Regeling vacatiegelden accountantskamer
Gelet op artikel 19, derde lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants;
Besluit:
Artikel 1
Het vacatiegeld, bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants bedraagt per zitting een bedrag dat gelijk is aan de vergoeding die ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren geldt voor raadsheren-plaatsvervangers.
Voor de toepassing van het eerste lid worden zittingen die op één dag worden gehouden, samen als één zitting beschouwd.
De voorzitter van de accountantskamer kan besluiten dat een vergoeding overeenkomstig het eerste lid aan een lid of plaatsvervangend lid als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants wordt toegekend voor het concipiëren van een uitspraak in een zaak waarin geen zitting heeft plaatsgevonden.
De voorzitter van de accountantskamer kan besluiten dat een vergoeding overeenkomstig artikel 19, vierde lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants wordt toegekend aan een lid of plaatsvervangend lid als bedoeld in artikel 19, derde lid, van die wet voor het verrichten van deskundigenonderzoek.
Artikel 2
Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 mei 2009.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.