Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009

Type Ministeriële regeling
Publication 2023-04-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 2, eerste en vierde lid, 3, zesde lid, 7, derde lid, 9, vijfde lid, 12a, derde lid, 12b, derde lid, en 12c, tweede lid, van de Wet rijonderricht motorrijtuigen 1993 en artikel 33, eerste en tweede lid, van de Algemene wet erkenning EG-beroepskwalificaties;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Hoofdstuk 2. Aanwijzing van het instituut

Hoofdstuk 2. Aanwijzing van het instituut

Hoofdstuk 4. Examen

Hoofdstuk 3. Geschiktheidstest

Hoofdstuk 6. Bijscholing

Hoofdstuk 4. Examen

Hoofdstuk 8. Toezicht door rijksgecommitteerden

Hoofdstuk 5. Stage

Hoofdstuk 5. Stage

Hoofdstuk 6. Bijscholing

Hoofdstuk 12. Migrerende beroepsbeoefenaars

Hoofdstuk 6. Bijscholing

Artikel 25
2.

Met ingang van 1 oktober 2022 wordt in artikel 5a, tweede lid, ‘ten minste drie jaar’ vervangen door ‘ten minste vijf jaar’.

Artikel 26

Vervallen

Artikel 27

Vervallen

Artikel 28

Vervallen

Artikel 29

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009.

Artikel 30

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 2009 met uitzondering van artikel 25, dat in werking treedt op 1 juni 2009 en terug werkt tot en met 3 februari 2009.

Bijlage 1

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Bijlage 2. Bij de regeling rijonderricht motorrijtuigen 2009

Dit onderdeel is nog niet inwerking getreden

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

Artikel 2

Als instituut bedoeld in artikel 2 van de wet wordt aangewezen de Stichting VAM (IBKI) te Nieuwegein.

Artikel 3

Degene die de geschiktheidstest, bedoeld in artikel 9, vierde lid, van de wet, niet met goed gevolg heeft afgelegd, kan deze test opnieuw afleggen. Het is niet mogelijk alleen delen van de test af te leggen.

Artikel 4
1.

Het examen voor het certificaat rijinstructeur voor de motorrijtuigcategorie B bestaat uit drie fasen. De kandidaat is vrij in de volgorde waarin hij de onderdelen van de fasen 1 en 2, bedoeld in artikel 5, eerste lid, van het besluit, aflegt.

2.

Fase 1 (Bekwaam in verkeersdeelname) bestaat uit een theorietoets en een praktijkrit. Fase 2 (Didactische voorwaarden) bestaat uit een theorietoets Lesvoorbereiding en een theorietoets Lesuitvoering en beoordelen.

3.

De kandidaat sluit elk onderdeel van fase 1 en fase 2 met het oordeel ‘voldoende’ af. Elk oordeel ‘voldoende’ is twaalf aaneengesloten maanden geldig. Binnen de periode dat een oordeel ‘voldoende’ geldig is, kan de kandidaat de onderdelen die niet met het oordeel ‘voldoende’ zijn afgesloten opnieuw afleggen. Overeenkomstig artikel 12a, eerste lid, van de wet, mag de kandidaat die elk onderdeel van fase 1 en fase 2 met een voldoende heeft afgesloten, deelnemen aan de stage, ook wel aangeduid als fase 3.

4.

Met inachtneming van artikel 5 van het besluit omvat de theorietoets in fase 1 de in bijlage 1, onderdeel I, genoemde onderdelen.

5.

Met inachtneming van artikel 5 van het besluit omvat de praktijkrit in fase 1 naast de onderdelen, bedoeld in het vierde lid, de in bijlage 1, onderdeel II, genoemde onderdelen.

6.

Met inachtneming van artikel 5 van het besluit omvat de theorietoets Lesvoorbereiding in fase 2 de in bijlage 1, onderdeel III, genoemde onderdelen.

7.

Met inachtneming van artikel 5 van het besluit omvat de theorietoets Lesuitvoering en beoordelen in fase 2 de in bijlage 1, onderdeel IV, genoemde onderdelen.

8.

Het examen bestaat, met overeenkomstige toepassing van het eerste lid, tweede zin, en derde lid, voor het certificaat rijinstructeur voor:

Artikel 5
1.

De kandidaat die deelneemt aan de stage voor de motorrijtuigcategorie B rijdt in de stageperiode minimaal vijf klokuren mee tijdens de rijlessen van zijn stagebegeleider, waaronder één maal met een praktijkexamen of tussentijdse toets voor het besturen van motorrijtuigen van een leerling van de stagebegeleider, en geeft daarna zelf minimaal vijfendertig klokuren volledige praktische rijlessen aan een leerling die wordt opgeleid voor het praktijkexamen in de motorrijtuigcategorie B. De stage wordt uitgevoerd overeenkomstig de aanwijzingen van het instituut.

2.

De kandidaat die deelneemt aan de stage voor de motorrijtuigcategorieën A, C of D geeft zelf minimaal twintig klokuren volledige praktische rijlessen aan een leerling die wordt opgeleid voor het praktijkexamen in de motorrijtuigcategorie die overeenkomt met de motorrijtuigcategorie voor het geven van rijonderricht waarvoor de stagebegeleider het certificaat, bedoeld in artikel 13, aanhef en onderdeel b, van de wet, heeft. De stage wordt uitgevoerd overeenkomstig de aanwijzingen van het instituut.

3.

Tijdens de stage wordt de stagiair begeleid door een stagebegeleider. De begeleider is ten minste vijf jaar in het bezit van een certificaat als bedoeld in artikel 13, aanhef en onderdeel b, van de wet van dezelfde motorrijtuigcategorie als waarvoor de kandidaat aan de stage deelneemt en heeft een theoretische bijscholing Stagementor gevolgd. De door de stagiair gegeven praktische rijlessen staan steeds onder direct toezicht van de stagebegeleider.

4.

De kandidaat deelt het instituut tijdig schriftelijk mee in welke periode en waar hij de stagelessen meerijdt en geeft. De kandidaat kan overeenkomstig de aanwijzingen van het instituut ter invulling van de klokuren die worden meegereden met de stagebegeleider, bedoeld in het eerste lid, meerijden tijdens de rijlessen van een stagebegeleider voordat hij deelneemt aan de stage. De tweede zin geldt niet voor het meerijden met een praktijkexamen of tussentijdse toets.

5.

Als de kandidaat is meegereden met een praktijkexamen of tussentijdse toets voor het besturen van motorrijtuigen van een leerling van de stagebegeleider geeft de examinator van het CBR die het praktijkexamen of de tussentijdse toets heeft beoordeeld daarvan een verklaring af.

6.

Met inachtneming van artikel 8 van het besluit omvat de stage de in bijlage 1, onderdeel V, genoemde onderdelen.

7.

De beoordeling van de stage vindt plaats overeenkomstig de in bijlage 1, onderdeel VI, genoemde eisen.

8.

Bij een beoordeling met een resultaat ‘onvoldoende’ kan de stagiair tijdens de termijn dat zijn certificaat, bedoeld in artikel 13, aanhef en onderdeel a, van de wet, geldig is maximaal twee keer een nieuwe beoordeling vragen. Bij een resultaat ‘onvoldoende’ voor de tweede herbeoordeling legt de kandidaat het examen vanaf fase 1 opnieuw af, met dien verstande dat niet alle uren als bedoeld in het eerste en tweede lid opnieuw gevolgd hoeven te worden. Op de rijlessen van zijn stagebegeleider waarbij de kandidaat in die periode van de stage meerijdt en de volledige praktische rijlessen die de kandidaat zelf geeft aan een leerling die wordt opgeleid voor het praktijkexamen in de betrokken motorrijtuigcategorie zijn het derde en het vierde lid van overeenkomstige toepassing.

9.

Het instituut voert onaangekondigd steekproefsgewijs inspecties uit bij de in het eerste en tweede lid bedoelde stagelessen ten aanzien van de authenticiteit van de door de stagiair en diens begeleider geleverde prestatie en de uitvoering van de stage. Als de inspectie leidt tot een oordeel ‘onvoldoende’, vindt een onaangekondigde nieuwe inspectie plaats. Leidt ook de nieuwe inspectie tot het oordeel ‘onvoldoende’, dan komen de tot dan toe door de stagiair en zijn begeleider geleverde prestaties niet meer in aanmerking voor de in het zevende lid bedoelde beoordeling en is de begeleider gedurende één jaar na het tijdstip van de tweede inspectie die heeft geleid tot het oordeel ‘onvoldoende’ niet bevoegd tot begeleiding van stagiairs.

10.

Het instituut kan de maximale duur dat het certificaat, bedoeld in artikel 13, aanhef en onderdeel a, van de wet, geldig is en de maximale duur van de stage éénmalig verlengen. Aan de verlenging van de maximale duur van de stage kunnen voorschriften worden verbonden. De verlenging kan alleen worden verleend indien de stagiair wegens verschoonbare redenen de stage niet heeft kunnen afmaken. De verlenging is beperkt tot maximaal vier aaneengesloten maanden, afhankelijk van de ernst van de reden. Indien verlenging op medische gronden wordt verzocht, gaat het verzoek om verlenging vergezeld van een medische verklaring met betrekking tot de gronden. Het eerste tot en met negende lid zijn van overeenkomstige toepassing. Het instituut houdt de verleende verlengingen bij in het register.

Artikel 6

Degene die theoretische bijscholing geeft als bedoeld in artikel 12b van de wet, meldt de cursusnaam, de locatie, de datum en de cursisten die zich hebben opgegeven ten minste twee weken voor de aanvang daarvan aan bij het instituut. Uiterlijk twee weken na afloop van de bijscholing meldt hij de namen van degenen die aan de bijscholing hebben deelgenomen aan het instituut. Het instituut houdt deze gegevens bij in het register.

Artikel 7
1.

Het instituut toetst de aanvragen voor certificering van de theoretische bijscholing aan de volgende criteria:

Het instituut stelt een formulier op voor de aanvraag.

2.

De aanvraag om te worden gecertificeerd gaat vergezeld van alle gegevens en bescheiden met betrekking tot de in het eerste lid genoemde criteria die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn, overeenkomstig het in het eerste lid genoemde formulier.

3.

De cursus wordt uitgevoerd conform de bij de aanvraag gevoegde documenten en de door het instituut gestelde eisen.

4.

Het toezicht door het instituut wordt steekproefsgewijs verricht.

5.

Het instituut kan de certificering van de theoretische bijscholing schorsen of intrekken indien niet wordt voldaan aan het derde lid.

Artikel 8
1.

De rijinstructeur die praktische bijscholing wil volgen als bedoeld in artikel 12b van de wet, dient bij het instituut een aanvraag in om voor de betrokken praktijkbegeleiding te worden ingepland.

2.

Tijdens de praktijkbegeleiding geeft degene die de bijscholing volgt een volledige praktische rijles aan een leerling die wordt opgeleid voor het praktijkexamen in de motorrijtuigcategorie die overeenkomt met de motorrijtuigcategorie voor het geven van rijonderricht waarvoor de bijscholing wordt gevolgd, tenzij degene die de bijscholing volgt werkzaam is binnen een dienstverband bij het CBR of het instituut.

3.

Het instituut houdt de resultaten van de praktijkbegeleiding bij in het register.

4.

Het instituut kan de maximale duur dat het certificaat, bedoeld in artikel 13, aanhef en onderdeel b, van de wet geldig is éénmalig verlengen in het geval dat de rijinstructeur wegens verschoonbare redenen niet aan zijn verplichting tot praktische bijscholing, bedoeld in artikel 12b van de wet, heeft kunnen voldoen. Aan de verlenging kunnen voorschriften worden verbonden. De verlenging is beperkt tot maximaal twaalf aaneengesloten maanden, afhankelijk van de ernst van de reden. Indien verlenging op medische gronden wordt verzocht, gaat het verzoek om verlenging vergezeld van een medische verklaring met betrekking tot de gronden.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.