Besluit van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 24 april 2009, nr. AT-EZ/6279718.JZ, houdende vaststelling van een beleidsregel met betrekking tot het voorkomen van ontoelaatbare belemmeringen door het gewenste signaal (Beleidsregel storing door het gewenste signaal van radiozendapparaten)

Type Beleidsregel
Publication 2009-05-15
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 3.6 van de Telecommunicatiewet, de artikelen 9, derde lid, 13, tweede lid, 16, eerste lid, onderdeel e, en 17, onderdeel d, van het Frequentiebesluit, artikel 8, tweede lid, van de Regeling aanwijzing overheidsorganen, bedoeld in artikel 3.4 van de Telecommunicatiewet en artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

Besluit:

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen
1.

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

2.

In de artikelen 6, 8, tweede lid, en 9, vierde lid, wordt onder de cumulatieve piekwaarde verstaan: lineaire sommatie van de piekwaarden van de verschillende radiozendapparaten die op een locatie een bijdrage leveren aan de hoogte van de elektrische veldsterkte of spanning.

3.

In de artikelen 8, eerste lid, 9, eerste lid, en 10, eerste lid, wordt onder de cumulatieve piekwaarde verstaan: lineaire sommatie van de piekwaarden van de verschillende radiozendapparaten die een aantoonbare bijdrage leveren aan een storing.

§ 2. Verlenen, wijzigen en weigeren van vergunningen voor het gebruik van frequentieruimte

Artikel 2. Vergunningen die verleend worden na inwerkingtreding van deze beleidsregel
1.

Aan een vergunning als bedoeld in artikel 3.3, eerste lid, van de wet wordt op basis van artikel 16, eerste lid, onderdeel e, van het Frequentiebesluit in elk geval het voorschrift verbonden dat de vergunninghouder bij het gebruik van frequentieruimte geen ontoelaatbare belemmeringen mag veroorzaken.

2.

Het eerste lid vindt geen toepassing, indien aan de vergunning het voorschrift is verbonden dat het maximaal uitgestraalde vermogen 17 Watt e.i.r.p. of minder dient te bedragen.

Artikel 3. Weigeren van een vergunningsaanvraag

Aan de in artikel 3.6, tweede lid, onderdeel e, van de Telecommunicatiewet opgenomen voorwaarde is in elk geval voldaan, indien als gevolg van verlening van de desbetreffende vergunning de aanvrager eigenstandig ter plaatse van:

Artikel 4. Bestaande vergunningen
1.

Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 17, onderdeel d, van het Frequentiebesluit, wordt aan die vergunning in elk geval het voorschrift verbonden dat de vergunninghouder bij het gebruik van frequentieruimte geen ontoelaatbare belemmeringen mag veroorzaken.

2.

Indien een vergunning wordt verlengd krachtens artikel 9 of artikel 13 van het Frequentiebesluit wordt aan die vergunning in elk geval het voorschrift verbonden dat de vergunninghouder geen ontoelaatbare belemmeringen mag veroorzaken. Artikel 2, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.

§ 3. Vaststellen van ontoelaatbare belemmeringen na vergunningverlening

Artikel 5. Reikwijdte van deze paragraaf
1.

In deze paragraaf wordt aangegeven hoe de minister, voor zover het belemmeringen betreft die kunnen worden veroorzaakt door het gewenste signaal, uitleg geeft aan:

2.

In deze paragraaf wordt met een vergunninghouder gelijk gesteld een overheidsorgaan aangewezen krachtens artikel 2 van de Regeling aanwijzing overheidsorganen, bedoeld in artikel 3.4 van de Telecommunicatiewet.

3.

Bij het bepalen van de hoogte van de cumulatieve piekwaarde van de elektrische veldsterkte wordt de invloed van bebouwing daarop niet meegerekend.

Artikel 6. Geen ontoelaatbare belemmering vanwege geringe elektrische veldsterkte of spanning
1.

Een vergunninghouder veroorzaakt in het frequentiegebied van 100 kHz tot en met 2,5 GHz geen ontoelaatbare belemmeringen op locaties waar:

2.

Een vergunninghouder veroorzaakt in het frequentiegebied hoger dan 2,5 GHz en gelijk of lager dan 400 GHz geen ontoelaatbare belemmeringen op locaties waar de gewenste signalen van radiozendapparaten uitgezonden in dat frequentiegebied een cumulatieve piekwaarde van de elektrische veldsterkte opleveren die lager is dan of gelijk is aan 1,8 Volt per meter.

Artikel 7. Geen ontoelaatbare belemmering wanneer een overeenkomst is gesloten met de desbetreffende vergunninghouder
1.

In afwijking van de artikelen 8 en 10, veroorzaakt een vergunninghouder bij een derde geen ontoelaatbare belemmering, indien hierover een schriftelijke overeenkomst geldt tussen die vergunninghouder en die derde.

2.

Een vergunninghouder die op een perceel een radiozendapparaat heeft geplaatst met schriftelijke instemming van de gebruiker van dat perceel, veroorzaakt, in afwijking van de artikelen 8 en 10, geen ontoelaatbare belemmering op dat perceel.

Artikel 8. Ontoelaatbare belemmeringen in gebouwen bij een elektrische veldsterkte of spanning die hoger is dan de waarden in artikel 6
1.

Van een ontoelaatbare belemmering is in elk geval sprake indien:

2.

Het eerste lid is niet van toepassing, indien de storing zich voordoet in een gebouw dat is gebouwd op een locatie waar de cumulatieve piekwaarde van de elektrische veldsterkte ten tijde van de bouw hoger lag dan de desbetreffende waarde in artikel 6.

Artikel 9. Beëindiging van een ontoelaatbare belemmering
1.

Een ontoelaatbare belemmering als bedoeld in artikel 8 is beëindigd, indien de cumulatieve piekwaarde van de elektrische veldsterkte of spanning daalt tot de desbetreffende maximumwaarde, bedoeld in artikel 6, of lager.

2.

Een ontoelaatbare belemmering als bedoeld in artikel 8, eerste lid, is tevens beëindigd indien:

3.

Onder het treffen van maatregelen als bedoeld in het tweede lid wordt onder andere verstaan: het vervangen van een radiozend- of ontvangstapparaat of een elektrische of elektronische inrichting door een apparaat of inrichting van ten minste een vergelijkbare kwaliteit.

4.

Het tweede lid geldt niet indien de cumulatieve piekwaarde van de elektrische veldsterkte 18 Volt per meter of hoger is op of nabij de locatie waar de ontoelaatbare belemmering zich voordoet.

Artikel 10. Bepaling van degene die een ontoelaatbare belemmering veroorzaakt
1.

Een ontoelaatbare belemmering als bedoeld in artikel 8 wordt veroorzaakt door de vergunninghouder die:

2.

In afwijking van het eerste lid, veroorzaakt een vergunninghouder geen ontoelaatbare belemmering indien het uitgestraalde vermogen van zijn radiozendapparaat 17 Watt e.i.r.p. of minder bedraagt.

3.

Het eerste en tweede lid gelden niet indien de ontoelaatbare belemmering mede wordt veroorzaakt door:

§ 4. Overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel 11. Bestaande middengolfzenders

Artikel 9, vierde lid, geldt niet indien een radiozendapparaat bestemd voor omroep gebruik maakt van de frequentieband van 526.5 KHz tot en met 1606.5 KHz en gebruikt wordt op een locatie waar voor inwerkingtreding van deze beleidsregel reeds radiozendapparaten voor omroep worden gebruikt in die frequentieband.

Artikel 12. Inwerkingtreding

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 13. Citeertitel

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.