepassing op:
- a. een personenauto, bedrijfsauto of bus met een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h;
- b. een landbouw- of bosbouwtrekker;
- c. een motorrijtuig met beperkte snelheid; of
- d. een motorvoertuig waarmee meerdere aanhangwagens worden voortbewogen en waarbij de samenstelling van deze aanhangwagens blijkens het kentekenregister wordt beschouwd als één aanhangwagen.
Met motorvoertuigen als bedoeld in het zesde lid, onderdelen a, b en c, mogen niet meer dan drie aanhangwagens ingericht voor het vervoer van personen worden getrokken.
In afwijking van het eerste lid mag met een bedrijfsauto, landbouw- of bosbouwtrekker of motorrijtuig met beperkte snelheid, niet zijnde een motorrijtuig met beperkte snelheid als bedoeld in artikel 1b, eerste lid, van het Kentekenreglement, een samenstel van dolly en oplegger worden voortbewogen.
Met een motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine als bedoeld in artikel 1b, eerste lid, onderdelen a, b of d, van het Kentekenreglement mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.
Met een motorvoertuig mag geen aanhangwagen worden voortbewogen indien de lengte van het samenstel de toegestane lengte van het samenstel overschrijdt.
Artikel 5.18.2
Met een motorvoertuig mag niet meer dan één motorvoertuig worden gesleept.
Voertuigen voorzien van een drukluchtremsysteem mogen alleen met behulp van een sleepstang worden gesleept.
Het drukluchtremsysteem van het gesleepte voertuig dient te zijn aangesloten op het drukluchtremsysteem van het trekkende voertuig.
Een dolly of afsleepas en een zich daarop bevindend motorvoertuig worden als één motorvoertuig beschouwd. De dolly of afsleepas dient in dat geval te zijn voorzien van een reminrichting.
Een afsleepas mag slechts gebruikt worden, indien zich daarop een motorvoertuig bevindt.
Met een motorvoertuig mag geen tweewielig motorvoertuig of samenstel van voertuigen worden gesleept.
Met een tweewielig motorvoertuig, een bijzondere bromfiets, een gelede bus of een samenstel van voertuigen mag geen motorvoertuig worden gesleept.
Artikel 5.18.3
De bestuurder mag bij het besturen van het voertuig niet door passagiers, lading of op andere wijze worden gehinderd.
In een voertuig waarin vervoer van een passagier in een rolstoel plaatsvindt, zijn geen losse voorwerpen aanwezig die het risico op letsel bij een noodstop, een aanrijding of een botsing kunnen verhogen.
Artikel 5.18.4
De bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen moet:
- a. voldoende zicht naar voren en opzij hebben door de voorruit en de voorste zijruiten, en
- b. voldoende zicht hebben op het naast en achter hem gelegen weggedeelte met behulp van de voor dat voertuig of samenstel van voertuigen voorgeschreven spiegels dan wel een camera-monitorsysteem.
Artikel 5.18.5
De spiegels, gezichtsveldverbeterende voorzieningen of camera-monitorsystemen van bedrijfsauto’s, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6, kan overzien.
Indien het gezichtsveld van de voor voertuigen van de categorie waartoe het voertuig behoort voorgeschreven spiegels of camera-monitorsystemen wordt beperkt door lading die aan de achterzijde van het voertuig is aangebracht of door een door het voertuig voortbewogen aanhangwagen, met inbegrip van de lading, moet het voertuig zijn voorzien van een linker- onderscheidenlijk rechterbuitenspiegel of camera-monitorsystemen waarmee de bestuurder een in bijlage VIII, hoofdstuk 2, titel 2, paragrafen 1 tot en met 6, vastgesteld weggedeelte kan overzien.
Artikel 5.18.6
De lading of delen daarvan moeten zodanig zijn gezekerd dat deze onder normale verkeerssituaties, waaronder begrepen volle remmingen, plotselinge uitwijkmanoeuvres en slecht wegdek, niet van het voertuig kunnen vallen of de stabiliteit van het voertuig niet in gevaar kunnen brengen. Om hieraan te voldoen moet de lading of delen daarvan zodanig worden vastgezet dat minimaal de volgende versnellings- of vertragingskrachten kunnen worden weerstaan:
- a. in de rijrichting: 0,8 maal het gewicht van de lading;
- b. in de zijwaartse richting: 0,5 maal het gewicht van de lading en bij kantelgevaar 0,6 maal het gewicht van de lading;
- c. in de achterwaarts richting: 0,5 maal het gewicht van de lading;
In aanvulling hierop moet lading zodanig zijn gezekerd dat deze door opwaartse krachten niet van het voertuig kan vallen.
Losse lading die naar haar aard niet op of aan het voertuig bevestigd kan worden, moet deugdelijk zijn afgedekt indien gevaar of hinder ontstaat of kan ontstaan als gevolg van afvallende of wegwaaiende lading.
In afwijking van het eerste lid, moet voertuiggebonden lading, zoals voertuiguitrustingsstukken, voertuiggereedschappen en stuwagemiddelen, zodanig zijn bevestigd dat deze niet van het voertuig kan vallen.
In afwijking van het eerste lid, moeten verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, afneembare bovenbouwen, gestandaardiseerde laadstructuren en meeneemheftrucks deugdelijk zijn bevestigd met geschikte vastzetsystemen, zekeringssystemen en stuwagemiddelen.
Vastzetsystemen, zekeringssystemen, stuwagemiddelen en onderdelen daarvan moeten goed functioneren en geschikt zijn voor het doel waarvoor ze gebruikt worden.
Artikel 5.18.7
Bij het vervoer van goederen aan de voor- of achterzijde van het voertuig moet worden voldaan aan de volgende eisen:
- a. de goederen moeten deugdelijk zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager;
- b. de lastdrager moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd;
- c. de lastdrager mag met inbegrip van de goederen niet meer dan 0,20 m buiten de zijkanten van het voertuig uitsteken;
- d. indien de lastdrager is geconstrueerd voor het vervoer van specifieke goederen, mogen geen andere én niet meer van deze goederen worden vervoerd dan waarvoor de constructie is bestemd;
- e. indien de verlichting en retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig door de lastdrager of de goederen worden afgeschermd, moet de lastdrager aan de achterzijde zijn voorzien van twee rode achterlichten, twee rode remlichten, twee rode retroreflectoren en twee ambergele richtingaanwijzers, die moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig met inbegrip van de lastdrager;
- f. indien de op het voertuig aangebrachte kentekenplaat door de lastdrager of de goederen wordt afgeschermd, moet de lastdrager zijn voorzien van een kentekenplaat met het kenteken van het voertuig waarop de lastdrager is aangebracht, alsmede van achterkentekenplaatverlichting, indien deze verplicht is voor het desbetreffende voertuig; het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en mag niet zijn afgeschermd;
- g. indien de lastdrager is bevestigd op een trekhaak aan de achterzijde:
- 1°. mag de door de fabrikant van de trekhaak vastgestelde maximale verticale last onder de koppeling niet worden overschreden; indien de trekhaak hieromtrent geen gegevens vermeldt, mag de verticale last niet meer dan 75 kg bedragen;
- 2°. mag de lastdrager met inbegrip van de bevestigingsdelen onder normale gebruiksomstandigheden het wegdek niet kunnen raken;
- 3°. mogen bevestigingsdelen, die na het gedeeltelijk verwijderen van de lastdrager op de trekhaak achterblijven, de bewegingsvrijheid van een aangekoppelde aanhangwagen niet beperken;
- h. indien de lastdrager is bevestigd op de voorzijde van de aanhangwagen:
- 1°. mag de door de fabrikant van de trekhaak vastgestelde maximumlast onder de koppeling niet worden overschreden; indien dit gegeven niet bekend is, mag de maximumlast onder de koppeling niet meer dan 75 kg bedragen;
- 2°. mag de lastdrager met inbegrip van de lading op de trekdriehoek of trekboom de bewegingsvrijheid van de aanhangwagen niet beperken.
Bij het vervoer van goederen op het dak moet worden voldaan aan de volgende eisen:
- a. de goederen moeten deugdelijk zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager;
- b. de lastdrager moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd;
- c. de door de fabrikant van het voertuig vastgestelde maximale daklast mag niet worden overschreden;
- d. indien de lastdrager is geconstrueerd voor het vervoer van specifieke goederen, mogen geen andere én niet meer van deze goederen worden vervoerd dan waarvoor de constructie is bestemd.
Bij vervoer van glas, plaatmateriaal of soortgelijke goederen aan één of beide zijkanten van een bedrijfsauto of aanhangwagen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg moet worden voldaan aan de volgende eisen:
- a. de lading moet deugdelijk zijn bevestigd op, in of aan een deugdelijke lastdrager;
- b. de lastdrager moet deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd;
- c. de lastdrager met inbegrip van de lading mag niet meer dan 0,35 m buiten de zijkanten van het voertuig uitsteken, met dien verstande dat de totale breedte van het voertuig inclusief de lastdrager en de lading niet meer mag bedragen dan 2,75 m;
- d. de lading mag niet meer dan 1,00 m achter de achterzijde van het voertuig uitsteken;
- e. de lastdrager die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteekt dient aan de voor- en achterzijde te zijn voorzien van een markering die voldoet aan de daaromtrent in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen.
Artikel 5.18.8
Scherpe of uitstekende delen aan de voor- en achterzijde van de lading van voertuigen en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd.
Scherpe of uitstekende delen aan de zijkanten van de lading van voertuigen en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd.
Onverminderd het tweede lid mag het buitenoppervlak aan elke zijkant van de lading van voertuigen en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken geen naar buiten gerichte delen bevatten waaraan andere weggebruikers kunnen blijven haken.
Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op lading, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken of delen daarvan die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden.
Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op:
- a. buitenachteruitkijkspiegels, met inbegrip van de steunen ervan;
- b. rupskettingen en delen van een rupsband of -ketting die zich bevinden in het door de buitenste rand van de rupsband;
- c. wielen en wielafschermingen die zich bevinden in het door de buitenzijkant van de banden gevormde verticale vlak;
- d. opstappen en treden, met inbegrip van de steunen ervan;
- e. mechanische, elektrische, pneumatische of hydraulische verbindingen, met inbegrip van de steunen ervan;
- f. scharnierstructuren op inklapbare kantelbeveiligingsinrichtingen;
- g. bandenspanningsmeters en inrichtingen of leidingen om de banden op te pompen of leeg te laten lopen;
- h. antislipinrichtingen op de wielen;
- i. delen, niet zijnde direct raakbare delen met een snij- of prikfunctie, die zijn gemarkeerd met een breedtemarkering die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen; en
- j. zijrichtingaanwijzers, markeringslichten, stads- en achterlichten, parkeerlichten, retroreflectoren, markeringen van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig en de rode reflector in de vorm van een afgeknotte driehoek.
Geen deel van de buitenzijde van verwisselbare gedragen uitrustingsstukken mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken.
Artikel 5.18.9
Opklapbare delen aan de buitenzijde van voertuigen moeten tijdens het transport van het voertuig over de weg in opgeklapte toestand deugdelijk zijn vergrendeld.
Tenzij voor het gebruik op de weg noodzakelijk, moeten opklapbare delen van verwisselbare uitrustingsstukken tijdens het transport van het voertuig in opgeklapte toestand deugdelijk zijn vergrendeld.
Aerodynamische voorzieningen aan de achterzijde van bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens die intrekbaar of inklapbaar zijn, moeten zowel in de ingetrokken of ingeklapte stand als in de gebruiksstand deugdelijk zijn vergrendeld.
Uitklapbare aerodynamische voorzieningen aan de achterzijde van bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens moeten op wegen waar een maximumsnelheid geldt van 50 km/h of minder en voetgangers, fietsers of bromfietsers van de rijbaan gebruik dienen te maken, zijn ingetrokken of ingeklapt.
Artikel 5.18.10
Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg, aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg afkomstig uit een land waar voor deze aanhangwagens geen afzonderlijk kenteken is opgegeven en landbouw- en bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken waarvoor geen afzonderlijk kenteken is opgegeven, moeten, indien zij zijn gekoppeld aan een motorvoertuig waarvoor een kenteken is opgegeven en landbouw- en bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken waarvoor geen afzonderlijk kenteken is opgegeven, zijn voorzien van het kenteken van het trekkend motorvoertuig. Indien meerdere aanhangwagens zijn gekoppeld aan een motorvoertuig, geldt de eerste zin alleen voor de achterste aanhangwagen.
In afwijking van het eerste lid mogen aanhangwagens als bedoeld in het eerste lid zijn voorzien van een kenteken dat op naam van de eigenaar van het trekkend motorvoertuig is gesteld, indien het trekkend motorvoertuig een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine is.
Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg die afkomstig zijn uit een land waar voor deze aanhangwagen een afzonderlijk kenteken is opgegeven, indien de bij het kenteken behorende kentekenplaat wordt gevoerd.
De kentekenplaat, bedoeld in het eerste en tweede lid, moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van de aanhangwagen zijn bevestigd.
Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd.
Dit artikel is tot 1 januari 2025 niet van toepassing indien op het trekkend motorvoertuig ingevolge artikel III van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de implementatie van richtlijn 2014/45/EU alsmede ter invoering van een registratie- en kentekenplicht voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines en aanhangwagens die uitsluitend bestemd zijn om daardoor te worden voortbewogen en het niet meer toelaten tot het verkeer van nieuwe motorrijtuigen met beperkte snelheid (Stb. 2020, 167) geen kenteken behoorlijk zichtbaar aanwezig hoeft te zijn.
§ 3. Brandstofsystemen en milieu
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
Artikel 5.18.11
De lengte van een samenstel van opleggertrekker en oplegger mag niet meer bedragen dan 16,50 m.
Van een samenstel van bedrijfsauto en autonome aanhangwagen, middenasaanhangwagen of aanhangwagen met een stijve dissel, niet zijnde een samenstel van opleggertrekker en oplegger, mag:
- a. de lengte niet meer bedragen dan 18,75 m;
- b. de afstand tussen het voorste punt aan de buitenzijde van de laadruimte achter de stuurcabine en het achterste punt aan de buitenzijde van de aanhangwagen niet meer dan 16,40 m bedragen;
- c. de afstand tussen het voorste punt aan de buitenzijde van de laadruimte achter de stuurcabine en het achterste punt aan de buitenzijde van de aanhangwagen, verminderd met de afstand tussen de achterzijde van de laadruimte van het motorvoertuig en de voorzijde van de laadruimte van de aanhangwagen, niet meer dan 15,65 m bedragen.
In de afmetingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn afneembare bovenbouwen, gestandaardiseerde laadstructuren en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken begrepen.
Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing op een samenstel van bedrijfsauto en dolly met oplegger, waarbij de lengte van het samenstel van dolly met oplegger niet meer mag bedragen dan 12,00 m.
In afwijking van het eerste en vierde lid, mag bij het gebruik van een gestandaardiseerde laadstructuur in de vorm van een 45 voet-container met een lengte van maximaal 13,72 m en een breedte van maximaal 2,55 m, dan wel 2,60 m in het geval van een geconditioneerde gestandaardiseerde laadstructuur, indien deze container stapelbaar is en geschikt is voor het vervoer op een zeeschip, de lengte van het samenstel niet meer bedragen dan 17,30 m.
Bij een samenstel van bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, en een aanhangwagen of samenstel van dolly met oplegger met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, niet zijnde een samenstel van opleggertrekker en oplegger, mag de afstand tussen de achterste as van de bedrijfsauto en de voorste as van de aanhangwagen of dolly niet minder bedragen dan 3,00 m.
De lengte van samenstellen van personenauto of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen, mag niet meer bedragen dan 18,00 m.
De lengte van een samenstel van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen, mag niet meer bedragen dan 24,00 m.
In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, mag de lengte van een samenstel van rijdend werktuig en aanhangwagen niet meer bedragen dan 20,00 m.
De lengte van een samenstel van een bus en een aanhangwagen mag niet meer bedragen dan 18,75 m.
Een uitschuifbaar voertuig is in onbeladen toestand geheel ingeschoven, tenzij de uitgeschoven delen zijn voorzien van zijdelingse afscherming als bedoeld in artikel 5.12.48, vijfde lid, in welk geval het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 107 tot en met 111, met uitzondering van de artikelen 109, tweede lid, en 110, tweede lid, van overeenkomstige toepassing is.
In afwijking van het eerste, tweede en achtste lid, mag de lengte van een samenstel van opleggertrekker en oplegger en een samenstel van bedrijfsauto en autonome aanhangwagen, middenasaanhangwagen of aanhangwagen met een stijve dissel waarvan het trekkende voertuig is uitgerust met een verlengde cabine, de maximaal toegestane lengte voor dergelijke samenstellen overschrijden, zolang de extra lengte blijkt uit de voor de lengte vermelde gegevens op de voor de voertuigen afgegeven kentekencards, dan wel het kentekenbewijzen en het kentekenregister.
Artikel 5.18.12
Bij het vervoer van lading met een voertuig of samenstel van voertuigen:
- a. mag de lading niet meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteken;
- b. mag de lading niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van het voertuig uitsteken;
- c. moet een deugdelijke stootbalk zijn aangebracht op niet meer dan 0,60 m voor de uiterste achterzijde van de uitstekende lading, indien de afstand van de onderzijde van de lading tot het wegdek meer bedraagt dan 0,55 m. Een stootbalk die is uitgeschoven vanwege uitstekende lading wordt niet meegerekend voor de afmetingen opgenomen in de artikelen 5.3.6, eerste lid onderdeel a, 5.12.6, eerste lid, en 5.18.11, eerste en tweede lid;
- d. mag de lading niet voor het voertuig uitsteken;
- e. mag het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat van het voertuig niet worden belemmerd.
Het eerste lid, met uitzondering van onderdeel e, is niet van toepassing op samenstellen van voertuigen, zijnde kermis- of circusvoertuigen.
Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing op:
- a. voertuigen of samenstellen van voertuigen die in gebruik zijn genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 januari 1996;
- b. voertuigen in gebruik genomen vóór 1 januari 2018, indien aan de achterzijde een meeneemheftruck is bevestigd waarbij de afstand tussen de onderzijde van het achterste wiel van de meeneemheftruck en het wegdek niet meer bedraagt dan 0,50 m; en
- c. voertuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, indien aan de achterzijde een meeneemheftruck is bevestigd waarbij de afstand tussen de onderzijde van de achterste rand van de meeneemheftruck en het wegdek niet meer bedraagt dan 0,65 m en deze rand zodanig vormvast is dat deze als stootbalk kan fungeren.
Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing, indien aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig zijn aangebracht.
Ter ondersteuning van de lading mag de laadvloer worden verlengd voor zover daardoor de in de artikelen 5.3.6, eerste lid, onderdeel a, 5.12.6, eerste lid, en 5.18.11, eerste en tweede lid, opgenomen afmetingen niet worden overschreden. Lading mag niet uitsluitend op de laadvloerverlenging rusten.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mag een meeneemheftruck bevestigd aan de achterzijde van een voertuig dat is ingericht voor het vervoer van goederen:
- a. meer dan 1,00 m doch niet meer dan 1,20 m achter het voertuig uitsteken;
- b. meer dan 1,20 m doch niet meer dan 1,50 m achter het voertuig uitsteken, mits met een door de fabrikant van het voertuig of van de meeneemheftruck of met een door een carrosseriebouwer afgegeven verklaring, aanwezig op het voertuig, wordt aangetoond dat de aslasten en de last onder de koppeling van het voertuig bij belading met uitsluitend de meeneemheftruck voldoen aan artikel 5.18.18, tweede, derde of vierde lid. De verklaring bevat een aanduiding van het type meeneemheftruck.
In afwijking van het eerste lid, onderdelen a en b, mag de uitsteek van een afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur achter het hart van de achterste as van het voertuig niet meer dan 0,5 maal de lengte van het voertuig bedragen, zoals vermeld in het kentekenregister of na meting vastgesteld, met een maximum van 5,00 m, waarbij voor een oplegger geldt dat de uitsteek van de afneembare bovenbouw of gestandaardiseerde laadstructuur achter het hart van de achterste as van het voertuig niet meer mag zijn dan 0,5 maal de afstand van hart koppeling tot achterzijde met eveneens een maximum van 5,00 m.
De stootbalk, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,20 m smaller zijn dan:
- a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel
- b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten.
De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt.
Artikel 5.18.12a
De lengte van een bedrijfsauto, met inbegrip van één of meer verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, mag niet meer bedragen dan in artikel 5.3.6, eerste lid, onderdeel a, en tweede lid, is bepaald, waarbij:
- a. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken zoveel mogelijk moeten zijn ingeschoven, ingetrokken dan wel in- of opgeklapt en deugdelijk vergrendeld;
- b. geen lading op de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken mag rusten die niet gerelateerd is aan de functie van het verwisselbaar gedragen uitrustingsstuk;
- c. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren of de richtingaanwijzers van het voertuig niet mag worden belemmerd;
- d. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133; en
- e. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, aan de zijkant moeten zijn voorzien van een zijmarkeringslicht of een ambergele retroreflector of ambergele opvallende markering, die is aangebracht op een afstand van niet meer dan 1,00 m van de uiterste voor- of achterzijde.
Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing, indien op het voertuig of aan de voor- of achterzijde van de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren of richtingaanwijzers zijn aangebracht.
Artikel 5.18.13
In afwijking van artikel 5.18.12 mag, voor zover niet op andere wijze op het voertuig of samenstel van voertuigen dan wel voor zover niet binnen de afmetingen van het voertuig of samenstel van voertuigen kan worden geladen, bij het vervoer van in de lengte ondeelbare lading:
- a. de lengte van de vervoerde lading meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12, eerste lid, is toegestaan, waarbij:
- 1°. de lading aan de achterzijde van personenauto’s, bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen niet meer dan 1,00 m achter het voertuig mag uitsteken;
- 2°. de uitsteek van de lading achter het hart van de achterste as van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en aanhangwagens niet meer dan 0,5 maal de lengte van het voertuig mag bedragen, zoals vermeld in het kentekenregister of na meting is vastgesteld, met een maximum van 5,00 m, waarbij voor een oplegger geldt dat de uitsteek van de lading achter het hart van de achterste as van het voertuig niet meer mag zijn dan 0,5 maal de afstand van hart koppeling tot achterzijde met eveneens een maximum van 5,00 m;
- 3°. de lading aan de voorzijde van personenauto’s, bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen niet meer dan 1,00 m voor het voertuig mag uitsteken;
- 4°. de lading aan de voorzijde van bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg niet meer dan 4,30 m voor het hart van de voorste as van het voertuig mag uitsteken;
- 5°. de lading niet voor de voorzijde van de aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, mag uitsteken;
- 6°. de lading die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt, aan de voorzijde respectievelijk aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133;
- 7°. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, moeten aan de zijkant zijn voorzien van een zijmarkeringslicht of een ambergele retroreflector of ambergele opvallende markering, die is aangebracht op een afstand van niet meer dan 1,00 m van de uiterste voor- of achterzijde;
- 8°. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig niet mag worden belemmerd, tenzij aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als het betrokken voertuig zijn aangebracht verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of de kentekenplaat van dat voertuig;
- b. onverminderd het bepaalde in onderdeel a, de lengte van een trekker en oplegger, met inbegrip van de lading, indien de volledige lengte van de laadvloer wordt gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading, uitgezonderd het verhoogde laadvloerdeel van een semi-dieplader, meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.11, eerste lid, is toegestaan, doch niet meer dan voor dat vervoer noodzakelijk is, met een maximum van 22,00 m;
- c. eveneens onverminderd het bepaalde in onderdeel a, de lengte van een oplegger, met inbegrip van de lading, indien de volledige lengte van de laadvloer wordt gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading, uitgezonderd het verhoogde laadvloerdeel van een semi-dieplader, meer bedragen dan ingevolge artikel 5.12.6, derde en vierde lid, is toegestaan, doch niet meer dan voor het vervoer noodzakelijk is, met een maximum combinatielengte van 22,00 m.
In afwijking van artikel 5.18.12, mag de lengte van een samenstel van bedrijfsauto en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, met inbegrip van de lading, dat is ingericht voor het vervoer van voertuigen, meer bedragen dan ingevolge artikel 5.18.12 is toegestaan, doch niet meer dan 20,75 m, waarbij:
- a. de lading niet meer dan 2,00 m achter de aanhangwagen en niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van de aanhangwagen mag uitsteken;
- b. de lading niet meer dan 0,50 m voor de voorzijde van de bedrijfsauto mag uitsteken;
- c. de lading die achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt aan de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133.
Artikel 5.18.14
De breedte van personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens, mag met inbegrip van de lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken niet meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen.
Met inbegrip van de lading mag de breedte van voertuigen waarvan de lading bestaat uit in de breedte ondeelbare lading, meer bedragen dan de maximum toegestane breedte van die voertuigen, doch niet meer dan voor het vervoer noodzakelijk is, met een maximum van 3,00 m.
Lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteken, moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 132 en 133.
Het derde lid is niet van toepassing op lading van personenauto’s en driewielige motorrijtuigen.
Lading van personenauto’s en driewielige motorrijtuigen mag niet meer dan 0,20 m buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken.
Artikel 5.18.15
De hoogte van personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens, met inbegrip van de lading, mag niet meer bedragen dan 4,00 m.
Artikel 5.18.16
Een bedrijfsauto, bus of een samenstel van voertuigen moet in elke gebruikstoestand naar beide zijden een volledige cirkel kunnen beschrijven binnen een ruimte die wordt begrensd door twee concentrische cirkels, waarvan de buitenste een straal van 12,50 m en de binnenste een straal van 5,30 m heeft, zonder dat een van de buitenpunten van het voertuig buiten de omtrek van de cirkels komt.
Het eerste lid is niet van toepassing, indien het een oplegger betreft waarvan het laadvlak zich geheel of grotendeels op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte als of lager dan de assen boven het wegdek bevindt, de oplegger wordt gebruikt voor het vervoer van ondeelbare lading en de oplegger vóór 1 april 1983 in gebruik is genomen.
Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van kermis- en circusvoertuigen, rijdende werktuigen en samenstellen van rijdende werktuigen en aanhangwagens.
Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van trekker en oplegger als bedoeld in artikel 5.18.13, eerste lid, onderdeel b.
Ten aanzien van het bepaalde in het eerste lid, moet bij een stilstaande bus op de bodem met een lijn het loodrechte vlak worden aangegeven dat raakt aan de buitenzijde van het voertuig ten opzichte van de cirkel. Bij een gelede bus worden de twee stijve delen langs het vlak opgesteld. Wanneer het voertuig de cirkelvormige ruimte, bedoeld in het eerste lid, in rechte lijn binnenrijdt, mag geen voertuigdeel meer dan 0,60 m buiten het vermelde loodrecht vlak komen.
De maximale uitzwaai van een bedrijfsauto mag niet meer bedragen dan:
- a. 0,80 m;
- b. 1,00 m, indien:
- 1°. het voertuig met een ashefinrichting is uitgerust en de as van de grond is opgetrokken; of
- 2°. de achterste as een gestuurde as is.
Artikel 5.18.17a
De op de kentekencard of het kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa mag niet worden overschreden of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand mag niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximummassa van het voertuig.
Indien op de kentekencard of het kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus of in het kentekenregister de toegestane maximummassa niet is vermeld dan wel indien de bedrijfsauto of bus niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand niet meer bedragen dan:
- a. 50.000 kg;
- b. de technisch toegestane maximummassa van het voertuig;
- c. vijfmaal de toegestane maximumlast onder de aangedreven as of assen, en
- d. indien de bedrijfsauto na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, de uitkomst van de som: het vermogen van de motor in kW, gedeeld door 0,00368 kW/kg.
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onderdeel a, mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand van een rijdend werktuig niet meer bedragen dan 60.000 kg.
Het tweede lid, aanhef en onderdeel d, is niet van toepassing op de puur elektrische rijmodus van hybride elektrische bedrijfsauto’s en bussen van de voertuigcategorie M2, M3, N2 of N3.
In aanvulling op en met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid mag de toegestane maximummassa bij een door alternatieve brandstoffen aangedreven voertuig met maximaal 1.000 kg of bij een bedrijfsauto of een bus met emissievrije aandrijving met maximaal 2.000 kg verhoogd zijn, indien dit blijkt uit de voertuigdocumenten en vermelding van het symbool ‘96/53/EC ARTICLE 10B COMPLIANT – XXXX KG ’ onder of naast de verplichte opschriften op de voorgeschreven constructieplaat.
Artikel 5.18.17b
De op de kentekencard of het kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa van het samenstel van een bedrijfsauto of bus met een aanhangwagen mag niet worden overschreden of de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand mag niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximummassa van het samenstel.
Indien op de kentekencard of het kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus de toegestane maximummassa van het samenstel van een bedrijfsauto of bus met een aanhangwagen of in het kentekenregister niet is vermeld dan wel indien de bedrijfsauto of bus niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane maximummassa van het samenstel of de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand niet meer bedragen dan:
- a. 50.000 kg;
- b. de technisch toegestane maximummassa van het samenstel van de bus of bedrijfsauto met een aanhangwagen;
- c. vijfmaal de toegestane maximumlast onder de aangedreven as of assen, en
- d. de uitkomst van de som: het vermogen van de motor in kW, gedeeld door 0,002 kW/kg.
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onderdeel a, mag de toegestane maximummassa van een samenstel of de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand van een rijdend werktuig met een aanhangwagen niet meer bedragen dan 60.000 kg.
Het tweede lid, aanhef en onderdeel d, is niet van toepassing op de puur elektrische rijmodus van hybride elektrische bedrijfsauto’s en bussen van de voertuigcategorie M2, M3, N2 of N3.
In aanvulling op en met inachtneming van het bepaalde in het tweede lid mag de toegestane maximummassa bij een door alternatieve brandstoffen aangedreven samenstel van een bedrijfsauto of een bus met een aanhangwagen met maximaal 1.000 kg of bij een samenstel van een bedrijfsauto of een bus met een aanhangwagen met emissievrije aandrijving met maximaal 2.000 kg verhoogd zijn, indien dit blijkt uit de voertuigdocumenten en uit de vermelding van het symbool ‘96/53/EC ARTICLE 10B COMPLIANT – XXXX KG ’ onder of naast de verplichte opschriften op de voorgeschreven constructieplaat.
Artikel 5.18.17c
Indien voor een aanhangwagen een kentekencard of kentekenbewijs is afgegeven, mag de daarop of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximummassa niet worden overschreden of mag de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand, uitgezonderd de aslasten van een niet autonome aanhangwagen, niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximummassa. Bij middenasaanhangwagens en opleggers mag de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand in combinatie met een positieve last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand, niet meer bedragen dan de toegestane maximummassa.
Indien op de kentekencard of het kentekenbewijs van een middenasaanhangwagen of in het kentekenregister geen toegestane maximummassa is vermeld dan wel indien de middenasaanhangwagen niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand in combinatie met een positieve last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand, niet meer bedragen dan 20.000 kg. Indien de middenasaanhangwagen is voorzien van gasvering of van in EU-verband als gelijkwaardig aangemerkte vering en is voorzien van drie assen, mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand in combinatie met een positieve last onder de koppeling van het voertuig in beladen toestand, niet meer bedragen dan 24.000 kg.
Indien van een aanhangwagen de toegestane maximummassa niet met behulp van het eerste en tweede lid kan worden vastgesteld, geldt voor deze aanhangwagen een toegestane maximummassa van 750 kg.
Artikel 5.18.17d
De op het kentekenbewijs van de bedrijfsauto of bus of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximumlast onder de as, alsmede de toegestane maximumlast onder het asstel, mag niet worden overschreden.
Indien op de kentekencard of het kentekenbewijs van een bedrijfsauto of een bus of in het kentekenregister de in het eerste lid bedoelde waarden niet zijn vermeld, dan wel indien de bedrijfsauto of bus niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane maximumlast onder de as of asstel niet meer bedragen dan:
- a. de voor het voertuig opgegeven technisch toegestane maximumlast onder de as of asstel;
- b. voor enige as: 10.000 kg voor een niet-aangedreven as en 11.500 kg voor een aangedreven as;
- c. voor voertuigen met een asstel met twee niet-aangedreven assen:
- 1°. indien de onderlinge afstand tussen de assen minder bedraagt dan 1,00 m, 11.000 kg tezamen;
- 2°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 16.000 kg tezamen;
- 3°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 18.000 kg tezamen;
- d. voor voertuigen met een asstel met twee assen waarvan één of twee assen zijn aangedreven:
- 1°. indien de onderlinge afstand tussen de assen minder bedraagt dan 1,00 m, 11.500 kg tezamen;
- 2°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 16.000 kg tezamen;
- 3°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m:
- –. 18.000 kg tezamen;
- –. 19.000 kg tezamen indien de aangedreven as is voorzien van banden in dubbele montage alsmede van gasvering of van in EU-verband als gelijkwaardig aangemerkte vering;
- –. 19.000 kg tezamen indien beide aangedreven assen zijn voorzien van banden in dubbele montage, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 9.500 kg;
- e. voor voertuigen met een asstel met drie achter elkaar gelegen assen:
- 1°. indien de onderlinge afstand tussen de assen minder bedraagt dan 1,30 m, 7.000 kg per as;
- 2°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 8.000 kg per as;
- 3°. de onder 2° vermelde maximale aslasten mogen, indien het een aangedreven as betreft, worden verhoogd tot: waarbij de last onder het asstel niet meer mag bedragen dan 24.000 kg tezamen;
- –. 10.000 kg indien slechts één as van het asstel is aangedreven;
- –. 9.000 kg indien twee assen van het asstel zijn aangedreven;
- 4°. indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 9.000 kg per as, mits het asstel is voorzien van gasvering of van in EU-verband als gelijkwaardig aangemerkte vering, waarbij de last onder het asstel niet meer mag bedragen dan 27.000 kg tezamen;
- 5°. de onder 4° vermelde maximale aslasten mogen, indien het een aangedreven as betreft die is voorzien van banden in dubbele montage, worden verhoogd tot: waarbij de last onder het asstel niet meer mag bedragen dan 27.000 kg tezamen.
- –. 11.500 kg indien slechts één as van het asstel is aangedreven;
- –. 9.500 kg indien twee assen van het asstel zijn aangedreven;
In afwijking van het tweede lid, mag de last onder enige as van een rijdend werktuig niet meer bedragen dan:
- a. de voor het voertuig opgegeven toegestane maximumlast onder de as of asstel, en
- b. 12.000 kg per as.
Artikel 5.18.17e
De op het kentekenbewijs van een aanhangwagen of de in het kentekenregister vermelde toegestane maximumlast onder de as, alsmede de toegestane maximumlast onder het asstel, mag niet worden overschreden.
Indien op de kentekencard of het kentekenbewijs van een aanhangwagen of in het kentekenregister de in het eerste lid bedoelde waarden niet zijn vermeld, of indien de aanhangwagen niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane maximumlast onder de as of asstel niet meer mag bedragen dan:
- a. de voor het voertuig opgegeven technische toegestane maximumlast;
- b. voor enige as, 10.000 kg;
- c. voor aanhangwagens met een asstel met twee achter elkaar gelegen enkele assen, indien de onderlinge afstand tussen de assen:
- 1°. minder bedraagt dan 1,00 m, 11.000 kg tezamen;
- 2°. 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 16.000 kg tezamen;
- 3°. 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 18.000 kg tezamen;
- d. voor aanhangwagens met een asstel met meer dan twee achter elkaar gelegen assen:
- 1°. indien de afstand tot de dichtstbijzijnde naastgelegen as van dat asstel minder bedraagt dan 1,30 m, 7.000 kg per as;
- 2°. indien de afstand tot de dichtstbijzijnde naastgelegen as van dat asstel 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 8.000 kg per as, dan wel 9.000 kg per as indien het asstel is voorzien van gasvering of van in EU-verband als gelijkwaardig aangemerkte vering;
- e. voor aanhangwagens met één pendelas, 13.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg;
- f. voor aanhangwagens, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, met één pendelas, 16.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 8.000 kg;
- g. voor aanhangwagens met twee pendelassen, waarbij de onderlinge afstand tussen de pendelassen: waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg;
- 1°. minder bedraagt dan 1,00 m, 13.000 kg tezamen;
- 2°. 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 17.000 kg tezamen;
- 3°. 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 21.000 kg tezamen;
- h. voor aanhangwagens, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, met twee of meer pendelassen, waarbij de onderlinge afstand tussen de pendelassen: waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 8.000 kg;
- 1°. minder bedraagt dan 1,00 m, 16.000 kg tezamen;
- 2°. 1,00 m of meer bedraagt, 12.000 kg vermenigvuldigd met het aantal pendelassen;
- i. voor aanhangwagens met meer dan twee pendelassen, waarbij de onderlinge afstand tussen de pendelassen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, het aantal pendelassen vermenigvuldigd met 13.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg, mits het asstel is voorzien van gasvering of van in EU-verband als gelijkwaardig aangemerkte vering;
- j. voor aanhangwagens, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, met twee of meer pendelassen als bedoeld onder e, waarbij de onderlinge afstand tussen de pendelassen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, het aantal pendelassen vermenigvuldigd met 16.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 8.000 kg, mits het asstel is voorzien van gasvering of van in EU-verband als gelijkwaardig aangemerkte vering;
- k. De last onder de assen van aanhangwagens bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, mag niet meer bedragen dan 24.000 kg tezamen indien het betreft aanhangwagens met een asstel bestaande uit:
- 1°. een pendelas, en
- 2°. een enkele as, waarbij de onderlinge afstand tussen de pendelas en de enkele as 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m.
Artikel 5.18.17f
De in het kentekenregister vermelde toegestane maximumlast onder de koppeling van een aanhangwagen mag niet worden overschreden.
Indien van een middenasaanhangwagen in het kentekenregister de in het eerste lid bedoelde waarde niet is vermeld dan wel indien de middenasaanhangwagen niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane last onder de koppeling:
- a. alleen in neerwaartse richting zijn gericht;
- b. niet meer bedragen dan voor het voertuig opgegeven technisch toegestane maximumlast onder de koppeling;
- c. niet meer bedragen dan 10,0% van de technisch toegestane maximummassa van de aanhangwagen en niet meer dan 1.000 kg, en
- d. niet minder bedragen dan 1,0% van de technisch toegestane maximummassa van de aanhangwagen, doch de last behoeft niet meer te bedragen dan 50 kg.
Artikel 5.18.17g
De op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van een bedrijfsauto, bus of dolly of in het kentekenregister vermelde toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen mag niet worden overschreden of de som van de aslasten van een aanhangwagen, alsmede van een samenstel van dolly en oplegger, mag niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximum te trekken massa aanhangwagen.
Indien de bedrijfsauto, bus, dolly of aanhangwagen ingericht voor het vervoer van personen niet in Nederland is geregistreerd, mag de toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen, alsmede van een samenstel van een dolly met oplegger, niet meer bedragen dan de laagste van de volgende waarden:
- a. indien een bedrijfsauto met een technisch toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg of een bus een aanhangwagen voortbeweegt voorzien van een bedrijfsremsysteem:
- 1°. de opgegeven technisch toegestane maximummassa van het trekkende voertuig vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt;
- 2°. in afwijking van onderdeel 1°, 1,5 maal de technisch toegestane maximummassa van een bedrijfsauto vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt, indien de bedrijfsauto een aantekening op de kentekencard, het kentekenbewijs of in het kentekenregister ‘G’ heeft;
- 3°. de ten aanzien van de constructiekenmerken van het trekkende voertuig opgegeven technisch toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen en de sterkte van de koppeling;
- 4°. de daarvoor ten aanzien van het remsysteem van het trekkende voertuig opgegeven technisch toegestane maximummassa;
- 5°. 3.500 kg vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt,
- b. indien een bedrijfsauto met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg een aanhangwagen voortbeweegt voorzien van een bedrijfsremsysteem:
- 1°. de ten aanzien van de constructiekenmerken van het trekkende voertuig opgegeven technisch toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen en de sterkte van de koppeling;
- 2°. de daarvoor ten aanzien van het remsysteem van het trekkende voertuig opgegeven technisch toegestane maximummassa;
- 3°. 3.500 kg, vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt indien het voertuig uitsluitend bestemd is voor het trekken van aanhangwagens die zijn voorzien van een oploopreminrichting;
- 4°. de toegestane maximummassa van het samenstel van een bedrijfsauto met een aanhangwagen verminderd met de massa in rijklare toestand van het trekkende voertuig;
- 5°. 24.000 kg vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt in het geval van een middenasaanhangwagen of een aanhangwagen met stijve dissel met een continureminrichting,
- c. indien een bedrijfsauto of bus een ongeremde aanhangwagen voortbeweegt:
- 1°. de ten aanzien van de constructiekenmerken van het trekkende voertuig opgegeven technisch toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen en de sterkte van de koppeling;
- 2°. de helft van de massa in rijklare toestand van het trekkende voertuig vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt;
- 3°. 750 kg, vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt,
- d. in het geval van een dolly:
- 1°. de ten aanzien van de constructiekenmerken van de dolly opgegeven technisch toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen en de sterkte van de koppeling;
- 2°. de sterkte van de koppelingen in relatie tot de opgegeven technisch toegestane maximummassa van het trekkende motorvoertuig en de technisch toegestane maximummassa van de te trekken oplegger;
- 3°. de daarvoor ten aanzien van het remsysteem van de dolly opgegeven technisch toegestane maximummassa;
- 4°. het samenstel van een dolly en oplegger:
- –. de technisch toegestane maximummassa van het trekkende motorvoertuig met een maximum van 3.500 kg vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt indien het trekkend voertuig een bedrijfsauto met een technisch toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg is;
- –. 1,5 maal de technisch toegestane maximummassa van het trekkende motorvoertuig met een maximum van 3.500 kg vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt indien het trekkend voertuig een bedrijfsauto met een technisch toegestane maximummassa van ten hoogste 3.500 kg met een aantekening ‘G’ op de kentekencard, het kentekenbewijs of in het kentekenregister is of;
- –. de toegestane maximummassa van het samenstel van een bedrijfsauto, dolly en oplegger met een aanhangwagen verminderd met de massa in rijklare toestand van het trekkende voertuig,
- e. in het geval van een aanhangwagen ingericht voor het vervoer van personen:
- 1°. de ten aanzien van de constructiekenmerken van de aanhangwagen opgegeven technisch toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen en de sterkte van de koppeling;
- 2°. de sterkte van de koppelingen in relatie tot de opgegeven technisch toegestane maximummassa van het trekkende motorvoertuig en de technisch toegestane maximummassa van de te trekken aanhangwagen;
- 3°. de daarvoor ten aanzien van het remsysteem van de aanhangwagen opgegeven technisch toegestane maximummassa;
- 4°. de toegestane maximummassa van het samenstel van een bedrijfsauto en meer aanhangwagens ingericht voor het vervoer van personen verminderd met de massa in rijklare toestand van het trekkende voertuig.
Indien in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van een bedrijfsauto, bus of dolly geen maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.
Artikel 5.18.17h
Personenauto’s mogen niet zodanig zijn beladen dat de toegestane maximumlast van enige as of asstel, de maximumlast onder de koppeling, of de toegestane maximummassa van het voertuig wordt overschreden dan wel de som van de aslasten meer bedraagt dan de toegestane maximummassa.
Bussen mogen niet meer passagiers vervoeren dan het maximumaantal passagiers dat op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of in het kentekenregister, dan wel op de plaat als bedoeld in artikel 5.3a.1, zevende lid, is vermeld. Indien het maximumaantal passagiers niet op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs, in het kentekenregister, dan wel op de plaat als bedoeld in artikel 5.3a.1, zevende lid, is vermeld, wordt het maximumaantal passagiers vastgesteld door de toegestane maximummassa te verminderen met de massa in rijklare toestand gedeeld door 68 kg.
Samenstellen van een trekkend voertuig en één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen mogen niet meer passagiers vervoeren dan het maximumaantal passagiers waarvoor het samenstel is ingericht en niet meer dan 75 passagiers vervoeren.
Artikel 5.18.18
De totale massa of de som van de aslasten van aanhangwagens die worden voortbewogen door personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen waarvan de toegestane maximummassa niet meer bedraagt dan 3.500 kg, mag niet meer bedragen dan de maximummassa die volgt uit het op de koppeling van het trekkend voertuig aangebrachte identificatiekenmerk of goedkeuringsmerk. Indien de koppeling daaromtrent geen gegevens vermeldt, mag de totale massa of de som van de aslasten van de aanhangwagen niet meer bedragen dan 750 kg en niet meer dan:
- a. de ledige massa van het trekkend motorvoertuig, of
- b. de massa in rijklare toestand van het trekkend motorvoertuig.
De last onder de bestuurde as of assen van motorvoertuigen in beladen toestand mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voertuig in beladen toestand. Indien het een gelede bus betreft, mag die last niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voorste deel van het motorvoertuig in beladen toestand.
De last onder de gestuurde as of assen, niet zijnde zelfsturende assen, van autonome aanhangwagens in beladen toestand of samenstellen van een dolly met oplegger in beladen toestand, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de aanhangwagen respectievelijk het samenstel van de dolly en de oplegger.
De last onder de koppeling van opleggers in beladen toestand mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de oplegger in beladen toestand.
Artikel 5.18.18a
Indien in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van personenauto’s een maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, mag:
- a. de totale massa van aanhangwagens met een bedrijfsrem,
- b. de som van de aslasten van autonome aanhangwagens met een bedrijfsrem, of
- c. de som van de aslasten of de aslast in combinatie met een positieve koppelingsdruk van middenasaanhangwagens met een bedrijfsrem,
achter die personenauto’s maximaal 3.500 kg bedragen en daarbij de laagste van de volgende waarden niet overschrijden:
- 1°. de maximum te trekken massa aanhangwagen zoals die in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van het trekkende voertuig is vermeld;
- 2°. de door de fabrikant bepaalde technisch toegestane getrokken maximummassa gebaseerd op de constructie van het trekkend voertuig;
- 3°. de door de fabrikant bepaalde technisch toegestane getrokken maximummassa gebaseerd op de sterkte van de mechanische koppelinrichting;
- 4°. de technisch toegestane maximummassa van het trekkend voertuig, of 1,5 maal de technisch toegestane maximummassa van de personenauto, voor zover de personenauto een aantekening op de kentekencard, dan wel het kentekenbewijs of in het kentekenregister ‘G’ heeft.
Indien in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van personenauto’s een maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, mag:
- a. de totale massa van aanhangwagens zonder een bedrijfsrem,
- b. de som van de aslasten van autonome aanhangwagens zonder een bedrijfsrem, of
- c. de som van de aslasten of de aslast in combinatie met een positieve koppelingsdruk van middenasaanhangwagens zonder een bedrijfsrem,
achter die personenauto’s maximaal 750 kg bedragen en daarbij de laagste van de volgende waarden niet overschrijden:
- 1°. de maximum te trekken massa aanhangwagen zoals die in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van het trekkende voertuig is vermeld;
- 2°. de door de fabrikant bepaalde technisch toegestane getrokken maximummassa gebaseerd op de constructie van het trekkend voertuig;
- 3°. de helft van de massa van het trekkende voertuig in rijklare toestand.
De massa van aanhangwagens of de som van de aslasten van aanhangwagens achter driewielige motorrijtuigen mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van het trekkende driewielige motorrijtuig.
Indien in het kentekenregister of op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs van een personenauto geen maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.
B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
Artikel 5.18.19
Lading van motorfietsen op twee wielen mag niet meer dan 0,20 m buiten elke zijkant van het voertuig uitsteken.
Motorfietsaanhangwagens moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:
- a. de breedte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 2,00 m;
- b. de hoogte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,00 m;
- c. de totale massa van het voertuig mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van de trekkende motorfiets;
- d. de afstand van de achteras van de trekkende motorfiets tot de achterzijde van de aanhangwagen met inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan 2,50 m.
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
Artikel 5.18.20
De lengte van een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en één of meer aanhangwagens, mag niet meer bedragen dan 18,75 m.
In de afmetingen, bedoeld in het eerste lid, zijn afneembare bovenbouwen, gestandaardiseerde laadstructuren en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken begrepen.
In afwijking van het eerste lid, mag de lengte van een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk dat niet om een verticale as kan draaien ten opzichte van het trekkende voertuig, niet meer bedragen dan 12 m.
In afwijking van in het eerste lid, mag de lengte van een samenstel van motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen, niet zijnde een oplegger, met inbegrip van de lading, niet meer dan 20,75 m, waarbij:
- a. de lading op de aanhangwagen een verwisselbaar uitrustingsstuk betreft dat noodzakelijk is om het voertuig te kunnen gebruiken; of
- b. de aanhangwagen onbeladen is.
Artikel 5.18.21
Bij het vervoer van lading met een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine of een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en één of meer aanhangwagens:
- a. mag de lading niet meer dan 1,00 m achter het voertuig uitsteken;
- b. mag de lading niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van het voertuig uitsteken;
- c. moet een deugdelijke stootbalk zijn aangebracht op niet meer dan 0,60 m voor de uiterste achterzijde van de uitstekende lading, indien de afstand van de onderzijde van de lading tot het wegdek meer bedraagt dan 0,55 m;
- d. mag de lading niet voor het voertuig uitsteken;
- e. mag het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde niet worden belemmerd, tenzij aan de achterzijde van de uitstekende lading op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of kentekenplaat zijn aangebracht.
In afwijking van het eerste lid, mag voor zover niet op andere wijze op het voertuig of samenstel van voertuigen, of voor zover niet binnen de bestaande afmetingen van het voertuig of samenstel van voertuigen kan worden geladen, bij het vervoer van in de lengte ondeelbare lading, met uitzondering van afneembare bovenbouwen of gestandaardiseerde laadstructuren, de lengte van de vervoerde lading meer bedragen dan ingevolge het eerste lid is toegestaan, waarbij:
- 1°. de lading niet meer dan 5,00 m achter het hart van de achterste as van het voertuig mag uitsteken;
- 2°. de lading niet meer dan 3,50 m voor het hart van het stuurwiel van het voertuig mag uitsteken;
- 3°. de lading die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteekt, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moet zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133;
- 4°. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, aan de zijkant moeten zijn voorzien van een zijmarkeringslicht of een ambergele retroreflector of ambergele opvallende markering, die is aangebracht op een afstand van niet meer dan 1,00 m van de uiterste voor- of achterzijde.
Ter ondersteuning van de lading mag de laadvloer worden verlengd, voor zover daardoor de afmetingen, bedoeld in de artikelen 5.7.6, eerste lid, onderdeel a, 5.7a.6, eerste lid, onderdeel a, 5.8.6, eerste lid, onderdeel a, 5.12.6, eerste lid, onderdeel a, 5.14.6, eerste lid, onderdeel a, en 5.18.20, niet worden overschreden. Lading mag niet uitsluitend op de laadvloerverlenging rusten.
De stootbalk, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, mag niet breder zijn noch aan weerszijden meer dan 0,20 m smaller zijn dan:
- a. het voertuig op de plaats waar de stootbalk is aangebracht, dan wel
- b. de breedte van de breedste achteras, met inbegrip van de wielen waarbij de bolling van de banden boven het wegdek buiten beschouwing wordt gelaten.
De stootbalk, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt.
Indien gebruikt gemaakt wordt van het gele zwaai-, flits, of knipperlicht ingevolge artikel 5.7.57a of 5.8.57a moet het licht zodanig gemonteerd zijn dat het signaal kan worden waargenomen rondom het voertuig vanaf een afstand van 20 m vanaf het voertuig, gemeten op 1,5 m boven het wegdek.
Artikel 5.18.21a
De lengte van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines, landbouw- of bosbouwaanhangwagens of verwisselbare getrokken uitrustingsstukken, mag, met inbegrip van één of meer verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, niet meer bedragen dan is bepaald in onderscheidenlijk de artikelen 5.7.6, eerste lid, onderdeel a, 5.7a.6, eerste lid, onderdeel a, 5.8.6, eerste lid, onderdeel a, en 5.14.6, eerste lid, onderdeel a, waarbij:
- a. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken zoveel mogelijk moeten zijn ingeschoven, ingetrokken dan wel in- of opgeklapt en deugdelijk vergrendeld;
- b. geen lading op de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken mag rusten die niet gerelateerd is aan de functie van het verwisselbaar gedragen uitrustingsstuk;
- c. het zicht op de verlichting, de retroreflectoren, de richtingaanwijzers of de kentekenplaat aan de achterzijde van het voertuig niet mag worden belemmerd;
- d. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, aan de voorzijde dan wel de achterzijde moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 130 tot en met 133;
- e. voertuigdelen en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken niet meer dan 3,50 m voor het hart van het stuurwiel van het voertuig of, indien het voertuig geen stuurwiel heeft, voor het midden van de bestuurdersstoel, wanneer deze in de middelste stand gepositioneerd is, mogen uitsteken;
- f. een beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden als bedoeld in artikel 5.8.49, niet meer dan 4,00 m voor het hart van het stuurwiel van het voertuig mag uitsteken;
- g. de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die voor of achter het voertuig meer dan 1,00 m uitsteken, moeten aan de zijkant zijn voorzien van een zijmarkeringslicht of een ambergele retroreflector of ambergele opvallende markering, die is aangebracht op een afstand van niet meer dan 1,00 m van de uiterste voor- of achterzijde.
Het eerste lid, onderdeel c, is niet van toepassing, indien aan de achterzijde van de verwisselbare gedragen uitrustingsstukken op gelijke wijze als op het betrokken voertuig verlichting, retroreflectoren, richtingaanwijzers of kentekenplaat zijn aangebracht.
Het eerste lid, onderdeel e, is niet van toepassing, indien er maatregelen zijn getroffen die bewerkstelligen dat gezichtsveldbeperkingen bij kruisingen, verkeersknooppunten en uitritten worden opgeheven.
Artikel 5.18.22
De breedte van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid of mobiele machines en daardoor voortbewogen aanhangwagens, mag, met inbegrip van de lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, niet meer bedragen dan 3,00 m.
Lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken die in de breedte meer dan 0,10 m buiten de zijkant van het voertuig uitsteken, moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 132 en 133.
Landbouw- of bosbouwtrekkers, mobiele machines, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik genomen na 31 december 2020 en daardoor voortbewogen aanhangwagens die, met inbegrip van de lading en verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, meer dan 2,55 m breed zijn, moeten zijn voorzien van een markering die voldoet aan het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 132 en 133.
Artikel 5.18.23
De hoogte van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines en daardoor voortbewogen aanhangwagens, mag, met inbegrip van de lading en één of meer verwisselbare gedragen uitrustingsstukken, niet meer bedragen dan 4,00 m.
Artikel 5.18.24
De last onder de bestuurde as of assen van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van het voertuig.
De last onder de bestuurde as of assen, niet zijnde zelfsturende assen, van de door landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines voortbewogen autonome aanhangwagens, mag niet minder bedragen dan een vijfde deel van de massa van de aanhangwagen in beladen toestand.
Artikel 5.18.25
De op de kentekencard, in het kentekenregister of op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine vermelde technisch toegestane maximummassa mag niet worden overschreden of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand mag niet meer bedragen dan de vermelde technisch toegestane maximummassa van het voertuig, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden.
De toegestane maximummassa of de som van de aslasten van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines in beladen toestand, mag niet meer bedragen dan:
- a. 50.000 kg;
- b. de technisch toegestane maximummassa van het voertuig.
In afwijking van het tweede lid, onderdeel a, mag de toegestane maximummassa of de som van de aslasten van:
- a. landbouw- of bosbouwtrekkers die:
- 1°. zijn voorzien van metalen rupsbanden niet meer bedragen dan 10.000 kg;
- 2°. twee-assig zijn niet meer bedragen dan 18.000 kg;
- 3°. drie-assig zijn niet meer bedragen dan 24.000 kg;
- b. motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines die:
- 1°. zijn voorzien van metalen rupsbanden niet meer bedragen dan 10.000 kg;
- 2°. zijn ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen niet meer bedragen dan 60.000 kg.
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
Artikel 5.18.25a
Van een samenstel van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine met één of meer aanhangwagens, mag:
- a. de op de kentekencard, in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde technisch toegestane maximummassa van het samenstel niet worden overschreden;
- b. de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand niet meer bedragen dan de vermelde technisch toegestane maximummassa van het samenstel; en
- c. het draagvermogen van de gemonteerde banden niet worden overschreden.
De toegestane maximummassa van een samenstel van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en één of meer aanhangwagens of de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand, mag niet meer bedragen dan:
- a. 50.000 kg;
- b. de technisch toegestane maximummassa van het samenstel.
In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onderdeel a, mag de toegestane maximummassa van een samenstel of de som van de aslasten van het samenstel in beladen toestand van een motorrijtuig met beperkte snelheid dat of mobiele machine die is ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen met een aanhangwagen niet meer bedragen dan 60.000 kg.
Artikel 5.18.26
Bromfietsen op twee wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,00 m.
Bromfietsen op meer dan twee wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 2,00 m.
Artikel 5.18.27
Bromfietsaanhangwagens achter tweewielige bromfietsen moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:
- a. de breedte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,00 m;
- b. de hoogte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,00 m;
- c. de totale massa van het voertuig mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van de trekkende bromfiets;
- d. de afstand van de achteras van de trekkende bromfiets tot de achterzijde van de aanhangwagen met inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan 2,00 m.
Bromfietsaanhangwagens achter bromfietsen op meer dan twee wielen moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:
- a. de breedte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 2,00 m;
- b. de hoogte van het voertuig mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,50 m;
- c. de totale massa van het voertuig mag niet meer bedragen dan de helft van de ledige massa van de trekkende bromfiets;
- d. de afstand van de achteras van de trekkende bromfiets tot de achterzijde van de aanhangwagen met inbegrip van de lading mag niet meer bedragen dan 2,50 m.
E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
Artikel 5.18.28
Fietsen op twee wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 0,75 m.
Fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met zijspanwagen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,50 m.
Artikel 5.18.29
Fietsaanhangwagens achter tweewielige fietsen mogen in aangekoppelde toestand met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,00 m.
Fietsaanhangwagens achter fietsen op meer dan twee wielen mogen in aangekoppelde toestand met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,50 m.
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
Artikel 5.18.30
De breedte van gehandicaptenvoertuigen mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,10 m.
De breedte van wagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 1,50 m.
De breedte van bespannen wagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 2,60 m. Indien de lading bestaat uit losse veldgewassen, mag de breedte van de lading niet meer bedragen dan 3,50 m.
De hoogte van gehandicaptenvoertuigen mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 2,00 m.
De hoogte van wagens mag met inbegrip van de lading niet meer bedragen dan 4,00 m.
G. Middenasaanhangwagens
Artikel 5.18.31
Middenasaanhangwagens van de voertuigcategorie O moeten in aangekoppelde toestand voldoen aan de volgende eisen:
- a. de som van de aslasten van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 12 000 kg mag niet meer bedragen dan 1,5 maal de som van de aslasten van het trekkend motorvoertuig;
- b. de last onder de koppeling van een middenasaanhangwagen met een massa van niet meer dan 750 kg mag alleen in neerwaartse richting zijn gericht en mag niet meer dan 50 kg bedragen;
- c. de last onder de koppeling van een middenasaanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg mag niet minder bedragen dan 1% van de toegestane maximummassa van het voertuig, doch behoeft niet meer dan 50 kg te bedragen.
Het eerste lid, onderdelen a en c, zijn van overeenkomstige toepassing op een aanhangwagen met een stijve dissel van de voertuigcategorie O.
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.18.32
Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen behoeven in geval van nood niet te voldoen aan de artikelen 5.2.27, achtste lid, 5.3.27, negende lid, 5.3a.27, negende lid, en 5.5.27, achtste lid, mits in dat geval de rijsnelheid en het rijgedrag worden aangepast aan de door de fabrikant vastgestelde voorschriften.
Mobiele machines en landbouw- of bosbouwtrekkers behoeven in geval van tijdelijke montage van bredere banden of dubbellucht banden niet te voldoen aan artikel 5.7a.48, zesde en zevende lid, respectievelijk artikel 5.8.48, zesde en zevende lid, mits in dat geval de rijsnelheid en het rijgedrag worden aangepast aan de door de fabrikant vastgestelde voorschriften.
§ 5. Assen
A. Aanhangwagens
Artikel 5.18.33
Aanhangwagens van de voertuigcategorie O, niet zijnde opleggers, met een totale massa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s of driewielige motorrijtuigen hoeven niet te zijn voorzien van een reminrichting, indien deze totale massa niet hoger is dan de helft van de massa in rijklare toestand van het trekkend voertuig.
B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
Artikel 5.18.34
Bij samenstellen van voertuigen waarvan de aanhangwagen van een reminrichting is voorzien, moet de reminrichting van de aanhangwagen in werking treden bij het bedienen van de bedrijfsrem van het trekkend voertuig.
Indien de aanhangwagen is voorzien van een losbreekreminrichting, moet deze zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekhaak daarvan zijn verbonden, dat de inrichting slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling.
Indien zowel het trekkend voertuig als de aanhangwagen zijn voorzien van een ABS- of EBS-systeem, moeten de daartoe bestemde ISO 7638-stekkers op beide voertuigen met elkaar verbonden worden. Indien deze voorziening op één van beide voertuigen ontbreekt, moeten de remsystemen zodanig zijn aangesloten dat het mogelijk blijft dat er met zowel het trekkend voertuig als met de aanhangwagen lastafhankelijk geremd kan worden.
Bij een samenstel van voertuigen bestaande uit een bedrijfsauto en dolly met oplegger moeten alle voertuigen zijn voorzien van een EBS-remsysteem.
Indien in het samenstel, bedoeld in het vijfde lid, de dolly is uitgerust met een voertuigstabiliteitssysteem, moet deze tevens beschikken over een voorziening die de remmen van de getrokken oplegger automatisch activeert zodra het voertuigstabiliteitssysteem van de dolly ingrijpt.
Het eerste lid is niet van toepassing op samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, die in gebruik is genomen voor 1 januari 2022, en een aanhangwagen die afzonderlijk geremd kan worden.
Artikel 5.18.35
De remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van trekkend voertuig en aanhangwagens moet, zowel beladen als onbeladen, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s2 bedragen.
In afwijking van het eerste lid, moet de remvertraging van de bedrijfsrem van samenstellen van landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen voldoen aan de eisen die aan de remvertraging van het trekkende voertuig worden gesteld in de op die categorie voertuigen betrekking hebbende afdeling van dit hoofdstuk.
Artikel 5.18.35a
Dubbel uitgevoerde rempedalen van landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines moeten zijn gekoppeld.
Artikel 5.18.36
De parkeerrem van het trekkend motorvoertuig van een samenstel van motorvoertuig en aanhangwagen moet het samenstel van voertuigen op een helling van 10,0% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt geacht te zijn voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s2 bedraagt.
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.18.36a
Vervallen
Artikel 5.18.36b
Vervallen
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
Artikel 5.18.37
Indien met een personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig een aanhangwagen wordt voortbewogen, moet het trekkende voertuig zijn voorzien van één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig.
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
Artikel 5.18.38
De verlichtingsinstallatie van aanhangwagens moet zodanig functioneren dat de functies van de verlichting en de lichtsignalen overeenstemmen met die van het trekkende voertuig.
De verlichtingsinstallatie van verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers moet zodanig functioneren dat de functies van de verlichting en de lichtsignalen overeenstemmen met die van het voertuig.
Artikel 5.18.38a
Indien een aanhangwagen wordt voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus die is voorzien van één of twee mistachterlichten, behoeven in afwijking van artikel 5.18.38, eerste lid, alleen de één of twee mistachterlichten op de aanhangwagen te branden, mits de bediening van de mistachterlichten op het trekkende voertuig en de aanhangwagen vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt.
Indien een voertuig aan de achterzijde is voorzien van een lastdrager, behoeft in afwijking van artikel 5.18.38, tweede lid, alleen het mistachterlicht op de lastdrager te branden, mits de bediening van het mistachterlicht op de lastdrager vanuit het trekkende voertuig plaatsvindt. Wanneer de lastdrager niet is voorzien van een mistachterlicht, dan behoeven de één of twee mistachterlichten op het voertuig niet te branden wanneer de verlichtingsinstallatie van de lastdrager is aangesloten.
E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
Artikel 5.18.43
Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie, die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:
- a. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel;
- b. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel.
Gehandicaptenvoertuigen zonder motor, die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:
- a. twee lichten aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van twee voorwielen, dan wel één licht aan de voorzijde indien het voertuig is voorzien van één voorwiel;
- b. twee achterlichten indien het voertuig is voorzien van twee achterwielen, dan wel één achterlicht indien het voertuig is voorzien van één achterwiel.
Het tweede lid is niet van toepassing bij het gebruik maken van het voetpad of het trottoir of bij het oversteken van het ene naar het andere voetpad of trottoir.
Artikel 5.18.44
De in artikel 5.18.43 bedoelde lichten moeten goed werken.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd.
De in artikel 5.18.43 bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.
Artikel 5.18.45
De lichten aan de voorzijde mogen niet anders dan wit of geel stralen.
De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
Artikel 5.18.46
Fietsaanhangwagens die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, dienen te zijn voorzien van een achterlicht.
Artikel 5.18.47
Het achterlicht dient goed te werken.
Het verlichtingsarmatuur en de onderdelen daarvan dienen deugdelijk aan het voertuig te zijn bevestigd.
Het glas van de verlichtingsarmatuur mag niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst dan wel de functie nadelig wordt beïnvloed;
Het achterlicht mag niet zijn afgeschermd.
Artikel 5.18.48
Het achterlicht mag niet anders dan rood stralen.
Artikel 5.18.49
Het achterlicht dient uiterst links aan de achterzijde van het voertuig te zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m en niet meer dan 1,20 m boven het wegdek.
E. Wagens
Artikel 5.18.50
Wagens die bij nacht of bij dag indien het zicht ernstig wordt belemmerd, worden gebruikt, moeten zijn voorzien van:
- a. twee voorlichten;
- b. twee achterlichten indien het een wagen betreft waarvan de breedte meer dan 1,50 m bedraagt, dan wel ten minste één achterlicht indien het een wagen betreft waarvan de breedte niet meer dan 1,50 m bedraagt.
Artikel 5.18.51
De in artikel 5.18.50 bedoelde lichten moeten goed werken.
De verlichtingsarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd.
De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst dan wel de functie nadelig wordt beïnvloed.
Lichten met dezelfde functie moeten van gelijke grootte, gelijke kleur, en gelijke of nagenoeg gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten op gelijke hoogte symmetrisch links en rechts midden van het voertuig zijn bevestigd.
De in artikel 5.18.50 bedoelde lichten mogen niet zijn afgeschermd.
Artikel 5.18.52
De voorlichten mogen niet anders dan wit of geel stralen.
De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen.
Artikel 5.18.53
De voorlichten moeten aan de voorzijde van het voertuig zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde.
De achterlichten moeten aan de achterzijde van het voertuig zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m binnenwaarts van de uiterste linker- en rechterzijde en op een hoogte van niet meer dan 1,25 m boven het wegdek.
Indien één achterlicht is toegestaan, moet dit aan de achterzijde van de wagen zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,40 m van de uiterste linkerzijde van het voertuig en op een hoogte van niet meer dan 1,25 m boven het wegdek.
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
Artikel 5.18.54
Bij samenstellen van voertuigen moet de aanhangwagen of het verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk door een enkele, passende en geschikte koppeling die niet kan lostrillen, geborgd zijn en moet deze zodanig aan het trekkende voertuig zijn verbonden dat zijdelings uitwijken van de aanhangwagen of het verwisselbaar uitrustingsstuk zoveel mogelijk wordt voorkomen.
De totale speling in de verbinding tussen het trekkende en getrokken voertuig mag niet meer dan 3 mm bedragen.
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
Artikel 5.18.55
Aanhangwagens moeten zich zodanig ten opzichte van het trekkend voertuig kunnen bewegen dat de voertuigen in hun uiterste standen, met een maximum van 90°, niet worden begrensd door delen van de reminrichting, van de elektrische installatie en van de koppeling, alsmede, voor zover aanwezig, van de hulpkoppeling en van de besturingsonderdelen.
Artikel 5.18.56
Bij samenstellen van voertuigen moet het trekoog of de kogelkoppeling van de aanhangwagen horizontaal of nagenoeg horizontaal liggen, indien het samenstel zich op een horizontaal wegdek bevindt.
Bij gebruik van aanhangwagens voorzien van een trekdriehoek met verzet, moet de koppelinrichting op het trekkend voertuig van een type zijn dat in verticale richting niet beweegbaar is.
Opleggers mogen alleen aan een opleggertrekker of een dolly zijn gekoppeld indien een hoekverdraaiing van de opleggerschotel naar boven en naar beneden mogelijk is, indien het samenstel van opleggertrekker en oplegger of het samenstel van dolly en oplegger zich op een horizontaal wegdek bevindt.
Bij gebruik van aanhangwagens voorzien van een koppeling die om de horizontale as kan draaien, moet de koppelinrichting op het trekkende voertuig van een type zijn dat niet om de horizontale as kan draaien.
Artikel 5.18.57
Indien een aanhangwagen is voorzien van een hulpkoppeling moet deze zodanig met een vast deel van het trekkend voertuig of met een daartoe bestemde inrichting aan de trekinrichting daarvan zijn verbonden, dat deze slechts in werking treedt na het losraken van de aanhangwagenkoppeling.
C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
Artikel 5.18.58
Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagen moeten zodanig aan een motorfiets onderscheidenlijk bromfiets zijn verbonden dat de koppeling zowel bewegingen toelaat om een horizontale as als om een verticale as, loodrecht op de lengte-as van de motorfiets onderscheidenlijk bromfiets. Indien de aanhangwagen meer dan één wiel heeft, moet de koppeling bovendien bewegingen om een as in de lengterichting van het trekkend voertuig toelaten.
D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
Artikel 5.18.59
Een fietsaanhangwagen moet goed met de fiets zijn verbonden.
§ 5. Assen
Artikel 5.18.60
Bromfietsen op drie of meer wielen met een carrosserie moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een rond bord of rond vlak met een doorsnede van ten minste 0,20 m, wit van kleur met een rode rand en met in het witte vlak duidelijk leesbaar de aanduiding ‘45’ in zwarte kleur.
Aanhangwagens ingericht voor het vervoer van personen moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een rond bord of rond vlak met een doorsnede van ten minste 0,20 m, wit van kleur met een rode rand en met in het witte vlak duidelijk leesbaar de aanduiding ‘25’ in zwarte kleur.
Artikel 5.18.61
Onverminderd het bepaalde in de artikelen 5.3.1, 5.3a.1 en 5.12.1, moeten:
- a. bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en bestemd voor het vervoer van goederen,
- b. bussen, en
- c. aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, zijn voorzien van:
- 1°. een constructieplaat, waarvan de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, en een plaat waarop zijn vermeld:
- –. de naam van de fabrikant;
- –. het voertuigidentificatienummer;
- –. de lengte van het motorvoertuig of de aanhangwagen;
- –. de breedte van het motorvoertuig of de aanhangwagen;
- –. de afstand tussen de voorkant van het motorvoertuig en het middelpunt van de koppelinrichting ervan, en
- –. de afstand tussen het middelpunt van de koppelinrichting van de aanhangwagen en de achterkant van de aanhangwagen, hetzij
- 2°. één plaat waarop de gegevens van de onder 1° bedoelde platen zijn vermeld, hetzij
- 3°. een door de Dienst Wegverkeer afgegeven document waarin de gegevens van de onder 1° bedoelde platen zijn vermeld.
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 6.1
De in paragraaf 2 vermelde wijzigingen in de bouw of inrichting van geregistreerde voertuigen, moeten, voor zover niet anders is bepaald, zijn goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg, waarbij moet worden voldaan aan de in paragraaf 2 ter zake van de betrokken wijziging vermelde eisen.
Indien het voertuig gaat behoren tot een andere voertuigcategorie of een andere voertuigclassificatie dan die waarvoor het bij toelating tot het verkeer op de weg is goedgekeurd en het geen wijziging van voertuigcategorie betreft ten gevolge van het tijdelijk aanbrengen van rupsbanden, wordt het voertuig aangemerkt als reeds tot die nieuwe voertuigcategorie of voertuigclassificatie behorend en moet het voldoen aan de voor die voertuigcategorie of voertuigclassificatie geldende eisen.
Indien een voertuig waarvoor een kenteken opgegeven dient te zijn wordt gewijzigd in een voertuig waarvoor dat niet het geval is, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 5 gestelde eisen en, voor zover van toepassing, aan de eisen voor goedkeuring, bedoeld in hoofdstuk 3, zoals deze luidden ten tijde van de ingebruikname van het voertuig.
De in het tweede en derde lid bedoelde voertuigen moeten zijn goedgekeurd voor toelating van het gewijzigde voertuig tot het verkeer op de weg.
Artikel 6.2
Op de wijziging in de bouw of inrichting van een geregistreerd voertuig, met uitzondering van de inbouw van een elektrische aandrijflijn of een brandstofsysteem voor al dan niet tot vloeistof verdicht gas, zijn de eisen van toepassing zoals die luidden ten tijde van de ingebruikname van het voertuig.
Op de inbouw van een elektrische aandrijflijn of een brandstofsysteem voor al dan niet tot vloeistof verdicht gas in een gekentekend voertuig zijn de eisen van toepassing zoals die luidden op de datum van de aanvraag van de goedkeuring.
§ 8. Reminrichting
Artikel 6.3
Bij wijziging in de bouw of inrichting van een voertuig waardoor de onderstaande voertuiggegevens wijzigen en na deze wijziging niet meer overeenstemmen met het kentekenregister, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging:
- a. het aantal assen;
- b. het aantal wielen, niet zijnde het aanbrengen van een samenstel van wielen die op één wielnaaf zijn gemonteerd;
- c. de wielbasis van voertuigen met kettingaandrijving, met uitzondering van bromfietsen, indien deze meer dan 60 mm afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde en van overige voertuigen, met uitzondering van bromfietsen, indien deze meer dan 2% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
- d. een vergroting van de spoorbreedte van personenauto’s, bedrijfsauto’s met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, bussen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, indien deze meer dan 2% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
- e. de lengte van voertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, niet zijnde een personenauto, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, indien deze meer dan 1% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
- f. de afstand voorzijde voertuig tot hart koppeling van een motorvoertuig met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, niet zijnde een personenauto, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, indien deze meer dan 1% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
- g. de afstand hart koppeling tot de achterzijde van aanhangwagens van de voertuigcategorie O, indien deze meer dan 1% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
- h. de breedte van bedrijfsauto’s, bussen, bijzondere bromfietsen, landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines en aanhangwagens, indien deze meer dan 50 mm afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde en, voor zover het een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk betreft de afwijking, niet ontstaat door het aanbrengen van:
- 1°. een samenstel van wielen die op één wielnaaf zijn gemonteerd;
- 2°. bredere banden, en eventuele afscherming en markering hiervan;
- 3°. lading; of
- 4°. verwisselbare gedragen uitrustingsstukken;
- i. de massa in rijklare toestand, indien deze meer dan 20% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
- j. de massa ledig voertuig, indien deze meer dan 20% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
- k. de technisch toegestane maximummassa’s van voertuigen, met uitzondering van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen;
- l. het aanbrengen van een hefbare as op een bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, dan wel aanhangwagen van de voertuigcategorie O3 of O4;
- m. de technisch toegestane te trekken aanhangwagenmassa’s van voertuigen, met uitzondering van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen;
- n. de motorcode of het motortype van motorvoertuigen;
- o. het aantal cilinders van motorvoertuigen, met uitzondering van bromfietsen;
- p. de cilinderinhoud van motorvoertuigen;
- q. de brandstofsoort van motorvoertuigen;
- r. het vermogen van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen, bromfietsen en bijzondere bromfietsen, alsmede het vermogen van overige motorvoertuigen, indien deze meer dan 20% afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde;
- s. de vering van de aangedreven as van bedrijfsauto's en bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg;
- t. de inrichtingsomschrijving van personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens van de voertuigcategorie O;
- u. de voertuigomschrijving van motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines en het geen wijziging betreft ten gevolge van het tijdelijk aanbrengen van een ander verwisselbaar uitrustingsstuk;
- v. het type carrosserie van personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens van de voertuigcategorie O;
- w. de aanduiding voor speciale doeleinden van personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens van de voertuigcategorie O;
- x. het aantal zitplaatsen van motorvoertuigen en bijzondere bromfietsen, indien het aantal aanwezige zitplaatsen groter is dan het in het register vermelde aantal;
- y. het aantal staanplaatsen van bussen;
- z. de maximumconstructiesnelheid, indien geregistreerd in het kentekenregister, of, voor zover het bromfietsen en bijzondere bromfietsen betreft, de maximumsnelheid waarvoor de hulpaandrijving ondersteuning biedt; en
- aa. het geluidsniveau bij stilstand en bijbehorend toerental van motorvoertuigen.
In aanvulling op het eerste lid, moet bij voertuigen in gebruik genomen na 31 december 1997 voor de volgende wijzigingen in de bouw of inrichting tevens worden voldaan aan de in bijlage IX opgenomen eisen met betrekking tot deugdelijkheid en weggedrag, voor zover deze van toepassing zijn op de betreffende voertuigcategorie:
- a. de vergroting van de wielbasis, indien het een personenauto met een volledig zelfdragende carrosserie, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg met een volledig zelfdragende carrosserie, bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg met een volledig zelfdragende carrosserie of motorfiets betreft;
- b. de spoorbreedte, indien het een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg betreft;
- c. de inrichtingsomschrijving, voor zover naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer inbreuk is op de sterkte van de dragende constructie, indien het een personenauto, bedrijfsauto of bus betreft met een zelfdragende carrosserie, of
- d. het type carrosserie, voor zover naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer inbreuk is op de sterkte van de dragende constructie, indien het een personenauto, bedrijfsauto of bus betreft met een zelfdragende carrosserie.
Bij wijziging van de brandstofsoort van een voertuig, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas door inbouw van een LPG- of CNG-installatie, wordt in afwijking van de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met hoofdstuk 3, voldaan aan VN/ECE-reglement 115, voor zover die eisen onderwerpen betreffen die tevens zijn geregeld in VN/ECE-reglement 115 en er voor het voertuig, niet zijnde een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine, een LPG- of CNG-installatie beschikbaar is die aan VN/ECE-reglement 115 voldoet.
3a. In afwijking van het derde lid en van de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met hoofdstuk 3, van toepassing zijn en onderwerpen betreffen die tevens zijn geregeld in bijlage X, mag in een voertuig dat uiterlijk op 31 december 2014 voor het eerst is toegelaten tot het verkeer op de weg, mits voldaan wordt aan de eisen, genoemd in bijlage X, hoofdstuk 1, worden ingebouwd en gebruikt een LPG- of CNG-installatie waarvoor uiterlijk op 31 december 2014 een goedkeuring is verleend op grond van de eisen, bedoeld in de bijlage behorende bij artikel 3 van de Regeling keuringsvoorschriften motorrijtuigen luchtverontreiniging.
3b. In aanvulling op de in dit artikel gestelde eisen zijn voor landbouw- of bosbouwtrekkers, mobiele machines, motorrijtuigen met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken de eisen ten aanzien van specifieke onderdelen en de installatie voor in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas en elektrische veiligheid van overeenkomstige toepassing.
In aanvulling op de eisen die ingevolge het eerste lid, aanhef en onderdeel q, in samenhang met hoofdstuk 3, van toepassing zijn, voldoen bij wijziging van de brandstofsoort in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas door uitbouw van een LPG- of CNG-installatie, de uitbouw en het voertuig aan de eisen in bijlage X, hoofdstuk 2.
Een personenauto, bedrijfsauto of bus moet bij wijziging in de bouw of inrichting tevens voldoen aan de in bijlage IX, hoofdstuk 3, artikel 3, onderdeel b, opgenomen eisen ten aanzien van het weggedrag, voor zover dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het veilig gebruik van het voertuig.
Een motorfiets moet bij wijziging in de bouw of inrichting tevens voldoen aan de in bijlage IX, hoofdstuk 5, titel 2, artikel 6, opgenomen eisen ten aanzien van het weggedrag voor zover dit naar het oordeel van de Dienst Wegverkeer noodzakelijk is met het oog op het veilig gebruik van het voertuig.
Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing op bromfietsen, bijzondere bromfietsen en driewielige motorrijtuigen.
In afwijking van artikel 6.1, eerste lid, mag een wijziging in de bouw of inrichting van motorfietsen waarbij het vermogen afwijkt van de in het kentekenregister geregistreerde oorspronkelijke waarde worden aangetoond door middel van een verklaring, afgegeven door de fabrikant van het voertuig of de vertegenwoordiger van die fabrikant in Nederland, waaruit blijkt dat de wijziging volgens fabrieksvoorschriften is uitgevoerd en het gewijzigde vermogen voorkomt in een typegoedkeuring.
Artikel 6.4
Bij wijziging van de onderstaande voertuigonderdelen, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging:
- a. het remsysteem van voertuigen, voor zover deze van invloed is op de bedieningsplaats, bedieningsmanier en bedieningskracht door de bestuurder;
- b. de stuurinrichting van voertuigen, met uitzondering van motorfietsen, driewielige motorrijtuigen en bromfietsen, voor zover deze van invloed is op de bedieningsplaats, bedieningsmanier en bedieningskracht;
- c. de bevestigingspunten van de zitplaatsen van voertuigen die in gebruik zijn genomen na 28 april 2009;
- d. de bevestigingspunten van de gordels van voertuigen die in gebruik zijn genomen na 28 april 2009;
- e. de rolstoelvastzetsystemen en veiligheidssystemen van personenauto’s en bedrijfsauto’s, ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel, die in gebruik zijn genomen zijn na 1 september 2008;
- f. de ligplaatsen van een personenauto; en
- g. het laadplatform van een landbouw- of bosbouwtrekker in gebruik genomen na 31 december 2017, indien het niet meer voldoet aan het gestelde in bijlage XXVIII bij verordening (EU) 2015/208.
Bij het aanbrengen van een knielsysteem moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 voor het betrokken voertuig opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Bij wijziging van de inrichting van een taxi moet de gewijzigde inrichting voldoen aan de eisen in bijlage VI, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Bij wijziging van de inrichting van een bus moet de gewijzigde inrichting voldoen aan de eisen in hoofdstuk 3, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Bij het aanbrengen van aerodynamische voorzieningen en uitrusting aan de achterzijde van bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens in gebruik genomen na 31 oktober 2019, moet het voertuig voldoen aan de eisen in hoofdstuk 3, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Artikel 6.5
Indien een snelheidsbegrenzer wordt aangebracht, afgesteld of verzegeld in bedrijfsauto’s of bussen van de categorieën, genoemd in de artikelen 5.3.15, tweede lid, respectievelijk 5.3a.15, tweede lid, moeten deze voertuigen voldoen aan de in hoofdstuk 3 opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Artikel 6.6
Indien voor een bus een goedkeuring als T100-bus wordt verzocht, moet deze bus voldoen aan de in bijlage XI opgenomen eisen.
Indien de bouw of inrichting van een bus, ten aanzien waarvan tevens keuring als T100-bus is verzocht, wordt gewijzigd, moet deze bus voldoen aan de in hoofdstuk 5, afdeling 3a, opgenomen eisen en aan de in bijlage XI opgenomen eisen voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Artikel 6.7
Indien een koppeling wordt aangebracht op bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, moeten deze voertuigen voldoen aan de in hoofdstuk 3 opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Artikel 6.8
Indien de vering van een aanhangwagen, niet zijnde een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg wordt gewijzigd, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Artikel 7.0
Een schadevoertuig moet na herstel voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Artikel 7.1
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Een schadevoertuig moet na herstel voldoen aan de in dit artikel vermelde eisen. | – |
| 2. | De voor het betreffende voertuig opgenomen eisen in hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10, zijn van toepassing. | De in hoofdstuk 5, paragrafen 0, 1, 7, 8 en 10, vermelde wijze van keuren is van toepassing. |
| 3. | Het chassis, frame dan wel de zelfdragende carrosserie moet de oorspronkelijke maatvoering hebben. | De maatvoering van het chassis dan wel de bodemplaat van de zelfdragende carrosserie wordt met daartoe bestemde meetapparatuur gemeten. De relevante meetpunten aan de onderzijde van het voertuig worden gecontroleerd. De toegestane afwijking van de meetpunten van de voertuigbodem bedraagt 10 mm in zowel de lengte-, breedte-, als hoogterichting. |
| 4. | De wielstanden moeten overeenkomen met de fabrieksgegevens. | De wielstanden worden met daartoe bestemde meetapparatuur gemeten. De volgende waarden worden vastgesteld: a. de totale sporing van de voorwielen; b. de totale sporing van de achterwielen; c. de wielvlucht van elk wiel; en d. de rijlijn van de achterwielen. Voor de sporing geldt een maximale afwijking van 0º30’ ten opzichte van de maximale fabriekstoleranties. Indien de fabriekstolerantie niet bekend is, mag de waarde links en rechts maximaal 1º verschillen. Voor de wielvlucht van elk wiel geldt een maximale afwijking van 0º30’ ten opzichte van de maximale fabriekstoleranties. Indien de fabriekstolerantie niet bekend is, mag de waarde links en rechts maximaal 1º verschillen. Voor de rijlijn geldt een maximale afwijking van 0º30’ ten opzichte van de maximale fabriekstoleranties. Indien de fabriekstolerantie niet bekend is, mag de waarde 1º zijn. |
| 5. | Indien elektronische veiligheidssystemen aanwezig zijn, moeten deze goed functioneren. | Leden 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De autogordels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zijn beschadigd. Indien gordelspanners geactiveerd zijn geweest, moeten deze zijn vervangen. | |
| 7. | De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven. | Visuele en auditieve controle. Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 8. | Op plaatsen waar is aangegeven dat zich een airbag bevindt, moet een niet geactiveerde airbag aanwezig zijn. | Visuele controle, indien mogelijk, door middel van het uitlezen van het elektronische systeem. |
| 9. | Het voertuig moet van deugdelijke bouw en inrichting zijn. | Visuele controle. |
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 1. Algemeen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 8.1.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- aanwijsbereik: bereik begrensd door de laagste en hoogste waarde waarvoor het instrument een meetwaarde presenteert of registreert;
- afleeseenheid: waarde, uitgedrukt in de eenheid van de gemeten grootheid, van het verschil tussen de aanwijzingen bij naast elkaar liggende schaaldeelstrepen voor analoog aanwijzende instrumenten of van het kleinste verschil tussen de aanwijzingen bij digitaal aanwijzende meetinstrumenten;
- analoge aanwijzing: aanwijzing die de gemeten waarde weergeeft als een continue of nagenoeg continue functie door middel van een index langs een schaalverdeling;
- certificaat van eerste keuring: document afgegeven dan wel een melding in het Register Meetmiddelen naar aanleiding van de eerste keuring van een bepaald meetmiddel, waarin de overeenstemming van de individuele eigenschappen van het meetmiddel met het ingevolge dit hoofdstuk goedgekeurde type wordt bevestigd;
- certificaat van herkeuring: document afgegeven dan wel een melding in het Register Meetmiddelen naar aanleiding van de herkeuring van een in gebruik genomen meetmiddel, waarin de overeenstemming van de individuele eigenschappen van het meetmiddel met de eisen uit dit hoofdstuk wordt herbevestigd;
- controlecertificaat: document afgegeven dan wel een melding in het Register Meetmiddelen naar aanleiding van een eerste en periodieke controle van een in gebruik genomen hulpinrichting, waarin de overeenstemming van de individuele eigenschappen van de hulpinrichting met de eigenschappen uit deze regeling worden herbevestigd;
- datum ingebruikname: datum waarop het meetmiddel aantoonbaar in gebruik is genomen ten behoeve van de controle van de in hoofdstuk 5 gestelde permanente eisen;
- digitale aanwijzing: aanwijzing die de gemeten waarde uitsluitend getalsmatig weergeeft;
- eerste keuring: keuring die voor de eerste maal wordt verricht aan een bepaald meetmiddel. Bij de eerste keuring wordt de overeenstemming met het goedgekeurde type onderzocht alsook de exemplaargebonden eigenschappen;
- fout: afwijking in positieve of in negatieve zin van een aangewezen of geregistreerde waarde van de werkelijke waarde, welke kan zijn weergegeven als een vaste waarde, uitgedrukt in de meetgrootheid, dan wel zijn weergegeven als een relatieve fout, uitgedrukt in procenten van de werkelijke waarde van de gemeten grootheid;
- herkeuring: keuring die na een vastgestelde periode, dan wel als gevolg van een reparatie of justering moet worden uitgevoerd, waarbij vooral de eigenschappen onderzocht worden die door gebruik en tijd kunnen wijzigen;
- hulpinrichting: inrichting die in combinatie met het meetmiddel kan worden gebruikt, doch die voor de primaire meetfunctie van het meetmiddel niet nodig of voorgeschreven is;
- invloedsfactor: invloedsgrootheid met een waarde liggend binnen de vastgelegde gebruiksomstandigheden;
- invloedsgrootheid: grootheid die geen onderwerp van de meting is, maar die de waarde van de te meten grootheid of de aanwijzing van het instrument beïnvloedt, zoals de omgevingstemperatuur;
- justering: handeling die is bedoeld om een instrument in een zodanige toestand te brengen dat het geschikt is voor gebruik;
- keuring: aanduiding voor de typekeuring, de eerste keuring en de herkeuring;
- keuringscertificaat: certificaat van eerste keuring, dan wel van herkeuring;
- keuringsinstelling: op grond van artikel 71a van de wet aangewezen instelling;
- maximale fout: maximaal toelaatbare waarde van de fout geldend voor een bepaald soort meetmiddel;
- onderzoeksgerechtigde: onderneming of instelling die op grond van afdeling 2, paragraaf 2, van dit hoofdstuk door een keuringsinstelling is erkend tot het mogen afgeven van certificaten van eerste keuring dan wel herkeuring ten aanzien van nader bepaalde categorieën in gebruik genomen meetmiddelen;
- primair meetsignaal: in apparatuur met elektronische signaalverwerking aanwezig analoog of digitaal meetsignaal dat een getrouwe, niet beïnvloede weergave is van de gemeten grootheid. In dit meetsignaal zijn alle relevante dynamische verschijnselen van de gemeten grootheid proportioneel aanwezig;
- Register Meetmiddelen: door de Dienst Wegverkeer gehouden register waarin de certificaten van eerste keuringen en de certificaten van herkeuringen van meetmiddelen ten behoeve van de periodieke keuring zijn geregistreerd;
- registratie: vastlegging van een meetresultaat, hetzij getalsmatig of analoog;
- registratie-inrichting: inrichting voor het vastleggen van meetresultaten, zoals een afdrukinrichting;
- testaansluiting: voorziening in het meetmiddel, waardoor het mogelijk is bij de keuring zowel het primaire meetsignaal van praktijkmetingen te bemonsteren alsook gesimuleerde primaire meetsignalen aan te bieden aan het signaalverwerkende gedeelte van het instrument. Met eventueel noodzakelijke buffering is de testaansluiting opgenomen als een schakel in het normale signaalpad;
- testcertificaat: certificaat afgegeven naar aanleiding van een typekeuring van een bepaalde hulpinrichting of onderdeel van een meetmiddel, waarin de karakteristieke eigenschappen van die hulpinrichting of dat onderdeel zijn vastgelegd en de overeenstemming van die eigenschappen met de eisen van deze regeling wordt bevestigd;
- typekeuring: eenmalige keuring van een meetmiddel waarbij de typegebonden eigenschappen worden onderzocht;
- typekeuringscertificaat: certificaat afgegeven naar aanleiding van een typekeuring van een bepaald meetmiddeltype, waarin de karakteristieke eigenschappen van het desbetreffende meetmiddel zijn vastgelegd en de overeenstemming van die eigenschappen met de eisen uit deze regeling wordt bevestigd;
- vastgelegde gebruiksomstandigheden: gebruiksomstandigheden beschreven door vastgelegde maximale waarden van invloedsgrootheden waaronder het meetinstrument aan de maximaal fout moet voldoen;
- verstoring: invloedsgrootheid met een waarde buiten de vastgelegde gebruiksomstandigheden, dan wel een invloedsgrootheid waarvoor de gebruiksomstandigheden niet zijn vastgelegd;
- wegweerstand: sommatie van de bij een bepaalde snelheid optredende rolweerstand en luchtweerstand onder de condities als beschreven in bijlage I van Richtlijn 95/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 2 februari 1995 betreffende de door de constructie bepaalde maximumsnelheid, het maximumkoppel en het netto-maximumvermogen van twee- of driewielige motorvoertuigen (PbEG 1995, L 52).
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- richtlijn 2014/32/EU: Richtlijn 2014/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake het op de markt aanbieden van meetinstrumenten (PbEU 2014, L 96).
Artikel 8.1.2
Met de in dit hoofdstuk opgenomen technische eisen worden gelijkgesteld de technische eisen die in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, zijn vastgesteld en die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
Met de in dit hoofdstuk bedoelde certificaten van goedkeuring worden gelijkgesteld certificaten van goedkeuring afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt en die voldoen aan de eisen die een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
Artikel 8.1.3
De meetmiddelen, genoemd onder a tot en met h, j en k, moeten zijn typegoedgekeurd:
- a. roetmeter;
- b. toerenteller;
- c. olietemperatuurmeter;
- d. manometer;
- e. pedaalkrachtmeter;
- f. remvertragingsmeter;
- g. rollenremtestbank;
- h. platenremtestbank;
- i. uitlaatgastester;
- j. deeltjesteller;
- k. bromfietsrollentestbank;
- l. geluidsniveaumeter.
Ten bewijze van een typegoedkeuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een typekeuringscertificaat verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in de afdelingen 3 en 4 voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
Het eerste lid is niet van toepassing op niet in roetmeters geïntegreerde toerentellers en olietemperatuurmeters die gebruikt worden ten behoeve van de periodieke keuring.
Artikel 8.1.4
Een uitlaatgastester als bedoeld in artikel 8.1.3, eerste lid, onder i:
- a. ondergaat vóór ingebruikname een conformiteitsbeoordeling ingevolge richtlijn 2014/32/EU;
- b. moet zijn voorzien zijn van de documenten als voorgeschreven in richtlijn 2014/32/EU waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de eisen van de bijlagen I en XII van richtlijn 2014/32/EU, en
- c. moet zijn voorzien van een CE-markering, de aanvullende metrologische markering en het identificatienummer, bedoeld in artikel 22 van richtlijn 2014/32/EU.
Artikel 8.1.4a
De meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met h, j, k en l, ondergaan vóór ingebruikname een eerste keuring.
Ten bewijze van een keuring als bedoeld in het eerste lid, wordt een certificaat van eerste keuring verstrekt. Voor het verkrijgen van dit certificaat moet worden voldaan aan de in de afdelingen 3 en 4 voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
Artikel 8.1.5
De meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, ondergaan na ingebruikname periodiek een herkeuring. Ten bewijze van de herkeuring wordt een herkeuringscertificaat afgegeven.
Voor het verkrijgen van het herkeuringscertificaat, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan aan de in de afdelingen 3 en 4 voor het betreffende meetmiddel opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen.
Het tweede lid is niet van toepassing op een uitlaatgastester. Een uitlaatgastester voldoet voor het verkrijgen van het herkeuringscertificaat aan de eisen opgenomen in de bijlagen I en XII van richtlijn 2014/32/EU.
Artikel 8.1.6
Kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters is gecertificeerd op grond van de in afdeling 4, paragraaf 9.5, opgenomen specifieke eisen.
Koplamptestapparaten voldoen aan de in afdeling 4 opgenomen specifieke eisen.
Artikel 8.1.7
Indien ter uitvoering van de in deze paragraaf bedoelde keuringen bijzondere hulpmiddelen nodig zijn of informatie nodig is, kan degene die het meetmiddel ter keuring aanbiedt, worden verzocht deze ter beschikking te stellen.
Het niet beschikbaar stellen van noodzakelijke hulpmiddelen of informatie kan leiden tot het niet goedkeuren van het meetmiddel.
§ 2.2. Certificaten
Artikel 8.1.8
Een typekeuringscertificaat verliest zijn geldigheid, indien:
- a. een wijziging in het meetmiddel wordt aangebracht waardoor de meetwaarden zoals deze in de praktijk kunnen worden verkregen, niet meer voldoen aan de maximale fout;
- b. een wijziging in het meetmiddel wordt aangebracht die in strijd is met het typekeuringscertificaat of de bijbehorende beschrijving;
- c. de voorschriften worden gewijzigd en het meetmiddel niet meer voldoet aan de gewijzigde voorschriften.
Artikel 8.1.9
De geldigheidsduur van een keuringscertificaat bedraagt:
- a. 12 maanden voor de meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, onder a, b, c, i, j, k en l;
- b. 24 maanden voor de meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, onder d, e, f, g en h;
- c. In afwijking van onderdeel b, blijft voor meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, onder d, e, f, g en h, waarvoor voor 20 mei 2018 een typegoedkeuringscertificaat als bedoeld in artikel 8.1.4, onderdeel b, is verstrekt, de geldigheidsduur van 12 maanden gelden.
In afwijking van het eerste lid, kan bij de typegoedkeuring een kortere geldigheidsduur worden bepaald.
De geldigheidsduur, bedoeld in het eerste lid:
- a. vangt aan met ingang van de datum van afgifte van het keuringscertificaat, of;
- b. eindigt op de vervaldatum, vermeld in het Register Meetmiddelen.
Indien een keuringscertificaat wordt afgegeven binnen twee maanden vóór het tijdstip waarop de termijn, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, verstrijkt, vangt in afwijking van het derde lid de geldigheidsduur van het keuringscertificaat aan met ingang van dat tijdstip.
Een keuringscertificaat verliest zijn geldigheid, indien:
- a. een wijziging of herstel van het meetmiddel heeft plaatsgevonden, waardoor de juistheid kan zijn veranderd;
- b. de verzegeling is verbroken;
- c. een zodanige mechanische of elektrische overbelasting is ontstaan, dat een juist functioneren niet meer gewaarborgd kan worden, of
- d. de geldigheidsduur is verstreken.
Specifieke gebruiksomstandigheden van belang bij de keuring en bij het gebruik van het meetmiddel, worden vermeld in het keuringscertificaat.
Artikel 8.1.10
De aanvraag van een typekeuringscertificaat wordt, met inachtneming van de in de afdelingen 3 en 4 gestelde voorschriften, ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling.
De aanvraag van een certificaat van eerste keuring dan wel een certificaat van herkeuring wordt voor wat betreft:
- a. de meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met j, met inachtneming van de in afdelingen 3 en 4 gestelde voorschriften ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling of bij een onderzoeksgerechtigde;
- b. de meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, onder k en l, ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling.
De aanvraag van een erkenning voor het certificeren van kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters wordt, met inachtneming van de in afdeling 4 gestelde voorschriften, ingediend bij een door de minister aangewezen keuringsinstelling.
Artikel 8.1.11
Vervallen
D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
Artikel 8.1.12
Elk meetmiddel dat een keuring of herkeuring ondergaat, wordt na iedere keuring voorzien van de verzegelingen die in het typekeuringscertificaat zijn beschreven.
Onder verzegeling wordt verstaan:
- a. het aanbrengen van een beveiliging waardoor het verschaffen van toegang tot onderdelen of instellingen van een meetmiddel door een onbevoegde niet kan plaatsvinden zonder dat dit feit achteraf zichtbaar is door beschadiging van een aangebracht beveiligingsmiddel, zoals een loodzegel of een sticker;
- b. een elektronische verzegeling die kan bestaan uit een in de programmatuur opgenomen niet-terugstelbare teller waarvan de inhoud automatisch wordt verhoogd, indien toegang wordt verschaft tot een routine waarin beveiligde parameters kunnen worden aangepast. De inhoud van deze teller moet eenvoudig kunnen worden uitgelezen en moet overeenkomen met de waarde die in het laatste keuringscertificaat is vermeld, zolang de verzegeling niet verbroken is.
Na de eerste keuring, alsmede na de herkeuring, wordt op het meetmiddel een goedkeuringsmerk aangebracht door de keuringsinstelling of door een onderzoeksgerechtigde.
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 8.2.1
De aanwijzing door de minister van een keuringsinstelling als bedoeld in artikel 8.1.10, eerste lid, kan beperkt blijven tot een of meerdere bevoegdheden, alsmede tot een of meerdere meetmiddelen.
De keuringsinstelling, bedoeld in het eerste lid, beschikt over een kwaliteitssysteem waarin de procedures zijn vastgelegd voor:
- a. het verstrekken van typekeuringscertificaten en certificaten van eerste keuring en herkeuring;
- b. het erkennen van onderzoeksgerechtigden en het door deze verstrekken van certificaten van eerste keuring en herkeuring;
- c. het erkennen van instellingen tot het certificeren van kalibratiegas.
De aanwijzing, bedoeld in het eerste lid, kan door de minister worden ingetrokken, indien de betrokken keuringsinstelling:
- a. daarom verzoekt;
- b. niet meer beschikt over het kwaliteitssysteem, bedoeld in het tweede lid; of
- c. één of meer van de in dit hoofdstuk opgenomen bepalingen niet naleeft.
Van de aanwijzing van een keuringsinstelling, alsmede van de intrekking daarvan, wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 8.2.2
De in artikel 8.1.10, eerste lid, bedoelde keuringsinstelling is tevens belast met het toezicht op de naleving van de verplichtingen voortvloeiende uit de erkenning van onderzoeksgerechtigden en de erkenning van instellingen voor het certificeren van kalibratiegas. Het toezicht wordt uitgevoerd door hiertoe door deze keuringsinstelling aangewezen werknemers.
§ 8. Reminrichting
Artikel 8.2.3
Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als onderzoeksgerechtigde worden erkend ten aanzien van een bepaald meetmiddel, genoemd in artikel 8.1.3, eerste lid, onder a tot en met j, indien wordt voldaan aan de in de artikelen 8.2.4 en 8.2.5 gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling wordt vastgesteld.
De erkenning wordt verleend op aanvraag en tegen betaling van het door de keuringsinstelling vastgestelde tarief.
De aanvraag bevat gegevens met betrekking tot de organisatie van de onderneming of instelling, haar personele bezetting en de ten behoeve van het onderzoek te gebruiken standaarden en andere materiële middelen.
Artikel 8.2.4
De onderneming of instelling is voor wat betreft organisatie, personeel en materieel zodanig ingericht en beschikt over zodanige documentatie, dat zij in staat is met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat voldaan wordt aan de in de afdelingen 3 en 4 ten aanzien van het desbetreffende meetmiddel gestelde eisen.
Artikel 8.2.5
De aanvrager van een erkenning als onderzoeksgerechtigde beschikt over een relevant kwaliteitssysteem dat zodanig is opgezet dat wordt voldaan aan de kwaliteitsnorm NEN-EN-ISO 9001 in de meest recente versie of dat een naar het oordeel van de keuringsinstelling minimaal gelijkwaardig kwaliteitsniveau biedt. Hieraan wordt in ieder geval voldaan, indien de aanvrager het desbetreffende NEN-EN-ISO-certificaat kan overleggen.
Artikel 8.2.6
In de beschikking van de keuringsinstelling houdende erkenning als onderzoeksgerechtigde worden de in verband met die erkenning van belang zijnde gegevens met betrekking tot de organisatorische, personele en materiële inrichting van de onderneming of instelling vastgelegd.
Van de beschikking houdende erkenning als onderzoeksgerechtigde wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 8.2.7
Op een onderneming of instelling die als onderzoeksgerechtigde is erkend, rusten de volgende verplichtingen:
- a. steeds wordt voldaan aan de in de artikelen 8.2.4 en 8.2.5 gestelde eisen;
- b. de standaarden en andere hulpmiddelen benodigd voor de herkeuring bevinden zich steeds in goede staat van onderhoud;
- c. elke eerste keuring of herkeuring wordt op een dusdanige wijze verricht, dat met voldoende mate van zekerheid wordt vastgesteld of het betrokken meetmiddel voldoet aan de daaraan gestelde eisen. De procedure voor het uitvoeren van een eerste keuring of herkeuring is vastgelegd in het in artikel 8.2.5 bedoelde kwaliteitssysteem van de onderzoeksgerechtigde;
- d. ten hoogste tien werkdagen na elke eerste keuring of herkeuring met een positief resultaat wordt hiervan een melding gedaan in het Register Meetmiddelen, waarbij de door de Dienst Wegverkeer voorgeschreven gegevens worden gemeld;
- e. er worden geen certificaten afgegeven of gemeld voor meetmiddelen ten aanzien waarvan de erkenning niet geldt, voor meetmiddelen die niet aan de eisen voldoen of voor meetmiddelen waarvoor een certificaat niet vereist wordt.
Artikel 8.2.8
Een onderneming of instelling die als onderzoeksgerechtigde is erkend, stelt voorafgaand aan de herkeuring van een niet-mechanisch meetmiddel aan de hand van de documentatie, behorende bij de voor dat meetmiddel geldende typegoedkeuring, vast dat het betrokken meetmiddel niet op zodanige wijze is aangepast dat niet meer verondersteld mag worden dat het meetmiddel overeenstemt met het goedgekeurde type.
Zolang er geen specifieke meetvoorwaarden zijn voor een meetmiddel en nadat vastgesteld is dat het meetmiddel niet op zodanige wijze is aangepast dat niet meer verondersteld mag worden dat het meetmiddel overeenstemt met het goedgekeurde type, mag de herkeuring door elke onderzoeksgerechtigde uitgevoerd worden.
Artikel 8.2.9
De erkenning, bedoeld in artikel 8.2.3, eerste lid, wordt door de keuringsinstelling bij beschikking ingetrokken, indien:
- a. niet langer wordt voldaan aan de eisen, bedoeld in de artikelen 8.2.4 en 8.2.5;
- b. één of meer van de verplichtingen, bedoeld in artikel 8.2.7, niet wordt dan wel worden nageleefd; of
- c. de financiële verplichting, bedoeld in artikel 8.2.10, niet wordt nageleefd.
Van de beschikking houdende intrekking van de erkenning als onderzoeksgerechtigde wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 8.2.10
De onderzoeksgerechtigde is gehouden tot betaling aan de keuringsinstelling van het door deze keuringsinstelling ter zake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
Artikel 8.2.11
Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als inrichting voor het certificeren van kalibratiegas voor uitlaatgastesters worden erkend, indien wordt voldaan aan de in het tweede lid gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling wordt vastgesteld.
De organisatie, het personeel en materieel is zodanig ingericht, dat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het te certificeren kalibratiegas de vereiste kwaliteit heeft. De standaarden die bij het certificeren worden gebruikt, zijn afgeleid van standaarden van de instelling, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Metrologiewet, dan wel van andere, door de minister aangewezen standaarden.
Artikel 8.2.12
De erkenning wordt verleend op aanvraag en tegen betaling van het door de keuringsinstelling vastgestelde tarief.
De aanvraag bevat gegevens met betrekking tot de organisatie van de onderneming of instelling, haar personele bezetting en de ten behoeve van het onderzoek te gebruiken standaarden en andere materiële middelen.
Artikel 8.2.13
In de beschikking van de keuringsinstelling houdende erkenning als erkende instelling of onderneming voor het certificeren van kalibratiegas worden de in verband met die erkenning van belang zijnde gegevens met betrekking tot de organisatorische, personele en materiële inrichting van de onderneming of instelling vastgelegd.
Van de beschikking houdende erkenning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 8.2.14
Op de tot het certificeren van kalibratiegas erkende inrichting rusten de volgende verplichtingen:
- a. steeds wordt voldaan aan de in artikel 8.2.11 gestelde eisen;
- b. de standaarden en hulpmiddelen, benodigd voor het certificeren, bevinden zich steeds in een goede staat van onderhoud;
- c. een certificaat wordt slechts afgegeven voor gas dat is samengesteld, verpakt en gecertificeerd overeenkomstig artikel 8.4.89, eerste lid, en dat als gecertificeerd kalibratiegas voor uitlaatgastesters in de handel wordt gebracht;
- d. gegevens als bedoeld in artikel 8.2.12, tweede lid, worden vastgelegd, voor zover van belang met betrekking tot het certificeren;
- e. de gegevens, bedoeld in onderdeel d, worden gedurende ten minste vijf jaar bewaard.
Artikel 8.2.15
De erkenning, bedoeld in artikel 8.2.11, eerste lid, wordt door de keuringsinstelling bij beschikking ingetrokken, indien:
- a. niet langer wordt voldaan aan de eisen, bedoeld artikel 8.2.11, tweede lid;
- b. één of meer van de verplichtingen, bedoeld in artikel 8.2.14, niet wordt dan wel worden nageleefd; of
- c. de financiële verplichting, bedoeld in artikel 8.2.16, niet wordt nageleefd.
Van de beschikking tot intrekking van de erkenning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.
Artikel 8.2.16
De erkende onderneming of instelling is gehouden tot betaling aan de keuringsinstelling van het door deze keuringsinstelling ter zake van de kosten van het toezicht vastgestelde tarief.
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 8.3.1
De in artikel 8.1.3 vermelde meetmiddelen voldoen, tenzij in afdeling 1 of 4 anders is bepaald, aan de in deze afdeling gestelde eisen.
Artikel 8.3.2
Het meetmiddel is van een zodanige opbouw en werking, dat de toetsing aan dit hoofdstuk redelijkerwijs mogelijk is.
Het meetmiddel is zodanig ingericht, dat er geen misverstanden kunnen ontstaan met betrekking tot de aangewezen of geregistreerde meetwaarde.
Het meetmiddel is niet voorzien van een voor de gebruiker toegankelijke justeerinrichting of andere instelinrichting die de meetnauwkeurigheid kan beïnvloeden, tenzij het gebruik van deze inrichtingen in de specifieke eisen is toegestaan.
Het meetmiddel heeft zodanige eigenschappen, dat geen onredelijke eisen gesteld worden aan de vaardigheid en inspanning van de gebruiker.
Artikel 8.3.3
Bij het onderzoek naar de gevoeligheid voor invloedsfactoren wordt niet meer dan één onafhankelijke invloedsfactor gelijktijdig in beschouwing genomen.
In afwijking van het eerste lid, geldt voor elektronische meetmiddelen die niet door het lichtnet worden gevoed dat gelijktijdig aan de eisen in artikel 8.3.4, vierde lid, en de spanningsvariatie-eis in 8.3.9, onder a, moet worden voldaan.
Artikel 8.3.4
Indien in de specifieke eisen van afdeling 4 een controle-inrichting is voorgeschreven, stemt de werking en het resultaat van deze inrichting overeen met de door de fabrikant vastgelegde specificaties. Een onderbouwing van de waarde van het controleresultaat gerelateerd aan de maximale fout van het meetmiddel, wordt bij de aanbieding voor de typekeuring door de aanbieder overgelegd.
De maximale fouten, genoemd in afdeling 4, gelden onder de vastgelegde gebruiksomstandigheden en bij gebruik van de meetmiddelen overeenkomstig de handleiding behorende bij het meetmiddel.
Indien het meetmiddel wordt blootgesteld aan een verstoring, bedraagt een daarvan het gevolg zijnde verandering van de fout in de aanwijzing of registratie niet meer dan de waarde van de maximale fout, genoemd in afdeling 4. Aan deze eis behoeft niet te worden voldaan, indien de verstoring tot gevolg heeft dat:
- a. het meetresultaat niet kan worden vastgesteld, of
- b. het meetresultaat een zodanige fout vertoont dat de gebruiker onontkoombaar de ongeldigheid van de meting zal opmerken.
De vastgelegde gebruiksomstandigheden voor de omgevingstemperatuur omvatten het temperatuurgebied van –10 °C tot 40 °C. Het vermelde temperatuurgebied mag beperkt zijn tot het gebied van ten minste 5 °C tot 40 °C.
Bij het onderzoek voor de typekeuring overlegt de aanbieder een schriftelijke verklaring waarin wordt bevestigd dat het meetmiddel voldoet aan de gestelde eisen. Tevens doet hij daarbij een opgave van de periode waarover het meetmiddel, bij normaal gebruik en bij correcte uitvoering van eventuele door de gebruiker te verrichten justeringen, wordt verwacht te voldoen aan de eisen met betrekking tot de maximale fout.
Artikel 8.3.5
Elk meetmiddel is voorzien van de volgende duidelijk leesbare en onuitwisbare opschriften:
- a. het fabricaat;
- b. het bouwjaar;
- c. de type-aanduiding;
- d. het typegoedkeuringsnummer;
- e. het serienummer;
- f. de eenheid waarin de gemeten grootheid wordt uitgedrukt;
- g. het aanwijsbereik;
- h. eventuele gebruiksbeperkende omstandigheden, en
- i. het temperatuurgebied waarbinnen aan de eisen van het meetmiddel wordt voldaan, tenzij anders is aangegeven in afdeling 4.
Indien een meetmiddel is opgebouwd uit een aanwijseenheid met een separaat aan te sluiten meeteenheid, zijn de aanduidingen, genoemd onder a tot en met e, tevens vermeld op de separate meeteenheid. De aanduidingen, genoemd onder f tot en met h, zijn aangebracht in de onmiddellijke nabijheid van de aanwijzing en worden herhaald bij elke aanwijsinrichting.
Voor zover de meetmiddelen zijn voorzien van een registratie-inrichting, worden op elke registratie ten minste de aanduidingen, genoemd in het eerste lid, onder e en f, vastgelegd.
Aanwijzingen en registraties bedoeld voor de gebruiker van het meetmiddel, zijn in de Nederlandse taal gesteld.
Andere aanduidingen dan die bedoeld in het eerste en tweede lid, mogen slechts worden aangebracht voor zover deze niet leiden tot misleiding of misvatting.
Artikel 8.3.6
Meetmiddelen zijn voorzien van een handleiding gesteld in de Nederlandse taal.
Ter beoordeling van de meetresultaten bevat de handleiding ten minste:
- a. een korte en overzichtelijke procedure voor het gebruik van het meetmiddel bij de uitvoering van de algemene periodieke keuring van een voertuig, waaronder in elk geval wordt verstaan een stroomschema;
- b. de uit te voeren controles voorafgaande aan of tijdens de metingen;
- c. de betekenis van een controleresultaat;
- d. een beschrijving van eventueel door het instrument gegeven meldingen; en
- e. de informatie benodigd voor een juiste interpretatie van het meetresultaat.
§ 5. Assen
Artikel 8.3.7
De elektronische meetmiddelen, genoemd in artikel 8.1.3, voldoen, tenzij in afdeling 1 of 4 anders is bepaald, aan de in deze paragraaf gestelde eisen.
Artikel 8.3.8
Vervallen
Artikel 8.3.9
Het meetmiddel voldoet wat betreft storingsgevoeligheid aan de volgende eisen:
- a. het meetmiddel is ongevoelig voor elektromagnetische invloeden. Aan deze eis wordt voldaan, indien de apparatuur de testen van International Document n° 11 General Requirements for Electronic Measuring Instruments (1994) doorstaat. De volgende testen met het aangegeven storingsniveau zijn van toepassing:
| Omschrijving | Geldende eis | Artikel | Storingsniveau |
|---|---|---|---|
| spanningsvariatie | 8.3.4, tweede lid | B.6 | 1 |
| spanningsonderbreking | 8.3.4, derde lid | B.7 | 2a en 2b |
| bursts (transienten) | 8.3.4, derde lid | B.8 | 2 |
| elektrostatische ontlading | 8.3.4, derde lid | B.9 | 1 |
| elektromagnetische instraling | 8.3.4, derde lid | B.10 | 2 |
- b. indien het meetmiddel is uitgerust om te kunnen worden gevoed door het boordnet van voertuigen, voldoet dit aan de eisen gesteld in ISO 7637;
- c. indien het meetmiddel is opgebouwd uit afzonderlijke onderdelen, waarbij tussen de afzonderlijke onderdelen signaaloverdracht plaatsvindt, is het meetmiddel zodanig ingericht dat een juiste signaaloverdracht gewaarborgd is. Indien verstoringen van een andere aard dan bedoeld in de onderdelen a en b, zoals mechanische beschadigingen van de verbindingskabels, niet kunnen worden uitgesloten, moet verzekerd zijn dat bij het optreden van deze verstoringen voldaan wordt aan artikel 8.3.4, derde lid;
- d. in afwijking van het storingsniveau, bedoeld in onderdeel a, geldt voor een bromfietsrollentestbank en een deeltjesteller het storingsniveau 3 van de elektromagnetische instraling.
Artikel 8.3.10
De metrologisch relevante programmatuur van het meetmiddel voldoet aan de volgende eisen:
- a. bij de typekeuring moet de te gebruiken programmatuur redelijkerwijs kunnen worden onderzocht. De aanbieder moet daartoe de middelen ter beschikking stellen zoals de benodigde documentatie waarin de werking van de programmatuur in voldoende detail wordt weergegeven;
- b. de programmatuur is in een zodanige vorm in het meetmiddel aanwezig, dat wijziging van de programmatuur, leidend tot een besturingscode die niet in de typekeuring is onderzocht niet mogelijk is zonder verbreking van een verzegeling;
- c. de programmatuur is voorzien van een routine waardoor een zodanige identificatiecode wordt gegenereerd, dat elke wijziging in de programmatuur automatisch door middel van deze identificatiecode kan worden gesignaleerd;
- d. door de fabrikant wordt aan elke programmatuurversie een vast versienummer toegekend, dat tezamen met de door de programmatuur zelf gegenereerde identificatiecode, bedoeld in onderdeel c, de volledige identificatie van de programmatuur vormt. Dit versienummer wordt bij elke programmatuurwijziging die invloed kan hebben op de functies en de juistheid van het meetmiddel, door de fabrikant aangepast.
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
Artikel 8.3.11
Een hulpinrichting is zodanig opgebouwd dat zij:
- a. de eigenschappen van het meetmiddel niet nadelig kan beïnvloeden;
- b. onder gebruiksomstandigheden zoals deze voor het meetmiddel gelden, juist blijft functioneren; en
- c. geen aanleiding kan vormen tot misleiding of misvatting.
Artikel 8.3.12
Hulpinrichtingen mogen worden aangesloten op de in deze regeling vermelde meetmiddelen, indien de desbetreffende combinatie voor gebruik is goedgekeurd.
Indien de combinatie, bedoeld in het eerste lid, niet voor gebruik is goedgekeurd, mag een hulpinrichting worden aangesloten op een in deze regeling genoemd meetmiddel, indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
- a. de hulpinrichting voldoet aan de voorwaarden gesteld in het typekeuringscertificaat van het meetmiddel, waarin in elk geval de aansluiting van de desbetreffende hulpinrichting op het meetmiddel wordt toegestaan;
- b. de hulpinrichting is voorzien van een CE-markering als bedoeld in artikel 1 van het Besluit meetinstrumenten en marktdeelnemers, en
- c. voor de hulpinrichting is een testcertificaat afgegeven, tenzij anders is vermeld in het typekeuringscertificaat.
Een testcertificaat als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, moet zijn afgegeven door een keuringsinstelling op grond van een door die instelling uitgevoerd onderzoek, waarbij is vastgesteld dat aan de eisen, genoemd in artikel 8.3.11, is voldaan.
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 8.3.13
Een hulpinrichting, bestaande uit een voorziening als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b, van de Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK, is voorzien van een geldig testcertificaat.
Het testcertificaat wordt afgegeven door een keuringsinstelling.
Artikel 8.1.8 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.3.14
Een hulpinrichting, bestaande uit een voorziening als bedoeld in artikel 8, derde lid, onderdeel b, van de Regeling erkenning en keuringsbevoegdheid APK is voorzien van een geldig controlecertificaat.
Het controlecertificaat wordt afgegeven door een keuringsinstelling of een onderzoeksgerechtigde.
De artikelen 8.1.9 en 8.2.1 tot en met 8.2.10 zijn van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 1. Algemeen
§ 2. Afmetingen en massa’s
A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
Artikel 8.4.1
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- opaciteit: mate waarin lichtabsorptie plaatsvindt in het uitlaatgas dat door een roetmeter wordt geleid. Deze mate van lichtabsorptie is afhankelijk van de weglengte waarover de lichtabsorptie plaatsvindt en wordt aangeduid door de grootheid N die de afname van de lichtflux over de weglengte in het uitlaatgas, uitdrukt in een percentage van de onverzwakte lichtflux. In formule: Hierin is: N de opaciteit (uitgedrukt in %); φo de onverzwakte lichtflux; φL de lichtflux resterend na de lichtweg L;
- absorptiecoëfficiënt: maat voor de lichtabsorptie van het uitlaatgas, die karakteristiek is voor de opaciteit van het uitlaatgas en in getalwaarde onafhankelijk is van de weglengte waarover de opaciteit wordt gemeten. De absorptiecoëfficiënt wordt aangeduid door grootheid k, die de negatieve waarde van natuurlijke logaritme van de transmissie per meter lichtweg door het uitlaatgas voorstelt. In formule: Hierin is: k de absorptiecoëfficiënt (uitgedrukt in m-1); L de weglengte die het licht in het uitlaatgas aflegt in meter;
- fysische responsie: specifiek dynamische gedrag van dat deel van de roetmeter dat de waarde van de absorptiecoëfficiënt van het gas in de uitlaat omzet in de opaciteitswaarde die het primaire meetsignaal vormt;
- normlengte: gestandaardiseerde lengte voor de meetkamer gebruikt voor de berekening van de genormeerde opaciteit te weten 430 mm;
- ongecorrigeerde opaciteit: meetsignaal evenredig met de momentele waarde van de opaciteit, niet gecorrigeerd voor druk, temperatuur of verschil tussen de werkelijke lengte en de normlengte van de meetkamer;
- genormeerde opaciteit: berekende waarde van de opaciteit zoals deze zou worden gemeten in een meetkamerlengte gelijk aan de normlengte;
- correctiefilter: elektrisch filter opgenomen in het signaalpad met een karakteristiek aangepast aan de fysische responsie;
- hoofdfilter: elektrisch filter met een vaste karakteristiek dat is opgenomen in het signaalpad en dat als ingangssignaal de genormeerde opaciteit heeft;
- piekwaarde detectie-inrichting: inrichting die de maximale waarde bepaalt van een roetuitstoot, uitgaande van het gedurende de vrije acceleratie van de voertuigmotor gemeten verloop van deze roetuitstoot;
- meetresultaat: waarde van de absorptiecoëfficiënt van het uitlaatgas zoals deze, beïnvloed door de fysische en elektrische responsie van de roetmeter, is gemeten op het moment bepaald door de piekwaarde detectie-inrichting.
Artikel 8.4.2
De handleiding behorende bij de roetmeter bevat naast de informatie, bedoeld in artikel 8.3.6, tweede lid:
- a. de wijze waarop een sonde in de uitlaat van het voertuig moet worden geplaatst;
- b. eventuele aanwijzingen met betrekking tot een te gebruiken sonde voor bepaalde voertuigtypen.
A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
§ 1.1. Algemeen
Artikel 8.4.3
De roetmeter is voorzien van:
- a. een analoge of digitale aanwijzing van de ongecorrigeerde opaciteit;
- b. een automatisch werkende instelling voor 0% en 100% ongecorrigeerde opaciteit. De desbetreffende justeerinrichting moet door de gebruiker in werking kunnen worden gesteld in de functiestand ‘controle’ (of een gelijksoortige benaming), doch de werking mag niet door de gebruiker kunnen worden beïnvloed. De justeerinrichting moet zodanig functioneren, dat bij de justering op 0% gewaarborgd is dat geen onjuiste instelling kan plaatsvinden als gevolg van in de meetkamer binnentredende uitlaatgassen;
- c. een inrichting waarmee de lineariteit van de aanwijzing van de ongecorrigeerde opaciteit kan worden gecontroleerd. Deze inrichting moet ten minste gelijkwaardig zijn aan die waarbij de roetmeter voorzien is van een geschikt optisch filter, dat een zwarting heeft overeenkomend met een aanwijzing die ligt tussen 15% en 60% ongecorrigeerde opaciteit en waarbij de juiste waarde van het filter, uitgedrukt in ongecorrigeerde opaciteit, op het filter is vermeld;
- d. een softwareroutine waarmee een afdruk kan worden gemaakt van de metrologisch belangrijke parameters, die instelbaar zijn teneinde aan verschillende nationale voorschriften te kunnen voldoen. Deze voorziening is niet vereist, indien door middel van software-identificatie als bedoeld in artikel 8.3.10, onderdeel c, op een eenvoudige manier is vast te stellen dat de correcte parameters zijn ingesteld;
- e. een beveiliging die het gebruik in de functiestand ‘piekmeting’ (of een gelijksoortige benaming) verhindert, indien direct voorafgaand aan de meting de olietemperatuur van de in het onderzoek betrokken motor lager is dan 60 °C. Het is toelaatbaar om de mogelijkheid in te bouwen handmatig een lagere temperatuur in te voeren; in dat geval moet deze lagere waarde vastgelegd worden en op de afdruk van de keuringsresultaten herkenbaar zijn aan het toegevoegde teken ‘#’. De bedoelde beveiliging mag buiten werking worden gesteld, doch in dat geval moet op de registratie van de meetresultaten het teken ‘#’ zijn weergegeven zonder een temperatuurwaarde;
- f. een testaansluiting die, in afwijking van het bepaalde in artikel 8.1.1, onder ‘testaansluiting’, de mogelijkheid biedt om direct, dan wel door berekening, gedurende ten minste 20 seconden de momentele waarde te volgen van de absorptiecoëfficiënt, niet beïnvloed door de werking van het hoofdfilter, inclusief normaal toegepaste correcties.
C. Gehandicaptenvoertuigen
Artikel 8.4.4
De in de volgende leden opgenomen eisen worden getoetst ten opzichte van het verloop van de roetuitstoot als functie van de tijd, zoals dit verloop bij de maximale gasstroomsnelheid optreedt.
De maximale fout van de roetmeter wordt gecontroleerd door vergelijking met een standaard roetmeter voor roetuitstoot door een representatief aantal personenauto’s en bedrijfsauto’s. De fout in de waarde gepresenteerd door of berekend uit het signaal van de testconnector mag niet meer bedragen dan 0,3 m–1 + 5%. Deze maximale fout geldt voor een roetpiek met een breedte van ten minste 0,25 seconde en een vlakheid binnen 20% van de gemiddelde waarde binnen deze 0,25 seconde.
De specifieke fysische responsie van de roetmeter moet zodanig zijn aangevuld met een elektrisch correctiefilter, dat de piekwaarde zoals deze kan worden bepaald uit het op de testaansluiting gepresenteerde meetsignaal, niet meer dan 5% afwijkt van de waarde die zou worden verkregen indien de fysische responsie een verwaarloosbare invloed zou hebben en de werkelijke waarde van de roetpiek uitsluitend zou worden gereduceerd door een eerste orde elektrisch filter dat in 0,4 seconde 90% van een stapvormige verandering aanwijst. Deze eis geldt voor een willekeurige vorm van de roetpiek zoals deze onder praktische omstandigheden kan worden verkregen.
De roetmeter moet zijn voorzien van een elektrisch filter dat volgens een vaste karakteristiek het meetsignaal beïnvloedt. Dit filter moet zijn opgenomen in het meetsignaal dat de waarde van de genormeerde opaciteit weergeeft. Dit hoofdfilter moet beantwoorden aan de volgende karakteristiek:
Hierin is:
N i het ingangssignaal van het filter;
N u het uitgangssignaal van het filter;
t de tijd in seconden;
τ de filterconstante in seconden;
De nominale waarde voor τ hierin is:
De tolerantie van de karakteristiek van het hoofdfilter wordt begrensd door de karakteristieken gevonden voor τ = 0,44 s en τ = 0,43 s.
De overeenkomstige karakteristiek in numerieke vorm wordt weergegeven door:
Y n = (1 – δ ) * Xn + δ * Yn–1
Hierin geldt voor δ de volgende waarde:
δ = 10 –ts
In het bovenstaande is ts de bemonsteringstijd in seconden van de ingangsgrootheid X en de waarde Y is de uitgangsgrootheid van het filter. De index n stelt het volgnummer van de bemonstering voor.
De maximale verschuiving van de aanwijzing zonder doorvoer van uitlaatgas bij de aanwijzing 0% en 100% opaciteit mag niet meer bedragen dan 1% ongecorrigeerde opaciteit per uur of, indien justering als bedoeld in artikel 8.4.3, onderdeel b, na een bepaald tijdsinterval plaatsvindt, niet meer dan 0,5% ongecorrigeerde opaciteit over dit tijdsinterval.
C. Gehandicaptenvoertuigen
Artikel 8.4.5
Het optisch systeem voldoet aan de volgende eisen:
- a. de toegepaste lichtbron is hetzij een gloeilamp waarvan de kleurtemperatuur een waarde moet hebben die tussen 2.800 °K en 3.250 °K ligt, hetzij een diode die licht emitteert met een piekwaarde van de golflengte tussen de 550 nm en 570 nm;
- b. indien als lichtbron een gloeilamp wordt gebruikt, komt de spectrale gevoeligheidskarakteristiek van de foto-elektrische cel overeen met de genormeerde spectrale gevoeligheidskromme van het menselijk oog;
- c. de opbouw van het optisch systeem moet zodanig zijn dat uitwendige lichtbronnen en interne reflecties geen storende invloed hebben op de juiste werking van de roetmeter;
- d. de opbouw van het optisch systeem moet zodanig zijn dat herhaalde reflectie tussen het optisch filter en andere reflecterende oppervlakken een verwaarloosbare invloed heeft op de effectieve waarde van het optisch filter, tenzij deze reflecties een bekende en stabiele bijdrage hebben in deze effectieve waarde van het filter en geen storende invloed hebben op de controle van de lineariteit;
- e. de opbouw van het optisch systeem dient zodanig te zijn dat regelmatige reiniging, indien noodzakelijk, door de gebruiker op een eenvoudige wijze kan worden uitgevoerd, zonder risico dat de juiste werking van de roetmeter hierdoor nadelig wordt beïnvloed.
B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
Artikel 8.4.6
Een meetcuvette wordt op een temperatuur gehouden die ligt tussen de waarden 80 °C en 110 °C, tenzij door de aanbieder bij de typekeuring onomstotelijk wordt aangetoond dat een lagere temperatuur dan wel het achterwege laten van een verwarming van die cuvette een verwaarloosbare invloed heeft.
De temperatuur van het uitlaatgas moet worden bepaald met een temperatuuropnemer waarvan de positie en de responsiesnelheid zodanig zijn dat voldaan wordt aan het vierde lid.
De opwarmtijd van de roetmeter mag niet meer bedragen dan 15 minuten bij omgevingstemperaturen boven 10 °C en niet meer dan 20 minuten bij omgevingstemperaturen boven –10 °C. Tijdens deze opwarmtijd moeten metingen met de roetmeter niet mogelijk zijn.
Het meetresultaat moet zijn gecorrigeerd voor de feitelijke temperatuur van het uitlaatgas ter plaatse waar de lichtabsorptie wordt gemeten. De correctie moet zodanig nauwkeurig worden berekend, dat de absorptiecoëfficiënt wordt weergegeven voor een uitlaatgastemperatuur van 100 ± 5 °C.
D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
Artikel 8.4.7
Een in de uitlaat van het motorvoertuig gebrachte sonde mag geen merkbare invloed hebben op de motorwerking.
Een in de uitlaat geplaatste sonde moet zodanig zijn gepositioneerd, dat effecten van de wand van het uitlaatsysteem verwaarloosbaar zijn. Hieraan wordt voldaan, indien de opening van de sonde zich op een afstand van ten minste 5 mm van de wand van de uitlaat bevindt.
Een monsternameslang moet van een zodanige opbouw zijn dat effecten veroorzaakt door condensatie worden geëlimineerd. Aan deze eis wordt voldaan als een ingangstemperatuur van 150 °C niet tot een lagere uitgangstemperatuur leidt dan 50 °C bij een gasstroomsnelheid in de uitlaat van niet meer dan 50 m/s en een omgevingstemperatuur van –10 °C dan wel 5 °C als een beperkende gebruiksomstandigheid voor het temperatuurgebied, bedoeld in artikel 8.3.4, vierde lid, geldt. De monsternameslang moet zijn voorzien van een identificatie.
E. Wagens
Artikel 8.4.8
De roetmeter moet ten minste in de twee volgende functiestanden kunnen worden ingesteld:
- a. de functiestand ‘controle’ (of een gelijksoortige benaming). In deze functiestand moet de waarde van de ongecorrigeerde opaciteit worden aangegeven, moet de justeerinrichting kunnen worden bediend en moet de controle, bedoeld in artikel 8.4.3, onderdeel c, plaats kunnen vinden;
- b. de functiestand ‘piekmeting’ (of een gelijksoortige benaming). In deze functiestand moet de gecorrigeerde waarde voor absorptiecoëfficiënt van de roetpiek zoals deze zich in de acceleratiefase voordoet, worden weergegeven.
De roetmeter mag zijn voorzien van een functiestand ‘ongefilterde piekwaarde’, waarin de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt wordt aangewezen, niet beïnvloed door de werking van het hoofdfilter. In dat geval moet op de registratie het gebruik van deze functiestand zijn aangegeven.
Andere functiestanden dan die bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn slechts toegestaan voor zover deze niet leiden tot misleiding of misvatting.
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
Artikel 8.4.9
De roetmeter is voorzien van een analoge of digitale aanwijsinrichting die ten minste de volgende aanwijzingen presenteert:
- a. in de functiestand ‘controle’ (of een gelijksoortige benaming) de ongecorrigeerde waarde van de opaciteit over het bereik van 0% tot 100%. De kleinste stap in de aangewezen waarde moet 0,1% bedragen;
- b. de piekwaarde van de gecorrigeerde absorptiecoefficiënt over het bereik van ten minste 0 m–1 tot 5,5 m–1. De kleinste stap in de aangewezen waarde mag niet meer dan 0,02 m–1 bedragen.
G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
Artikel 8.4.10
De roetmeter is voorzien van een interne of externe afdrukinrichting waarmee ten minste de volgende gegevens worden vastgelegd:
- a. de datum en het tijdstip waarop de metingen worden uitgevoerd en, indien de justering niet automatisch vóór elke meetcyclus plaatsvindt, de datum en het tijdstip waarop de laatste justering heeft plaatsgevonden;
- b. de informatie van het desbetreffende voertuig:
- 1°. de minimale en maximale waarde van het stationair toerental;
- 2°. de minimale en maximale waarde van het afregeltoerental;
- 3°. de maximale waarde van de absorptiecoëfficiënt;
- 4°. de minimale waarde van de motorolietemperatuur;
- c. de uitgangspunten:
- 1°. de soort meetsonde: opgave volgens handleiding roetmeter;
- 2°. de aanduiding van de functiestand, indien dit niet de functiestand ‘controle’ of ‘piekmeting’ (of een gelijksoortige benaming) is;
- d. de meetresultaten van de drie geldige meetcycli:
- 1°. de gemiddelde waarde van het stationaire toerental, gedurende de laatste 5 seconden voor het gas geven;
- 2°. de gemiddelde waarde van het afregeltoerental;
- 3°. de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt;
- 4°. de voor de aanvang van de cyclus gemeten motorolietemperatuur dan wel het teken, bedoeld in artikel 8.4.3, onderdeel e.
Indien de meting, ongeacht de reden, vroegtijdig wordt beëindigd, moeten de tot dan gemeten gegevens met de afdrukinrichting kunnen worden vastgelegd.
Andere informatie dan die bedoeld in het eerste en tweede lid, mag slechts worden geregistreerd voor zover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
Artikel 8.4.11
De roetmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter overeenkomstig het bepaalde in de paragrafen 2 en 3 van dit hoofdstuk.
Indien de roetmeter niet is voorzien van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter, moet de roetmeter zijn voorzien van een signaalingang waarmee het meetsignaal van een separate toerenteller en olietemperatuurmeter kan worden overgedragen naar de roetmeter.
E. Wagens
Artikel 8.4.12
Alvorens tot de meting wordt overgegaan, moeten de gegevens, bedoeld in artikel 8.4.10, eerste lid, onderdeel b, in de roetmeter kunnen worden ingevoerd.
De programmatuur van de roetmeter moet zodanig zijn dat degene die het apparaat bedient automatisch door de in het derde lid bedoelde meetprocedure wordt geleid.
De meetprocedure moet achtereenvolgens ten minste de volgende stappen doorlopen:
- a. invoeren van de gegevens, bedoeld in artikel 8.4.10, eerste lid, onderdelen b en c;
- b. automatische controle of:
- 1°. alle gegevens, bedoeld in onderdeel a, zijn ingevoerd;
- 2°. de minimum motorolietemperatuur, bedoeld in artikel 8.4.3, onderdeel e, is bereikt, tenzij deze controle is uitgeschakeld;
- 3°. het stationair toerental gedurende 5 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt; en
- 4°. het afregeltoerental gedurende 2 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt;
- c. indien de resultaten van de onder punt b uitgevoerde controle juist zijn, mag de roetmeter de testprocedure vrijgeven;
- d. nadat het stationair toerental na een periode van ten minste 10 seconden gedurende 5 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt, wordt aangeven dat het gaspedaal moet worden ingedrukt;
- e. nadat het afregeltoerental 2 seconden is gehandhaafd, wordt aangegeven dat het gaspedaal moet worden losgelaten;
- f. de roetmeter geeft aan dat de meetprocedure wordt beëindigd indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste of de tweede test kleiner is dan of gelijk is aan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1. In dit geval is de absorptiecoëfficiënt van de eerste of de tweede test de berekende absorptiecoëfficiënt, bedoeld in onderdeel g. Indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste test of van zowel de eerste als de tweede test niet kleiner is dan of gelijk is aan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1, worden de punten d en e automatisch eenmaal herhaald;
- g. automatisch, indien van toepassing, wordt het rekenkundig gemiddelde van de absorptiecoëfficiënten van drie achtereenvolgende testen berekend. Indien de berekende absorptiecoëfficiënt kleiner of gelijk is aan 2,5 m–1, mogen de meetwaarden van deze drie testen onderling niet meer afwijken dan 0,5 m–1. Indien de berekende absorptiecoëfficiënt groter is dan 2,5 m–1, mogen de meetwaarden van deze drie testen onderling niet meer afwijken dan 0,7 m–1. Indien blijkt dat de afwijking groter is dan 0,5 m–1 respectievelijk 0,7 m–1, moet de test een of meerdere keren worden herhaald, waarbij de berekening telkens opnieuw wordt uitgevoerd.
Artikel 8.4.12a
In afwijking van artikel 8.4.12, derde lid, onderdeel f:
- a. mag tot 1 januari 2019 voor het verkrijgen van een certificaat van eerste keuring voor roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven, het bepaalde in artikel 8.4.12, derde lid, onderdelen d en e, ten minste tweemaal automatisch worden herhaald;
- b. kan het ten minste tweemaal automatisch herhalen van het bepaalde in artikel 8.4.12, derde lid, onderdelen d en e, van toepassing blijven op het verkrijgen van een certificaat van herkeuring voor roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven.
Roetmeters waarvoor vóór 10 december 2008 een typekeuringscertificaat is afgegeven, kunnen worden omgebouwd tot roetmeters die aangeven dat de meetprocedure wordt beëindigd, indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste of tweede meting kleiner of gelijk is dan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1.
§ 2. Toerentellers
C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
Artikel 8.4.13
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- toerenteller: meetinstrument voor het bepalen van het toerental van de krukas van een voertuigmotor;
- geïntegreerde toerenteller: toerenteller deel uitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel;
- toerenopnemer: onderdeel van de toerenteller dat signalen afgegeven door de voertuigmotor omzet in een elektrisch signaal en overdraagt aan het verwerkingsgedeelte van de toerenteller.
Artikel 8.4.14
De handleiding behorende bij de toerenteller bevat naast de informatie, bedoeld in artikel 8.3.6, tweede lid:
- a. indien de toerenteller is voorzien van meerdere toerenopnemers, de criteria die van belang zijn voor de keuze van een geschikte toerenopnemer;
- b. de wijze waarop de toerenopnemer op of bij de voertuigmotor wordt geplaatst.
Indien het een geïntegreerde toerenteller betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.
C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
Artikel 8.4.15
De maximale fout voor toerentellers bedraagt:
- a. 10 min-1 voor toerentallen kleiner dan 1.000 min-1; en
- b. 1% voor toerentallen gelijk aan of groter dan 1.000 min-1.
Artikel 8.4.16
De toerenteller moet zijn voorzien van een aanwijsinrichting, die digitaal of analoog het gemeten toerental aangeeft.
De aanwijzing van het toerental moet plaatsvinden in omwentelingen per minuut.
De kleinste afleeseenheid mag ten hoogste een waarde hebben van 10 min–1.
Het meetbereik van een toerenteller moet ten minste het gebied van 500 min–1 tot 6.000 min–1 omvatten.
Artikel 8.4.17
Niet-geïntegreerde toerentellers die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan het gemeten toerental kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.
§ 0. Algemeen
C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
Artikel 8.4.18
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- olietemperatuurmeter: meetinstrument voor het bepalen van de temperatuur van de olie van een voertuigmotor;
- geïntegreerde olietemperatuurmeter: olietemperatuurmeter deel uitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel;
- temperatuuropnemer: onderdeel van de olietemperatuurmeter dat de temperatuur van de motorolie opneemt en omzet in een elektrisch signaal en overdraagt aan het verwerkingsgedeelte van de olietemperatuurmeter.
Artikel 8.4.19
De handleiding behorende bij de olietemperatuurmeter bevat naast de informatie, bedoeld in artikel 8.3.6, tweede lid:
- a. indien de olietemperatuurmeter is voorzien van meerdere opnemers, de criteria die van belang zijn voor de keuze van een geschikte opnemer;
- b. de wijze waarop de olietemperatuurmeter op of bij de voertuigmotor wordt geplaatst.
Indien het een geïntegreerde olietemperatuurmeter betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.
A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
Artikel 8.4.20
De maximale fout voor olietemperatuurmeters bedraagt:
- a. 5 °C voor het temperatuurgebied van 60 °C tot 90 °C; en
- b. 8 °C voor het aanwijsbereik buiten het temperatuurgebied, genoemd onder a.
Artikel 8.4.21
De aanwijzing van de olietemperatuur moet plaats vinden in graden Celsius (°C).
De kleinste afleeseenheid mag ten hoogste een waarde hebben van 2 °C.
Het meetbereik van een olietemperatuurmeter moet ten minste het gebied van 50 °C tot 100 °C omvatten.
Artikel 8.4.22
De opnemer moet een zodanige lengte hebben en zodanig flexibel zijn dat het temperatuurgevoelige deel op een eenvoudige en bedrijfszekere wijze in de olie kan worden ondergedompeld die zich in het carter van de te onderzoeken voertuigmotor bevindt.
Artikel 8.4.23
Niet-geïntegreerde olietemperatuurmeters die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan de gemeten olietemperatuur kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.
§ 2. Eisen wijziging in de constructie
E. Wagens
Artikel 8.4.24
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- manometer: meetinstrument voor het bepalen van de pneumatische of hydraulische druk in voertuigsystemen;
- geïntegreerde manometer: manometer deeluitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel.
Artikel 8.4.25
In afwijking van artikel 8.3.6, eerste lid, is voor de manometer geen handleiding vereist.
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
Artikel 8.4.26
De manometer voldoet aan de volgende eisen:
- a. de gemeten druk wordt weergegeven in Pascal (Pa) of in bar;
- b. de gemeten waarde wordt door analoge of digitale aanwijs- of registratie-inrichtingen gemakkelijk afleesbaar en duidelijk aangegeven;
- c. de maximale fout, in plus en in min, van de aangewezen druk bedraagt:
- 1°. in geval van een aanwijsinrichting:
- i. voor nieuwe manometers:
- –. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 10 kPa (0,1 bar);
- –. bij een druk hoger dan 500 kPa (5 bar): 2%;
- ii. voor manometers die in gebruik zijn:
- –. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 12,5 kPa (0,125 bar);
- –. bij een druk hoger dan 500 kPa (5 bar): 2,5%;
- 2°. in geval van een registratie-inrichting:
- i. voor nieuwe manometers:
- –. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 20 kPa (0,2 bar);
- –. bij een druk hoger dan 500 kPa (5 bar): 4%;
- ii. voor manometers die in gebruik zijn:
- –. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 25 kPa (0,25 bar);
- –. bij een druk hoger dan 500 kPa (5 bar): 5%;
- d. indien gelijktijdig met de registratie van de druk door middel van dezelfde registratie-inrichting een registratie van de remvertraging of remkracht plaatsvindt, mag in de registratie van gelijktijdige veranderingen in de betrokken meetsignalen, geen tijdverschil optreden waardoor een goede beoordeling van het remsysteem van het voertuig wordt belemmerd.
§ 6. Ophanging
A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
Artikel 8.4.27
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- pedaalkrachtmeter: meetmiddel voor het bepalen van de kracht waarmee het rempedaal van een voertuig wordt bediend.
E. Wagens
Artikel 8.4.28
De pedaalkrachtmeter voldoet aan de volgende eisen:
- a. de aanwijzing van de pedaalkracht geschiedt in Newton (N);
- b. de meter heeft een bereik van 0 N tot ten minste 700 N;
- c. de eisen, gesteld onder d en e, hebben betrekking op het meetgebied van 100 N tot ten hoogste 800 N;
- d. de maximale fout, in plus en in min, van de aangegeven pedaalkracht bedraagt:
- 1°. bij een centrisch uitgeoefende pedaalkracht die niet groter is dan 500 N: 50 N;
- 2°. bij een centrisch uitgeoefende pedaalkracht die groter is dan 500 N: 10% van de uitgeoefende pedaalkracht;
- 3°. bij een excentrisch uitgeoefende pedaalkracht van 200 N: 80 N;
- e. het verschil tussen de resultaten van verscheidene metingen van dezelfde pedaalkracht, verricht onder dezelfde omstandigheden en met dezelfde meter, mag niet groter zijn dan 30 N.
§ 1. Algemene bepalingen
§ 2.1. Algemeen
Artikel 8.4.29
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- gemiddelde waarde: rekenkundig gemiddelde van op vaste tijdsafstanden bepaalde momentele waarden, in aantal voldoende voor de bepaling van het werkelijke gemiddelde;
- resulterende meetwaarde: gemiddelde waarde van de remvertraging resulterend uit een remtest, berekend uit het verloop van de remvertraging als functie van de tijd;
- standaanwijsinrichting: aanwijzing of signalering voor de juiste stand van de remvertragingsmeter;
- grenswaarde van de standaanwijsinrichting: door een standaanwijsinrichting aangegeven grenswaarde voor een correcte stand van de remvertragingsmeter. Indien de standaanwijsinrichting bestaat uit een waterpas, is de grenswaarde van de scheefstelling gelijk aan 2 mm verplaatsing van de dampbel uit de middenpositie;
- justeerinrichting: inrichting voor het instellen van de juiste gevoeligheid van de remvertragingsmeter;
- standcorrectie-inrichting: inrichting waarmee de verkregen meetwaarden worden gecorrigeerd voor de stand waarin de remvertragingsmeter in het voertuig wordt geplaatst.
Artikel 8.4.30
De handleiding behorende bij de remvertragingsmeter bevat naast de informatie, bedoeld in artikel 8.3.6, tweede lid, de wijze van opstelling van de remvertragingsmeter, waarbij nader wordt belicht:
- a. de plaatsing in het voertuig;
- b. de werkwijze voor het horizontaal plaatsen van de remvertragingsmeter;
- c. de betekenis en beperkingen in het gebruik van de resulterende meetwaarde;
- d. de juiste werkwijze bij het gebruik van een justeerinrichting.
A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
Artikel 8.4.31
De remvertragingsmeter is zodanig ingericht dat een controle van de juiste aanwijzing bij het nulpunt en bij de lokale waarde van de zwaartekrachtversnelling op een eenvoudige wijze mogelijk is.
De remvertragingsmeter is voorzien van een standaanwijsinrichting, tenzij een automatische inrichting een juiste meting zonder een dergelijke inrichting mogelijk maakt.
Artikel 8.4.32
De remvertragingsmeter is voorzien van een justeerinrichting, indien voldaan wordt aan de volgende eisen:
- a. de remvertragingsmeter is voorzien van een standaanwijsinrichting voor elke stand waarin de remvertragingsmeter bij de justering moet worden geplaatst;
- b. de remvertragingsmeter is voorzien van een automatische beveiliging tegen onjuiste justeringen. Aan deze eis wordt voldaan, indien gebruik van de remvertragingsmeter alleen mogelijk is indien binnen een vastgelegd tijdsinterval voorafgaand aan het gebruik ten minste twee overeenkomstige justeringen achtereenvolgend zijn uitgevoerd.
Artikel 8.4.33
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een standcorrectie-inrichting indien voldaan wordt aan de volgende eisen:
- a. de standcorrectie-inrichting moet handmatig in werking worden gesteld;
- b. een remvertragingsmeter met een standcorrectie-inrichting mag niet zijn voorzien van een justeerinrichting;
- c. een remvertragingsmeter mag alleen dan van een standcorrectie-inrichting zijn voorzien, indien een automatische inrichting verhindert dat een meting wordt verricht indien geen standcorrectie heeft plaatsgevonden;
- d. een standcorrectie mag alleen kunnen plaatsvinden, indien de remvertragingsmeter een stabiele meetwaarde vaststelt die niet meer bedraagt dan plus of minus 2 m/s2.
Artikel 8.4.34
De maximale fout voor zowel toenemende als afnemende remvertraging bedraagt 0,1 m/s2.
De maximale fout in de registratie van de meettijd bedraagt 2% van de werkelijke meettijd.
De maximale fout in de meettijd voor de aanwijzing van een verandering van de remvertraging ter grootte van het gehele aanwijsbereik bedraagt 0,1 seconde.
De maximale fout veroorzaakt door de standcorrectie-inrichting of door instelling op de grenswaarde van de standaanwijzing bij gebruik of justering bedraagt 0,02 m/s2.
De maximale fout in de berekening van de resulterende meetwaarde bedraagt 0,02 m/s2.
De maximale fout veroorzaakt door een beperkte afleesnauwkeurigheid van de analoge registratie, bedoeld in artikel 8.4.39, derde lid, bedraagt 0,02 m/s2.
Artikel 8.4.35
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer.
Artikel 8.4.36
De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van meerdere aanwijsbereiken. Zij moeten in elk geval één aanwijsbereik hebben dat ten minste het gebied van 0 tot 9,81 m/s2 omvat.
Artikel 8.4.37
De remvertragingsmeter heeft een ononderbroken meetduur van ten minste 5 seconden.
Artikel 8.4.38
De remvertragingsmeter is voorzien van een registratie-inrichting, waarmee het verloop van de remvertraging als functie van de tijd wordt vastgelegd.
Artikel 8.4.39
De remvertragingsmeter moet zijn voorzien van een analoge registratie waarmee het verloop van de remvertraging over ten minste 5 seconden zichtbaar wordt gemaakt.
Een analoge registratie moet plaatsvinden op voor het doel geschikt materiaal met voldoende bestendigheid tegen vocht, vuil en temperatuurinvloeden.
Indien de analoge registratie van de remvertraging de aanwijzing van de remvertragingsmeter vormt, dan wel bedoeld is om gebruikt te worden voor de vaststelling van de gemeten waarde, moet zowel een verandering van 1 m/s2 als een tijdsverloop van 1 seconde overeenkomen met een verandering in de registratiepositie van ten minste 5 mm.
Voor remvertragingsmeters waarbij de analoge registratie slechts bedoeld is om te worden benut voor een globale informatie over het verloop van de remvertraging moet de verandering in de registratiepositie, bedoeld in het derde lid, ten minste 2,5 mm zijn.
Artikel 8.4.40
Indien de analoge presentatie niet voldoet aan de eis in artikel 8.4.39, derde lid, of de eis in artikel 8.4.34, zesde lid, moet de remvertragingsmeter na elke meting een meetwaardetabel leveren waarin het verloop van de remvertraging als functie van de tijd en waar mogelijk de resulterende meetwaarde wordt weergegeven.
De registratie van de remvertraging moet plaatsvinden met een interval tussen de verschillende meetwaarden van ten hoogste 0,1 seconde.
Artikel 8.4.41
Een resulterende meetwaarde is representatief voor de gemeten remvertraging, indien:
- a. in de meetperiode zich uitsluitend meetwaarden bevinden die verkregen zijn terwijl het voertuig in beweging is;
- b. de maximale waarde van de remvertraging van een bewegend voertuig binnen de meetperiode valt; onder deze maximale waarde wordt niet verstaan een piekwaarde die aan het begin of aan het einde van de remproef zou kunnen optreden;
- c. de resulterende meetwaarde wordt berekend door middeling van zes achtereen verkregen meetwaarden:
- 1°. bepaal de maximale meetwaarde van de remvertraging gedurende de meetperiode (te noemen am);
- 2°. bepaal met een interval van 0,1 seconde de vijf gemeten waarden direct vóór de maximale meetwaarde (te noemen a1, a2, a3, a4 en a5) en de vijf gemeten waarden direct na de maximale meetwaarde (te noemen a6, a7, a8, a9 en a10);
- 3°. voer de volgende zes berekeningen uit:
- i. (a1+a2+a3+a4+a5+am)/6;
- ii. (a2+a3+a4+a5+am+a6)/6;
- iii. (a3+a4+a5+am+a6+a7)/6;
- iv. (a4+a5+am+a6+a7+a8)/6;
- v. (a5+am+a6+a7+a8+a9)/6;
- vi. (am+a6+a7+a8+a9+a10)/6;
- 4°. de hoogste van de onder 3° berekende waarden geldt als de resulterende meetwaarde, waarbij uitsluitend de berekende waarden in beschouwing worden genomen die opgebouwd zijn uit meetwaarden die ten minste gelijk zijn aan 75% van de maximale meetwaarde.
- d. het grootste verschil tussen de meetwaarden, verkregen vanaf 0,5 seconde vóór de meetperiode tot 0,5 seconde na de meetperiode, maximaal 1 m/s2 bedraagt.
§ 7. Rollenremtestbanken
§ 1.2.5. Monsternamesysteem
Artikel 8.4.42
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- rollenremtestbank: meetmiddel waarmee de remwerking van een voertuig kan worden onderzocht door het meten van de remkracht terwijl de wielen van een voertuigas worden aangedreven door middel van rollen die de betreffende as dragen;
- gemiddelde waarde: rekenkundig gemiddelde van op vaste tijdsafstanden bepaalde momentele waarden, in aantal voldoende voor de bepaling van het werkelijke gemiddelde;
- remkracht: tangentieel aan de omtrek van de rollen van de rollenremtestbank werkende kracht, overgedragen aan een daarop rollend wiel als gevolg van het in werking zijn van de reminrichting;
- ingestuurde druk: druk ingestuurd op de drukluchtremcilinders van het voertuig;
- resulterende meetwaarde: door de rollenremtestbank aangewezen of afgedrukte waarde die als uiteindelijk resultaat van de remtest wordt gepresenteerd;
- extrapolatie-inrichting: inrichting waarmee een remkracht gemeten bij een bepaalde waarde van de ingestuurde druk kan worden omgerekend in de remkracht zoals deze zou optreden bij een hogere waarde van de ingestuurde druk;
- extrapolatiedruk (PX): waarde van de ingestuurde druk waarbij de remkracht zou optreden zoals deze door de extrapolatie-inrichting is berekend;
- extrapolatiewaarde: met behulp van een extrapolatie-inrichting bepaalde resulterende meetwaarde voor de remkracht zoals deze wordt geacht op te treden bij de extrapolatiedruk;
- maximum extrapolatiedruk (P EX ): door voertuigfabrikant gegarandeerde druk in de remcilinder van iedere as waarbij de as maximaal is beladen en met het voertuig een volle beremming wordt uitgevoerd;
- rotatieperiode: tijdsperiode overeenkomend met een omwenteling van een voertuigwiel met een voor de betreffende rollenremtestbank relevante afmeting;
- remkrachthelling: verhouding tussen een partiële toename van de remkracht en de bijbehorende partiële toename van de ingestuurde druk;
- berekende remvertraging: door de rollenremtestbank weergegeven waarde van de remvertraging zoals deze wordt berekend gebruikmakend van de verkregen waarden voor de remkrachten en de massa van het voertuig;
- rolweerstand: kracht ter aandrijving van de ongeremde wielen;
- klasse I rollenremtestbank: rollenremtestbank die geschikt is voor de keuring van voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en die kan worden gebruikt bij de keuring van voertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mits de aslast van deze voertuigen niet groter is dan de maximale toelaatbare aslast zoals aangegeven op de rollenremtestbank;
- klasse II rollenremtestbank: rollenremtestbank die uitsluitend mag worden toegepast bij de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 3.500 kg;
- klasse I/II rollenremtestbank: rollenremtestbank voorzien van twee aanwijsbereiken, waarbij het eerste voldoet aan de begripsbepaling van ‘klasse I rollenremtestbank’ en het tweede aan de begripsbepaling van ‘klasse II rollenremtestbank’.
Artikel 8.4.43
De handleiding behorende bij de rollenremtestbank bevat naast de informatie, bedoeld in artikel 8.3.6, tweede lid, de beperkingen in het gebruik en betekenis van de berekende remvertraging.
Artikel 8.4.44
Onverminderd het bepaalde in artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a, wordt een verzegeling aangebracht tussen de rollenremtestbank en zijn fundering.
§ 1.2.2. Maximale fout
§ 7.2.1. Controle-inrichting
Artikel 8.4.45
De rollenremtestbank moet een voorziening hebben waarmee op een betrouwbare en veilige wijze door het aanbrengen van een kracht inwerkend op de krachtopnemers een statische remkracht kan worden gesimuleerd.
Artikel 8.4.46
Een rollenremtestbank moet zijn voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
- a. een testaansluiting;
- b. een inrichting waarmee automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de gebruiker een remkracht wordt gesimuleerd.
Met de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de rollenremtestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle moeten alle circuits worden gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing. De omzetting van remkracht inclusief de circuits die het primaire meetsignaal genereren, mogen hiervan zijn uitgezonderd.
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
Artikel 8.4.47
Een geïntegreerde manometer of pedaalkrachtmeter voldoet aan de eisen in paragraaf 4 respectievelijk paragraaf 5 van deze afdeling.
E. Fietsen en fietsaanhangwagens
Artikel 8.4.48
Voor een klasse I rollenremtestbank, dan wel voor het eerste aanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 2500 N: 100 N;
- b. die groter is dan 2500 N: 4% van de gesimuleerde werkelijke remkracht.
Voor een klasse II rollenremtestbank, dan wel voor het tweede deelaanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 10.000 N: 400 N;
- b. die groter is dan 10.000 N: 4% van de gesimuleerde werkelijke remkracht.
Artikel 8.4.49
Bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fouten, bedoeld in artikel 8.4.48.
Artikel 8.4.50
Bij een rollenremtestbank voorzien van een extrapolatie-inrichting, is het maximale verschil tussen de gepresenteerde extrapolatiewaarde en de waarde berekend door middel van lineaire extrapolatie van de werkelijke waarden van de remkracht bij een ingestuurde druk van 1 bar en bij een ingestuurde druk 0,2 bar beneden de hoogste waarde, gebruikt bij de remtest van een voertuig, gelijk aan 2,5 maal de waarde, genoemd in artikel 8.4.48, tweede lid.
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
Artikel 8.4.51
De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde, indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
§ 1.2.8. Registratie-inrichting
Artikel 8.4.52
Indien een rollenremtestbank voorzien is van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer voor de ingestuurde druk, zijn de in de paragrafen 7.2.4 tot en met 7.2.6 aan remkracht gestelde eisen, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 8.4.53
Klasse I rollenremtestbanken zijn voorzien van een analoge aanwijzing, eventueel in combinatie met een digitale aanwijzing.
Klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken zijn voorzien van:
- a. een analoge aanwijzing in combinatie met een digitale aanwijzing;
- b. een extrapolatie-inrichting, en
- c. een afdrukinrichting.
Artikel 8.4.54
Rollenremtestbanken voorzien van een extrapolatie-inrichting zijn voorzien van een geïntegreerde manometer voor de ingestuurde druk.
Artikel 8.4.55
De rollenremtestbank is van een zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden verricht aan voertuigen waarvoor de rollenremtestbank op grond van het aanwijsbereik bestemd is.
De rollenremtestbank is voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die niet in werking mag treden voor remkrachten binnen het aanwijsbereik.
Artikel 8.4.56
Het maximale draagvermogen van de rollen zoals vermeld op de rollenremtestbank mag per wiel en in kilogram uitgedrukt niet kleiner zijn dan een zesde maal de maximale waarde van het aanwijsbereik zoals uitgedrukt in Newton.
De diameter van de rollen mag niet kleiner zijn dan:
- a. 0,15 m voor klasse I rollenremtestbanken;
- b. 0,25 m voor klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken.
Tijdens de remtest is de omtreksnelheid van de rollen niet lager dan 2 km/h.
Artikel 8.4.57
De rollenremtestbank is voorzien van een inrichting waarmee overmatige slijtage van de banden wordt voorkomen. Indien deze inrichting instelbaar is, kan instelling niet plaatsvinden zonder verbreking van een verzegeling.
Het oppervlak van de rollen en de instelling van de inrichting, bedoeld in het eerste lid, is zodanig dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent.
Ten behoeve van de vaststelling dat de rollenremtestbank aan de eis, bedoeld in het tweede lid, voldoet, dient de fabrikant van de rollenremtestbank bij de aanbieding voor een typekeuring door middel van beproevingsresultaten aan te tonen dat aan de betreffende eis wordt voldaan over het gehele aanwijsbereik van de rollenremtestbank.
Indien de inrichting, bedoeld in het eerste lid, instelbaar is, moet het mogelijk zijn de instelling van de desbetreffende inrichting bij een keuring vast te stellen.
A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
Artikel 8.4.58
De rolweerstand wordt altijd als remkracht gepresenteerd.
Artikel 8.4.59
Op de rollenremtestbank kunnen gelijktijdig voor het linker- en rechterwiel van een gemeten as ten minste de volgende waarden worden vastgesteld:
- a. voorafgaand aan de remtest: de rolweerstand;
- b. tijdens de remtest:
- 1°. de momentele waarde van de remkracht;
- 2°. de fluctuaties in de momentele waarde van de remkracht, relevant voor de beoordeling van het geteste remsysteem;
- c. na correcte uitvoering van de remtest moeten de volgende waarden worden aangegeven:
- 1°. de resulterende meetwaarde;
- 2°. de waarde van het verschil in remkracht inclusief de rolweerstand aan het linker- en rechterwiel, uitgedrukt in een percentage van de hoogste remkracht. Dit verschil moet worden bepaald uit:
- –. de resulterende meetwaarde voor klasse I rollenremtestbanken, en
- –. de niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde bij druk PH voor klasse II rollenremtestbanken en voor het tweede aanwijsbereik van klasse I/II rollenremtestbanken.
Artikel 8.4.59a
Indien een rollenremtestbank voorzien is van een presentatie van een berekende maximale remvertraging, moet de berekening van deze waarde gemaakt worden overeenkomstig de formule a = F/M; hierbij is F de berekende extrapolatiewaarde, bedoeld in artikel 8.4.69, en M de maximale massa per as van het voertuig zoals vermeld in het kentekenregister of op het kentekenbewijs, of bij opleggers het maximale gewicht van de assen tezamen zoals vermeld in het kentekenregister of op het kentekenbewijs.
De in het eerste lid bedoelde waarde moet zijn voorzien van het bijschrift 'Berekende statische remvertraging’.
Artikel 8.4.59b
Dynamische effecten moeten op een juiste wijze in de resulterende meetwaarde zijn verwerkt.
Een resulterende meetwaarde mag niet worden gepresenteerd, indien de verkregen meetwaarden zo instabiel zijn dat niet kan worden voldaan aan de eis, bedoeld in artikel 8.4.51.
Een resulterende meetwaarde mag niet eerder worden aangewezen dan na beëindiging van de remtest door:
- a. het in werking treden van de inrichting, bedoeld in artikel 8.4.57, eerste lid, of
- b. een daling van de remkracht tot een waarde beneden 25% van de hoogste gemeten remkracht.
De rollenremtestbank moet zijn voorzien van een signalering die tijdens de remtest aangeeft dat de verkregen meetwaarden voldoende stabiel zijn om na beëindiging van de remtest een resulterende meetwaarde te presenteren.
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
Artikel 8.4.60
De analoge aanwijzing is zodanig van opbouw dat de momentele waarde van een fluctuerende remkracht kan worden geschat en de voor de beoordeling van het onderzochte remsysteem relevante fluctuaties, alsmede het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel, in de momentele waarde zichtbaar zijn.
Artikel 8.4.61
Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing en een digitale aanwijzing is voorzien:
- a. worden de resulterende meetwaarde en het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel digitaal aangewezen;
- b. worden uitsluitend de momentele remkracht met de daarin optredende fluctuaties analoog aangewezen en moet de analoge aanwijzing voorzien zijn van het opschrift ‘Globale Aanwijzing’.
Artikel 8.4.62
Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing is voorzien, bedraagt de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid, niet meer dan een vijfde deel van de maximale fout voor statische metingen, geldend voor het betreffende meetresultaat.
Artikel 8.4.63
Een digitale aanwijzing is zodanig dat:
- a. de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht tussen het linker- en rechterwiel uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid niet meer bedraagt dan een vijfde deel van de maximale fout voor statische metingen geldend voor het betreffende meetresultaat;
- b. de afmetingen van de cijfers, alsmede de helderheid en het contrast van de weergave het mogelijk maken dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze kunnen mogelijk is.
§ 1.2.5. Monsternamesysteem
Artikel 8.4.64
Een gepresenteerde niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde moet betrekking hebben op de hoogste waarde van de gemiddelde remkracht over één rotatieperiode, zoals deze tijdens de remtest optreedt.
Indien bij rollenremtestbanken die voorzien zijn van een registratie-inrichting de meting wordt beëindigd voordat de inrichting, bedoeld in artikel 8.4.57, eerste lid, in werking is getreden, wordt deze waarde aangegeven op de registratie, met voor luchtdrukgestuurde remsystemen daarbij de vermelding van de gemiddelde waarde van de ingestuurde druk, bepaald over de rotatieperiode, bedoeld in het eerste lid.
Artikel 8.4.65
Een niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde reageert als volgt op testsignalen:
- a. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een constante gemiddelde waarde, echter periodiek variërend met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De gepresenteerde resulterende meetwaarde moet na deze test gelijk zijn aan de aanwijzing verkregen na een constant simulatiesignaal met dezelfde gemiddelde waarde, met een tolerantie van 2,5%;
- b. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een veranderende gemiddelde en periodiek variërende waarde met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De resulterende meetwaarde:
- 1°. mag slechts worden gepresenteerd, indien de hoogste gemiddelde waarde van het simulatiesignaal over een rotatieperiode binnen 5% overeenkomt met de gemiddelde waarde over de voorafgaande of daarop volgende rotatieperiode, en
- 2°. komt overeen met de aanwijzing verkregen met een constant simulatiesignaal met een gemiddelde gelijk aan de hoogst gemiddelde waarde, bedoeld onder 1°, met een tolerantie van 2,5%.
Artikel 8.4.66
Een rollenremtestbank die is voorzien van een extrapolatie-inrichting moet:
- a. de momentele meetwaarde van de remkracht en de momentele waarde van de ingestuurde druk aanwijzen;
- b. remkrachtwaarden, verkregen met een hogere ingestuurde druk dan de maximum extrapolatiedruk, niet meerekenen in de extrapolatiewaarde.
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
Artikel 8.4.67
De verhouding van het druktraject waarover meting en extrapolatie plaatsvindt, ten opzichte van het druktraject waarover de meting plaatsvindt, dient te voldoen aan de volgende voorwaarde:
waarbij geldt: PX ≤ PEX
Hierin is:
PEX de maximum extrapolatiedruk;
PX de extrapolatiedruk;
PL de laagste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie;
PH de hoogste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie.
Een gepresenteerde extrapolatiewaarde die op grond van de voorwaarde, genoemd in het eerste lid, betrekking heeft op een ingestuurde druk, lager dan de maximum extrapolatiedruk, moet duidelijk worden geïdentificeerd door een aangewezen en een afgedrukte waarschuwing dat de gesimuleerde of de werkelijke asbelasting nog kan worden verhoogd.
Artikel 8.4.68
Onregelmatigheden in de remkrachthelling voor waarden van de ingestuurde druk kleiner dan 1 bar, mogen niet leiden tot verschillende extrapolatiewaarden.
Artikel 8.4.69
Een berekende extrapolatiewaarde reageert als volgt op testsignalen:
- a. op de testaansluiting wordt door gelijktijdige aanbieding van een simulatiesignaal voor de ingestuurde druk en een simulatiesignaal voor de remkracht een meetcyclus nagebootst. Beide simulatiesignalen nemen hierbij in afhankelijkheid van elkaar volgens een constante waarde van de remkrachthelling toe, tot een eindwaarde van de ingestuurde druk zoals deze ook in de praktijk bij het bepalen van de remkracht van voertuigen zou kunnen optreden. Het simulatiesignaal voor de remkracht varieert hierbij met een laagste frequentie overeenkomend met een rotatieperiode. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 2% gelijk zijn aan de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de gesimuleerde signalen voor de ingestuurde druk en de remkracht;
- b. op de testaansluiting wordt een meetcyclus gesimuleerd zoals beschreven onder a, doch met simulatie van een remkrachthelling waarvan de waarde verandert met de waarde van de remkracht. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 5% overeenkomen met de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de volgende twee punten van de gesimuleerde kracht/druk-karakteristiek: FL is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk van 1 bar en FH is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk 0,2 bar onder de hoogste gesimuleerde ingestuurde druk. De waarde van de gesimuleerde remkracht is gebaseerd op de gemiddelde waarde van de remkrachthelling over een gebied van 0,5 bar aansluitend boven de drukwaarde behorende bij FL en over een gebied van 0,5 bar aansluitend onder de drukwaarde behorende bij FH.
Voor de berekening van de referentiewaarden, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, wordt rekening gehouden met de werkelijke relatie tussen een statisch simulatiesignaal en de daaraan gerelateerde aangewezen waarde, waarbij de fluctuaties gesuperponeerd op het simulatiesignaal zijn geëlimineerd.
Artikel 8.4.70
Na beëindiging van de remtest mag naast de berekende extrapolatiewaarde tevens een gemeten waarde voor de remkracht en de bijbehorende ingestuurde druk worden gepresenteerd. Deze gemeten waarden moeten overeenkomen met de voor het extrapolatieproces gebruikte hoogste waarden voor de gemiddelde remkracht per rotatieperiode en de bijbehorende ingestuurde druk, gemiddeld over dezelfde periode. Deze waarde voldoet aan de eisen in paragraaf 7.2.6, met uitzondering van artikel 8.4.65, onderdeel b.
B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
Artikel 8.4.71
Een klasse II en klasse I/II rollenremtestbank moeten zijn voorzien van een interne of externe afdrukinrichting waarmee ten minste de volgende gegevens worden vastgelegd:
- a. de informatie, bedoeld in artikel 8.3.5, derde lid;
- b. de datum en het tijdstip van de metingen aan het betreffende voertuig;
- c. de ingevoerde informatie van het betreffende voertuig:
- 1°. identificatie bestaande uit het kenteken of de meldcode;
- 2°. maximummassa onderscheidenlijk de maximum af te remmen massa;
- 3°. de maximum extrapolatiedruk PEX per as;
- 4°. de wettelijk vereiste remvertraging;
- d. een getalsmatige of grafische weergave van de relatie tussen:
- 1°. de pedaalkracht en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het geval van een remproef voor hydraulische remsystemen;
- 2°. de ingestuurde druk en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en het rechterwiel in het geval van een remproef voor pneumatische remsystemen; de relatie wordt minstens weergegeven door de waarden van de druk PL en PH, bedoeld in artikel 8.4.67, gebruikt bij de remtest van het voertuig;
- e. de berekende waarden:
- 1°. de resulterende meetwaarde gesommeerd per as;
- 2°. de berekende statische remvertraging;
- f. de vermelding, bedoeld in artikel 8.4.64, tweede lid;
- g. de waarschuwing, bedoeld in artikel 8.4.67, tweede lid.
Andere informatie dan die bedoeld in het eerste lid, mag slechts worden geregistreerd voor zover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
C. Gehandicaptenvoertuigen
Artikel 8.4.72
Klasse I rollenremtestbanken en klasse I/II rollenremtestbanken, voor wat betreft het klasse I-bereik waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de eisen die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, moeten blijven voldoen aan die eisen.
Ten aanzien van rollenremtestbanken als bedoeld in het eerste lid, bedraagt in afwijking van de eisen gesteld aan meetnauwkeurigheid de maximale fout, in plus en in min, bij een kracht:
- a. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;
- b. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht.
Artikel 8.4.73
Klasse II rollenremtestbanken en klasse I/IIrollenremtestbanken die niet voorzien zijn van hydraulische of pneumatische krachtopnemers waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de voorschriften die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, mogen tot uiterlijk 36 maanden na de datum van afgifte van het certificaat worden gebruikt bij een algemene periodieke keuring.
Rollenremtestbanken als bedoeld in het eerste lid, moeten uiterlijk na 36 maanden na 1 februari 2004 voldoen aan de eisen in dit hoofdstuk, met uitzondering van de artikelen 8.3.4, vijfde lid, 8.3.5, eerste lid, onderdelen b en g, 8.3.5, tweede lid, 8.3.5, derde lid, 8.3.11, 8.4.56, tweede lid, en 8.4.57, derde lid, met dien verstande dat:
- a. in afwijking van artikel 8.4.57, tweede lid, de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,5 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent, waarbij het oppervlak van de rollen droog is;
- b. in afwijking van artikel 8.4.62 het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in ten minste 25 schaaldelen van gelijke waarde, waarbij de totale lengte van de schaalverdeling ten minste 0,15 m moet bedragen. Voor cirkelvormige schaalverdelingen gelden deze waarden voor de lengte van de cirkelboog die het midden van de deelstrepen verbindt. Aflezing van een waarde van 2% van het aanwijsbereik moet eenvoudig zijn. De schaalverdeling moet ten minste op onderlinge gelijke afstanden die niet groter zijn dan 20% van het aanwijsbereik, van cijfers zijn voorzien, en
- c. in afwijking van artikel 8.4.63 het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in ten minste 100 schaaldelen van gelijke waarde, waarbij de afmetingen van de cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave zodanig is, dat aflezing eenvoudig is.
§ 8. Platenremtestbanken
E. Fietsen en fietsaanhangwagens
Artikel 8.4.74
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- platenremtestbank: meetmiddel waarmee de remwerking van een voertuig kan worden onderzocht door het meten van de remkracht van de wielen van een afremmend voertuig op vlakke, horizontale meetplaten;
- remkracht: horizontaal op de meetplaten van de platenremtestbank werkende kracht, overgedragen aan een daarop rollend wiel als gevolg van het in werking zijn van de reminrichting;
- resulterende meetwaarde: door de platenremtestbank aangewezen waarde die als uiteindelijk resultaat van de remtest wordt gepresenteerd;
- meetperiode: periode dat remkracht aanwezig is.
§ 1.2.1. Controle-inrichtingen
Artikel 8.4.75
De platenremtestbank moet een voorziening hebben waarmee op een betrouwbare en veilige wijze door het aanbrengen van een kracht inwerkend op de krachtopnemers een statische remkracht kan worden gesimuleerd.
De platenremtestbank moet zijn voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
- a. een testaansluiting;
- b. een inrichting waarmee automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de gebruiker een remkracht wordt gesimuleerd.
Met de in het tweede lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de platenremtestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle moeten alle circuits worden gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing. De omzetting van remkracht inclusief de circuits die het primaire meetsignaal genereren, mogen hiervan zijn uitgezonderd.
§ 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
Artikel 8.4.77
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- automatische controle-inrichting: controle-inrichting die functioneert zonder tussenkomst van de gebruiker;
- automatische justeerinrichting: voorziening die de justering van het instrument volgens het programma uitvoert, zonder dat de gebruiker invloed heeft op het starten van deze justering of de grootte ervan;
- controle-inrichting: voorziening, ingebouwd in een instrument, die het mogelijk maakt om significante fouten vast te stellen en daarop te reageren. Onder ‘reageren op’ wordt hier elke duidelijke reactie van het instrument verstaan, zoals een waarschuwingslamp, een geluidssignaal of het afbreken van de meting;
- deeltje: vast deeltje met mobility diameter tussen 23 and 200 nm;
- deeltjesteller: meetmiddel voor het bepalen van het aantal deeltjes per volume (concentratie);
- (elektrische) mobility diameter: diameter van een deeltje indien gemeten in een elektrisch veld (deeltjesgrootte);
- filter: voorziening die bepaalde bestanddelen uit het uitlaatgasmonster verwijdert;
- gasbehandelingssysteem: alle delen van het instrument, van de sonde tot de afvoer van de gasmonsters, waardoor het monster van het uitlaatgas wordt gepompt;
- HEPA filter: voorziening die deeltjes uit de lucht verwijdert (HEPA staat voor High Efficiency Particulate Air);
- interne justeerinrichting: voorziening om het instrument af te regelen op een vastgestelde waarde zonder gebruik te maken van een referentie PN-monster;
- justeerinrichting met referentie PN-monster: voorziening om het instrument af te regelen op de waarde van een referentie PN-monster;
- nulstelinrichting: voorziening om de aanwijzing van het instrument op nul in te stellen;
- opwarmtijd: tijd die verstrijkt tussen het moment dat het instrument onder spanning wordt gebracht en het moment waarop het instrument kan voldoen aan de metrologische eisen;
- PN-monster: gasmengsel bestaande uit deeltjes met bepaalde mobility diameters;
- referentie PN-monster: gasmengsel van voldoende stabiliteit en bekende samenstelling;
- referentie-omstandigheden: gebruiksomstandigheden, voorgeschreven voor het onderzoek naar de prestaties van een instrument, of voor de vergelijking van meetresultaten;
- responsietijd: tijdsinterval tussen het moment waarop het instrument wordt onderworpen aan een voorgeschreven plotselinge verandering in de samenstelling van een PN-monster en het moment dat de aanwijzing binnen voorgeschreven grenzen overeenkomt met de uiteindelijke stabiele waarde;
- semi-automatische justeerinrichting: voorziening die de gebruiker in staat stelt een justering van het instrument te starten zonder daarbij de mogelijkheid te hebben de grootte van de justering te beïnvloeden, ongeacht of de justering automatisch wordt vereist. Bij die instrumenten waarbij de waarden van het referentie PN-monster met de hand in het instrument moeten worden ingevoerd, wordt deze voorziening geacht semi-automatisch te zijn;
- sonde: deel van het gasbehandelingssysteem dat in de uitlaat van een voertuig wordt geschoven voor het nemen van gasmonsters.
Artikel 8.4.78
De handleiding behorende bij de deeltjesteller bevat naast de informatie, bedoeld in artikel 8.3.6, tweede lid:
- a. de tijdsintervallen en procedures voor de justering en het onderhoud die moeten worden gevolgd opdat voortdurend wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot de maximale fouten;
- b. een beschrijving van de procedure voor de lektest;
- c. de maximale en minimale opslagtemperatuur;
- d. een opgave van de gebruiksomstandigheden;
- e. indien van toepassing, de specificaties van de batterij.
Artikel 8.4.79
De deeltjesteller is, naast de in artikel 8.3.5, eerste lid, vermelde opschriften, voorzien van een opschrift dat het minimale en het nominale debiet aangeeft.
Artikel 8.4.80
Het aantal deeltjes per volume wordt uitgedrukt als aantal deeltjes per cm3 voor deeltjes met gespecificeerde maten, bijvoorbeeld ‘#/cm3’.
§ 1.2.5. Monsternamesysteem
Artikel 8.4.81
De afleeseenheid mag niet meer bedragen dan 1.000 deeltjes/cm3.
Artikel 8.4.82
Het minimum meetbereik, dat onderverdeeld mag worden, bedraagt 5.000 tot 5.000.000 deeltjes/cm3. Overschrijding van het meetbereik wordt (visueel) aangegeven door het instrument.
Artikel 8.4.83
| Soort fout | Maximale fout * [deeltjes/cm3] |
|---|---|
| Absoluut | 25.000 |
| Relatief | ± 25% van de werkelijke waarde |
- Absoluut of relatief, de grootste van de waarden
Artikel 8.4.84
De maximale fouten, bedoeld in artikel 8.4.83, wordt onder de volgende condities, bij een deeltjesgrootte van 80 nm +/- 5% tenzij anders aangegeven, niet overschreden:
- a. de gebruiksomstandigheden, bedoeld in artikel 8.3.4, vierde lid;
- b. relatieve luchtvochtigheid: tot 95% R.V.;
- c. atmosferische druk: (860 – 1.060) hPa.
De detectie efficiëntie gerelateerd aan de deeltjesgrootte is:
| Detectie efficiëntie | Deeltjesgrootte |
|---|---|
| 20 – 60% | 23 nm +/- 5% |
| 60 – 130% | 50 nm +/- 5% |
| 70 – 130% | 80 nm +/- 5% |
De volgende verstoringen mogen geen invloed hebben die groter is dan de absolute maximale fout of moeten automatisch door het instrument worden gedetecteerd en aangegeven:
- a. de invloeden, bedoeld in artikel 8.3.9;
- b. mechanische schokken, veroorzaakt door een vrije val op elk hoekpunt op een vast oppervlak voor vast opgestelde instrumenten van 50 mm en voor handinstrumenten van 1 m;
- c. vibraties van 10 tot 150 Hz, 1,6 ms-2, 0,05 m2s-3, -3 dB/octaaf.
Bij de meting van deeltjesconcentratie wijst een instrument, met inbegrip van het bijbehorende systeem voor gasbehandeling, bij onderzoek met referentie PN-monsters, binnen 15 seconden 95% van de uiteindelijke waarde aan na verandering van omgevingslucht (responsietijd). Het instrument mag voorzien zijn van een registratie inrichting om deze eis te controleren.
Na de opwarmtijd voldoet het instrument aan de metrologische eisen volgens dit voorschrift. Het instrument voorkomt een aanwijzing van deeltjesconcentratie gedurende de opwarmtijd.
Bij normaal gebruik van het instrument mogen de meetresultaten, na justering met een referentie PN-monster of de interne justeerinrichting, de maximale fouten gedurende ten minste twaalf uur niet overschrijden, zonder dat gedurende deze periode gebruik wordt gemaakt van een referentie PN-monster of interne justering door de gebruiker. Indien het instrument is uitgerust met een methode voor driftcompensatie, zoals een automatische nulstelling of een automatische interne justering, mag de werking van deze justeringen geen aanwijzing veroorzaken die kan leiden tot verwarring met een meting van een externe deeltjesconcentratie.
Indien door dezelfde persoon met hetzelfde instrument binnen relatief korte tijd twintig opeenvolgende metingen aan hetzelfde referentie PN-monster worden uitgevoerd, mag de standaarddeviatie van deze twintig resultaten niet groter zijn dan een derde van de absolute waarde van de maximale fout.
B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
C. Gehandicaptenvoertuigen
Artikel 8.4.85
Alle onderdelen van het gasbehandelingssysteem zijn vervaardigd van materialen die bestand zijn tegen corrosie; in het bijzonder is het materiaal van de sonde bestand tegen de temperatuur van uitlaatgassen. De gebruikte materialen mogen de samenstelling van het gasmonster niet beïnvloeden.
De sonde is zodanig ontworpen dat deze ten minste 30 cm in de uitlaatpijp van het voertuig kan worden gebracht en dat deze, ongeacht de insteekdiepte, door een bevestiging op zijn plaats wordt gehouden.
Het instrument bevat:
- a. een voorziening die voorkomt dat water in het gasbehandelingssysteem en metende componenten condenseert; of,
- b. een voorziening die een alarm geeft en voorkomt dat een meetresultaat weergegeven wordt.
Indien een referentie PN-monster nodig is vanwege het meet principe, is een simpele voorziening om een monster te verzorgen bij het instrument beschikbaar.
De pomp waarmee het gas wordt aangezogen:
- a. is zodanig gemonteerd dat zijn trillingen de metingen niet beïnvloeden;
- b. kan onafhankelijk van de overige delen van het instrument in- en uitgeschakeld worden, waarbij het echter niet mogelijk mag zijn een meting te doen bij een uitgeschakelde pomp.
Het instrument bevat een inrichting die aangeeft wanneer de gasstroom daalt tot een niveau dat zou veroorzaken dat:
- a. de responsietijd wordt overschreden, of
- b. de invloed op de aanwijzing groter is dan de helft van de absolute waarde van de maximale fout.
Deze inrichting moet voorkomen dat er metingen kunnen worden uitgevoerd wanneer één van deze grenswaarden is bereikt.
Het gasbehandelingssysteem is zodanig luchtdicht dat de invloed op het meetresultaat door verdunning met omgevingslucht niet meer bedraagt dan de helft van de absolute waarde van de maximale fout;
Wanneer een zodanig lek optreedt dat één van deze grenswaarden wordt overschreden, mogen geen metingen worden uitgevoerd.
Een schone lucht test procedure met voldoende nauwkeurigheid (bijvoorbeeld HEPA filter met 99,97% efficiëntie) om dit lek te detecteren is beschreven in de handleiding.
Het instrument bevat een inrichting die minimaal bij eerste gebruik per etmaal een automatische nulstelling of nulstelling-procedure uitvoert. Deze inrichting mag gecombineerd zijn met de schone-lucht-test-procedure in het zevende lid.
Het instrument heeft een registratiefrequentie gelijk aan of groter dan 1 Hz.
De registratietijd bedraagt in totaal minimaal 15 seconden en mag worden opgedeeld in perioden.
Artikel 8.4.86
Het instrument is volgens goed vakmanschap ontworpen om te verzekeren dat deeltjesconcentratie reductie factoren stabiel zijn gedurende een voertuig test.
Het instrument heeft meer dan 95 procent verwijderingseffectiviteit van 30 nm Tetracontaan (C40H82) deeltjes bij een concentratie van 5.000 tot 10.000 per cm3.
C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
Artikel 8.4.87
Indien de detectie van verstoringen als bedoeld in artikel 8.4.84, derde lid plaatsvindt met automatische controle-inrichtingen, moet het mogelijk zijn het juiste functioneren hiervan te controleren.
Het instrument is voorzien van een automatische controle-inrichting die zodanig functioneert dat, voordat een meting kan worden aangewezen of afgedrukt, alle interen justeringen, referentie PN-monster justering en alle andere controle-inrichting parameters zijn gewaarborgd voor de juiste waarde of status (dat is binnen de grenswaarden).
D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
Artikel 8.4.88
Voor zover het instrument is voorzien van een voor de gebruiker toegankelijke justering, vindt deze justering plaats door middel van een semi-automatische justeerinrichting.
Indien bij een instrument, uitgevoerd met een automatische of semi-automatische justeerinrichting, justering noodzakelijk is, mag geen meting mogelijk zijn alvorens de juiste justeringen zijn uitgevoerd.
Zowel bij een automatische als een semi-automatische justeerinrichting is een signalering toegestaan voor een noodzaak tot justering.
§ 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
Artikel 8.4.89
Vervallen
§ 10. Bromfietsrollentestbank
§ 1.2. Technische eisen
Artikel 8.4.90
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- bromfietsrollentestbank: testinrichting voor het vaststellen van de snelheid van een bromfiets;
- resulterende meetwaarden: door de bromfietsrollentestbank aangewezen of afgedrukte waarde die als uiteindelijk resultaat van de test wordt gepresenteerd.
§ 3.1. Algemeen
Artikel 8.4.91
Een bromfietsrollentestbank is voorzien van de volgende controle-inrichtingen:
- a. een testaansluiting;
- b. een inrichting waarmee automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de gebruiker een snelheid wordt gesimuleerd.
Met de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de bromfietsrollentestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle worden alle circuits gecontroleerd die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing.
C. Gehandicaptenvoertuigen
Artikel 8.4.92
De maximale fout voor bromfietsrollentestbanken bedraagt bij een snelheid:
- a. lager dan of gelijk aan 50 km/h: 5 km/h; en
- b. hoger dan 50 km/h: 10%.
Artikel 8.4.93
Een bromfietsrollentestbank simuleert een weerstand die overeenkomt met de wegweerstand.
Artikel 8.4.94
De maximale fout in de meting van de omtreksnelheid van de rollen bedraagt één tiende van de maximale fout, bedoeld in artikel 8.4.92.
Artikel 8.4.95
De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde, indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
§ 3.2. Technische eisen
Artikel 8.4.96
De bromfietsrollentestbank is voorzien van een digitale aanwijzing.
De bromfietsrollentestbank mag zijn voorzien van:
- a. een analoge aanwijzing in combinatie met een digitale aanwijzing;
- b. een afdrukinrichting.
Artikel 8.4.97
Een bromfietsrollentestbank is van een zodanige constructie, dat op een veilige manier metingen kunnen worden verricht waarvoor de bromfietsrollentestbank op grond van zijn aanwijsbereik is bestemd.
Artikel 8.4.98
Het oppervlak van de rollen is zodanig dat de diameter niet meer dan 0,5% varieert.
E. Wagens
Artikel 8.4.99
De bromfietsrollentestbank stelt ten minste de volgende waarden vast:
- a. tijdens de test de momentele waarde van de snelheid;
- b. na correcte uitvoering van de test de resulterende meetwaarde.
Artikel 8.4.100
Dynamische effecten zijn op een juiste wijze in de resulterende meetwaarde verwerkt.
§ 1.2.4. Temperatuuraspecten
Artikel 8.4.101
De afmetingen van de cijfers, alsmede de helderheid en het contrast van de weergave, van een digitale aanwijsinrichting zijn zodanig dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze mogelijk is.
§ 4.2. Technische eisen
Artikel 8.4.102
Een gepresenteerde resulterende meetwaarde heeft betrekking op de hoogste waarde van het gemiddelde over minimaal 2 seconden waarbij het voertuig zijn maximale prestatie levert.
§ 4.1. Algemeen
Artikel 8.4.103
Indien een bromfietsrollentestbank is voorzien van een interne of externe afdrukinrichting, worden ten minste de volgende gegevens vastgelegd:
- a. de datum en het tijdstip van de metingen aan het desbetreffende voertuig;
- b. de ingevoerde informatie betreffende de identificatie van het voertuig bestaande uit het kenteken of de meldcode;
- c. de resulterende meetwaarde.
Andere informatie dan die bedoeld in het eerste lid, mag slechts worden geregistreerd voor zover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.
§ 1.2.7. Aanwijsinrichting
Artikel 8.4.104
Onverminderd het bepaalde in artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a, wordt, indien de bromfietsrollentestbank is bedoeld voor installatie in de vloer, een verzegeling aangebracht tussen de bromfietsrollentestbank en zijn fundering.
Artikel 8.4.105
De handleiding behorende bij de bromfietsrollentestbank bevat naast de informatie, bedoeld in artikel 8.3.6, tweede lid:
- a. een korte en overzichtelijke procedure voor het gebruik van de testinrichting bij de uitvoering van de controle van een voertuig, waaronder in elk geval wordt verstaan een stroomschema;
- b. de uit te voeren controles voorafgaande aan of tijdens de metingen;
- c. de betekenis van een controleresultaat;
- d. een beschrijving van eventueel door het instrument gegeven meldingen, en
- e. de informatie benodigd voor een juiste interpretatie van het meetresultaat.
§ 2. Eisen wijziging in de constructie
C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
Artikel 8.4.106
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
- geluidsniveaumeter: precisiegeluidsniveaumeter als bedoeld in IEC61672-1:2002 van de Internationale Elektronische Commissie (IEC), die ten minste voldoet aan de daarin ten aanzien van geluidsniveaumeters, klasse 1, gestelde eisen;
- geluidsbron: geluidsbron die ten minste voldoet aan de eisen voor geluidsbronnen, klasse 1, in IEC942:1998 van de Internationale Elektronische Commissie (IEC).
Artikel 8.4.107
De geluidsniveaumeter en de geluidsbron worden jaarlijks getoetst volgens de eisen, bedoeld in artikel 8.4.108.
§ 6.2. Technische eisen
Artikel 8.4.108
De geluidsniveaumeter en de geluidsbron voldoen ten minste aan de eisen in richtlijn 70/157/EEG, ten bewijze waarvan verklaringen aanwezig zijn van een keuringsinstelling als bedoeld in artikel 8.1.10.
Artikel 8.4.109
Vervallen
§ 12. Koplamptestapparaten
Artikel 8.4.110
Het koplamptestapparaat voldoet aan de volgende eisen:
- a. indien de stralenbundel van een dimlicht of mistvoorlicht op de lens van het apparaat wordt geprojecteerd, moet de lens een beeld weergeven dat in verhouding nauwkeurig overeenkomt met het beeld dat door de stralenbundel wordt gevormd op een verticale wand die zich op 10 m van het dimlicht of mistvoorlicht bevindt;
- b. het koplamptestapparaat moet de daling van de lichtbundel weergeven in cm/10 m dan wel in procenten op 10 m. De minimale schaalverdeling moet in mm dan wel 0,1% zijn.
- c. het projectievlak van het apparaat dient zodanig te kunnen worden versteld, dan wel moet het testapparaat het elektronisch aangeven, dat hierop direct de minimale en maximale hoogte-afstelling van de dimlichten en de mistvoorlichten voor iedere beladingstoestand van alle voertuigen kan worden gecontroleerd;
- d. de verstelbaarheid van het apparaat in verticale richting moet ten minste 90 cm bedragen. Hierbij moeten lampen die zich op 30 cm boven het vloeroppervlak bevinden gecontroleerd kunnen worden.
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
§ 1. Ontheffingen
Artikel 9.1
Onverminderd het bepaalde in artikel 149a, tweede lid, van de wet, kan het ingevolge artikel 149 van de wet bevoegde gezag ontheffing verlenen van het bepaalde in de artikelen 5.1.1, eerste lid, aanhef en onderdeel c, en tweede lid, 5.1.2 en 5.1.3.
§ 2. Onderzoeksgerechtigden
Artikel 9.2
De aanvrager van een ontheffing dient bij zijn aanvraag het voor de ontheffing vastgestelde tarief aan het bevoegd gezag te voldoen op de door het bevoegd gezag vastgestelde wijze.
§ 1. Algemene bepalingen
Artikel 9.3
Het bevoegd gezag vermeldt in de beschikking houdende verlening van de ontheffing ten minste de volgende gegevens:
- a. de artikelen waarvan ontheffing is verleend dan wel een aanduiding daarvan;
- b. de beperkingen waaronder de ontheffing is verleend en de voorschriften die aan de ontheffing zijn verbonden;
- c. de datum van afgifte;
- d. de geldigheidsduur, en
- e. het bevoegd gezag.
§ 2. Onderzoeksgerechtigden
Artikel 9.4
Het bevoegd gezag kan tarieven vaststellen voor het behandelen van aanvragen tot ontheffing.
Het bevoegd gezag kan bij de vaststelling van de tarieven bepalen dat in geval van weigering of buiten behandeling laten van een aanvraag een deel van het voldane tarief wordt terugbetaald aan de aanvrager.
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Artikel 10.1
Overtreding van de artikelen 5.1.1, eerste en tweede lid, 5.1.2, en 5.1.3 is een strafbaar feit.
Artikel 10.2
Bij veroordeling van de bestuurder van een motorvoertuig wegens overtreding van artikel 5.1.1, eerste of tweede lid, of artikel 5.1.2 kan hem de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen voor ten hoogste twee jaren worden ontzegd.
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 11.1
Vervallen
Artikel 11.2
Vervallen
Artikel 11.3
Vervallen
Artikel 11.4
Vervallen
Artikel 11.5
Vervallen
Artikel 11.6
Vervallen
Artikel 11.7
Voertuigen van de voertuigcategorie N die vóór 29 april 2009 zijn goedgekeurd en geregistreerd als kampeerwagen, ambulance of lijkwagen in een andere lidstaat van de Europese Unie en waarvoor na 28 april 2009 een kentekenbewijs wordt aangevraagd, dan wel waarvoor na 31 december 2013 inschrijving of tenaamstelling wordt gevraagd, blijven tot deze voertuigcategorie behoren, mits de inrichting dan wel de typecarrosserie niet is gewijzigd.
Artikel 11.8
Voor middenasaanhangwagens waarvoor vóór 29 april 2009 een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs is afgegeven, wordt onder de wielbasis verstaan de horizontaal, evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig.
Voor middenasaanhangwagens in gebruik genomen na 28 april 2009, die zijn toegelaten op grond van een nationale typegoedkeuring die is afgegeven vóór 29 april 2009, is de wielbasis de horizontaal evenwijdig aan het middenlangsvlak van het voertuig gemeten afstand tussen het hart van de eerste en het hart van de laatste as van het voertuig.
Artikel 11.9
Na 31 december 2020 worden geen voertuigen gewijzigd in een motorrijtuig met beperkte snelheid.
Artikel 11.10
Vervallen
Artikel 11.11
Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een voertuig geen gegeven bevat als bedoeld in artikel 5.2.7, eerste of tweede lid, artikel 5.2.23, artikel 5.3.23, of artikel 5.4.21, blijft toepassing van het betrokken artikel of artikellid voor wat betreft het in dat artikel of artikellid geregelde aspect ten aanzien van het betrokken voertuig achterwege.
Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in artikel 5.3.7, eerste lid, worden voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum last onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum last onder de achteras(sen tezamen)’.
Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een bedrijfsauto geen gegeven bevat als bedoeld in artikel 5.3.7, tweede lid, wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximummassa’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde ‘massa ledig voertuig’ en het ‘laadvermogen’, dan wel de op de kentekencard dan wel het kentekenbewijs vermelde ‘maximummassa beladen voertuig’.
Indien het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in artikel 5.12.7, eerste lid, worden voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximum aslasten’ aangemerkt de som van de voor het betrokken voertuig op het kentekenbewijs vermelde ‘maximum druk onder de vooras(sen tezamen)’ en de ‘maximum druk onder de achteras(sen tezamen)’.
Indien de kentekencard dan wel het kentekenbewijs of het kentekenregister met betrekking tot een aanhangwagen geen gegeven bevat als bedoeld in artikel 5.12.7, tweede lid, wordt voor de toepassing van dat artikellid als ‘toegestane maximummassa’ aangemerkt de som van het voor het betrokken voertuig op de kentekencard of het kentekenbewijs vermelde ‘ledig gewicht’ en het ‘laadvermogen’, dan wel het op de kentekencard of het kentekenbewijs vermelde ‘maximum totaalgewicht’.
Artikel 11.12
Ontheffingen die door het bevoegde gezag zijn verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling, blijven geldig voor de geldigheidsduur van de desbetreffende ontheffing.
Artikel 11.13
De volgende regelingen worden ingetrokken:
- a. Erkenningsregeling APK;
- b. Erkenningsregeling snelheidsbegrenzers;
- c. Kleine serie-regeling;
- d. LPG-Erkenningsregeling;
- e. Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring voertuigonderdelen en technische eenheden;
- f. Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring;
- g. Regeling deugdelijkheid en weggedrag;
- h. Regeling eisen individuele goedkeuring;
- i. Regeling gelijkwaardige snelheidsbegrenzers;
- j. Regeling meetmethoden massa’s en afmetingen van bedrijfsauto’s en aanhangwagens;
- k. Regeling permanente eisen;
- l. Regeling permanente eisen bussen;
- m. Regeling permanente eisen taxi’s;
- n. Regeling restantvoorraden voertuigen;
- o. Regeling T100-bussen;
- p. Regeling toelatingseisen;
- q. Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen;
- r. Regeling tot wijziging van de Regeling wijziging constructie in verband met de uitvoering van richtlijn nr. 2002/85/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 5 november 2002 (PbEG L 327) tot wijziging van Richtlijn 92/6/EEG van de Raad betreffende de installatie en het gebruik in de Gemeenschap van snelheidsbegrenzers in bepaalde categorieën motorvoertuigen (Stcrt. 2004, 238);
- s. Regeling tot wijziging van enkele regelingen op het gebied van de Voertuigreglementering in verband met de invoering van een kentekenregistratiesysteem voor bromfietsen en de introductie van een nieuw type bromfietsrollentestbank (Stcrt. 2005, 161);
- t. Regeling uitzondering keuringsplicht;
- u. Regeling vaststelling datum eerste toelating van voertuigen;
- v. Regeling vaststelling keuringsrapport;
- w. Regeling vaststelling regels voor de keuring van auto’s;
- x. Regeling vaststelling regels voor de keuring van bussen;
- y. Regeling voertuigen met een speciaal gebruiksdoel;
- z. Regeling wijze van keuren APK;
- aa. Regeling wijze van keuren niet-periodiek-keuringsplichtige voertuigen;
- ab. Regeling wijziging constructie;
- ac. Regeling zitplaatsverdeling bussen en auto’s;
- ad. Voorschriften meetmiddelen 1997;
- ae. Wijziging Regeling aanvraag en toezicht typegoedkeuring in verband met de implementatie van richtlijn 2002/24/EG (Stcrt. 2003, 197);
- af. Wijziging Regeling vaststelling keuringsrapport in verband met de vaststelling van een nieuw model (Stcrt. 2004, 99);
- ag. Wijziging van 1 juni 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1247, Hoofddirectie Juridische Zaken, van diverse ministeriële regelingen in verband met de harmonisatie van het model ‘RDW erkend bedrijf’ (Stcrt. 2005, 108);
- ah. Regeling tot wijziging van de Voorschriften meetmiddelen 1997 in verband met de aanpassing van de eisen ten aanzien van de registratie-inrichting van roetmeters en tot wijziging van de Regeling toelatingseisen voertuigonderdelen in verband met het vervallen van de toelatingseisen ten aanzien van achterlichten voor fietsen (Stcrt. 2008, 238).
Artikel 11.14
De volgende bekendmakingen worden ingetrokken:
- a. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 november 1994, nr. RV187208 (Stcrt. 1994, 247);
- b. Bekendmaking voornemen tot vaststelling van eisen aan roetmeters en toerentellers in het kader van de dieselrookmeting van motorvoertuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 augustus 1996, nr. HW/RV 222476 (Stcrt. 1996, 157);
- c. Bekendmaking voornemen tot vaststelling van eisen aan uitlaatgastesters en toerentellers in het kader van de meting van de lambdawaarde en het CO-gehalte van motorrijtuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 1996, nr. HW/RV225448 (Stcr. 1996. 189);
- d. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 februari 1999, nr. CDJZ/WJZ/1279-98 (Stcrt. 1999, 43);
- e. Implementatie richtlijnen motorvoertuigen van de Minister van Verkeer en Waterstaat (Stcrt. 2000, 40);
- f. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 16 maart 2000, nr. CDJZ/WBI/1999-1948 (Stcrt. 2000, 66);
- g. Bekendmaking EG-richtlijnen en ECE-reglementen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 4 december 2000, nr. CDJZ/WBI/2000-1456 (Stcrt. 2000, 243);
- h. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 mei 2001, nr. CDJZ/WBI/2001-687 (Stcrt. 2001, 110);
- i. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 21 mei 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-1243 (Stcrt. 2002, 101);
- j. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 augustus 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-2073 (Stcrt. 2002, 170);
- k. Implementatie van richtlijn 2002/78/EG door bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 3 december 2002, nr. HDJZ/AWW/2002-3012 (Stcrt. 2002, 238);
- l. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 18 september 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-1454 (Stcrt. 2003, 189);
- m. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 26 november 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-2614 (Stcrt. 2003, 233);
- n. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 december 2003, nr. HDJZ/AWW/2003-2645 (Stcrt. 2003, 245);
- o. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat 14 juli 2004, nr. HDJZ/AWW/2004-1724 (Stcrt. 2004, 138);
- p. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 augustus 2004, nr. HDJZ/AWW/2004-2007 (Stcrt. 2004, 170);
- q. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 mei 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-1250 (Stcrt. 2005, 103);
- r. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 november 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2201 (Stcrt. 2005, 223);
- s. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 december 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2363 (Stcrt. 2005, 247, p. 34);
- t. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 13 december 2005, nr. HDJZ/AWW/2005-2383 (Stcrt. 2005, 247, p. 63);
- u. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 februari 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-135 (Stcrt. 2006, 33);
- v. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 april 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-477 (Stcrt. 2006, 87);
- w. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 april 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-599 (Stcrt. 2006, 90);
- x. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 31 mei 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-760 (Stcrt. 2006, 110);
- y. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 augustus 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1228 (Stcrt. 2006, 164);
- z. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 20 oktober 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1545 (Stcrt. 2006, 209);
- aa. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 7 november 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1542 (Stcrt. 2006, 223);
- ab. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 14 november 2006, nr. HDJZ/AWW/2006-1441 (Stcrt. 2006, 229);
- ac. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 9 januari 2007, nr. HDJZ/AWW/2006-1602 (Stcrt. 2007, 9);
- ad. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 2 mei 2007 nr. HDJZ/AWW/2007-479 (Stcrt. 2007, 90);
- ae. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 8 mei 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-605 (Stcrt. 2007, 92);
- af. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 juni 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-837 (Stcrt. 2007, 127);
- ag. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 augustus 2007, nr. HDJZ/AWW/2007-1015 (Stcrt. 2007, 170);
- ah. Bekendmaking EG-richtlijnen Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 11 december 2007, nr. CEND-HDJZ-2007/1617 (Stcrt. 2007, 243);
- ai. Bekendmaking terinzakelegging vertaling ECE-reglement-104 van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 10 juli 2008, nr. CEND-HDJZ-2008/935 sector AWW (Stcrt. 2008, 137);
- aj. Bekendmaking EG-richtlijn Voertuigreglement van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 2008, nr. CEND/HDJZ-2008/1293 sector AWW (Stcrt. 2008, 194).
Artikel 11.15
Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit voertuigen in werking treedt.
Artikel 11.16
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling voertuigen.
Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
§ 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
§ 1. Algemeen
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Artikel 3. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Artikel 2. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
Artikel 5. Nader onderzoek
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
§ 3. Samengestelde voertuigen
Artikel 4. Identificatie
Artikel 5. Nader onderzoek
Artikel 8. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
§ 3. Samengestelde voertuigen
Artikel 6. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
Artikel 7. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Artikel 9. Wijze van inslag
Artikel 10. Geen inslag van het voertuigidentificatienummer
Artikel 1. Begripsbepalingen
§ 2. Voertuigen
Wijze van bepalen datum eerste toelating
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
§ 1. Algemeen
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
Artikel 1. Begripsbepalingen
Artikel 5. Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Artikel 2. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Artikel 3. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
Artikel 11. Onjuiste datum eerste toelating
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Artikel 7. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
§ 3. Samengestelde voertuigen
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
§ 1. Algemeen
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Artikel 9. Wijze van inslag
§ 2. Voertuigen
Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
Artikel 1. Begripsbepalingen
Artikel 3. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
§ 1. Algemeen
Artikel 4. Identificatie
Artikel 5. Nader onderzoek
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
§ 3. Samengestelde voertuigen
Artikel 6. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
Artikel 7. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
Artikel 8. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Zelfbalancerende bromfietsen moeten voor het verkrijgen van een individuele goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg voldoen aan de eisen opgenomen in annex 2 van deze bijlage.
Artikel 9. Wijze van inslag
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
Artikel 7. Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Wijze van bepalen datum eerste toelating
§ 1. Algemeen
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Artikel 1. Begripsbepalingen
Artikel 2. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
§ 2. Voertuigen
Artikel 2. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
Artikel 1
Artikel 3. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
Artikel 5. Nader onderzoek
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
§ 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
§ 2. Voertuigen
§ 2. Voertuigen
Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
Artikel 5. Identificatie
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Artikel 6. Nader onderzoek
§ 3. Samengestelde voertuigen
§ 3. Samengestelde voertuigen
VN/ECE-reglement 100: reglement nr. 100 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van elektrische voertuigen wat de specifieke voorschriften inzake constructie, functionele veiligheid en emissie van waterstof betreft.2Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
Hoofdstuk 2. Inslag voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 2. Inslag van het voertuigidentificatienummer
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
Artikel 1. Begripsbepalingen
Wijze van bepalen datum eerste toelating
§ 2. Voertuigen
Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Artikel 3. Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
Artikel 4. Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.
Artikel 5. Identificatie
Artikel 6. Nader onderzoek
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
§ 1. Algemeen
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
§ 1. Algemeen
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Artikel 1. Begripsbepalingen
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
§ 2. Voertuigen
Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
Artikel 6. Nader onderzoek
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.8, vierde lid
Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
Artikel 7a. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar meer dan 180° draaibaar zijn
Artikel 6. Nader onderzoek
Artikel 7b. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers of motorrijtuigen met beperkte snelheid waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar niet verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar niet meer dan 180° draaibaar zijn
§ 3. Samengestelde voertuigen
Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
Hoofdstuk 2. Inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Artikel 12. Geen inslag van het voertuigidentificatienummer
Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
§ 2. Voertuigen
Wijze van bepalen datum eerste toelating
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Artikel 1. Begripsbepalingen
§ 2. Voertuigen
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
Wijze van bepalen datum eerste toelating
Zelfbalancerende bromfietsen moeten zijn voorzien van:
Artikel 1. Begripsbepalingen
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Artikel 5. Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland
Artikel 6. Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
Artikel 7. Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
Artikel 5. Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland
Artikel 9. Voertuig is eerder in gebruik genomen
Artikel 6. Nader onderzoek
Artikel 10. Nader onderzoek
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
Artikel 9. Voertuig is eerder in gebruik genomen
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Artikel 10. Nader onderzoek
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
§ 1. Algemeen
Zelfbalancerende bromfietsen moeten deugdelijk van bouw en inrichting zijn.
§ 1. Begripsbepalingen
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
Nationale kleine serie typegoedkeuring en individuele goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën L, M, N, O, T, C, R en S
§ 2. Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens
§ 2.1. Eisen niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens
Vervallen.
Artikel 3
Artikel 2b
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
Artikel 2d
Artikel 5
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
Artikel 6. Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd
§ 2.2. Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en fietsaanhangwagens
Artikel 10
Individuele toelatingseisen voor voertuigen van de voertuigcategorie O
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Artikel 9. Voertuig is eerder in gebruik genomen
Artikel 12
Individuele inrichtingseisen voor voertuigen met de voertuigclassificatie M2 of M3
Artikel 13
Artikel 14
Hoofdstuk 2. Goedkeuringseisen
Artikel 15
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
Artikel 17
Artikel 18
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
Artikel 7. Bescherming tegen brandrisico’s; elektrische installatie
§ 2.3. Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
Artikel 10. Deuren; plaats en aantal
Artikel 21
Artikel 12. Deuren; overige eisen
Artikel 22
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
Artikel 23
Artikel 16. Toegangen; verbindingsweg tussen twee compartimenten
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig verticaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig verticaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
§ 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
§ 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
§ 2. Voertuigen
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
§ 3. Samengestelde voertuigen
Artikel 5. Identificatie
Artikel 6. Nader onderzoek
Artikel 6. Nader onderzoek
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
Artikel 7a. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar meer dan 180° draaibaar zijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.
Artikel 7b. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar niet verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar niet meer dan 180° draaibaar zijn
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
§ 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Artikel 1. Begripsbepalingen
Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
Wijze van bepalen datum eerste toelating
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
Artikel 6. Nader onderzoek
§ 2. Voertuigen
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
§ 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
§ 2. Voertuigen
§ 2. Voertuigen
Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Artikel 5. Identificatie
Artikel 5. Identificatie
Artikel 6. Nader onderzoek
§ 3. Samengestelde voertuigen
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
Artikel 7a. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar meer dan 180° draaibaar zijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.
Artikel 7b. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar niet verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar niet meer dan 180° draaibaar zijn
Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
Hoofdstuk 2. Inslag van het voertuigidentificatienummer
Hoofdstuk 2. Inslag van het voertuigidentificatienummer
Artikel 11. Wijze van inslag
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
Artikel 3
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Wijze van bepalen datum eerste toelating
§ 1. Algemeen
Artikel 1. Begripsbepalingen
§ 2. Voertuigen
Artikel 2. Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
Artikel 3. Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig
Artikel 4. Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.
Artikel 4. Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.
Artikel 5. Documenten indien het voertuig eerder is geregistreerd in het buitenland
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
Artikel 7. Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten
Artikel 7. Datum van eerste toelating blijkt niet uit documenten
Artikel 8. Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating
Artikel 9. Voertuig is eerder in gebruik genomen
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Artikel 10. Nader onderzoek
Artikel 10. Nader onderzoek
Artikel 11. Onjuiste datum eerste toelating
Artikel 15
Artikel 4
Artikel 16
Artikel 5
Artikel 18
Artikel 6
Artikel 7
Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens
Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens
§ 1. Begripsbepalingen
Artikel 1
§ 2. Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens
§ 2. Eisen retroreflectie voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens
§ 2.1. Eisen niet-driehoekige rode retroreflectoren voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens, alsmede wagens
Artikel 2
Artikel 3
Artikel 4
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 8
Artikel 9
§ 2.2. Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en fietsaanhangwagens
§ 2.2. Eisen witte of gele retroreflectoren voor de wielen van fietsen, zijspanwagens aan fietsen en fietsaanhangwagens
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
Artikel 11
Artikel 11
Artikel 12
Artikel 12
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
Artikel 13
Artikel 14
Artikel 15
Artikel 15
Artikel 16
Artikel 16
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
Artikel 18
Artikel 19
§ 2.3. Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen
§ 2.3. Eisen ambergele of gele retroreflectoren voor de trappers van fietsen
Artikel 20
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in verordening (EU) 2019/2144 omtrent de retroreflector van Klasse I.
Artikel 21
Artikel 22
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
Artikel 23
Artikel 23
Artikel 24
Artikel 24
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, mag:
Annex 1. behorende bij de artikelen 3, 4, 5, 6, eerste lid, 7, vierde lid, 8, eerste lid, en 22
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden, moet aan de volgende eisen voldoen:
B. Proef waterpenetratie
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
C. Brandstoffenproef voorzijde
D. Brandstoffenproef achterzijde
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
E. Smeermiddelenproef voorzijde
F. Warmteproef
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
G. Meetopstelling ter bepaling van de kleur van het retroreflecterende licht
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
I. Sterkte bevestiging
Annex 2. behorende bij de artikelen 14, 15, 16, eerste lid, 17, derde lid, en 18, eerste lid
In deze bijlage wordt verstaan onder:
B. Brandstoffenproef voorzijde
C. Brandstoffenproef achterzijde
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
E. Warmteproef
E. Warmteproef
F. Proef bestandheid tegen inslag
G. Corrosieproef
Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
Annex 3. behorende bij de artikelen 23 en 24
Remslangen mogen:
B. Proef waterpenetratie
Artikel 3.8. Liftinstallaties
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Toelatingseisen taxi’s
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Artikel 2. Algemeen
Artikel 2. Algemeen
Artikel 3.1. Aantal uitgangen
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
Artikel 3.2. Plaats uitgangen
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
Artikel 3.4. Uitvoering uitgangen
Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
Artikel 3.6. Treden uitgangen
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Artikel 3.7. Oprijplateau’s en -goten
Artikel 3.8. Liftinstallaties
Artikel 3.8. Liftinstallaties
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
Artikel 5. Zitplaatsen
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Titel 1. Algemeen
§ 1. Vaststelling afmetingen
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
Artikel 8
Artikel 9
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
Vervallen.
Artikel 15
§ 2. Overige onderdelen
Artikel 16
Artikel 17
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
Artikel 18
Artikel 19
Artikel 19
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg:
Artikel 21
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Afdeling 3. Roetschadereparatie
Afdeling 3. Roetschadereparatie
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
Artikel 24
Artikel 24
Artikel 25
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
Artikel 27
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
Titel 3. Motor en brandstofsystemen
Titel 3. Motor en brandstofsystemen
Afdeling 1. Maximumconstructiesnelheid
Artikel 28
Artikel 29
Artikel 29a
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Afdeling 2. Geluid
§ 1. Personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen
Artikel 30
4,1 m/s2: remweg max. 15,1 m
Artikel 32
§ 2. Motorfietsen en driewielige motorrijtuigen
§ 2. Motorfietsen en driewielige motorrijtuigen
3,2 m/s2: remweg max. 18,9 m
Artikel 34
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
§ 3. Bromfietsen
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
Artikel 36
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
Artikel 38
§ 4. Landbouw- en bosbouwtrekkers
§ 4. Landbouw- en bosbouwtrekkers
Artikel 38a
Artikel 38b
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Afdeling 3. Emissie
Afdeling 3. Emissie
§ 1. Koolmonoxide
Vervallen.
Artikel 40. Controle werking emissiebestrijdingssysteem
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
Artikel 41. Koolmonoxidegehalte bij stationair toerental
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Artikel 43. Wijze van keuren
§ 2. Roet
Artikel 44. Roetmeting
Artikel 45. Wijze van keuren
Remslangen mogen:
Artikel 45a
Artikel 45b
De in deze afdeling gestelde eisen worden beoordeeld door middel van visuele controle, terwijl het voertuig, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen, zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Artikel 45c
Indien wordt voldaan aan artikel 45b en het uitleesapparaat geen foutcodes beginnend met de letter P weergeeft in modus 03 en de readiness-test is afgerond, is de EOBD-procedure succesvol doorlopen.
§ 4. Deeltjes
§ 3. Snelheidscategorie
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
Titel 4. Assen
Titel 4. Assen
§ 1. Fusees
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
Artikel 47
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Artikel 48
§ 3. Wiellagers
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
Titel 5. Ophanging
§ 1. Loadindex
Vervallen.
§ 2. Draagvermogen
Artikel 50a
§ 3. Snelheidscategorie
Artikel 50b
Het snelheidscategoriesymbool, zoals in onderstaande lijst is vermeld, van een band van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet lager zijn dan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid.
Titel 6. Stuurinrichting
§ 1. Stuurkoppeling
Artikel 51. Controle stuurkoppeling
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Artikel 52. Maximale toegestane speling stuurkogels
Titel 7. Reminrichting
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
§ 1. Remleiding
Artikel 53
§ 2. Remschijf
§ 2. Remschijf
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
§ 3. Remslang
Remslangen mogen:
§ 4. Wijze van keuren
§ 4. Wijze van keuren
Artikel 56. Wijze van keuren
De in deze afdeling gestelde eisen worden beoordeeld door middel van visuele controle, terwijl het voertuig, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen, zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Afdeling 2. Remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
Artikel 57. Wijze van bepaling remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
§ 2. Rollenremtestbank
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
§ 2.1. Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg
Artikel 59. Bepalen van de remvertraging
Artikel 60. Bepalen van de remkrachten bedrijfsrem
Artikel 61. Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem
Artikel 62
Artikel 62
Artikel 63. Bepalen remvertraging parkeerrem
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
§ 2.2. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
Artikel 64. Gebruik van de rollenremtestbank
Artikel 65. Extrapolatiedruk bedrijfsauto, bus en aanhangwagen bedrijfsrem
Artikel 66. Bepaling remkrachten bedrijfsrem
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:
Artikel 67. Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Artikel 68. Bepalen remvertraging parkeerrem
§ 2.3. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten
De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
Artikel 69. Referentieremkracht
Artikel 70. Bepalen remvertraging bedrijfsrem
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
Artikel 71. Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
Artikel 72. Bepalen remvertraging parkeerrem
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
§ 2.4. Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaatsvindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd:
Artikel 74. Bepaling remkrachten bedrijfsrem
m ahw = de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.
Artikel 75. Maximale remkrachten bedrijfsrem
Artikel 76. Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
Aanvangssnelheid 40 km/h:
§ 3.1. Personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg
Voor het bepalen van de remvertraging:
Voor het bepalen van de remvertraging:
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Artikel 79
Artikel 79
Artikel 80
Vervallen.
Artikel 81. Bepalen remvertraging parkeerrem
Artikel 81. Bepalen remvertraging parkeerrem
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:
§ 4. Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter
§ 4.1. Personenauto, bedrijfsauto of bus
Artikel 82. Pedaalkracht bedrijfsrem
Artikel 83. Bepalen remvertraging
Artikel 83. Bepalen remvertraging
Artikel 84. Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem
Artikel 84. Bepalen uitbreken van het voertuig door bediening bedrijfsrem
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg:
Artikel 85. Bepalen remvertraging parkeerrem
§ 4.2. Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
Artikel 86. Voorwaarden beproeving bedrijfsrem
Bij het bepalen van de remvertraging moet het volgende in acht worden genomen:
Artikel 88. Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Artikel 91
Artikel 91
Artikel 92
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
Artikel 94
Afdeling 3. Remvertraging motorfietsen
Afdeling 3. Remvertraging motorfietsen
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
§ 2. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg
Artikel 96
Artikel 96
Artikel 97
Artikel 98
Artikel 99
Artikel 99
Artikel 100
3,8 m/s2: remweg max. 16,2 m
Titel 8. Carrosserie
3,2 m/s2: remweg max. 18,9 m
2,8 m/s2: remweg max. 22,0 m
2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m
2,2 m/s2: remweg max. 28,0 m
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
Artikel 103
4,0 m/s2: remweg max. 6,0 m
Artikel 105
§ 2. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg
Artikel 96
Artikel 106a
2,5 m/s2: remweg max. 24,7 m
Titel 8. Carrosserie
Titel 8. Carrosserie
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
Artikel 92
Artikel 93
Artikel 94
Artikel 95
Artikel 95
§ 2. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg
§ 2. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg
Artikel 96
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
Artikel 97
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
Artikel 99
Artikel 100
Artikel 100
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Afdeling 2. Trottoirspiegel
Vervallen.
Artikel 101
Afdeling 3. Afscherming
Afdeling 3. Afscherming
§ 1. Wiel- en opspatafscherming
Artikel 102
De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.
Artikel 104
Artikel 104
Artikel 105
Artikel 106
Artikel 106a
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
Artikel 106b
Artikel 106c
Artikel 106c
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.
§ 2. Zijdelingse afscherming
Artikel 107
Artikel 108
Artikel 109
Artikel 109
Artikel 110
Artikel 111
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
§ 3. Frontbeschermingsinrichting
Artikel 112
Titel 9. Lichten en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 1. Dimlicht
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Artikel 114
2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
Artikel 114a
Artikel 114b
Artikel 114b
De stand van de lichtbundel van het mistvoorlicht wordt gecontroleerd met behulp van een koplamptestapparaat dat juist voor het voertuig moet zijn opgesteld en waarbij:
Afdeling 2. Gasontladingslichtbronnen
Artikel 115
Artikel 116
Vervallen.
Artikel 117
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
Artikel 118
Artikel 118
Vervallen.
Afdeling 3. Zijmarkeringslichten en retroreflectoren
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
Artikel 119
Artikel 120
Artikel 120
Artikel 121
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
§ 2. Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de gezichtsvelden, bedoeld in de artikelen 136 tot en met 149, kan overzien.
Artikel 123
Artikel 124
Artikel 124
Vervallen.
§ 3. Retroreflecterende voorzieningen fietsen
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
Artikel 126
§ 4. Retroreflecterende voorzieningen gehandicaptenvoertuigen
§ 4. Retroreflecterende voorzieningen gehandicaptenvoertuigen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
§ 12. Diversen
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 6. Ophanging
§ 0. Algemeen
§ 5. Assen
§ 8. Reminrichting
§ 6. Ophanging
§ 7. Stuurinrichting
§ 9. Carrosserie
§ 9. Carrosserie
§ 7. Stuurinrichting
§ 12. Diversen
§ 12. Diversen
§ 0. Algemeen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 0. Algemeen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 0. Algemeen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 7. Stuurinrichting
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 9. Carrosserie
§ 7. Stuurinrichting
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 9. Carrosserie
Afdeling 9. Fietsen
§ 6. Ophanging
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 12. Diversen
§ 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
§ 0. Algemeen
§ 5. Assen
§ 12. Diversen
Afdeling 9. Fietsen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 12. Diversen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 6. Ophanging
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 8. Reminrichting
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 5. Assen
§ 0. Algemeen
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 11. Verbinding tussen mobiele machine en aanhangwagen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 12. Diversen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 9. Carrosserie
Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
§ 8. Reminrichting
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 6. Ophanging
§ 7. Stuurinrichting
§ 9. Carrosserie
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 6. Ophanging
§ 6. Ophanging
§ 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s en driewielige motorrijtuigen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Motor
§ 8. Reminrichting
§ 7. Stuurinrichting
§ 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
§ 9. Carrosserie
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 3. Brandstofsystemen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 0. Algemeen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 0. Algemeen
§ 9. Carrosserie
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 9. Carrosserie
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen
Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
§ 5. Assen
§ 8. Reminrichting
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 8. Reminrichting
Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 9. Carrosserie
Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
§ 0. Algemeen
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
§ 9. Carrosserie
§ 0. Algemeen
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 17. Wagens
§ 6. Ophanging
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
G. Middenasaanhangwagens
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
Artikel 5.18.36c
Extra achteruitrijlichten die overeenkomstig de artikelen 5.3.57, vierde lid, 5.3a.57, vierde lid, of 5.12.57, vierde lid, op een bedrijfsauto, bus of aanhangwagen zijn gemonteerd, mogen ook branden bij een voorwaartse snelheid. Indien de voorwaartse snelheid van het voertuig meer dan 10 km/h bedraagt, worden de lichten automatisch uitgeschakeld en blijven zij uitgeschakeld totdat zij opzettelijk opnieuw worden ingeschakeld.
Manoeuvreerlichten mogen branden totdat het voertuig een snelheid heeft bereikt van 10 km/h.
Artikel 5.18.36d
Het noodstopsignaal van personenauto's, bedrijfsauto's, bussen en aanhangwagens voortbewogen door een personenauto, bedrijfsauto of bus mag alleen worden geactiveerd, indien de voertuigsnelheid meer dan 50 km/h bedraagt en:
- a. het antiblokkeersysteem in werking is;
- b. indien de toegestane maximummassa van het voertuig ten hoogste 3.500 kg bedraagt, de remvertraging meer bedraagt dan 6,0 m/s2; of
- c. indien de toegestane maximummassa van het voertuig meer bedraagt dan 3.500 kg, de remvertraging meer bedraagt dan 4,0 m/s2.
Het noodstopsignaal wordt automatisch gedeactiveerd indien het antiblokkeersysteem niet meer in werking is of de remvertraging minder bedraagt dan 2,5 m/s2.
A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens en samenstellen hiervan
B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
§ 6. Ophanging
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
G. Middenasaanhangwagens
D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
§ 2. Eisen wijziging in de constructie
Artikel 6.9
Indien een voertuig wordt gewijzigd in een taxi of ov-auto, moet het voertuig voldoen aan de in artikel 3.1.5, opgenomen eisen.
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 1. Algemeen
§ 6. Ophanging
§ 7. Stuurinrichting
§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
Afdeling 18. Gebruikseisen
§ 0. Algemeen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 9. Carrosserie
Afdeling 1. Algemeen
§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 6. Ophanging
§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en aanhangwagen
§ 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
§ 2. Afmetingen en massa’s
B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
§ 2.2. Technische eisen
§ 3. Olietemperatuurmeters
D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
§ 1.2.4. Temperatuuraspecten
§ 1. Afmetingen, massa’s en lasten
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
§ 9. Carrosserie
§ 1.2.4. Temperatuuraspecten
C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
§ 1. Roetmeters
§ 1.1. Algemeen
§ 1.2. Technische eisen
§ 4. Manometers
§ 5.2. Technische eisen
B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
§ 3.1. Algemeen
B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
§ 1.1. Algemeen
§ 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
§ 1.2.2. Maximale fout
E. Wagens
§ 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen
C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
§ 4. Manometers
§ 3.1. Algemeen
D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
§ 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
§ 8. Platenremtestbanken
§ 2.2. Certificaten
§ 7.2.3. Uitvoering
§ 1. Algemeen
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 3. Beschikking inzake ontheffing
§ 5. Pedaalkrachtmeters
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
§ 2. Voertuigen
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Artikel 3. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Artikel 8. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Hoofdstuk 2. Inslag voertuigidentificatienummer
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
§ 1. Algemeen
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
§ 2. Voertuigen
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Artikel 4. Identificatie
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Artikel 4. Identificatie
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Artikel 1. Begripsbepalingen
Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Artikel 2. Vaststelling van het voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig
Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
Artikel 2. Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
Hoofdstuk 2. Inslag voertuigidentificatienummer
Artikel 10. Geen inslag van het voertuigidentificatienummer
Personenauto’s of bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 1 september 2008 en ingericht voor het vervoer van één of meer passagiers in een rolstoel moeten wat betreft:
De wijze van keuren van de in deze bijlage opgenomen eisen vindt plaats op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
§ 1. Algemeen
Een voertuig met de voertuigclassificatie M2 of M3 moet voldoen aan de in dit hoofdstuk opgenomen eisen.
Artikel 4. Het toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
Artikel 5. Identificatie
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie wordt bepaald door het chassis.
Indien een voertuig reeds eerder in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het eerder afgegeven kentekenbewijs.
§ 1. Algemeen
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
§ 2. Voertuigen
Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Artikel 1. Begripsbepalingen
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
1 Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand.
§ 1. Algemeen
VN/ECE-reglement 100: reglement nr. 100 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van elektrische voertuigen wat de specifieke voorschriften inzake constructie, functionele veiligheid en emissie van waterstof betreft.2Te raadplegen via United Nations Economic Commission for Europe/Transport/Vehicle Regulations/Agreements Regulations and Rules/UNECE Regulation (www.unece.org/trans/main/wp29/wp29regs.html).
Artikel 6. Nader onderzoek
Artikel 5. Identificatie
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
Artikel 8. Samengestelde voertuigen met een volledig zelfdragende carrosserie en een aandrijflijn
2 Mits aan de voorschriften van ISO 10571:1995 (Banden voor mobiele kranen en soortgelijke gespecialiseerde machines) of van ETRTO Standards Manual wordt voldaan.
Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.8, derde lid
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.
Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Artikel 11. Wijze van inslag
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
§ 1. Algemeen
Artikel 2. Vaststelling zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
Artikel 3. Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
Artikel 3. Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Artikel 8. Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Artikel 11. Onjuiste datum eerste toelating
Artikel 11. Wijze van inslag
De vrije ruimte tussen het noodraam en een denkbeeldig verticaal vlak evenwijdig aan het mediaanlangsvlak van de bus op een afstand van 0,50 m van het noodraam moet een vrije doorgang bieden aan een rechthoekig verticaal plat vlak met een breedte van 0,60 m en een hoogte van 0,40 m dat in een richting loodrecht op het raam wordt bewogen.
Artikel 11. Onjuiste datum eerste toelating
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
Artikel 4
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Artikel 4
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
Artikel 11
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
Artikel 2c
Artikel 16
Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.9, derde lid
Artikel 20
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in verordening (EG) nr. 661/2009 tot 6 juli 2022 en met ingang van 6 juli 2022 aan het bepaalde in verordening (EU) 2019/2144 omtrent de retroreflector van Klasse I.
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
Artikel 14. Toegangen; bedrijfsdeuren
Artikel 24
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, mag:
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
Hoofdstuk 1. Vaststelling en toekenning van het voertuigidentificatienummer
Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
Artikel 6. Nader onderzoek
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.12
§ 3. Samengestelde voertuigen
Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
§ 2. Voertuigen
Artikel 11. Wijze van inslag
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Artikel 5. Identificatie
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Artikel 4. Toegekende en vastgestelde voertuigidentificatienummer
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
§ 3. Samengestelde voertuigen
Artikel 7b. Samengestelde landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine waarvan de voor- en achterzijde ten opzichte van elkaar niet verticaal scharnierend zijn of waarvan de bovenbouw en het onderstel ten opzichte van elkaar niet meer dan 180° draaibaar zijn
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
Artikel 10. Samengestelde aanhangwagen voorzien van een chassis of chassis en een carrosserie
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
Wijze van bepalen datum eerste toelating
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Artikel 3. Vaststelling met afzonderlijk onderzoek voertuig
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
Artikel 6. Voertuig is eerder in Nederland geregistreerd
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Artikel 9. Voertuig is eerder in gebruik genomen
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Artikel 10
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
Artikel 13
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
Artikel 17
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
Artikel 21
Artikel 22
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, mag:
Annex 1. behorende bij de artikelen 3, 4, 5, 6, eerste lid, 7, vierde lid, 8, eerste lid, en 22
A. Meting lichtsterktecoëfficiënt
Deze proef is alleen van toepassing indien de achterzijde van het retroreflecterend oppervlak van een spiegellaag is voorzien.
E. Smeermiddelenproef voorzijde
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
G. Meetopstelling ter bepaling van de kleur van het retroreflecterende licht
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
H. Corrosieproef
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
A. Proef waterpenetratie
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
D. Smeermiddelenproef voorzijde
Het buitenoppervlak van de retroreflector en in het bijzonder het lichtterugkaatsend oppervlak wordt voorzichtig ingewreven met een katoenen doek, gedrenkt in een smeerolie met dispergerend vermogen.
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
H. Proef sterkte bevestiging
A. Meting lichtsterktecoëfficiënt
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
Toelatingseisen taxi’s
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Artikel 1. Begripsbepalingen
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
Artikel 3.3. Afmetingen uitgangen
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden, moet aan de volgende eisen voldoen:
Artikel 6. Plaatsen voor rolstoelen
Artikel 7. Ligplaatsen
Nadere invulling van de permanente eisen en gebruikseisen
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
Artikel 2
§ 3. Kentekenplaat
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
Artikel 11
Artikel 12
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
Artikel 18
Artikel 22
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Artikel 23
Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.
Artikel 27
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
m tot.geremd = de in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig is vermeld, geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de totale gemeten massa van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd;
Artikel 29a
Artikel 35
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Het snelheidscategoriesymbool, zoals in onderstaande lijst is vermeld, van een band van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet lager zijn dan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid.
Artikel 38c
Artikel 40. Controle werking emissiebestrijdingssysteem
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
§ 3. Emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem (EOBD)
Artikel 45b
Indien wordt voldaan aan artikel 45b en het uitleesapparaat geen foutcodes beginnend met de letter P weergeeft in modus 03 en de readiness-test is afgerond, is de EOBD-procedure succesvol doorlopen.
§ 4. Deeltjes
De in deze afdeling gestelde eisen worden beoordeeld door middel van visuele controle, terwijl het voertuig, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen, zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Artikel 50b
Het snelheidscategoriesymbool, zoals in onderstaande lijst is vermeld, van een band van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet lager zijn dan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid.
§ 2. Draaipunten
Vervallen.
Artikel 49
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Artikel 50
Vervallen.
Het snelheidscategoriesymbool, zoals in onderstaande lijst is vermeld, van een band van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet lager zijn dan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid.
Titel 6. Stuurinrichting
Afdeling 1. Onderdelen van de reminrichting
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
Artikel 54. Remschijf
Artikel 55. Remslang
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
§ 1. Wijze van bepaling van remvertraging
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Artikel 63. Bepalen remvertraging parkeerrem
§ 2.2. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met uitzondering van een aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
Artikel 68. Bepalen remvertraging parkeerrem
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
§ 2.3. Voertuig met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, met behulp van referentieremkrachten
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
Artikel 70. Bepalen remvertraging bedrijfsrem
Indien de remwerking wordt vastgesteld door middel van referentieremkrachten, mag het verschil in remwerking tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht, zoals vastgesteld volgens artikel 70, eerste lid.
Artikel 72. Bepalen remvertraging parkeerrem
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
Artikel 76. Formules bepaling remvertraging bedrijfsrem
Artikel 77. Bepalen remvertraging
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
Vervallen.
Vervallen.
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
§ 4. Elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
Artikel 85. Bepalen remvertraging parkeerrem
§ 4.2. Aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg
4,5 m/s2: remweg max. 13,7 m
Artikel 87. Bepalen remvertraging bedrijfsrem
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
Artikel 100
Afdeling 1. Voorruiten
§ 1. Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg
Afdeling 4. Remvertraging bromfietsen
Aanvangssnelheid 25 km/h:
2,5 m/s2: remweg max. 9,6 m
2,4 m/s2: remweg max. 10,0 m
4,0 m/s2: remweg max. 15,4 m
Artikel 97
Afdeling 1. Voorruiten
Artikel 91
Artikel 92
Vervallen.
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
Artikel 97
Artikel 98
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
Artikel 101
Vervallen.
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
Artikel 103
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
Artikel 106a
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
§ 3. Frontbeschermingsinrichting
Vervallen.
Artikel 113
Afdeling 1a. Mistvoorlicht
Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.
Artikel 117
Vervallen.
Afdeling 3. Zijmarkeringslichten en retroreflectoren
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
§ 1. Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflecterende voorzieningen
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
Vervallen.
Artikel 122
§ 2. Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
Artikel 125
Artikel 126
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto die na 30 september 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
§ 5. Opvallende markering van begeleidingsvoertuigen
§ 5. Opvallende markering van begeleidingsvoertuigen
Artikel 127a
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 5.2.57a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Personenauto’s in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Personenauto’s in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | |
| 3. | Personenauto’s als bedoeld in artikel 41a van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van verlichte transparanten die afzonderlijk zijn geschakeld en niet langer of breder zijn dan het betreffende voertuig. |
Artikel 5.3.57a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Bedrijfsauto’s in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | |
| 3. | Bedrijfsauto’s als bedoeld in artikel 41a van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van verlichte transparanten die afzonderlijk zijn geschakeld en niet langer of breder zijn dan het betreffende voertuig. |
Artikel 5.3a.57a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Bussen in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | |
| 3. | Bussen als bedoeld in artikel 41a, eerste lid, onderdeel b, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van verlichte transparanten die afzonderlijk zijn geschakeld, naar achteren niet rood stralen en niet langer of breder zijn dan het betreffende voertuig. |
Artikel 5.5.57a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van blauwe en groene zwaai-, flits- of knipperlichten. | Leden 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Driewielige motorrijtuigen in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. |
Artikel 5.6.72
In afwijking van artikel 5.6.0, moet een bromfiets die door de minister op grond van artikel 20b van de wet is aangewezen, voldoen aan deze paragraaf en wordt die bromfiets beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
In deze paragraaf wordt verstaan onder:
aangewezen bromfiets: bromfiets die door de minister is aangewezen op grond van artikel 20b van de wet.
Artikel 5.6.73
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Aangewezen bromfietsen moeten zijn voorzien van een voertuigidentificatienummer dat in het frame, in het chassis of in een vergelijkbare constructie is ingeslagen en goed leesbaar is. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.74
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van aangewezen bromfietsen mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen, en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Indien een aangewezen bromfiets is opgebouwd uit een frame met een voor- of achtervork, mag dat frame met die voor- of achtervork: a. geen breuken of scheuren vertonen, b. niet zijn doorgeroest, en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.6.75
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Aangewezen bromfietsen mogen: a. niet langer zijn dan 2,00 m; b. niet breder zijn dan 1,10 m; c. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de aangewezen bromfiets gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
Artikel 5.6.76
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aangewezen bromfietsen moeten bij voortduring voldoen aan de in artikel 20b van de wet vermelde maximumconstructiesnelheid. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 28 tot en met 29a, van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Aangewezen bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Eventueel wordt de meting opnieuw uitgevoerd. |
Artikel 5.6.77
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van de brandstofsystemen van aangewezen bromfietsen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De aanwezige brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | |
| 4. | De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische aangewezen bromfietsen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. |
Artikel 5.6.78
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien een aangewezen bromfiets is voorzien van een LPG-installatie, moet deze voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 8: visuele controle. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De LPG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte kast die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | |
| 6. | Het vullen van de tank mag alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. |
Artikel 5.6.79
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien een aangewezen bromfiets is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze voldoen aan de in de in het tweede tot en met achtste lid gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig, en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 5: visuele controle. |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een CNG- of LNG-tank mag niet verstreken zijn. | |
| 5. | Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | |
| 6. | De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 6 tot en met 9: visuele controle. |
| 7. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 9. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. |
Artikel 5.6.80
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aangewezen bromfietsen met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Aangewezen bromfietsen mogen in de nabijheid van de uitmonding van het uitlaatsysteem geen hoger geluidsniveau kunnen produceren dan 90 dB(A). Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 36, 37 en 38 van toepassing. | – |
Artikel 5.6.81
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van aangewezen bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van aangewezen bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. | |
| 3. | De motor van aangewezen bromfietsen moet deugdelijk bevestigd zijn. | |
| 4. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
Artikel 5.6.82
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De snelheid van aangewezen bromfietsen moet op eenvoudige en doeltreffende wijze regelbaar zijn. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.83
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van aangewezen bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.84
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van aangewezen bromfietsen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. |
Artikel 5.6.85
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De wiellagers van aangewezen bromfietsen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
Artikel 5.6.86
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van aangewezen bromfietsen mogen geen breuken, scheuren ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.6.87
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen van aangewezen bromfietsen moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. |
| 2. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
Artikel 5.6.88
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Van aangewezen bromfietsen: a. moet de stuurinrichting dan wel het besturingssysteem deugdelijk zijn; b. mogen de stofhoezen niet zodanig beschadigd zijn, dat de hoezen niet meer afdichten; c. moeten koppelingen en verbindingen spelingsvrij zijn; d. moeten de voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.89
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aangewezen bromfietsen moeten zijn voorzien van een goedwerkend remsysteem. | Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij een rijproef wordt uitgevoerd. |
| 2. | Het voertuig mag als gevolg van het remmen of van een snelheidsvermindering geen zijwaartse beweging maken. |
Artikel 5.6.90
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Aangewezen bromfietsen moeten zijn voorzien van een remsysteem waarvan de remvertraging ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. | Bij twijfel controle door middel van een vertragingsproef, waarbij aan de hand van de afgelegde vertragingsafstand wordt bepaald of aan de vereiste vertraging wordt voldaan. |
Artikel 5.6.91
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Permanent aangebrachte inrichtingen aan aangewezen bromfietsen om lading mee te kunnen vervoeren, moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.92
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aangewezen bromfietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk banden van aangewezen bromfietsen mogen niet aanlopen. |
Artikel 5.6.93
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aangewezen bromfietsen moeten zijn voorzien van: a. rode opvallende retroreflecterende lijnmarkering of één of twee rode retroreflectoren, aangebracht aan de achterzijde van het voertuig op een hoogte van minimaal 0,15 m en maximaal 0,90 m; b. witte of gele opvallende retroreflecterende markering of één of twee ambergele zijretroreflectoren, aangebracht aan de zijkant van het voertuig. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Aangewezen bromfietsen op drie of vier wielen moeten daarnaast voorzien zijn van twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde, indien het motorvoertuig is voorzien van een gesloten carrosserie. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.94
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Een aangewezen bromfiets mag zijn voorzien van: a. één of twee lichten aan de voorzijde; b. één of twee achterlichten; c. één of twee remlichten; d. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; e. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig; f. één dagrijlicht. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.95
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het licht aan de voorzijde van een aangewezen bromfiets mag niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | Het achterlicht en het remlicht mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | De richtingaanwijzers mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood stralen. | |
| 4. | Het dagrijlicht mag niet anders dan wit stralen. |
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 7. Stuurinrichting
§ 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van artikel 20b van de wet zijn aangewezen
§ 0. Algemeen
§ 12. Diversen
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 11. Verbinding tussen bijzondere bromfiets en aanhangwagen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 8. Reminrichting
§ 5. Assen
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4. Krachtoverbrenging
Afdeling 9. Fietsen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 6. Ophanging
§ 8. Reminrichting
§ 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
§ 5. Assen
§ 7. Stuurinrichting
§ 6. Ophanging
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 5. Assen
Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
§ 3. Motor en brandstofsystemen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
§ 12. Diversen
Artikel 5.12.57a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | Leden 1 en 2: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Aanhangwagens in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. |
Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
§ 12. Diversen
§ 7. Stuurinrichting
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 5. Assen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.13.57a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aanhangwagens in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Aanhangwagens in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. |
Afdeling 14. Aanhangwagens achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 6. Ophanging
§ 5. Assen
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
§ 3. Brandstofsystemen en milieu
Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
§ 12. Diversen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
§ 3. Brandstofsystemen en milieu
§ 7. Stuurinrichting
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 0. Algemeen
§ 5. Assen
Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
§ 7. Stuurinrichting
§ 5. Assen
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
G. Middenasaanhangwagens
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Brandstofsystemen en milieu
A. Aanhangwagens
A. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, motorrijtuig met beperkte snelheid, landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen.
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
§ 5. Verbinding tussen voertuigen
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
D. Samenstellen van fiets en aanhangwagen
§ 3. Brandstofsystemen en milieu
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 0. Algemeen
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
Afdeling 1. Algemeen
§ 5. Assen
D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 2a. Sneeuwkettingen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 17. Wagens
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 9. Carrosserie
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
§ 1.2.1. Controle-inrichtingen
D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
§ 1.2.5. Monsternamesysteem
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
§ 1.2.7. Aanwijsinrichting
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
§ 1. Algemene bepalingen
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
§ 4. Manometers
§ 1.2. Technische eisen
§ 2. Eisen wijziging in de constructie
D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
§ 1. Algemene bepalingen
G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
§ 3. Reminrichting
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
§ 1.2. Technische eisen
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
§ 1.2.4. Temperatuuraspecten
A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
§ 1.2.6. Functiestanden
§ 2.2. Technische eisen
§ 2.1. Algemeen
§ 1. Algemeen
§ 2. Eisen wijziging in de constructie
B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen
C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus, driewielig motorrijtuig, landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine en aanhangwagen
§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
§ 6.2. Technische eisen
§ 10. Bromfietsrollentestbank
D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
§ 2.1. Algemeen
§ 7.1. Algemeen
§ 7.2. Technische eisen
§ 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
§ 7.2. Technische eisen
§ 5.2. Technische eisen
§ 2.2. Certificaten
§ 11. Geluidsniveaumeter
§ 6.2. Technische eisen
§ 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
§ 12. Koplamptestapparaten
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 12. Koplamptestapparaten
§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
§ 4. Tarieven
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
In deze bijlage wordt verstaan onder:
§ 1. Algemeen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Artikel 5. Nader onderzoek
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
In deze bijlage wordt verstaan onder:
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Artikel 7. Samengestelde voertuigen voorzien van een volledig dragend of semi-dragend chassis, een carrosserie en een aandrijflijn
§ 1. Algemeen
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan, gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
§ 1. Algemeen
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Artikel 2. Vaststelling voertuigidentificatienummer zonder afzonderlijk onderzoek voertuig
§ 3. Samengestelde voertuigen
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
1 Krabbengang toegestaan.
Artikel 11. Wijze van inslag
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1 bij deze bijlage, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Toelatingseisen retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
Artikel 2
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
De vrije ruimte tussen de nooduitgang in het dak en een denkbeeldig plat vlak gelegen op 1,40 m boven en evenwijdig aan de vloer van de bus moet een vrije doorgang bieden aan een horizontaal gehouden rechthoekig plat vlak met zijden van 0,45 m en 0,65 m dat in een richting loodrecht op deze nooduitgang wordt voortbewogen. Klapbare, draaibare of verschuifbare delen, die in een vaste positie de vrije doorgang voor het vlak belemmeren zijn niet toegestaan tenzij deze delen van een inrichting zijn voorzien die de doorgang automatisch vrijgeeft. De voorgeschreven opening in het dak mag niet door aan het dak bevestigde delen zoals een windscherm en dergelijk worden verkleind.
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
De retroreflecterende cirkel moet ten aanzien van de vorm en de afmetingen voldoen aan de volgende eisen:
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Op de retroreflector moet:
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
Artikel 19
Op de retroreflector moet:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.
Artikel 9. Samengestelde voertuigen voorzien van een frame en een aandrijflijn
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Op de retroreflector moet:
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
Op de retroreflector moet:
C. Brandstoffenproef voorzijde
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Artikel 3.2. Plaats uitgangen
De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:
De in annex 3 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.
Artikel 4. Doorgangen
Artikel 18
Nadere invulling van de permanente eisen en gebruikseisen
Artikel 1
§ 2. Overeenstemming voertuig met kentekenregister
Artikel 3
Titel 2. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 1. Voertuigen zonder een volledig dragend chassis
Artikel 5
Artikel 6
Artikel 7
Artikel 10
Artikel 11
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
Vervallen.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Artikel 26
De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:
a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
4,8 m/s2: remweg max. 12,9 m
Artikel 31
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Artikel 33
Artikel 37
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Deze paragraaf is van toepassing voor zover het voertuig is voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, dit systeem is voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting en communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
Artikel 39
Artikel 46
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:
§ 2. Stuurkogels
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
Remslangen mogen:
De in deze afdeling gestelde eisen worden beoordeeld door middel van visuele controle, terwijl het voertuig, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen, zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Afdeling 2. Remvertraging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens
Artikel 58. Pedaal- en remkrachten
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
§ 2. Rollenremtestbank
De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:
Artikel 67. Beoordeling verschil in remkrachten bedrijfsrem
Artikel 74. Bepaling remkrachten bedrijfsrem
§ 3. Platenremtestbank
Artikel 78. Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem:
a ahw = remvertraging aanhangwagen;
De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:
Voor het bepalen van het uitbreken van een voertuig bij een beproeving op de weg:
De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
Bij het bepalen van de remvertraging moet het volgende in acht worden genomen:
Artikel 88. Formule bepaling remvertraging bedrijfsrem
a ahw = remvertraging aanhangwagen;
5,2 m/s2: remweg max. 11,9 m
Artikel 91
Afdeling 4. Remvertraging bromfietsen
Artikel 94
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Artikel 95
Aanvangssnelheid 40 km/h:
De opspatafscherming moet:
§ 1. Voertuigen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Een voertuig dat in de constructie is gewijzigd als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. In ieder geval is sprake van een gasontladingslichtbron, indien:
De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 26.
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
Vervallen.
§ 2. Zijdelingse afscherming
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.
Afdeling 2. Gasontladingslichtbronnen
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. In ieder geval is sprake van een gasontladingslichtbron, indien:
Artikel 116
Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.
Artikel 127
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, is artikel 153 van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 4. Beschadigingen en bewerkingen
Afdeling 4. Beschadigingen en bewerkingen
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst, indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen. Indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
Titel 10. Verbinding tussen trekkend voertuig en aanhangwagen
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
Hoofdstuk 2. Gebruikseisen
Hoofdstuk 2. Gebruikseisen
Titel 1. Afmetingen en massa’s
Artikel 130
De lengtemarkering moet bestaan uit:
Artikel 131
De rechterbuitenspiegel van een landbouw- of bosbouwtrekker of mobiele machine moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee:
Artikel 133
Titel 2. Carrosserie
§ 0. Definities
Voor de toepassing van deze titel wordt onder spiegel tevens verstaan deugdelijk bevestigde camera-monitorsystemen.
§ 1. Linker- en rechterbuitenspiegel
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
Artikel 135
Artikel 135
Artikel 136
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 5.2.79
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Een ligplaats moet zijn voorzien van een vastzetinrichting voor een draagbaar. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Ligplaatsen in personenauto's die in gebruik zijn genomen na 31 december 2011, moeten met doelmatige veiligheidsvoorzieningen zijn uitgerust ten einde te voorkomen dat de passagier uit de ligplaats kan geraken. |
Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
§ 13. Aanvullende eisen taxi’s
§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
§ 12. Diversen
§ 13. Aanvullende eisen taxi’s
§ 13. Aanvullende eisen taxi’s
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 8. Reminrichting
§ 6. Ophanging
§ 8. Reminrichting
Afdeling 3a. Bussen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 8. Reminrichting
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
§ 12. Diversen
§ 12. Diversen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 0. Algemeen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 7. Stuurinrichting
§ 7. Stuurinrichting
§ 7. Stuurinrichting
Afdeling 4. Motorfietsen
§ 9. Carrosserie
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 9. Carrosserie
§ 3. Motor en brandstofsystemen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 0. Algemeen
§ 12. Diversen
§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
§ 0. Algemeen
§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 4. Motorfietsen
§ 0. Algemeen
§ 6. Ophanging
§ 7. Stuurinrichting
§ 8. Reminrichting
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 5. Assen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
§ 0. Algemeen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
Afdeling 6. Bromfietsen
§ 6. Ophanging
§ 8. Reminrichting
§ 6. Ophanging
§ 7. Stuurinrichting
§ 9. Carrosserie
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
§ 9. Carrosserie
§ 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
§ 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
§ 0. Algemeen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 0. Algemeen
§ 5. Assen
§ 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 12. Diversen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 8. Reminrichting
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 11. Verbinding tussen bijzondere bromfiets en aanhangwagen
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 9. Carrosserie
§ 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 12. Diversen
Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
§ 7. Stuurinrichting
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 12. Diversen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
§ 11. Verbinding tussen mobiele machine en aanhangwagen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 11. Verbinding tussen mobiele machine en aanhangwagen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 7. Stuurinrichting
Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 6. Ophanging
§ 6. Ophanging
§ 6. Ophanging
§ 9. Carrosserie
Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
§ 12. Diversen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 0. Algemeen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 5. Assen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.14.29
| Eisen | Wijze van keuren | Wijze van keuren | Wijze van keuren | |
|---|---|---|---|---|
| 1. | De gestuurde wielen moeten goed kunnen reageren op het commando van de stuurinrichting van het trekkende voertuig. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. |
| 2. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen geen breuken of scheuren vertonen; c. mogen niet zijn vervormd; en d. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | |||
| 3. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |||
| 4. | De onderdelen van het hydraulische besturingssysteem mogen geen lekkage vertonen. | |||
| 5. | De slangen van het hydraulische besturingssysteem mogen: a. geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is, en b. geen bewegende delen raken. | |||
| 6. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. | Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling, wordt de stuurkogel of -verbinding op doelmatige wijze belast; b. axiale speling, wordt op de stuurkogel of -verbinding trek- en drukkracht uitgeoefend. | Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling, wordt de stuurkogel of -verbinding op doelmatige wijze belast; b. axiale speling, wordt op de stuurkogel of -verbinding trek- en drukkracht uitgeoefend. | Visuele controle, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. Voor het zichtbaar maken van: a. radiale speling, wordt de stuurkogel of -verbinding op doelmatige wijze belast; b. axiale speling, wordt op de stuurkogel of -verbinding trek- en drukkracht uitgeoefend. |
| 7. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het stuurkogelhuis en van de stuurkogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats, waarbij het voertuig zich boven een inspectieput of hefinrichting bevindt. |
§ 4. Krachtoverbrenging
Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
§ 6. Ophanging
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
§ 9. Carrosserie
Artikel 5.16.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. | Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De achterlichten mogen niet anders dan rood stralen. |
Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
§ 7. Stuurinrichting
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 9. Carrosserie
§ 9. Carrosserie
Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
§ 8. Reminrichting
§ 5. Assen
B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en daardoor voortbewogen aanhangwagens of verwisselbare getrokken machines
D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
G. Middenasaanhangwagens
§ 9. Carrosserie
§ 8. Reminrichting
B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
§ 9. Carrosserie
B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
G. Middenasaanhangwagens
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
B. Aanhangwagens en lastdragers
§ 9. Carrosserie
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
§ 2. Eisen wijziging in de constructie
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 1. Algemeen
§ 9. Carrosserie
D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 8. Reminrichting
§ 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 1.2.1. Controle-inrichtingen
B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
§ 1.2.6. Functiestanden
§ 1. Algemene bepalingen
B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
§ 0. Algemeen
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
§ 5. Pedaalkrachtmeters
§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 2.2. Certificaten
A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
C. Gehandicaptenvoertuigen
A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
§ 5. Verbinding tussen voertuigen
A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
§ 4. Manometers
§ 1.2.1. Controle-inrichtingen
§ 4.1. Algemeen
§ 6. Diversen
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
§ 3.1. Algemeen
§ 7.2.1. Controle-inrichting
§ 4.1. Algemeen
§ 7.2. Technische eisen
§ 7.2.3. Uitvoering
§ 11. Geluidsniveaumeter
§ 6.1. Algemeen
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
§ 10. Bromfietsrollentestbank
§ 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
Artikel 8. Datum eerste onderzoek als datum van eerste toelating
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste afgifte van het kentekenbewijs.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
1 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
Artikel 1
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 bij deze bijlage heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
Artikel 3. Vaststelling voertuigidentificatienummer met afzonderlijk onderzoek voertuig
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig wordt bepaald door het grootste deel waarin een voertuigidentificatienummer is ingeslagen.
Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
In deze bijlage en de bijbehorende annexen wordt verstaan onder:
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
In deze bijlage en de bijbehorende annexen wordt verstaan onder:
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
De in annex 1 vermelde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorvoertuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.
Artikel 3.5. Handgrepen uitgangen
Een bedrijfsuitgang moet van ten minste één handgreep zijn voorzien, die op een duidelijk zichtbare en doelmatige plaats is bevestigd.
Artikel 3.6. Treden uitgangen
Hoofdstuk 1. Voertuigeisen
§ 3. Kentekenplaat
Artikel 6
Artikel 13
Afdeling 2. Voertuigen met een volledig dragend chassis
§ 1. Chassisraam
Een afwijkende reparatie als bedoeld in de artikelen 24 en 25 is toegestaan, indien dit door middel van documentatie van de voertuigfabrikant wordt aangetoond. De reparatie moet volgens voorschrift van de voertuigfabrikant zijn uitgevoerd.
Indien wordt voldaan aan artikel 45b en het uitleesapparaat geen foutcodes beginnend met de letter P weergeeft in modus 03 en de readiness-test is afgerond, is de EOBD-procedure succesvol doorlopen.
Indien wordt voldaan aan artikel 45b en het uitleesapparaat geen foutcodes beginnend met de letter P weergeeft in modus 03 en de readiness-test is afgerond, is de EOBD-procedure succesvol doorlopen.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
§ 3. Bromfietsen
Het snelheidscategoriesymbool, zoals in onderstaande lijst is vermeld, van een band van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet lager zijn dan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid.
Vervallen.
Artikel 42. Koolmonoxidegehalte en lambdawaarde bij verhoogd toerental
Vervallen.
De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N).
De in deze afdeling gestelde eisen worden beoordeeld door middel van visuele controle, terwijl het voertuig, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen, zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.
Voor het bepalen van de remvertraging:
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
Bij de beoordeling van het verschil in remkrachten op een rollenremtestbank mag het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Artikel 78. Bepalen verschil in remwerking bedrijfsrem
Voor het bepalen van de remvertraging door middel van een beproeving op de weg, moet de kracht die wordt uitgeoefend op het rempedaal, nagenoeg constant gehouden worden. De hoogst bereikbare remvertraging wordt vastgesteld wanneer iets minder druk wordt ingestuurd, dan wel iets minder pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken.
De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:
De remvertraging van de parkeerrem van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, wordt met een zelfregistrerende remvertragingsmeter vastgesteld. Het voertuig moet aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.
De remvertraging van de bedrijfsrem moet plaatsvinden volgens de volgende formule:
Artikel 93
m ahw = de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand van de aanhangwagen. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de gemeten massa van de aanhangwagen of de last onder de assen van de oplegger.
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
4,1 m/s2: remweg max. 15,1 m
Artikel 90. afgelegde remweg
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Vervallen.
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.
De opspatafscherming moet:
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. In ieder geval is sprake van een gasontladingslichtbron, indien:
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Rode retroreflectoren in de vorm van een afgeknotte driehoek moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 32.
§ 3. Retroreflecterende voorzieningen fietsen
1 De loadindexen hebben betrekking op enkelgemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt tweemaal de aslast in enkele montage.
Artikel 128
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
Artikel 129
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
De lengtemarkering moet bestaan uit:
Artikel 131
Artikel 132
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
§ 1. Linker- en rechterbuitenspiegel
Artikel 134
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de gezichtsvelden, bedoeld in de artikelen 136 tot en met 149, kan overzien.
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
Artikel 136a
Artikel 137
Artikel 137
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld,overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
Artikel 4. Vaststelling datum eerste toelating indien het voertuig niet eerder in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd.
In deze bijlage en de bijbehorende annexen wordt verstaan onder:
Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.9, derde lid
Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, vierde lid
Buiten de reeds in artikel 4 genoemde ruiten moeten alle overige ruiten bestaan uit duurzaam materiaal dat bij breuk niet in scherpe scherven uiteenvalt.
Op de retroreflector moet:
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
Een nooduitgang in het dak moet een opening vrijgeven met een oppervlakte van ten minste 0,4 m2 waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,50 m, met dien verstande dat bij bussen ingericht voor ten hoogste 22 personen uitsluitend op zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet inbegrepen, de oppervlakte van de vrij te geven opening ten minste 0,3 m2 moet bedragen en waarin een vierkant kan worden beschreven met zijden van 0,48 m.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
De in de artikelen 31 tot en met 33 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste ligbank.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Wijze van vaststelling, toekenning en inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Artikel 12. Geen inslag van het voertuigidentificatienummer
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen op de wijze, bedoeld in hoofdstuk 1, wordt geen voertuigidentificatienummer aangebracht.
Op de retroreflector moet:
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
Op de retroreflector moet:
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden ‘E’, moet de volgende procedure worden gevolgd:
Artikel 7
Afdeling 2. Voertuigen met een volledig dragend chassis
Artikel 20
3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m
Vervallen.
De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:
2,5 m/s2: remweg max. 9,6 m
Indien wordt voldaan aan artikel 45b en het uitleesapparaat geen foutcodes beginnend met de letter P weergeeft in modus 03 en de readiness-test is afgerond, is de EOBD-procedure succesvol doorlopen.
Deze paragraaf is van toepassing voor zover het voertuig is voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, dit systeem is voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting en communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 98, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
Voor het bepalen van de remvertraging:
Vervallen.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
§ 2.4. Aanhangwagen met elektrisch bekrachtigde remmen, met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg
Vervallen.
Artikel 73. Bepaling remvertraging bedrijfsrem
Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voor iedere as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld.
Voor het bepalen van het verschil in remwerking tussen de wielen op één as:
Artikel 80
m tot.geremd = de in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig vermelde totale massa in rijklare toestand van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister van het trekkende en getrokken voertuig is vermeld, geldt voor een bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig of, anders dan bij de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, de totale gemeten massa van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd;
Artikel 89. Afgelegde remweg
Aanvangssnelheid 40 km/h:
4,5 m/s2: remweg max. 13,7 m
3,5 m/s2: remweg max. 17,6 m
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De opspatafscherming moet:
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.
Het mistvoorlicht moet zodanig zijn afgesteld dat bij controle met een koplamptestapparaat dan wel een lichtscherm ten aanzien van het geprojecteerde beeld, na fixatie van dat apparaat of scherm, het geprojecteerde lichtste vlak voor zowel een beladen als onbeladen voertuig zich globaal niet bevindt boven de horizontale lijn die overeenkomt met het midden van het mistvoorlicht.
Bedrijfsauto’s en aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg en in gebruik genomen na 31 december 1969, moeten aan weerszijden zijn voorzien van zijdelingse afscherming. De volgende gebieden moeten zijn beveiligd:
Vervallen.
Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Kogelkoppelingen moeten zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 37.
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
Artikel 133a
Voor de toepassing van deze titel wordt onder spiegel tevens verstaan deugdelijk bevestigde camera-monitorsystemen.
De spiegels van bedrijfsauto’s en bussen moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de gezichtsvelden, bedoeld in de artikelen 136 tot en met 149, kan overzien.
Achterlichten van fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, ‘e’ of ‘E’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers, asbevestigingen, profielen en trekinrichting middenasaanhangwagen en aanhangwagen met een stijve dissel.
Artikel 137a
De rechterbuitenspiegel van een landbouw- of bosbouwtrekker of mobiele machine moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee:
Artikel 138
Artikel 139
Artikel 139
Artikel 140
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
Artikel 141
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
§ 2. Spiegels waarmee de bestuurder het wegdek naast het voertuig aan de linker- en rechterzijde kan overzien
§ 2. Spiegels waarmee de bestuurder het wegdek naast het voertuig aan de linker- en rechterzijde kan overzien
Artikel 142
In deze annex:
§ 3. Breedtespiegel
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
Artikel 144
Artikel 145
Artikel 146
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 1.2a
Vervallen
Afdeling 3. Aanwijzing van een technische dienst
§ 1. Eisen voor de aanwijzing
Artikel 1.5
Vervallen
Artikel 1.6
Vervallen
Artikel 1.7
Vervallen
Artikel 1.8
Vervallen
Artikel 1.9
Vervallen
Artikel 1.10
Vervallen
Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
Afdeling 1. Algemeen
Afdeling 1. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën M, N en O
§ 1. Typegoedkeuring
§ 2. Individuele goedkeuring
Afdeling 2. Nationale goedkeuringen personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h
Afdeling 3. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën L
Afdeling 5. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
Afdeling 5. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
§ 1. Aanvraag en toezicht EU-typegoedkeuring en VN/ECE-typegoedkeuring
§ 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring
Artikel 3.23a
Vervallen
Artikel 3.23b
Vervallen
Afdeling 8. Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers
Artikel 3.25a
Een typegoedkeuring voor het alcoholslot verliest haar geldigheid, indien:
- a. een wijziging in het alcoholslot of het productieproces van dat alcoholslot heeft plaatsgevonden, waardoor niet meer aan de voorwaarden voor een afgegeven typegoedkeuring wordt voldaan;
- b. een wijziging in het alcoholslot of in het productieproces van dat alcoholslot is aangebracht die in strijd is met de typegoedkeuring;
- c. de voorschriften worden gewijzigd en het alcoholslot of het productieproces niet meer voldoet aan de gewijzigde voorschriften.
Afdeling 8. Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers
Hoofdstuk 5. Permanente eisen
Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
Afdeling 11. Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad
Afdeling 8. Vervallen goedkeuringen en verlies geldigheid typegoedkeuring
Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
§ 0. Algemeen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 6. Ophanging
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 5. Assen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
§ 0. Algemeen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 5. Assen
§ 8. Reminrichting
§ 7. Stuurinrichting
Afdeling 3a. Bussen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 12. Diversen
§ 5. Assen
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 8. Reminrichting
§ 9. Carrosserie
Afdeling 4. Motorfietsen
§ 0. Algemeen
§ 12. Diversen
§ 12. Diversen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 0. Algemeen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 4. Krachtoverbrenging
Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
§ 7. Stuurinrichting
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 5. Assen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 6. Ophanging
Afdeling 6. Bromfietsen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 7. Stuurinrichting
§ 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
§ 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 4. Krachtoverbrenging
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 12. Diversen
§ 12. Diversen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 7. Stuurinrichting
§ 6. Ophanging
Afdeling 9. Fietsen
§ 7. Stuurinrichting
§ 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
§ 6. Ophanging
§ 9. Carrosserie
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 9. Carrosserie
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 0. Algemeen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 8. Reminrichting
§ 4. Krachtoverbrenging
Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
§ 5. Assen
§ 7. Stuurinrichting
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 5. Assen
§ 12. Diversen
§ 7. Stuurinrichting
Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 9. Carrosserie
§ 5. Assen
Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 8. Reminrichting
§ 12. Diversen
§ 12. Diversen
Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Brandstofsystemen en milieu
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 6. Ophanging
Afdeling 17. Wagens
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
D. Bromfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
§ 3. Brandstofsystemen en milieu
§ 5. Assen
A. Aanhangwagens
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
B. Motorfietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 9. Carrosserie
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
§ 2. Onderzoeksgerechtigden
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1. Algemeen
§ 9. Carrosserie
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
§ 2. Onderzoeksgerechtigden
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
§ 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
§ 2.2. Certificaten
§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
§ 3. Reminrichting
B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
§ 2. Onderzoeksgerechtigden
D. Bromfietsen, bijzondere bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
C. Samenstellen van motorfiets of bromfiets en motorfietsaanhangwagen en bromfietsaanhangwagen
§ 3.1. Algemeen
§ 6. Diversen
A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
§ 1. Algemeen
§ 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
§ 7.1. Algemeen
§ 7.1. Algemeen
Artikel 8.4.89a
Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van alcoholsloten voldoet aan de volgende eisen:
- a. Het kalibratiegas moet zodanig zijn samengesteld dat daarmee de kalibratiecontrole van een alcoholslot op juiste wijze kan worden uitgevoerd. Behalve ten aanzien van het alcoholgehalte is de fabrikant vrij in de keuze van de samenstelling, mits de samenstelling geen invloed heeft op de juiste werking van het alcoholslot;
- b. het kalibratiegas moet een nominale alcoholconcentratie hebben van de door de fabrikant van het alcoholslot gespecificeerde concentratie, plus of min 10%;
- c. het kalibratiegas moet telkens worden bereid met een alcoholconcentratie met een onzekerheid van niet meer dan 3%.
Bij de productie van het in het eerste lid bedoelde kalibratiegas:
- a. is de fabrikant vrij in de keuze van de methode van vervaardiging, mits het kalibratiegas voldoet aan de voorschriften van dit artikel;
- b. moet het kalibratiegas zodanig zijn vervaardigd dat het onder de volgende omgevingscondities voldoet aan de in het eerste lid gestelde eisen:
- 1°. omgevingstemperaturen van 10 °C tot en met 33 °C;
- 2°. luchtdrukken van 970 hPa tot en met 1050 hPa;
- 3°. relatieve luchtvochtigheid van 5% tot en met 95%;
- c. moet het kalibratiegas zodanig zijn vervaardigd dat het aan de voorschriften van deze bijlage kan voldoen gedurende ten minste 100 kalibraties of gedurende ten minste 200 dagen;
Artikel 8.4.89, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.
§ 10. Bromfietsrollentestbank
§ 7.2.2. De maximale fout
§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
§ 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
§ 7.2.3. Uitvoering
§ 2.2. Certificaten
§ 7.1. Algemeen
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
§ 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
§ 2. Onderzoeksgerechtigden
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 9. Uitlaatgastesters met lambdabepaling
§ 2. Aanvraag ontheffing
§ 8. Platenremtestbanken
§ 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, danwel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Indien het voertuigidentificatienummer niet is vast te stellen als bedoeld in hoofdstuk 1 van deze bijlage, wordt geen voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10 van deze bijlage.
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Indien er twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, het originele ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
4 Elke frontbeschermingsinrichting die met het voertuig wordt geleverd, moet aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 78/2009 voldoen; er wordt een typegoedkeuringsnummer aan toegekend, dat op die inrichting wordt aangebracht.
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
In deze bijlage wordt verstaan onder:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame.
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5
Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
Op de retroreflector moet:
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in verordening (EG) nr. 661/2009 tot 6 juli 2022 en met ingang van 6 juli 2022 aan het bepaalde in verordening (EU) 2019/2144 omtrent de retroreflector van Klasse I.
Indien de retroreflector wordt gevormd door een cirkelvormige voorziening die aan de spaken dan wel aan de daarvoor in de plaats tredende delen kan worden bevestigd, moet deze voorziening voldoen aan de in de artikelen 20 tot en met 24 gestelde eisen.
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
Op de retroreflector moet:
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van bromfietsen moeten voldoen aan het bepaalde in verordening (EU) 2019/2144 omtrent de retroreflector van Klasse I.
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
Artikel 4
Artikel 14
2,6 m/s2: remweg max. 23,7 m
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 93, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.
Deze paragraaf is van toepassing voor zover het voertuig is voorzien van een emissiegerelateerd diagnostisch boordsysteem, dit systeem is voorzien van een goed functionerende waarschuwingsinrichting en communicatie tussen het uitleesapparaat en het voertuig mogelijk is.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, moet hiervoor gerekend worden met de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Afdeling 2. Trottoirspiegel
Vervallen.
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
Vervallen.
Vervallen.
Artikel 136
De linkerbuitenspiegel van een landbouw- of bosbouwtrekker of mobiele machine moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee:
De rechterbuitenspiegel van een landbouw- of bosbouwtrekker of mobiele machine moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee:
Artikel 138
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto die na 30 september 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
Artikel 140
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
Artikel 142a
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst, indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen. Indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
Artikel 143
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Artikel 146
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
Artikel 147
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ staat voor ‘Nederland’);
Artikel 148
Artikel 149
Artikel 149
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
§ 6. Wijze van keuren
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst, indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen. Indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
Titel 3. Verlichting en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 151
Artikel 152
Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
Artikel 153
Artikel 1
Voor de toepassing van deze bijlage wordt, in afwijking van punt 3 van NEN-EN 50436-1, verstaan onder:
- ademmonster: monster dat bij hard uitblazen door de mond in de handset van het alcoholslot wordt genomen en door het alcoholslot wordt gemeten.
Voor de toepassing van deze bijlage wordt, in aanvulling op punt 3 van NEN-EN 50436-1, verstaan onder:
- datageheugen: registratie-eenheid als onderdeel van de vaste eenheid van het alcoholslot, waarin de in annex 3 aangegeven aspecten met datum en tijd worden vastgelegd;
- erkend installateur: de erkenninghouder, bedoeld in artikel 132k, eerste lid, van de wet;
- erkende medewerker: de medewerker, bedoeld in artikel 66r van de Regeling aanpassing voertuigen, die bevoegd is tot het uitvoeren van de in artikel 132k, eerste lid, van de wet bedoelde werkzaamheden;
- geldig ademmonster: ademmonster dat voldoet aan de in annex 1 vastgestelde eis voor volume en de in NEN-EN 50436-1 vastgestelde eisen voor luchtstroom en uitademtijd;
- handset: het al dan niet draadloze deel van het alcoholslot dat wordt gebruikt voor het afnemen en analyseren van het ademmonster;
- identificatiekenmerk: het unieke identificatienummer van het alcoholslot dat is samengesteld uit het typegoedkeuringsnummer en het serienummer van het alcoholslot;
- initieel ademmonster: het in het kader van het alcoholslotprogramma in de handset afgegeven geldige ademmonster met het oog op het kunnen starten van het motorrijtuig;
- fabrikant: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die verantwoordelijk is voor het ontwerp, de constructie en de productie van het alcoholslot;
- terugroeping voor onderhoud: een door het alcoholslot gegenereerde herinnering verband houdende met het verstrijken van de periode waarbinnen het alcoholslot uiterlijk moet worden gekalibreerd;
- uitleesapplicatie: de applicatie die wordt gebruikt voor het kalibreren, justeren en uitlezen van het alcoholslot, alsmede voor het overbrengen van instellingen naar en voor het vastleggen van gegevens en waarnemingen in het alcoholslot, respectievelijk het overbrengen van gegevens uit het alcoholslot naar het alcoholslotregister;
- vaste eenheid: het deel van het alcoholslot dat vast in het motorrijtuig wordt gemonteerd en zorg draagt voor het opslaan van gegevens en dat het starten van het motorrijtuig voorkomt indien er geen geldig ademmonster is afgegeven dat lager is dan de in annex 1 gestelde limiet;
- vroegtijdige terugroeping: een door het alcoholslot gegenereerde extra terugroeping in de periode voordat de in annex 1 vastgestelde uiterste termijn voor onderhoud is verstreken en niet verband houdende met het verstrijken van de periode waarbinnen het alcoholslot uiterlijk moet zijn gekalibreerd;
- vrije herstartperiode: periode gedurende welke geen ademmonster behoeft te worden afgegeven om het motorrijtuig te starten.
Annex 1. behorende bij de artikelen 5 tot en met 7
Artikel 2
Alcoholsloten als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet voldoen aan de eisen uit NEN-EN 50436-1, voor zover in deze bijlage niet expliciet die eisen worden aangevuld of van die eisen wordt afgeweken.
In aanvulling op NEN-EN 50436-1, voldoen alcoholsloten als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de wet, aan de in annex 1 vastgestelde aanvullende parameterinstellingen.
Annex 2. behorende bij artikel 15, eerste lid
Annex 3. behorende bij de artikelen 17 tot en met 19
Artikel 3
In aanvulling op punt 4.1 uit NEN-EN 50436-1, gelden de volgende eisen:
-
- In het alcoholslot moeten de in annex 1 vastgestelde parameterinstellingen kunnen worden ingesteld op waarden die zijn gelegen tussen de in die annex vastgestelde minimale en maximale waarden.
-
- De maximale waarde waaronder het startmechanisme wordt gedeblokkeerd, wordt ingesteld op 90 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.
-
- Het alcoholslot waarborgt dat het motorrijtuig waarin het is ingebouwd alleen kan worden gestart indien:
- a. een geldig initieel ademmonster met een alcoholgehalte lager dan de in annex 1 vastgestelde limiet wordt afgegeven én de motor van dat motorrijtuig binnen de in die annex vastgestelde startperiode wordt gestart;
- b. de motor van het desbetreffende motorrijtuig na het uitschakelen van de motor binnen de in annex 1 vastgestelde periode van vrije herstart wordt gestart of gebruik wordt gemaakt van de overeenkomstig artikel 4 bedoelde overbruggingsfunctie.
-
- In aanvulling op het derde lid, onderdeel a, wordt, indien er sprake is van een draadloze handset, uitsluitend een ademmonster gegeven als het contact van het motorrijtuig in de accessoire stand staat. Indien het contact is uitgeschakeld, is het afgeven van een ademmonster onmogelijk.
-
- Alle instelbare functies en parameters kunnen alleen worden ingesteld door de in artikel 66r van de Regeling aanpassing voertuigen bedoelde personen. Wijzigingen in de instellingen van de functies en de parameters worden in het datageheugen vastgelegd.
-
- Voor zover het alcoholslot over niet in annex 1 genoemde, instelbare functies of parameters beschikt, stelt de fabrikant de Dienst Wegverkeer daarvan in kennis, onder mededeling van de ingestelde waarden.
-
- Het alcoholslot is voorzien van een scherm waarop in het Nederlands aanwijzingen aan de gebruiker worden gegeven. Andere talen zijn toegestaan als extra dienstverlening.
-
- Als een initieel ademmonster niet geldig is, wordt dit op het in het zevende lid bedoelde scherm aangegeven, tezamen met de reden.
-
- Indien het initiële ademmonster niet geldig is, maakt het alcoholslot zonder extra wachttijd het afgeven van een nieuw initieel ademmonster mogelijk. Er wordt geen limiet worden gesteld aan het aantal initiële ademmonsters.
-
- Indien het initiële ademmonster wel geldig is, maar het gemeten ademalcoholgehalte hoger is dan de in annex 1 vastgestelde limiet, maakt het alcoholslot zonder extra wachttijd het afgeven van een nieuw initieel blaasmonster mogelijk, ongeacht de hoogte van het gemeten alcoholgehalte. Er wordt geen limiet gesteld aan het aantal initiële ademmonsters. Op het scherm wordt uitsluitend vermeld dat het gemeten ademalcoholgehalte te hoog is. De hoogte van het gemeten ademalcoholgehalte wordt niet vermeld.
-
- Het alcoholslot beschikt over de mogelijkheid om de periode aan te geven waarbinnen het alcoholslot uiterlijk moet zijn gekalibreerd en het motorrijtuig moet zijn teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in artikel 132k, eerste lid, van de wet, en om deze periode aan de gebruiker door middel van een mededeling op het scherm kenbaar te maken. Vanaf een in annex 1 vastgesteld aantal dagen voor het verstrijken van die periode wordt de gebruiker bij het starten van de motor goed waarneembaar geïnformeerd over het verstrijken van die datum. Het startmechanisme kan na een in genoemde annex vastgesteld aantal dagen na het verstrijken van die periode niet meer door de gebruiker van het motorrijtuig worden gedeblokkeerd. Vanaf het verstrijken van die periode wordt tevens goed waarneembaar aangegeven na hoeveel dagen het startmechanisme niet meer kan worden gedeblokkeerd.
-
- De handset en de vaste eenheid krijgen tijdens de productie een fabrikant-specifieke unieke identiteit. De identiteit van de handset en de vaste eenheid kunnen niet worden gewijzigd.
-
- Tijdens installatie wordt één handset logisch gekoppeld aan de vaste eenheid.
Annex 4. behorende bij artikel 50, eerste lid, en artikel 50a, eerste lid
Artikel 4
In afwijking van punt 4.2 uit NEN-EN 50436-1, is uitsluitend voorzien in een overbruggingsfunctie bestemd voor onderhoud aan het motorrijtuig of het alcoholslot, waarmee het startmechanisme gedurende een in annex 1 vastgestelde maximale periode kan worden gedeblokkeerd zonder dat een initieel ademmonster of een hertest behoeft te worden afgelegd.
Het gebruik van de overbruggingsfunctie, bedoeld in het eerste lid, is uitsluitend na invoer van een code mogelijk en wordt altijd geregistreerd in het datageheugen.
De overbrugging moet op eenvoudige wijze voortijdig kunnen worden beëindigd.
Annex 5. behorende bij artikel 50, vierde lid, en 50a, derde lid
Artikel 5
In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1, registreert het datageheugen ten minste de waarnemingen en gebeurtenissen vastgesteld in annex 2, met de daarbij behorende verplichte velden.
Ten aanzien van het alcoholslot en de uitleesapplicatie zijn passende technische en organisatorische maatregelen getroffen om persoonsgegevens te beveiligen tegen ongeautoriseerd kennisnemen, tegen verlies of tegen enige vorm van onrechtmatige verwerking en om te garanderen dat waarnemingen en gebeurtenissen als bedoeld in het eerste lid onweerlegbaar en integer worden geregistreerd in het alcoholslotregister, bedoeld in artikel 129a, van de wet.
Om aan het tweede lid te voldoen, wordt het alcoholslot alsmede de uitleesapplicatie beschermd door beveiligingsmaatregelen, zoals geformuleerd in het beschermingsprofiel Alcohol Interlock pp, v1.0.
Artikel 6
In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1, wordt iedere waarneming of gebeurtenis als bedoeld in artikel 5, eerste lid, vastgelegd in een aparte verslagregel.
Een verslagregel bevat ten minste de volgende velden:
- a. datum en tijd in Centraal Europese Tijd, rekening houdend met de zomertijd. Indien een verslagregel betreffende een meting van het ademalcoholgehalte niet onmiddellijk wordt opgeslagen in het datageheugen, bevat de verslagregel ook de datum en tijd van opslag in het datageheugen;
- b. volgnummer, dat oplopend moet zijn;
- c. berichttype;
- d. berichtnummer;
- e. één of meer meetwaarden of veldwaarden, en waar relevant zowel de oude als de nieuwe waarden.
De in het tweede lid, onderdelen a tot en met e, bedoelde verplichte velden per gegevens record mogen worden gevolgd door niet-gestandaardiseerde aanvullende velden.
Zowel verslagregels ontstaan in de handset, als de verslagregels ontstaan in de vaste eenheid, worden opgeslagen in het datageheugen.
Het datageheugen heeft een geheugenruimte die voldoende ruimte biedt voor het vastleggen van ten minstealle verslagregels die het alcoholslot bij normaal gebruik genereert in de maximale periode gedurende welke het alcoholslot niet behoeft te worden gekalibreerd, plus de duur van de waarschuwing na het verstrijken van dezer maximale periode, zoals deze zijn vastgesteld in annex 1.
Artikel 7
In aanvulling op punt 4.6 uit NEN-EN 50436-1, kunnen de verslagregels uit het datageheugen alleen worden uitgelezen door personen als bedoeld in artikel 66r van de Regeling aanpassing voertuigen, met een door de fabrikant van het alcoholslot te leveren en door de Dienst Wegverkeer goedgekeurde uitleesapplicatie.
De uitlezing, bedoeld in het eerste lid, vindt plaats met inachtneming van de in annex 3 opgenomen eisen.
Het datageheugen genereert een beveiligd uitvoerbestand dat onverwijld aan de Dienst Wegverkeer wordt aangeboden op de in artikel 66ss van de Regeling aanpassing voertuigen aangegeven wijze overeenkomstig de structuurdefinitie zoals die overeenkomstig artikel 66f, derde lid, van de Regeling aanpassing voertuigen is vastgesteld door de Dienst Wegverkeer.
Het datageheugen wordt pas geschoond nadat van de Dienst Wegverkeer een bevestiging is ontvangen dat het uitvoerbestand op correcte wijze is geregistreerd in het in artikel 129a van de wet bedoelde alcoholslotregister.
Deugdelijkheid en weggedrag
Artikel 8
In afwijking van punt 4.7 van NEN-EN 50436-1, gelden voor de hertest de volgende eisen:
- a. het alcoholslot geeft na het deblokkeren van het startmechanisme door goed waarneembare auditieve signalen aan wanneer een hertest dient te worden uitgevoerd;
- b. de eerste keer na het deblokkeren van het startmechanisme vindt de hertest plaats op een toevallig moment binnen een instelbaar tijdsinterval, na een instelbare wachtperiode;
- c. elke volgende keer vindt de hertest plaats op een toevallig moment binnen een instelbaar tijdsinterval;
- d. het alcoholslot maakt het mogelijk dat de hertest binnen de in annex 1 vastgestelde tijdsinterval kan worden afgelegd;
- e. de duur van het auditieve signaal wordt ingesteld op de in annex 1 vastgestelde waarde. Zolang binnen de in onderdelen b of c bedoelde periode geen geldig ademmonster is afgegeven, worden herinneringen afgegeven met tussenpozen van minimaal drie minuten en maximaal vijf minuten;
- f. het is mogelijk de hertest uit te voeren zonder dat de aandacht van de bestuurder voor het verkeer hoeft af te nemen;
- g. indien de bestuurder geen gehoor geeft aan de oproep om een hertest, of indien bij een hertest uit het afgegeven ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan de in annex 1 vastgelegde limiet, roept het alcoholslot de bestuurder op om het motorrijtuig zo snel mogelijk stop te zetten. Hiertoe geeft het alcoholslot goed waarneembare auditieve of visuele signalen af die aan blijven houden totdat de bestuurder de motor van zijn motorrijtuig heeft uitgezet.
Artikel 1
Artikel 9
In aanvulling op punt 4.8 van NEN-EN 50436-1, geeft het alcoholslot op het scherm aan dat het motorrijtuig waarin het alcoholslot is ingebouwd vervroegd moet worden teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in artikel 132k, eerste lid, van de wet, indien:
- a. minder dan 10% van de geheugencapaciteit voor de opslag van gegevens resteert;
- b. het alcoholslot bij zelfdiagnose constateert dat er onrechtmatigheden of technische mankementen zijn;
- c. het alcoholslot na de laatste uitlezing ten minste drie keer een spanningsonderbreking heeft geregistreerd.
In aanvulling op het eerste lid, geeft het alcoholslot op het scherm aan dat het motorrijtuig waarin het alcoholslot is ingebouwd vervroegd moet worden teruggebracht naar de erkenninghouder, bedoeld in artikel 132k, eerste lid, van de wet, indien:
- a. het motorrijtuig is gestart zonder dat vooraf een geldig ademmonster is afgegeven of nadat uit het ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan de in annex 1 vastgelegde limiet;
- b. de bestuurder niet heeft voldaan aan het verzoek een hertest af te leggen;
- c. een hertest is afgelegd, maar uit het bij de hertest afgegeven ademmonster blijkt dat het gemeten ademalcoholgehalte hoger was dan de in annex 1 vastgelegde limiet.
Hoofdstuk 2. Algemeen
Artikel 10
In aanvulling op punt 4.10 van NEN-EN 50436-1, is de toegang tot het datageheugen, tot de middelen waarmee de parameters worden ingesteld en tot de mogelijkheden voor afstelling zodanig ontworpen dat onbevoegde of onbedoelde wijziging wordt voorkomen.
In aanvulling op punt 4.10 van NEN-EN 50436-1, is het alcoholslot op een zodanige wijze ingesteld dat daardoor manipulatie bij het afgeven van het ademmonster wordt voorkomen.
Hoofdstuk 3. Wijziging in de bouw of inrichting van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een zelfdragende carrosserie waardoor de inrichtingsomschrijving of het type carrosserie niet meer overeenstemmen met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag
Artikel 11
In aanvulling op punt 5 van NEN-EN 50436-1, gelden de volgende eisen:
-
- De volgende gegevens van het alcoholslot zijn duidelijk leesbaar aangebracht op een constructieplaat op de vaste eenheid:
- a. fabrikant;
- b. merk;
- c. type;
- d. serienummer van het desbetreffende onderdeel;
- e. typegoedkeuringsnummer van het type alcoholslot, zoals dat overeenkomstig de in annex 3 opgenomen eisen is samengesteld.
-
- De in onderdeel 1, onder d en e, bedoelde gegevens, zijn in barcode leesbaar. De barcode is samengesteld met inachtneming van de in annex 3 opgenomen eisen.
-
- Het temperatuurbereik waarbinnen het alcoholslot kan worden gebruikt, is voor de gebruiker zichtbaar aangegeven, tenzij het bereik van de zichtbare onderdelen minimaal –45 °C tot en met +85 °C bedraagt.
Hoofdstuk 4. Wijziging in de bouw of inrichting waardoor de spoorbreedte van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of een bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg niet meer overeenstemt met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag
Artikel 12
In aanvulling op punt 6.1 van NEN-EN 50436-1, moet elk alcoholslot zijn voorzien van een instructie voor de installatie in de Nederlandse taal die ten minste de volgende informatie bevat:
- a. de naam of het handelsmerk van de fabrikant van het desbetreffende alcoholslot;
- b. het type van het alcoholslot;
- c. het Nederlandse typegoedkeuringsnummer.
In aanvulling op punt 6.1 van NEN-EN 50436-1, wordt aan de instructie voor installatie het volgende onderdeel toegevoegd:
Criteria voor plaatsing
Bij de opstelling van de montagehandleiding voor de handset wordt ten minste op de volgende punten ingegaan:
- a. de handset wordt geïnstalleerd op een manier die de goede werking en de veiligheid van het motorrijtuig niet in gevaar brengt;
- b. de plaatsing van de handset leidt in geval van een ongeval niet tot onnodig letsel;
- c. de handset wordt binnen handbereik van de chauffeur geplaatst;
- d. de handset is zodanig gemonteerd dat deze bij het op en neer bewegen van het motorrijtuig, of bij rijden over slechte wegen, of bij het maken van abrupte manoeuvres, niet kan losraken;
- e. de kabel van de handset is op zodanige wijze worden geleid dat hij niet kan interfereren met de veilige werking van het motorrijtuig;
- f. de montagematerialen zijn bestand tegende trillingen, schokken en temperaturen die in het motorrijtuig kunnen voorkomen;
- g. de montage van de handset belemmert geen andere voertuigfuncties;
- h. bij de plaatsing in het voertuig wordt rekening gehouden met de aanwezige airbags;
- i. indien in bij het installeren van de handset rekening moet worden gehouden met beperkingen ten aanzien van de installatie, wordt dit duidelijk en expliciet in de montagehandleiding vermeld;
- j. het alcoholslot onderbreekt na het installeren de spanning tussen contactslot of startknopen de startmotor;
- k. de installatieprocedure garandeert dat een alcoholslot alleen kan interveniëren in de auto wanneer deze wordt gestart. Een reeds draaiende motor wordt niet onderbroken;
- l. de plaats en wijze waarop na inbouw van het alcoholslot de verzegeling van dat alcoholslot moet worden aangebracht.
Titel 1. Vergroting van de wielbasis van een personenauto, bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg of bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg, met een volledig zelfdragende carrosserie en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag
Titel 2. Vergroting van de wielbasis van een motorfiets en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van weggedrag
Artikel 13
De punten 8.1.1 tot en met 8.1.4 van NEN-EN 50436-1, zijn van overeenkomstige toepassing op losse handsets indien een verbinding van dit apparaat met het stroomcircuit van het desbetreffende motorrijtuig is voorzien.
In aanvulling op het eerste lid, geldt voor losse handsets dat in delen van het alcoholslot met geïntegreerde batterijen de batterijen gedurende 60 seconden worden geplaatst met omgekeerde polariteit, tenzij een verkeerde polarisatie technisch niet mogelijk is.
Artikel 1
Artikel 14
In aanvulling op punt 8.3.1 van NEN-EN 50436-1, geldt voor losse handsets een omgevingstemperatuur van –20 °C tot +65 °C.
Artikel 2. Algemeen
Artikel 15
In aanvulling op punt 8.4.1 van NEN-EN 50436-1, worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:
-
- niet eerder dan één uur nadat de behuizing van de losse handset van het alcoholslot de omgevingstemperaturen van respectievelijk –5 °C, 0 °C en +65 °C heeft bereikt, wordt het alcoholslot onder deze respectievelijke omgevingsomstandigheden beproefd en voldoet het aan de eisen van de functionele beproeving type 1 uit punt 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen;
-
- niet eerder dan één uur nadat de behuizing van de losse handset van het alcoholslot omgevingstemperatuur van –20 °C heeft bereikt, wordt het alcoholslot onder deze omgevingsomstandigheden beproefd en voldoet het aan de eerste eis van de functionele beproeving type 1 uit punt 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen.
Artikel 16
In aanvulling op punt 8.4.2 van NEN-EN 50436-1, worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:
-
- niet eerder dan één uur nadat de behuizing van het alcoholslot de laagste omgevingstemperatuur heeft bereikt die door de fabrikant is gespecificeerd, zoals overeenkomstig punt 5 van NEN-EN 50436-1 aangegeven op het etiket van het alcoholslot, waarbij de omgevingstemperatuur echter niet hoger is dan –5 °C, met: wordt het alcoholslot onder deze omstandigheden beproefd en voldoet het aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5, bij gebruik van natte testgassen;
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12V: een voedingsspanning van 9V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24V: een voedingsspanning van 16V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 0,1V boven de spanning waarbij een lage accuspanning wordt aangegeven en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu’s volgens de accuspecificatie,
-
- niet eerder dan één uur nadat de behuizing van het alcoholslot een omgevingstemperatuur van 65 °C, heeft bereikt met wordt het alcoholslot onder deze omstandigheden beproefd en voldoet het aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5, bij gebruik van natte testgassen;
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12V: een voedingsspanning van 16V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24V: een voedingsspanning van 32V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 125% van de nominale accuspanning en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu’s volgens de accuspecificatie,
-
- bij een temperatuur van 5 °C onder de laagste omgevingstemperatuur die door de fabrikant is gespecificeerd zoals overeenkomstig punt 5 van NEN-EN 50436-1 aangegeven op het etiket van het alcoholslot, mag het slot niet gereed zijn voor het afnemen van een ademmonster.
Artikel 17
In afwijking van punt 8.4.4. van NEN-EN 50436-1, worden met losse handsets de volgende proeven uitgevoerd:
-
- bij een omgevingstemperatuur van 20 °C is het alcoholslot na inschakeling vanuit de stand van beperkt energieverbruik binnen één minuut gereed om een ademmonster af te nemen. In deze omgevingsomstandigheid voldoet het alcoholslot aan de eisen van functionele beproeving type 1 van punt 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen;
-
- niet eerder dan één uur nadat de behuizing van het alcoholslot nadat het alcoholslot in de stand van beperkt energieverbruik in een omgeving met een temperatuur van –5 °C is gebracht, met is het alcoholslot binnen 90 seconden na inschakeling gereed om een ademmonster af te nemen en voldoet het in deze omgevingsomstandigheden aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5 van NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen;
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12 V: een voedingsspanning van 9 V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24 V: een voedingsspanning van 16 V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 0,1 V boven de spanning waarbij een lage accuspanning wordt aangegeven en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu’s volgens de accuspecificatie,
-
- indien een alcoholslot is gespecificeerd voor een omgevingstemperatuur van –20 °C en niet eerder dan één uur nadat de behuizing van het alcoholslot in een omgeving met een temperatuur van –20 °C is gebracht, in de stand van beperkt energieverbruik, met : is het alcoholslot binnen drie minuten na inschakeling gereed om een ademmonster af te nemen en voldoet het in deze omgevingsomstandigheden aan de eisen van functionele beproeving type 2 van 7.5 NEN-EN 50436-1, bij gebruik van natte testgassen.
- a. voor een nominale bedrijfsspanning van 12 V: een voedingsspanning van 9 V;
- b. voor een nominale bedrijfsspanning van 24 V: een voedingsspanning van 16 V;
- c. voor geïntegreerde accu’s: een voedingsspanning van 0,1 V boven de spanning waarbij een lage accuspanning wordt aangegeven en een stroomsterkte die is beperkt tot de dienovereenkomstige meest ongunstige omstandigheden voor de accu volgens de accuspecificatie,
Artikel 5. Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig
Artikel 18
In aanvulling op punt 8.8. van NEN-EN 50436-1, gelden de volgende eisen:
-
- het alcoholslot deblokkeert het startmechanisme niet als:
- a. driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door een mondstuk met een verstopte luchtuitlaat;
- b. driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door een mondstuk respectievelijk rechtstreeks in het alcoholslot zonder dat daarbij gebruik is gemaakt van het mondstuk totdat de minimale gasstroom is bereikt, waarna in omgekeerde richting wordt gezogen;
- c. driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door via het mondstuk respectievelijk rechtstreeks in het alcoholslot zonder dat daarbij gebruik is gemaakt vanmondstuk, lucht wordt aangezogen;
- d. indien dit mogelijk is, driemaal een ademmonster in het alcoholslot wordt geblazen door via de ademuitgang van het mondstuk respectievelijk het alcoholslot zonder dat daarbij gebruik is gemaakt vanmondstuk, lucht wordt aangezogen.
Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig
Artikel 19
In afwijking van de laatste alinea van punt 8.13 van NEN-EN 50436-1, voldoet het alcoholslot gedurende de in annex 1 genoemde periode, of langer indien door de fabrikant een langere termijn is aangegeven als uiterste termijn waarbinnen het alcoholslot niet behoeft te worden gekalibreerd, vermeerderd met de in annex 1 vastgestelde duur van de waarschuwing nadat deze termijn is verstreken, onder normale omstandigheden aan de eisen van de functionele beproevingen type 1 en type 3 uit punt 7.5.
Artikel 20
In aanvulling op hoofdstuk 8 van NEN-EN 50436-1, wordt een eis toegevoegd, luidende:
Nadat een ademmonster is afgegeven, geeft het alcoholslot het dienovereenkomstige uitvoersignaal:
- a. voor een testgas met een alcoholgehalte van 0 microgram alcohol per liter lucht: uiterlijk na 10 seconden;
- b. voor een testgas met een alcoholgehalte van 0,250 microgram alcohol per liter lucht: uiterlijk na 15 seconden;
- c. voor een testgas met een alcoholgehalte van 0,350 microgram alcohol per liter lucht: uiterlijk na 20 seconden.
Artikel 1.0
Vervallen.
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
Afdeling 1. Eisen LPG
Artikel 1.1
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Vervallen
Vervallen.
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
De in de artikelen 26 tot en met 28 opgenomen voorschriften zijn van toepassing bij een onbelaste zitting en rugleuning. Hierbij wordt onder ‘voor de voorzijde van de rugleuning gemeten’ verstaan: gemeten in het mediaanlangsvlak van de zitplaats horizontaal en voor de voorzijde van de rugleuning.
Bijlage VI. , behorende bij artikel 3.13
Voorafgaand aan het verkrijgen van een goedkeuring voor toelating tot het verkeer op de weg, overlegt de aanvrager van de goedkeuring documentatie over de elektrische aandrijflijn aan de Dienst wegverkeer.
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
Op de retroreflector moet:
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
Een voorziening bedoeld om een persoon in een rolstoel het voertuig in en uit te rijden, moet aan de volgende eisen voldoen:
Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 17.
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Vervallen.
Bij de vaststelling van de maximale remkrachten moet het volgende in acht worden genomen:
Aan de hand van de in onderstaande tabel vermelde afgelegde remweg, wordt bepaald of aan de vereiste remvertraging wordt voldaan.
3,9 m/s2: remweg max. 15,5 m
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
2,4 m/s2: remweg max. 25,7 m
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Vervallen.
De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:
De stand van de lichtbundel van het mistvoorlicht wordt gecontroleerd met behulp van een koplamptestapparaat dat juist voor het voertuig moet zijn opgesteld en waarbij:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Vervallen.
Rode retroreflectoren moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 36 of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
De linker- en rechterbuitenspiegel moeten zo zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding het vereiste gezichtsveld heeft.
De linkerbuitenspiegel van een landbouw- of bosbouwtrekker of mobiele machine moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee:
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of een bedrijfsauto die na 30 september 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 46 of 47, waarbij de bestuurder:
Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid
Artikel 141
Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid
§ 4. Gezichtsveldverbeterende voorziening
Artikel 147
§ 6. Wijze van keuren
Artikel 150
Artikel 153
Annex 2. behorende bij artikel 15, eerste lid
Artikel 1.30
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Artikel 2
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
In aanvulling op de artikelen 2 en 3 moet het, aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende, en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde, voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, dan wordt door de Dienst Wegverkeer, op de wijze vermeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Indien een voertuig reeds voor 1 januari 2014 in Nederland is geregistreerd, wordt, in afwijking van de voorgaande artikelen, de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van eerste toelating welke blijkt uit het kentekenregister of het voor 1 januari 2014 afgegeven kentekenbewijs.
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
In aanvulling op de artikelen 2 en 3, moet het aan het voertuig door de voertuigfabrikant toegekende en door de Dienst Wegverkeer voor hetzelfde voertuig vastgestelde voertuigidentificatienummer op een vast voertuigdeel van het voertuig zijn ingeslagen. Indien het voertuig niet van een ingeslagen voertuigidentificatienummer is voorzien, wordt door de Dienst Wegverkeer op de wijze, bedoeld in artikel 11, een voertuigidentificatienummer ingeslagen.
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.9, derde lid
Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, vierde lid
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid
Vervallen
Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
Op de retroreflector moet:
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
Voorruiten van personenauto’s, bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg en driewielige motorrijtuigen mogen in de artikel 92 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 93 en 94.
De remvertraging wordt met een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld:
Vervallen.
4,2 m/s2: remweg max. 14,7 m
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Achterlichten van fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, ‘e’ of ‘E’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
§ 5. Vooruitkijkspiegel of camera-monitorsysteem
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23.a, vierde lid, van de Regeling voertuigen
Titel 3. Verlichting en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 152
Hoofdstuk 2. Algemeen
Hoofdstuk 5. Wijziging in de bouw of inrichting waardoor de wielbasis niet meer overeenstemt met het kentekenregister
Artikel 2. Algemeen
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
Artikel 4. Duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig
Artikel 4. Duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
§ 1. Aanvraag en toezicht EU-typegoedkeuring en VN/ECE-typegoedkeuring
Artikel 3.24a
De aanvraag van een individuele goedkeuring voor voertuigen wordt ingediend bij de Dienst Wegverkeer.
De aanvraag en behandeling van een individuele goedkeuring voor voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O geschiedt met inachtneming van de in richtlijn 2007/46/EG daaromtrent gegeven voorschriften en op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
De aanvraag en behandeling van een individuele goedkeuring voor voertuigen van de voertuigcategorieën L, T, C, R en S geschiedt op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
Afdeling 8. Vervallen goedkeuringen en verlies geldigheid typegoedkeuring
Afdeling 9. Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer
Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
Hoofdstuk 5. Permanente eisen
Afdeling 12. Uit de handel nemen of terugroepen
Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
Afdeling 2. Personenauto’s
Afdeling 1. Algemeen
§ 0. Algemeen
§ 0. Algemeen
§ 3. Motor en brandstofsystemen
Artikel 5.2.12a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische personenauto’s: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 0. Algemeen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 7. Stuurinrichting
§ 7. Stuurinrichting
§ 9. Carrosserie
§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
§ 2. Afmetingen en massa’s
Artikel 5.3.12a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische bedrijfsauto’s: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 6. Ophanging
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 3a. Bussen
§ 9. Carrosserie
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 12. Diversen
Artikel 5.3a.12a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische bussen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 12. Diversen
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
Afdeling 4. Motorfietsen
Artikel 5.4.12a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische motorfietsen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 12. Diversen
§ 5. Assen
Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
§ 6. Ophanging
Artikel 5.5.12a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische driewielige motorrijtuigen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
§ 12. Diversen
§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 6. Bromfietsen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.6.12a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische bromfietsen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 7. Stuurinrichting
§ 4. Krachtoverbrenging
Artikel 5.6.96
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aangewezen bromfietsen mogen niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Aangewezen bromfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende lichten. |
Artikel 5.6.97
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Aangewezen bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.6.93 en 5.6.94 is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.98
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Indien de aangewezen bromfiets is voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet zijn gescheurd, gebroken of vervormd of in ernstige mate door corrosie zijn aangetast. | Visuele controle. |
Artikel 5.6.99
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Aangewezen bromfietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. | Visuele en auditieve controle, waarbij de bel dan wel hoorn in werking wordt gesteld. |
| 2. | Aangewezen bromfietsen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die er toe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de bromfiets te voorkomen. | Leden 2 tot en met 4: visuele en auditieve controle. |
| 3. | Hybride elektrische of elektrische aangewezen bromfietsen mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem. | |
| 4. | Aangewezen bromfietsen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met het derde lid. |
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 6. Ophanging
§ 0. Algemeen
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 0. Algemeen
§ 7. Stuurinrichting
§ 9. Carrosserie
Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
§ 6. Ophanging
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 9. Carrosserie
§ 5. Assen
Afdeling 12. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
§ 5. Assen
Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
§ 9. Carrosserie
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 3. Brandstofsystemen en milieu
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 3. Brandstofsystemen
§ 5. Assen
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
§ 8. Reminrichting
§ 9. Carrosserie
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
§ 2. Afmetingen en massa’s
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
§ 7. Stuurinrichting
§ 8. Reminrichting
A. Aanhangwagens
C. Gehandicaptenvoertuigen
D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
§ 5. Assen
B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
Artikel 5.18.62
Op een afsleepas zijn de artikelen 5.12.3, 5.12.6, zesde lid, 5.12.18, 5.12.27, 5.12.31, eerste tot en met zevende lid, 5.12.66 en 5.12.68 van overeenkomstige toepassing.
Een afsleepas moet zijn voorzien van een constructieplaat waarop naast het type ten minste de technisch toegestane maximummassa is aangegeven.
Aan de achterzijde van het door de afsleepas gesleepte voertuig moet een lichtbalk zijn geplaatst die is aangesloten op de verlichting van het trekkende voertuig met ten minste twee rode achterlichten, twee rode remlichten, twee rode retroreflectoren en twee ambergele richtingaanwijzers.
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
§ 3. Reminrichting
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
C. Gehandicaptenvoertuigen
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 6. Ophanging
§ 8. Reminrichting
§ 0. Algemeen
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 8. Reminrichting
§ 1. Algemeen
§ 1. Keuringsinstellingen
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
§ 1.2.3. Optisch systeem
§ 3. Olietemperatuurmeters
§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
D. Bromfietsen, bijzondere bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 1. Keuringsinstellingen
C. Gehandicaptenvoertuigen
§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
Artikel 8.4.74a
Onverminderd het bepaalde in artikel 8.1.12, tweede lid, onderdeel a, wordt een verzegeling aangebracht tussen de platenremtestbank en zijn fundering.
§ 6.2. Technische eisen
Artikel 8.4.75a
Een geïntegreerde pedaalkrachtmeter voldoet aan de eisen in de artikelen 8.4.27 en 8.4.28 en is voorzien van een arreteerinrichting.
Artikel 8.4.75b
De maximale fout, in plus en in min, van de aangewezen statische remkracht bedraagt:
- a. bij een kracht die niet groter is dan 2500 N: 100 N;
- b. bij een kracht die groter is dan 2500 N: 4% van de werkelijke remkracht.
Bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor de beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fout, bedoeld in het eerste lid.
De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde, indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.
§ 7.2.2. De maximale fout
Artikel 8.4.75c
De resulterende meetwaarden worden door analoge of digitale aanwijzingen aangegeven.
Indien een registratie-inrichting aanwezig is, moet deze de resulterende meetwaarden vermelden.
De aanwijzingen moeten:
- a. zijn voorzien van een nulstelinrichting; en
- b. zodanig zijn uitgevoerd dat per as de bijbehorende paren meetgegevens gelijktijdig voor aflezing of verdere verwerking beschikbaar zijn.
Een analoge of digitale aanwijzing is zodanig dat:
- a. de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht tussen het linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid, niet meer bedraagt dan een vijfde deel van de maximale fout geldend voor het betreffende meetresultaat;
- b. de aflezing op eenvoudige wijze mogelijk is.
Artikel 8.4.75d
De platenremtestbank is op eenvoudige wijze te bedienen en werkt op veilige wijze.
Het oppervlak van de meetplaten is zodanig dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent.
De minimale lengte van de meetplaat bedraagt 1,35 m.
Artikel 8.4.75e
De resulterende meetwaarde is de maximale gemeten remkracht, met uitzondering van een eventuele piekwaarde aan het begin van de meetperiode en aan het eind van de meetperiode.
§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
Artikel 8.4.76
Typekeuringscertificaten die afgegeven zijn vóór 1 januari 2012, vervallen met ingang van 1 augustus 2012.
Platenremtestbanken die op basis van vóór 1 januari 2012 afgegeven typekeuringscertificaten in gebruik genomen zijn, moeten blijven voldoen aan de eisen zoals die van kracht waren op 31 december 2011.
§ 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
§ 9.3.2. Beveiligingen
§ 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
§ 2.2. Certificaten
§ 8.2.1. Controle-inrichting
§ 7.2.8. Registratie-inrichting
§ 1.2. Technische eisen
§ 1.2. Technische eisen
§ 1.2.2. Maximale fout
§ 1.2.3. Optisch systeem
§ 1.2.4. Temperatuuraspecten
§ 1.2.5. Monsternamesysteem
§ 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
§ 1.2.7. Aanwijsinrichting
§ 1.2.8. Registratie-inrichting
§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 2. Toerentellers
§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
§ 3. Olietemperatuurmeters
§ 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een nog niet tenaamgesteld kentekenbewijs zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel b, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Indien de vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat gebruik maakt van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld op basis van door de aanvrager verstrekte gegevens.
Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7
Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.9, derde lid
Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, vierde lid
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A tot en met E van annex 2 heeft ondergaan, mag:
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 1, ten minste nog aan in de tabel 2 gestelde eis voldoen.
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 60 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 25 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 1,00 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan) onder het wateroppervlak bevindt.
De beoordeling van roestschade vindt plaats:
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
Voorruiten van bedrijfsauto’s of bussen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg, mogen in de artikel 97 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 98 en 99.
Het verschil in remkrachten tussen de wielen op één as mag niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde), waarbij de wielen niet blokkeren.
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
Rode retroreflectoren, witte of gele retroreflectoren aan de wielen moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter of zijn voorzien van een goedkeuringsmerk zoals weergegeven in figuur 34.
De gezichtsveldverbeterende voorziening is:
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
Motorvoertuigen die geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
Annex 3. behorende bij de artikelen 17 tot en met 19
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
Annex 4. behorende bij artikel 50, eerste lid, en artikel 50a, eerste lid
1 De loadindexen hebben betrekking op enkelgemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt tweemaal de aslast in enkele montage.
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
Deugdelijkheid en weggedrag
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
Hoofdstuk 3. Wijziging in de bouw of inrichting van een personenauto, bedrijfsauto of bus met een zelfdragende carrosserie waardoor de inrichtingsomschrijving of het type carrosserie niet meer overeenstemmen met het kentekenregister en waarbij de constructie moet voldoen aan de eisen van deugdelijkheid en weggedrag
Hoofdstuk 0. Algemeen
Hoofdstuk 1. Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas
Hoofdstuk 1. Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig in een al dan niet tot vloeistof verdicht gas
Afdeling 2. Eisen CNG
Artikel 1.30
§ 2.2. Inbouwvoorschriften
Artikel 1.33
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van het volgende goedkeuringsmerk.
Artikel 1.52
Artikel 1.53
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Bij het gebruik van de bromfietsrollentestbank om de maximumconstructiesnelheid te meten:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig vermeerderd met 100 kg en voor een aanhangwagen de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig.
Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg plaatsvindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen wordt gesimuleerd:
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Met betrekking tot opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, is artikel 153 van overeenkomstige toepassing.
De rechterbuitenspiegel van een bus, en van een bedrijfsauto, met een technisch toegestane maximummassa van meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 50 of 51, waarbij de bestuurder:
De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 57, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien, zoals weergegeven in figuur 58, waarbij de bestuurder zicht heeft op:
Achterlichten van fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, ‘e’ of ‘E’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
Vervallen.
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers, asbevestigingen, profielen en trekinrichting middenasaanhangwagen en aanhangwagen met een stijve dissel.
1 De loadindexen hebben betrekking op enkelgemonteerde banden. De aslast in dubbele montage bedraagt tweemaal de aslast in enkele montage.
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
Een voertuig dat in de bouw of inrichting is gewijzigd als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
Artikel 3. Duurbeproeving in langsrichting van het voertuig
Artikel 5. Duurbeproeving in verticale richting van het voertuig
§ 2.1. Eisen toelating CNG-onderdelen
Artikel 1.31
§ 2.2.1. Algemeen
Artikel 1.41
Artikel 1.34
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
Artikel 1.36
Artikel 1.37
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 5.12.31a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, mogen zijn voorzien van een reminrichting. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De reminrichting, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen aan de eisen, bedoeld in artikel 5.12.31. | – |
Artikel 5.12.39a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Opleggers, aanhangwagens met een stijve dissel en middenasaanhangwagens waarvan de statische verticale belasting die naar de grond wordt overgebracht door de as of assen ten hoogste 750 kg bedraagt, mogen zijn voorzien van een vastzetinrichting. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 2. | De vastzetinrichting, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen aan de eisen, bedoeld in artikel 5.12.39, eerste lid. | Visuele controle, terwijl de aanhangwagen zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij de vastzetinrichting wordt bediend. |
§ 8. Reminrichting
Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
§ 6. Ophanging
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 4. Krachtoverbrenging
Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
§ 9. Carrosserie
Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 0. Algemeen
Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
E. Fietsen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
C. Gehandicaptenvoertuigen
B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
§ 6. Diversen
§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
E. Wagens
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 9. Carrosserie
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1. Afmetingen, massa’s en lasten
§ 8. Reminrichting
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 2. Onderzoeksgerechtigden
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
E. Fietsen en fietsaanhangwagens
§ 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
§ 2. Toerentellers
§ 9. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling
§ 2.1. Keuringen en van toepassing zijnde eisen
§ 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
§ 1.1. Algemeen
§ 1.1. Algemeen
§ 1.2.1. Controle-inrichtingen
§ 1.2.6. Functiestanden
§ 11. Geluidsniveaumeter
§ 1.2.8. Registratie-inrichting
§ 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
§ 10. Bromfietsrollentestbank
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 3. Olietemperatuurmeters
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een kentekenbewijs met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 8.
Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, vierde lid
Indien de retroreflector gevormd wordt door een fietsband, een band van een fietsaanhangwagen, een band van een zijspanwagen aan een fiets dan wel een velg waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, moet worden voldaan aan VN/ECE-reglement 88.
Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.9, derde lid
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
Vanuit elke zitplaats moeten twee uitgangen bereikbaar zijn.
Controle op de juistheid van de gegevens, bedoeld in artikel 2, vindt plaats op een van de volgende wijzen:
Voor het bepalen van de remvertraging van de parkeerrem moet de bij de remproef behaalde remkrachten aan de wielen worden gedeeld door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. Indien de massa in rijklare toestand niet in het kentekenregister is vermeld, geldt voor een personenauto of bedrijfsauto de in het kentekenregister vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
De rechterbuitenspiegel van een personenauto of bedrijfsauto die vóór 1 oktober 1988 in gebruik is genomen met een technisch toegestane maximummassa van niet meer dan 2.000 kg, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee een gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 48 of 49, waarbij de bestuurder:
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
Motorvoertuigen die geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
Artikel 1
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23.a, vierde lid, van de Regeling voertuigen
Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig
§ 2.2.4. Overdrukbeveiliging ten behoeve van de tank
Artikel 1.34
Artikel 1.35
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
Artikel 1.38
Artikel 1.39
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De referentieremkracht is de remkracht van een as ontwikkeld aan de omtrek van de band op een rollenremtestbank, in relatie tot de remcilinderdruk en bekend gemaakt ten tijde van de goedkeuring. De referentieremkrachten worden voor voertuigen met luchtdrukremmen door de voertuigfabrikant zodanig aangegeven dat het voertuig geschikt is om een remvertraging te behalen gelijk aan 5,0 m/s2 in het geval van motorvoertuigen en aanhangwagens en 4,5 m/s2 in het geval van opleggers, indien, ongeacht de beladingstoestand, de gemeten remkrachten op de rollenremtestbank bij een gegeven remcilinderdruk groter of gelijk zijn aan de referentieremkrachten.
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Motorvoertuigen die geen volledig dragend chassis hebben; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat.
Motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; langs- en dwarsliggers, asbevestigingen, profielen en trekinrichting middenasaanhangwagen en aanhangwagen met een stijve dissel.
Vervallen.
Annex 1. behorende bij artikel 4
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23.a, vierde lid, van de Regeling voertuigen
Artikel 1.32
Artikel 1.35
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.
Artikel 1.39
Artikel 1.40
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 5.6.57a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| Bromfietsen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de bromfiets herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | Visuele controle. |
§ 8. Reminrichting
§ 8. Reminrichting
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 0. Algemeen
Artikel 5.7.12a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische motorrijtuigen met beperkte snelheid: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset, en f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
§ 6. Ophanging
Artikel 5.7.57a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Motorrijtuigen met beperkte snelheid in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
§ 8. Reminrichting
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
Artikel 5.8.12a
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische landbouw- of bosbouwtrekkers: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; en f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
§ 8. Reminrichting
§ 12. Diversen
Artikel 5.8.57a
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Afdeling 9. Fietsen
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.9.57a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| Fietsen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de fiets herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | Visuele controle. |
Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen die zijn uitgerust met een verbrandingsmotor en die niet zijn voorzien van een gesloten carrosserie.
Artikel 5.10.12a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische gehandicaptenvoertuigen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset, en f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
§ 0. Algemeen
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen, uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Artikel 5.11.12a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische gehandicaptenvoertuigen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset, en f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
§ 9. Carrosserie
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 9. Fietsen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 8. Reminrichting
Afdeling 13. Aanhangwagens met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg achter personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en driewielige motorrijtuigen
§ 3. Brandstofsystemen
§ 8. Reminrichting
§ 9. Carrosserie
§ 7. Stuurinrichting
§ 9. Carrosserie
Afdeling 14. Aanhangwagens en verwisselbare getrokken machines achter landbouw- of bosbouwtrekkers en achter motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 5. Assen
Artikel 5.14.57a
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
Artikel 5.15.57a
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, die de daar genoemde signalen mogen voeren, mogen zijn voorzien van retroreflecterende striping, letters, cijfers of tekens die de aanhangwagen herkenbaar maken als zijnde in gebruik bij die diensten. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. |
§ 5. Assen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
D. Aanhangwagens achter fietsen op twee wielen
§ 5. Verbinding tussen voertuigen
A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
C. Gehandicaptenvoertuigen
§ 9. Carrosserie
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 17. Wagens
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
§ 2. Afmetingen en massa’s
B. Samenstellen van personenauto, bedrijfsauto, bus of driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
§ 1. Afmetingen, massa’s en lasten
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 6. Diversen
§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
§ 3. Olietemperatuurmeters
§ 1. Roetmeters
§ 3. Reminrichting
B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
§ 2. Toerentellers
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
§ 7.2.1. Controle-inrichting
§ 7.1. Algemeen
§ 1.2.2. Maximale fout
§ 1.2.1. Controle-inrichtingen
§ 1.2.4. Temperatuuraspecten
§ 1.2.6. Functiestanden
§ 1.1. Algemeen
§ 1.2.10. Meetprogramma
§ 1.2.1. Controle-inrichtingen
§ 1.2.3. Optisch systeem
§ 9.2. Metrologische eisen gesteld aan deeltjestellers
§ 1. Roetmeters
§ 1. Ontheffingen
§ 2. Aanvraag ontheffing
§ 3. Beschikking inzake ontheffing
§ 4. Manometers
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Bijlage IV. , behorende bij artikel 3.7 en kleine serie typegoedkeuring voor de categorieën M, N en O behorende bij artikel 3.2, derde lid
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, vierde lid
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid
Vervallen
Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5
De retroreflector wordt gedurende 12 opeenvolgende uren opgesteld in een ruimte met een temperatuur van 65 °C (waarbij een afwijking van 2 °C is toegestaan).
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Achterlichten van fietsaanhangwagens moeten zijn voorzien van een goedkeuringsmerk dat is samengesteld uit de aanduiding ‘NL’, ‘e’ of ‘E’, omlijnd door een cirkel, en een volgnummer voorafgegaan door een letter.
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ staat voor ‘Nederland’);
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ staat voor ‘Nederland’);
Een voertuig dat in de bouw of inrichting is gewijzigd als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, van deze regeling, moet voldoen aan de in deze bijlage opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
In deze annex:
Een duurbeproeving in langsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij de volgende krachten worden uitgeoefend:
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23.a, vierde lid, van de Regeling voertuigen
Afdeling 2. Eisen CNG
Artikel 1.33
Artikel 1.54
Artikel 1.42
§ 2.2.3. Tankbanden
Artikel 1.62
Artikel 1.42
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
1 Voor deelnemers met onvoldoende longinhoud die daarvoor een medisch attest kunnen laten zien, is een ademvolume van 0,8 liter toegestaan.
Artikel 1.44
Artikel 1.45
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame wordt bepaald door het frame.
Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, vierde lid
Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid
Vervallen
Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26 en 3.27
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste aan de in tabel 5 gestelde eisen voldoen.
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen A en E van annex 2 heeft ondergaan, mag de lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten bij een waarnemingshoek α van 0°20’ en een invalshoek ß2 van 5°, niet minder zijn dan 60% van de minimumwaarde vermeld in artikel 13.
Artikel 106a
Bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2016 met een toegestane maximummassa van meer dan 7.500 kg en aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 2016 waarbij de som van de aslasten meer bedraagt dan 3.500 kg, moeten zijn voorzien van een deugdelijke opspatafscherming die de verstuiving van water door de banden beperkt.
Het eerste lid is niet van toepassing op bedrijfsauto’s die een aantekening in het kentekenregister ‘G’ hebben.
Artikel 106b
De opspatafscherming moet:
- a. zijn aangebracht achter de wielen van de vooras of voorassen en achter de wielen van de achterste achteras;
- b. reiken tot maximaal 30 cm boven het wegdek;
- c. minimaal de gehele breedte van het loopvlak van de band bedekken, en
- d. deugdelijk zijn bevestigd.
Artikel 106c
Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de opspatafscherming dienen.
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Banden waarvan de zijkanten zijn voorzien van retroreflecterend materiaal, zijn voorzien van één van de goedkeuringsmerken zoals weergegeven in figuur 35.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
In deze annex:
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
Artikel 1.29
Bijlage XII. , behorende bij artikel 3.9, vijfde lid
§ 2.1. Eisen toelating CNG-onderdelen
Artikel 1.41
Artikel 1.46
Artikel 1.48
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
§ 2.2.3. Tankbanden
Artikel 1.50
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, derde lid
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
De koppeling van voertuigen met de voertuigclassificatie O1 tot en met O4 moet zijn voorzien van een van de volgende goedkeuringsmerken:
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Bijlage IX. , behorende bij hoofdstuk 6, artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 1, tweede lid, en artikel 2, tweede lid
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. In ieder geval is sprake van een gasontladingslichtbron, indien:
De linkerbuitenspiegel van het motorvoertuig, met uitzondering van een motorfiets, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 44 of 45, waarbij de bestuurder:
De in deze titel gestelde eisen worden alleen getoetst, indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen. Indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
00: goedkeuring volgens de originele niet-geamendeerde versie van het reglement;
2439: nummer en aantal posities kan variëren; dit is het goedkeuringsnummer specifiek voor het merk en type van het onderdeel.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Indien twijfel bestaat over de juistheid van het voertuigidentificatienummer, onder meer omdat het van fabriekswege ingeslagen voertuigidentificatienummer ontbreekt, teniet is gegaan of geheel of ten dele onleesbaar is geworden, kan de Dienst Wegverkeer een nader onderzoek instellen.
Bijlage II. , behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Indien vaststelling van het voertuigidentificatienummer geschiedt in het kader van de aanvraag van een inschrijving, dan wel inschrijving en tenaamstelling, met gebruikmaking van de bevoegdheid bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, voor een individuele goedkeuring, dan wel voor een ander onderzoek, wordt het voertuigidentificatienummer vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van motor en chassis, wordt bepaald door het chassis.
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
Bijlage IV. , behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4 en 3.7, eerste lid
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
Bijlage VII. , behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving zonder afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig door een bedrijf dat beschikt over de bevoegdheid, bedoeld in artikel 46, tweede lid, onderdeel a, van het Kentekenreglement, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het op basis van bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer waarbij de datum van eerste toelating wordt gesteld op de datum van eerste tenaamstelling.
Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Vervallen
Bijlage IX. , behorende bij artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
2 Bij snelheidssymbolen hoger dan ‘P’, mag voor de waarde van de variatie in aslast de waarde worden gehanteerd die onder ‘P’ is aangegeven.
Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ staat voor ‘Nederland’);
110R: vast gegeven (aanduiding goedkeuring volgens VN/ECE-reglement 110);
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 5.4.59b
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het mistvoorlicht of de mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
| 2. | Het extra dimlicht moet goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
§ 8. Reminrichting
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 11. Verbinding tussen motorfiets en aanhangwagen
§ 6. Ophanging
Afdeling 6. Bromfietsen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 8. Reminrichting
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 3. Motor en brandstofsystemen
Artikel 5.7.59b
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
| 2. | De extra dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
Artikel 5.7.61
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De richtingaanwijzers, stadslichten, parkeerlichten en achterlichten, bedoeld in de artikelen 5.7.51 en 5.7.57, en de rode retroreflectoren aan de achterzijde, bedoeld in artikel 5.7.51, zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Indien het voertuig breder is dan 2,55 m en de montage in het desbetreffende gebied op het voertuig door opspattend zand en vuil van de banden onverenigbaar is, mogen in afwijking van het eerste lid de richtingaanwijzers, achterlichten en rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig op een afstand van meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig zijn aangebracht, doch niet meer dan noodzakelijk, mits de markering van de breedte aan de achterzijde van het voertuig voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen. |
§ 7. Stuurinrichting
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
Artikel 5.8.11a
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Onderdelen van landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2017, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen met uitzondering van water geen overmatige vloeistoflekkage vertonen. | Visuele controle. |
Artikel 5.8.15
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h, moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. | Visuele controle. De werking en afleesbaarheid worden niet getoetst tijdens de algemene periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Indien een landbouw- of bosbouwtrekker moet zijn voorzien van een controleapparaat: a. moet de landbouw- of bosbouwtrekker zijn voorzien van een installatieplaatje en mag de op dat installatieplaatje vermelde geldigheidsduur niet zijn verstreken, met dien verstande dat de geldigheidsduur maximaal twee jaar vanaf de installatiedatum bedraagt; b. moet het installatieplaatje, bedoeld in onderdeel a, zijn voorzien van een verzegeling dan wel zodanig zijn aangebracht dat dit bij verwijdering onherstelbaar wordt beschadigd; c. mag de omtrek van de op de aangedreven wielen gemonteerde banden niet meer dan 4% afwijken van de waarde die op het installatieplaatje is vermeld; en d. moeten het controleapparaat en de voor het functioneren noodzakelijke aansluitingen met behulp van een verzegeling zijn beschermd tegen een niet-toegestane wijziging in de instellingen of onderbreking van de stroomvoorziening. | – Onderdeel a: de aanwezigheid van en de geldigheidsduur op het installatieplaatje van het controleapparaat wordt visueel gecontroleerd. – Onderdeel b: visuele controle van de verzegeling van het installatieplaatje van het controleapparaat. – Onderdeel c: bij twijfel meting van de bandenomtrek. – Onderdeel d: visuele controle van alle zichtbare aansluitingen en verbindingen van het controleapparaat. – De wijze van gebruik van het voertuig en de onderdelen a tot en met d worden niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport, indien er geen installatieplaatje in of op het voertuig aanwezig is. |
§ 3. Motor en brandstofsystemen
Artikel 5.8.32
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
| 2. | Indien aanwezig moet de vulopening van het remsysteem of van het reservoir zijn afgesloten met een passende dop. | Visuele controle. |
Artikel 5.8.33
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Landbouw- of bosbouwtrekkers met een drukluchtremsysteem die in gebruik zijn genomen na 31 december 2020, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de energievoorraad in een van de bedrijfskringen onder de vereiste minimumdruk is gedaald. | Visuele of auditieve controle, door om de beurt de bedrijfsremkringen leeg te laten lopen en weer te vullen. |
Artikel 5.8.34
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Landbouw- of bosbouwtrekkers met een veerrem die in gebruik zijn genomen na 31 december 2020, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de veerrem in werking is gesteld. | Visuele of auditieve controle, terwijl de veerrem in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.8.36
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De slag van drukluchtremcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. | Visuele controle, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
| 2. | De slag van drukluchtremcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan twee derde deel van de maximumslag van de betrokken remcilinder. | Visuele controle, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.8.37
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers met een: a. tweeleidingremsysteem ten behoeve van aanhangwagens, moeten aan de aansluitkop van de voorraadleiding een druk bezitten met een grenswaarde van 6,0 tot 8,5 bar en aan de aansluitkop van de commandoleiding, bij een maximale voorraaddruk, een druk met een grenswaarde van 6,0 tot 8,5 bar; b. éénleiding hydraulisch remsysteem ten behoeve van aanhangwagens, moet aan de aansluitkop een druk bezitten met een grenswaarde van 100 tot 160 bar; c. tweeleiding hydraulisch remsysteem ten behoeve van aanhangwagens, moeten aan de aansluitkop van de supplementaire leiding een druk bezitten met een grenswaarde van 15 tot 35 bar en aan de aansluitkop van de bedieningsleiding een druk met een grenswaarde van 115 tot 150 bar. | Visuele controle met behulp van een manometer, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
| 2. | Bij landbouw- of bosbouwtrekkers in gebruik genomen na 31 december 2020, moeten de voorraad- en commandoleiding zijn voorzien van goed werkende automatische afsluiters. | Visuele controle. |
Artikel 5.8.59b
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
| 2. | De extra dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
Artikel 5.8.61
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De richtingaanwijzers, stadslichten, parkeerlichten en achterlichten, bedoeld in de artikelen 5.8.51 en 5.8.57, en de rode retroreflectoren aan de achterzijde, bedoeld in artikel 5.8.51, moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.8.67
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een koppelingskogel met een nominale diameter van: a. 50 mm, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen; b. 80 mm, moet de diameter van de kogel ten minste 78,5 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
Artikel 5.8.68
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een vangmuilkoppeling met een nominale pendiameter van: a. 25 mm, moet de pendiameter ten minste 23,0 mm bedragen; b. 32 mm, moet de pendiameter ten minste 30,0 mm bedragen; c. 36 mm, moet de pendiameter ten minste 34,0 mm bedragen; d. 38 mm, moet de pendiameter ten minste 36,0 mm bedragen; e. 40 mm, moet de pendiameter ten minste 36,5 mm bedragen; f. 50 mm, moet de pendiameter ten minste 46,0 mm bedragen; g. 57,5 mm, moet de pendiameter ten minste 55,0 mm bedragen. | Het contactgedeelte van de pen met het trekoog, wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | De koppelingen, bedoeld in het eerste lid, moeten voldoen aan de volgende eisen: a. de opwaartse speling van de pen mag niet meer dan 5 mm bedragen; b. de radiale speling in de onderste bus mag niet meer dan 2 mm bedragen; c. de onderste lagerbus mag niet loszitten en de bevestiging ervan mag niet zijn uitgeslagen; d. de sluit- en borginrichting moet goed werken; e. de radiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk mag niet meer dan 2 mm bedragen; f. axiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk is niet toegestaan; g. de bevestigingsmoer van de trekstang moet deugdelijk vastzitten en moet goed geborgd zijn; en h. het gedeelte van de vangmuil dat als geleiding voor het trekoog tijdens het aankoppelen is bedoeld, mag tekenen van vervorming, scheuren of uitgebroken delen vertonen, mits daardoor de sterkte of het functioneren van de koppeling, met inbegrip van de sluit- en borginrichting, niet wordt aangetast. Herstel daarvan door middel van lassen is toegestaan. | – Onderdeel a: de pen wordt omhoog bewogen met behulp van bijvoorbeeld een schroevendraaier, waarbij de koppeling gesloten moet zijn en de handborg of controlestift, voor zover mogelijk, buiten werking moet zijn gesteld, teneinde de speling in het sluitingsmechanisme en de bovenste lagerbus van de pen bij de beoordeling te betrekken. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. – Onderdeel b: in geval van twijfel wordt meten, bijvoorbeeld met een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. – Onderdeel c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de koppeling wordt geopend en gesloten. – Onderdeel e: de trekstang wordt op- en neerwaarts en van links naar rechts bewogen. In geval van twijfel wordt gemeten, bijvoorbeeld met een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. – Onderdeel f: de trekstang wordt axiaal bewogen. – Onderdeel g: visuele controle. Een eventuele stofkap wordt verwijderd. – Onderdeel h: visuele controle. |
Artikel 5.8.69
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een schotelkoppeling van 2 of 3,5 inch, mag: a. de onvlakheid van de schotel niet meer dan 3,5 mm bedragen, en b. de onvlakheid van de schotel, in afwijking van onderdeel a, voor wat betreft de uiterste linker- en rechterzijde over een breedte van 50 mm, gemeten vanaf de buitenzijde van de schotel, niet meer dan 5 mm bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen over het hart van de schotel gemeten. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op kunststofdelen op de schotelkoppeling die bedoeld zijn als slijtvlak. | – |
| 3. | Een schotelkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 4. | De speling in de sluitinrichting van een schotelkoppeling van 2 inch mag, uitgaande van een niet gesleten 2 inch pen, in de lengterichting van het voertuig niet meer dan 2 mm bedragen. | In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. Controle geschiedt met behulp van: a. een standaard pen van 2 inch die voldoet aan de nieuwmaat toleranties en voorzien is van een vlakke plaat, waarbij het uitstekende deel van de pen een hoogte heeft van ten minste 82,5 mm en ten hoogste 82,7 mm, dan wel b. een oplegger met een pen van 2 inch, daarbij rekening houdend met een eventuele gemeten slijtage van de pen. |
| 5. | De sluit- en borginrichting moet goed werken. | Visuele controle, terwijl de sluit- en borginrichting wordt geopend en gesloten. |
Artikel 5.8.70
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Indien de landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een penkoppeling met een nominale diameter van: a. 30 mm, moet de pendiameter ten minste 28,0 mm bedragen; b. 30,6 mm, moet de pendiameter ten minste 28,6 mm bedragen; c. 44,5 mm, moet de diameter van de pen ten minste 41,0 mm bedragen. | Het contactgedeelte van de pen met het trekoog wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
Afdeling 9. Fietsen
§ 9. Carrosserie
Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 12. Diversen
Artikel 5.10.59b
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
§ 8. Reminrichting
§ 8. Reminrichting
Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
§ 12. Diversen
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
Artikel 5.14.1
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De geregistreerde landbouw- of bosbouwaanhangwagen of het geregistreerde verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De geregistreerde landbouw- of bosbouwaanhangwagen of het geregistreerde verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk moet zijn voorzien van de juiste kentekenplaat. | |
| 3. | De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moet deugdelijk aan de achterzijde van het voertuig zijn bevestigd. | |
| 4. | Het kenteken moet goed leesbaar zijn en de kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van het voertuig staat. |
| 5. | Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of een soortgelijke dragende structuur zijn ingeslagen en moet goed leesbaar zijn. | Leden 5 en 6: Visuele controle. |
| 6. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die in gebruik zijn genomen na 31 december 2017, moeten zijn voorzien van één of meerdere constructieplaten die goed leesbaar zijn en waarvan in het geval van een geregistreerd voertuig de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de technisch toegestane maximummassa’s die op de constructieplaten zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa’s die in het kentekenregister zijn opgenomen. | |
| 7. | Het eerste tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing op landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die niet zijn opgenomen in het kentekenregister, in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 2021 en een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h hebben. | – |
| 8. | Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een technische toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg. | – |
| 9. | Het eerste tot en met het vierde lid zijn tot 1 januari 2025 niet van toepassing op landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken waarop ingevolge artikel III van de Wet van 20 mei 2020 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de implementatie van richtlijn 2014/45/EU alsmede ter invoering van een registratie- en kentekenplicht voor landbouw- en bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid, mobiele machines en aanhangwagens die uitsluitend bestemd zijn om daardoor te worden voortbewogen en het niet meer toelaten tot het verkeer van nieuwe motorrijtuigen met beperkte snelheid (Stb. 2020, 167) geen kenteken behoorlijk zichtbaar aanwezig hoeft te zijn. | – |
§ 5. Assen
§ 5. Assen
Artikel 5.14.35
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken voorzien van een drukluchtremsysteem, moeten zijn voorzien van: a. drukmeetpunten waarmee de drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcilinders op iedere as, kunnen worden gemeten, en b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten. | Visuele controle. |
| 2. | Drukluchtremkrachtregelaars moeten goed werken. | Visuele controle met behulp van manometers, waarbij de rem in werking wordt gesteld. Indien mogelijk, wordt de controle ook uitgevoerd wanneer de drukluchtremkrachtregelaar de volle druk doorstuurt. |
| 3. | De ontwateringsventielen van reservoirs moeten goed werken. | Visuele controle, waarbij het ontwateringsventiel, indien mogelijk, moet worden bediend. |
Artikel 5.14.36
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De slag van drukluchtremcilinders of hydraulische remcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. | Visuele controle, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
| 2. | De slag van drukluchtremcilinders of hydraulische remcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan twee derde deel van de maximumslag van de betrokken remcilinder. | Visuele controle, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.14.38
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg: a. ten minste 2,4 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid niet meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen vóór 1 januari 2018; b. ten minste 3,1 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen vóór 1 januari 2018; c. ten minste 3,0 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid niet meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017; d. ten minste 4,5 m/s2 bedraagt, indien de maximumconstructiesnelheid meer is dan 30 km/h en het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2017. Bij controle van de remvertraging van aanhangwagens is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 7, afdeling 2 van overeenkomstige toepassing. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
| 2. | De bedrijfsrem van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h moet op ten minste twee wielen van iedere as werken. | Visuele controle. Terwijl de wielen zich vrij van de grond of van de hefinrichting bevinden, wordt de bedrijfsrem bediend en wordt gecontroleerd of elk wiel wordt geremd. Bij gebruik van een remtestinrichting voor de controle van de remwerking, wordt gelijktijdig hierop gecontroleerd. |
| 3. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken mogen op een droge of nagenoeg droge weg niet uitbreken ten gevolge van een verschil in remwerking tussen de geremde wielen van elke as. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt een remproef uitgevoerd. |
Artikel 5.14.40
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die in gebruik zijn genomen na 31 december 2017 en zijn voorzien van een remsysteem, moeten zijn voorzien van een losbreekreminrichting. | Leden 1 en 2: visuele controle. Bij een tweeleiding-drukluchtremsysteem wordt de luchtslang van de voorraad tussen het trekkende voertuig of een andere externe bron en de aanhangwagen losgenomen. |
| 2. | Indien de landbouw- of bosbouwaanhangwagen of het verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk is voorzien van een losbreekinrichting, moet deze goed werken. | |
| 3. | Bij het koppelen van een tweeleiding-drukluchtremsysteem aan het trekkende voertuig, moet de reminrichting automatisch in de bedrijfstoestand komen. | Visuele controle. Indien een losknop aanwezig is, moet deze, nadat de luchtslang van de voorraad is losgekoppeld, worden bediend en moet vervolgens de luchtslang van de voorraad worden aangesloten. Hierbij moet de losknop terugkeren in zijn oorspronkelijke stand. |
Artikel 5.14.61
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen, bedoeld in de artikelen 5.14.51 en 5.14.57, moeten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Leden 1 en 2: visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid, moeten de stadslichten zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,25 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | |
| 3. | Het eerste lid is niet van toepassing op de achteruitrijlichten, remlichten, achterkentekenplaatverlichting, rode retroreflector in de vorm van een afgeknotte driehoek, mistachterlichten en werklichten. | – |
Artikel 5.14.70
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Op aanhangwagens die zijn voorzien van andere inrichtingen tot het koppelen van voertuigen dan bedoeld in de artikelen 5.14.67 tot en met 5.14.69, zijn de artikelen 5.8.66 tot en met 5.8.70 van overeenkomstige toepassing. | De wijze van keuren bij de artikelen 5.8.66 tot en met 5.8.70 is van overeenkomstige toepassing. |
| 2. | De achtertraverse, met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: a. geen breuken of scheuren vertonen; en b. niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Visuele controle, terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
Afdeling 15. Aanhangwagens achter motorfietsen of bromfietsen
Afdeling 16. Aanhangwagens achter fietsen
Afdeling 17. Wagens
§ 8. Reminrichting
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Brandstofsystemen en milieu
§ 0. Algemeen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
§ 0. Algemeen
Artikel 5.18.25b
De op de kentekencard, in het kentekenregister of op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximummassa mag niet worden overschreden, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet overschreden mag worden.
Indien van een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk de toegestane maximummassa niet met behulp van het eerste lid kan worden vastgesteld, geldt voor dit voertuig een maximumlast onder enig wiel van 5.000 kg.
Artikel 5.18.25c
Van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag:
- a. de in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde technisch toegestane maximumlast onder de as niet worden overschreden; en
- b. het draagvermogen van de gemonteerde banden niet worden overschreden.
De toegestane maximumlast onder de as van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet meer bedragen dan:
- a. voor enige as: 10.000 kg voor een niet-aangedreven as en 11.500 kg voor een aangedreven as;
- b. de technisch toegestane maximumlast onder de as van het voertuig.
In afwijking van het tweede lid, mag de toegestane maximumlast onder de as van motorrijtuigen met beperkte snelheid of mobiele machines die zijn ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen niet meer bedragen dan 12.000 kg.
Eveneens in afwijking van het tweede lid, mag de toegestane maximumlast van landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken onder een pendelas niet meer bedragen dan 13.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg.
Artikel 5.18.25d
De op de constructieplaat van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximumlast onder het asstel mag niet worden overschreden.
De toegestane maximumlast onder het asstel van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, mag niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximumlast onder het asstel van het voertuig.
Artikel 5.18.25e
Indien met een motorrijtuig met beperkte snelheid dat een combinatie vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen als bedoeld in artikel 1.1, de begripsbepaling van ‘motorrijtuig met beperkte snelheid’, onderdeel b, onder 2°, geen passagiers in de aanhangwagen worden vervoerd, mag in het motorrijtuig slechts één passagier worden vervoerd.
B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
D. Fietsaanhangwagens achter fietsen op twee wielen
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 18. Gebruikseisen
§ 0. Algemeen
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 1. Keuringsinstellingen
§ 2. Onderzoeksgerechtigden
§ 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Afdeling 1. Algemeen
§ 2a. Sneeuwkettingen
§ 1.1. Algemeen
§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
§ 5. Pedaalkrachtmeters
§ 3. Olietemperatuurmeters
§ 8. Platenremtestbanken
§ 1.2.2. Maximale fout
§ 1.2.5. Monsternamesysteem
§ 2.2. Technische eisen
§ 2.1. Algemeen
§ 2.2. Technische eisen
§ 1.2.6. Functiestanden
§ 1.2. Technische eisen
§ 1.2.2. Maximale fout
§ 1.2.3. Optisch systeem
§ 1.2.4. Temperatuuraspecten
§ 1.2.5. Monsternamesysteem
§ 11. Geluidsniveaumeter
§ 1.2.7. Aanwijsinrichting
§ 1.2.8. Registratie-inrichting
§ 12. Koplamptestapparaten
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 2. Toerentellers
§ 4. Manometers
§ 11. Geluidsniveaumeter
§ 4. Tarieven
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I. , behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Indien na vaststelling van de datum eerste toelating blijkt dat deze datum onjuist is, wordt de datum eerste toelating opnieuw vastgesteld overeenkomstig deze bijlage.
Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, derde lid
Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.13 en 6.4, derde lid, en bijlage IV, artikel 9, tweede lid
Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5
Bijlage IX. , behorende bij artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
Artikel 5.2.10b
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de personenauto is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.2.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De waterstoftank mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 6 tot en met 9: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 7. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 9. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
| 10. | Personenauto’s voorzien van een waterstofinstallatie moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: | Visuele controle. |
Artikel 5.2.11a
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Onderdelen van personenauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen behoudens van water geen overmatige lekkage van vloeistof vertonen. | Visuele controle, terwijl de personenauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 5. Assen
Artikel 5.2.59b
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
§ 9. Carrosserie
Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.3.10b
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.3.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De waterstoftank mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 6 tot en met 9: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 7. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 9. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
| 10. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: | Leden 10 en 11: visuele controle. |
| 11. | Bedrijfsauto’s met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel aan de voor- en achterzijde als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: |
Artikel 5.3.11a
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Onderdelen van bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2017, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen behoudens van water geen overmatige lekkage van vloeistof vertonen. | Visuele controle, terwijl de bedrijfsauto zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 13. Aanvullende eisen taxi’s
§ 7. Stuurinrichting
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 8. Reminrichting
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.3.59b
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
§ 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
Afdeling 3a. Bussen
§ 0. Algemeen
Artikel 5.3a.10b
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bus is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd artikel 5.3a.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De waterstoftank mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. |
| 6. | De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 6 tot en met 9: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 7. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 9. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
| 10. | De voorzijde, de achterzijde en minimaal één deur aan de rechterzijde van de bus die is voorzien van een waterstofinstallatie, zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: | Visuele controle. |
| 11. | Zolang de tankverbinding of het aansluitpunt verbonden is met het tankstation, moet het onmogelijk zijn het aandrijfsysteem te bedienen of de bus voort te bewegen. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
Artikel 5.3a.11a
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Onderdelen van bussen in gebruik genomen na 31 december 2017, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen behoudens van water geen overmatige lekkage van vloeistof vertonen. | Visuele controle, terwijl de bus zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
§ 6. Ophanging
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Artikel 5.3a.59b
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 4. Motorfietsen
§ 0. Algemeen
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 8. Reminrichting
§ 9. Carrosserie
Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 12. Diversen
Artikel 5.5.10b
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien het driewielige motorrijtuig is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd artikel 5.5.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De waterstoftank mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| 5. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 6 tot en met 10: visuele controle. |
| 7. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 9. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
| 10. | Driewielige motorrijtuigen voorzien van een waterstofinstallatie moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: |
Artikel 5.5.11a
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Onderdelen van driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 december 2017, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen behoudens van water geen overmatige lekkage van vloeistof vertonen. | Visuele controle. |
§ 5. Assen
§ 7. Stuurinrichting
Artikel 5.5.59b
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Het mistvoorlicht of de mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 6. Bromfietsen
§ 0. Algemeen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 12. Diversen
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 0. Algemeen
§ 0. Algemeen
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 8. Reminrichting
§ 6. Ophanging
§ 7. Stuurinrichting
§ 0. Algemeen
Afdeling 9. Fietsen
§ 0. Algemeen
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
§ 8. Reminrichting
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Artikel 5.12.11a
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Onderdelen van aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 2017, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen behoudens van water geen overmatige lekkage van vloeistof vertonen. | Visuele controle. |
Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 5. Assen
§ 8. Reminrichting
§ 7. Stuurinrichting
§ 0. Algemeen
§ 0. Algemeen
Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
§ 0. Algemeen
Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 18. Gebruikseisen voertuigen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
A. Personenauto's, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen en daardoor voortbewogen aanhangwagens
A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
C. Gehandicaptenvoertuigen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Reminrichting
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
Artikel 6.10
Indien een emissiebeheersingssysteem van een voertuig wordt gewijzigd, moet het voertuig voldoen aan de in hoofdstuk 3 opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Het eerste lid is niet van toepassing op een emissiebeheersingssysteem dat wordt vervangen door:
- a. eenzelfde origineel emissiebeheersingssysteem;
- b. een emissiebeheersingssysteem waarvoor typegoedkeuring is verleend op grond van verordening (EG) 715/2007, verordening (EG) 595/2009 of VN/ECE-reglement 103.
De in bijlage I van verordening (EG) 715/2007 opgenomen eis voor Euro 5-fijnstof, geldt bij wijziging van een emissiebeheersingssysteem als bedoeld in het eerste lid voor voertuigen van de voertuigcategorie N1, klasse I, eerst vanaf een datum van eerste toelating die ligt op of na 1 januari 2012.
3a. De in bijlage IV opgenomen eis voor de Euro 5-fijnstofnorm, bedoeld in bijlage I van verordening (EG) 715/2007 en eis voor de Euro 6-fijnstofnorm, bedoeld bijlage I van verordening (EG) 595/2009, gelden bij wijziging van een emissiebeheersingssysteem als bedoeld in het eerste lid voor personenauto’s, eerst vanaf een datum van eerste toelating die ligt op of na 1 januari 2017.
In afwijking van artikel 6.1, eerste lid, mag een wijziging in de bouw of inrichting waarbij een emissiebeheersingssysteem van een voertuig met compressie-ontsteking is verwijderd, worden aangetoond door middel van een verklaring afgegeven door de kentekenhouder voor zover:
- a. het een personenauto betreft, die in gebruik is genomen voor 1 januari 2017;
- b. het een ander voertuig dan een personenauto betreft, dat in gebruik is genomen voor 1 januari 2012 en waarvan de deeltjesmassa is gemeten in g/km, of dat in gebruik is genomen voor 31 december 2013 en waarvan de deeltjesmassa is gemeten in g/kWh.
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 1. Algemeen
§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 1. Keuringsinstellingen
§ 1. Afmetingen, massa’s en lasten
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 3. Reminrichting
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 3. Reminrichting
§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 4. Manometers
§ 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
§ 1.1. Algemeen
§ 1.2.3. Optisch systeem
§ 1.2.2. Maximale fout
§ 1.2.4. Temperatuuraspecten
§ 1.2.5. Monsternamesysteem
§ 1.1. Algemeen
§ 4. Manometers
§ 1.2. Technische eisen
§ 1.2.5. Monsternamesysteem
§ 1.2.7. Aanwijsinrichting
§ 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
§ 1.2.10. Meetprogramma
§ 10.4. Uitvoering
§ 2.1. Algemeen
§ 2.2. Technische eisen
§ 10.7. Resulterende meetwaarde
§ 11. Geluidsniveaumeter
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 10. Bromfietsrollentestbank
§ 2. Aanvraag ontheffing
§ 4. Manometers
§ 11. Geluidsniveaumeter
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
Bijlage Va. , behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Bijlage Vb. , behorende bij artikel 3.9, derde lid
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Bijlage VIII. , behorende bij hoofdstuk 5
Ambergele of gele retroreflectoren voor trappers van fietsen moeten voldoen aan de in de artikelen 22 tot en met 24 gestelde eisen.
Bijlage IX. , behorende bij artikel 6.3, tweede lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
Bijlage X. , behorende bij artikel 6.3
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
Bijlage XI. , behorende bij artikel 6.6
Bijlage XII. , behorende bij artikel 3.9, vijfde lid
Artikel 1.41
Artikel 1.43
Artikel 1.47
Artikel 1.49
Artikel 1.51
Artikel 1.53
§ 2.2.4. Overdrukbeveiliging ten behoeve van de tank
Artikel 1.56
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
Artikel 1.58
Artikel 1.59
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 1.1a
In deze regeling wordt onder aanhangwagen, ambulance, bedrijfsauto, bijzondere bromfiets, bromfiets, bus, dolly, driewielig motorrijtuig, gelede bus, gepantserd voertuig, kampeerwagen, landbouw- of bosbouwaanhangwagen, landbouw- of bosbouwtrekker, lijkwagen, middenasaanhangwagen, mobiele kraan, mobiele machine, motorfiets, motorrijtuig met beperkte snelheid, oplegger, opleggertrekker, ov-auto, overige voertuig voor speciale doeleinden, personenauto, taxi, voor rolstoelen toegankelijk voertuig en verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk:
- a. mede verstaan een voertuig dat blijkens het kentekenregister een zodanig voertuig is;
- b. niet verstaan een ander van de genoemde voertuigsoorten.
Afdeling 2. Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie
Afdeling 3. Aanwijzing van een technische dienst
§ 1. Eisen voor de aanwijzing
Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
Hoofdstuk 3. Nadere regels in verband met de goedkeuringen bedoeld in hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994
Afdeling 1. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën M, N en O
§ 1. Typegoedkeuring
§ 2. Individuele goedkeuring
Afdeling 4. Nationale typegoedkeuringen bijzondere bromfietsen
Afdeling 7. Aanvraag en toezicht
§ 1. Aanvraag en toezicht EU-typegoedkeuring en VN/ECE-typegoedkeuring
§ 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring
§ 3. Aanvraag individuele goedkeuring
Afdeling 9. Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer
Afdeling 9. Taken en bevoegdheden in verband met goedkeuringen door de Dienst Wegverkeer
Hoofdstuk 5. Permanente eisen
Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
Afdeling 1. Algemeen
Afdeling 10. Uitzonderingen als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet, op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 7. Stuurinrichting
§ 13. Aanvullende eisen taxi’s
Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
§ 12. Diversen
§ 0. Algemeen
§ 5. Assen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 7. Stuurinrichting
Afdeling 3a. Bussen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 0. Algemeen
§ 11. Verbinding tussen bus en aanhangwagen
Afdeling 4. Motorfietsen
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 6. Ophanging
§ 5. Assen
Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
§ 12. Diversen
§ 12. Diversen
§ 5. Assen
§ 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
Afdeling 6. Bromfietsen
§ 11. Verbinding tussen driewielig motorrijtuig en aanhangwagen
§ 0. Algemeen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van artikel 20b van de wet zijn aangewezen
§ 8. Reminrichting
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 8. Reminrichting
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 11. Verbinding tussen motorrijtuig met beperkte snelheid en aanhangwagen
Afdeling 9. Fietsen
§ 8. Reminrichting
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
§ 11. Verbinding tussen landbouw- of bosbouwtrekker en aanhangwagen
Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
§ 12. Diversen
Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 17. Wagens
§ 8. Reminrichting
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 9. Carrosserie
Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
§ 0. Algemeen
§ 0. Algemeen
Artikel 5.18.32a
Banden van motorvoertuigen mogen niet zijn voorzien van sneeuwkettingen die bestaan uit metalen elementen.
Het eerste lid is niet van toepassing op motorvoertuigen in gebruik bij de in de artikelen 29, eerste lid, en 30b van het RVV 1990 bedoelde diensten, indien het gebruik van sneeuwkettingen noodzakelijk is voor het vervullen van een dringende taak.
G. Middenasaanhangwagens en aanhangwagens met een stijve dissel van de voertuigcategorie O
A. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O
A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
A. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
§ 2. Eisen wijziging in de constructie
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Afdeling 1. Algemeen
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 1. Algemeen
§ 1. Keuringsinstellingen
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 3. Olietemperatuurmeters
D. Samenstellen van fiets en fietsaanhangwagen
§ 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
§ 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
§ 1.2. Technische eisen
§ 3.2. Technische eisen
§ 3.2. Technische eisen
§ 2. Toerentellers
§ 1.2.4. Temperatuuraspecten
§ 1.2.6. Functiestanden
§ 2.1. Algemeen
§ 2.2. Technische eisen
§ 4.2. Technische eisen
§ 3.2. Technische eisen
§ 7.2.1. Controle-inrichting
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 1. Ontheffingen
§ 5. Pedaalkrachtmeters
§ 1. Ontheffingen
§ 2. Aanvraag ontheffing
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid
Indien de vaststelling van de datum van eerste toelating geschiedt in het kader van de aanvraag tot inschrijving met een afzonderlijk onderzoek van het betrokken voertuig, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld aan de hand van het in bijlage I vastgestelde voertuigidentificatienummer en overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 4 tot en met 10.
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.9, derde lid
Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5
De retroreflector wordt ontdaan van alle afneembare onderdelen en wordt daarna gedurende 3 minuten ondergedompeld in water met een temperatuur van 50 °C (waarbij een afwijking van 5 °C is toegestaan), waarbij het hoogste punt van de retroreflector zich ten minste 20 mm onder het wateroppervlak bevindt.
Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
Bij wijziging van de brandstofsoort in LPG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Bij wijziging van de brandstofsoort in CNG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:
Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6
Bijlage XII. , behorende bij artikel 3.9, vijfde lid
Artikel 1.50
§ 2.2.2. CNG-tank
Artikel 1.48
Artikel 1.52
Artikel 1.54
Artikel 1.55
§ 2.2.6. Gasdichte behuizing op de tank
§ 2.2.7. Gasleidingen en -slangen
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
Artikel 1.63
Artikel 1.64
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
Hoofdstuk 5. Permanente eisen
Afdeling 10. Uitzonderingen als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet, op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
Afdeling 1. Algemeen
Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
Afdeling 2. Personenauto’s
§ 0. Algemeen
§ 5. Assen
§ 5. Assen
§ 8. Reminrichting
§ 9. Carrosserie
§ 9. Carrosserie
§ 13. Aanvullende eisen taxi’s
Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
§ 12. Diversen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 0. Algemeen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 5. Assen
§ 8. Reminrichting
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 3a. Bussen
§ 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
§ 0. Algemeen
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 0. Algemeen
§ 5. Assen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 7. Stuurinrichting
§ 8. Reminrichting
§ 9. Carrosserie
Afdeling 4. Motorfietsen
§ 0. Algemeen
§ 8. Reminrichting
Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 6. Bromfietsen
§ 12. Diversen
§ 8. Reminrichting
§ 8. Reminrichting
§ 9. Carrosserie
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 5. Assen
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 4. Krachtoverbrenging
Afdeling 9. Fietsen
Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
§ 6. Ophanging
Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
§ 7. Stuurinrichting
Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
§ 6. Ophanging
§ 8. Reminrichting
Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
§ 3. Brandstofsystemen en milieu
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 17. Wagens
§ 8. Reminrichting
Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
§ 6. Ophanging
§ 5. Assen
A. Personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, dolly’s of aanhangwagens van de voertuigcategorie O en samenstellen hiervan
E. Fietsen en fietsaanhangwagens
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
B. Aanhangwagens, verwisselbare gedragen uitrustingsstukken en lastdragers
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 1. Algemeen
§ 2. Onderzoeksgerechtigden
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 2. Onderzoeksgerechtigden
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 6. Diversen
§ 1. Algemene bepalingen
§ 1. Algemene bepalingen
§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken
§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
§ 1.2.1. Controle-inrichtingen
§ 4. Manometers
§ 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting
§ 4.1. Algemeen
§ 3. Olietemperatuurmeters
§ 3.1. Algemeen
§ 11. Geluidsniveaumeter
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 12. Koplamptestapparaten
§ 5. Pedaalkrachtmeters
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.9, derde lid
Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een chassis of chassis en carrosserie, wordt bepaald door het chassis.
De lichtsterktecoëfficiënt van de retroreflector, te meten volgens onderdeel A van annex 1, moet, uitgedrukt in millicandela/lux (mcd/lux), ten minste voldoen aan de in tabel 1 gestelde eisen.
Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.8.1
Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5
Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
Onderdelen van motorvoertuigen met een volledig dragend chassis, ongeacht de massa, alsmede aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg; roestschadegradatie bij maximum functieverlies per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel.
Een duurbeproeving in dwarsrichting van het voertuig wordt uitgevoerd met 20.000 lastwisselingen waarbij een zijdelingse kracht op het wiel moeten worden uitgeoefend, overeenkomstig figuur 5.
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
Een CNG-installatie moet ten minste zijn voorzien van de volgende onderdelen:
Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6
Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6
Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
Vervallen.
4: aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend (‘4’ staat voor ‘Nederland’);
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 8.3.10a
Indien de frequentie van een interne frequentiebron van invloed is op het meetresultaat, mag de frequentie geen grotere afwijking van zijn nominale waarde hebben dan overeenkomend met één tiende van de maximale fout.
Artikel 8.4.86a
De programmatuur van de deeltjesteller moet zodanig zijn dat degene die het apparaat bedient automatisch door de in het tweede en derde lid bedoelde meetprocedure wordt geleid.
Voor aanvang van een meting moeten de volgende gegevens worden ingevoerd:
- a. kenteken van het voertuig;
- b. grenswaarde voor voertuig;
Nadat de sonde in de uitlaat is aangebracht, worden achtereenvolgens de volgende stappen van de roetfiltertest doorlopen:
- a. een periode van 15 seconden stabiliseren met stationair draaiende motor;
- b. gedurende de registratietijd meten en vervolgens presenteren van de meetwaarde van de meting, gebaseerd op het gemiddelde over de registratietijd;
- c. indien de metingwaarde kleiner is dan of gelijk is aan de grenswaarde: presenteren dat de test is gehaald;
- d. indien de metingwaarde groter is dan de grenswaarde: presenteren dat de test niet is gehaald.
Indien nadat de sonde in de uitlaat wordt gebracht, de gemeten waarde direct oploopt tot meer dan tweemaal de grenswaarde, mag de meetprocedure worden afgebroken en is de test niet gehaald.
Artikel 45e. Controle werking roetfilter
De goede werking van het roetfilter wordt gecontroleerd door meting van het aantal deeltjes per kubieke centimeter in de uitlaatgassen.
De test, bedoeld in het eerste lid, wordt bij stationair toerental uitgevoerd.
Artikel 45f. Aantal deeltjes bij stationair toerental
De uitlaatgassen van personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen met een verbrandingsmotor met compressieontsteking en roetfilter, mogen bij stationair toerental niet meer deeltjes bevatten dan 1.000.000 deeltjes per kubieke centimeter.
Artikel 45g. Wijze van keuren
De controle, bedoeld in artikel 45e, geschiedt door meting aan een stilstaande personenauto, bedrijfsauto of bus met een deeltjesteller die ten minste gedurende de door de fabrikant van de deeltjesteller opgegeven opwarmtijd onder elektrische spanning heeft gestaan.
Voor elke test wordt gecontroleerd of het monsternamesysteem in goede staat verkeert, waarbij in het bijzonder moet worden gelet op beschadiging van de monsternameslang en sonde.
De sonde wordt ten minste 0,30 m in de uitmonding van het uitlaatsysteem ingebracht.
Indien een uitlaatsysteem met één roetfilter meer dan één uitmonding heeft, beperkt de controle zich tot één uitmonding.
Indien een uitlaatsysteem meerdere roetfilters bevat, wordt in de uitmonding van elk roetfilter een controle uitgevoerd.
Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
00: goedkeuring volgens de originele niet-geamendeerde versie van het reglement;
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
Model herkenningsteken aanwezigheid CNG-installatie in een bus.
Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 3.1.1
Voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O voldoen voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel I, bij verordening (EU) 2018/858.
In afwijking van het eerste lid voldoen voertuigen met de voertuigclassificatie M1 of N1, voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel I, aanhangsel 1, tabel 1 respectievelijk 2, bij verordening (EU) 2018/858.
In afwijking van het eerste lid voldoen voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N, en O, voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel III, bij verordening (EU) 2018/858.
In afwijking van het eerste tot en met derde lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de genoemde bijlagen bij verordening (EU) 2018/858 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale kleine serie typegoedkeuring verlenen, indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van die verordening.
De artikelen 33, 34 en 35, met uitzondering van artikel 35, tweede lid, onderdeel e, van verordening (EU) 2018/858 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijzigingen in en de geldigheidsduur van nationale kleine serie goedkeuringen als bedoeld in dit artikel.
Artikel 3.1.2
Voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O, met een datum van eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:
- a. de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel I, bij verordening (EU) 2018/858; en
- b. aan de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
In afwijking van het eerste lid voldoen voertuigen voor speciale doeleinden van de voertuigcategorieën M, N, en O, voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:
- a. de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage II, deel III, bij verordening (EU) 2018/858; en
- b. aan de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
Onverminderd het eerste en tweede lid, voldoen niet-seriematig geproduceerde voertuigen tevens aan de eisen wat betreft deugdelijkheid en weggedrag van een voertuig, bedoeld in artikel 3, onderdeel b, van bijlage IX van deze regeling.
In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de bijlage II bij verordening (EU) 2018/858 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van die verordening.
De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het vierde lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
Artikel 3.1.3
Voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O, met een datum van eerste toelating van voor 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage IV, zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020.
In afwijking van het eerste lid, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie bedoelde goedkeuringseisen en een individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, van deze eisen vrijstelling verlenen.
Artikel 3.1.4
Onverminderd de toepassing van bijlage II bij verordening (EU) 2018/858, worden, voor zover van toepassing bij een EU-goedkeuring of nationale goedkeuring van een voertuig, aanhangwagen, systeem, onderdeel of technische eenheid daarvan, tevens de volgende richtlijnen in acht genomen:
- a. tot 1 juli 2027, de eisen met betrekking tot het toegestane geluidsniveau en de uitlaatinrichting van motorvoertuigen, bedoeld in richtlijn 70/157/EEG;
- b. de eisen met betrekking herbruikbaarheid, recycleerbaarheid en mogelijke nuttige toepassingen, bedoeld in richtlijn 2005/64/EG; en
- c. de eisen betreffende emissies van klimaatregelingsapparatuur in motorvoertuigen, bedoeld in richtlijn 2006/40/EG.
Artikel 3.1.5
Om als taxi in gebruik te kunnen worden genomen beschikt een voertuig over een nationale individuele goedkeuring of nationale typegoedkeuring voor het gebruik als taxi.
Voor goedkeuring als bedoeld in het eerste lid voldoet de taxi aan de in het derde, vierde, vijfde of zesde lid bedoelde goedkeuringseisen.
Een taxi met een EU-typegoedkeuring wordt goedgekeurd indien het voldoet aan bijlage VI omdat het een voertuig betreft dat is typegoedgekeurd met een vaste indeling en deuren aan beide zijden van elke zitrij met een drempelhoogte van minder dan 50 cm vanaf het wegdek. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkgesteld aan het aantal zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
Een taxi met een EU-typegoedkeuring met een vaste indeling die niet is uitgevoerd met deuren aan beide zijden van elke zitrij wordt goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan bijlage VI. De zitplaatsen met deuren aan beide zijden van de zitrij worden verondersteld te voldoen aan bijlage VI. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
Een taxi met een variabele indeling wordt per indeling goedgekeurd, indien het voertuig voldoet aan bijlage VI. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
Overige taxi’s worden beoordeeld op de in bijlage VI gestelde eisen ten aanzien van:
- a. een vaste indeling volgens de typegoedkeuring en deuren aan beide zijden van elke zitrij;
- b. inrichtingen met zitplaatsen anders dan onder a; en
- c. de gedeelten ten behoeve van andere vormen van vervoer dan op zitplaatsen. Hierbij wordt het hoogste aantal te vervoeren personen per indeling gelijkgesteld aan het aantal bereikbare zitplaatsen, dan wel andere vervoersplaatsen, met uitzondering van de bestuurderszitplaats.
Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op ov-auto’s.
Voor een taxi en ov-auto als bedoeld in het vijfde en zesde lid, wordt een goedkeuringsdocument afgegeven waaruit blijkt dat het voertuig is goedgekeurd voor het gebruik als taxi onderscheidenlijk ov-auto.
§ 1. Typegoedkeuring
§ 2. Individuele goedkeuring
Afdeling 7. Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten
Artikel 3.3.1
Voertuigen van de voertuigcategorie L voldoen voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigclassificatie van categorie L vastgestelde goedkeuringseisen in de bijlagen II en V tot en met VIII bij verordening (EU) 168/2013.
In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de genoemde bijlagen bij verordening (EU) 168/2013 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale kleine serie typegoedkeuring verlenen, indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, als bedoeld in artikel 42, tweede lid, van die verordening.
De artikelen 34 tot en met 37, met uitzondering van artikel 37, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 168/2013 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijzigingen in en de geldigheidsduur van nationale kleine serie goedkeuringen als bedoeld in dit artikel.
Artikel 3.3.2
Voertuigen van voertuigcategorie L, met een datum van eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring:
- a. aan de voor de desbetreffende voertuigclassificatie van categorie L vastgestelde goedkeuringseisen van bijlage II en V tot en met VIII bij verordening (EU) 168/2013 met uitzondering van de eisen opgenomen in:
- 1°. de bijlagen V en XI bij verordening (EU) 3/2014; en
- 2°. de bijlagen III, IV, XII, XV en XVII bij verordening (EU) 44/2014;
- b. aan de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
Onverminderd het eerste lid voldoen niet-seriematig geproduceerde voertuigen tevens aan de eisen wat betreft deugdelijkheid en weggedrag als bedoeld in artikel 3 of artikel 6 van bijlage IX van deze regeling.
In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het derde lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
Artikel 3.3.3
Voertuigen van voertuigcategorie L met een datum van eerste toelating van voor 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage IV, zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020.
In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast
In afwijking van het tweede lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, ook van deze eisen vrijstelling verlenen.
Afdeling 4. Goedkeuring productieprocessen
Artikel 3.5.1
Voertuigen van voertuigcategorieën T, C, R en S voldoen voor het verkrijgen van een nationale kleine serie typegoedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage I bij verordening (EU) 167/2013.
In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de in de genoemde bijlage bij verordening (EU) 167/2013 voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale kleine serie typegoedkeuring verlenen, indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften, bedoeld in artikel 37, eerste lid, tweede alinea, van die verordening.
De artikelen 29 tot en met 32, met uitzondering van artikel 32, tweede lid, onderdeel c, van verordening (EU) 167/2013 zijn van overeenkomstige toepassing op de wijzigingen in en de geldigheidsduur van nationale kleine serie goedkeuringen als bedoeld in dit artikel.
Artikel 3.5.2
Voertuigen van de voertuigcategorieën T en C, met een datum van eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring:
- a. aan de voor de desbetreffende categorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage I bij verordening (EU) 167/2013, met uitzondering van de eisen opgenomen in:
- 1°. bijlagen III tot en met XI, XIII, XV, XVI, XVII, XX, XXII, XXV en XXIX bij verordening (EU) 1322/2014; en
- 2°. bijlagen X, XVIII, XXI en XXIII bij verordening (EU) 2015/208; en
- b. aan de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
Voertuigen van voertuigcategorieën R en S met een eerste toelating op of na 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring:
- a. aan de voor de desbetreffende categorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage I bij verordening (EU) 167/2013, met uitzondering van de eisen opgenomen in:
- 1°. bijlagen XXII, XXV, XXVI en XXIX bij verordening (EU) 1322/2014; en
- 2°. bijlage XVIII, XXI en XXII bij verordening (EU) 2015/208; en
- b. aan de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
In afwijking van het eerste en tweede lid, kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in die leden voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het derde lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën T en C die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
Artikel 3.5.3
Voertuigen van voertuigcategorieën T, C, R en S met een datum van eerste toelating van voor 1 september 2020 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan de voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage IV, zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020.
In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een individuele goedkeuring verlenen indien en voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
De Dienst Wegverkeer beschikt in elk geval over alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid, in verband met de goedkeuring van voertuigen van de voertuigcategorieën T en C die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, ook van deze eisen vrijstelling verlenen.
Afdeling 6. Goedkeuring taxi
§ 2. Aanvraag en toezicht nationale typegoedkeuring
§ 3. Aanvraag individuele goedkeuring
Artikel 3.7.1
De Dienst Wegverkeer kan een voorlopige nationale individuele goedkeuring voor ten hoogste twee jaar verlenen voor een voertuig als bedoeld in dit hoofdstuk of van systemen, onderdelen of technische eenheden daarvan waarin nieuwe technologieën zijn toegepast die onverenigbaar zijn met een of meer van de eisen voor die goedkeuring, bedoeld in dit hoofdstuk.
De Dienst Wegverkeer kan de in het eerste lid bedoelde voorlopige nationale individuele goedkeuring verlenen indien:
- a. bij de aanvraag de redenen zijn vermeld waarom de nieuwe technologieën of nieuwe concepten tot gevolg hebben dat de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden daarvan, onverenigbaar zijn met de eisen voor goedkeuring;
- b. in de aanvraag voor de goedkeuring veiligheids- en milieuaspecten van de nieuwe technologie of het nieuwe concept zijn beschreven, alsmede de maatregelen die zijn getroffen om er voor te zorgen dat ten minste een even hoog veiligheids- en milieubeschermingsniveau wordt gewaarborgd als wordt geboden door de voorschriften waarvan ontheffing wordt verleend; en
- c. er testbeschrijvingen en -resultaten worden overgelegd die aantonen dat aan de voorwaarde van onderdeel b wordt voldaan.
Onverminderd het tweede lid kan de Dienst Wegverkeer ter bescherming van inzittenden van het voertuig, ter bescherming van kwetsbare weggebruikers of in verband met de bescherming van de gezondheid, veiligheid, het milieu of andere aspecten van het openbaar belang, aanvullende eisen en voorwaarden verbinden aan het verlenen van een voorlopige nationale individuele goedkeuring. Deze eisen en voorwaarden mogen niet destructief zijn.
De Dienst Wegverkeer kan een maximum aantal op grond van dit artikel te verlenen goedkeuringen aan voertuigen of vergelijkbare voertuigen van dezelfde fabrikant vaststellen.
De in het eerste lid bedoelde termijn kan met ten hoogste vijf jaar worden verlengd, indien ten behoeve van die nieuwe technologieën of nieuwe concepten nationale, Europese of internationale wetgeving, in voorbereiding is.
Artikel 3.7.2
De Dienst Wegverkeer weigert een voorlopige nationale individuele goedkeuring als bedoeld in artikel 3.7.1 indien:
- a. een individuele EU-goedkeuring, voor een het voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid waarin nieuwe technologieën of nieuwe concepten zijn toegepast als bedoeld in artikel 39 van verordening (EU) 2018/858, artikel 40 van verordening (EU) 168/2013 of artikel 35 van verordening (EU) 167/2013, meer in de rede ligt;
- b. de toegepaste nieuwe technologieën zodanig vergaand zijn dat ontheffing van een of meer van de eisen voor goedkeuring bedoeld in dit hoofdstuk, niet in de rede ligt.
Artikel 3.7.3
Een op grond van artikel 3.7.1 afgegeven voorlopige nationale individuele goedkeuring wordt door de Dienst Wegverkeer omgezet in een definitieve nationale individuele goedkeuring met ingang van de dag dat voor het betreffende voertuig of systemen, onderdelen of technische eenheden daarvan, een wettelijke regeling voor goedkeuring in werking treedt.
Artikel 3.8.1
Retroreflecterende voorzieningen voor fietsen, zijspanwagens aan fietsen, fietsaanhangwagens en wagens voldoen voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring aan de voorschriften opgenomen in bijlage Vb van deze regeling.
Artikel 3.8.2
Onverminderd artikel 29, derde lid, van verordening (EU) 2018/858 voldoet een rem- of stuurinrichting die is bedoeld om deel uit te maken van een voertuig van de voertuigcategorie O3 of O4, voor een nationale typegoedkeuring aan de voor het desbetreffende onderdeel voor het betreffende aangegeven voertuig relevante eisen opgenomen in bijlage II, deel I, bij verordening (EU) 2018/858 of aan de daarvoor door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
Artikel 3.9.1
Tenzij hierin is voorzien in een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen, stelt de Dienst Wegverkeer de wijze van keuren vast in verband met de nationale goedkeuringen, bedoeld in dit hoofdstuk, met uitzondering van wijze van keuren van de permanente eisen.
Artikel 3.9.2
De Dienst Wegverkeer maakt, indien de voorwaarden of de beperkingen waaronder een EU- of nationale goedkeuring van een voertuig is verleend en dit ten behoeve van de handhaving van de permanente eisen bedoeld in hoofdstuk 5, noodzakelijk is, hiervan aantekening in het kentekenregister.
Indien een aanvullende nationale individuele goedkeuring is verleend als bedoeld in artikel 3.1.5 wordt door de Dienst Wegverkeer bij de inschrijving in het kentekenregister van een:
- a. taxi als bedoeld in artikel 3.1.5, derde en vierde lid, vermeld ‘Taxi, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’;
- b. taxi als bedoeld in artikel 3.1.5, vijfde en zesde lid, vermeld ‘Taxi, zie goedkeuringsdocument’.
- c. ov-auto als bedoeld in artikel 3.1.5, zevende lid, vermeld ‘-ov-auto, ingericht voor het vervoer van ten hoogste […] personen buiten de bestuurder’ dan wel ‘ov-auto, zie goedkeuringsdocument’.
Artikel 3.9.3
De Dienst Wegverkeer houdt in elk geval conformiteitscontroles op het overeenstemmen van de productie en de regelingen inzake het overeenstemmen van de productie van:
- a. door hem verleende nationale kleine serie goedkeuringen op voertuigen en op systemen, onderdelen en technische eenheden daarvan als bedoeld in dit hoofdstuk;
- b. door hem verleende typegoedkeuringen op grond van een VN/ECE-reglement;
- c. door hem verleende nationale typegoedkeuringen van voertuigen als bedoeld in dit hoofdstuk;
- d. de producten, genoemd in afdeling 8.
Artikel 3.10.1
Geen goedkeuring als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet, is vereist voor:
- a. voertuigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening (EU) 2018/858 die niet bestemd zijn voor gebruik op de openbare weg;
- b. voertuigen op rupsbanden of ontworpen en gebouwd of aangepast voor exclusief gebruik door de strijdkrachten als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel c en d, van verordening (EU) 2018/858;
- c. voertuigen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van verordening (EU) 168/2013 die niet bestemd zijn voor gebruik op de openbare weg;
- d. voertuigen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdelen a tot en met e, g en h, van verordening (EU) 168/2013 waarop die verordening niet van toepassing is;
- e. voertuigen op verwisselbare machines als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van verordening (EU) 167/2013 waarop die verordening niet van toepassing is;
- f. mobiele machines en aanhangwagens als bedoeld in artikel 1b van het Kentekenreglement;
- g. bijzondere bromfietsen als bedoeld in artikel 20b van de Wegenverkeerswet 1994 zoals dat luidt op 1 januari 2024;
- h. voertuigen waarvan op grond van artikel 48, derde lid, van de wet geen goedkeuring is vereist;
- i. voertuigen ten behoeve waarvan voor het gebruik van de weg door Onze Minister een vrijstelling op grond van artikel 147 van de wet is verleend;
- j. systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die specifiek ten behoeve van de in de onderdelen a tot en met i genoemde voertuigen of motorrijtuigen op de markt worden gebracht;
- k. systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die dienen ter vervanging van en zijn bedoeld voor montage op voertuigen van speciale doeleinden als bedoeld in artikel 3.1.1, derde lid, waarbij van de voor die systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken of voorzieningen geldende eisen, vrijstelling is verleend;
- l. systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken en voorzieningen die dienen ter vervanging van en zijn bedoeld voor montage op voertuigen waarvoor een nationale individuele goedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk is verleend;
- m. voorzieningen die ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers zijn ontworpen indien en voor zover hiervoor geen specifieke goedkeuringseisen zijn vastgesteld als bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de wet.
Artikel 3.10.2
De Dienst Wegverkeer weigert EU- of nationale goedkeuring van een voertuig waarvoor goedkeuring is vereist indien voor de goedkeuring van dat betreffende voertuig geen goedkeuringseisen zijn vastgesteld.
De Dienst Wegverkeer stelt Onze Minister in kennis van een weigering als bedoeld in het eerste lid.
Artikel 3.11.1
Een fabrikant die een voertuig als bedoeld in artikel 39 van verordening (EU) 167/2013, artikel 44 van verordening (EU) 168/2013 of artikel 49 van verordening (EU) 2018/858 toch nog op de markt wil aanbieden of in de handel wil brengen, kan, zo spoedig mogelijk nadat de goedkeuring ongeldig is geworden, daarvoor een verzoek indienen bij de Dienst Wegverkeer.
Een verzoek als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van:
- a. het voertuigidentificatienummer;
- b. het desbetreffende typegoedkeuringsnummer en, indien van toepassing, de variant en uitvoering ervan;
- c. de plaats of plaatsen waar de voertuigen in voorraad worden gehouden;
- d. het technisch voorschrift of de technische voorschriften waaraan de voertuigen niet voldoen, en
- e. de technische of economische redenen waarom de voertuigen niet aan de nieuwe technische voorschriften kunnen voldoen.
In verband met de behandeling van de aanvraag bepaalt de Dienst Wegverkeer:
- a. dat de fabrikant de Dienst Wegverkeer in de gelegenheid stelt op een door deze dienst te bepalen wijze een controle uit te voeren, of
- b. dat de fabrikant een in de Nederlandse taal gestelde verklaring omtrent de juistheid van de opgave, van een accountant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep, dan wel van een daaraan gelijk te stellen buitenlandse accountant, overlegt.
Artikel 3.11.2
Voor het maximaal aantal complete en voltooide voertuigen als bedoeld in verordening (EU) 2018/858 dat overeenkomstig de restant voorraadprocedure in gebruik wordt genomen geldt de beperking als beschreven in bijlage V, onder B, punt 2, van die verordening.
Afdeling 12. Uit de handel nemen of terugroepen
Artikel 3.12.1
Indien een fabrikant voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn bestemd of voorzieningen ter bescherming van inzittenden en kwetsbare weggebruikers uit de handel neemt als bedoeld in artikel 27 van de wet, omdat deze niet conform dit hoofdstuk of de daaraan gestelde eisen in de desbetreffende geharmoniseerde technische reglementen als bedoeld in de overeenkomst van 1958 zijn goedgekeurd of indien de nationale- of VN/ECE goedkeuring op basis van onjuiste gegevens is verleend, zijn de hieronder genoemde artikelen van overeenkomstige toepassing:
- a. artikel 9 van verordening 167/2013 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën T, C, R en S of mobiele machines;
- b. artikel 10 van verordening (EU) 168/2013 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorie L of bijzondere bromfiets; of
- c. artikel 14, eerste tot en met derde lid, van verordening (EU) 2018/858 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O;
In verband met het in het kader van het markttoezicht uit de handel nemen of terugroepen van voertuigen, systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, voorzieningen die voor dergelijke voertuigen en aanhangwagens daarvan zijn bestemd of voorzieningen ter bescherming van inzittenden en kwetsbare weggebruikers als bedoeld in artikel 27 van de wet, die zijn voorzien van een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk of zijn voorzien van een VN/ECE-goedkeuring, maar waarvan op basis van verkregen informatie of klachten voldoende redenen zijn om aan te nemen dat ze een ernstig risico vormen voor de gezondheid, de veiligheid, het milieu of andere aspecten van de bescherming van het openbaar belang of omdat ze niet voldoen aan de voor goedkeuring gestelde eisen, zijn de hieronder genoemde artikelen van overeenkomstige toepassing:
- a. de artikelen 41 en 43 tot en met 46 van verordening 167/2013 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën T, C, R en S of mobiele machines;
- b. de artikelen 46 tot en met 51 van verordening (EU) 168/2013 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorie L of bijzondere bromfiets;
- c. de artikelen 51, 52, 55 en 56 van verordening (EU) 2018/858 indien het betreft voertuigen van de voertuigcategorieën M, N en O.
In afwijking van het tweede lid, blijven de in dat lid van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen die betrekking hebben op de relatie tussen de lidstaat en de commissie of op verplichtingen voor de commissie buiten toepassing.
Hoofdstuk 4. Verkoopverboden
Artikel 4.4
Het door een technische dienst in strijd handelen met artikelen van een EU-verordening in verband met de goedkeuring van motorvoertuigen als bedoeld in artikel 31, van de wet, heeft betrekking op het handelen in strijd met:
- a. artikel 72, tweede lid, onderdeel a, b en c, in samenhang met artikel 66 of 67 van verordening (EU) 167/2013;
- b. artikel 76, tweede lid, onderdelen a, b en c, in samenhang met artikel 70 of 71 van verordening (EU) 168/2013;
- c. artikel 84, tweede lid, in samenhang met artikel 78, 80 of 81 van verordening (EU) 2018/858.
Hoofdstuk 5. Permanente eisen
Afdeling 1. Algemeen
Artikel 5.1.4a
Het is de bestuurder van een voertuig verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien het voertuig niet voldoet aan de aan het gebruik verbonden eisen als bedoeld in artikel 71, tweede lid, van de wet, die worden bedoeld in artikel 11, eerste lid, van verordening (EG) 715/2007 of artikel 7, tweede lid, 9 of 11, tweede lid, tweede en derde alinea, van verordening (EG) 595/2009.
Afdeling 2. Personenauto’s
Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
Afdeling 2. Personenauto’s
§ 8. Reminrichting
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
§ 7. Stuurinrichting
Afdeling 3a. Bussen
§ 8. Reminrichting
§ 7. Stuurinrichting
Afdeling 4. Motorfietsen
§ 0. Algemeen
Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
§ 12. Diversen
Afdeling 6. Bromfietsen
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 9. Fietsen
Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
Afdeling 17. Wagens
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 18. Gebruikseisen
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
§ 8. Reminrichting
E. Wagens
B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 1. Algemeen
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1. Roetmeters
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 6. Diversen
§ 2.1. Algemeen
§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
§ 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
§ 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
§ 1. Roetmeters
§ 1.2.2. Maximale fout
§ 1.2.6. Functiestanden
§ 9. Deeltjestellers
§ 3.1. Algemeen
§ 6.2. Technische eisen
§ 4.1. Algemeen
§ 5.1. Algemeen
§ 10.3. De maximale fout
§ 10.6. Aanwijsinrichting
§ 6.2. Technische eisen
§ 7.2.1. Controle-inrichting
§ 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
§ 11. Geluidsniveaumeter
§ 11.1. Algemeen
§ 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
§ 12. Koplamptestapparaten
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 1. Ontheffingen
§ 2. Aanvraag ontheffing
§ 3. Beschikking inzake ontheffing
§ 12. Koplamptestapparaten
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid
Vervallen
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
In deze bijlage en de bijbehorende annexen wordt verstaan onder:
Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5
Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
00: goedkeuring volgens de originele niet-geamendeerde versie van het reglement;
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van het volgende herkenningsteken. Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.
Het herkenningsteken bestaat uit een sticker die weerbestendig is en de hierboven aangegeven parallelvormen weergeeft. De aanduiding ‘CNG’ moet onuitwisbaar en duidelijk leesbaar in het midden van de sticker zijn aangebracht.
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in de artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
Artikel 1.51
Artikel 1.52
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
Artikel 1.56
§ 2.2.5. Automatische tankafsluiter
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6
§ 2.2.6. Gasdichte behuizing op de tank
In deze bijlage wordt verstaan onder:
Artikel 1.61
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 5.2.72
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Een personenauto mag niet zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting tussen de zitplaatsen. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid mag een personenauto die is voorzien van een afzonderlijk bestuurdergedeelte waarbij direct naast de bestuurderszitplaats geen zitplaats voor passagiers aanwezig is, zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting, mits de afscherming voldoet aan het gestelde in artikel 5.3a.72, derde tot en met achtste lid. | De wijze van keuren, bedoeld in artikel 5.3a.72, derde tot en met achtste lid. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | Indien de personenauto is voorzien van een afscherming tussen de zitrijen, moet de afscherming voldoen aan de in het vierde tot en met negende lid gestelde eisen. | - |
| 4. | De afscherming is gemaakt van een goedgekeurd materiaal of een gelijkwaardig en slagvast materiaal, niet zijnde acrylaat. In afwijking hiervan mag de afscherming zijn gemaakt van goed opgespannen, soepel, transparant gordijn van kunststof. | Visuele controle, waarbij gecontroleerd wordt of de afscherming, niet zijnde het transparante gordijn van kunststof, is voorzien van een E- of e-keurmerk, dan wel dat uit documentatie van de fabrikant van de afscherming blijkt dat de afscherming voldoet. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 5. | De afscherming is deugdelijk bevestigd. | Leden 5 tot en met 9: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | De afscherming is zodanig geplaatst, dat de goede werking van de aanwezige veiligheidssystemen is gewaarborgd. | |
| 7. | De afscherming mag geen scherpe delen hebben die in geval van een botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor de inzittenden kan opleveren. | |
| 8. | De afscherming mag de doorgang naar de deuren en nooduitgangen niet belemmeren. | |
| 9. | In afwijking van het bepaalde in artikel 5.2.45, eerste tot en met het vierde lid, moeten personenauto’s met een afscherming tussen de zitrijen zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel. |
Artikel 5.3.72
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Een bedrijfsauto mag niet zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting tussen de zitplaatsen. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Indien de bedrijfsauto is voorzien van een afscherming tussen de zitrijen, moet de afscherming voldoen aan de in het derde tot en met achtste lid gestelde eisen. | - |
| 3. | De afscherming is gemaakt van een goedgekeurd materiaal of een gelijkwaardig en slagvast materiaal, niet zijnde acrylaat. In afwijking hiervan mag de afscherming zijn gemaakt van goed opgespannen, soepel, transparant gordijn van kunststof. | Visuele controle, waarbij gecontroleerd wordt of de afscherming, niet zijnde het transparante gordijn van kunststof, is voorzien van een E- of e-keurmerk, dan wel dat uit documentatie van de fabrikant van de afscherming blijkt dat de afscherming voldoet. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | De afscherming is deugdelijk bevestigd. | Leden 4 tot en met 8: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 5. | De afscherming is zodanig geplaatst, dat de goede werking van de aanwezige veiligheidssystemen is gewaarborgd. | |
| 6. | De afscherming mag geen scherpe delen hebben die in geval van een botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor de inzittenden kan opleveren. | |
| 7. | De afscherming mag de doorgang naar de deuren niet belemmeren. | |
| 8. | In afwijking van het bepaalde in artikel 5.3.45, eerste tot en met het vierde lid, moeten bedrijfsauto’s met een afscherming tussen de zitrijen zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel. |
Afdeling 3a. Bussen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 8. Reminrichting
Artikel 5.3a.72
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Een bus mag niet zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting tussen de direct naast elkaar gelegen zitplaatsen voor de passagiers. | Visuele controle. |
| 2. | Indien de bus is voorzien van een afscherming, moet de afscherming voldoen aan de in het derde tot en met achtste lid gestelde eisen. | - |
| 3. | De afscherming is gemaakt van een goedgekeurd materiaal of gelijkwaardig en slagvast materiaal, niet zijnde acrylaat. In afwijking hiervan mag de afscherming zijn gemaakt van goed opgespannen, soepel, transparant gordijn van kunststof. | Visuele controle, waarbij gecontroleerd wordt of de afscherming, niet zijnde het transparante gordijn van kunststof, is voorzien van een E- of e-keurmerk, dan wel dat uit documentatie van de fabrikant van de afscherming blijkt dat de afscherming voldoet. |
| 4. | De afscherming is deugdelijk bevestigd. | Leden 4 tot en met 8: visuele controle. |
| 5. | De afscherming is zodanig geplaatst, dat de goede werking van de aanwezige veiligheidssystemen is gewaarborgd. | |
| 6. | De afscherming mag de hoofddoorgang en toegang naar de uitgangen en de nooduitgangen zowel in geopende als in gesloten toestand niet belemmeren. | |
| 7. | Het zesde lid is niet van toepassing indien de afscherming direct op de chauffeursdeur is geplaatst of is voorzien van een inrichting die de door- en toegang waarborgt met de afscherming in ruststand. | |
| 8. | De afscherming mag het bestuurdersgedeelte niet permanent afsluiten van het passagiersgedeelte, tenzij het bestuurdersgedeelte is voorzien van twee uitgangen die zich niet in dezelfde zijwand bevinden. |
Afdeling 4. Motorfietsen
Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
§ 12. Diversen
§ 5. Assen
Artikel 5.5.72
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Een driewielig motorrijtuig mag niet zijn voorzien van een afscherming in de lengterichting tussen de zitplaatsen. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 2. | Indien het driewielig motorrijtuig is voorzien van een afscherming tussen de zitrijen, moet de afscherming voldoen aan de in het derde tot en met achtste lid gestelde eisen. | - |
| 3. | De afscherming is gemaakt van een goedgekeurd materiaal of een gelijkwaardig en slagvast materiaal, niet zijnde acrylaat. In afwijking hiervan mag de afscherming zijn gemaakt van goed opgespannen, soepel, transparant gordijn van kunststof. | Visuele controle, waarbij gecontroleerd wordt of de afscherming, niet zijnde het transparante gordijn van kunststof, is voorzien van een E- of e-keurmerk, dan wel dat uit documentatie van de fabrikant van de afscherming blijkt dat de afscherming voldoet. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 4. | De afscherming is deugdelijk bevestigd. | Leden 4 tot en met 8: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 5. | De afscherming is zodanig geplaatst, dat de goede werking van de aanwezige veiligheidssystemen is gewaarborgd. | |
| 6. | De afscherming mag geen scherpe delen hebben die in geval van een botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor de inzittenden kan opleveren. | |
| 7. | De afscherming mag de doorgang naar de deuren niet belemmeren. | |
| 8. | In afwijking van het bepaalde in artikel 5.5.45, eerste tot en met het vierde lid, moeten driewielige motorrijtuigen met een afscherming tussen de zitrijen zijn voorzien van een linker- en een rechterbuitenspiegel. |
Afdeling 6. Bromfietsen
§ 12. Diversen
Artikel 5.6.71a
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Een bromfiets op meer dan twee wielen met een gesloten carrosserie mag niet zijn voorzien van een afscherming tussen de zitplaatsen. | Visuele controle. |
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
Artikel 5.7.73
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Een motorrijtuig met beperkte snelheid met een gesloten carrosserie mag niet zijn voorzien van een afscherming tussen de zitplaatsen. | Visuele controle. |
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
Afdeling 9. Fietsen
Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Artikel 5.10.72
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Een gehandicaptenvoertuig met een gesloten carrosserie mag niet zijn voorzien van een afscherming tussen de zitplaatsen. | Visuele controle. |
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
§ 12. Diversen
Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
§ 7. Stuurinrichting
Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Brandstofsystemen en milieu
§ 6. Ophanging
Afdeling 17. Wagens
Afdeling 18. Gebruikseisen
§ 1. Afmetingen, massa’s en lasten
B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
Artikel 6.1a
Artikel 6.1, eerste lid, is niet van toepassing op een wijziging van een bus met betrekking tot een afscherming als bedoeld in artikel 5.3a.72, mits de afscherming is geplaatst in het bestuurdersgedeelte van de bus.
§ 2. Eisen wijziging in de constructie
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 1. Algemeen
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 1. Keuringsinstellingen
§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
§ 1. Algemeen
§ 1. Algemene bepalingen
§ 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
§ 6. Remvertragingsmeters
§ 5.2. Technische eisen
§ 3.2. Technische eisen
§ 4.2. Technische eisen
§ 1. Ontheffingen
§ 2. Aanvraag ontheffing
§ 3. Beschikking inzake ontheffing
§ 4. Tarieven
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Indien een voertuig in gebruik is genomen en niet eerder is geregistreerd, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 7.
Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.8.1
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid
Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.9, derde lid
Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.13 en 6.4, derde lid, en bijlage IV, artikel 9, tweede lid
Op de retroreflector moet:
Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5
Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid, en bijlage IV, artikelen 2a, vierde lid, 2b, eerste, tweede, vierde en vijfde lid, en 3, tweede lid
Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
Vervallen.
Bij wijziging van de brandstofsoort in CNG als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, voldoen het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem aan de in deze afdeling opgenomen eisen en worden het brandstofsysteem en de plaatsing van het brandstofsysteem beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren.
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd. Indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6
Artikel 1.49
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 9. Carrosserie
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 3a. Bussen
§ 3. Motor en brandstofsystemen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
Afdeling 6. Bromfietsen
§ 13. Eisen met betrekking tot bromfietsen die door de minister op grond van artikel 20b van de wet zijn aangewezen
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
Afdeling 7a. Mobiele machines
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
Afdeling 9. Fietsen
§ 8. Reminrichting
Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
Afdeling 17. Wagens
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers en motorrijtuigen met beperkte snelheid, alsmede daardoor voortbewogen aanhangwagens van de voertuigcategorie O, landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Hoofdstuk 6. Wijziging in de constructie
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 5. Verbinding tussen voertuigen
§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 2. Eisen wijziging in de constructie
§ 4. Manometers
§ 1. Algemene bepalingen
§ 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
§ 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
§ 5. Pedaalkrachtmeters
§ 1.2.10. Meetprogramma
§ 5.2. Technische eisen
§ 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
§ 10.7. Resulterende meetwaarde
§ 7.1. Algemeen
§ 11. Geluidsniveaumeter
§ 7.2. Technische eisen
§ 7.2.2. De maximale fout
§ 1. Ontheffingen
§ 2. Aanvraag ontheffing
§ 3. Beschikking inzake ontheffing
§ 4. Tarieven
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
Bijlage IV. behorende bij de artikelen 3.2, vierde lid, 3.3, 3.4, 3.7, eerste lid, 6.1, derde lid, 6.3, eerste lid, 6.4, eerste, tweede en vierde lid, 6.5, 6.7, 6.8 en 6.10, eerste lid
Nadat de retroreflector de beproevingen zoals vermeld in de onderdelen B tot en met F van annex 1 heeft ondergaan, mag:
Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.13 en 6.4, derde lid, en bijlage IV, artikel 9, tweede lid
Nadat de retroreflector de beproeving zoals vermeld in onderdeel B van annex 3 heeft ondergaan, moet de lichtsterktecoëfficiënt, te meten volgens onderdeel A van annex 3, ten minste nog aan de in tabel 6 gestelde eis voldoen.
Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5
Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht, moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd. Indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
Artikel 1.57
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
Artikel 1.60
Artikel 1.62
De in artikel 1.72 gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.
Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6
Artikel 1.65
Artikel 1.66
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
§ 2.2.8. Gasvoerende verbindingen tussen de diverse CNG-onderdelen
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Afdeling 2. Gereserveerd
Afdeling 3. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën L
Afdeling 10. Uitzonderingen als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet, op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
Afdeling 7. Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten
Hoofdstuk 4. Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen als bedoeld in artikel 29 en 31 van de wet waarvoor inbreuken erop tot sancties aanleiding geven
§ 0. Algemeen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
§ 5. Assen
§ 5. Assen
§ 7. Stuurinrichting
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 3a. Bussen
§ 0. Algemeen
Afdeling 4. Motorfietsen
Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
§ 8. Reminrichting
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
Artikel 5.12.32. remvloeistofreservoir
| Eisen | Wijze van Keuren | |
|---|---|---|
| 1. | In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het remvloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden. |
| 2. | De vulopening van de reservoirs, bedoeld in het eerste lid, moet zijn afgesloten met een passende dop. | Visuele controle |
Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
§ 9. Carrosserie
Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
Afdeling 17. Wagens
§ 3. Brandstofsystemen en milieu
Afdeling 18. Gebruikseisen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 3. Reminrichting
B. Alle categorieën samenstellen van voertuigen
§ 2. Afmetingen en massa’s
Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 1. Algemeen
C. Landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines, alsmede daardoor voortbewogen landbouw- of bosbouwaanhangwagens, verwisselbare getrokken uitrustingsstukken en aanhangwagens van de voertuigcategorie O
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 2. Ophanging personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen, driewielige motorrijtuigen, landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuigen met beperkte snelheid en mobiele machines
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 2a. Sneeuwkettingen
§ 2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen
§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1. Roetmeters
§ 1. Algemeen
§ 8. Platenremtestbanken
§ 1.2.7. Aanwijsinrichting
§ 2. Toerentellers
§ 6. Remvertragingsmeters
§ 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 6. Remvertragingsmeters
§ 4. Tarieven
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid
Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Vervallen
Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid
Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6
Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Afdeling 1a. Aanvulling grondslagen
Artikel 1.1a
Deze regeling berust mede op de artikelen 20f, tweede lid, 21, tweede lid, onderdeel b, derde lid, onderdeel b, vierde lid, onderdeel b, en vijfde lid, 23, eerste lid, 27, tweede lid, 29, 31, 51a, derde lid, 60, tweede lid, 71, tweede lid, en 94, eerste lid, van de wet.
Afdeling 2. Besluiten van volkenrechtelijke organisaties of van één of meer instellingen van de Europese Unie
§ 1. Eisen voor de aanwijzing
Hoofdstuk 3. Nadere regels in verband met de goedkeuringen bedoeld in hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994
Artikel 3.1.3a
De Dienst Wegverkeer kan voertuigen van voertuigcategorieën M, N en O die niet aan de in artikel 3.1.2, eerste of tweede lid, of 3.1.3 bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan vrijstelling verlenen en voor deze voertuigen een nationale individuele goedkeuring verlenen.
Deze nationale individuele goedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
In het goedkeuringscertificaat voor het voertuig wordt beschreven voor welke goedkeuringseisen een vrijstelling is verleend en wordt vermeld dat om die reden het rijden met het voertuig alleen is toegestaan indien een ontheffing als bedoeld in artikel 149 of 149a van de wet aanwezig is.
Afdeling 2. Nationale goedkeuringen personenauto’s, bedrijfsauto’s en bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h
Artikel 3.2.1
Voertuigen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h die bij een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h voertuigen van voertuigcategorieën M en N zouden zijn, met een datum van eerste toelating op of na 1 januari 2021 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:
- a. de voor de overeenkomstige voertuigcategorie M respectievelijk N vastgestelde eisen in bijlage II, deel I, van verordening (EU) 2018/858 omtrent:
- 1°. veiligheidsruiten;
- 2°. voorzieningen voor indirect zicht;
- 3°. stuurinrichting;
- 4°. elektromagnetische compatibiliteit;
- 5°. snelheidsmeter;
- 6°. kilometerteller;
- 7°. snelheidsbegrenzers;
- 8°. installatie van lichtsignaal-, wegverlichtings- en retroflecterende inrichtingen;
- 9°. voorgeschreven plaat en voertuigidentificatienummer;
- 10°. geluidsniveau;
- 11°. emissie van verontreinigende stoffen;
- 12°. veiligheid van vloeibaar petroleumgas;
- 13°. veiligheid van gecomprimeerd en vloeibaar aardgas;
- 14°. veiligheid van waterstof;
- 15°. elektrische veiligheid tijdens gebruik;
- 16°. montage van banden en bandenveiligheid;
- 17°. remsysteem, met uitzondering van de eisen omtrent ABS;
- 18°. ruimte voor de kentekenplaat;
- 19°. achteruitrijbeweging;
- 20°. mechanische koppelingen; en
- 21°. ontvlambaarheid in bussen;
- b. de voor de voertuigcategorie T vastgestelde en op de voertuigcategorieën M en N toe te passen eisen in bijlage I van verordening (EU) 167/2013 omtrent voorwaarts zicht en zitplaatsen voor meerijders; en
- c. de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigsoort vastgestelde permanente eisen.
Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en c, is van overeenkomstige toepassing op de nationale individuele goedkeuring van voertuigen van voertuigcategorie O ingericht voor het vervoer van personen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h. Die voertuigen zijn:
- a. van het carrosserietype autonome aanhangwagen;
- b. niet voorzien van:
- 1°. staanplaatsen;
- 2°. meerdere passagiersdekken; of
- 3°. meer dan 25 zitplaatsen; en
- c. voorzien van:
- 1°. een vloer waarvan de hoogte niet hoger ligt dan 75 cm boven het wegdek;
- 2°. een communicatie-inrichting om te kunnen communiceren met de bestuurder indien het een gesloten ruimte betreft;
- 3°. een plaat of duidelijk opschrift hoeveel personen vervoerd mogen worden;
- 4°. minimaal één zijmarkeringslicht;
- 5°. een nooduitgang, aan een andere zijde dan de passagiersuitgangen, met een minimale afmeting van 1.200 mm bij 550 mm;
- 6°. een deur, ketting, of band op alle zitplaatstoegangen die de passagiersruimte afbakenen;
- 7°. een technische toegestane maximummassa die minimaal de rijklare massa vermeerderd met het aantal passagiersplaatsen maal 75 kg bedraagt.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de daarin bedoelde goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
De Dienst Wegverkeer stelt in elk geval alternatieve voorschriften als bedoeld in het derde lid vast voor de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
Artikel 3.2.2
Voertuigen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h die bij een maximumconstructiesnelheid van meer dan 25 km/h voertuigen van voertuigcategorieën M en N zouden zijn, met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 2021, voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:
- a. de voor de overeenkomstige voertuigcategorie vastgestelde goedkeuringseisen in bijlage IV, zoals deze bijlage luidde op 31 augustus 2020 omtrent:
- 1°. veiligheidsruiten;
- 2°. voorzieningen voor indirect zicht;
- 3°. stuurinrichting;
- 4°. elektromagnetische compatibiliteit;
- 5°. snelheidsmeter;
- 6°. snelheidsbegrenzers;
- 7°. installatie van lichtsignaal-, wegverlichtings- en retroflecterende inrichtingen;
- 8°. voorgeschreven plaat en voertuigidentificatienummer;
- 9°. geluidsniveau;
- 10°. emissie van verontreinigende stoffen;
- 11°. veiligheid van vloeibaar petroleumgas;
- 12°. veiligheid van gecomprimeerd en vloeibaar aardgas;
- 13°. veiligheid van waterstof;
- 14°. elektrische veiligheid tijdens gebruik;
- 15°. montage van banden en bandenveiligheid;
- 16°. remsysteem, met uitzondering van de eisen omtrent ABS;
- 17°. ruimte voor de kentekenplaat;
- 18°. achteruitrijbeweging;
- 19°. mechanische koppelingen; en
- 20°. ontvlambaarheid in bussen; en
- b. de voor de voertuigcategorie T vastgestelde en op de voertuigcategorieën M en N toe te passen eisen in bijlage I van verordening (EU) 167/2013 omtrent voorwaarts zicht en zitplaatsen voor meerijders; en
- c. de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
Het eerste lid, aanhef en onderdelen a en c, is van overeenkomstige toepassing op voertuigen van voertuigcategorie O ingericht voor het vervoer van personen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h. Die voertuigen zijn:
- a. van het carrosserietype autonome aanhangwagen;
- b. niet voorzien van:
- 1°. staanplaatsen;
- 2°. meerdere passagiersdekken; of
- 3°. meer dan 25 zitplaatsen; en
- c. voorzien van:
- 1°. een vloer waarvan de hoogte niet hoger ligt dan 75 cm boven het wegdek;
- 2°. een communicatie-inrichting om te kunnen communiceren met de bestuurder indien het een gesloten ruimte betreft;
- 3°. een plaat of duidelijk opschrift hoeveel personen vervoerd mogen worden;
- 4°. minimaal één zijmarkeringslicht;
- 5°. een nooduitgang, aan een andere zijde dan de passagiersuitgangen, met een minimale afmeting van 1.200 mm bij 550 mm;
- 6°. een deur, ketting, of band op alle zitplaatstoegangen die de passagiersruimte afbakenen;
- 7°. een technische toegestane maximummassa die minimaal de rijklare massa vermeerderd met het aantal passagierszitplaatsen maal 75 kg bedraagt.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de daarin bedoelde goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
De Dienst Wegverkeer stelt in elk geval alternatieve voorschriften als bedoeld in het derde lid vast voor de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
In afwijking van het eerste lid kan de Dienst Wegverkeer in verband met de goedkeuring van een voertuig met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 1978 dat in de oorspronkelijke uitvoering niet voldoet aan de op het betreffende voertuig van toepassing zijnde permanente eisen, van deze eisen vrijstelling verlenen.
Afdeling 4. Gereserveerd
Artikel 3.5.4
De Dienst Wegverkeer kan voertuigen van voertuigcategorieën T, C, R en S die niet aan de in artikel 3.5.2, eerste of tweede lid, of 3.5.3 bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan vrijstelling verlenen en voor deze voertuigen een nationale individuele goedkeuring verlenen.
Deze nationale individuele goedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
In het goedkeuringscertificaat voor het voertuig wordt beschreven voor welke goedkeuringseisen een vrijstelling is verleend en wordt vermeld dat daarom het rijden met het voertuig alleen is toegestaan indien een ontheffing als bedoeld in artikel 149 of 149a van de wet aanwezig is.
Artikel 3.6.1
Mobiele machines voldoen voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring aan:
- a. de eisen in:
- 1°. richtlijn 2006/42/EG;
- 2°. verordening (EU) 2016/1628;
- 3°. bijlage XX bij verordening (EU) 2015/208;
- 4°. VN/ECE-reglement nr. 67 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van specifieke voorzieningen en voertuigen voor het gebruik van vloeibaar petroleumgas;
- 5°. VN/ECE-reglement nr. 100 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van voertuigen wat de specifieke voorschriften voor de elektrische aandrijflijn betreft;
- 6°. VN/ECE-reglement nr. 110 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van specifieke voorzieningen en voertuigen voor het gebruik van gecomprimeerd aardgas en/of vloeibaar aardgas;
- 7°. VN/ECE-reglement nr. 115 inzake uniforme bepalingen voor de goedkeuring van specifieke retrofitsystemen voor installatie in motorvoertuigen met het oog op het gebruik van LPG of CNG als brandstof, ten aanzien van de voorschriften voor de bevestiging van LPG- en CNG-tanks;
- 8°. bijlage VII bij verordening (EU) 2015/208, ten aanzien van het gestelde omtrent het gezichtsveld;
- 9°. Verordening (EG) 79/2009 zoals deze verordening luidde op 5 juli 2022;
- 10°. Verordening (EU) 406/2010 zoals deze verordening luidde op 5 juli 2022;
- 11°. bijlage XII bij verordening (EU) 2015/208, ten aanzien van het gestelde omtrent signalisatieborden en signalisatiefolies; en
- b. de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan de Dienst Wegverkeer vrijstelling verlenen van de daarin bedoelde goedkeuringseisen en een nationale typegoedkeuring verlenen voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
Artikel 3.6.2
De Dienst Wegverkeer kan voor mobiele machines die niet aan de in artikel 3.6.1, eerste of tweede lid, bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan vrijstelling verlenen en voor deze voertuigen een nationale typegoedkeuring verlenen.
Deze nationale typegoedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften en tevens:
- a. indien de breedte meer dan 3,00 m bedraagt, een geel zwaai-, flits of knipperlicht op de mobiele machine is gemonteerd dat voldoet aan VN/ECE-reglement nr. 65 en overeenkomstig dat reglement gecertificeerd is, waarbij het licht zodanig gemonteerd is dat het signaal kan worden waargenomen rondom het voertuig vanaf een afstand van 20,00 m vanaf het voertuig, gemeten op 1,50 m boven het wegdek;
- b. indien de breedte meer dan 3,00 m bedraagt:
- 1°. de maximumconstructiesnelheid niet hoger is dan 40 km/h;
- 2°. de buitenspiegels en cameramonitoringsystemen inclusief hun armen omklapbaar zijn; en
- 3°. een markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van de mobiele machine aanwezig is die voldoet aan artikel 132 van bijlage VIII bij deze regeling;
- c. indien de massa onder een niet-geveerde aangedreven as meer is dan 12.000 kg, de maximumconstructiesnelheid niet hoger is dan 40 km/h.
In het goedkeuringscertificaat voor het voertuig wordt beschreven van welke goedkeuringseisen een vrijstelling is verleend en wordt vermeld dat om die reden het rijden met het voertuig alleen is toegestaan indien een ontheffing als bedoeld in artikel 149 of 149a van de wet aanwezig is.
Artikel 3.6.3
Mobiele machines met een datum van eerste toelating op of na 1 januari 2021 voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:
- a. de eisen in:
- 1°. richtlijn 2006/42/EG;
- 2°. verordening (EU) 2016/1628;
- 3°. bijlage XX bij verordening (EU) 2015/208;
- 4°. VN/ECE-reglement nr. 67 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van specifieke voorzieningen en voertuigen voor het gebruik van vloeibaar petroleumgas;
- 5°. VN/ECE-reglement nr. 100 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van voertuigen wat de specifieke voorschriften voor de elektrische aandrijflijn betreft;
- 6°. VN/ECE-reglement nr. 110 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van specifieke voorzieningen en voertuigen met betrekking tot de installatie van specifieke onderdelen van een goedgekeurd type voor het gebruik van gecomprimeerd aardgas (CNG) en/of vloeibaar aardgas (LNG) als brandstof;
- 7°. VN/ECE-reglement nr. 115 inzake uniforme bepalingen voor de goedkeuring van specifieke retrofitsystemen voor installatie in motorvoertuigen met het oog op het gebruik van LPG of CNG als brandstof, ten aanzien van de voorschriften voor de bevestiging van LPG- en CNG-tanks;
- 8°. bijlage VII bij verordening (EU) 2015/208, ten aanzien van het gestelde omtrent het gezichtsveld;
- 9°. Verordening (EG) 79/2009 zoals deze verordening luidde op 5 juli 2022;
- 10°. Verordening (EU) 406/2010 zoals deze verordening luidde op 5 juli 2022; en
- 11°. bijlage XII bij verordening (EU) 2015/208, ten aanzien van het gestelde omtrent signalisatieborden en signalisatiefolies; en
- b. de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, kan de Dienst Wegverkeer voor een voertuig vrijstelling verlenen van de in het eerste lid voor de desbetreffende voertuigcategorie opgenomen goedkeuringseisen en een nationale individuele goedkeuring verlenen voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
De Dienst Wegverkeer stelt in elk geval alternatieve voorschriften als bedoeld in het tweede lid vast voor de goedkeuring van voertuigen die ten behoeve van het gebruik door een gehandicapte zijn aangepast.
Artikel 3.6.4
De Dienst Wegverkeer kan voor mobiele machines die niet aan de in artikel 3.6.3, eerste of tweede lid, of 3.6.3a bedoelde goedkeuringseisen wat betreft afmetingen en massa’s kunnen voldoen, hiervan vrijstelling verlenen en voor deze voertuigen een nationale individuele goedkeuring verlenen.
Deze nationale individuele goedkeuring wordt verleend voor zover wordt voldaan aan de in verband daarmee door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften en tevens:
- a. indien de breedte meer dan 3,00 m bedraagt, een geel zwaai-, flits of knipperlicht op de mobiele machine is gemonteerd dat voldoet aan VN/ECE-reglement nr. 65 en overeenkomstig dat reglement gecertificeerd is, waarbij het licht zodanig gemonteerd is dat het signaal kan worden waargenomen rondom het voertuig vanaf een afstand van 20,00 m vanaf het voertuig, gemeten op 1,50 m boven het wegdek;
- b. indien de breedte meer dan 3,00 m bedraagt:
- 1°. de maximumconstructiesnelheid niet hoger is dan 40 km/h;
- 2°. de buitenspiegels en cameramonitoringsystemen inclusief hun armen omklapbaar zijn; en
- 3°. een markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van de mobiele machine aanwezig is die voldoet aan artikel 132 van bijlage VIII bij deze regeling;
- c. indien de massa onder een niet-geveerde aangedreven as meer is dan 12.000 kg, de maximumconstructiesnelheid niet hoger is dan 40 km/h.
In het goedkeuringscertificaat voor het voertuig wordt beschreven van welke goedkeuringseisen een vrijstelling is verleend en wordt vermeld dat om die reden het rijden met het voertuig alleen is toegestaan indien een ontheffing als bedoeld in artikel 149 of 149a van de wet aanwezig is.
Afdeling 7. Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten
Artikel 3.8.3
Reminrichtingen, verlichting, geluidsinrichtingen, spiegels en camera-monitorsystemen die zijn bedoeld om deel uit te maken van een mobiele machine voldoen voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring aan de relevante voorschriften opgenomen in hoofdstuk 5, afdeling 7a, van deze regeling.
Afdeling 10. Uitzonderingen als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet, op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
Hoofdstuk 4. Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen als bedoeld in artikel 29 en 31 van de wet waarvoor inbreuken erop tot sancties aanleiding geven
Hoofdstuk 5. Permanente eisen
Afdeling 1. Algemeen
Afdeling 2. Personenauto’s
§ 5. Assen
§ 9. Carrosserie
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 12. Diversen
Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 7. Stuurinrichting
Afdeling 3a. Bussen
§ 11. Verbinding tussen bedrijfsauto en aanhangwagen
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 4. Krachtoverbrenging
Afdeling 4. Motorfietsen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 8. Reminrichting
Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 7. Stuurinrichting
Afdeling 6. Bromfietsen
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
Artikel 5.7.10
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien een motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.7.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak; en b. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | Leden 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of laadruimte. | – |
| 6. | Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | Visuele controle. |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 7 en 8: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. |
Artikel 5.7.10a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien een motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.7.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | De vervaldatum van de goedkeuring en, indien van toepassing, van de herkwalificatie van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | Leden 6 tot en met 10: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 7. | De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 8. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 9. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 10. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. |
Artikel 5.7.10b
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien een motorrijtuig met beperkte snelheid is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.7.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De waterstoftank mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 5. | De vervaldatum van de goedkeuring en, indien van toepassing, van de herkwalificatie van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. |
| 6. | De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 6 tot en met 9: Visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig met beperkte snelheid zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 7. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 9. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
| 10. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: | |
| 11. | Motorrijtuigen met beperkte snelheid met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel aan de voor- en achterzijde als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: |
Afdeling 7a. Mobiele machines
Artikel 5.7a.0
Een mobiele machine die in gebruik is genomen na 31 december 2020, moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
Artikel 5.7a.1
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Een geregistreerde mobiele machine moet in overeenstemming zijn met de op de voor het voertuig afgegeven kentekencard en in het kentekenregister omtrent het voertuig vermelde gegevens. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De geregistreerde mobiele machine moet aan de achterzijde zijn voorzien van de juiste kentekenplaat. | |
| 3. | De kentekenplaat moet zijn voorzien van het in artikel 5 van het Kentekenreglement voorgeschreven goedkeuringsmerk en moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 4. | De kentekenplaat mag niet zijn afgeschermd en het kenteken moet goed leesbaar zijn. | Visuele controle, waarbij de letters en cijfers volledig zichtbaar moeten zijn indien de waarnemer op een afstand van 20,00 m achter het midden van de mobiele machine staat. |
| 5. | Het voertuigidentificatienummer moet in het chassis, frame of soortgelijke dragende structuur zijn ingeslagen en goed leesbaar zijn. | Leden 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van één of meerdere constructieplaten die goed leesbaar zijn en in geval een geregistreerd voertuig moeten de gegevens in overeenstemming zijn met het kentekenregister, met dien verstande dat de technisch toegestane maximummassa’s die op de constructieplaten zijn vermeld ten minste gelijk zijn aan de massa’s die zijn aangegeven in het kentekenregister. | |
| 7. | Het eerste tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op mobiele machines als bedoeld in artikel 1b van het Kentekenreglement. | – |
Artikel 5.7a.3
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van mobiele machines mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen; en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht. | Visuele controle. |
Artikel 5.7a.4
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De boven-, op- en aanbouw van mobiele machines moet deugdelijk op het onderstel zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De ondersteuning van de boven-, op- en aanbouw van mobiele machines moet deugdelijk zijn. |
Artikel 5.7a.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Mobiele machines mogen: a. niet langer zijn dan 12,00 m; b. niet breder zijn dan 3,00 m; en c. niet hoger zijn dan 4,00 m. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten, waarbij artikel 5.1a.1 van toepassing is. |
| 2. | In de afmetingen, bedoeld in het eerste lid, zijn afneembare bovenbouwen en gestandaardiseerde laadstructuren, zoals containers, inbegrepen. | |
| 3. | In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, mogen mobiele machines die zijn ingericht voor het uitvoeren van in hoofdzaak andere werkzaamheden dan het vervoer van goederen of personen niet langer zijn dan 20,00 m. |
Artikel 5.7a.7
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De last onder de assen van mobiele machines mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde technisch toegestane maximum aslasten, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden. | Leden 1 en 2: in geval van twijfel wordt het voertuig gewogen. |
| 2. | De totale massa of de som van de aslasten van mobiele machines mag niet meer bedragen dan de voor het betrokken voertuig in het kentekenregister of op de constructieplaat vermelde toegestane maximummassa, met dien verstande dat het draagvermogen van de gemonteerde banden niet mag worden overschreden. |
Artikel 5.7a.8
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Mobiele machines moeten bij voortduring voldoen aan de in het kentekenregister geregistreerde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 29a, van toepassing. | Visuele controle door middel van een beproeving op de weg. |
| 2. | Mobiele machines mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
Artikel 5.7a.9
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Alle onderdelen van brandstofsystemen moeten veilig zijn en deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 2. | De brandstofsystemen mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. Een installatie voor een al dan niet tot vloeistof verdicht gas, wordt gecontroleerd met behulp van apparatuur die lekkage vaststelt, waarbij het contact ingeschakeld moet zijn. |
| 3. | De vulopening van een brandstofreservoir moet zijn afgesloten met een passende tankdop. | Visuele controle. |
Artikel 5.7a.10
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien een mobiele machine is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.7a.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak; en b. mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de mobiele machine zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De LPG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | Leden 4 en 5: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of laadruimte. | – |
| 6. | Het vullen van de tank mag alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij deze is beschermd tegen vuil en water. | Visuele controle. |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 7 en 8: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. |
Artikel 5.7a.10a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien een mobiele machine is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.7a.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de mobiele machine zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4. | De CNG- of LNG-tank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5. | De vervaldatum van de goedkeuring en, indien van toepassing, van de herkwalificatie van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. |
| 6. | Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | Leden 6 tot en met 10: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 7. | De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 8. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 9. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 10. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. |
Artikel 5.7a.10b
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1 | Indien een mobiele machine is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.7a.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2 | De waterstoftank mag geen deuken vertonen. | Visuele controle, zo nodig terwijl de mobiele machine zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt. |
| 3 | De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | Visuele controle. |
| 4 | De waterstoftank moet zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | De wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 5 | De vervaldatum van de goedkeuring en, indien van toepassing, van de herkwalificatie van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. |
| 6 | De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 6 tot en met 9: de wijze van keuren bij het tweede lid is van toepassing. |
| 7 | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 8 | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 9 | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
| 10 | Mobiele machines voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: [956640-004.eps] |
Artikel 5.7a.11
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Mobiele machines met een verbrandingsmotor moeten zijn voorzien van een uitlaatsysteem dat over de gehele lengte gasdicht is, met uitzondering van de afwateringsgaatjes. | Visuele en auditieve controle met draaiende motor. |
| 2. | Het uitlaatsysteem moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 3. | Het uitlaatsysteem moet behoorlijk geluiddempend zijn. | Auditieve controle. |
Artikel 5.7a.11a
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Onderdelen van mobiele machines, niet zijnde onderdelen van het brandstofsysteem, het remsysteem, de stuurbekrachtiging of het veersysteem, mogen geen overmatige lekkage van vloeistof, met uitzondering van water, vertonen. | Visuele controle. |
Artikel 5.7a.12
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van mobiele machines moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van mobiele machines moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. |
Artikel 5.7a.12a
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven of hybride elektrische mobiele machines: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; en f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle. |
Artikel 5.7a.13
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De motorsteunen moeten deugdelijk aan het chassis dan wel aan de carrosserie, alsmede aan de motor, zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
Artikel 5.7a.14
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Mobiele machines moeten zijn voorzien van een inrichting om achteruit te rijden. | Visuele controle. |
Artikel 5.7a.15
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Mobiele machines met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h moeten zijn voorzien van een goed werkende snelheidsmeter die ook bij nacht voor de bestuurder goed afleesbaar is. | Visuele controle. |
Artikel 5.7a.16
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De aandrijving en de bevestiging daarvan moeten deugdelijk zijn. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Visuele controle. |
Artikel 5.7a.18
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. Hieraan wordt voor wat betreft wielgeleidingselementen voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een wielgeleidingselement is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. Indien er sprake is van corrosie ter plaatse van de bevestiging is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. |
Artikel 5.7a.19
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
Artikel 5.7a.20
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid, al dan niet met behulp van apparatuur. |
Artikel 5.7a.24
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen onderscheidenlijk velgen mogen geen breuken, scheuren, ondeugdelijk laswerk, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.7a.25
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De wielnaven moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
Artikel 5.7a.26
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Stabilisatoren moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Visuele controle. |
Artikel 5.7a.27
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van banden of rupsbanden, waarvan het loopvlak niet bestaat uit metaal of een materiaal dat voor wat betreft hardheid en vervormbaarheid dezelfde eigenschappen heeft. | Visuele controle. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid inzake het loopvlak, is niet van toepassing op mobiele machines als bedoeld in artikel 1b van het Kentekenreglement. | |
| 3. | De luchtbanden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 4. | De luchtbanden mogen geen uitstulpingen vertonen. | Leden 4 en 5: visuele controle. |
| 5. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. | |
| 6. | De profilering van de hoofdgroeven van de banden die van fabriekswege profiel hebben van mobiele machines moet over de gehele omtrek van het loopvlak ten minste 1,6 mm bedragen, met uitzondering van de slijtage-indicatoren. | Visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. In geval van twijfel wordt de profieldiepte gemeten met een profieldieptemeter. De minimale profieldiepte wordt gemeten in de brede groeven waarin door de fabrikant de maximale diepte is bepaald, alsmede in de groeven waarin een slijtage-indicator aanwezig is. |
Artikel 5.7a.28
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de mobiele machine is voorzien van een veersysteem, moet dit goed werken. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken, ernstige lekkage of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest of gerepareerd. Bij luchtveerbalgen mogen de koordlagen zichtbaar zijn, maar niet beschadigd. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | |
| 3. | Indien de mobiele machine is voorzien van schokdempers, moeten deze deugdelijk zijn bevestigd en goed werken |
Artikel 5.7a.29
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van een deugdelijke stuurinrichting. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De bestuurde wielen moeten goed reageren op de draaiing van de stuurbediening. | |
| 3. | De stuurinrichting mag niet zijn voorzien van een uitsluitend elektrische overbrenging dan wel een uitsluitend pneumatische overbrenging. | |
| 4. | Bij draaiing van de stuurbediening tot aan de aanslagen, mogen geen weerstanden voelbaar zijn en moeten de wielen onderscheidenlijk de banden vrij kunnen draaien. | Visuele controle, waarbij indien noodzakelijk de stuurbekrachtiging in werking is gesteld. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand bewogen waarbij de bestuurde wielen gedeeltelijk mogen worden ontlast. |
| 5. | De voor de overbrenging van de stuurbeweging bestemde onderdelen: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met alle daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen geen breuken of scheuren vertonen; c. mogen niet zijn vervormd; en d. mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie, is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. De stuurbediening wordt met krachtige korte bewegingen naar links en naar rechts gedraaid, waarbij de massa van de mobiele machine op de wielen rust. |
| 6. | Koppelingen moeten een zichtbaar spelingsvrije overbrenging kunnen bewerkstelligen. | Leden 6 en 7: visuele controle. |
| 7. | Flexibele koppelingen mogen niet in ernstige mate zijn gescheurd. | |
| 8. | De verbindingen in het stangenstelsel mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 52, van toepassing. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 9. | De stuurbekrachtiger moet goed werken. | Voor de controle van de stuurbekrachtiger wordt bij uitgeschakelde motor het stuurwiel naar links en rechts bewogen. Vervolgens wordt met draaiende motor het stuurwiel opnieuw naar links en rechts bewogen, hierbij moet de werking van de stuurbekrachtiger voelbaar zijn. |
| 10. | Slangen ten behoeve van de stuurbekrachtiger mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is en mogen geen bewegende delen raken. | Leden 10 en 11: visuele controle. |
| 11. | Stofhoezen van het stuurhuis en de stuurkogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 12. | De onderdelen van een volledig hydraulische stuurinrichting mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. Het stuurwiel wordt bij stationair draaiende motor in de uiterste stand gedraaid en gehouden. |
Artikel 5.7a.31
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van een goedwerkende reminrichting waarvan de: a. onderdelen deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. onderdelen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. onderdelen niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; d. onderdelen geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; en e. remschijven geen dusdanige slijtage vertonen dat er kans op breuk ontstaat. | – Onderdeel a tot en met c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle. In geval van twijfel wordt het remsysteem onder druk gezet. – Onderdeel e: visuele controle. |
| 2. | De rembekrachtiger en de hydraulische remkrachtregelaar moeten goed functioneren. | Controle waarbij de rem in werking wordt gesteld bij draaiende motor. |
| 3. | De compressor en de drukregelaar moeten goed werken en tijdig in werking treden. | Visuele controle met behulp van de dashboardmeter(s) door bij draaiende motor het rempedaal diverse malen in te trappen. |
| 4. | Bij hydraulische remsystemen mag bij het bedienen van het rempedaal de slag van het pedaal niet door een aanslag worden beperkt, tenzij de bediening van de hydraulische remsystemen vanuit een energievoorraad wordt gevoed. | Controle door het rempedaal in te trappen. |
| 5. | Rempedalen moeten een stroef oppervlak hebben en deugdelijk functioneren, alsmede in voorkomend geval zijn voorzien van een deugdelijke koppeling tussen het linker- en rechterrempedaal. | Visuele controle. |
| 6. | Remslangen mogen: a. niet in ernstige mate zijn misvormd; b. niet langs andere voertuigdelen schuren; en c. geen zodanige beschadigingen vertonen dat het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. | – Onderdeel a: visuele controle. – Onderdeel b: visuele controle. De bestuurde wielen worden naar de uiterste linker- en rechterstuurstand gebracht. – Onderdeel c: visuele controle. |
| 7. | Remleidingen mogen geen knikken vertonen. | Visuele controle. |
| 8. | Wielen die zijn voorzien van een trommelrem, moeten in onberemde toestand in beide richtingen kunnen draaien zonder dat de remvoering aanloopt. De remvoering van wielen van een schijfrem, mag in onberemde toestand in beide richtingen enigszins slepen. | Controle door de wielen vrij van de grond met de hand rond te draaien. |
| 9. | De remtrommel of remschijf mag tijdens het remmen niet worden geraakt door delen die zijn bestemd als drager of bevestigingsmiddel van de remvoering. | Visuele controle. Indien de remvoering niet zonder demontage zichtbaar te maken is, moet de rem in werking worden gesteld terwijl het wiel met de hand of met behulp van een wielspinner wordt rondgedraaid. Hierbij mogen geen schurende geluiden van metaal op metaal hoorbaar zijn. |
| 10. | De noodzakelijke bewegingsvrijheid van de remonderdelen mag niet worden beperkt. | Visuele controle. |
| 11. | Remcilinders moeten zijn voorzien van stofhoezen die niet in ernstige mate mogen zijn beschadigd. | Visuele controle. De hoezen worden gecontroleerd voor zover dit mogelijk is zonder demontage. |
| 12. | De onderdelen van een antiblokkeersysteem: a. moeten deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. mogen niet in ernstige mate door corrosie zijn aangetast; c. mogen niet zijn beschadigd, gescheurd, gebroken; en d. mogen geen lekkage vertonen. | Visuele controle. |
| 13. | De waarschuwingsinrichting van het antiblokkeersysteem mag geen defect aangeven. | Wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat het systeem niet goed functioneert, wordt ervan uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.7a.32
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | In het hydraulisch remsysteem moet voldoende vloeistof aanwezig zijn. | Visuele controle, waarbij het vloeistofniveau zich niet onder de minimumaanduiding mag bevinden, of auditieve controle, waarbij ervan wordt uitgegaan dat niet aan deze eis is voldaan wanneer na het starten van de motor een optisch of akoestisch waarschuwingssignaal wordt afgegeven dat onvoldoende vloeistof aanwezig is. |
| 2. | Indien aanwezig moet de vulopening van het remsysteem of van het reservoir zijn afgesloten met een passende dop. | Visuele controle. |
Artikel 5.7a.33
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Mobiele machines met een drukluchtremsysteem, moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de energievoorraad in een van de bedrijfskringen onder de vereiste minimumdruk is gedaald. | Visuele of auditieve controle, door om de beurt de bedrijfsremkringen leeg te laten lopen en weer te vullen. |
Artikel 5.7a.34
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Mobiele machines met een veerrem moeten zijn voorzien van een optische of akoestische waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de veerrem in werking is gesteld. | Visuele of auditieve controle, terwijl de veerrem in werking wordt gesteld. |
Artikel 5.7a.36
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De slag van drukluchtremcilinders die door middel van een nok een trommelrem bedienen, mag niet worden begrensd door delen die daar niet voor zijn bestemd. | Visuele controle, waarbij de rem in werking wordt gesteld. |
| 2. | De slag van drukluchtremcilinders van trommelremmen mag vanuit onberemde toestand tot in beremde stand niet groter zijn dan twee derde deel van de maximumslag van de betrokken remcilinder. | Visuele controle, waarbij de rem maximaal in werking wordt gesteld. In geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.7a.38
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem die ten minste op één as werkt. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Mobiele machines moeten tevens zijn voorzien van een hulprem. | |
| 3. | De bedrijfsrem en de hulprem mogen gemeenschappelijke delen hebben. | |
| 4. | Mobiele machines met een maximumconstructiesnelheid van: a. meer dan 40 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,5 m/s2 bedraagt; b. meer dan 30 km/h maar niet meer dan 40 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,1 m/s2 bedraagt; c. niet meer dan 30 km/h moeten zijn voorzien van een bedrijfsrem, waarvan de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,4 m/s2 bedraagt. | Leden 4 en 5: visuele controle door middel van een beproeving op de weg. De snelheid moet bij de aanvang van de remproef de maximumconstructiesnelheid bedragen met een maximum van 40 km/h. De remvertraging wordt met een elektronische zelfregistrerende remvertragingsmeter als volgt vastgesteld: a. indien op de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de minimaal behaalde remvertraging; b. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a kan worden vastgesteld, geldt de waarde die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten waarden die gelijk of groter zijn aan de minimaal vereiste remvertraging en gedurende minimaal een halve seconde zijn gemeten; c. indien de remvertraging niet volgens onderdeel a of b kan worden vastgesteld, geldt als remvertraging de waarde die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld: 1°. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de hoogst behaalde waarde van remvertraging bepalend; 2°. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de waarde van de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend. Indien op een remtestinrichting kan worden vastgesteld dat de remvertraging voldoet, kan de beproeving op de weg achterwege gelaten worden. De bij de remproef behaalde remvertraging wordt berekend door de remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de in het kentekenregister vermelde massa in rijklare toestand. |
| 5. | Het voertuig mag bij het gebruik van de rem of remsystemen geen zijwaartse beweging maken, tenzij dit ten behoeve van sturen bedoeld is. |
Artikel 5.7a.39
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Van mobiele machines moet één van de remmen in aangezette toestand kunnen worden vastgezet, tenzij een afzonderlijke vastzetinrichting aanwezig is. | Visuele controle. |
Artikel 5.7a.41
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De deuren van mobiele machines moeten goed sluiten. Minimaal één deur die direct toegang geeft tot de bestuurdersruimte, moet op zowel vanaf de binnenzijde als vanaf de buitenzijde kunnen worden geopend. | Visuele controle, waarbij de deuren worden geopend en gesloten. |
Artikel 5.7a.42
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Voor- en zijruiten van mobiele machines mogen: a. niet in ernstige mate beschadigd zijn; b. niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren. | Visuele controle. |
| 2. | Mobiele machines moeten zodanig zijn gebouwd of ingericht dat er vanaf de bestuurderszitplaats voldoende uitzicht naar voren en opzij is. | Visuele controle, door een persoon van gemiddeld gestalte die op gebruikelijke wijze is gezeten op de voor hem in de juiste rijstand gestelde bestuurderszitplaats. Hierbij is het toegestaan dat de bestuurder zittende op de bestuurdersplaats zich zijwaarts verplaatst om de onderbreking van het zicht te beperken. In geval van twijfel wordt gemeten volgens de volgende methode: – vanuit een punt op de grond recht onder de oogpunten van de bestuurder wordt een halve denkbeeldige cirkel getrokken van 12,00 m; – naar voren gezien mogen binnen een afstand van 9,50 m op dezelfde hoogte als de denkbeeldige cirkel één of twee objecten van maximaal 0,70 m breed zijn afgeschermd. Een onderbreking van het zicht op de cirkel met een straal van 12,00 m vanuit de oogpunten van de bestuurder, buiten het zicht naar voren binnen 9,50 m, zowel links als rechts, mag niet groter zijn dan 5,5 m gemeten op de omtrek van die cirkel. |
| 3. | Om te voldoen aan het tweede lid mogen ook voorzieningen voor indirect zicht worden gebruikt. |
Artikel 5.7a.43
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Mobiele machines met een voorruit, moeten zijn voorzien van een goed werkende ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft. De installatie mag niet door handkracht worden aangedreven. | Visuele controle. Indien bij het in werking stellen van de installatie ten minste één stand, niet zijnde een intervalstand, werkt, blijft verdere controle achterwege. |
Artikel 5.7a.45
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van een linkerbuitenspiegel of camera-monitorsysteem. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 136a van toepassing. |
| 2. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van een rechterbuitenspiegel of camera-monitorsysteem. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 137a van toepassing. |
| 3. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van spiegels waarmee de bestuurder het wegdek naast het voertuig aan de linker- en rechterzijde kan overzien of camera-monitorsysteem. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 142a van toepassing. |
| 4. | Indien een spiegel als bedoeld in het derde lid of camera-monitorsysteem is gemonteerd, moet deze zodanig zijn aangebracht dat geen enkel punt van de spiegel, camera-monitorsysteem of van de steun waarop deze is gemonteerd, zich op een hoogte van minder dan 2,00 m boven het wegdek bevindt. Indien de hoogte van de cabine zodanig is dat niet aan dit voorschrift kan worden voldaan, mag het voertuig niet van een spiegel als bedoeld in het derde lid zijn voorzien. | Leden 4 tot en met 6: visuele controle. |
| 5. | De spiegels en camera-monitorsystemen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | |
| 6. | Het spiegelglas van de verplichte spiegels mag geen verschijnselen van breuk vertonen en mag niet in ernstige mate zijn verweerd. | |
| 7. | Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op mobiele machines met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h waarbij de bestuurder de vereiste gezichtsvelden, bedoeld in bijlage VIII, artikelen 136a en 137a, kan verkrijgen door direct zicht. | Leden 7 en 8: visuele controle, door een persoon van gemiddeld gestalte die op gebruikelijke wijze zit of staat, waarbij een aanwezige zitplaats in de juiste rijstand is afgesteld. Hierbij mogen het hoofd en bovenlichaam bewogen worden. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 8. | Het derde lid is niet van toepassing op mobiele machines waarbij de bestuurder de vereiste gezichtsvelden, bedoeld in bijlage VIII, artikel 142a, kan verkrijgen door direct zicht. |
Artikel 5.7a.46
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De zitplaatsen van mobiele machines moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld. | Visuele controle. |
Artikel 5.7a.47
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Indien mobiele machines zijn voorzien van gordels, moeten deze: a. deugdelijk zijn bevestigd en mogen deze niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging; en b. zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | – Onderdeel a: visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. – Onderdeel b: visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel indien dit geen uitsluitsel biedt, moet tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel worden gecontroleerd. |
Artikel 5.7a.48
| 1. | Scherpe of uitstekende delen aan de voor- en achterzijde van mobiele machines die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd. | Visuele controle. |
|---|---|---|
| 2. | Scherpe of uitstekende delen aan de zijkanten van mobiele machines die in geval van botsing het gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers aanzienlijk kunnen vergroten, moeten zijn afgeschermd. | Visuele controle, waarbij het beoordelingsgebied is gelegen aan beide zijkanten en wordt begrensd door de buitenrand van het voertuig uitgezonderd de delen die gelegen zijn op meer dan 80 mm vanaf de buitenrand van het voertuig in de richting van het middenlangsvlak. De buitenrand van het voertuig is de zijrand van het voertuig die met een verticale lijn met een lengte van 2 m, haaks op het middenlangsvlak van het voertuig, als eerste wordt geraakt. De bolling van de banden boven het wegdek wordt daarbij buiten beschouwing gelaten. Voor de buitenrand van het beoordelingsgebied van het voertuig die in de lengterichting achter de grootste breedte is gelegen wordt de grootste breedte van het voertuig gehanteerd. De bolling van de banden boven het wegdek wordt daarbij buiten beschouwing gelaten. De delen van het voertuig gelegen achter de grootste breedte van het voertuig en die een snij- of prikfunctie hebben en direct raakbaar zijn met de verticale 2 m lijn moeten zijn afgeschermd, ook als die zijn gelegen buiten het beoordelingsgebied. |
| 3. | Onverminderd het tweede lid mag het buitenoppervlak aan elke zijkant van de mobiele machine geen naar buiten gerichte delen bevatten waaraan andere weggebruikers kunnen blijven haken. | Leden 3 en 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | Het eerste tot en met derde lid zijn niet van toepassing op voertuigdelen die zich hoger dan 2,00 m boven het wegdek bevinden. | |
| 5. | Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op: a. buitenachteruitkijkspiegels, met inbegrip van de steunen ervan; b. rupskettingen en delen van een rupsband of -ketting die zich bevinden in het door de buitenste rand van de rupsband; c. wielen en wielafschermingen die zich bevinden in het door de buitenzijkant van de banden gevormde verticale vlak; d. opstappen en treden, met inbegrip van de steunen ervan; e. mechanische, elektrische, pneumatische of hydraulische verbindingen, met inbegrip van de steunen ervan; f. scharnierstructuren op inklapbare kantelbeveiligingsinrichtingen; g. bandenspanningsmeters en inrichtingen of leidingen om de banden op te pompen of leeg te laten lopen; h. antislipinrichtingen op de wielen; i. delen, niet zijnde direct raakbare delen met een snij- of prikfunctie, die zijn gemarkeerd met een breedtemarkering die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen; en j. zijrichtingaanwijzers, markeringslichten, stads- en achterlichten, parkeerlichten, retroreflectoren, markeringen van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig en de rode reflector in de vorm van een afgeknotte driehoek. | |
| 6. | De wielen onderscheidenlijk banden van mobiele machines met een maximumconstructiesnelheid van meer dan 40 km/h, niet zijnde voertuigen breder dan 2,55 m waarbij de montage van afscherming onverenigbaar is in verband met de noodzakelijke bewegingsvrijheid van de wielen in ruw terrein, moeten aan de bovenzijde voor ten minste twee derde deel van de totale breedte van de banden zijn afgeschermd, onverminderd het bepaalde in artikel 5.18.32, tweede lid. De voorste en de achterste rand van de afscherming moeten een hoek van ten minste 90 graden afdekken. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 7. | De wielen onderscheidenlijk banden van mobiele machines mogen niet aanlopen. | Leden 7 en 8: Visuele controle. |
| 8. | Geen deel van de buitenzijde van de mobiele machine mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
Artikel 5.7a.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Mobiele machines moeten zijn voorzien van: a. twee dimlichten; b. twee stadslichten; c. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig, alsmede waarschuwingsknipperlichten; d. twee achterlichten; e. twee remlichten; f. twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; g. ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; h. achterkentekenplaatverlichting, indien het voertuig kentekenplichtig is; i. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig die voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen, indien het voertuig breder is dan 2,55 m; j. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien het voertuig niet is voorzien van een kentekenplaat; k. één of meer gele zwaai-, flits- of knipperlichten, indien het voertuig breder is dan 2,60 m, waarbij wordt voldaan aan de eisen die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, tweede lid, van het RVV 1990. | – Onderdelen a tot en met f: visuele controle. – Onderdeel g: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen h tot en met k: visuele controle. |
| 2. | Het bepaalde in het eerste lid, aanhef en onderdeel e, is niet van toepassing op mobiele machines die een maximumconstructiesnelheid van niet meer dan 25 km/h hebben, die hydrostatisch worden aangedreven en waarbij de hydrostatische aandrijving tevens dienst doet als reminrichting. | Visuele controle. |
Artikel 5.7a.53
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De dimlichten en stadslichten mogen niet anders dan wit of geel licht uitstralen. | Leden 1 tot en met 5: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De richtingaanwijzers en zijrichtingaanwijzers, alsmede de waarschuwingsknipperlichten mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit licht en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood licht uitstralen. Zijrichtingaanwijzers mogen naar de zijkant niet anders dan ambergeel licht uitstralen. | |
| 3. | De achterlichten mogen niet anders dan rood licht uitstralen. | |
| 4. | De remlichten mogen niet anders dan rood of ambergeel licht uitstralen. | |
| 5. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit stralen en mag niet naar achteren uitstralen. |
Artikel 5.7a.55
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.7a.51 bedoelde lichten moeten goed werken. Indien een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. De schakelaar moet automatisch in de ingeschakelde stand blijven staan. |
| 2. | De lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 4. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 5. | De in artikel 5.7a.51 bedoelde lichten en retroreflectoren mogen, voor zover het het lichtdoorlatend gedeelte betreft, ten hoogste 25% zijn afgeschermd. | Leden 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | De in artikel 5.7a.51 bedoelde retroreflectoren mogen geen gebreken vertonen, die de retroreflectie beïnvloeden. | |
| 7. | De elektrische schakeling van de dimlichten en de stadslichten moet zodanig zijn uitgevoerd dat de dimlichten en de extra dimlichten dan wel de stadslichten en de extra stadslichten niet tegelijk kunnen zijn ingeschakeld. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.7a.56
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
Artikel 5.7a.57
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Mobiele machines mogen zijn voorzien van: a. meerdere grote lichten, waarvan tegelijkertijd niet meer dan vier grote lichten mogen werken; b. twee extra dimlichten; c. twee extra stadslichten; d. twee mistvoorlichten; e. één of twee mistachterlichten; f. twee of vier parkeerlichten; g. één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig; h. twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig; i. ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van het voertuig, indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn; j. één of twee achteruitrijlichten; k. twee of vier markeringslichten aan de voorzijde en twee of vier markeringslichten aan de achterzijde; l. staaklichten; m. zijmarkeringslichten; n. twee extra richtingaanwijzers en waarschuwingsknipperlichten aan de voor- en achterzijde van het voertuig; o. werklichten; p. twee extra remlichten of één derde remlicht; q. twee dagrijlichten; r. bochtverlichting; s. hoeklichten. t. markering van de breedte aan de voor- en achterzijde van het voertuig; u. één rode retroreflector aan de achterzijde van het voertuig, in de vorm van een afgeknotte driehoek die voorzien is van een goedkeuringsmerk waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikel 123, van toepassing is, indien deze retroreflector niet reeds op grond van artikel 5.7a.51, eerste lid, aanhef en onderdeel j, verplicht is; v. verlichting die tijdens werkzaamheden op het wegdek een projectie maakt ter waarschuwing van andere verkeersdeelnemers. | – Onderdelen a tot en met h: visuele controle. – Onderdeel i: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. – Onderdelen j tot en met v: visuele controle. |
| 2. | Mobiele machines mogen zijn voorzien van extra witte retroreflecterende voorzieningen aan de voorzijde, extra rode aan de achterzijde en extra ambergele aan de zijkanten van het voertuig. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | Mobiele machines mogen zijn voorzien van een ambergele of witte opvallende markering aan de zijkant van het voertuig of van een ambergele of rode opvallende markering aan de achterkant van het voertuig. |
Artikel 5.7a.57a
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Mobiele machines in gebruik voor werkzaamheden die zijn vastgesteld krachtens artikel 30, eerste lid, van het RVV 1990, mogen zijn voorzien van gele zwaai-, flits- of knipperlichten. | Visuele controle. |
Artikel 5.7a.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het mistvoorlicht, het dimlicht, het groot licht en het stadslicht mogen naar voren niet anders dan wit of geel licht uitstralen. | Leden 1 tot en met 9: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | De mistachterlichten mogen niet anders dan rood licht uitstralen. | |
| 3. | De parkeerlichten mogen naar voren niet anders dan wit licht en naar achteren niet anders dan rood licht uitstralen. Indien de parkeerlichten zijn samengebouwd met de richtingaanwijzers, mogen zij ambergeel licht uitstralen. | |
| 4. | De extra richtingaanwijzers en extra waarschuwingsknipperlichten, alsmede de zijrichtingaanwijzers, mogen naar voren niet anders dan ambergeel of wit licht uitstralen en naar achteren niet anders dan ambergeel of rood licht uitstralen. | |
| 5. | De zijmarkeringslichten mogen niet anders dan ambergeel licht uitstralen, met uitzondering van het achterste zijmarkeringslicht, dat ambergeel dan wel rood licht mag uitstralen. | |
| 6. | De markeringslichten en staaklichten mogen naar voren niet anders dan wit licht uitstralen en naar achteren niet anders dan rood licht uitstralen. | |
| 7. | De dagrijlichten, hoeklichten en bochtlichten mogen niet anders dan wit licht uitstralen. | |
| 8. | Het derde remlicht mag niet anders dan rood licht uitstralen. | |
| 9. | De achterkentekenplaatverlichting mag niet anders dan wit licht uitstralen en mag niet naar achteren uitstralen. |
Artikel 5.7a.59a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De in artikel 5.7a.57 bedoelde lichtarmaturen en de onderdelen daarvan moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De glazen van de lichtarmaturen mogen niet zodanig zijn beschadigd, gerepareerd of bewerkt dat de lichtopbrengst en het lichtbeeld dan wel de functie nadelig worden beïnvloed. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 128, van toepassing. | |
| 3. | Lichten met dezelfde functie moeten nagenoeg van gelijke grootte, gelijke kleur en gelijke sterkte zijn. Lichten en retroreflecterende voorzieningen met dezelfde functie moeten nagenoeg symmetrisch links en rechts van het midden van het voertuig zijn bevestigd. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.7a.59b
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De mistvoorlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 114a en 114b, van toepassing is. | – |
| 2. | De extra dimlichten moeten goed zijn afgesteld, waarbij het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 113 en 114, van toepassing is. | – |
Artikel 5.7a.61
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De richtingaanwijzers, stadslichten, parkeerlichten en achterlichten, bedoeld in de artikelen 5.7a.51 en 5.7a.57, en de rode retroreflectoren aan de achterzijde, bedoeld in artikel 5.7a.51, zijn aangebracht op een afstand van niet meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Indien het voertuig breder is dan 2,55 m en de montage in het desbetreffende gebied op het voertuig door opspattend zand en vuil van de banden onverenigbaar is, mogen in afwijking van het eerste lid de richtingaanwijzers, achterlichten en rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig op een afstand van meer dan 0,50 m vanaf het punt van de grootste breedte van het voertuig zijn aangebracht, doch niet meer dan noodzakelijk, mits de markering van de breedte aan de achterzijde van het voertuig voldoet aan de in bijlage VIII, artikelen 132 en 133, gestelde eisen. |
Artikel 5.7a.62
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Het ingeschakeld zijn van het mistachterlicht of de mistachterlichten moet door middel van een controlelampje aan de bestuurder kenbaar worden gemaakt. | Visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
Artikel 5.7a.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Mobiele machines mogen, met uitzondering van grote lichten en werklichten, niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Mobiele machines mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers en de waarschuwingslichten, niet zijn voorzien van knipperende lichten. | |
| 3. | In afwijking van het tweede lid, mogen de zijmarkeringslichten van mobiele machines synchroon met de richtingaanwijzers aan dezelfde kant van het voertuig meeknipperen. |
Artikel 5.7a.65
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Mobiele machines mogen niet zijn voorzien van: a. meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.7a.51, 5.7a.57 en 5.7a.57a is voorgeschreven of toegestaan; en b. in het voertuig aanwezige lichten of objecten die licht uitstralen naar de buitenzijde van het voertuig. | Visuele controle. Indien lichtarmaturen aanwezig zijn voor lichten die niet zijn voorgeschreven dan wel toegestaan, mogen de lichten hiervan niet werken. |
| 2. | Mobiele machines mogen niet zijn voorzien van lichtarmaturen voor blauwe zwaai-, flits- of knipperlichten of voorzieningen die de indruk wekken dat het voertuig is voorzien van een dergelijke lichtarmatuur. | Visuele controle. |
Artikel 5.7a.66
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien een mobiele machine is voorzien van een inrichting voor het koppelen van een aanhangwagen of verwisselbaar uitrustingsstuk, moet deze inrichting deugdelijk zijn bevestigd en mag deze niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn, onverminderd het bepaalde in artikel 5.7a.68, tweede lid, aanhef en onderdeel h. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De voor de overbrenging van de krachten noodzakelijke onderdelen van de in het eerste lid bedoelde inrichting mogen niet gescheurd, gebroken, vervormd, in ernstige mate door corrosie zijn aangetast, dan wel overmatig gesleten zijn. | |
| 3. | De bedieningsorganen van de inrichting voor het koppelen van een aanhangwagen moeten gemakkelijk bereikbaar zijn en gemakkelijk en zonder gevaar te bedienen zijn. | |
| 4. | De achtertraverse met inbegrip van alle profielen die daar deel van uitmaken, moet deugdelijk zijn bevestigd en mag: geen breuken of scheuren vertonen, en niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. |
Artikel 5.7a.67
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Indien een mobiele machine is voorzien van een koppelingskogel met een nominale diameter van: a. 50 mm, moet de diameter van de kogel ten minste 49,0 mm bedragen; b. 80 mm, moet de diameter van de kogel ten minste 78,5 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
Artikel 5.7a.68
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien een mobiele machine is voorzien van een vangmuilkoppeling met een nominale pendiameter van: a. 25 mm, moet de pendiameter ten minste 23,0 mm bedragen; b. 32 mm, moet de pendiameter ten minste 30,0 mm bedragen; c. 36 mm, moet de pendiameter ten minste 34,0 mm bedragen; d. 38 mm, moet de pendiameter ten minste 36,0 mm bedragen; e. 40 mm, moet de pendiameter ten minste 36,5 mm bedragen; f. 50 mm, moet de pendiameter ten minste 46,0 mm bedragen; g. 57,5 mm, moet de pendiameter ten minste 55,0 mm bedragen. | Het contactgedeelte van de pen met het trekoog wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | De koppelingen, bedoeld in het eerste lid, moeten voldoen aan de volgende eisen: a. de opwaartse speling van de pen mag niet meer dan 5 mm bedragen; b. de radiale speling in de onderste bus mag niet meer dan 2 mm bedragen; c. de onderste lagerbus mag niet loszitten en de bevestiging ervan mag niet zijn uitgeslagen; d. de sluit- en borginrichting moet goed functioneren; e. de radiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk mag niet meer dan 2 mm bedragen; f. axiale speling van de trekstang in de lagering in de achterbalk is niet toegestaan; g. de bevestigingsmoer van de trekstang moet deugdelijk vastzitten en moet goed geborgd zijn; en h. het gedeelte van de vangmuil dat als geleiding voor het trekoog tijdens het aankoppelen is bedoeld, mag tekenen van vervorming, van scheuren of van uitgebroken delen vertonen, mits daardoor de sterkte of het functioneren van de koppeling met inbegrip van de sluit- en borginrichting niet wordt aangetast. Herstel daarvan door middel van lassen is toegestaan. | – Onderdeel a: de pen wordt omhoog bewogen met behulp van bijvoorbeeld een schroevendraaier, waarbij de koppeling gesloten moet zijn en de handborg of controlestift voor zover mogelijk buiten werking moet zijn gesteld, teneinde de speling in het sluitingsmechanisme en de bovenste lagerbus van de pen bij de beoordeling te betrekken. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. – Onderdeel b: in geval van twijfel meten met bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. – Onderdeel c: visuele controle. – Onderdeel d: visuele controle, terwijl de koppeling wordt geopend en gesloten. – Onderdeel e: de trekstang wordt op- en neerwaarts en van links naar rechts bewogen. In geval van twijfel wordt gemeten met bijvoorbeeld een stukje haaks omgezet rondstaal van 2 mm. – Onderdeel f: de trekstang wordt axiaal bewogen. – Onderdeel g: visuele controle. Een eventuele stofkap wordt verwijderd. – Onderdeel h: visuele controle. |
Artikel 5.7a.69
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien een mobiele machine is voorzien van een schotelkoppeling van 2 of 3,5 inch, mag: a. de onvlakheid van de schotel niet meer dan 3,5 mm bedragen; en b. de onvlakheid van de schotel, in afwijking van het bepaalde in onderdeel a, voor wat betreft de uiterste linker- en rechterzijde over een breedte van 50 mm, gemeten vanaf de buitenzijde van de schotel, niet meer dan 5 mm bedragen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen over het hart van de schotel gemeten. |
| 2. | Dit eerste lid is niet van toepassing op kunststofdelen op de schotelkoppeling die bedoeld zijn als slijtvlak | – |
| 3. | Een schotelkoppeling moet deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. |
| 4. | De speling in de sluitinrichting van een schotelkoppeling van 2 inch mag, uitgaande van een niet gesleten 2 inch pen, in de lengterichting van het voertuig niet meer dan 2 mm bedragen. | In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. Controle geschiedt met behulp van: een standaard pen van 2 inch, die voldoet aan de nieuwmaat toleranties en voorzien is van een vlakke plaat waarbij het uitstekende deel van de pen een hoogte heeft van ten minste 82,5 en ten hoogste 82,7 mm, dan wel een oplegger met een pen van 2 inch daarbij rekening houdend met een eventuele gemeten slijtage van de pen. In geval van twijfel wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 5. | De sluit- en borginrichting moet goed functioneren. | Visuele controle terwijl de sluit- en borginrichting wordt geopend en gesloten. |
Artikel 5.7a.70
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Indien een mobiele machine is voorzien van een penkoppeling met een nominale diameter van: a. 30 mm, moet de pendiameter ten minste 28,0 mm bedragen; b. 30,6 mm, moet de pendiameter ten minste 28,6 mm bedragen; c. 44,5 mm, moet de diameter van de pen ten minste 41,0 mm bedragen. | Het contactgedeelte van de pen met het trekoog wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
Artikel 5.7a.71
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Mobiele machines moeten ten minste zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die bestaat uit een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. Een samenstel van zodanige, tegelijk werkende hoorns wordt als één hoorn beschouwd. | Visuele en auditieve controle, waarbij de hoorn in werking wordt gesteld. |
| 2. | Mobiele machines mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die andere weggebruikers erop attent maakt dat de achteruitversnelling van het voertuig is ingeschakeld, alsmede van een geluidssignaalinrichting die ertoe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van het voertuig te voorkomen. | Leden 2 tot en met 4: visuele en auditieve controle. |
| 3. | Hybride elektrische of elektrische mobiele machines mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem dat werkt tot het voertuig een snelheid van 25 km/h heeft bereikt. | |
| 4. | Mobiele machines mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met derde lid. |
Artikel 5.7a.72
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Mobiele machines moeten, met uitzondering van walsen, aan de voorzijde of achterzijde zijn voorzien van een bevestigingspunt ten behoeve van het slepen van het voertuig. | Visuele controle. |
Artikel 5.7a.73
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Een mobiele machine met een gesloten carrosserie mag niet zijn voorzien van een afscherming tussen de zitplaatsen. | Visuele controle. |
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
Artikel 5.8.10
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien een landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een LPG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.8.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De LPG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; b. mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak, en; c. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 8: visuele controle. |
| 3. | De LPG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De LPG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 maart 1979, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| 5. | Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of laadruimte. | |
| 6. | Indien het voertuig na 30 september 1978 in gebruik is genomen, mag het vullen van de tank alleen buiten het voertuig kunnen geschieden. De vulaansluiting moet zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
| 7. | De leidingen mogen geen knikken vertonen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. De slangen die aan de buitenzijde van een metalen wapening zijn voorzien, mogen geen beschadiging vertonen. |
Artikel 5.8.10a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien een landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een CNG- of LNG-installatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.8.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De CNG- of LNG-tank: a. moet permanent zijn aangebracht aan het voertuig; en b. mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De CNG- of LNG-tank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De CNG- of LNG-tank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2002, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| 5. | De vervaldatum van de goedkeuring en, indien van toepassing, van de herkwalificatie van een CNG- of LNG-tank, mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | Op de CNG- of LNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het voertuig, met uitzondering van een verwarmingsinstallatie ten behoeve van de passagiers- of bagageruimte. | Leden 6 tot en met 10: visuele controle. |
| 7. | De onderdelen van de CNG- of LNG-installatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | |
| 8. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 9. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 10. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. |
Artikel 5.8.10b
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien een landbouw- of bosbouwtrekker is voorzien van een waterstofinstallatie, moet deze, onverminderd het bepaalde in artikel 5.8.9, voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen. | – |
| 2. | De waterstoftank mag geen deuken vertonen. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle. |
| 3. | De waterstoftank mag niet in de motorruimte zijn geplaatst. | |
| 4. | De waterstoftank moet, indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 2014, zijn voorzien van een deugdelijke gasdichte behuizing die in de buitenlucht moet uitmonden, tenzij de tank in de open lucht is geplaatst. | |
| 5. | De vervaldatum van de goedkeuring, en indien van toepassing van de herkwalificatie, van een waterstoftank mag niet verstreken zijn. | Visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 6. | De onderdelen van de waterstofinstallatie moeten vrij zijn van ernstige beschadigingen en mogen niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het oppervlak. | Leden 6 tot en met 11: visuele controle. |
| 7. | De leidingen en gasvoerende slangen mogen geen knikken vertonen. | |
| 8. | De gasvoerende slangen mogen geen beschadiging vertonen waarbij het wapeningsmateriaal zichtbaar is. | |
| 9. | De vulaansluiting moet: a. zijn geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig; b. zijn voorzien van een stofkap, tenzij de vulaansluiting is beschermd tegen vuil en water. | |
| 10. | Landbouw- of bosbouwtrekkers met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel in de motorruimte als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: | |
| 11. | Landbouw- of bosbouwtrekkers met een toegestane maximummassa van meer dan 3.500 kg voorzien van een waterstofinstallatie, moeten zowel aan de voor- en achterzijde als in de nabijheid van de tankverbinding of het aansluitpunt zijn voorzien van een weerbestendige sticker met één van de volgende herkenningstekens: |
Artikel 5.8.49
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwtrekkers mogen zijn voorzien van een deugdelijke beschermingsinrichting aan de voorzijde tegen klemrijden. | – |
| 2. | De afstand van de onderzijde van de beschermingsinrichting tot het wegdek mag tussen die punten die meer dan 0,20 m van de zijkanten van de voorste as van het voertuig zijn gelegen, met inbegrip van de wielen, niet meer dan 0,55 m bedragen. | Leden 2 tot en met 7: visuele controle. Aan deze eis wordt niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsrapport. |
| 3. | De afstand van de voorzijde van het voertuig tot de voorzijde van de beschermingsinrichting mag niet meer dan 0,50 m bedragen. | |
| 4. | De beschermingsinrichting: a. mag niet breder zijn dan de breedte van de voorste as met inbegrip van de wielen; b. mag aan weerszijden niet meer dan 0,20 m smaller zijn dan de voorste as met inbegrip van de wielen; en c. moet over de gehele breedte ten minste 0,20 m hoog zijn. | |
| 5. | De uiteinden van de beschermingsinrichting mogen niet naar voren zijn omgebogen. | |
| 6. | De buitenranden van de beschermingsinrichting mogen niet scherp zijn. | |
| 7. | De beschermingsinrichting en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. |
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
§ 0. Algemeen
Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
§ 8. Reminrichting
§ 9. Carrosserie
Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
Artikel 5.14.49
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens die in gebruik zijn genomen na 31 december 2017, moeten aan de achterzijde op deugdelijke wijze zijn voorzien van een stootbalk, indien de afstand van de onderzijde van het voertuig tot het wegdek, gemeten over de volle breedte onder de achterzijde van het onderstel of onder de hoofddelen van het koetswerk achter het hart van de achterste as, meer bedraagt dan 0,55 m. | Visuele controle. |
| 2. | Het eerste lid is niet van toepassing op dolly’s, mallejans en soortgelijke aanhangwagens bestemd voor het vervoer van boomstammen of andere lange voorwerpen. | - |
| 3. | De afstand van de onderzijde van de stootbalk tot het wegdek mag voor aanhangwagens niet meer bedragen dan 0,55 m. | Leden 3 en 4: visuele controle. In geval van twijfel wordt gemeten. |
| 4. | De stootbalk mag niet meer dan 0,45 m voor het achterste punt van het voertuig zijn gelegen. Hierbij worden voertuigdelen boven 2,00 m, gemeten vanaf het wegdek, buiten beschouwing gelaten. | |
| 5. | De stootbalk en de bevestiging daarvan mogen niet zodanig zijn vervormd of breuken of scheuren vertonen, dan wel door corrosie zijn aangetast, dat hierdoor functieverlies optreedt. | Visuele controle. |
Artikel 5.14.68
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 25 mm, 30,6 mm, 32 mm, 36 mm of 38 mm mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 27,0 mm, 32,6 mm, 34,0 mm, 38,0 mm respectievelijk 40,0 mm bedragen. | Leden 1 en 2: er wordt in alle richtingen gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber. |
| 2. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 44,5 mm mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 46,5 mm bedragen. | |
| 3. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 40 mm: a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 41,5 mm bedragen; en b. moet de dikte van het trekoog ten minste 28,0 mm bedragen. | Leden 3 tot en met 5: – Onderdelen a: er wordt in alle richtingen gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber. – Onderdelen b: ter plaatse van de slijtagevlakken wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 50 mm: a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 52,5 mm bedragen; b. moet de dikte van het trekoog met een nominale dikte van 42,5 mm ten minste 41,5 mm bedragen; en c. moet de dikte van het trekoog met een nominale dikte van 30 tot 41 mm ten minste de nominale dikte verminderd met 1 mm bedragen. | |
| 5. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog met een nominale inwendige diameter van 57,5 mm: a. mag de inwendige diameter van het trekoog niet meer dan 59,5 mm bedragen; en b. moet de dikte van het trekoog ten minste 19,0 mm bedragen. | |
| 6. | Het trekoog mag: a. niet zijn vervormd of gescheurd; b. niet zijn voorzien van een ingelaste trekoogbus; c. niet zijn hersteld door middel van lassen of oplassen. | Visuele controle. |
Artikel 5.14.69
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 2 inch: a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 49,0 mm bedragen, en b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 70,0 mm bedragen. | Leden 1 en 2: er wordt gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber, waarbij het meetgedeelte van het gereedschap ter plaatse van de koppelingspen ten minste 2 mm en ten hoogste 4 mm dik is. |
| 2. | Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 3,5 inch: a. moet de diameter van de kleinste doorsnede van de pen ten minste 86,0 mm bedragen; b. moet de diameter van de doorsnede van het gedeelte van de pen dat direct boven de kleinste doorsnede is gelegen, ten minste 110,0 mm bedragen. | |
| 3. | De plaat van de opleggerkoppeling mag niet in ernstige mate zijn vervormd of ingesleten. Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen van 2 inch of 3,5 inch, mag de onvlakheid van de koppelingsplaat niet meer dan 5 mm bedragen binnen een straal van 0,45 m gemeten vanuit het hart van de koppelingspen. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt met behulp van een geschikt meetmiddel en een aanliggende stalen rei in alle richtingen en zo dicht mogelijk bij de koppelingspen gemeten. |
| 4. | De profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de plaat van de opleggerkoppeling mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | Visuele controle. |
Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
Afdeling 17. Wagens
§ 6. Ophanging
Artikel 5.18.7a
Met mobiele machines, al dan niet voorzien van een aanhangwagen, mag geen lading worden vervoerd, tenzij:
- a. de mobiele machine is bestemd voor het trekken van opleggers, niet breder is dan 2,55 m, een hydraulisch traploos in hoogte verstelbare schotelkoppeling heeft en een oplegger van de voertuigcategorie O trekt;
- b. de lading gerelateerd is aan de functie, anders dan alleen goederen vervoeren, van de mobiele machine;
- c. de lading onbeladen afneembare bovenbouwen of gestandaardiseerde laadstructuren betreft.
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
Artikel 5.18.25da
De van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine op de kentekencard of in het kentekenregister vermelde technisch toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen mag niet worden overschreden of de som van de aslasten van een aanhangwagen, alsmede van een samenstel van dolly en oplegger, mag niet meer bedragen dan de vermelde technisch toegestane maximum te trekken massa aanhangwagen.
De technisch toegestane maximum te trekken massa van één of meer aanhangwagens mag niet meer bedragen dan de laagste van de volgende waarden:
- a. de technisch toelaatbare getrokken massa als opgegeven door de fabrikant van het trekkend voertuig;
- b. de technisch getrokken massa van de mechanische koppelinrichting of koppelinrichtingen;
- c. 8.000 kg per aanhangwagen, indien het een aanhangwagen betreft met een oploopreminrichting;
- d. indien een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk een ongeremde aanhangwagen voortbeweegt:
- 1°. de ten aanzien van de constructiekenmerken van het trekkende voertuig opgegeven technisch toegestane maximum te trekken massa van een aanhangwagen en de sterkte van de koppeling;
- 2°. 1.500 kg, vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt, indien het een landbouw- of bosbouwaanhangwagen betreft;
- 3°. 3.500 kg, vermeerderd met de technisch toegestane maximummassa op het koppelpunt, indien het een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk betreft.
Indien in het kentekenregister dan wel op het kentekenbewijs van een landbouw- of bosbouwtrekker, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk met een datum van eerste toelating na 30 juni 2021 geen technisch toegestane maximum te trekken massa aanhangwagen is vermeld, mag geen aanhangwagen worden voortbewogen.
Artikel 5.18.25db
De op de constructieplaat van de koppeling van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk vermelde technisch toegestane maximumlast op de koppeling mag niet worden overschreden.
In aanvulling op het gestelde in het eerste lid mag de toegestane maximumlast op de koppeling van een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine, landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk, indien de koppeling van het trekkende voertuig is:
- a. een koppelingskogel met een nominale diameter van:
- 1°. 50 mm, niet meer bedragen dan 150 kg;
- 2°. 80 mm, niet meer bedragen dan 4.000 kg;
- 3°. 110 mm, niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximummassa van het voertuig verminderd met de massa in rijklare toestand;
- 4°. 150 mm, niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximummassa van het voertuig verminderd met de massa in rijklare toestand;
- b. een vangmuilkoppeling, niet meer bedragen dan 2.000 kg;
- c. een penkoppeling met een nominale pendiameter van:
- 1°. 30 mm, niet meer bedragen dan 2.000 kg;
- 2°. 30,6 mm, niet meer bedragen dan 2.000 kg;
- 3°. 44,5 mm, niet meer bedragen dan 3.000 kg;
- d. een trekhaak (Hitchhaak) conform ISO 6489-1:2001, niet meer bedragen dan 3.000 kg;
- e. een trekkerdissel conform ISO 6489-3:2004, niet meer bedragen dan 4.500 kg;
- f. een niet-zwenkende koppeling met harpsluiting conform ISO 6489-5:2011, niet meer bedragen dan 3.000 kg;
- g. een schotelkoppeling, niet meer bedragen dan de technisch toegestane maximummassa van het voertuig verminderd met de massa in rijklare toestand.
F. Gehandicaptenvoertuigen en wagens
Artikel 5.18.32a0
De rijsnelheid mag niet hoger zijn dan de voor het voertuig in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid dan wel, in geval van een samenstel van voertuigen met verschillende maximumconstructiesnelheden, de laagste maximumconstructiesnelheid.
Indien op een landbouw- of bosbouwtrekker, motorrijtuig met beperkte snelheid, mobiele machine of één of meer getrokken voertuigen banden zijn gemonteerd waarop een lagere maximumsnelheid is vermeld dan de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, mag de rijsnelheid niet hoger zijn dan de op de gemonteerde banden vermelde maximumsnelheid.
De rijsnelheid mag niet hoger zijn dan 25 km/h, indien een landbouw- of bosbouwtrekkers, motorrijtuig met beperkte snelheid of mobiele machine:
- a. niet is ingeschreven;
- b. één of meer niet-geregistreerde voertuigen trekt;
- c. één of meer voertuigen waarin of waarop zich personen bevinden, trekt;
- d. één of meer ongeremde voertuigen, niet zijnde een landbouw- of bosbouwaanhangwagen met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van niet meer dan 1.500 kg of een verwisselbare getrokken uitrustingsstuk met een som van de technisch toegestane maximummassa’s per as van niet meer dan 3.500 kg, trekt;
- e. meerdere aanhangwagens met een oplooprem trekt.
Dit artikel laat paragraaf 8 van hoofdstuk II van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 onverlet.
Artikel 5.18.57a
Bij een samenstel van een trekkend voertuig en één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen moeten de tussen de voertuigen van het samenstel aanwezige ruimten die niet rechtstreeks door de bestuurder kunnen worden waargenomen aan beide zijden zijn afgeschermd. Deze afscherming mag bestaan uit een zelfspannende band of inschuivende stijve delen met een hoogte van ten minste 50 mm.
Bij een samenstel van een trekkend voertuig en één of meer gesloten aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen moet het samenstel zijn voorzien van een communicatie-inrichting waarmee de bestuurder van het trekkende voertuig en de personen die in de aanhangwagen worden vervoerd met elkaar kunnen communiceren.
Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 1. Algemeen
§ 5. Verbinding tussen voertuigen
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 1. Keuringsinstellingen
Afdeling 1. Algemeen
§ 2. Onderzoeksgerechtigden
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 1. Keuringsinstellingen
§ 1.2.8. Registratie-inrichting
§ 7. Rollenremtestbanken
§ 6.1. Algemeen
§ 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
§ 4.2. Technische eisen
§ 6.1. Algemeen
§ 7.2. Technische eisen
§ 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
§ 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
§ 7.2.8. Registratie-inrichting
§ 8. Platenremtestbanken
§ 7.2.2. De maximale fout
§ 8.2. Technische eisen
§ 7.2.5. Aanwijsinrichting
§ 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
§ 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
§ 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
§ 9. Deeltjestellers
§ 9.1. Algemeen
§ 7.2.5. Aanwijsinrichting
§ 9.3. Technische eisen
§ 8.2. Technische eisen
§ 8.2.2. De maximale fout
§ 9.3.3. Beveiligingen
§ 7.2.8. Registratie-inrichting
§ 7.2.9. Overgangsmaatregelen
§ 8. Platenremtestbanken
§ 8.1. Algemeen
§ 10.2. Technische eisen
§ 8.2. Technische eisen
§ 8.2.3. Uitvoering
§ 8.2.4. Overgangsmaatregelen
§ 9.1. Algemeen
§ 10.7. Resulterende meetwaarde
§ 9.2. Metrologische eisen gesteld aan deeltjestellers
§ 10.7. Resulterende meetwaarde
§ 11. Geluidsniveaumeter
§ 9.3. Technische eisen
§ 11.2. Technische eisen
§ 12. Koplamptestapparaten
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 1. Ontheffingen
§ 2. Aanvraag ontheffing
§ 10. Bromfietsrollentestbank
§ 2. Aanvraag ontheffing
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 11.9
Vervallen
Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
Bijlage IIIc. , behorende bij artikel 3.4, tweede lid
Vervallen
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid
Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5
Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5
Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid
Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in lengterichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorvoertuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.
Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorvoertuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in de artikelen 1.51 tot en met 1.53 gestelde eisen.
De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd. Indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.
Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 1.1b
Deze regeling berust mede op de artikelen 1, eerste lid, onderdelen fd, en ff, 20f, tweede lid, 21, tweede lid, onderdeel b, derde lid, onderdeel b, vierde lid, onderdeel b, en vijfde lid, 23, eerste lid, 27, tweede lid, 29, 31, 51a, derde lid, 60, tweede lid, 71, tweede lid, en 94, eerste lid, van de wet.
Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid
Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Vervallen
De volgende gegevens, voor zover in het kentekenregister vermeld, moeten in overeenstemming zijn met het voertuig:
Artikel 1.2a
Vervallen
Afdeling 3. Aanwijzing van een technische dienst
§ 1. Eisen voor de aanwijzing
Hoofdstuk 2. Voertuigidentificatienummer en datum eerste toelating
Hoofdstuk 3. Nadere regels in verband met de goedkeuringen bedoeld in hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994
Artikel 3.1.0
Verordening (EU) 2018/858 is van overeenkomstige toepassing op fabrikanten, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders is bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
Artikel 3.2.0
Verordening (EU) 2018/858 is van overeenkomstige toepassing op fabrikanten, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders is bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
Artikel 3.3.0
Verordening (EU) 168/2013 is van overeenkomstige toepassing op fabrikanten, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders is bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
Afdeling 5. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
Afdeling 5. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën T, C, R en S
Artikel 3.5.0
Verordening (EU) 167/2013 is van overeenkomstige toepassing op fabrikanten, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders is bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
Afdeling 10. Uitzonderingen als bedoeld in artikel 21, vijfde lid, van de wet, op de goedkeuringsverplichting, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet
Hoofdstuk 5. Permanente eisen
Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
Afdeling 2. Personenauto’s
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 6. Ophanging
§ 11. Verbinding tussen personenauto en aanhangwagen
Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
§ 6. Ophanging
Afdeling 3a. Bussen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 12. Diversen
Afdeling 4. Motorfietsen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
§ 4. Krachtoverbrenging
Afdeling 6. Bromfietsen
§ 12. Diversen
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
Afdeling 7a. Mobiele machines
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
Afdeling 9. Fietsen
Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 11. Verbinding tussen trekkend motorvoertuig en aanhangwagen
Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
§ 9. Carrosserie
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 18. Gebruikseisen
§ 4. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 1. Algemeen
§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
Afdeling 1. Algemeen
§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
§ 3. Instellingen voor het certificeren van kalibratiegas
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1. Roetmeters
§ 1.1. Algemeen
§ 1.2.3. Optisch systeem
§ 7. Rollenremtestbanken
§ 5.1. Algemeen
§ 5.2. Technische eisen
§ 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
§ 8. Platenremtestbanken
§ 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting
§ 7.2.3. Uitvoering
§ 8.2.2. De maximale fout
§ 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
§ 7.2.8. Registratie-inrichting
§ 9. Deeltjestellers
§ 9.1. Algemeen
§ 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
§ 9.3.1. Constructie
§ 7.2.9. Overgangsmaatregelen
§ 8.2.4. Overgangsmaatregelen
§ 10. Bromfietsrollentestbank
§ 8.2.1. Controle-inrichting
§ 8.2.2. De maximale fout
§ 8.2.4. Overgangsmaatregelen
§ 9.2. Metrologische eisen gesteld aan deeltjestellers
§ 10.7. Resulterende meetwaarde
§ 10.8. Registratie-inrichting
§ 9.3. Technische eisen
§ 11. Geluidsniveaumeter
§ 9.3.2. Meetprogramma
§ 9.4. Justeringen
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 1. Ontheffingen
§ 2. Aanvraag ontheffing
§ 3. Beschikking inzake ontheffing
§ 4. Tarieven
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Vervallen
Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.8.1
Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.8.1
Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid
Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5
Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid
Het goedkeuringsmerk ingevolge VN/ECE-reglement 110 ziet er als volgt uit:
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
§ 2.2.7. Gasleidingen en -slangen
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
Artikel 1.67
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
Artikel 1.68
Artikel 1.69
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
Artikel 1.71
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Afdeling 2. Nationale goedkeuringen personenauto’s, bedrijfsauto’s, bussen en aanhangwagens ingericht voor het vervoer van personen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h
Afdeling 3. Nationale goedkeuringen voertuigen categorieën L
Afdeling 6. Nationale goedkeuringen mobiele machines
Afdeling 11. Op de markt aanbieden, registreren of in gebruik nemen van voertuigen uit restantvoorraad
Hoofdstuk 4. Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen en -richtlijnen als bedoeld in artikel 29 en 31 van de wet waarvoor inbreuken tot sancties aanleiding geven
Hoofdstuk 5. Permanente eisen
Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
Afdeling 2. Personenauto’s
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 6. Ophanging
§ 8. Reminrichting
Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
§ 3. Motor, brandstofsystemen en milieu
§ 7. Stuurinrichting
Afdeling 3a. Bussen
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 4. Krachtoverbrenging
§ 6. Ophanging
Afdeling 4. Motorfietsen
§ 0. Algemeen
§ 9. Carrosserie
Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 6. Bromfietsen
§ 0. Algemeen
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
Afdeling 7a. Mobiele machines
Afdeling 9. Fietsen
Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
§ 6. Ophanging
Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
§ 1. Algemene bouwwijze van het voertuig
§ 6. Ophanging
Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
D. Bromfietsen en bromfietsaanhangwagens
§ 2a. Sneeuwkettingen
§ 2a. Sneeuwkettingen
Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 1. Algemeen
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 1. Keuringsinstellingen
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 2. Voorschriften met betrekking tot de keuring van meetmiddelen
§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 5. Pedaalkrachtmeters
§ 3. Olietemperatuurmeters
§ 3. Olietemperatuurmeters
§ 4.1. Algemeen
§ 7.2.2. De maximale fout
§ 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
§ 7.2.8. Registratie-inrichting
§ 8. Platenremtestbanken
§ 7.2.3. Uitvoering
§ 8.2.2. De maximale fout
§ 8.2.4. Overgangsmaatregelen
§ 9. Deeltjestellers
§ 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde
§ 9.4. Justeringen
§ 8.1. Algemeen
§ 10. Bromfietsrollentestbank
§ 8.2.2. De maximale fout
§ 10.3. De maximale fout
§ 9.1. Algemeen
§ 10.1. Algemeen
§ 11. Geluidsniveaumeter
§ 9.3.2. Meetprogramma
§ 9.3.3. Beveiligingen
§ 12. Koplamptestapparaten
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 3. Beschikking inzake ontheffing
§ 4. Tarieven
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Indien de vastgestelde datum van eerste toelating na de datum van het onderzoek van het voertuig ligt, wordt de datum van eerste toelating vastgesteld op de datum van het onderzoek.
Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid
Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.
De in artikel 1.60 gestelde eisen worden getoetst:
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6
§ 2.2.8. Gasvoerende verbindingen tussen de diverse CNG-onderdelen
Vervallen.
Artikel 1.70
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 3.4.0
Verordening (EU) 168/2013 is van overeenkomstige toepassing op marktdeelnemers, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
Een nationale typegoedkeuring voor een bijzondere bromfiets kan tevens worden aangevraagd door en verleend aan een andere marktdeelnemer dan een fabrikant van bijzondere bromfietsen, indien deze voldoet aan de eisen die voor het indienen van een aanvraag en voor het verlenen van een typegoedkeuring in de verordening en in deze regeling aan de fabrikant worden gesteld.
Artikel 3.4.1
Bijzondere bromfietsen voldoen voor het verkrijgen van een nationale typegoedkeuring aan:
- a. de eisen in:
- 1°. VN/ECE-reglement nr. 3;
- 2°. VN/ECE-reglement nr. 10;
- 3°. VN/ECE-reglement nr. 14;
- 4°. VN/ECE-reglement nr. 16 of VN/ECE-reglement nr. 44;
- 5°. VN/ECE-reglement nr. 50 of VN/ECE-reglement nr. 56 en VN/ECE-reglement nr. 74;
- 6°. VN/ECE-reglement nr. 60;
- 7°. VN/ECE-reglement nr. 75;
- 8°. VN/ECE-reglement nr. 78;
- 9°. VN/ECE-reglement nr. 81;
- 10°. VN/ECE-reglement nr. 136;
- 11°. verordening (EU) 3/2014, bijlage II, IV, VII tot en met IX, XII, deel I, XIII tot en met XV, punt 1.1, XVIII en XIX;
- 12°. verordening (EU) 44/2014, bijlage II, VI, VIII, X, XIV en XVI.
- 13°. verordening (EU) 134/2014, bijlage X, aanhangsel 1 en 1.1;
- 14°. verordening (EU) 901/2014, bijlage V;
- b. de in hoofdstuk 5 voor de bijzondere bromfiets vastgestelde permanente eisen.
Van het eerste lid kan worden afgeweken in het geval niet aan die eisen wordt voldaan door het innovatieve karakter van het voertuig of door de toepassing van innovatieve technieken, indien met een risicobeoordeling opgesteld door een deskundige en onafhankelijke instantie wordt aangetoond op welke wijze het veiligheids- en milieubeschermingsniveau van die eisen wordt gewaarborgd.
Een bijzondere bromfiets die is bedoeld voor personenvervoer biedt ten hoogste acht zitplaatsen voor passagiers, welke zitplaatsen voorwaarts, achterwaarts en zijwaarts kunnen zijn gericht. De zitplaatsen bieden voldoende ruimte voor de te vervoeren persoon, zijn voorzien van een heupgordel en zijn voorzien van een duidelijke vermelding van het maximale gewicht waarvoor de zitplaatsen zijn bedoeld.
De gordelverankeringspunten van de zitplaatsen zijn bestand tegen een kracht die berekend is op basis van de normkracht volgens VN/ECE-reglement nr. 14, het gewicht van een passagier waarvoor de zitplaats bestemd is, met een minimum van 36 kg, en de maximumconstructiesnelheid van het voertuig.
Afdeling 6. Nationale goedkeuringen mobiele machines
Afdeling 7. Voorlopige nationale individuele goedkeuringen bij nieuwe technologieën of nieuwe concepten
Afdeling 8. Nationale goedkeuringen voor systemen, onderdelen, technische eenheden, voertuigdelen, uitrustingsstukken, en voorzieningen ter bescherming van inzittenden van voertuigen en kwetsbare weggebruikers
Artikel 3.11.3
Een fabrikant die een bijzondere bromfiets die deel uitmaakt van een voorraad en die niet op de markt kan worden aangeboden of niet langer op de markt kan worden aangeboden of in het verkeer kan worden gebracht omdat nieuwe technische voorschriften in werking zijn getreden waarvoor die niet is goedgekeurd toch nog op de markt wil aanbieden of in de handel wil brengen, kan, zo spoedig mogelijk nadat de goedkeuring ongeldig is geworden, daarvoor een verzoek indienen bij de Dienst Wegverkeer.
Het eerste lid is alleen van toepassing op bijzondere bromfietsen die zich op het Nederlandse grondgebied bevinden en waarvoor ten tijde van hun productie een geldige nationale typegoedkeuring was verleend, maar die niet op de markt zijn aangeboden of in het verkeer zijn gebracht voor deze nationale typegoedkeuring ongeldig werd.
Ten aanzien van het verzoek en de behandeling ervan is artikel 44 van verordening (EU) 168/2013 en artikel 3.11.1, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Artikel 3.11.4
Uiterlijk twee weken nadat de geldigheid van een aanwijzing die is verleend op grond van artikel 20b van de WVW 1994 zoals die luidde tot 1 januari 2024 is vervallen, verstrekt de fabrikant een overzicht van het aantal op basis van de aanwijzing geproduceerde bijzondere bromfietsen in de periode na inwerkingtreding van deze bepaling tot het moment waarop de aanwijzing is vervallen en die nog niet tot de weg zijn toegelaten, aan de Dienst Wegverkeer op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
In het kader van de controle omtrent de juistheid van het verstrekte overzicht bepaalt de Dienst Wegverkeer:
- a. dat de fabrikant de Dienst Wegverkeer in de gelegenheid stelt op een door deze dienst te bepalen wijze een controle uit te voeren, of
- b. dat de fabrikant een in de Nederlandse taal gestelde verklaring omtrent de juistheid van de opgave, van een accountant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep overlegt.
Hoofdstuk 4. Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen en -richtlijnen als bedoeld in artikel 29 en 31 van de wet waarvoor inbreuken tot sancties aanleiding geven
Hoofdstuk 5. Permanente eisen
Afdeling 1a. Vaststelling kenmerken voertuigen
Afdeling 2. Personenauto’s
§ 7. Stuurinrichting
Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
Afdeling 3a. Bussen
Afdeling 4. Motorfietsen
§ 5. Assen
Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
Afdeling 6. Bromfietsen
§ 5. Assen
§ 11. Verbinding tussen bromfiets en aanhangwagen
Afdeling 6a. Bijzondere bromfietsen
Artikel 5.6a.0
Een bijzondere bromfiets moet voldoen aan de in deze afdeling opgenomen eisen en wordt beoordeeld volgens de bijbehorende wijze van keuren, waarbij in voorkomend geval bijlage VIII van toepassing is.
Artikel 5.6a.1
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een voertuigidentificatienummer dat in het frame, in het chassis of in een vergelijkbare constructie is ingeslagen en goed leesbaar is. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een constructieplaat waarop de volgende gegevens zijn vermeld: a. de naam of handelsnaam van de fabrikant; b. de voertuigcategorie; c. het nationale typegoedkeuringsnummer of het unieke nummer van de aanwijzing; d. het voertuigidentificatienummer; e. het geluidsniveau tijdens stilstand onder de volgende vorm: ‘… dB(A) – … min-1’ (in het geval van voertuigen die niet worden onderworpen aan de test van het geluidsniveau tijdens stilstand, wordt het volgende vermeld: ‘- – - dB(A) – – - – min-1’); f. het motorvermogen onder de volgende vorm: ‘… kW’; g. de door de constructie bepaalde maximumsnelheid onder de volgende vorm: ‘… km/u’; en h. de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand onder de volgende vorm: ‘max … kg’. | |
| 3. | In afwijking van het tweede lid behoeven bijzondere bromfietsen die geproduceerd zijn op basis van een aanwijzing die afgegeven is voor 2 mei 2019 niet te zijn voorzien van een constructieplaat. |
Artikel 5.6a.3
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De langs- en dwarsliggers en chassisversterkingsdelen van het chassisraam, dan wel de daarvoor in de plaats tredende delen van de mee- of zelfdragende carrosserie van bijzondere bromfietsen mogen: a. geen breuken of scheuren vertonen; en b. niet zodanig zijn bevestigd, vervormd of door corrosie aangetast, dat de stijfheid en de sterkte van het chassisraam of van de mee- of zelfdragende carrosserie in gevaar worden gebracht dan wel dat het weggedrag van het voertuig nadelig wordt beïnvloed. Indien sprake is van corrosie is het bepaalde in bijlage VIII, hoofdstuk 1, titel 2, afdelingen 1, 2 en 3, van toepassing. | - Onderdeel a: visuele controle. - Onderdeel b: visuele controle. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Indien een bijzondere bromfiets is opgebouwd uit een frame met een voor- of achtervork, mag dat frame met die voor- of achtervork: a. geen breuken of scheuren vertonen; b. niet zijn doorgeroest; en c. niet zodanig zijn vervormd dat de stijfheid en de sterkte ervan in gevaar worden gebracht. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De onderdelen die deel uitmaken van het frame of van de zelfdragende constructie moeten deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.6a.6
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bijzondere bromfietsen: a. op drie of meer wielen voor individueel vervoer mogen: 1°. niet langer zijn dan 3,00 m; 2°. niet breder zijn dan 1,10 m; 3°. niet hoger zijn dan 2,00 m; b. op minder dan drie wielen voor individueel vervoer mogen: 1°. niet langer zijn dan 3,00 m; 2°. niet breder zijn dan 0,75 m; 3°. niet hoger zijn dan 2,00 m; c. voor personenvervoer of goederenvervoer mogen: 1°. niet langer zijn dan 3,00 m; 2°. niet breder zijn dan 1,15 m; 3°. niet hoger zijn dan 2,00 m. | Leden 1 en 2: visuele controle. In geval van twijfel wordt de bijzondere bromfiets gemeten. |
| 2. | In afwijking van het eerste lid mogen bijzondere bromfietsen die geproduceerd zijn op basis van een aanwijzing die afgegeven is voor 2 mei 2019, niet breder zijn dan 1,10 m. |
Artikel 5.6a.7
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De maximale massa in rijklare toestand mag van bijzondere bromfietsen: a. voor individueel vervoer niet meer bedragen dan 125 kg; b. voor personenvervoer of goederenvervoer, indien de bijzondere bromfiets minder dan vier wielen heeft, niet meer bedragen dan 270 kg; en c. voor personenvervoer of goederenvervoer, indien de bijzondere bromfiets vier of meer wielen heeft, niet meer bedragen dan 425 kg. | Visuele controle. In geval van twijfel wordt de bijzondere bromfiets gewogen. |
| 2. | De bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een duidelijk zichtbare vermelding met hoeveel massa de bijzondere bromfiets kan worden beladen zonder dat de technisch toegestane maximummassa wordt overschreden. De technisch toegestane maximummassa is ten hoogste 200 kg voor bijzondere bromfietsen voor individueel vervoer en 565 kg voor bijzondere bromfietsen voor personenvervoer of goederenvervoer. | Visuele controle |
Artikel 5.6a.8
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bijzondere bromfietsen moeten bij voortduring voldoen aan de op de constructieplaat vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 4 km/h. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 28 tot en met 29a, van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Bijzondere bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. Eventueel wordt de meting opnieuw uitgevoerd. |
Artikel 5.6a.12
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De accu van bijzondere bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De elektrische bedrading van bijzondere bromfietsen moet deugdelijk zijn bevestigd en goed zijn geïsoleerd. | |
| 3. | De stroom kan in geval van gevaar op eenvoudige wijze onderbroken worden. | |
| 4. | Een defect in de energievoorziening leidt niet tot gevaarlijke situaties. |
Artikel 5.6a.12a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Elektrisch aangedreven bijzondere bromfietsen mogen zijn voorzien van een elektromotor met een nominaal continu maximumvermogen van: a. niet meer dan 1 kW als de bijzondere bromfietsen voor individueel vervoer bedoeld zijn; en b. niet meer dan 4 kW als de bijzondere bromfietsen voor personenvervoer of goederenvervoer bedoeld zijn. | Visuele controle, door aflezing van de waarde aangegeven op de constructieplaat. |
| 2. | De onderdelen van de elektrische aandrijflijn van elektrisch aangedreven bijzondere bromfietsen: a. moeten deugdelijk zijn; b. moeten deugdelijk zijn bevestigd; c. mogen niet zijn beschadigd; d. mogen geen lekkage vertonen; e. moeten goed zijn afgeschermd, met uitzondering van de kabelset; f. moeten goed zijn geïsoleerd. | Visuele controle |
Artikel 5.6a.13
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De motor van bijzondere bromfietsen moet deugdelijk bevestigd zijn. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | De motorsteunen mogen niet in ernstige mate zijn beschadigd, de rubbers mogen niet zijn doorgescheurd en de vulkanisatie mag niet geheel zijn losgeraakt. |
Artikel 5.6a.15
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De snelheid van bijzondere bromfietsen moet op eenvoudige en doeltreffende wijze regelbaar zijn. | Visuele controle. |
Artikel 5.6a.16
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De voor de transmissie noodzakelijke onderdelen van bijzondere bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Visuele controle. Een volledig doorgescheurde flexibele koppeling is toegestaan, mits de aandrijfas op zijn plaats blijft. |
| 2. | Stofhoezen van aandrijfassen moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | Leden 2 en 3: visuele controle. |
| 3. | De aandrijving van de bijzondere bromfiets met in langsrichting achter elkaar geplaatste wielen mag niet via het voorwiel of de voorwielen plaatsvinden. |
Artikel 5.6a.18
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De assen van bijzondere bromfietsen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd en mogen geen breuken of scheuren vertonen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle. |
| 2. | De assen mogen niet zodanig zijn vervormd dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. | |
| 3. | De assen mogen niet zodanig zijn bevestigd, beschadigd of vervormd dat het weggedrag nadelig wordt beïnvloed. | |
| 4. | De assen mogen niet zodanig door corrosie zijn aangetast, dat de sterkte ervan in gevaar wordt gebracht. |
Artikel 5.6a.19
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels van bromfietsen moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Stofhoezen van fuseekogels moeten deugdelijk zijn bevestigd en mogen niet zodanig zijn beschadigd dat de hoezen niet meer afdichten. | |
| 3. | De fuseepennen, -lageringen, -bussen en -kogels alsmede de overige draaipunten van een volledig onafhankelijke wielophanging mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikelen 46, 47 en 48, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 4. | Indien een gedeelte van de binnenkant van het fuseekogelhuis en van de fuseekogel zichtbaar is doordat de hoes is beschadigd of ontbreekt, mag dit gedeelte geen corrosie vertonen. | Indien de hoes is beschadigd of ontbreekt, vindt visuele controle plaats. |
Artikel 5.6a.20
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wiellagers van bijzondere bromfietsen mogen niet te veel speling vertonen. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 49, van toepassing. | Visuele controle. De speling wordt op de juiste wijze zichtbaar gemaakt. In geval van twijfel wordt de speling gemeten met een geschikt meetmiddel. |
| 2. | Verschijnselen van slijtage of beschadiging van wiellagers mogen niet hoorbaar of voelbaar zijn. | Visuele en auditieve controle waarbij het wiel, al dan niet met behulp van apparatuur, wordt rondgedraaid. Zo nodig wordt een rijproef uitgevoerd. |
Artikel 5.6a.24
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen, alsmede de onderdelen daarvan, van bijzondere bromfietsen mogen geen breuken, scheuren, ernstige corrosie of ernstige vervorming vertonen. Onderdelen mogen niet loszitten of ontbreken. | Lid 1 en 2: visuele controle, terwijl het wiel vrij kan ronddraaien. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk velgen moeten met alle daarvoor bestemde bevestigingsmiddelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.6a.27
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | De wielen van bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van luchtbanden. | Visuele controle. |
| 2. | De banden mogen geen beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is. | Leden 2 tot en met 4: visuele controle, waarbij het wiel wordt rondgedraaid. |
| 3. | Over de gehele omtrek en breedte van het loopvlak van de banden moet profilering aanwezig zijn. | |
| 4. | Het loopvlak van de banden mag geen metalen elementen bevatten die tijdens het rijden daarbuiten kunnen uitsteken. |
Artikel 5.6a.28
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de bijzondere bromfiets is voorzien van een veersysteem, moet dit systeem goed werken. | Visuele controle, waarbij de bromfiets verscheidene keren wordt ingeveerd. In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | De onderdelen van het veersysteem mogen geen breuken of scheuren vertonen, mogen niet ernstig door corrosie zijn aangetast en moeten deugdelijk zijn bevestigd. Hieraan wordt voor wat betreft veerschotels voldaan, indien deze niet zijn doorgeroest. Indien een veerschotel is doorgeroest, mag deze niet zijn gerepareerd. | Visuele controle. |
Artikel 5.6a.29
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een mechanische stuurinrichting. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Van bijzondere bromfietsen: a. moet de stuurinrichting deugdelijk zijn; b. mogen de stofhoezen niet zodanig beschadigd zijn, dat de hoezen niet meer afdichten; c. moeten koppelingen en verbindingen spelingsvrij zijn; d. moeten de voor de overbrenging van de stuurkrachten noodzakelijke onderdelen deugdelijk zijn bevestigd. |
Artikel 5.6a.31
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een goedwerkend remsysteem, waarvan de onderdelen: a. deugdelijk zijn bevestigd met de daarvoor bestemde bevestigings- en borgmiddelen; b. niet door corrosie zijn aangetast; c. niet zijn beschadigd, gescheurd of gebroken; en d. geen inwendige of uitwendige lekkage vertonen; e. niet aanlopen; f. niet langs voertuigdelen schuren. | Leden 1 en 2: visuele controle, waarbij een rijproef wordt uitgevoerd. |
| 2. | Het voertuig mag als gevolg van het remmen of van een snelheidsvermindering geen zijwaartse beweging maken. | |
| 3. | De remhendel of het rempedaal maakt geen zodanige slag dat deze tot een aanslag kan worden ingedrukt of ingetrapt. | Controle waarbij het rempedaal wordt ingetrapt met een kracht van ten hoogste 500 N (50 kg). Bij een remhendel moet dit worden uitgevoerd met de maximale handkracht. |
| 4. | De remkabels zijn niet gerafeld en goed gangbaar. | Visuele controle, waarbij de rem wordt bediend. |
| 5. | De bediening van het remsysteem wordt door geen enkel onderdeel van de bijzondere bromfiets belemmerd. | Leden 5 en 6: visuele controle. |
| 6. | Indien de bijzondere bromfiets is voorzien van een hydraulisch remsysteem, bevindt het remvloeistofniveau zich niet onder het minimum. |
Artikel 5.6a.38
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een remsysteem waarvan de remvertraging ten minste 4,0 m/s2 bedraagt. | Bij twijfel controle door middel van een vertragingsproef, waarbij aan de hand van de afgelegde vertragingsafstand wordt bepaald of aan de vereiste vertraging wordt voldaan. |
| 2. | Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van ten minste één frictierem. | Leden 2 tot en met 5: visuele controle |
| 3. | Bijzondere bromfietsen moeten op alle assen geremd zijn. | |
| 4. | Bijzondere bromfietsen mogen voorzien zijn van een noodstopsysteem. | |
| 5. | Bijzondere bromfietsen op meer dan twee wielen moeten zijn voorzien van een vastzetinrichting. | |
| 6. | Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing op bijzondere bromfietsen die geproduceerd zijn op basis van een aanwijzing die afgegeven is voor 2 mei 2019. |
Artikel 5.6a.41
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Permanent aangebrachte inrichtingen aan bijzondere bromfietsen om lading of personen mee te kunnen vervoeren moeten deugdelijk zijn bevestigd. | Leden 1 tot met 6: visuele controle. |
| 2. | Bijzondere bromfietsen die zijn bedoeld voor individueel vervoer of goederenvervoer bieden geen ruimte voor passagiers. | |
| 3. | Bijzondere bromfietsen die zijn bedoeld voor personenvervoer moeten zitplaatsen hebben die zijn voorzien van onbeschadigde veiligheidsgordels die deugdelijk bevestigd zijn en een goedwerkende sluiting bevatten. | |
| 4. | Bijzondere bromfietsen die zijn bedoeld voor personenvervoer of goederenvervoer zijn voorzien van een bestuurdersplaats met bescherming die kan voorkomen dat de bestuurder van het voertuig valt. | |
| 5. | Bijzondere bromfietsen die zijn bedoeld voor goederenvervoer zijn voorzien van een laadruimte die voldoende sterk is om goederen mee te vervoeren en die is voorzien van middelen om te voorkomen dat goederen tijdens het rijden uit het voertuig kunnen vallen. | |
| 6. | Indien een bijzondere bromfiets is voorzien van een carrosserie: a. moeten de deuren of kappen die toegang geven tot de personen- of goederenruimte een deugdelijke sluiting hebben, welke sluiting wordt gewaarborgd door goed werkende sloten en scharnieren; b. moeten de deuren en kappen, bedoeld in onderdeel a, op normale wijze vanaf zowel de binnen- als de buitenzijde van het voertuig kunnen worden geopend; c. moet die zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde linkerbuitenspiegel waarvan het glas geen verschijnselen van breuk vertoont en niet is verweerd; d. mag deze zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde rechterbuitenspiegel; en e. moet die zijn voorzien van een deugdelijk bevestigde achteruitkijkspiegel waarvan het glas geen verschijnselen van breuk vertoont, indien zicht naar achteren mogelijk is. | |
| 7. | Indien een bijzondere bromfiets is voorzien van een carrosserie met ramen: a. mogen die ramen geen beschadigingen of verkleuringen vertonen; b. mogen die ramen niet zijn voorzien van onnodige voorwerpen die het uitzicht van de bestuurder belemmeren; c. mag de lichtdoorlatendheid van die ruiten niet minder zijn dan 55%; en d. moet de voorruit zijn voorzien van een goed werkende: 1°. ruitenwisserinstallatie die bij inschakeling de bestuurder voldoende uitzicht geeft; 2°. ruitensproeierinstallatie; en 3°. ontwasemings- en ontdooiingsinstallatie, indien het een gesloten carrosserie betreft. | Visuele controle, waarbij ten aanzien van onderdeel c in geval van twijfel wordt gemeten. |
Artikel 5.6a.48
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bijzondere bromfietsen mogen geen scherpe delen hebben die in geval van botsing gevaar voor lichamelijk letsel voor andere weggebruikers kunnen opleveren. | Leden 1 tot en met 3: visuele controle. |
| 2. | De wielen onderscheidenlijk banden van bijzondere bromfietsen mogen niet aanlopen. | |
| 3. | Geen deel aan de buitenzijde van een bijzondere bromfiets mag zodanig zijn bevestigd, beschadigd, versleten of door corrosie zijn aangetast, dat gevaar bestaat voor losraken. |
Artikel 5.6a.51
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van: a. rode opvallende retroreflecterende lijnmarkering of één of twee rode retroreflectoren, aangebracht aan de achterzijde van het voertuig op een hoogte van minimaal 0,15 m en maximaal 0,90 m; b. witte of gele opvallende retroreflecterende markering of één of twee ambergele zijretroreflectoren, aangebracht aan de zijkant van het voertuig; en c. één of twee witte retroreflectoren aan de voorzijde van het voertuig. | Visuele controle; in geval van twijfel wordt gemeten. |
| 2. | Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van: a. één of twee lichten aan de voorzijde van het voertuig; b. één of twee achterlichten; c. één of twee remlichten; en d. twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee richtingaanwijzers aan de achterzijde van het voertuig. | Visuele controle. |
| 3. | Het tweede lid is niet van toepassing op bijzondere bromfietsen zonder carrosserie die geproduceerd zijn op basis van een aanwijzing die afgegeven is voor 2 mei 2019. |
Artikel 5.6a.57
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Een bijzondere bromfiets mag voorzien zijn van één of twee dagrijlichten. | Visuele controle. |
Artikel 5.6a.59
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Het licht aan de voorzijde van een bijzondere bromfiets mag niet anders dan wit of geel stralen. | Leden 1 tot en met 4: visuele controle, waarbij de desbetreffende lichten worden ingeschakeld. |
| 2. | Het achterlicht en het remlicht mogen niet anders dan rood stralen. | |
| 3. | De richtingaanwijzers mogen niet anders dan ambergeel stralen. | |
| 4. | De dagrijlichten mogen niet anders dan wit stralen. |
Artikel 5.6a.64
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bijzondere bromfietsen mogen niet zijn voorzien van verblindende lichten. | Leden 1 en 2: visuele controle. |
| 2. | Bijzondere bromfietsen mogen, met uitzondering van de richtingaanwijzers, niet zijn voorzien van knipperende lichten. |
Artikel 5.6a.65
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Bijzondere bromfietsen mogen niet zijn voorzien van meer lichten en retroreflecterende voorzieningen dan in de artikelen 5.6a.51 en 5.6a.57 is voorgeschreven of toegestaan. | Visuele controle. |
Artikel 5.6a.66
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Bijzondere bromfietsen mogen niet zijn voorzien van een inrichting tot het koppelen van een aanhangwagen. | Visuele controle. |
Artikel 5.6a.71
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bijzondere bromfietsen moeten zijn voorzien van een goed werkende bel of van een goed werkende hoorn met vaste toonhoogte. | Visuele en auditieve controle, waarbij de bel dan wel hoorn in werking wordt gesteld. |
| 2. | Bijzondere bromfietsen mogen zijn voorzien van een geluidssignaalinrichting die er toe strekt ongeoorloofd gebruik of diefstal van de bromfiets te voorkomen. | Leden 2 tot en met 4: visuele en auditieve controle. |
| 3. | Bijzondere bromfietsen mogen zijn voorzien van een akoestisch voertuigwaarschuwingssysteem. | |
| 4. | Bijzondere bromfietsen mogen niet zijn voorzien van andere geluidssignaalinrichtingen dan bedoeld in het eerste tot en met het derde lid. |
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
Afdeling 9. Fietsen
Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 11. Gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een elektromotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
§ 6. Ophanging
§ 3. Brandstofsystemen en milieu
§ 5. Assen
§ 6. Ophanging
§ 10. Lichten, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen
Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
Afdeling 16. Fietsaanhangwagens
Afdeling 17. Wagens
§ 6. Ophanging
Afdeling 18. Gebruikseisen
Artikel 5.18.26a
Bijzondere bromfietsen voor individueel vervoer op minder dan drie wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 0,75 m.
Bijzondere bromfietsen voor individueel vervoer op meer dan twee wielen mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,10 m.
Bijzondere bromfietsen voor personenvervoer of goederenvervoer mogen met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,15 m.
In afwijking van het eerste en derde lid mogen bijzondere bromfietsen die geproduceerd zijn op basis van een aanwijzing die afgegeven is voor 2 mei 2019, met inbegrip van de lading niet breder zijn dan 1,10 m.
Artikel 5.18.26b
De op een bijzondere bromfiets vermelde toegestane maximummassa mag niet worden overschreden of de som van de aslasten van het voertuig in beladen toestand mag niet meer bedragen dan de vermelde toegestane maximummassa van het voertuig.
§ 2a. Sneeuwkettingen
Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1. Roetmeters
§ 6. Remvertragingsmeters
§ 6.1. Algemeen
§ 8. Platenremtestbanken
§ 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
§ 7.2.8. Registratie-inrichting
§ 8. Platenremtestbanken
§ 9.3. Technische eisen
§ 9.3.1. Constructie
§ 9.3.2. Meetprogramma
§ 9.4. Justeringen
§ 10. Bromfietsrollentestbank
§ 9.3.1. Constructie
§ 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters
§ 10.1. Algemeen
§ 10.2. Technische eisen
§ 10.3. De maximale fout
§ 10.9. Overige
§ 11. Geluidsniveaumeter
§ 11.1. Algemeen
§ 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
§ 12. Koplamptestapparaten
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 1. Ontheffingen
§ 2. Aanvraag ontheffing
§ 3. Beschikking inzake ontheffing
§ 11. Geluidsniveaumeter
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
Bijlage IIId. , behorende bij artikel 3.11
Vervallen
Bijlage Vb. behorende bij artikel 3.8.1
Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Vervallen
Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5
Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
§ 2.2.9. Vulaansluiting
§ 2.2.9. Vulaansluiting
Artikel 1.72
Artikel 1.73
De in artikel 1.72 gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.
§ 2.2.10. Automatische afsluitklep
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
Artikel 1.75
Artikel 1.76
Artikel 1.76
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
§ 2.2.11. Handafsluiter
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6
Artikel 1.78
§ 2.2.12. Elektrische voorzieningen
Vervallen.
Artikel 1.79
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 3.6.0
Verordening (EU) 167/2013 is van overeenkomstige toepassing op fabrikanten, de wijze waarop een nationale typegoedkeuring als bedoeld in dit hoofdstuk wordt verleend en het toezicht op de conformiteit van de productie, tenzij anders bepaald in deze afdeling of in verband met de uitvoering van deze afdeling, in door de Dienst Wegverkeer vastgestelde alternatieve voorschriften.
In afwijking van verordening (EU) 167/2013 kan een typegoedkeuring voor een mobiele machine tevens worden aangevraagd door en verleend aan een andere marktdeelnemer dan een fabrikant van mobiele machines, indien deze voldoet aan de eisen die voor het indienen van een aanvraag en voor het verlenen van een typegoedkeuring in de verordening en in deze regeling aan de fabrikant worden gesteld.
Artikel 3.6.3a
Mobiele machines met een datum van eerste toelating van voor 1 januari 2021, voldoen voor het verkrijgen van een nationale individuele goedkeuring aan:
- a. de eisen in:
- 1°. richtlijn 98/37/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende machines (PbEG 1998, L 207), indien het voertuig in gebruik genomen is na 31 december 1992 en voor 29 december 2009; of
- 2°. richtlijn 2006/42/EG, indien het voertuig in gebruik genomen is na 28 december 2009; en
- b. de in hoofdstuk 5 voor de desbetreffende voertuigcategorie vastgestelde permanente eisen.
§ 1. Algemeen
§ 2. Conformiteitscontroles nationale typegoedkeuring bijzondere bromfietsen en mobiele machines
Artikel 3.9.4
De controle inzake de overeenstemming van de productie van bijzondere bromfietsen en mobiele machines waarvoor een nationale typegoedkeuring is afgegeven gebeurt op een door de Dienst Wegverkeer te bepalen wijze.
Artikel 3.11.3a
Een fabrikant die een mobiele machine die deel uitmaakt van een voorraad en die niet of niet langer op de markt kan worden aangeboden of in het verkeer kan worden gebracht omdat nieuwe technische voorschriften in werking zijn getreden waarvoor die niet is goedgekeurd toch nog op de markt wil aanbieden of in de handel wil brengen, kan, zo spoedig mogelijk nadat de goedkeuring ongeldig is geworden, daarvoor een verzoek indienen bij de Dienst Wegverkeer.
Het eerste lid is alleen van toepassing op mobiele machines die zich op het Nederlandse grondgebied bevinden en waarvoor ten tijde van hun productie een geldige nationale typegoedkeuring was verleend, maar die niet op de markt zijn aangeboden of in het verkeer zijn gebracht voor deze nationale typegoedkeuring ongeldig werd.
Ten aanzien van het verzoek en de behandeling ervan zijn artikel 39 van verordening (EU) 167/2013 en artikel 3.11.1, tweede en derde lid, van overeenkomstige toepassing.
Afdeling 12. Uit de handel nemen of terugroepen
Hoofdstuk 4. Aanwijzing artikelen uit EU-verordeningen en -richtlijnen als bedoeld in artikel 29 en 31 van de wet waarvoor inbreuken tot sancties aanleiding geven
Hoofdstuk 5. Permanente eisen
Afdeling 1b. Algemene bepalingen wijze van keuren
§ 2. Afmetingen en massa’s
§ 9. Carrosserie
Afdeling 3. Bedrijfsauto’s
Artikel 5.3.8
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h voldoen bij voortduring aan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 29a, van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Bedrijfsauto’s met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
Afdeling 3a. Bussen
Artikel 5.3a.8
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h voldoen bij voortduring aan de in het kentekenregister vermelde maximumconstructiesnelheid, vermeerderd met 5 km/h. Hierbij is het bepaalde in bijlage VIII, artikel 29a, van toepassing. | In geval van twijfel wordt een rijproef uitgevoerd. |
| 2. | Bussen met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h mogen niet zijn voorzien van een voorziening met het kennelijke doel de controle op de maximumconstructiesnelheid, bedoeld in het eerste lid, te bemoeilijken of te beïnvloeden. | Visuele controle, waarbij eventuele aanwezige voorzieningen worden bediend of ingeschakeld. |
Afdeling 4. Motorfietsen
Afdeling 5. Driewielige motorrijtuigen
§ 5. Assen
Afdeling 6. Bromfietsen
Afdeling 6a. Bijzondere bromfietsen
Afdeling 7. Motorrijtuigen met beperkte snelheid
Afdeling 7a. Mobiele machines
Afdeling 8. Landbouw- of bosbouwtrekkers
§ 7. Stuurinrichting
Afdeling 10. Gehandicaptenvoertuigen voorzien van een gesloten carrosserie, alsmede gehandicaptenvoertuigen uitgerust met een verbrandingsmotor en niet voorzien van een gesloten carrosserie
Afdeling 12. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van meer dan 750 kg
Artikel 5.12.46
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De zitplaatsen van aanhangwagens met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h ingericht voor het vervoer van personen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld. | Visuele controle. |
Artikel 5.12.47
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Indien aanhangwagens met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h ingericht voor het vervoer van personen zijn voorzien van gordels, moeten deze: a. deugdelijk zijn bevestigd en mogen deze niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging; en b. zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | – Onderdeel a: visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. – Onderdeel b: visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
Afdeling 13. Aanhangwagens van de voertuigcategorie O met een toegestane maximummassa van niet meer dan 750 kg
Artikel 5.13.46
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| De zitplaatsen van aanhangwagens met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h ingericht voor het vervoer van personen moeten deugdelijk aan het voertuig zijn bevestigd. De verstelinrichtingen van de zitplaatsen moeten goed kunnen worden vergrendeld. | Visuele controle. |
Artikel 5.13.47
| Eisen | Wijze van keuren |
|---|---|
| Indien aanhangwagens met een maximumconstructiesnelheid van ten hoogste 25 km/h ingericht voor het vervoer van personen zijn voorzien van gordels, moeten deze: a. deugdelijk zijn bevestigd en mogen deze niet zijn beschadigd. Het pluizen van de gordel wordt niet gezien als een beschadiging; en b. zijn voorzien van een goed werkende sluiting en een goed werkende blokkering. Oprolmechanismen moeten zodanig functioneren dat de gordel aanligt na het omdoen ervan. | – Onderdeel a: visuele controle, waarbij een eventuele rolgordel volledig wordt uitgetrokken. – Onderdeel b: visuele controle. Hierbij wordt de gordel in de sluiting gebracht. Indien de gordel is voorzien van een oprolmechanisme wordt de gordel omgedaan. De blokkering wordt gecontroleerd door te trekken aan de gordel; indien dit geen uitsluitsel biedt, wordt tijdens een remproef op de weg het blokkeren van de gordel gecontroleerd. |
Afdeling 14. Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken
Artikel 5.14.39
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Landbouw- of bosbouwaanhangwagens en verwisselbare getrokken uitrustingsstukken die in gebruik zijn genomen na 31 december 2017 en zijn voorzien van een reminrichting, moeten zijn voorzien van een parkeerremsysteem. | Leden 1 en 2: visuele controle, terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, waarbij het parkeerremsysteem wordt bediend. |
| 2. | Indien een landbouw- of bosbouwaanhangwagen of verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk is voorzien van een parkeerremsysteem, moet het goed werken en in werking kunnen worden gesteld door iemand die buiten het voertuig staat. De werking van de parkeerrem moet ook gewaarborgd zijn na loskoppeling van het trekkende voertuig. |
Artikel 5.14.67a
| Eisen | Wijze van keuren | |
|---|---|---|
| 1. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een kogelkoppeling met een nominale inwendige diameter van: a. 50 mm mag de inwendige diameter van de kogelkoppeling niet meer dan 51,0 mm bedragen; b. 80 mm mag de inwendige diameter van de kogelkoppeling niet meer dan 81,5 mm bedragen; c. 110 mm mag de inwendige diameter van de kogelkoppeling niet meer dan 112,0 mm bedragen. | Er wordt in alle richtingen gemeten met een geschikt meetmiddel, bijvoorbeeld een kaliber of slijtage-indicator. Indien gebruik wordt gemaakt van een koppelingskogel in combinatie met de slijtage-indicator op de kogelkoppeling, wordt de slijtage afgelezen. |
| 2. | Indien de aanhangwagen is voorzien van een koppelingskogel met een nominale uitwendige diameter van 150 mm, moet de diameter van de kogel ten minste 148,5 mm bedragen. | Het bolvormige gedeelte wordt gemeten met een geschikt meetmiddel. |
Afdeling 15. Motorfietsaanhangwagens en bromfietsaanhangwagens
§ 5. Assen
§ 9. Carrosserie
Afdeling 17. Wagens
§ 2. Afmetingen en massa’s
Afdeling 18. Gebruikseisen
B. Motorfietsen en motorfietsaanhangwagens
Artikel 5.18.63
In het trekkend voertuig dat een samenstel vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen is per mogelijke indeling op een goed zichtbare plaats aangegeven voor welke hellingsgraad het samenstel geschikt is. Indien de maximummassa van het samenstel afhankelijk is van een bepaalde hellingsgraad, moet dan zijn aangegeven. De bestuurder neemt de hiervoor bedoelde grenzen in acht.
Het trekkend voertuig dat een samenstel vormt met één of meer aanhangwagens die zijn ingericht voor het vervoer van personen is voorzien van ten minste één draagbaar blustoestel met een inhoud van ten minste 2 kg ABC-bluspoeder.
Hoofdstuk 6. Wijziging in de goedkeuring van voertuigen
§ 2. Eisen wijziging in de constructie
Hoofdstuk 7. Schadevoertuigen
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 2. Aanwijzing en erkenning instellingen
§ 1. Keuringsinstellingen
§ 2. Onderzoeksgerechtigden
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen
§ 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 4. Manometers
§ 6. Remvertragingsmeters
§ 6.2. Technische eisen
§ 7. Rollenremtestbanken
§ 7.1. Algemeen
§ 7.2. Technische eisen
§ 7.2.5. Aanwijsinrichting
§ 8.2. Technische eisen
§ 9. Deeltjestellers
§ 9.3.3. Beveiligingen
§ 9.5. Gecertificeerd kalibratiegas ten behoeve van uitlaatgastesters
§ 10. Bromfietsrollentestbank
§ 10.1. Algemeen
§ 10.2. Technische eisen
§ 10.3. De maximale fout
§ 10.4. Uitvoering
§ 10.5. Gepresenteerde meetwaarden
§ 10.6. Aanwijsinrichting
§ 10.7. Resulterende meetwaarde
§ 10.8. Registratie-inrichting
§ 10.9. Overige
§ 11. Geluidsniveaumeter
§ 11.1. Algemeen
§ 11.2. Technische eisen
§ 12. Koplamptestapparaten
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 1. Ontheffingen
§ 2. Aanvraag ontheffing
§ 3. Beschikking inzake ontheffing
§ 4. Tarieven
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage I. behorende bij artikel 2.1, derde lid
Bijlage IIIa. , behorende bij artikel 3.2, derde lid
Vervallen
Bijlage IIIb. , behorende bij artikel 3.3, tweede lid
Vervallen
Bijlage Va. behorende bij artikel 3.9, tweede lid
Vervallen
Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid
Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Vervallen
Bijlage VII. behorende bij de artikelen 3.26, derde lid, en 3.27, eerste lid
Vervallen
Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid
De in artikel 1.72 gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.
§ 2.2.10. Automatische afsluitklep
Artikel 1.74
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:
§ 2.2.11. Handafsluiter
Artikel 1.78
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
§ 2.2.12. Elektrische voorzieningen
Artikel 1.80
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
Artikel 1.82
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
Artikel 1.83
Artikel 1.83
Hoofdstuk 2. Wijziging van de motorbrandstof van een voertuig van een al dan niet tot vloeistof verdicht gas naar benzine of diesel
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
Artikel 2.2
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6
T100-bussen
T100-bussen
Vervallen.
Artikel 2
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Artikel 6.11
Bij wijziging in de constructie van een bijzondere bromfiets waardoor de gevoeligheid voor elektromagnetische invloeden van het voertuig of de uitstraling van elektromagnetische straling door het voertuig beïnvloed wordt, moet dat voertuig na wijziging voldoen aan de in hoofdstuk 3, afdeling 4, opgenomen eisen, voor zover die eisen verband houden met de aangebrachte wijziging.
Hoofdstuk 8. Meetmiddelen
Afdeling 1. Algemeen
§ 1. Algemene bepalingen
Afdeling 3. Algemene eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen
Afdeling 4. Specifieke eisen gesteld aan meetmiddelen
§ 2. Toerentellers
§ 7. Rollenremtestbanken
§ 7.2.1. Controle-inrichting
§ 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting
§ 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden
§ 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting
§ 8.2.3. Uitvoering
§ 9. Deeltjestellers
§ 9.4. Justeringen
§ 10.4. Uitvoering
§ 10.6. Aanwijsinrichting
§ 10.7. Resulterende meetwaarde
§ 10.8. Registratie-inrichting
§ 10.9. Overige
§ 11.1. Algemeen
§ 11.2. Technische eisen
§ 12. Koplamptestapparaten
Hoofdstuk 9. Ontheffingen
§ 1. Ontheffingen
§ 2. Aanvraag ontheffing
§ 3. Beschikking inzake ontheffing
§ 4. Tarieven
Hoofdstuk 10. Strafbepalingen
Hoofdstuk 11. Overgangs- en slotbepalingen
Bijlage II. behorende bij artikel 2.2, tweede lid
Bijlage VI. behorende bij de artikelen 3.1.5 en 6.4, derde lid
Bijlage VIII. behorende bij hoofdstuk 5
Bijlage IX. behorende bij artikel 6.3, tweede, vijfde en zesde lid
Bijlage X. behorende bij artikel 6.3, lid 3a, en vierde lid
De kleur en afmetingen moeten zijn:
De in artikel 1.58 gestelde eisen worden getoetst:
De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zo nodig na verwijdering van een hoes.
Artikel 1.71
De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorvoertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.
De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorvoertuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.
Artikel 1.77
In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:
De in artikel 1.77 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.
Artikel 1.81
Bij motorvoertuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.
Artikel 1.82
De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.
Artikel 2.1
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een LPG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
Artikel 2.2
Indien bij een voertuig als bedoeld in artikel 6.3, lid 3a, van deze regeling, de wijziging van de motorbrandstof plaatsvindt door uitbouw van een CNG-installatie, moeten de volgende onderdelen van deze installatie verwijderd worden:
Bijlage XI. behorende bij artikel 6.6
Artikel 1
Vervallen.
Artikel 2
Bijlage XII. , behorend bij artikel 3.23a, vierde lid
Vervallen
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.