Reglement onderzoek schepen op de Rijn 1995
Deel I
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.01. Begripsbepalingen
In dit reglement wordt verstaan onder:
-
- ‘vaartuig’: een schip of een drijvend werktuig;
-
- ‘schip’: een binnenschip of een zeeschip;
-
- ‘binnenschip’: een schip dat uitsluitend of overwegend bestemd is voor de vaart op de binnenwateren;
-
- ‘zeeschip’: een schip dat is toegelaten voor de zee- of kustvaart en overwegend daartoe is bestemd;
-
- ‘sleepboot’: een schip dat speciaal is gebouwd om te slepen;
-
- ‘duwboot’: een schip dat speciaal is gebouwd voor het voortbewegen van een duwstel;
-
- ‘duwbak’: een schip dat is bestemd voor het vervoer van goederen en gebouwd of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging, dan wel met eigen mechanische middelen tot voortbeweging die slechts verplaatsingen over kleine afstanden toelaten, wanneer het geen deel uitmaakt van een duwstel;
-
- ‘passagiersschip’: een schip voor dagtochten of een hotelschip dat is gebouwd en ingericht voor het vervoer van meer dan 12 passagiers;
-
- ‘schip voor dagtochten’: een passagiersschip waarop zich geen hutten bevinden voor overnachting van passagiers;
-
- ‘hotelschip’: een passagiersschip waarop zich hutten bevinden voor overnachting van passagiers;
-
- ‘snel schip’: een schip met eigen mechanische middelen tot voortbeweging dat een snelheid ten opzichte van het water kan bereiken van meer dan 40 km/u;
-
- ‘drijvend werktuig’: een drijvend bouwsel waarop zich werkinstallaties bevinden, zoals kranen, baggermolens, hei-installaties of elevatoren;
-
- ‘drijvende inrichting’ een drijvend bouwsel dat vanwege zijn bestemming in de regel niet wordt verplaatst, zoals een badinrichting, een dok, een steiger of een botenhuis;
-
- ‘drijvend voorwerp’ een vlot, alsmede een ander voorwerp of samenstel van voorwerpen dat geschikt is gemaakt om te varen en dat geen schip, drijvend werktuig of drijvende inrichting is;
-
- ‘samenstel’: een hecht samenstel of een sleep;
-
- ‘formatie’: vorm van de samenstelling van een samenstel;
-
- ‘hecht samenstel’: een duwstel of een gekoppeld samenstel;
-
- ‘duwstel’: een hecht samenstel van vaartuigen, waarvan er ten minste één is geplaatst vóór het vaartuig met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel, dan wel voor de beide vaartuigen met motoraandrijving die dienen voor het voortbewegen van het samenstel en die worden aangeduid als ‘duwboot’ of ‘duwboten’.Hieronder wordt ook verstaan een duwstel dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd vaartuig waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken;
-
- ‘gekoppeld samenstel’: een samenstel van langszijde van elkaar vastgemaakte vaartuigen, waarvan er geen is geplaatst vóór het vaartuig met motoraandrijving dat dient voor het voortbewegen van het samenstel;
-
- ‘sleep’: een samenstel van één of meer vaartuigen, drijvende inrichtingen of drijvende voorwerpen, dat wordt gesleept door één of meer tot het samenstel behorende vaartuigen met motoraandrijving;
-
- ‘lengte’ of ‘L’: de grootste lengte van de scheepsromp in m, het roer en de boegspriet niet inbegrepen;
-
- ‘breedte’ of ‘B’: de grootste breedte van de scheepsromp in m, gemeten op de buitenkant van de huidbeplating (schoepraderen, schuurlijsten en dergelijke niet inbegrepen);
-
- ‘diepgang’ of ‘T’: de verticale afstand in m tussen het laagste punt van de scheepsromp, zonder rekening te houden met de kiel of andere vaste onderdelen, en het vlak van de grootste inzinking van het schip;
-
- ‘erkend classificatiebureau’: een classificatiebureau dat is erkend door alle Rijnoeverstaten en België, te weten: DNV, Bureau Veritas (BV) en Lloyd’s Register (LR);
-
- ‘ES-TRIN’: ES-TRIN als bedoeld in artikel 1.1 van de Binnenvaartregeling. Voor de toepassing van ES-TRIN wordt voor het begrip ‘lidstaat’ gelezen ‘een van de Rijnoeverstaten of België’.
Artikel 1.02. Toepasselijkheid van het reglement
Dit reglement is van toepassing op de volgende vaartuigen:
- a). schepen met een lengte (L) van 20 m of meer;
- b). schepen waarvan het volume, berekend uit het product lengte (L), breedte (B) en diepgang (T), 100 m³ of meer bedraagt.
Bovendien is dit reglement van toepassing op alle:
- a). sleep- en duwboten die zijn bestemd om de in het eerste lid bedoelde schepen of drijvende werktuigen te slepen, te duwen of langszijde gekoppeld mede te voeren;
- b). schepen die beschikken over een certificaat van goedkeuring als bedoeld in het ADN;
- c). passagiersschepen;
- d). drijvende werktuigen.
Dit reglement is niet van toepassing op veerponten als bedoeld in het Rijnvaartpolitiereglement.
Artikel 1.03. Vergunning voor het in de vaart brengen
Vaartuigen, drijvende inrichtingen of drijvend voorwerpen, waarvoor een certificaat van onderzoek opgesteld moet worden, moeten aan de bepalingen van dit reglement en aan de eisen van ES-TRIN voldoen.
Artikel 1.04. Certificaat van onderzoek
Op de in artikel 1.02, eerste en tweede lid, bedoelde vaartuigen moeten
- a). een certificaat van onderzoek, dat door een Commissie van deskundigen, die door één der Rijnoeverstaten of België overeenkomstig de bepalingen van dit reglement is afgegeven, of
- b). een door de Centrale Commissie van de Rijnvaart als gelijkwaardig erkend certificaat aan boord aanwezig zijn. Het certificaat van onderzoek wordt opgesteld overeenkomstig het model dat in bijlage 3, onderdeel I, van ES-TRIN is opgenomen.
Artikel 1.05. Zeeschepen
Op zeeschepen, waarop het Internationaal Verdrag van 1974 voor de beveiliging van mensenlevens op zee (SOLAS 1974) dan wel het Internationaal Verdrag van 1966 betreffende de uitwatering van schepen van toepassing is, moet het betreffende geldige internationale document aan boord aanwezig zijn.
Zeeschepen, waarop SOLAS 1974 dan wel het Internationaal verdrag betreffende de uitwatering van schepen niet van toepassing is, moeten voorzien zijn van de desbetreffende documenten en van de vrijboordmerken die volgens het recht van de vlaggenstaat zijn voorgeschreven en die wat betreft bouw, inrichting en uitrusting aan de eisen van de genoemde verdragen voldoen of een vergelijkbaar niveau van veiligheid op enigerlei andere wijze kunnen garanderen.
Op zeeschepen, waarop het Internationaal Verdrag van 1973 ter voorkoming van verontreiniging door schepen (MARPOL 73) van toepassing is, moet een geldig internationaal document inzake de voorkoming van verontreiniging van de zee (IOPP document) aan boord aanwezig zijn.
Op zeeschepen, waarop MARPOL 73 niet van toepassing is, moet een overeenkomstig document dat volgens het recht van de vlaggenstaat is voorgeschreven aan boordaanwezig zijn.
Op zeeschepen en drijvende werktuigen die zijn toegelaten om te worden gebruikt aan de kust of op zee moet het geldige certificaat als bedoeld in bijlage 3, onderdeel IV, van ES-TRIN aan boord aanwezig zijn, indien het geldige certificaat van onderzoek als bedoeld in bijlage 3, onderdeel I, van ES-TRIN niet aan boord aanwezig is. Daarbij dient bij drijvende werktuigen aan hoofdstuk 25 van ESTRIN ook met inachtneming van hoofdstuk 22 van ES-TRIN te zijn voldaan.
Artikel 1.06. Voorschriften van tijdelijke aard van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart
De Centrale Commissie voor de Rijnvaart kan voorschriften van tijdelijke aard vaststellen met een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaren, wanneer het noodzakelijk wordt geacht om:
- a). in dringende gevallen afwijkingen van dit reglement toe te laten, dan wel
- b). proefnemingen mogelijk te maken, waarbij de veiligheid en de vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer niet worden aangetast.
Artikel 1.07. Dienstinstructies voor de Commissies van deskundigen en de bevoegde autoriteiten
In het belang van een eenvoudige en uniforme toepassing van dit reglement kan de Centrale Commissie voor de Rijnvaart dienstinstructies voor de Commissies van deskundigen en de volgens dit reglement bevoegde autoriteiten vaststellen. De Commissies van deskundigen en de bevoegde autoriteiten worden van deze dienstinstructie in kennis gesteld.
De Commissies van deskundigen en de bevoegde autoriteiten dienen zich aan deze dienstinstructie te houden.
De instructies overeenkomstig ES-TRIN voor de toepassing van ES-TRIN gelden als dienstinstructies in de zin van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn.
Hoofdstuk 2. Procedure
Artikel 2.01. Commissie van deskundigen
In bepaalde daarvoor in aanmerking komende havens zijn door de Rijnoeverstaten en België Commissies van deskundigen ingesteld.
De Commissies van deskundigen bestaan uit een voorzitter en erkend deskundigen.
Als erkend deskundigen maken van iedere Commissie van deskundigen ten minste deel uit:
- a). een personeelslid van het bevoegd gezag op het gebied van de scheepvaart;
- b). een erkend deskundige op het gebied van de bouw van binnenschepen en hun machines;
- c). een erkend nautisch deskundige die in het bezit is van een binnenvaartschipperspatent dat het voeren van het schip dat onderzocht moet worden toestaat;
- d). bij het onderzoek van traditionele vaartuigen een erkend deskundige voor traditionele vaartuigen.
De voorzitter en de erkend deskundigen van elke Commissie van deskundigen worden benoemd door de autoriteiten van de staat die de Commissie van deskundigen heeft ingesteld.
De voorzitter en de erkend deskundigen dienen bij de aanvaarding van hun functie schriftelijk te verklaren dat zij deze in alle onpartijdigheid zullen vervullen. Van ambtenaren wordt een dergelijke verklaring niet geëist.
De Commissies van deskundigen kunnen zich onder de voorwaarden, zoals door elk der betrokken staten zullen worden vastgesteld, laten bijstaan door gespecialiseerde erkend deskundigen.
De Centrale Commissie voor de Rijnvaart zorgt voor het bijhouden en het publiceren van een lijst van de Commissies van deskundigen.
Artikel 2.02. Aanvraag van het onderzoek
De eigenaar van een vaartuig of zijn vertegenwoordiger die een onderzoek hiervan wenst, moet bij de Commissie van deskundigen van zijn keuze een aanvraag indienen volgens het model van bijlage A. De Commissie van deskundigen stelt vast welke bescheiden moeten worden overgelegd.
De eigenaar van een vaartuig, waarop dit reglement niet van toepassing is, of zijn vertegenwoordiger, kan een certificaat van onderzoek aanvragen. Aan deze aanvraag dient gevolg te worden gegeven wanneer het vaartuig voldoet aan de bepalingen van dit reglement.
Artikel 2.03. Aanbieding van het vaartuig voor het onderzoek
De eigenaar of zijn vertegenwoordiger moet het vaartuig leeg, schoongemaakt en met volledige uitrusting voor onderzoek aanbieden. Hij is verplicht bij het onderzoek de noodzakelijke hulp te verlenen, bijv. een geschikte boot met personeel ter beschikking te stellen, en die delen van de romp of van de installaties bloot te leggen, die niet direct toegankelijk of zichtbaar zijn.
De Commissie van deskundigen moet bij het eerste onderzoek het vaartuig op het droge bezichtigen. Bezichtiging op het droge kan achterwege blijven wanneer een klassecertificaat of een verklaring van een erkend classificatiebureau, volgens welke de bouw voldoet aan de daardoor gehanteerde voorschriften, wordt overgelegd. Bij periodieke of bijzondere onderzoeken kan de Commissie van deskundigen een bezichtiging op het droge verlangen. De Commissie van deskundigen moet bij het eerste onderzoek van vaartuig met eigen mechanische middelen en samenstellen, alsmede bij essentiële veranderingen in de voortstuwingsinstallatie of de stuurinrichting proefvaarten doen plaatsvinden.
De Commissie van deskundigen kan extra bezichtigingen en proefvaarten doen plaatsvinden en nadere bewijzen verlangen. Dit geldt tevens tijdens de bouw.
Onverminderd het derde lid, moet de Commissie van deskundigen die uiteindelijk het certificaat van onderzoek moet afgeven, door de eigenaar of zijn vertegenwoordiger vóór het begin van de bouw (nieuwbouw of verlenging van een reeds in bedrijf zijnde vaartuig) van vaartuigen met een lengte L van meer dan 110 m met uitzondering van zeeschepen, hiervan op de hoogte worden gesteld. Deze Commissie van deskundigen voert tijdens de bouwperiode onderzoeken uit. Zij kan hiervan afzien wanneer vóór het begin van de bouw een verklaring van een erkend classificatiebureau wordt overgelegd waarin het verklaart dat het op de bouw toeziet.
Artikel 2.04. Afgifte van het certificaat van onderzoek
Wanneer de Commissie van deskundigen op grond van het onderzoek van een vaartuig vaststelt dat dit beantwoordt aan de bepalingen van dit reglement en de bepalingen van ES-TRIN, geeft zij aan de aanvrager een certificaat van onderzoek volgens het model van bijlage 3, onderdeel I, van ES-TRIN af.
De Commissie van deskundigen controleert bij afgifte van een certificaat van onderzoek of aan het desbetreffende vaartuig niet reeds een geldig certificaat is afgegeven, zoals bedoeld in artikel 1.04.
Ingeval de Commissie van deskundigen weigert een certificaat van onderzoek af te geven, moet zij dit aan de aanvrager gemotiveerd schriftelijk mededelen.
Artikel 2.05. Voorlopig certificaat van onderzoek
De Commissie van deskundigen kan een voorlopig certificaat afgeven voor:
- a). vaartuigen die met toestemming van de Commissie van deskundigen naar een bepaalde plaats willen varen om een certificaat van onderzoek te verkrijgen;
- b). vaartuigen waarvan het certificaat van onderzoek verloren, beschadigd of tijdelijk ingetrokken is, zoals bedoeld in de artikelen 2.07 of 2.13, eerste lid;
- c). vaartuigen waarvan het certificaat van onderzoek na een inspectie met positief resultaat wordt voorbereid;
- d). vaartuigen die niet aan alle voorwaarden voor het verkrijgen van een certificaat van onderzoek voldoen;
- e). vaartuigen die zodanige schade hebben geleden dat de staat waarin zij verkeren niet meer overeenstemt met hetgeen in het certificaat van onderzoek is gesteld;
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.