← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 18 juli 2009, houdende nieuwe bepalingen met betrekking tot de productie en distributie van drinkwater en de organisatie van de openbare drinkwatervoorziening (Drinkwaterwet)

Geldende tekst a fecha 2023-05-05

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het in het belang van een duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening en in het belang van de volksgezondheid wenselijk is de bepalingen van de Waterleidingwet inzake de productie en distributie van drinkwater en de organisatie van de openbare drinkwatervoorziening aan te vullen, te verbeteren en te moderniseren en deze in een nieuwe wet onder te brengen, met inachtneming van richtlijn nr. 98/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 3 november 1998 betreffende de kwaliteit van voor menselijke consumptie bestemd water (PbEG L 330), en enige andere wetten in verband daarmee te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk I. Algemeen

Artikel 1
1.

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een of meer daarbij aan te geven artikelen van deze wet niet van toepassing zijn op water dat uitsluitend bestemd is voor bij die maatregel aangegeven doeleinden, waarbij de kwaliteit van het water niet van invloed is op de gezondheid van de betrokken consumenten. Bij of krachtens die maatregel kunnen nadere eisen worden gesteld aan de productie, distributie en het gebruik van dit water.

3.

Voor de uitvoering en naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt met de eigenaar van een drinkwaterbedrijf, collectieve watervoorziening of collectief leidingnet, indien deze niet zelf dat bedrijf, die voorziening of dat leidingnet exploiteert, gelijkgesteld de exploitant daarvan, voor zover het betreft de uitvoering van maatregelen of de naleving van verplichtingen die, naar gebruikelijk is, behoren tot de bevoegdheid van een exploitant.

4.

Onze Minister kan een of meer bedrijven aanwijzen die voor de toepassing van hoofdstuk II, met uitzondering van de artikelen 5, tweede lid, en 8, met een drinkwaterbedrijf worden gelijkgesteld.

5.

De artikelen van deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor zover betrekking hebbend op collectieve watervoorzieningen, zijn mede van toepassing op voorzieningen voor de winning, behandeling of distributie van water op een binnen het Nederlandse deel van het continentale plat gelegen mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de Mijnbouwwet, welk water als drinkwater aan consumenten binnen die mijnbouwinstallatie ter beschikking wordt gesteld.

6.

In geval van levering van warm tapwater aan consumenten of andere afnemers zijn de artikelen van de hoofdstukken III, VI, VII en VIII en de daarop berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing.

7.

De voordracht voor een krachtens deze wet vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Hoofdstuk II. De organisatie van de openbare drinkwatervoorziening

§ 1. De zorg voor en uitvoering van de openbare drinkwatervoorziening

Artikel 2
1.

Bestuursorganen dragen zorg voor de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening.

2.

Bij de uitoefening van bevoegdheden en toepassing van wettelijke voorschriften door bestuursorganen geldt de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening als een dwingende reden van groot openbaar belang.

Artikel 3

De zorg, overeenkomstig deze wet en de daarop berustende bepalingen, voor een voldoende en duurzame uitvoering van de openbare drinkwatervoorziening binnen een distributiegebied berust bij de eigenaar van het drinkwaterbedrijf die bevoegd en, overeenkomstig artikel 8, verplicht is tot levering van drinkwater in dat gebied.

Artikel 4
1.

Het is aan andere personen dan de eigenaar van een drinkwaterbedrijf verboden om:

2.

De verboden, bedoeld in het eerste lid, gelden niet voor degene die een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer drijft, voor zover drinkwater wordt geproduceerd voor, of wordt geleverd aan:

3.

De verboden, bedoeld in het eerste lid, gelden voorts niet voor de eigenaar van een voorziening voor de productie of distributie van water op een binnen het Nederlandse territoir of het Nederlandse deel van het continentale plat gelegen mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de Mijnbouwwet, welk water als drinkwater aan consumenten binnen die mijnbouwinstallatie ter beschikking wordt gesteld.

4.

Het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, geldt voorts niet voor de eigenaar van een collectief leidingnet,

5.

Op een daartoe strekkende aanvraag kan Onze Minister aan de eigenaar van een collectieve watervoorziening of collectief leidingnet ontheffing verlenen van een verbod als bedoeld in het eerste lid, voor zover het betreft het produceren voor, of het distribueren aan, consumenten of andere afnemers binnen een of meer inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer, indien:

6.

Onze Minister kan aan een ontheffing, bedoeld in het vijfde lid, voorschriften en beperkingen verbinden en deze wijzigen of intrekken.

7.

Onze Minister kan een ontheffing intrekken, indien:

8.

Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de totstandkoming van de beschikking op aanvraag, bedoeld in het vijfde lid, en de beschikking inzake het intrekken van de ontheffing, bedoeld in het zevende lid.

Artikel 5
1.

Onze Minister stelt voor elk drinkwaterbedrijf een distributiegebied vast, waarbinnen de eigenaar van het betreffende drinkwaterbedrijf de exclusieve bevoegdheid en plicht, overeenkomstig artikel 8, tot het leveren van drinkwater heeft.

2.

Het is de eigenaar van een drinkwaterbedrijf verboden om door middel van een watervoorzieningswerk water, niet zijnde drinkwater, te leveren buiten het voor dat drinkwaterbedrijf vastgestelde distributiegebied.

3.

Het verbod, bedoeld in het tweede lid, geldt niet voor de levering van water aan een ander drinkwaterbedrijf en voor de levering van nooddrinkwater aan consumenten of andere afnemers.

4.

Bij het besluit, bedoeld in het eerste lid, kan Onze Minister distributiegebieden wijzigen ter vergroting van de doelmatigheid van de openbare drinkwatervoorziening.

5.

Alvorens tot een wijziging als bedoeld in het vierde lid over te gaan, legt Onze Minister zijn voornemen aan de betrokken eigenaars voor, onder opgave van redenen. Binnen zes weken kunnen belanghebbenden hun zienswijze schriftelijk of mondeling bij Onze Minister kenbaar maken.

6.

De eigenaren van drinkwaterbedrijven die het aangaat kunnen gezamenlijk, onverminderd de artikelen 14 tot en met 16, Onze Minister verzoeken om wijziging van het voor hun bedrijf vastgestelde distributiegebied.

7.

Onze Minister kan besluiten geen gevolg te geven aan een verzoek als bedoeld in het zesde lid, indien de gevraagde wijziging naar zijn oordeel in strijd is met het belang van de openbare drinkwatervoorziening. Binnen zes weken kunnen belanghebbenden hun zienswijze schriftelijk of mondeling bij Onze Minister kenbaar maken.

8.

In geval van een wijziging van het voor hun drinkwaterbedrijf vastgestelde distributiegebied als bedoeld in het vierde lid, is de eigenaar van het betrokken drinkwaterbedrijf gehouden binnen een bij die wijziging aangegeven periode medewerking te geven aan de uitvoering van die wijziging, met inbegrip van een eventuele overdracht van de eigendom of het beheer van de betreffende watervoorzieningswerken, voor zover deze ten gevolge van de wijziging komen te liggen in een voor een ander drinkwaterbedrijf vastgesteld distributiegebied.

Artikel 6
1.

Onze Minister stelt ten minste eenmaal in de zes jaar een beleidsnota inzake de openbare drinkwatervoorziening vast.

2.

De beleidsnota bevat in elk geval:

3.

Onze Minister betrekt bij het opstellen van de beleidsnota de zienswijzen van belanghebbenden.

4.

Zodra de beleidsnota is vastgesteld, zendt Onze Minister deze aan beide Kamers der Staten-Generaal en doet hij mededeling van de beleidsnota in de Staatscourant. Tevens zendt hij de beleidsnota aan de bestuursorganen, instellingen en overige organisaties die betrokken waren bij de voorbereiding ervan.

5.

De beleidsnota kan tussentijds worden gewijzigd. Het derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 2. Taken en verplichtingen van de eigenaar van een drinkwaterbedrijf

Artikel 7
1.

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf heeft tot taak:

2.

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf heeft voorts tot taak:

3.

De infrastructuur die door de eigenaar van een drinkwaterbedrijf overeenkomstig het eerste lid, onderdeel b, is of wordt aangelegd, hersteld, vernieuwd of uitgebreid wordt voor de toepassing van de Belemmeringenwet Verordeningen en de Belemmeringenwet Privaatrecht aangemerkt als openbaar werk of openbare werken van algemeen nut.

4.

Indien de eigenaar van een drinkwaterbedrijf baten die zijn verkregen ter uitvoering van een taak of taken als bedoeld in het eerste of tweede lid aanwendt voor het verrichten van economische activiteiten, geschiedt de aanwending van die baten tegen condities die in het normale handelsverkeer gebruikelijk zijn voor de financiering van de desbetreffende economische activiteiten. De artikelen 25a, aanhef en onderdeel d, en 25b van de Mededingingswet zijn van overeenkomstige toepassing op de eigenaren van drinkwaterbedrijven.

Artikel 8
1.

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf is verplicht, binnen het voor zijn bedrijf vastgestelde distributiegebied, aan degene, die daarom verzoekt, een aanbod te doen om die persoon te voorzien van een aansluiting op het door hem beheerde leidingnet.

2.

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf is voorts verplicht, binnen het voor zijn bedrijf vastgestelde distributiegebied, aan degene, die daarom verzoekt, een aanbod te doen om met gebruikmaking van het door hem beheerde leidingnet aan die persoon drinkwater te leveren.

3.

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf hanteert voorwaarden die redelijk, transparant en niet discriminerend zijn.

4.

In het belang van de openbare drinkwatervoorziening kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste tot en met derde lid.

Artikel 9
1.

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf voert een beleid, gericht op het voorkomen van het afsluiten van een kleinverbruiker.

2.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over het beëindigen van de levering van drinkwater aan een kleinverbruiker, alsmede over preventieve maatregelen om de afsluiting van kleinverbruikers zoveel mogelijk te voorkomen.

3.

De in het tweede lid bedoelde preventieve maatregelen kunnen tevens inhouden dat in bij de regeling, bedoeld in dat lid, omschreven gevallen met daarbij aangeduide instanties overleg wordt gepleegd alsmede dat in die gevallen aan de desbetreffende instantie de in die regeling omschreven gegevens omtrent een kleinverbruiker worden verstrekt.

4.

De ministeriële regeling, bedoeld in het tweede lid, wordt niet eerder vastgesteld dan nadat de gezamenlijke drinkwaterbedrijven, de consumentenorganisaties en de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet in de gelegenheid zijn gesteld hun zienswijze te geven over de inhoud van de regeling.

§ 3. bepalingen met betrekking tot kostendekkende tarieven

Artikel 10
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt een algemeen aanvaarde bedrijfseconomische methode vastgesteld volgens welke de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet en het aandeel eigen vermogen in het totale vermogen worden bepaald.

2.

Onze Minister stelt driejaarlijks voor 1 november, ten behoeve van de bepaling van de tarieven voor de daarop volgende drie kalenderjaren, het maximaal toegestane aandeel vast van het eigen vermogen in het totale vermogen. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld volgens welke criteria en tot welk niveau Onze Minister op een daartoe strekkend verzoek van de eigenaar van een drinkwaterbedrijf van dit in de vorige volzin bedoelde maximale aandeel kan afwijken.

3.

Onze Minister stelt driejaarlijks voor 1 november, ten behoeve van de bepaling van de tarieven voor de daarop volgende drie kalenderjaren, de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet vast volgens de methode, bedoeld in het eerste lid. Onze Minister kan een besluit houdende vaststelling van de gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet een maal verlengen met ten hoogste drie kalenderjaren, indien noodzakelijk met het oog op de continuïteit of veiligheid van de openbare drinkwatervoorziening en onder met het oog daarop te stellen voorwaarden. Tegen de vaststelling is geen bezwaar of beroep mogelijk.

Artikel 11
1.

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf hanteert tarieven die kostendekkend, transparant en niet discriminerend zijn.

2.

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf hanteert bij de bepaling van de vermogenskosten die in het tarief mogen worden doorberekend ten hoogste de geldende gewogen gemiddelde vermogenskostenvoet, vastgesteld krachtens artikel 10, derde lid.

3.

De toerekening van de kosten van materiële vaste activa vindt plaats op basis van afschrijvingsmethoden en afschrijvingstermijnen die volgens algemeen aanvaarde bedrijfseconomische principes zijn bepaald.

4.

Als grondslag voor het bepalen van de vermogenskosten, die in het tarief mogen worden doorberekend, geldt de activawaarde, waarbij de materiële vaste activa gewaardeerd worden tegen historische kostprijs.

Artikel 12
1.

Uit de begroting van het drinkwaterbedrijf blijkt op welke wijze de kosten, waaronder de vermogenskosten die ten hoogste mogen worden gehanteerd, in het tarief zijn verwerkt.

2.

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf brengt jaarlijks voor 1 oktober aan Onze Minister een verslag uit dat inzicht verschaft in de kosten, waaronder de vermogenskosten, die in het voorafgaande kalenderjaar zijn gehanteerd bij het vaststellen van de tarieven voor de levering van drinkwater en het gerealiseerde bedrijfsresultaat over dat jaar. Het verslag dient voorzien te zijn van een goedkeurende verklaring van een registeraccountant. Onze Minister zendt dit verslag voor het einde van het kalenderjaar aan de beide Kamers der Staten-Generaal.

3.

Indien uit het verslag, bedoeld in het tweede lid, blijkt dat het gerealiseerde bedrijfsresultaat de voor dat jaar op basis van artikel 11, tweede lid, bepaalde vermogenskosten overschrijdt, draagt de eigenaar van een drinkwaterbedrijf er zorg voor dat die overschrijding wordt gecompenseerd uiterlijk in de tariefstelling voor het daaropvolgende kalenderjaar.

Artikel 13
1.

In het belang van de openbare drinkwatervoorziening worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld met betrekking tot:

2.

Indien niet wordt voldaan aan artikel 11 of 12 of nadere regels als bedoeld in het eerste lid kan Onze Minister een aanwijzing geven aan de eigenaar van een drinkwaterbedrijf. Bij de aanwijzing wordt aangegeven op welke gronden niet wordt voldaan aan artikel 11 of 12 of de bedoelde regels en welke wijzigingen met het oog daarop in het tarief vereist zijn. Bij de aanwijzing wordt een termijn gesteld waarbinnen aan de aanwijzing voldaan moet worden.

§ 4. De zeggenschap over een drinkwaterbedrijf

Artikel 14
1.

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf meldt de volgende rechtshandelingen, voordat deze rechtsgevolg krijgen, aan Onze Minister:

2.

Bij de melding geeft de eigenaar van het betreffende drinkwaterbedrijf aan of sprake is van een overdracht als bedoeld in artikel 5, achtste lid.

Artikel 15

Het is verboden een rechtshandeling te verrichten, die tot gevolg heeft dat middellijk of onmiddellijk, alleen of tezamen met derden, door anderen dan een gekwalificeerde rechtspersoon geheel of gedeeltelijk zeggenschap wordt verkregen over een drinkwaterbedrijf of een deel daarvan, dan wel over de bedrijfsvoering van een drinkwaterbedrijf of een deel van die bedrijfsvoering.

Artikel 16

Tot de rechtshandelingen, bedoeld in artikel 15, behoren in elk geval:

Artikel 17
1.

Indien er naar het oordeel van Onze Minister sprake is van een rechtshandeling als bedoeld in artikel 15, geeft hij een aanwijzing aan de daarbij betrokken personen tot het binnen een daarbij te stellen termijn beëindigen van die handeling, dan wel, voor zover die handeling reeds is voltooid, tot het binnen die termijn ongedaan maken van de gevolgen van die handeling.

2.

Degene tot wie een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid wordt gericht, is verplicht daaraan gevolg te geven.

3.

Van een aanwijzing doet Onze Minister mededeling in de Staatscourant.

Artikel 18
1.

Een drinkwaterbedrijf fuseert niet met een ander drinkwaterbedrijf zonder voorafgaande toestemming van Onze Minister.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden criteria vastgelegd waaraan door Onze Minister een verzoek tot fusie wordt getoetst.

§ 5. De rechtsvorm van een drinkwaterbedrijf en de bevoegdheid tot goedkeuring van de tarieven en voorwaarden

Artikel 19
1.

Indien een drinkwaterbedrijf de rechtsvorm van een naamloze vennootschap heeft, zijn de artikelen 158 tot en met 164, met uitzondering van artikel 162, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing.

2.

Uiterlijk twaalf maanden nadat deze wet in werking is getreden, legt het bestuur aan de algemene vergadering een voorstel tot wijziging van de statuten voor. Artikel 154, vijfde lid, tweede en derde volzin, en zesde en zevende lid, van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20

De bevoegdheid tot goedkeuring van de tarieven en voorwaarden, bedoeld in artikel 8 en 11, berust uitsluitend bij de algemene vergadering van een drinkwaterbedrijf.

Hoofdstuk III. De zorg voor de kwaliteit van drinkwater

§ 1. Drinkwaterbedrijven

Artikel 21
1.

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf draagt er zorg voor dat het drinkwater dat hij aan consumenten of andere afnemers ter beschikking stelt, geen organismen, parasieten of stoffen bevat, in aantallen per volume-eenheid of concentraties, die nadelige gevolgen voor de volksgezondheid kunnen hebben.

2.

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf draagt er tevens zorg voor dat het ontwerp en de staat van de van dat drinkwaterbedrijf deel uitmakende watervoorzieningswerken, toestellen en leidingnetten geen gevaar kunnen opleveren voor verontreiniging van de daarop aangesloten collectieve watervoorzieningen, collectieve leidingnetten, woninginstallaties en andere installaties en van het aan de betreffende eigenaars of consumenten ter beschikking gestelde drinkwater.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden, onverminderd het eerste lid, in het belang van de volksgezondheid eisen gesteld met betrekking tot:

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorts in het belang van de volksgezondheid eisen worden gesteld met betrekking tot:

5.

Onze Minister of, in geval van kortdurende overschrijdingen zonder nadelige gevolgen, de toezichthouder, kan, indien het belang van de volksgezondheid zich daar niet tegen verzet, gedurende een daarbij vast te stellen periode ontheffing verlenen van eisen voor chemische parameters als bedoeld in het derde lid, aanhef en onderdeel a, onderdeel 1°. Hij kan aan een ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden, deze wijzigen of intrekken en een ontheffing intrekken. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het derde lid, worden hieromtrent nadere regels gesteld. Van een besluit inzake een ontheffing doet Onze Minister mededeling in de Staatscourant.

Artikel 22
1.

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf verricht overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels onderzoek naar de hoedanigheid van het water dat door hem gebruikt wordt voor de bereiding van drinkwater.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden eisen gesteld met betrekking tot de hoedanigheid van het oppervlaktewater dat wordt gebruikt voor de bereiding van drinkwater. Deze eisen omvatten in elk geval eisen voor:

3.

Het is verboden drinkwater te bereiden uit oppervlaktewater, dat niet voldoet aan de bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen voor microbiologische of chemische parameters, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onderdeel 1. Bij of krachtens die maatregel kan worden bepaald dat het verbod niet geldt indien het water tevoren op een daarbij vastgestelde wijze is behandeld, waarbij voor water van verschillende hoedanigheid verschillende wijzen van behandeling kunnen worden vastgesteld.

4.

In bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, aan te wijzen categorieën van gevallen kan Onze Minister, indien het belang van de bescherming van de volksgezondheid zich daar niet tegen verzet, gedurende een daarbij aan te geven periode ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in dat lid, eerste volzin, dan wel van de bij of krachtens die maatregel gestelde eisen voor microbiologische of chemische parameters of van de daarbij vastgestelde wijze of wijzen van behandeling.

5.

Onze Minister kan aan een ontheffing voorschriften en beperkingen verbinden, deze wijzigen of intrekken en een ontheffing intrekken. Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het tweede lid, worden hieromtrent nadere regels gesteld. Van een besluit inzake een ontheffing wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

6.

Voor de toepassing van het eerste tot en met vijfde lid wordt:

7.

Voor de toepassing van het tweede tot en met zesde lid wordt onder oppervlaktewater niet verstaan zout en brak water alsmede water dat, alvorens voor de bereiding van drinkwater te worden gebruikt, in de bodem wordt geïnfiltreerd.

8.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat het verboden is drinkwater te bereiden uit water, niet zijnde oppervlaktewater, dat niet aan de bij of krachtens die maatregel gestelde eisen voldoet. Daarbij kan worden bepaald dat het verbod niet geldt indien het water tevoren op een bij of krachtens de maatregel vastgestelde wijze is behandeld, waarbij voor water van verschillende hoedanigheid verschillende wijzen van behandeling kunnen worden vastgesteld. Het vierde tot en met zesde lid, onderdeel b, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23

Onze Minister kan, indien naar zijn oordeel ter voorkoming of beperking van ernstig gevaar voor de volksgezondheid een onverwijlde voorziening noodzakelijk is, na overleg met Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, een regeling vaststellen van de in artikel 21, derde of vierde lid, 27, 28 of 29 bedoelde strekking. Een zodanige regeling vervalt een jaar nadat deze in werking is getreden, of, indien binnen die periode een algemene maatregel van bestuur ter vervanging van die regeling in werking is getreden, op het tijdstip waarop die maatregel in werking treedt. Bij ministeriële regeling kan de geldigheidsduur van de regeling eenmaal met ten hoogste een jaar worden verlengd.

Artikel 24
1.

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf controleert de middellijk of onmiddellijk op het leidingnet van zijn bedrijf aangesloten woninginstallaties, collectieve watervoorzieningen, collectieve leidingnetten en overige installaties op gevaar voor verontreiniging van het leidingnet van zijn bedrijf.

2.

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf controleert tevens de middellijk of onmiddellijk op het leidingnet van zijn bedrijf aangesloten collectieve watervoorzieningen en collectieve leidingnetten op gevaar voor verontreiniging van het door middel van deze voorzieningen en leidingnetten aan consumenten of andere afnemers ter beschikking gestelde drinkwater.

3.

Indien bij een controle als bedoeld in het tweede lid blijkt dat niet wordt voldaan aan artikel 21, eerste of derde lid, de daarop berustende bepalingen of een ministeriële regeling van die strekking als bedoeld in artikel 23, dan wel dat gevaar bestaat dat daar niet aan voldaan wordt, informeert de eigenaar van het drinkwaterbedrijf terstond de toezichthouder en de desbetreffende eigenaar van een op zijn leidingnet aangesloten collectieve watervoorziening of collectief leidingnet.

4.

De eigenaar van een middellijk of onmiddellijk op het leidingnet van een drinkwaterbedrijf aangesloten collectieve watervoorziening, collectief leidingnet, woninginstallatie of andere installatie, dan wel de huurder van het betreffende gebouw of de betreffende woning, is verplicht medewerking te verlenen aan de in het eerste en tweede lid bedoelde controles.

§ 2. Collectieve watervoorzieningen

Artikel 25
1.

In geval van levering door een collectieve watervoorziening van drinkwater aan consumenten of andere afnemers, zijn de artikelen 21, eerste lid en derde tot en met vijfde lid, 22 en 23 en de daarop berustende bepalingen van overeenkomstige toepassing.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat hoofdstuk III of een of meer daarbij aan te wijzen artikelen van deze wet niet van toepassing zijn op een zeer kleine collectieve watervoorziening:

3.

Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat een of meer daarbij krachtens artikel 21, derde lid, aanhef en onder b, gestelde eisen niet van toepassing zijn op een kleine collectieve watervoorziening, waarbij in elk geval wordt voldaan aan artikel 9, zesde lid, van de Drinkwaterrichtlijn.

Artikel 26

De eigenaar van een collectieve watervoorziening draagt er zorg voor dat het ontwerp en de staat van die collectieve watervoorziening alsmede de toestellen en leidingen die daarvan deel uitmaken en die middellijk of onmiddellijk zijn aangesloten op het leidingnet van een drinkwaterbedrijf of van een andere collectieve watervoorziening, dan wel op een collectief leidingnet, geen gevaar voor verontreiniging van dat leidingnet en van het door middel van die leidingen en toestellen aan consumenten of andere afnemers ter beschikking gestelde drinkwater kunnen opleveren.

§ 3. Collectieve leidingnetten

Artikel 27

De eigenaar van een collectief leidingnet verstrekt de daarop aangesloten consumenten en andere afnemers overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels informatie over maatregelen die zij moeten treffen ingeval het gebruik van het door hem geleverde water een gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren.

Artikel 28
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot het door de eigenaren van daarbij aangewezen categorieën van collectieve leidingnetten verrichten van metingen ten aanzien van de kwaliteit van het door hen aan consumenten of andere afnemers ter beschikking gestelde drinkwater. Deze regels hebben in ieder geval betrekking op de frequentie van de metingen, de te hanteren parameters, de monstername en de te verrichten analyses.

2.

De eigenaren, bedoeld in het eerste lid, houden de resultaten van de metingen gedurende vijf jaren ter beschikking van de toezichthouder.

3.

Indien uit de metingen blijkt dat niet wordt voldaan aan de krachtens artikel 21, derde lid, aanhef en onder a, of artikel 23 juncto voornoemde bepaling gestelde eisen, dan wel dat anderszins de deugdelijkheid van het drinkwater wordt aangetast, geven de eigenaren, bedoeld in het eerste lid, daarvan onmiddellijk, overeenkomstig artikel 27, kennis aan de betreffende consumenten en treden zij onmiddellijk in overleg met de toezichthouder.

Artikel 29
1.

De eigenaar van een collectief leidingnet draagt er zorg voor dat het ontwerp en de staat van dat collectieve leidingnet en de daarin toe te passen materialen zodanig zijn dat deze geen omstandigheid opleveren waardoor niet voldaan wordt aan de krachtens artikel 21, derde lid, aanhef en onder a, of artikel 23 juncto voornoemde bepaling gestelde eisen, alsmede dat dat ontwerp, die staat of die materialen niet de deugdelijkheid van het drinkwater aantasten.

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de aanleg, uitbreiding of wijziging van, dan wel herstelling aan, een collectief leidingnet, voor zover dat leidingnet geen deel uitmaakt van een gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet, alsmede aan de in dat leidingnet te gebruiken materialen.

3.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën van leidingnetten worden aangewezen, waarop het eerste lid of de krachtens het tweede lid gestelde regels niet van toepassing zijn. Een zodanige aanwijzing betreft slechts leidingnetten met behulp waarvan het drinkwater niet in het kader van een commerciële of openbare activiteit ter beschikking wordt gesteld aan consumenten of andere afnemers.

Artikel 30

De eigenaar van een collectief leidingnet draagt er zorg voor dat het ontwerp en de staat van dat collectieve leidingnet alsmede de toestellen en leidingen die daarvan deel uitmaken en die middellijk of onmiddellijk zijn aangesloten op het leidingnet van een drinkwaterbedrijf of collectieve watervoorziening, dan wel op een ander collectief leidingnet, geen gevaar kunnen opleveren voor verontreiniging van dat andere leidingnet en van het door middel van de bedoelde toestellen en leidingen aan consumenten of andere afnemers ter beschikking gestelde drinkwater.

§ 4. Woninginstallaties en overige installaties

Artikel 31

De eigenaar van een woninginstallatie of andere installatie, niet zijnde een collectieve watervoorziening of collectief leidingnet, draagt er zorg voor dat de staat van die installatie en van de toestellen en leidingen die daarvan deel uitmaken en die middellijk of onmiddellijk zijn aangesloten op het leidingnet van een drinkwaterbedrijf of een collectieve watervoorziening, dan wel op een collectief leidingnet, geen gevaar kunnen opleveren voor verontreiniging van dat leidingnet of collectieve leidingnet en van het door middel van de bedoelde leidingen en toestellen aan consumenten en andere afnemers ter beschikking gestelde drinkwater.

Hoofdstuk IV. Leveringszekerheid en continuïteit

§ 1. Levering onder normale omstandigheden

Artikel 32
1.

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf draagt er zorg voor dat de levering van deugdelijk drinkwater aan consumenten en andere afnemers in het voor zijn drinkwaterbedrijf vastgestelde distributiegebied gewaarborgd is in een zodanige hoeveelheid en onder een zodanige druk als in het belang van de volksgezondheid vereist is.

2.

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf neemt alle passende maatregelen om te kunnen voorzien in de toekomstige behoefte aan drinkwater in het voor zijn drinkwaterbedrijf vastgestelde distributiegebied.

§ 2. Voorbereiding op een verstoring

Artikel 33

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf draagt zorg voor de uitvoering van een analyse met betrekking tot het risico op verstoringen alsmede voor het actueel houden van die analyse.

Artikel 34
1.

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf neemt op basis van de uitkomsten van de in artikel 33 bedoelde analyse passende maatregelen om verstoringen zo veel mogelijk te voorkomen.

2.

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf legt de uitkomsten van de analyse, alsmede de maatregelen, bedoeld in het eerste lid, vast in het leveringsplan, bedoeld in artikel 37.

§ 3. Optreden en levering in geval van een verstoring

Artikel 35
1.

Indien een verstoring optreedt neemt de eigenaar van het betreffende drinkwaterbedrijf onmiddellijk alle maatregelen die noodzakelijk zijn om die verstoring zo spoedig mogelijk op te heffen.

2.

Indien de verstoring naar redelijke verwachting kan leiden of al heeft geleid tot een onderbreking in de levering van deugdelijk drinkwater gedurende een periode langer dan 24 uur, dan wel indien tengevolge van die verstoring sprake is van een gevaar voor de volksgezondheid, treedt de eigenaar, bedoeld in het eerste lid, onmiddellijk in overleg met de inspecteur.

3.

De eigenaar van het betreffende drinkwaterbedrijf draagt, indien als gevolg van de verstoring, naar het oordeel van de inspecteur, de levering van drinkwater niet meer mogelijk is of onaanvaardbaar vanuit het oogpunt van volksgezondheid, binnen een door de inspecteur vast te stellen termijn zorg voor de levering van nooddrinkwater.

4.

In het geval, bedoeld in het derde lid, verzorgt de eigenaar, voor zover dit technisch mogelijk is en er naar het oordeel van de inspecteur geen onaanvaardbare risico’s voor de volksgezondheid optreden, tevens de levering van noodwater.

§ 4. Nazorg en evaluatie in geval van een verstoring

Artikel 36
1.

Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de levering van het nooddrinkwater of het noodwater, rapporteert de eigenaar van het betreffende drinkwaterbedrijf schriftelijk aan de inspecteur omtrent de wijze waarop die levering is uitgevoerd.

2.

Op verzoek van de inspecteur en binnen een door de inspecteur te stellen termijn stelt de eigenaar van het drinkwaterbedrijf na een verstoring een evaluatierapport op en zendt hij dit aan de inspecteur.

§ 5. Leveringsplan en nadere eisen

Artikel 37
1.

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf stelt een leveringsplan op, waarin wordt aangegeven op welke wijze aan de uitvoering van de op grond van de artikelen 32 tot en met 35 voor hem geldende verplichtingen ten aanzien van de leveringszekerheid, de dekking van de toekomstige behoefte aan drinkwater en de levering van nooddrinkwater en noodwater, wordt voldaan.

2.

Bij het opstellen van het leveringsplan wordt rekening gehouden met de beleidsnota inzake de openbare drinkwatervoorziening, bedoeld in artikel 6.

3.

Het leveringsplan behoeft de goedkeuring van de inspecteur en wordt daartoe aan hem overgelegd.

4.

De in het leveringsplan opgenomen gegevens, die betrekking hebben op het voorkomen van een verstoring, de voorbereiding op een verstoring dan wel het optreden in geval van een verstoring, zijn informatie als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet open overheid.

Artikel 38

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere eisen gesteld ten aanzien van:

Hoofdstuk V. De doelmatigheid van de openbare drinkwatervoorziening

§ 1. Voorbereiding en uitvoering van de prestatievergelijking

Artikel 39
1.

Onze Minister wijst een instantie aan die belast is met de uitvoering van een prestatievergelijking die betrekking heeft op de kwaliteit van het geleverde water, de milieuaspecten van de drinkwatervoorziening, klantenservice, kostenefficiëntie, onderzoek en ontwikkeling.

2.

De prestatievergelijking wordt uitgevoerd volgens een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen frequentie en heeft betrekking op het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de prestatievergelijking wordt uitgevoerd.

Artikel 40
1.

De in artikel 39, eerste lid, bedoelde instantie stelt ten behoeve van de uitvoering van een prestatievergelijking uiterlijk op 1 maart van het jaar, waarin die prestatievergelijking wordt uitgevoerd, een protocol vast, inhoudend:

2.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de opzet en inhoud van een protocol als bedoeld in het eerste lid.

3.

Het protocol behoeft de goedkeuring van Onze Minister.

4.

De goedkeuring, bedoeld in het derde lid, kan geheel of gedeeltelijk worden onthouden voor zover een protocol:

5.

Van een goedgekeurd protocol doet Onze Minister mededeling in de Staatscourant.

Artikel 41
1.

De uitvoering van een prestatievergelijking geschiedt overeenkomstig het daartoe vastgestelde en krachtens artikel 40, derde lid, goedgekeurde protocol.

2.

Indien het betreffende protocol niet of niet tijdig wordt vastgesteld, dan wel indien daaraan geheel of gedeeltelijk goedkeuring wordt onthouden, kan Onze Minister, ter gehele of gedeeltelijke vervanging van dat protocol, die regels stellen die naar zijn oordeel noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van de prestatievergelijking.

3.

De in het tweede lid bedoelde regels kunnen in elk geval betrekking hebben op de in artikel 40, eerste lid, onder a tot en met d, genoemde onderwerpen.

4.

Op grond van het tweede lid gestelde regels treden voor de toepassing van dit hoofdstuk geheel of gedeeltelijk in de plaats van het protocol.

Artikel 42
1.

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf verstrekt de in artikel 40, eerste lid, onderdeel d, bedoelde gegevens binnen de daarvoor gestelde termijn aan de met de uitvoering van de prestatievergelijking belaste instantie.

2.

Indien niet of niet tijdig aan de in het eerste lid bedoelde verplichting wordt voldaan, of indien onvoldoende, onjuiste of onvolledige gegevens worden aangeleverd, meldt die instantie dat onverwijld aan Onze Minister.

§ 2. Verslag van de prestatievergelijking en voornemens ter verbetering

Artikel 43
1.

De met de uitvoering van de prestatievergelijking belaste instantie draagt er zorg voor dat uiterlijk op 31 december van het kalenderjaar, waarin een prestatievergelijking is uitgevoerd, een verslag houdende de resultaten van die prestatievergelijking is opgesteld ten behoeve van de eigenaren van drinkwaterbedrijven en aan hen wordt toegezonden.

2.

Het in het eerste lid bedoelde verslag wordt gelijktijdig toegezonden aan Onze Minister.

3.

Onze Minister zendt het verslag aan beide Kamers der Staten-Generaal en doet van het verslag mededeling in de Staatscourant.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere eisen gesteld ten aanzien van de opzet en inhoud van het in het eerste lid bedoelde verslag.

Artikel 44
1.

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf maakt binnen zes maanden na het uitbrengen van een verslag als bedoeld in artikel 43, eerste lid, de voornemens ter verbetering van de prestaties van zijn drinkwaterbedrijf, alsmede de termijn of termijnen waarbinnen deze gerealiseerd zullen worden, schriftelijk kenbaar aan Onze Minister.

2.

Onze Minister informeert de beide Kamers der Staten-Generaal omtrent de voornemens, bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk VI. Verslag met betrekking tot de kwaliteit van het drinkwater

Artikel 45
1.

Onze Minister stelt uiterlijk op 31 december van elk kalenderjaar een verslag op met betrekking tot de kwaliteit van het drinkwater gedurende het aan dat jaar voorafgaande kalenderjaar.

2.

Onze Minister zendt het verslag, bedoeld in het eerste lid, aan beide Kamers der Staten-Generaal en doet van het verslag mededeling in de Staatscourant.

Artikel 46

Het verslag, bedoeld in artikel 45, bevat ten minste gegevens over de kwaliteit van het drinkwater afkomstig van de voorzieningen die gemiddeld meer dan 1000 m3 drinkwater per dag leveren aan consumenten of andere afnemers of waarvan, gemeten over een periode van een jaar, gemiddeld meer dan 5000 personen per dag gebruik maken.

Artikel 47

Ten behoeve van het verslag, bedoeld in artikel 45, verstrekken de eigenaren van drinkwaterbedrijven, collectieve watervoorzieningen en collectieve leidingnetten, voor zover daarmee drinkwater wordt geleverd aan consumenten of andere afnemers, aan Onze Minister op zijn verzoek de hun ter beschikking staande inlichtingen en gegevens, die Onze Minister voor het opstellen van dat verslag noodzakelijk acht.

Hoofdstuk VII. Handhaving

Artikel 48
1.

Met het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn belast de door Onze Minister als zodanig aangewezen inspecteur en de overige daartoe aangewezen ambtenaren.

2.

In afwijking van het eerste lid zijn met het toezicht op de naleving van deze wet en de daarop berustende bepalingen belast de door Onze Minister van Economische Zaken daartoe aangewezen ambtenaren, voor zover het betreft voorzieningen voor de winning, behandeling of distributie van water op een binnen het Nederlandse territoir of het Nederlandse deel van het continentale plat gelegen mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de Mijnbouwwet, welk water als drinkwater aan consumenten binnen die mijnbouwinstallatie ter beschikking wordt gesteld.

3.

Van een besluit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

4.

In afwijking van het eerste en tweede lid is de Autoriteit Consument en Markt, genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet Autoriteit Consument en Markt, belast met het toezicht op de naleving van artikel 7, vierde lid.

Artikel 49

De eigenaar van een drinkwaterbedrijf, respectievelijk collectieve watervoorziening of collectief leidingnet, geeft onmiddellijk kennis aan de inspecteur, respectievelijk de voor die watervoorziening of dat leidingnet krachtens artikel 48 aangewezen andere toezichthouder, van omstandigheden in verband met zijn drinkwaterbedrijf, respectievelijk collectieve watervoorziening of collectief leidingnet die, naar hij redelijkerwijze kan weten of vermoeden, gevaar of beletsel voor de naleving van artikel 21, 22 of 23, respectievelijk 25 of 26 dan wel 27, 28, 29 of 30 of van de daarop berustende bepalingen kunnen vormen.

Artikel 50
1.

Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van deze wet en de daarop berustende bepalingen.

2.

In afwijking van het eerste lid is Onze Minister van Economische Zaken bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van deze wet en de daarop berustende bepalingen voor zover het betreft voorzieningen voor de winning, behandeling of distributie van water op een binnen het Nederlandse territoir of het Nederlandse deel van het continentale plat gelegen mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 1, onderdeel o, van de Mijnbouwwet, welk water als drinkwater aan consumenten binnen die mijnbouwinstallatie ter beschikking wordt gesteld.

3.

In afwijking van het eerste lid is, ingeval van overtreding van artikel 7, vierde lid, eerste of tweede volzin, artikel 70a van de Mededingingswet van overeenkomstige toepassing en is artikel 82 van die wet van toepassing.

Hoofdstuk VIII. Maatregelen in het belang van de volksgezondheid

Artikel 51

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen in het belang van de volksgezondheid gegevens worden aangewezen die door de eigenaar van een drinkwaterbedrijf op een bij of krachtens die maatregel aangegeven wijze worden verstrekt aan de inspecteur.

Artikel 52

Indien de levering van drinkwater aan consumenten of andere afnemers naar het oordeel van de inspecteur gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren, kan hij die levering verbieden of slechts toestaan voor gebruik in door hem aan te geven gevallen, op een daarbij aan te geven wijze.

Artikel 53

Hetgeen ten aanzien van de inspecteur of de eigenaar van een drinkwaterbedrijf is bepaald in de artikelen 51 en 52 en de daarop berustende bepalingen, is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een op grond van artikel 48 aangewezen andere toezichthouder, respectievelijk de eigenaar van een collectieve watervoorziening of collectief leidingnet, voor zover daarmee drinkwater wordt geleverd aan consumenten of andere afnemers.

Artikel 54

Onze Minister kan in geval van buitengewone omstandigheden, zo mogelijk na overleg met de eigenaar van een drinkwaterbedrijf en zo lang als die omstandigheden dat vereisen, regels stellen of maatregelen treffen die hij redelijkerwijs nodig acht in het belang van de veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening.

Hoofdstuk IX. Wijziging van andere wetten

Artikel 55

Wijzigt de Wet op de economische delicten.

Artikel 56

Wijzigt de Onteigeningswet.

Artikel 57

Wijzigt de Wet belastingen op milieugrondslag.

Artikel 58

Wijzigt de Wet milieubeheer.

Artikel 59

Wijzigt de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

Hoofdstuk X. Evaluatie

Artikel 60

Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van hoofdstuk V in de praktijk.

Hoofdstuk XI. Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 61

Aan de in artikel 37, eerste lid, bedoelde verplichting wordt voor de eerste maal gevolg gegeven binnen ten hoogste één jaar nadat deze wet in werking is getreden.

Artikel 62

Aan de in artikel 41, eerste lid, bedoelde verplichting wordt voor de eerste maal gevolg gegeven vóór een door Onze Minister te bepalen tijdstip.

Artikel 63
1.

De bevoegdheid, de gemeenteraad toekomend ingevolge artikel 149 van de Gemeentewet, blijft ten aanzien van een onderwerp, waarin deze wet of de daarop berustende bepalingen voorzien, gehandhaafd voor zover de door hem te maken verordeningen niet met deze wet in strijd zijn.

2.

In afwijking van de artikelen 119 van de Provinciewet en 122 van de Gemeentewet heeft de inwerkingtreding van deze wet slechts ten aanzien van de gevallen, waarin strijd met deze wet of de daarop berustende bepalingen zou ontstaan, tot gevolg, dat de verordeningen van provinciale staten en van gemeenteraden betreffende de onderwerpen, waarin deze wet of de daarop berustende bepalingen voorzien, van rechtswege ophouden te gelden.

Artikel 64

Vervallen

Artikel 65
1.

De Waterleidingwet wordt ingetrokken op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt, met dien verstande dat hoofdstuk III van die wet, zoals die onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip luidt, ook na dat tijdstip van toepassing blijft op plannen tot reorganisatie van de openbare drinkwatervoorziening in gevallen waarbij op dat tijdstip de overgang van een distributiegebied als bedoeld in artikel 21, tweede lid, van die wet, nog niet is voltooid.

2.

In afwijking van de artikelen 3 en 15 van deze wet kan, voor de periode gedurende welke dat nodig is voor de uitvoering van een plan tot reorganisatie als bedoeld in hoofdstuk III van de Waterleidingwet, een distributiegebied worden toegewezen aan een drinkwaterbedrijf dat niet of niet geheel voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in onderdeel b van de definitie van gekwalificeerde rechtspersoon, opgenomen in artikel 1, eerste lid, van deze wet.

3.

Met ingang van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet berust de Regeling distributiegebieden waterleidingbedrijven op artikel 5, eerste lid.

4.

Met ingang van het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet berust het Besluit aanwijzing ambtenaren VROM-regelgeving, voor zover dat onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip berustte op de Waterleidingwet, op artikel 48, eerste lid.

Artikel 66

Het Besluit bescherming waterleidingbedrijven 1989 wordt ingetrokken op het tijdstip waarop deze wet in werking treedt.

Artikel 67

Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 68

Deze wet wordt aangehaald als: Drinkwaterwet.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 54a

Bij algemene maatregel van bestuur of, indien strekkend tot een goede uitvoering, bij regeling van Onze Minister, kunnen ter implementatie van internationale verplichtingen nadere regels worden gesteld omtrent de in deze wet geregelde onderwerpen.

Hoofdstuk IX. Wijziging van andere wetten

Hoofdstuk X. Evaluatie

Hoofdstuk XI. Overgangs- en slotbepalingen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.