Regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 9 juli 2009, nr. BJZ2009044653, houdende vervanging van de Regeling acceptatie geconditioneerde gevaarlijke afvalstoffen op stortplaatsen in verband met de implementatie van beschikking nr. 2003/33/EG tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen (PbEG L 11) (Regeling acceptatie afvalstoffen op stortplaatsen)

Type Ministeriële regeling
Publication 2024-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op beschikking nr. 2003/33/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 december 2002 tot vaststelling van criteria en procedures voor het aanvaarden van afvalstoffen op stortplaatsen overeenkomstig artikel 16 en bijlage II van Richtlijn 1999/31/EG betreffende het storten van afvalstoffen (PbEG L 11) en de artikelen 11f, vierde lid, en 11h, vierde lid, van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1
1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

2.

Met normen, richtlijnen, protocollen of accreditatieprogramma's als bedoeld in deze regeling worden gelijkgesteld normen, richtlijnen, protocollen of accreditatieprogramma's die zijn vastgesteld of aangewezen in een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel een staat, niet zijnde een lidstaat van de Europese Unie, die partij is bij een daartoe strekkend of mede daartoe strekkend verdrag dat Nederland bindt, en een beschermingsniveau bieden dat ten minste gelijkwaardig is aan het niveau dat met de nationale eisen wordt nagestreefd.

Artikel 2
1.

Hoofdstuk 2 is uitsluitend van toepassing op sterk uitloogbare afvalstoffen die worden of zijn omgevormd tot geconditioneerde afvalstoffen.

2.

Hoofdstuk 3 is uitsluitend van toepassing op korrelvormige afvalstoffen.

3.

Hoofdstuk 3a is uitsluitend van toepassing op de tijdelijke opslag van metallisch kwik gedurende een periode van meer dan een jaar.

4.

Een opslaglocatie voor metallisch kwik en een opslagvoorziening voor metallisch kwik voldoen aan de regels gesteld in hoofdstuk 3a.

Hoofdstuk 2. Sterk uitloogbare afvalstoffen die worden of zijn omgevormd tot geconditioneerde afvalstoffen

Artikel 3

Een compartiment voor te conditioneren afvalstoffen wordt uitsluitend gebruikt voor het storten van een blok of een mengsel van sterk uitloogbare afvalstoffen en toeslagstoffen.

Artikel 4

Een mengsel als bedoeld in artikel 3 wordt in een compartiment tot een blok gevormd, waarvan het volume na uitharding niet meer bedraagt dan 125% van het volume van de te conditioneren afvalstof.

Artikel 5
1.

Per mengsel met dezelfde samenstelling van sterk uitloogbare afvalstoffen en toeslagstoffen worden voor aanvang van het uithardingsproces ten minste twee representatieve monsters genomen. Deze monsters worden gebruikt voor het vervaardigen van ten minste twee proefstukken die op vergelijkbare wijze als het te conditioneren mengsel worden uitgehard. De beoordeling van de kwaliteit van de geconditioneerde afvalstoffen wordt bepaald aan de hand van deze proefstukken.

2.

Indien degene die de stortplaats exploiteert, ten genoegen van gedeputeerde staten aantoont dat een of meer parameters van een mengsel niet kritisch kunnen zijn, kunnen gedeputeerde staten, in afwijking van het eerste lid, toestaan dat de frequentie van monstername op deze niet-kritische parameters wordt teruggebracht tot een daarbij vast te stellen frequentie.

3.

Voor een besluit als bedoeld in het tweede lid is in ieder geval vereist:

Artikel 6

De druksterkte van een proefstuk bedraagt na 28 dagen uitharden minimaal 1,0 N/mm2.

Artikel 7
1.

De emissiewaarden van een proefstuk overschrijden niet de waarden van de in de bijlage bij deze regeling opgenomen tabel.

2.

In afwijking van het eerste lid mogen de emissiewaarden voor Br, Cl en SO4 de waarden van de tabel overschrijden:

3.

Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, aanhef en onder b, worden de ruimten tussen het blok en de grens van het compartiment opgevuld met een van de hieronder genoemde soorten stoffen:

4.

Degene die de stortplaats exploiteert, toont ten genoegen van het bevoegd gezag aan dat de bouwstoffen of afvalstoffen die overeenkomstig het derde lid worden toegepast, een vloeistofkerende werking hebben.

Artikel 8
1.

In afwijking van artikel 7 mogen de emissiewaarden van de andere dan de in het tweede lid van dat artikel genoemde parameters van een proefstuk in geval van buitengewone omstandigheden waarden van de tabel van de bijlage overschrijden, voor zover het totaal van de afvalstoffen die de waarden van de tabel overschrijden, in een compartiment niet meer dan 10% (gewicht) van de totale vergunde capaciteit van dat compartiment bedraagt en het desbetreffende blok ten minste drie meter van de buitengrens van het compartiment is gesitueerd.

2.

Artikel 7, derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9
1.

De druksterkte van een blok wordt bepaald aan de hand van één of meerdere proefstukken na een uitharding van 28 dagen volgens ontwerp NEN-EN 12394.

2.

De druksterkte wordt vastgesteld met een meetnauwkeurigheid beter dan 0,1 N/mm2.

Artikel 10
1.

De uitloging van een blok wordt bepaald aan de hand van één of meerdere proefstukken met een diffusieproef overeenkomstig NEN 7375.

2.

De cumulatieve emissie (64 dagen) wordt berekend volgens NEN 7375.

3.

Het proefstuk mag tijdens de duur van de in het eerste lid genoemde proef niet desintegreren. Van het proefstuk mag niet meer dan 1% (gewicht) vast materiaal op de bodem van de onderzoekbak neerslaan binnen de proefduur van 64 dagen.

Artikel 11
1.

Een compartiment is aan de onderzijde voorzien van een bufferlaag van ten minste 0,5 meter dikte en ten hoogste 1 meter dikte, bestaande uit organische stof of rijk grondachtig materiaal met bewezen pH-bufferende en metaalbindende eigenschappen.

2.

Ten behoeve van drainage in een bufferlaag en taluds mogen korrelvormige anorganische afvalstoffen of bouwstoffen worden gebruikt.

Artikel 12

Het compartiment is zodanig ingericht dat de geconditioneerde, sterk uitloogbare afvalstoffen, na zetting van de ondergrond, minimaal 0,7 meter boven de te verwachten gemiddeld hoogste grondwaterstand blijven.

Artikel 13

Indien een compartiment wordt gerealiseerd bovenop bestaande delen van de stortplaats waar reeds afvalstoffen zijn gestort, bieden de onderliggende afvalstoffen voldoende stabiliteit en draagvermogen voor het compartiment.

Artikel 14

In geval van desintegratie als gevolg van weersinvloeden worden zo spoedig mogelijk maatregelen genomen, die de gevolgen daarvan compenseren.

Artikel 15
1.

Een volledig gevuld compartiment wordt voorafgaand aan de definitieve afdichting zo snel als technisch mogelijk afgedekt met hoge dichtheid polyethyleenfolie met een dikte van minimaal 1 mm.

2.

Voor tijdelijke afdekking mogen, indien het compartiment nog niet volledig is gevuld, ook korrelvormige afvalstoffen worden gebruikt, die voldoen aan de voorschriften 3.1 en 3.2 van de bijlage bij het besluit. Deze afvalstoffen:

3.

Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, worden de korrelvormige afvalstoffen verwijderd voordat het compartiment verder gevuld wordt.

Hoofdstuk 3. Korrelvormige afvalstoffen

§ 3.1. Vaststelling kritische parameters en monsternemingsfrequentie

Artikel 16

Degene die de stortplaats exploiteert, draagt er zorg voor dat ter uitvoering van artikel 11h, eerste lid, van het besluit overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 17 tot en met 21 wordt gehandeld.

Artikel 17
1.

Het gemiddelde per parameter wordt bepaald en getoetst aan de ingevolge het besluit van toepassing zijnde grenswaarden over:

2.

Indien het analyseresultaat kleiner is dan de bepalingsgrens, wordt voor dat analyseresultaat ten behoeve van het berekenen van het gemiddelde uitgegaan van een rekenwaarde die als volgt is berekend:

rekenwaarde = 0,7 * bepalingsgrens,

waarbij

rekenwaarde: waarde die gebruikt kan worden voor het berekenen van het gemiddelde.

3.

Het gemiddelde van een of meerdere parameters van de ingevolge het besluit van toepassing zijnde grenswaarden mag niet worden overschreden.

Artikel 18
1.

Na ontvangst van de analyseresultaten wordt per parameter terstond de k-waarde als volgt bepaald:

waarbij

k: k-waarde;

grenswaarde: logaritme (10-log) van de grenswaarde als bedoeld in het voor de betreffende stortplaats van toepassing zijnde onderdeel van de bijlage bij het besluit;

xgem: gemiddelde voor de logaritmisch getransformeerde (10-log) analyseresultaten;

s: standaarddeviatie voor de logaritmisch getransformeerde (10-log) analyseresultaten.

2.

Aan de hand van de k-waarden worden de kritische parameters bepaald. Een parameter is kritisch als de k-waarde lager is dan of gelijk is aan de waarde waarvoor in de tabel geen monsterneming hoeft plaats te vinden, corresponderend met het aantal analyseresultaten.

Artikel 19
1.

Indien de laatste vijf analyseresultaten aan elkaar gelijk zijn, is de k-waarde:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.