Regeling vaststelling bedrag vrijstelling uit vermogen ingevolge de wetten voor oorlogsgetroffenen per 1 januari 2001
Gelet op artikel 18, zevende lid, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, alsmede op de artikelen 12a van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, 12 van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, 17 van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet en 27 van de Wet uitkeringen burgeroorlogsslachtoffers 1940-1945;
Besluit:
Artikel 1
De bedragen, genoemd in artikel 19, vijfde lid, onder a, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, alsmede in de artikelen 12, tweede lid, onder b, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, 11, tweede lid, onder b, van de Wet buitengewoon pensioen zeelieden-oorlogsslachtoffers, 16, tweede lid, onder b, ten tweede, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet en bedoeld in artikel 28, vierde lid, onder a, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, worden als volgt herzien:
- a. het bedrag, genoemd in artikel 19, vijfde lid, onder a, van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, wordt verhoogd tot f 1.428,-;
- b. het bedrag, genoemd in de artikelen 12, tweede lid, onder b, van de Wet buitengewoon pensioen 1940-1945, 11, tweede lid, onder b, van de Wet buitengewoon zeelieden-oorlogsslachtoffers en 16, tweede lid, onder b, ten tweede, van de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet, wordt verhoogd tot veertienhonderdachtentwintig gulden;
- c. het vrij te laten bedrag, bedoeld in artikel 28, vierde lid, onder a, van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, wordt vastgesteld op f 1.428,- per jaar.
Artikel 2
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.
Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst.