Besluit van 18 mei 2009, houdende de vaststelling van kerndoelen voor het speciaal onderwijs (Besluit kerndoelen WEC)

Type AMvB
Publication 2022-08-01
State In force
Source BWB
artikelen 6
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Sharon A.M. Dijksma, van 19 augustus 2008, nr. WJZ/39370 (2638), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op artikel 13, zevende lid, van de Wet op de expertisecentra;

De Raad van State gehoord (advies van 12 maart 2009, nr. W05.08.0382/I);

Gezien het nader rapport van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Sharon A. M. Dijksma, van 13 mei 2009, nr. WJZ122559 (2638), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Vastgesteld wordt een Besluit Kerndoelen WEC, als volgt:

Artikel 1. Kerndoelen speciaal onderwijs

De kerndoelen, bedoeld in artikel 13, zevende lid, van de Wet op de expertisecentra worden voor de verschillende onderwijssoorten vastgesteld als aangegeven in bijlage 1 en bijlage 2 bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 3

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit kerndoelen WEC.

Bijlage 1. bij Besluit kerndoelen WEC

De eerste generatie kerndoelen speciaal onderwijs met uitzondering van kerndoelen voor zeer moeilijk lerende leerlingen of meervoudig gehandicapte leerlingen

Preambule

Deze kerndoelen zijn van toepassing voor het onderwijs aan leerlingen met een enkelvoudige beperking en/of stoornis in de basisschoolleeftijd, met uitzondering van zeer moeilijk lerenden. Het onderwijs aan deze groep leerlingen bevordert brede vorming. Het onderwijsaanbod richt zich in elk geval op de emotionele en de verstandelijke ontwikkeling, op het ontwikkelen van creativiteit, het verwerven van kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden. Het onderwijs gaat er mede vanuit dat de leerlingen opgroeien in een multiculturele samenleving.

Het onderwijs omvat waar mogelijk in samenhang: zintuiglijke oefening, lichamelijke oefening, Nederlandse taal, rekenen en wiskunde, enkele kennisgebieden (waarbij in elk geval aandacht besteed wordt aan aardrijkskunde, geschiedenis, de natuur, waaronder biologie, maatschappelijke verhoudingen, waaronder staatsinrichting en geestelijke stromingen), expressieactiviteiten (waarbij in elk geval aandacht wordt besteed aan de bevordering van het taalgebruik, tekenen, muziek, handvaardigheid, spel en beweging) en bevordering van de sociale redzaamheid (waaronder gedrag in het verkeer, bevordering van gezond gedrag). De kerndoelen zijn een operationalisering hiervan. Het geheel van kerndoelen geeft een beeld van het inhoudelijk aanbod van het onderwijs.

De kerndoelen zijn ingedeeld in leergebiedoverstijgende en leergebiedspecifieke kerndoelen. De leergebiedoverstijgende kerndoelen zijn gegroepeerd in de volgende thema’s: zintuiglijke en motorische ontwikkeling, sociaal-emotionele ontwikkeling, leren leren en omgaan met media en technologische hulpmiddelen. De thema’s ruimtelijke oriëntatie en mobiliteit en praktische redzaamheid zijn specifiek van toepassing voor leerlingen met een visuele beperking, leerlingen met een lichamelijke beperking en langdurig zieke leerlingen.

Deze kerndoelen zijn van toepassing voor het onderwijs aan leerlingen met een enkelvoudige beperking en/of stoornis in de basisschoolleeftijd, met uitzondering van zeer moeilijk lerenden. Het onderwijs aan deze groep leerlingen bevordert brede vorming. Het onderwijsaanbod richt zich in elk geval op de emotionele en de verstandelijke ontwikkeling, op het ontwikkelen van creativiteit, het verwerven van kennis en van sociale, culturele en lichamelijke vaardigheden. Het onderwijs gaat er mede vanuit dat de leerlingen opgroeien in een multiculturele samenleving.

Het onderwijs omvat waar mogelijk in samenhang: zintuiglijke oefening, lichamelijke oefening, Nederlandse taal, rekenen en wiskunde, enkele kennisgebieden (waarbij in elk geval aandacht besteed wordt aan aardrijkskunde, geschiedenis, de natuur, waaronder biologie, maatschappelijke verhoudingen, waaronder staatsinrichting en geestelijke stromingen), expressieactiviteiten (waarbij in elk geval aandacht wordt besteed aan de bevordering van het taalgebruik, tekenen, muziek, handvaardigheid, spel en beweging), en bevordering van de sociale redzaamheid (waaronder gedrag in het verkeer, bevordering van gezond gedrag) en Engelse taal. De kerndoelen zijn een operationalisering hiervan. Het geheel van kerndoelen geeft een beeld van het inhoudelijk aanbod van het onderwijs.

De kerndoelen zijn ingedeeld in leergebiedoverstijgende en leergebiedspecifieke kerndoelen. De leergebiedoverstijgende kerndoelen zijn gegroepeerd in de volgende thema’s: zintuiglijke en motorische ontwikkeling, sociaal-emotionele ontwikkeling, leren leren en omgaan met media en technologische hulpmiddelen. De thema’s ruimtelijke oriëntatie en mobiliteit en praktische redzaamheid zijn specifiek van toepassing voor leerlingen met een visuele beperking, leerlingen met een lichamelijke beperking en langdurig zieke leerlingen.

De leergebiedspecifieke kerndoelen zijn ingedeeld in Nederlandse taal, Engels, Friese taal, rekenen/wiskunde, oriëntatie op jezelf en de wereld, kunstzinnige oriëntatie en bewegingsonderwijs.

Kerndoelen geven een beschrijving van de kwaliteiten van leerlingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die de overheid minimaal belangrijk acht voor leerlingen. Kerndoelen omschrijven het eind van een leerproces, niet de wijze waarop ze bereikt worden.

Leergebiedoverstijgende kerndoelen

Karakteristiek

Tenslotte wordt opgemerkt dat het van belang is doelen zo veel mogelijk op elkaar af te stemmen. In de dagelijkse onderwijspraktijk zullen doorgaans doelen uit verschillende leergebieden tegelijk aan de orde zijn.

De leergebiedoverstijgende kerndoelen omvatten:

Bij leerlingen met beperkingen op specifieke domeinen (zintuiglijk, motorisch, gedragsmatig) is veelal sprake van samenhangende belemmeringen op de meer algemene thema’s als sociale en emotionele ontwikkeling en leren leren. Daarom is bij leerlingen met een beperking en/of een stoornis in veel gevallen ook sprake van complexe problemen. In kringen binnen het regulier onderwijs worden de genoemde basale en algemene aspecten vaak leervoorwaardelijk genoemd. Het leren van die aspecten wordt dan meer geassocieerd met de specifieke leergebieden als taal, rekenen en wiskunde en oriëntatie op jezelf en de wereld. Voor het onderwijs aan leerlingen met een beperking en/of stoornis vormen deze leervoorwaardelijke aspecten een belangrijk onderdeel van het onderwijsaanbod. Ze zijn daarom expliciet in de kerndoelen voor het speciaal onderwijs opgenomen. Voor leerlingen met een zintuiglijke beperking worden de betreffende doelen remediërend en/of compenserend uitgewerkt.

In de leergebiedoverstijgende kerndoelen ligt het accent op brede ontwikkeling.

De leergebiedoverstijgende kerndoelen omvatten:

Bij leerlingen met beperkingen op specifieke domeinen (zintuiglijk, motorisch, gedragsmatig) is veelal sprake van samenhangende belemmeringen op de meer algemene thema’s als sociale en emotionele ontwikkeling en leren leren. Daarom is bij leerlingen met een beperking en/of een stoornis in veel gevallen ook sprake van complexe problemen. In kringen binnen het regulier onderwijs worden de genoemde basale en algemene aspecten vaak leervoorwaardelijk genoemd. Het leren van die aspecten wordt dan meer geassocieerd met de specifieke leergebieden als taal, rekenen en wiskunde en oriëntatie op jezelf en de wereld. Voor het onderwijs aan leerlingen met een beperking en/of stoornis vormen deze leervoorwaardelijke aspecten een belangrijk onderdeel van het onderwijsaanbod. Ze zijn daarom expliciet in de kerndoelen voor het speciaal onderwijs opgenomen. Voor leerlingen met een zintuiglijke beperking worden de betreffende doelen remediërend en/of compenserend uitgewerkt.

Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)

De aandacht voor media en technologische hulpmiddelen is logisch omdat deze voor veel leerlingen in het speciaal onderwijs belangrijke middelen zijn om te kunnen leren, ontwikkelen en leven.

Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)

De beperkingen op auditief gebied en in de taalontwikkeling hebben grote invloed op de ontwikkeling van de gehele persoon. Bij deze leerlingen is veelal sprake van onzekerheid en weinig zelfvertrouwen. Daarnaast hebben zij veelal moeite in de communicatie met anderen.

Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)

De mogelijkheden van zintuiglijke en motorische ontwikkeling is voor elke leerling bepaald door de beperking of ziekte. De leerlingen ervaren hun beperkingen waarmee zij moeten leren omgaan. De grote individuele verschillen doen in veel gevallen een beroep op extra aandacht, ondersteuning en training.

Kerndoelen

Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)

Sociaal-emotionele ontwikkeling

Kerndoelen

Zintuiglijke en motorische ontwikkeling

Sociaal-emotionele ontwikkeling

Zelfbeeld

Sociaal gedrag

Leren leren

Omgaan met media en technologische hulpmiddelen

Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1), leerlingen met een lichamelijke beperking en langdurig zieke leerlingen (cluster 3)

Ruimtelijke oriëntatie en mobiliteit

Taalonderwijs is van belang omdat de rol van taal bij het verwerven van inhouden en vaardigheden in alle leergebieden (en de transfer daartussen) evident is. Het onderwijs in Nederlands als tweede taal heeft dat besef de laatste jaren sterk doen groeien. Taalonderwijs is dus van belang voor het succes dat leerlingen in het onderwijs zullen hebben en voor de plaats die ze in de maatschappij zullen innemen.

Daarnaast heeft taal een sociale functie. Leerlingen dienen hun taalvaardigheid te ontwikkelen, omdat ze die nu en straks in de maatschappij hard nodig hebben. Dat houdt onder meer in dat het onderwijs waar mogelijk uitgaat van communicatieve situaties: levensechte en boeiende leesteksten, gesprekken over onderwerpen die leerlingen bezig houden, een echte correspondentie met leerlingen van andere scholen.

In het algemeen geldt voor leerlingen in het speciaal onderwijs dat het leren communiceren extra aandacht vraagt. Afhankelijk van de aard van de beperking en/of stoornis doet het leren communiceren een beroep op specifieke vormen van communicatie en op specifieke situaties.

Taalonderwijs is van belang omdat de rol van taal bij het verwerven van inhouden en vaardigheden in alle leergebieden (en de transfer daartussen) evident is. Het onderwijs in Nederlands als tweede taal heeft dat besef de laatste jaren sterk doen groeien. Taalonderwijs is dus van belang voor het succes dat leerlingen in het onderwijs zullen hebben en voor de plaats die ze in de maatschappij zullen innemen.

Daarnaast heeft taal een sociale functie. Leerlingen dienen hun taalvaardigheid te ontwikkelen, omdat ze die nu en straks in de maatschappij hard nodig hebben. Dat houdt onder meer in dat het onderwijs waar mogelijk uitgaat van communicatieve situaties: levensechte en boeiende leesteksten, gesprekken over onderwerpen die leerlingen bezig houden, een echte correspondentie met leerlingen van andere scholen.

In het algemeen geldt voor leerlingen in het speciaal onderwijs dat het leren communiceren extra aandacht vraagt. Afhankelijk van de aard van de beperking en/of stoornis doet het leren communiceren een beroep op specifieke vormen van communicatie en op specifieke situaties.

Taalverwerving en -onderwijs verlopen als het ware in cirkels: het gaat vaak om dezelfde inhouden, maar de complexiteit en de mate van beheersing nemen toe. Anders gezegd: het onderwijs in Nederlandse taal is er op gericht dat leerlingen in de beheersing van deze taal in en buiten school steeds competenter taalgebruikers worden. Die competenties zijn te typeren in vier trefwoorden1In navolging van de Vlaamse eindtermen voor lager onderwijs.: kopiëren, beschrijven, structureren en beoordelen. Die zijn niet zonder meer tot formuleringen in kerndoelen te verwerken, omdat het vaak gaat om een combinatie van competenties.

Met «kopiëren» wordt bedoeld: zo letterlijk mogelijk een handeling nadoen (overschrijven van het bord bijvoorbeeld).

«Beschrijven» is op eigen wijze (in eigen woorden) toepassen van een vaardigheid. Dat kan inhouden: verslag uitbrengen, informatie geven of vragen.

«Structureren» houdt in: op eigen manieren ordening aanbrengen.

«Beoordelen» is reflectie op mogelijkheden, evalueren.

In het aanbod neemt de schriftelijke taalvaardigheid een belangrijke plaats in. «Geletterdheid» veronderstelt meer dan alleen de techniek van lezen en schrijven. Ook inzicht in de maatschappelijke functie ervan en een positieve attitude maken er deel van uit. Deze ontwikkeling begint eigenlijk al voor de basisschool, bij voorlezen en vertellen in het gezin, en wordt verder ontwikkeld in alle groepen.

Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)

Beschouwing van taal en taalgebruik geeft leerlingen «gereedschappen» om over taal te praten en na te denken. Traditioneel ging het hierbij om grammatica, soms ook om de beschouwing van interessante taalverschijnselen. Tegenwoordig denkt men hierbij vooral aan inzicht in eigen en andermans taalgebruiksstrategieën, zodat een kind leert deze steeds bewuster en doelgerichter in te zetten. Naast aandacht voor taal als systeem is er ook reflectie op taalgebruik. Taalbeschouwing dient geen op zichzelf staand onderdeel te vormen, maar geïntegreerd te worden met (onderdelen uit) de overige domeinen.

Het zal duidelijk zijn dat onderwijs in Nederlands als tweede taal vaak een wat ander karakter heeft dan Nederlands als eerste taal: de beginsituatie van de leerlingen is anders, de didactiek verschilt, het aanbod is soms anders gefaseerd, er ligt meer nadruk op woordenschatuitbreiding. Maar voor alle leerlingen gelden in feite dezelfde doelen en hetzelfde aanbod. Veel van oorsprong autochtone leerlingen die in achterstandssituaties opgroeien zijn ook gebaat bij didactische inzichten die door ervaring met onderwijs aan allochtone leerlingen scherper zijn geworden. Eén van die inzichten is, dat taal in alle vakken een cruciale rol speelt bij het verwerven van kennis en vaardigheden in die «andere vakken».

De lees- en schrijfcultuur, de wereld in woorden, maken blinden zich eigen via braille. De meeste slechtziende leerlingen hebben moeite met het «kunnen zien van het zwartschrift».

Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)

Gelijkertijd is het gevaar aanwezig dat de beperking van visuele ervaringen zorgt voor «niet gevulde» beelden. De taalontwikkeling is daarbij niet gebaseerd op de eigen belevingswereld maar op de wereld die de ziende aanreikt. Door het taalonderwijs te concretiseren en de leerlingen brede ervaringen te laten opdoen, kan «zweeftaal» worden voorkomen.

De lees- en schrijfcultuur, de wereld in woorden, maken blinden zich eigen via braille. De meeste slechtziende leerlingen hebben moeite met het «kunnen zien van het zwartschrift».

Voor het onderwijs aan doven is het taalonderwijs aangepast. Voor het onderwijs in NGT zijn aparte doelen opgesteld. Deze taal kan als primaire taal aangeboden worden, waarbij dan het domein mondelinge taalonderwijs wordt aangepast.

Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)

Slechthorende leerlingen hebben primair een toegangsprobleem. De gehoorbeperking heeft niet alleen consequenties voor de taalontwikkeling, maar ook voor de totale ontwikkeling van de leerlingen. Het onderwijs is gericht op het herstel en/of compenseren van de beperkte taalontwikkeling. Naast de inzet van technische hulpmiddelen om de auditieve mogelijkheden maximaal te benutten kan hierbij gebruik worden gemaakt van visuele ondersteuning van het Nederlands met gebaren (NmG). Voor sommige (zeer) slechthorende leerlingen wordt gekozen voor tweetalig onderwijs: Nederlandse taal en Nederlandse Gebarentaal (NGT). Voor zeer slechthorende leerlingen kunnen derhalve zowel de kerndoelen Nederlandse taal als de doelen NGT aan de orde zijn.

Voor het onderwijs aan doven is het taalonderwijs aangepast. Voor het onderwijs in NGT zijn aparte doelen opgesteld. Deze taal kan als primaire taal aangeboden worden, waarbij dan het domein mondelinge taalonderwijs wordt aangepast.

Leerlingen met motorische beperkingen hebben meestal moeite met schrijven. Het leren gebruiken van de computer kan veel tijd vragen evenals de bediening. Een toetsaanslag of muissturing kan minutenwerk zijn.

De motorische beperking (van weinig tot zeer ernstig) beïnvloedt de taalontwikkelingsmogelijkheden van de leerlingen. Bijvoorbeeld schriftelijk taalgebruik vraagt individuele aanpassingen, hulpmiddelen en specifieke ondersteuning.

Leerlingen met taal- en/of spraakproblemen ondervinden veelal belemmeringen bij de communicatie. Dat heeft zijn neerslag op de participatie in gesprekken en in de sociale contacten. Zo vraagt het vertellen meer tijd, is de verstaanbaarheid vaak minder en ligt het spreektempo lager. Leerlingen die niet of nauwelijks kunnen spreken zijn in veel gevallen aangewezen op andere communicatie vormen en hulpmiddelen.

Voor leerlingen met ernstige gedragsmoeilijkheden of psychiatrische problematiek (cluster 4)

Luisteren, dat wil zeggen concentreren op wat gezegd en op wat verteld wordt, is voor veel van deze leerlingen niet vanzelfsprekend. Het automatiseren van begrippen en de informatieverwerking vraagt meer tijd.

Kerndoelen

Voor leerlingen met ernstige gedragsmoeilijkheden of psychiatrische problematiek (cluster 4)

Schriftelijk taalonderwijs

Kerndoelen

Mondeling taalonderwijs

Voor leerlingen met een auditieve beperking (cluster 2)

Taalbeschouwing, waaronder strategieën

Over de Nederlandse Gebarentaal (NGT) doet de Wet op de expertisecentra geen uitspraken. De algemene aspecten en functie in het onderwijs die zijn aangegeven in de karakteristiek van Nederlandse taal geldt ook voor NGT.

Voor leerlingen met een auditieve beperking (cluster 2)

Dove leerlingen hebben niet rechtstreeks toegang tot een gesproken taal en daarmee tot de informatie uit de horende wereld. Om deze leerlingen zo optimaal mogelijk ontwikkelingskansen te bieden, wordt in het dovenonderwijs veelal tweetalig onderwijs aangeboden. De eerste taal hierbij kan de NGT zijn. Nederlands wordt in dat geval als tweede taal aangeleerd.

Over de Nederlandse Gebarentaal (NGT) doet de Wet op de expertisecentra geen uitspraken. De algemene aspecten en functie in het onderwijs die zijn aangegeven in de karakteristiek van Nederlandse taal geldt ook voor NGT.

Voor het onderwijs aan doven wordt het taalonderwijs aangepast. Voor het onderwijs in NGT zijn onderstaande doelen opgesteld. Deze taal kan als primaire taal aangeboden worden waarbij dan de kerndoelen van Nederlandse taal, met name het domein mondelinge taalonderwijs van Nederlands, worden aangepast in relatie tot de mogelijkheden van de leerlingen.

Dove leerlingen hebben niet rechtstreeks toegang tot een gesproken taal en daarmee tot de informatie uit de horende wereld. Om deze leerlingen zo optimaal mogelijk ontwikkelingskansen te bieden, wordt in het dovenonderwijs veelal tweetalig onderwijs aangeboden. De eerste taal hierbij kan de NGT zijn. Nederlands wordt in dat geval als tweede taal aangeleerd.

Door de «kan»-formulering is het leergebied NGT geen verplichting. Maar als de school besluit NGT in haar onderwijsaanbod op te nemen, dan doet zij er goed aan zich te laten leiden door de kerndoelvoorstellen.

Kerndoelen

Manuele vaardigheden

Tekstuele vaardigheden

Kerndoelen

Manuele vaardigheden

Tekstuele vaardigheden

Over de Engelse taal geeft de Wet op de expertisecentra aan dat scholen voor speciaal onderwijs in hun onderwijsaanbod de Engelse taal kunnen opnemen.

Beheersing van de Engelse taal wordt voor iedereen steeds belangrijker door de toenemende internationalisering, groeiende mobiliteit en de uitbreidende mogelijkheden om te communiceren via nieuwe media. De plaats van Engels in het onderwijs wordt gefundeerd door Europees beleid en door het uitgangspunt dat een redelijke beheersing van die taal bereikt wordt wanneer er vroeg met het onderwijs in Engels begonnen wordt.

Het doel van Engels is om een eerste basis te leggen om te kunnen communiceren met moedertaalsprekers of anderen die buiten de school Engels spreken. Die eerste aanzet wordt later, in de periode van de basisvorming, verder ontwikkeld. Het onderwijs in de Engelse taal wordt waar mogelijk in samenhang gebracht met inhouden van andere vakken. Bijvoorbeeld met inhouden in de oriëntatie op jezelf en de wereld. Het gaat dan om eenvoudige alledaagse onderwerpen als «woonomgeving», «vrije tijd en hobby’s», «het lichaam», «het weer».

Beheersing van de Engelse taal wordt voor iedereen steeds belangrijker door de toenemende internationalisering, groeiende mobiliteit en de uitbreidende mogelijkheden om te communiceren via nieuwe media. De plaats van Engels in het onderwijs wordt gefundeerd door Europees beleid en door het uitgangspunt dat een redelijke beheersing van die taal bereikt wordt wanneer er vroeg met het onderwijs in Engels begonnen wordt.

Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)

In het onderwijs in de Engelse taal gaat het vooral om mondelinge communicatie en om het lezen van eenvoudige teksten. Het schrijven beperkt zich tot het kennismaken met de schrijfwijze van een beperkt aantal vaak voorkomende Engelse woorden. Voorts leren leerlingen om woordbetekenissen en schrijfwijzen van woorden op te zoeken met behulp van het woordenboek.

Kerndoelen

Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking behoort Engels niet tot de kerndoelen. Bij deze groep leerlingen ligt het accent op het Nederlands, waar nodig in combinatie met Nederlandse Gebarentaal.

Karakteristiek

Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)

Karakteristiek

Naast een maatschappelijke functie heeft het onderwijs in het Fries een sociale en culturele functie. Leerlingen worden vertrouwd met het leren zich uit te drukken in de taal die in de provincie, de regio, de plaats, de buurt en het gezin in informele en formele situaties gebruikt wordt. Daarmee nemen zij ook deel aan de cultuur van de eigen streek voor zover die samenhangt met het gebruik van het Fries.

In het aanbod neemt mondeling taalonderwijs een belangrijke plaats in. Het zal daarbij gaan om onderwerpen waarmee de leerlingen vertrouwd zijn en om relatief eenvoudige competenties als beschrijven en ordenen. Enige vaardigheid in het lezen wordt ook nagestreefd. Het gaat daarbij om voor leerlingen interessante teksten waarbij leesplezier van meer gewicht is dan het oefenen van leesbegrip.

Net als in het onderwijs in het Nederlands is het verwerven van luister-, lees- en woordenschatstrategieën van belang. Die zijn voor een deel overdraagbaar uit (of naar) het onderwijs in Nederlandse taal. Behalve deze samenhang in strategieën is taalbeschouwing in brede zin een domein dat een rijke bron van geplande of incidentele lessen kan vormen:

Over de Friese taal geeft de Wet op de expertisecentra aan dat scholen voor speciaal onderwijs in de provincie Friesland in hun onderwijsaanbod de Friese taal kunnen opnemen.

Onderwijs in het Fries heeft, evenals onderwijs in het Nederlands, een maatschappelijke en een sociale functie. De maatschappelijke functie valt samen met dezelfde functie van het onderwijs in het Nederlands: de rol van taal bij het verwerven van inhouden en vaardigheden in alle leergebieden en de transfer tussen taal en «andere vakken». In scholen waar Fries aangeboden wordt, staat dit onderwijs daarom niet los van onderwijs in het Nederlands. Tussen beide is transfer, bijvoorbeeld: uitbreiding van de woordenschat, luister- en leesstrategieën, taalbeschouwing.

Schriftelijk taalonderwijs

Taalbeschouwing, waaronder strategieën

Rekenen/wiskunde

Karakteristiek

Mondeling taalonderwijs

Schriftelijk taalonderwijs

In de reken-wiskundeles leren leerlingen een probleem wiskundig op te lossen en een oplossing in wiskundetaal aan anderen uit te leggen. Ze leren met respect voor ieders denkwijze wiskundige kritiek te geven en te krijgen. Het uitleggen, formuleren en noteren en het elkaar kritiseren leren leerlingen als specifiek wiskundige werkwijze te gebruiken om alleen en samen met anderen het denken te ordenen, te onderbouwen en fouten te voorkomen.

De onderwerpen waaraan leerlingen hun «wiskundige geletterdheid» ontwikkelen zijn van verschillende herkomst: het leven van alledag, andere vormingsgebieden en de wiskunde zelf. Bij de selectie en aanbieding van de onderwerpen wordt rekening gehouden met wat leerlingen al weten en kunnen, met hun verdere vorming, hun belangstelling en de actualiteit, zodat leerlingen zich uitgedaagd voelen tot wiskundige activiteit en zodat ze op eigen niveau, met plezier en voldoening, zelfstandig en in de groep uit eigen vermogen wiskunde doen: wiskundige vragen stellen en problemen formuleren en oplossen.

Door de visuele beperking kunnen de leerlingen een vertraagde en andere ontwikkeling tonen. Dat komt onder meer tot uitdrukking op de gebieden ruimtelijk inzicht en begripsvorming. Veel leerlingen hebben een «talige» invulling van rekenen en wiskunde.

Voor leerlingen met auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)

Het leren van rekenen en wiskunde wordt tegenwoordig gezien als een constructief proces waarin een belangrijke plaats is ingeruimd voor het reflecteren op eigen wiskundig denken en handelen. Communicatie bevordert deze reflectie. De leerlingen met auditieve en/of communicatieve beperking hebben moeite met anderen te communiceren over hun wiskundige inzichten en oplossingen. De ontwikkeling van rekentaal en begrippen is daardoor moeilijker en vraagt meer aandacht. De communicatie blijft een belangrijke activiteit om het kennis- en inzichtniveau van de leerling te verhogen.

Voor leerlingen met auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)

Zij hebben de oplossing voor een probleem bijvoorbeeld wel gevonden, maar falen in de uitleg van hun mentale handelingen. Het probleem dat wordt gesignaleerd en waarvoor aanpassingen nodig zijn, betreft het talige aspect van dit onderwijs.

Bij dove leerlingen wordt bij de verwerving van rekentaal en van rekenbegrippen ook gebruik gemaakt van gebarentaal. Voor dove leerlingen moet het «vertellen in eigen woorden» breed worden opgevat: «woorden» kunnen ook gebaren zijn. Verder hebben dove leerlingen, als zij daarvoor gebruik maken van de gebarentaal, een specifieke manier van tellen. Dit kan tot verwarring leiden met de wijze waarop horenden «op de vingers tellen».

Zij hebben de oplossing voor een probleem bijvoorbeeld wel gevonden, maar falen in de uitleg van hun mentale handelingen. Het probleem dat wordt gesignaleerd en waarvoor aanpassingen nodig zijn, betreft het talige aspect van dit onderwijs.

Leerlingen die vanaf jonge leeftijd rolstoelgebonden zijn, kunnen meer moeite hebben met ruimtelijk inzicht. Vooral de meetkunde waarbij oriëntatie in de ruimte een rol speelt, kan hieronder lijden. Leerlingen met epilepsie en langdurig (somatisch) zieken hebben vaak meer moeite om zich op iets of iemand te concentreren. Epilepsie kan ook gevolgen hebben voor het gehoor en het gezichtsvermogen.

Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)

Zij hebben de oplossing voor een probleem bijvoorbeeld wel gevonden, maar falen in de uitleg van hun mentale handelingen. Het probleem dat wordt gesignaleerd en waarvoor aanpassingen nodig zijn, betreft het talige aspect van dit onderwijs.

In het oog springende kenmerken voor leerlingen met ernstige gedragsmoeilijkheden of psychiatrische problematiek zijn onder meer hun informatieverwerkingsproblematiek en de verstoorde relatie tussen de leerlingen en hun omgeving. Deze leerlingen hebben problemen met het aanbrengen van structuur in hun denken en in de wereld om zich heen.

Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)

Leerlingen die vanaf jonge leeftijd rolstoelgebonden zijn, kunnen meer moeite hebben met ruimtelijk inzicht. Vooral de meetkunde waarbij oriëntatie in de ruimte een rol speelt, kan hieronder lijden. Leerlingen met epilepsie en langdurig (somatisch) zieken hebben vaak meer moeite om zich op iets of iemand te concentreren. Epilepsie kan ook gevolgen hebben voor het gehoor en het gezichtsvermogen.

Veel leerlingen hebben moeite met de algemene informatieverwerking en dat werkt door bij het leren automatiseren van elementaire rekenvaardigheden en rekenprocedures.

Getallen en bewerkingen

Meten en meetkunde

Oriëntatie op jezelf en de wereld

Karakteristiek

Wiskundig inzicht en handelen

Getallen en bewerkingen

Bij het leren kennen van de wijze waarop mensen hun omgeving inrichten spelen economische, politieke, culturele, technische en sociale aspecten een belangrijke rol. Het gaat daarbij om datgene wat van belang is voor betekenisverlening aan het bestaan, om duurzame ontwikkeling, om (voedsel)veiligheid en gezondheid en om technische verworvenheden.

Bij het oriënteren op de natuur gaat het om jezelf, om dieren en planten en natuurverschijnselen. Bij de oriëntatie op de wereld gaat het om de vorming van een wereldbeeld in ruimte en tijd. Leerlingen ontwikkelen een geografisch wereldbeeld aan de hand van gebieden en met behulp van kaartvaardigheden. Ze ontwikkelen een historisch wereldbeeld. Dat betekent dat ze kennis hebben van historische verschijnselen in delen van de wereld en van chronologie. Leerlingen leren hun wereldbeeld (over henzelf en de wereld), aan de hand van actuele onderwerpen, voortdurend «bij de tijd» te brengen.

Waar mogelijk worden onderwijsinhouden over mensen, de natuur en de wereld in samenhang aangeboden. Dit komt het «begrijpen» door leerlingen ten goede en draagt voorts bij aan vermindering van de overladenheid van het onderwijsprogramma. Ook inhouden uit andere leergebieden worden betrokken op de «oriëntatie op jezelf en de wereld». Te denken valt aan het lezen en maken van teksten (begrijpend lezen), het meten en het verwerken van informatie in onder andere tabellen, tijdlijn en grafieken (rekenen/wiskunde) en het gebruik van beelden en beeldend materiaal (kunstzinnige oriëntatie). Onderwijs is er immers vooral op gericht om leerlingen zicht te geven op betekenis en samenhang.

In dit leergebied oriënteren leerlingen zich op zichzelf, op hoe mensen met elkaar omgaan, hoe ze problemen oplossen en hoe ze zin en betekenis geven aan hun bestaan. Leerlingen oriënteren zich op de natuurlijke omgeving en op verschijnselen die zich daarin voordoen. Leerlingen oriënteren zich ook op de wereld, dichtbij, veraf, toen en nu en maken daarbij gebruik van cultureel erfgoed.

Voor deze groep leerlingen is het verkennen van de omgeving bij uitstek een activiteit waarbij zij al hun zintuigen naast het eventueel aanwezige gezichtsvermogen leren gebruiken. Het gaat erom dat zij met de eigen ervaringsmogelijkheden hun wereld leren verruimen en invulling leren geven aan begrippen.

Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)

Binnen het domein tijd oriënteren de leerlingen zich op het verleden in relatie tot het heden. Bij historische kennis en inzicht gaat het om beeldvorming die in overeenstemming is met de historische werkelijkheid. Kennis en inzicht met betrekking tot heden en verleden zijn aanvankelijk fragmentarisch en diffuus en worden geleidelijk aan completer en complexer.

Waar mogelijk worden onderwijsinhouden over mensen, de natuur en de wereld in samenhang aangeboden. Dit komt het «begrijpen» door leerlingen ten goede en draagt voorts bij aan vermindering van de overladenheid van het onderwijsprogramma. Ook inhouden uit andere leergebieden worden betrokken op de «oriëntatie op jezelf en de wereld». Te denken valt aan het lezen en maken van teksten (begrijpend lezen), het meten en het verwerken van informatie in onder andere tabellen, tijdlijn en grafieken (rekenen/wiskunde) en het gebruik van beelden en beeldend materiaal (kunstzinnige oriëntatie). Onderwijs is er immers vooral op gericht om leerlingen zicht te geven op betekenis en samenhang.

De leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking hebben door taalverwervings- of toegankelijkheidsproblemen in meer of mindere mate moeite met het verwerven van informatie door gebruik van de Nederlandse taal. Vooral de brede range van kennisgebieden en onderwerpen in dit leergebied en de daarmee samenhangende begrippen vraagt een speciale aanpak waarin de inhouden van de vier domeinen is afgestemd op woordenschatontwikkeling (taal).

Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)

Bij oriëntatie op mens en samenleving is het van belang dat de leerlingen leren omgaan met hun handicapspecifieke beperkingen en leren wat de betekenis is van het hebben van een beperking voor de samenleving. Deze groep leerlingen hebben veelvuldig contact met het maatschappelijk gebied van zorg en hulpverlening en met de specifieke voorzieningen die voor hen van toepassing zijn.

Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)

Bij oriëntatie op mens en samenleving is het van belang dat de leerlingen leren omgaan met hun handicapspecifieke beperkingen en leren wat de betekenis is van het hebben van een beperking voor de samenleving. Deze groep leerlingen hebben veelvuldig contact met het maatschappelijk gebied van zorg en hulpverlening en met de specifieke voorzieningen die voor hen van toepassing zijn.

De leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking hebben door taalverwervings- of toegankelijkheidsproblemen in meer of mindere mate moeite met het verwerven van informatie door gebruik van de Nederlandse taal. Vooral de brede range van kennisgebieden en onderwerpen in dit leergebied en de daarmee samenhangende begrippen vraagt een speciale aanpak waarin de inhouden van de vier domeinen is afgestemd op woordenschatontwikkeling (taal).

Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking

Natuur en techniek

Ruimte

Tijd

Kunstzinnige oriëntatie

Karakteristiek

Natuur en techniek

Ruimte

In dit leergebied komen de volgende domeinen aan de orde:

Waar mogelijk worden daarbij onderwerpen gebruikt die samenhangen met die uit andere leergebieden. Het onderwijs wordt daardoor meer samenhangend en mede daardoor betekenisvoller voor leerlingen. Maar voorop staat de authentieke bijdrage van kunstzinnige oriëntatie aan de ontwikkeling van leerlingen.

Kunstzinnige oriëntatie maakt duidelijk dat leerlingen met een visuele beperking vaak nog maar een kleine wereld hebben. Het leergebied kunstzinnige oriëntatie heeft een dubbele functie. Enerzijds kennis maken met de werkelijkheid en anderzijds kennis maken met de kunstzinnige uiting ervan.

Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)

Waar mogelijk worden daarbij onderwerpen gebruikt die samenhangen met die uit andere leergebieden. Het onderwijs wordt daardoor meer samenhangend en mede daardoor betekenisvoller voor leerlingen. Maar voorop staat de authentieke bijdrage van kunstzinnige oriëntatie aan de ontwikkeling van leerlingen.

Kunstzinnige oriëntatie is bij uitstek een geschikt leergebied om de fantasie van de leerlingen te stimuleren. Bovendien biedt het een goede mogelijkheid om zich, op creatieve wijze, te leren uiten. Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking geldt dat het opdoen van ervaringen door te handelen, dingen mee te maken, en bewust gebruik te maken van de zintuiglijke waarneming noodzakelijke leervoorwaarden zijn. Zij zijn gediend met een grote verscheidenheid aan ervaringen, zowel met mensen als met objecten.

Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)

Voor dove leerlingen is het belangrijk dat zij kennis maken met de verworvenheden en mogelijkheden van kunst en cultuur voor en door doven.

Kunstzinnige oriëntatie biedt de leerlingen ook de mogelijkheden het eigen uitingsrepertoire te vergroten en te leren genieten van uitingen van anderen.

Kunstzinnige oriëntatie is van toepassing voor zover de specifieke motorische en/of cognitieve beperkingen van de leerlingen dit toelaten. Beperkingen kunnen zich bijvoorbeeld uiten in verminderde handfunctie, oog-handcoördinatie, grove en fijn motorische mogelijkheden en aandachts- en concentratieproblemen. Technologie kan worden ingezet als hulpmiddel.

Voor leerlingen met ernstige gedragsmoeilijkheden of psychiatrische problematiek (cluster 4)

Het leergebied Kunstzinnige Oriëntatie biedt verschillende aanknopingspunten om leerlingen met ernstige gedragsmoeilijkheden of psychiatrische problematiek in de gelegenheid te stellen door middel van creativiteit en verbeelding, (gekanaliseerd) uiting te geven aan hun gevoelens. Daar raakt het leergebied gelijkertijd een van haar grenzen: Leerlingen met een Autisme Spectrum Stoornis bijvoorbeeld onderscheiden zich onder meer door hun beperkte verbeeldende vermogens. Spel en beweging zal voor hen een zware opgave zijn.

Tekenen en handvaardigheid

Het leergebied Kunstzinnige Oriëntatie biedt verschillende aanknopingspunten om leerlingen met ernstige gedragsmoeilijkheden of psychiatrische problematiek in de gelegenheid te stellen door middel van creativiteit en verbeelding, (gekanaliseerd) uiting te geven aan hun gevoelens. Daar raakt het leergebied gelijkertijd een van haar grenzen: Leerlingen met een Autisme Spectrum Stoornis bijvoorbeeld onderscheiden zich onder meer door hun beperkte verbeeldende vermogens. Spel en beweging zal voor hen een zware opgave zijn.

Tekenen en handvaardigheid

Voor leerlingen met ernstige gedragsmoeilijkheden of psychiatrische problematiek (cluster 4)

Ze leren dit door gericht waarnemen en door reageren op beeldende producten uit de gebouwde omgeving, interieurs, mode en kleding, gebruiksvoorwerpen, beeldende kunst en elementen uit de hedendaagse beeldcultuur. Dit houdt tevens in dat leerlingen leren respect te hebben voor de verschillende manieren waarop mensen zich in beelden uitdrukken. Tevens biedt het onderwijs in tekenen en handvaardigheid leerlingen een eerste oriëntatie op hun culturele erfgoed.

Het zelf maken van beeldende werkstukken en het beschouwen van beeldende producten uit de omgeving beïnvloeden elkaar wederzijds. Qua inhoud en werkwijze heeft handenarbeid een relatie met techniek. Bij het vormgeven van beeldende producten kunnen technische inzichten toegepast worden.

Ze leren dit door gericht waarnemen en door reageren op beeldende producten uit de gebouwde omgeving, interieurs, mode en kleding, gebruiksvoorwerpen, beeldende kunst en elementen uit de hedendaagse beeldcultuur. Dit houdt tevens in dat leerlingen leren respect te hebben voor de verschillende manieren waarop mensen zich in beelden uitdrukken. Tevens biedt het onderwijs in tekenen en handvaardigheid leerlingen een eerste oriëntatie op hun culturele erfgoed.

Het werken met materialen en gereedschappen geeft de leerling mogelijkheden voor conceptvorming, breidt betekenissen uit en verhoogt de onderzoekende houding.

Voor leerlingen met een visuele beperking (cluster 1)

Ze leren dit door gericht waarnemen en door reageren op beeldende producten uit de gebouwde omgeving, interieurs, mode en kleding, gebruiksvoorwerpen, beeldende kunst en elementen uit de hedendaagse beeldcultuur. Dit houdt tevens in dat leerlingen leren respect te hebben voor de verschillende manieren waarop mensen zich in beelden uitdrukken. Tevens biedt het onderwijs in tekenen en handvaardigheid leerlingen een eerste oriëntatie op hun culturele erfgoed.

Voor sommige leerlingen kan technologie een hulpmiddel zijn om het doelgericht gebruiken van beeldende aspecten te versterken.

Kerndoelen

Het werken met materialen en gereedschappen geeft de leerling mogelijkheden voor conceptvorming, breidt betekenissen uit en verhoogt de onderzoekende houding.

Beschouwen

Muziek

Karakteristiek

Kerndoelen

Vormgeven

Muziek is er op gericht dat de leerlingen hun aanwezige muzikale mogelijkheden ontdekken en verder ontwikkelen door het verwerven van voldoende kennis, inzicht en vaardigheden zodat ze deel kunnen nemen aan de huidige muziekcultuur in Nederland.

Leerlingen doen ook iets met muziek. Ze zingen enthousiast hun liedjes en spelen op instrumenten. Ze kiezen hun eigen muziek uit om naar te luisteren en ze praten met elkaar over muziek, hun idolen en favoriete groepen.

Voor leerlingen met een visuele beperking geeft muziekonderwijs speciale mogelijkheden om muziek te leren ervaren als toegankelijk middel tot zelfexpressie, waarbij steeds in samenhang met de visuele beperking en mogelijkheden het accent wordt gelegd op gehoortraining en motoriek. Het doelgerichte gebruik van de stimulerende, activerende en ordenende aspecten die in de muzikale vorming een rol spelen, levert een bijdrage aan de totale ontwikkeling van de leerlingen met een meervoudig visuele beperking en/of stoornis.

Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)

Ook dove leerlingen groeien op in de maatschappij met veel muziek. De school kan hen helpen bij het kiezen van hun eigen muziek (om naar te luisteren en naar te kijken) zodat ze met elkaar en met anderen kunnen communiceren over muziek, hun idolen en favoriete groepen. Dat hier grote individuele verschillen optreden tussen de mogelijkheden van de leerlingen en hun beleving van de muziek is evident; het muziekonderwijs dient hier terdege rekening mee te houden.

Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)

Ook dove leerlingen groeien op in de maatschappij met veel muziek. De school kan hen helpen bij het kiezen van hun eigen muziek (om naar te luisteren en naar te kijken) zodat ze met elkaar en met anderen kunnen communiceren over muziek, hun idolen en favoriete groepen. Dat hier grote individuele verschillen optreden tussen de mogelijkheden van de leerlingen en hun beleving van de muziek is evident; het muziekonderwijs dient hier terdege rekening mee te houden.

Voor leerlingen met een visuele beperking geeft muziekonderwijs speciale mogelijkheden om muziek te leren ervaren als toegankelijk middel tot zelfexpressie, waarbij steeds in samenhang met de visuele beperking en mogelijkheden het accent wordt gelegd op gehoortraining en motoriek. Het doelgerichte gebruik van de stimulerende, activerende en ordenende aspecten die in de muzikale vorming een rol spelen, levert een bijdrage aan de totale ontwikkeling van de leerlingen met een meervoudig visuele beperking en/of stoornis.

Muziek beluisteren

Spel en beweging

Karakteristiek

Kerndoelen

Muziek maken

Bij «spel» gaat het erom dat de leerlingen de expressieve en communicatieve mogelijkheden van stem, taal, houding, beweging en mimiek leren kennen en toepassen. In spel verbeelden ze gevoelens, ideeën, gebeurtenissen en personages, en verwerven ze vaardigheden als speler van rollen. Ze leren daarbij reflecteren op hun eigen spel en dat van anderen.

Voor leerlingen met een visuele beperking zijn uitingsvormen van belang waarbij het visuele minder prominent is zoals bij stem en taal. Bij spel en beweging is het veilig leren omgaan in de ruimte van belang. Door de beperkte mogelijkheden van de visuele feedback zal extra aandacht gegeven worden aan de wijze van presenteren.

Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)

Voor dove leerlingen omvat spel en beweging ook het gebarentheater: zowel als mogelijkheid zich creatief te uiten in beweging en gebaren, als ook de kennismaking met deze in de dovencultuur ontwikkelde kunstuiting.

Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)

Voor deze groep leerlingen is het bij spel en beweging van belang, rekening te houden met de beperkte mobiliteit van veel leerlingen en het feit dat sommige leerlingen door hun beperking sterk in zichzelf gekeerd zijn.

Kerndoelen

Voor deze groep leerlingen is het bij spel en beweging van belang, rekening te houden met de beperkte mobiliteit van veel leerlingen en het feit dat sommige leerlingen door hun beperking sterk in zichzelf gekeerd zijn.

Beschouwen

Voor leerlingen met een lichamelijke beperking en voor langdurig zieke leerlingen (cluster 3)

Bewegingsonderwijs

82.

De leerlingen leren verschillen en overeenkomsten aangeven tussen het eigen spel en dat van anderen. Ze leggen daarbij relaties tussen spel en de dagelijkse werkelijkheid.

Vaardigheden

Beschouwen

Vanuit dit aanbod zullen leerlingen zich ook kunnen oriënteren op de buitenschoolse bewegings- en sportcultuur en de meer seizoengebonden bewegingsactiviteiten.

De meeste bewegings- en sportactiviteiten worden gezamenlijk ondernomen en dus is het nodig om te leren afspreken wat de regels zijn, hoe die na te leven en wie welke rol speelt. Verder hoort daarbij elkaar helpen, op veiligheid letten, elkaars mogelijkheden respecteren en eigen mogelijkheden verkennen.

Het is eigen aan «bewegen» dat er plezier aan te beleven valt. Dat plezier is van groot belang voor een blijvende deelname aan bewegingsactiviteiten.

Het ontwikkelen en behouden van een actieve leefstijl is een belangrijke doelstelling van dit leergebied. Om dat doel te bereiken leren leerlingen in het bewegingsonderwijs deelnemen aan een breed scala van bewegingsactiviteiten, zodat ze een ruim «bewegingsrepertoire» opbouwen. Dat repertoire bevat motorische aspecten, maar ook sociale vaardigheden.

De motorische ontwikkeling bij deze leerlingen is veelal achter gebleven bij die van leeftijdsgenoten die over een volledig gezichtsvermogen beschikken. Door de verstoorde en vertraagde motorische ontwikkeling is beweging in de ruimte voor deze leerlingen omgeven met onzekerheid en angst. Zij ondersteunen hun bewegen met de andere zintuigen en met aangepaste middelen.

Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)

Bij leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking kan sprake zijn van een niet normale motorische ontwikkeling. Hiervoor zijn verschillende oorzaken. Er kan een achterstand zijn, veroorzaakt door beperktere ervaring in verschillende vormen van bewegen en spelen. Ook komen stoornissen in de coördinatie en de planning van bewegingen voor. Door de stoornis van het gehoor hebben dove en slechthorende leerlingen vaak problemen met hun evenwicht. Dit is van invloed op veel bewegingsactiviteiten.

Voor leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking (cluster 2)

Bij leerlingen met een auditieve en/of communicatieve beperking kan sprake zijn van een niet normale motorische ontwikkeling. Hiervoor zijn verschillende oorzaken. Er kan een achterstand zijn, veroorzaakt door beperktere ervaring in verschillende vormen van bewegen en spelen. Ook komen stoornissen in de coördinatie en de planning van bewegingen voor. Door de stoornis van het gehoor hebben dove en slechthorende leerlingen vaak problemen met hun evenwicht. Dit is van invloed op veel bewegingsactiviteiten.

Niet alle leerlingen uit deze doelgroep bewegen graag. Voor een deel van de leerlingen uit deze groep is het niet vanzelfsprekend dat zij deel kunnen nemen aan alle bewegingsactiviteiten. De aard van de beperking maakt bepaalde activiteiten (vrijwel) onmogelijk. Voor sommigen is het moeilijk te accepteren dat ze minder goed bewegen. De leerlingen krijgen door aanpassingen van regels en arrangementen zoveel mogelijk bewegend een actieve rol in de activiteiten.

Voor leerlingen met ernstige gedragsmoeilijkheden of psychiatrische problematiek (cluster 4)

Bij leerlingen met ernstige gedragsmoeilijkheden of psychiatrische problematiek vraagt het veel tijd om hen beter te leren bewegen. Regels en afspraken vereisen veel herhaling, omkleden en douchen nemen veel tijd in beslag, het elkaar aanraken is veelal problematisch en het omgaan met winnen en verliezen zijn gevoelige onderwerpen. De organisatie en de structuur van de lessen zijn belangrijk voor een gedoseerde aanbieding van leerervaringen.

Voor leerlingen met ernstige gedragsmoeilijkheden of psychiatrische problematiek (cluster 4)

Bij leerlingen met ernstige gedragsmoeilijkheden of psychiatrische problematiek vraagt het veel tijd om hen beter te leren bewegen. Regels en afspraken vereisen veel herhaling, omkleden en douchen nemen veel tijd in beslag, het elkaar aanraken is veelal problematisch en het omgaan met winnen en verliezen zijn gevoelige onderwerpen. De organisatie en de structuur van de lessen zijn belangrijk voor een gedoseerde aanbieding van leerervaringen.

Niet alle leerlingen uit deze doelgroep bewegen graag. Voor een deel van de leerlingen uit deze groep is het niet vanzelfsprekend dat zij deel kunnen nemen aan alle bewegingsactiviteiten. De aard van de beperking maakt bepaalde activiteiten (vrijwel) onmogelijk. Voor sommigen is het moeilijk te accepteren dat ze minder goed bewegen. De leerlingen krijgen door aanpassingen van regels en arrangementen zoveel mogelijk bewegend een actieve rol in de activiteiten.

De eerste generatie kerndoelen voor zeer moeilijke lerende leerlingen of meervoudig gehandicapte leerlingen in het speciaal onderwijs

Bijlage 2. bij Besluit kerndoelen WEC

De eerste generatie kerndoelen voor zeer moeilijke lerende leerlingen of meervoudig gehandicapte leerlingen in het speciaal onderwijs

Kerndoelen

De kerndoelen zijn ingedeeld in leergebiedoverstijgende en leergebiedspecifieke kerndoelen.

De leergebiedoverstijgende kerndoelen zijn gegroepeerd in de volgende thema’s: zintuiglijke en motorische ontwikkeling, sociale en emotionele ontwikkeling, spelontwikkeling, leren leren, omgaan met media en technologische hulpmiddelen, praktische redzaamheid en ruimtelijke oriëntatie en mobiliteit.

De leergebiedspecifieke kerndoelen zijn ingedeeld in Nederlandse taal, rekenen en wiskunde, oriëntatie op mens en wereld, kunstzinnige oriëntatie en bewegingsonderwijs.

Kerndoelen geven een beschrijving van de kwaliteiten van leerlingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die de overheid minimaal belangrijk acht voor alle leerlingen. Kerndoelen omschrijven het eind van een leerproces, niet de wijze waarop ze bereikt worden.

Om de leerlingen in staat te stellen die kwaliteiten te verwerven, is de school verantwoordelijk voor het aanbieden van een passend onderwijsaanbod. Dit aanbod dient te worden afgestemd op de ontwikkelingsmogelijkheden van de leerling en is zo ingericht dat de leerling een ononderbroken ontwikkelingsproces kan doorlopen.

De kerndoelen zijn richtinggevend voor de scholen bij het maken van hun keuzes omtrent hun onderwijsprogramma, maar bieden de scholen gelijkertijd voldoende ruimte om hun onderwijsactiviteiten tegemoet te laten komen aan de individuele mogelijkheden en beperkingen van de leerlingen. De grote verscheidenheid aan beperkingen en stoornissen in het onderwijs aan zeer moeilijk lerende leerlingen en leerlingen met een meervoudige beperking maakt deze vrijheidsgraden noodzakelijk. Kerndoelen bieden de scholen die ruimte door bijvoorbeeld geen voorschrijvende uitspraken te doen over de ordening van de inhouden, de te volgen didactiek, de keuze voor onderwijsleermiddelen, de vormgeving van het onderwijs, de toekenning van tijd of de keuze voor levensbeschouwelijk of godsdienstig onderwijs.

Tenslotte wordt opgemerkt dat het van belang is doelen zo veel mogelijk op elkaar af te stemmen. In de dagelijkse onderwijspraktijk zullen doorgaans doelen uit verschillende leergebieden tegelijk aan de orde zijn.

De leergebiedspecifieke kerndoelen zijn ingedeeld in Nederlandse taal, rekenen en wiskunde, oriëntatie op mens en wereld, kunstzinnige oriëntatie en bewegingsonderwijs.

Kerndoelen geven een beschrijving van de kwaliteiten van leerlingen op het gebied van kennis, inzicht en vaardigheden die de overheid minimaal belangrijk acht voor alle leerlingen. Kerndoelen omschrijven het eind van een leerproces, niet de wijze waarop ze bereikt worden.

Leergebiedoverstijgende kerndoelen

Karakteristiek

Tot de categorie leergebiedoverstijgende kerndoelen horen ook doelen die meer gericht zijn op het ontwikkelen of bevorderen van vaardigheden en attitudes, en op het overdragen van normen en waarden die in de samenleving algemeen zijn geaccepteerd.

Het centrale begrip voor het onderwijs aan zeer moeilijk lerende leerlingen en aan leerlingen met een meervoudige beperking is (de versterking van) redzaamheid. Daarmee hangt nauw samen het hebben van zelfvertrouwen en een positief zelfbeeld. De functieontwikkeling op het gebied van zintuigen en motoriek is voor zeer moeilijk lerende leerlingen en voor leerlingen met een meervoudige beperking, een niet zo vanzelfsprekend ontwikkelingsproces. Het uitdrukkelijk stimuleren van deze ontwikkeling behoort niet bij één bepaald leergebied; het is voorwaardelijk voor het verkrijgen van toegang tot de leergebieden.

De beperkingen bij leerlingen met een meervoudige beperking cluster 2 hebben naast effecten op zaken als spreken en luisteren, ook invloed op het gehele functioneren van de leerlingen. Door de auditief communicatieve beperking is het van belang dat naast de auditieve ervaring de motorisch-sensorische ervaring extra gestimuleerd en getraind wordt. Ter compensatie van de auditief communicatieve beperking is gerichte stimulering van andere zintuigen gewenst om een zo groot en breed mogelijke ervaringswereld bij de leerlingen te helpen ontwikkelen.

Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3

Bij de emotionele ontwikkeling speelt een belangrijke rol dat leerlingen in veel gevallen afhankelijk zijn van hun directe omgeving. Hierdoor bestaat het risico dat de omgeving voor de leerling gaat denken en handelen. Om de autonomie van leerlingen te vergroten is het van belang «zoveel mogelijk de eigen regiefunctie» bij leerlingen te ontwikkelen.

Kerndoelen

Bij de emotionele ontwikkeling speelt een belangrijke rol dat leerlingen in veel gevallen afhankelijk zijn van hun directe omgeving. Hierdoor bestaat het risico dat de omgeving voor de leerling gaat denken en handelen. Om de autonomie van leerlingen te vergroten is het van belang «zoveel mogelijk de eigen regiefunctie» bij leerlingen te ontwikkelen.

Sociale en emotionele ontwikkeling

Zelfbeeld

Sociaal gedrag

Spelontwikkeling

Leren leren

Werkhouding

Aanpak gedrag

Omgaan met media en technologische hulpmiddelen

Praktische redzaamheid

Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 1 en 3

Ruimtelijke oriëntatie en mobiliteit

Nederlandse taal

Karakteristiek

Praktische redzaamheid

Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 1 en 3

Van belang is dat de leerlingen leren durven spreken, gebaren en/of zich op een andere manier durven uiten. Dat ze gemotiveerd zijn om aan vormen van communicatie deel te nemen en dat ze taalproducten als verhalen, poëzie, (prenten- en strip)boeken leren waarderen.

De leerlingen leren op de voor hen meest geëigende manier(en) communiceren en leren zich bewegen in een omgeving waar verschillende manieren van communiceren voorkomen. Voor het leren communiceren wordt gebruik gemaakt van de meest geëigende vormen zoals gesproken en geschreven taal, Nederlandse GebarenTaal (NGT) voor doven, beeldtaal waarbij gebruik gemaakt wordt van picto’s, gebaren, lichaamstaal, communicatie met behulp van technologie of andere hulpmiddelen.

Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 2 verloopt de ontwikkeling van taal en communicatie door de beperking niet op een vanzelfsprekende wijze. Leerlingen hebben veel steun nodig van visualiseringen. Daarbij is tekst als mogelijkheid vaak niet toereikend. Er zijn leerlingen met een meervoudige beperking die lezen en schrijven kunnen, anderen kunnen dat niet of kunnen dat in mindere mate. Schriftelijk taalgebruik kan op tal van andere manieren, bijvoorbeeld met picto’s, tekeningen, foto’s of verwijzers. Woordenschatontwikkeling krijgt bij leerlingen met een meervoudige beperking in cluster 2 extra aandacht, omdat zij woorden en begrippen minder makkelijk «spontaan» eigen maken.

Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 2

De leerlingen leren op de voor hen meest geëigende manier(en) communiceren en leren zich bewegen in een omgeving waar verschillende manieren van communiceren voorkomen. Voor het leren communiceren wordt gebruik gemaakt van de meest geëigende vormen zoals gesproken en geschreven taal, Nederlandse GebarenTaal (NGT) voor doven, beeldtaal waarbij gebruik gemaakt wordt van picto’s, gebaren, lichaamstaal, communicatie met behulp van technologie of andere hulpmiddelen.

De motorische beperking (van weinig tot zeer ernstig) beïnvloedt de taalontwikkelingsmogelijkheden van de leerlingen. Bijvoorbeeld schriftelijk taalgebruik vraagt individuele aanpassingen, hulpmiddelen en specifieke ondersteuning.

Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 2

Leerlingen met motorische beperkingen hebben meestal moeite met schrijven. Het leren gebruiken van de computer vraagt veel tijd evenals de bediening. Een toetsaanslag of muissturing kan minutenwerk zijn.

Luisteren, dat wil zeggen concentreren op wat gezegd en op wat verteld wordt, is voor veel van deze leerlingen niet vanzelfsprekend. Het automatiseren van begrippen en de informatieverwerking vraagt meer tijd.

Leerlingen met een neurologische aandoening hebben veel aandacht nodig bij het verwerken van informatie. Bij deze groep leerlingen bestaat vaak verschil tussen hun verbale en performale capaciteiten. Het tempo van het leren en de uitvoering van de handelingen neemt over het algemeen meer tijd in beslag.

De motorische beperking (van weinig tot zeer ernstig) beïnvloedt de taalontwikkelingsmogelijkheden van de leerlingen. Bijvoorbeeld schriftelijk taalgebruik vraagt individuele aanpassingen, hulpmiddelen en specifieke ondersteuning.

Leerlingen met taal- en/of spraakproblemen ondervinden veelal belemmeringen bij de communicatie. Dat heeft zijn neerslag op de participatie in gesprekken en in de sociale contacten. Zo vraagt het vertellen meer tijd, is de verstaanbaarheid vaak minder en ligt het spreektempo lager. Leerlingen die niet of nauwelijks kunnen spreken zijn aangewezen op andere communicatievormen en hulpmiddelen.

Karakteristiek

Rekenen en wiskunde

Karakteristiek

Bij het rekenonderwijs ligt het accent op het leren oplossen van alledaagse situaties waarbij rekenen gebruikt wordt. Het onderwijs in rekenen is erop gericht dat leerlingen rekenvaardigheden verwerven die ze nu en later nodig hebben. Bij de selectie en aanbieding van de onderwerpen wordt rekening gehouden met wat leerlingen al weten en kunnen, zodat leerlingen zich uitgedaagd voelen.

Veel leerlingen met een meervoudige beperking cluster 1 vertonen een vertraagde en een andere ontwikkeling bij rekenen en wiskunde door o.a. de beperkingen bij het ruimtelijk inzicht, de conceptvorming en de anders gerichte exploratiedrang. Presentaties van getallen in de getallenrij vereisen aanvulling en compensatie door middel van tactiele ervaringen en ondersteuning met behulp van taal.

Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 2

Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 2 wordt bij de aanbieding van rekenkundige begrippen en van rekentaal ook gebruik gemaakt van gebarentaal.

Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3

Leerlingen met een lichamelijke beperking zijn soms beperkt in hun mobiliteit. Een deel van deze leerlingen kan zich slechts dankzij een hulpmiddel (bijvoorbeeld met een rolstoel) verplaatsen. Omdat deze leerlingen in sommige gevallen bepaalde lichamelijke ervaringen missen, kan extra aandacht nodig zijn voor begrippen waarmee leerlingen zich in de ruimte kunnen oriënteren, zoals «op, onder, naast, voor, achter» en dergelijke.

Kerndoelen

Leerlingen met een lichamelijke beperking zijn soms beperkt in hun mobiliteit. Een deel van deze leerlingen kan zich slechts dankzij een hulpmiddel (bijvoorbeeld met een rolstoel) verplaatsen. Omdat deze leerlingen in sommige gevallen bepaalde lichamelijke ervaringen missen, kan extra aandacht nodig zijn voor begrippen waarmee leerlingen zich in de ruimte kunnen oriënteren, zoals «op, onder, naast, voor, achter» en dergelijke.

Karakteristiek

Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3

Karakteristiek

Ongeacht de beperking of stoornis van de leerling is het belangrijk het onderwijs in te richten vanuit de concrete ervaringen van de leerling.

Tot het leergebied «Oriëntatie op mens en wereld» behoren vier domeinen:

Ongeacht de beperking of stoornis van de leerling is het belangrijk het onderwijs in te richten vanuit de concrete ervaringen van de leerling.

Voor de leerlingen is het van belang dat oriënterend onderwijs zeer dicht bij de leerlingen blijft. Zo ligt bijvoorbeeld bij oriëntatie op ruimte het accent hoofdzakelijk op die ruimte en leefomgeving die de leerlingen direct ervaren.

Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3

Bij oriëntatie op mens en samenleving is het belangrijk dat leerlingen leren omgaan met hun handicapspecifieke beperkingen en hun specifieke voorzieningen. Deze leerlingen ontvangen in het algemeen veel ondersteuning. Van groot belang daarbij is dat de regie zoveel mogelijk aan de leerling overgelaten wordt en gevoelens van privacy en decorum gerespecteerd worden.

Mens en samenleving

Bij oriëntatie op mens en samenleving is het belangrijk dat leerlingen leren omgaan met hun handicapspecifieke beperkingen en hun specifieke voorzieningen. Deze leerlingen ontvangen in het algemeen veel ondersteuning. Van groot belang daarbij is dat de regie zoveel mogelijk aan de leerling overgelaten wordt en gevoelens van privacy en decorum gerespecteerd worden.

Mens en samenleving

Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3

Bij oriëntatie op mens en samenleving is het belangrijk dat leerlingen leren omgaan met hun handicapspecifieke beperkingen en hun specifieke voorzieningen. Deze leerlingen ontvangen in het algemeen veel ondersteuning. Van groot belang daarbij is dat de regie zoveel mogelijk aan de leerling overgelaten wordt en gevoelens van privacy en decorum gerespecteerd worden.

Vanuit hun eigen situatie leren leerlingen deel uit maken van de samenleving. Op hun eigen manier leren ze daar ook aan deelnemen. Ze leren belangstelling krijgen voor aspecten in de samenleving en ze leren er gebruik van maken. Het gaat er om dat leerlingen hun mogelijkheden en interesses leren verkennen: welke activiteiten doen ze graag en liggen binnen hun mogelijkheden, nu en later.

Oriëntatie op de samenleving

Natuur en techniek

Karakteristiek

Kerndoelen

Gezond en redzaam gedrag

Techniek gaat over de dingen die mensen gemaakt hebben en nog steeds maken, zoals hulpmiddelen om in leven te blijven en het bestaan te vergemakkelijken en te verrijken. Leerlingen ervaren om zich heen producten van techniek als gebouwen, meubels en apparaten. Ze leren in de eigen omgeving gebruik maken van producten en processen van techniek.

Vanuit de betrokkenheid met de dingen om hen heen leren de leerlingen het mooie in en van de natuur ervaren en leren zij de samenhangen zien in de werkelijkheid. Ook leren zij het belang van zorg en verantwoordelijkheid voor de medemens en de omgeving. De zorg voor hun omgeving wordt mede gestimuleerd vanuit de dagelijkse ervaring in contact met anderen en in de natuur. Het gaat hierbij om de wil om verder te kijken dan alleen het eigenbelang en het principe van rechtvaardigheid.

Techniek gaat over de dingen die mensen gemaakt hebben en nog steeds maken, zoals hulpmiddelen om in leven te blijven en het bestaan te vergemakkelijken en te verrijken. Leerlingen ervaren om zich heen producten van techniek als gebouwen, meubels en apparaten. Ze leren in de eigen omgeving gebruik maken van producten en processen van techniek.

Techniek

Ruimte

Karakteristiek

Kerndoelen

Natuur

Daarbij leren ze ervaren dat mensen gezamenlijk voor het milieu moeten zorgen om ook de eigen omgeving leefbaar te houden. Ze leren omgaan met plattegrond en kaart om zich te oriënteren en als hulpmiddelen om hun eigen omgeving in beeld te brengen.

Daarbij zijn diverse elementen gebruikt: huizen zien er verschillend uit en zijn ook verschillend ingericht, maar hebben tegelijk veelal dezelfde functie. In groter verband worden ook diverse inrichtingselementen gebruikt: huizen, akkers, weilanden, fabrieken, kantoren, winkels, wegen, kanalen, spoorlijnen, gebedshuizen en sportvelden. Ze leren zien dat deze elementen op een bepaalde manier zijn verspreid en leren opmerken dat er sprake is van zowel verschillen als overeenkomsten met de eigen leef- en woonsituatie.

Voor deze leerlingen is het belangrijk dat de ruimtelijke waarneming (het zien) gecompenseerd wordt via visuele, tactiele en bewegingservaringen. De taal is daarbij ondersteunend, aanvullend en compenserend.

Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3

Leerlingen met een lichamelijke beperking zijn soms beperkt in hun mobiliteit. Een deel van deze leerlingen kan zich slechts dankzij een hulpmiddel (bijvoorbeeld met een rolstoel) verplaatsen. Omdat de leerlingen in sommige gevallen bepaalde lichamelijke ervaringen missen, kan extra aandacht nodig zijn voor begrippen waarmee leerlingen zich in de ruimte kunnen oriënteren.

Kerndoelen

Leerlingen met een lichamelijke beperking zijn soms beperkt in hun mobiliteit. Een deel van deze leerlingen kan zich slechts dankzij een hulpmiddel (bijvoorbeeld met een rolstoel) verplaatsen. Omdat de leerlingen in sommige gevallen bepaalde lichamelijke ervaringen missen, kan extra aandacht nodig zijn voor begrippen waarmee leerlingen zich in de ruimte kunnen oriënteren.

Karakteristiek

Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3

Karakteristiek

Het verleden is onder andere te zien en te bevragen bij oudere mensen. De leerlingen leren gegevens en voorwerpen van het verleden opzoeken en ordenen. Kennis en inzicht over het heden en het verleden kunnen daardoor groeien.

De leerlingen leren een besef ontwikkelen van continuïteit en verandering in het eigen leven en in de eigen omgeving. Ze leren oorzaken en gevolgen onderscheiden en ze leren achterhalen wat de overeenkomsten en verschillen zijn tussen heden en verleden.

Het verleden is onder andere te zien en te bevragen bij oudere mensen. De leerlingen leren gegevens en voorwerpen van het verleden opzoeken en ordenen. Kennis en inzicht over het heden en het verleden kunnen daardoor groeien.

Bij oriëntatie op tijd gaat het er om dat leerlingen leren greep te krijgen op hun eigen levenstijd; dat ze leren zich bewust zijn van hun dagritme en hun tijdsbesteding.

Karakteristiek

Kunstzinnige oriëntatie

Karakteristiek

Tot het leergebied Kunstzinnige oriëntatie behoren de volgende domeinen:

Voor sommige leerlingen geven onderdelen van kunstzinnige oriëntatie een extra gelegenheid zich te leren uiten en te leren communiceren. Vooral als andere manieren niet realiseerbaar zijn, kan dit een dankbare verrijking zijn.

Tot het leergebied Kunstzinnige oriëntatie behoren de volgende domeinen:

Tekenen en handvaardigheid

Karakteristiek

Tot het leergebied Kunstzinnige oriëntatie behoren de volgende domeinen:

Voor deze leerlingen is het belangrijk dat zij de kans krijgen zoveel mogelijk zelf te doen, daarom zijn extra handen in de groep en aangepast gereedschap of specifieke hulpmiddelen een basisvoorwaarde. Voor die leerlingen die dusdanig beperkt zijn, dat er geen of slechts in heel beperkte mate sprake is van zelf beeldend handelen, is het van belang dat zij technieken aangeboden krijgen die specifiek gericht zijn op spelen met «abstracte» vormen, kleuren en lijnen. Belangrijk hierbij is dat de leerlingen de regie blijven houden terwijl een ander het werk voor hen uitvoert. Het plezier beleven staat voorop.

Kerndoelen

Bij het onderwijs in tekenen en handvaardigheid leren leerlingen zich met verschillende mogelijkheden in beelden uit te drukken. Daarnaast leren ze kijken naar en praten over beeldende uitingen van anderen en leren ze beeldende producten waarderen. Dat betekent dat leerlingen hun ideeën, gevoelens, waarnemingen en ervaringen op persoonlijke wijze leren vorm te geven in beeldende werkstukken. Dit gebeurt meestal aan de hand van een concreet onderwerp of naar aanleiding van een verhaal of een thema. Vanuit hun eigen beleving leren ze een tekening of een werkstuk te maken. Hiervoor gebruiken ze diverse materialen als klei, papier, hout en textiel. Vanuit gerichte opdrachten wordt de ontwikkeling van de fantasie extra gestimuleerd.

Karakteristiek

Voor leerlingen met een meervoudige beperking cluster 3

Karakteristiek

Bij het bewegen op muziek gaat het er om dat leerlingen ervaringen, belevingen, ideeën, gevoelens, situaties en gebeurtenissen leren uiten en vormgeven. Alleen of samen met anderen leren leerlingen elementen gebruiken als tijd, kracht en ruimte om hun bewegingen inhoud, uitdrukkingskracht en een context te geven.

Met activiteiten op het gebied van muziek en bewegen wordt de auditieve en motorische ontwikkeling extra gestimuleerd. Leerlingen leren hun liedjes zingen en bewegen mee, ze leren spelen op instrumenten, ze leren hun eigen muziek uitkiezen om naar te luisteren en ze leren met elkaar praten over muziek, hun idolen en favoriete groepen.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.

Deze tekst wordt gepubliceerd onder de eigen hergebruiksvoorwaarden van BWB, niet onder een licentie van Legalize of van het publieke domein. BWB
CC0 1.0 Universeel (publiek domein)