Besluit van 18 juli 2009, houdende instelling van het Nederlands register gerechtelijk deskundigen en kwaliteitseisen aan deskundigen in strafzaken (Besluit register deskundige in strafzaken)

Type AMvB
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 28 november 2008, nr. 5576404/08/6;

Gelet op de artikelen 51i, vierde lid en 51k, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering;

De Raad van State gehoord (advies van 26 januari 2009, nr. W03.08.0519/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie mede namens Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 juli 2009, nr. 5606193/09/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet deskundige in strafzaken in werking treedt.

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel 2

Het register heeft ten doel de gebruikmaking van deskundigen in strafzaken, die naar het oordeel van het College gerechtelijk deskundigen voldoen aan de in artikel 12, tweede lid, genoemde kwaliteitseisen, te bevorderen door de gegevens van deze deskundigen, voor zover zij relevant zijn voor potentiële opdrachtgevers, bijeen te brengen en openbaar te maken.

Artikel 3
1.

Er is een College gerechtelijk deskundigen.

2.

Het College is gevestigd te Utrecht.

Artikel 4

Het College heeft tot taak:

Artikel 5
1.

De leden van het College worden benoemd op grond van de deskundigheid die nodig is voor een goede vervulling van de in artikel 4 genoemde taken alsmede op grond van hun brede maatschappelijke kennis en ervaring.

2.

Het College bestaat uit een door Onze Minister te bepalen oneven aantal leden, waarvan in elk geval deel uitmaken:

Artikel 6
1.

Het College verricht zijn taken op onpartijdige en onafhankelijke wijze.

2.

Elk van de leden die een aanvraag behandelt, kan zich verschonen indien zich naar zijn oordeel feiten of omstandigheden voordoen die onverenigbaar zijn met zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid.

3.

Indien het bepaalde in het tweede lid toepassing heeft gevonden, beslist het College in een samenstelling waarvan het lid dat zich heeft verschoond, geen deel uitmaakt.

Artikel 7
1.

Het College bepaalt zijn eigen werkwijze.

2.

Het College stelt maatstaven op aan de hand waarvan per deskundigheidsgebied wordt beoordeeld of een aanvraag voldoet aan de in artikel 12 bedoelde eisen, en maakt deze openbaar.

3.

Het College benoemt een bezwaaradviescommissie, normstellingsadviescommissies en toetsingsadviescommissies, en kan ook uit zijn midden commissies samenstellen en belasten met de uitoefening van bepaalde taken.

4.

Het College alsmede de door het College ingestelde commissies kunnen zich door personen die niet tot het College behoren doen bijstaan, voor zover dat voor de vervulling van hun taken nodig is. Deze personen kunnen van die commissies deel uitmaken.

5.

Een persoon die deel uitmaakt van één van de commissies, bedoeld in het derde lid, kan zich verschonen indien zich naar zijn oordeel feiten of omstandigheden voordoen die onverenigbaar zijn met zijn onpartijdigheid of onafhankelijkheid.

Artikel 8
1.

Onze Minister benoemt, behalve bij gelegenheid van de instelling van het College, op voordracht van het College de voorzitter en de leden, bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel a tot en met e.

2.

Onze Minister benoemt op voordracht van het College tevens zoveel plaatsvervangende leden van de in artikel 5, tweede lid, onderscheiden leden worden benoemd als nodig is.

3.

De benoeming van de leden en plaatsvervangende leden van het College geschiedt voor een periode van ten minste vier jaar en ten hoogste zes jaar, behoudens de mogelijkheid van eerder ontslag. Zij kunnen eenmaal voor een gelijke periode worden herbenoemd. Het lidmaatschap eindigt bij het bereiken van de leeftijd van zeventig jaar.

4.

Onze Minister stelt de vergoeding vast aan degenen die op verzoek van het College op grond van artikel 7, vierde lid, bijstand verlenen, voor zover zij niet in dienst zijn van het Rijk.

Artikel 9
1.

Het College stelt een bestuursreglement vast. Dit bevat in ieder geval regels over werkwijzen en procedures met het oog op een goede en zorgvuldige uitoefening van de taken van het College, de voorzitter, de secretaris en het bureau.

2.

Het College stelt jaarlijks voor 1 april een jaarplan op dat aan Onze Minister wordt toegezonden.

Artikel 10
1.

Het College heeft een secretaris en een bureau. Op verzoek van de voorzitter sluit, wijzigt en beëindigt Onze Minister arbeidsovereenkomsten met de medewerkers van het bureau. De secretaris is geen lid van het College.

2.

De voorzitter geeft leiding aan de werkzaamheden van de secretaris en het bureau.

Artikel 11
1.

Er is een bureau ter ondersteuning van het College. Onze Minister draagt, na overleg met het College, zorg voor de nodige voorzieningen ten behoeve van de werkzaamheden van het bureau en het College. Onze Minister kan een instelling aanwijzen voor het beheer van het bureau. Op voordracht van het College kan Onze Minister een andere organisatie aanwijzen als verwerker voor het register.

2.

Het bureau heeft tot taak:

Artikel 12
1.

Een aanvraag tot inschrijving komt slechts in aanmerking voor toetsing aan de in het tweede lid bedoelde eisen wanneer de aanvraag betrekking heeft op een welomlijnd deskundigheidsgebied waarvan aannemelijk is dat op basis daarvan zinvolle, objectieve en betrouwbare informatie kan worden verschaft en dat naar het oordeel van het College zodanig ontwikkeld is dat de bevindingen daarbinnen aan de hand van gedeelde normen kunnen worden getoetst en verantwoord.

2.

Een deskundige wordt op zijn aanvraag slechts als deskundige in strafzaken in het register ingeschreven wanneer hij naar het oordeel van het College:

Artikel 13
1.

De aanvraag tot inschrijving vindt schriftelijk plaats volgens een door het College vastgesteld model.

2.

Bij de aanvraag tot inschrijving legt de deskundige in elk geval de volgende stukken over:

3.

De aanvraag tot inschrijving, bedoeld in het eerste lid, bevat in elk geval de volgende gegevens:

Artikel 14
1.

De aanvraag wordt niet in behandeling genomen indien de aanvrager ook na aanmaning heeft verzuimd de in artikel 13 genoemde gegevens en bescheiden over te leggen.

2.

De aanvraag tot inschrijving wordt afgewezen indien:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.