← Geldende tekst · Geschiedenis

Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 27 oktober 2009, nr. CEND/HDJZ-2009/1166 sector LUV, houdende regels in verband met de aanleg, de inrichting, de uitrusting en het veilig gebruik van luchthavens en andere terreinen met het oog op de orde en de veiligheid op die luchthavens en terreinen (Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen)

Geldende tekst a fecha 2024-01-01

Gelet op bijlage 14 bij het op 7 december 1944 te Chicago tot stand gekomen Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart (Trb. 1973, 109), de artikelen 8a.1, 8a.3, en 8a.51 van de Wet luchtvaart en artikel 51 van het Mijnbouwbesluit;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1
1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

2.

Een wijziging van de op grond van deze regeling toepasselijke bijlagen bij het verdrag gaat, tenzij bij besluit van de minister anders is bepaald, voor de toepassing van deze regeling gelden met ingang van de dag waarop die wijziging internationaal in werking treedt.

3.

Een besluit van de minister als bedoeld in het tweede lid wordt in de Staatscourant bekendgemaakt.

Hoofdstuk 2. Regels veilig gebruik burgerluchthavens met een luchthavenbesluit en benoemde burgerluchthavens

Afdeling 1. Reikwijdte

Artikel 2
1.

Dit hoofdstuk is, indien de betreffende luchthaven niet is gecertificeerd als bedoeld in artikel 6 van Verordening (EU) Nr. 139/2014, van toepassing op:

2.

In afwijking van het eerste lid, aanhef, zijn de artikelen 12, 14, 14a en 14b van toepassing op alle luchthavens die onder één of meer van de onderdelen van het eerste lid vallen.

Afdeling 2. Certificering

Artikel 3

Deze afdeling is van toepassing op overige burgerluchthavens als bedoeld in artikel 8.1, eerste lid, onderdeel b, van de wet, met uitzondering van helikopterluchthavens, waarvoor vaststelling van een luchthavenbesluit is vereist.

Artikel 4

De exploitant beschikt over een veiligheidsmanagementsysteem, dat ten minste bevat:

Artikel 5
1.

De exploitant draagt er zorg voor dat het luchthavenbedrijfshandboek een actuele beschrijving bevat van het veiligheidsmanagementsysteem alsmede van de aanleg, de inrichting, de uitrusting en het veilig gebruik van de luchthaven.

2.

De exploitant draagt er zorg voor dat de Inspectie Leefomgeving en Transport en de op de luchthaven gevestigde bedrijven en organisaties, die hun werkzaamheden op het luchtvaartgebied uitoefenen, beschikken over de actuele versie van de voor hen relevante onderdelen van het luchthavenbedrijfshandboek en stelt hen onverwijld in kennis van wijzigingen daarvan.

Artikel 6
1.

Als sleutelfunctionaris als bedoeld in artikel 4, onderdeel c, wordt in ieder geval aangemerkt een door de exploitant te benoemen havenmeester.

2.

De havenmeester wordt door de exploitant belast met het dagelijkse toezicht op de luchthaven en in het bijzonder met het toezicht op de orde en veiligheid in het luchtvaartgebied.

3.

De havenmeester verricht zijn taak onverminderd de verantwoordelijkheid van de exploitant.

4.

De functie van havenmeester mag verenigd worden met die van directeur van de luchthaven.

Artikel 7
1.

De exploitant controleert ten minste één maal per jaar of de werking van het veiligheidsmanagementsysteem doeltreffend en doelmatig is.

2.

Bij luchthavens die beschikken over een baan die langer is dan 1200 meter en voorzieningen hebben voor landingen met behulp van navigatie-instrumenten, beschikt de exploitant over een intern auditprogramma op basis waarvan de jaarlijkse controle van het veiligheidsmanagementsysteem wordt uitgevoerd.

3.

Indien de resultaten van de controle, bedoeld in het eerste lid, daartoe aanleiding geven wijzigt de exploitant het veiligheidsmanagementsysteem.

Artikel 8
1.

De exploitant zorgt voor de vastlegging van de gegevens die noodzakelijk zijn voor de werking van het veiligheidsmanagementsysteem.

2.

De exploitant heeft de meest recente uitgave van documenten voorhanden op de daartoe bestemde plaatsen.

3.

De exploitant registreert de uitgave van documenten alsmede de wijziging van documenten.

Afdeling 3. Luchthavens die gebruikt worden door vliegtuigen

§ 1. Reikwijdte

Artikel 9

Deze afdeling is van toepassing op:

§ 2. Aanleg, inrichting, uitrusting en gebruik van de luchthaven

Artikel 10

De exploitant draagt er zorg voor dat de aanleg, de inrichting, de uitrusting en het gebruik van een luchthaven voldoen aan de voorschriften en aanbevelingen van deel I (Aerodrome Design and Operations) van bijlage 14 bij het verdrag, met uitzondering van de volgende onderdelen:

Artikel 11

De in artikel 10 niet uitgezonderde onderdelen van deel I (Aerodrome Design and Operations) van bijlage 14 bij het verdrag gelden met dien verstande dat:

Measured coefficient Estimated braking action Code
0.40 and above Good 5
0.39 to 0.36 Medium to good 4
0.35 to 0.30 Medium 3
0.29 to 0.26 Medium to poor 2
0.25 and below Poor 1
Test tire Test tire
Test equipment Type Pressure (kPa) Test speed (km/h) Test water depth (mm) Minimum friction level
(1) (2) (3) (4) (5)
Mu-meter Trailer A A 70 70 65 95 1.0 1.0 0.42 0.26
Skiddometer Trailer B B 210 210 65 95 1.0 1.0 0.50 0.34
Surface Friction Tester Vehicle B B 210 210 65 95 1.0 1.0 0.50 0.34
Runway Friction Tester Vehicle B B 210 210 65 95 1.0 1.0 0.50 0.41
TATRA Friction Tester Vehicle B B 210 210 65 95 1.0 1.0 0.48 0.42
Grip tester trailer C C 140 140 65 95 1.0 1.0 0.43 0.24
Artikel 12

De exploitant draagt er zorg voor dat de aanleg, de inrichting, de uitrusting en het gebruik van een luchthaven niet leiden tot:

Artikel 13

Op het deel van een luchthaven, buiten het deel van de luchthaven dat wordt gebruikt voor en ten behoeve van de hoofdbaan, dat wordt gebruikt door een van de luchtvaartuigen als bedoeld in de paragrafen 4 tot en met 12 van hoofdstuk 3 van deze regeling, zijn de eisen die in deze paragrafen zijn opgenomen met betrekking tot een luchthaven en het gebruik hiervan door een dergelijk luchtvaartuig van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14
1.

De exploitant moet een register aanleggen waarin gegevens worden bijgehouden omtrent elk luchtvaartuig dat op de luchthaven landt of daarvan opstijgt en het daarmee gepleegde vervoer.

2.

De exploitant houdt van niet-verkeersvluchten de volgende gegevens bij:

3.

De exploitant houdt van verkeersvluchten dezelfde gegevens bij als van niet-verkeersvluchten, met uitzondering van de onderdelen b en e van het tweede lid, doch dient daarentegen van verkeersvluchten de volgende additionele gegevens bij te houden:

4.

De gegevens van het register dienen ten minste 2 jaar te worden bewaard.

Afdeling 4. Helikopterluchthavens

§ 1. Reikwijdte

Artikel 15

Deze afdeling is van toepassing op:

§ 1. Reikwijdte

Artikel 16

De exploitant draagt er zorg voor dat de aanleg, de inrichting, de uitrusting en het gebruik van een helikopterluchthaven voldoen aan de voorschriften en aanbevelingen van deel II (Heliports) van bijlage 14 bij het verdrag, met uitzondering van de volgende onderdelen:

Artikel 17

De in artikel 16 niet uitgezonderde onderdelen van deel II (Heliports) van bijlage 14 bij het verdrag gelden met dien verstande dat:

Artikel 18
1.

Een verhoogde helikopterluchthaven die gebruikt wordt door een helikopter die is ingedeeld in performance klasse 3, bedoeld in onderdeel III van bijlage 6 bij het verdrag, is zodanig gelegen dat in de directe omgeving van de luchthaven geschikte gronden aanwezig zijn voor het uitvoeren van een nood- of voorzorgslanding.

2.

Artikel 14 is, met uitzondering van helikopterluchthavens die verbonden zijn met een mijnbouwinstallatie als bedoeld in artikel 51 van het Mijnbouwbesluit, van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 3. Regels veilig gebruik overige burgerluchthavens en terreinen voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik

§ 1. Reikwijdte

Artikel 19
1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op:

2.

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op:

§ 1. Reikwijdte

Artikel 20
1.

Een luchthaven is zodanig gelegen dat:

2.

Op of in de onmiddellijke nabijheid van een luchthaven die wordt gebruikt door gemotoriseerde luchtvaartuigen zijn voldoende en deugdelijke reddings- en brandblusmiddelen aanwezig voor het redden van mensenlevens en de bestrijding van branden van luchtvaartuigen alsmede voldoende en terzake kundige personen voor de bediening van deze middelen.

3.

Op een luchthaven is een windzak aanwezig die zowel de actuele windrichting als een globale indicatie van de windsnelheid boven de landingsplaats aangeeft.

4.

De windzak is op een zodanige plaats opgesteld, dat deze door de gezagvoerder, zowel vanuit de lucht als vanaf de grond, goed kan worden waargenomen.

5.

De windzak is gevrijwaard van storende invloeden op richting en snelheid van de wind.

6.

De baan van een luchthaven is vlak en heeft een dusdanige samenstelling dat het de massa van het luchtvaartuig kan dragen.

7.

Indien het oppervlak van een start- of landingsplaats van een luchthaven bestaat uit een gewas dan mag de hoogte van het gewas geen belemmering zijn voor het starten en landen.

8.

De baan, taxibaan of landingsplaats van een luchthaven zijn gemarkeerd met een doelmatige markering.

9.

In het geval een openbare weg of spoorweg in de nabijheid van een luchthaven aanwezig is, dan geldt deze als een obstakel van 5 respectievelijk 5,5 meter boven die weg of spoorweg.

10.

Het eerste, zesde, zevende en negende lid zijn van overeenkomstige toepassing op een terrein als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdelen b en c.

Artikel 21

Een terrein als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdelen b en c, is niet gelegen:

Artikel 22
1.

Het gebruik van een luchthaven voldoet aan de volgende eisen:

2.

Het eerste lid, onderdelen f en g, zijn van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik, met dien verstande dat in plaats van ‘de exploitant’ wordt gelezen: de houder van de ontheffing, bedoeld in artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart.

§ 3. Helikopters

Artikel 23

Een helikopterluchthaven en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in § 2, aan de volgende eisen:

Artikel 24

Een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een helikopter en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in § 2, aan de volgende eisen:

§ 4. Mla’s

Artikel 25
1.

Een luchthaven die gebruikt wordt door een mla en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in § 2, aan de volgende eisen:

2.

Indien een luchthaven als bedoeld in het eerste lid eveneens gebruikt wordt door een vliegtuig, niet zijnde een mla, met een maximaal startgewicht van 890 kg, zijn, in afwijking van het eerste lid, de artikelen 10, 11, 12, 14a en 14b van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de voorschriften en aanbevelingen van onderdeel 9.2 van deel I van bijlage 14 niet van toepassing zijn.

3.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een mla.

§ 4. Mla’s

Artikel 26
1.

Een luchthaven die gebruikt wordt door een gemotoriseerd schermvliegtuig of een paramotortrike en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in paragraaf 2, aan de volgende eisen:

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een gemotoriseerd schermvliegtuig of een paramotortrike.

§ 5. Gemotoriseerde schermvliegtuigen en paramotortrikes

Artikel 27
1.

Een luchthaven die gebruikt wordt door een vrije ballon en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in § 2, aan de volgende eisen:

3.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdelen b en c, voor zover het terrein wordt gebruikt voor het landen of opstijgen van een vrije ballon.

4.

Artikel 20, eerste lid, onderdeel a en het zesde lid zijn niet van toepassing op een terrein als bedoeld in het derde lid.

§ 6. Vrije ballonnen

Artikel 28
1.

Een waterluchthaven en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in § 2, aan de volgende eisen:

2.

Artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 4, is niet van toepassing op een luchthaven als bedoeld in het eerste lid.

3.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een watervliegtuig.

§ 7. Watervliegtuigen

Artikel 29
1.

Een luchthaven die gebruikt wordt door een zweefvliegtuig en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in § 2, aan de volgende eisen:

2.

Indien een luchthaven als bedoeld in het eerste lid mede wordt gebruikt door een TMG of zelfstartend zweefvliegtuig, dan is ten behoeve van het gebruik door de TMG of het zelfstartend zweefvliegtuig een baan beschikbaar met een lengte van ten minste 300 meter die gelegen is in een strook met een lengte van ten minste 660 meter en een breedte van ten minste 30 meter.

3.

Indien een luchthaven als bedoeld in het eerste lid mede wordt gebruikt door een vliegtuig dat wordt gebruikt ten behoeve van het slepen van een zweefvliegtuig, dan is ten behoeve van het gebruik van een dergelijk vliegtuig een baan beschikbaar met een lengte van ten minste 600 meter en een breedte van ten minste 30 meter die gelegen is in een strook met een lengte van ten minste 660 meter.

4.

Een luchthaven als bedoeld in het tweede en derde lid is zodanig gelegen dat ter weerszijden van de baan geen obstakels steken door een denkbeeldig vlak dat met de lengte van de baan als basis, oploopt met een helling van 1:5 (hoogte:afstand) en aansluit op het vlak, bedoeld in het vierde lid.

5.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een zweefvliegtuig.

Artikel 30
1.

Het gebruik van een luchthaven door een zweefvliegtuig voldoet, onverminderd het bepaalde in § 2, aan de volgende eisen:

2.

Artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 4, is niet van toepassing op een luchthaven als bedoeld in het eerste lid.

3.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een zweefvliegtuig met dien verstande dat:

4.

Een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik wordt door een zweefvliegtuig niet gebruikt:

§ 8a. Zeilvliegtuigen en schermzweeftoestellen

Artikel 31
1.

Een luchthaven die gebruikt wordt door een landbouwluchtvaartuig en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in § 2, aan de volgende eisen:

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een landbouwluchtvaartuig.

§ 8a. Zeilvliegtuigen en schermzweeftoestellen

Artikel 32
1.

Een luchthaven die gebruikt wordt door een luchtschip dat op zeeniveau in de internationale standaard-atmosfeer in geheel gevulde toestand een afmeting heeft van meer dan 5 meter of een inhoud van meer dan 4 kubieke meter, en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in § 2, aan de volgende eisen:

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een luchtschip als bedoeld in het eerste lid.

§ 9. Landbouwluchtvaartuigen

Artikel 33
1.

Onverminderd het bepaalde in § 2, zijn de eisen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen a tot en met e, van overeenkomstige toepassing op een luchthaven die gebruikt wordt door een onbemand vliegtuig van maximaal 150 kilogram, met dien verstande dat de lengte van de strook, bedoeld in onderdeel a, niet minder is dan 100 meter en de breedte van de strook, bedoeld in onderdeel b, niet minder is dan 10 meter.

2.

Onverminderd het bepaalde in § 2, is de eis, bedoeld in artikel 32, eerste lid, onderdeel a, van overeenkomstige toepassing op een luchthaven die gebruikt wordt door een onbemand luchtschip van maximaal 150 kilogram.

3.

Onverminderd het bepaalde in § 2, zijn de eisen, bedoeld in artikel 24, met uitzondering van onderdeel d, van overeenkomstige toepassing op een luchthaven die gebruikt wordt door een onbemande helikopter van maximaal 150 kilogram.

4.

Een luchthaven die gebruikt wordt door een RPA van maximaal 150 kilogram is zodanig gelegen dat:

5.

Artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 4, is niet van toepassing op een luchthaven als bedoeld in het eerste tot en met het derde lid.

6.

Het eerste tot en met het vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een van de in deze leden bedoelde luchtvaartuigen.

§ 10. Luchtschepen

Artikel 34
1.

Een luchthaven die gebruikt wordt door een gyrokopter en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in § 2, aan de volgende eisen:

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik dat gebruikt wordt door een gyrokopter.

Hoofdstuk 4. Procedurebepalingen

Artikel 35
1.

De termijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in artikel 8a.51 van de Wet luchtvaart bedraagt vier weken.

2.

De ontheffing wordt niet verleend dan nadat gedeputeerde staten over de aanvraag tot ontheffing overleg hebben gevoerd met de burgemeester van de gemeente waarin het betreffende terrein ligt.

3.

De houder van de ontheffing meldt ten minste 24 uur voor de dag dat het terrein zal worden gebruikt dit voornemen schriftelijk of per e-mail aan de minister en de burgemeester van de gemeente waarin het betreffende terrein ligt.

Artikel 36
1.

De minister kan ontheffing verlenen van de voorschriften die op grond van hoofdstuk 3 gelden voor een terrein voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik. Deze ontheffing wordt slechts verleend indien:

2.

Aan de ontheffing, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.

Hoofdstuk 4. Procedurebepalingen

Artikel 37

Wijzigt het Algemeen luchthavenreglement.

Artikel 38

Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement luchthaven Schiphol.

Artikel 39

Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement luchthaven Maastricht.

Artikel 40

Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement Rotterdam.

Artikel 41

Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement luchthaven Eelde.

Artikel 42

Wijzigt het Aanvullend Luchthaven Reglement Lelystad.

Artikel 43

Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement Teuge.

Artikel 44

Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement Texel.

Artikel 45

Wijzigt het Aanvullend luchthavenreglement Midden Zeeland.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 46

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 november 2009.

Artikel 47

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling veilig gebruik luchthavens en andere terreinen.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 30a
1.

Een luchthaven die gebruikt wordt door een zeilvliegtuig of schermzweeftoestel en het gebruik hiervan voldoen, onverminderd het bepaalde in § 2, aan de volgende eisen:

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdelen b en c, voor zover het terrein wordt gebruikt voor het landen of opstijgen van een schermzweeftoestel of een zeilvliegtuig.

Artikel 30b
1.

Het gebruik van een luchthaven door een zeilvliegtuig of schermzweeftoestel voldoet, onverminderd het bepaalde in § 2, aan de volgende eisen:

2.

Artikel 22, eerste lid, onderdeel c, onder 1, 3, 4 en 6 zijn niet van toepassing op een luchthaven als bedoeld in het eerste lid.

3.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een terrein als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdelen b en c, voor zover het terrein wordt gebruikt voor het landen of opstijgen van een schermzweeftoestel of een zeilvliegtuig.

4.

Een terrein als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdelen b en c, wordt, voor zover het terrein wordt gebruikt voor het landen of opstijgen van een schermzweeftoestel of een zeilvliegtuig, niet gebruikt:

§ 9. Landbouwluchtvaartuigen

§ 9. Landbouwluchtvaartuigen

§ 10. Luchtschepen

§ 11. Onbemande luchtvaartuigen tot 150 kilogram

Hoofdstuk 5. Wijziging andere regelingen

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 14a

Gebruikers van de luchthaven, toeleveranciers, organisaties die op de luchthaven voor de exploitant werkzaamheden verrichten, alsmede organisaties die op de luchthaven zelfstandig grondafhandelingsdiensten verrichten, zijn verplicht te voldoen aan de eisen die door de exploitant zijn gesteld ten aanzien van de orde en veiligheid op, alsmede het veilig gebruik van de luchthaven.

Afdeling 4. Helikopterluchthavens

§ 1. Reikwijdte

§ 2. Aanleg, inrichting, uitrusting en gebruik van de luchthaven

Hoofdstuk 3. Regels veilig gebruik overige burgerluchthavens en terreinen voor tijdelijk en uitzonderlijk gebruik

§ 1. Reikwijdte

§ 2. Algemene aanleg-, inrichtings-, uitrustings- en gebruiksvoorschriften

§ 3. Helikopters

§ 4. Mla’s

§ 5. Gemotoriseerde schermvliegtuigen

§ 6. Vrije ballonnen

§ 7. Watervliegtuigen

§ 8. Zweefvliegtuigen

§ 8a. Zeilvliegtuigen en schermzweeftoestellen

§ 11. Onbemande luchtvaartuigen tot 150 kilogram

§ 12. Gyroplanes

Hoofdstuk 4. Procedurebepalingen

Hoofdstuk 4. Procedurebepalingen

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Artikel 14b
1.

Indien een luchthaven buiten de reguliere openstellingstijden wordt gebruikt voor het innemen van brandstof ten behoeve van een HEMS-vlucht of een politievlucht, draagt de exploitant er zorg voor dat voorafgaande aan het gebruik schriftelijke afspraken met de betreffende gebruiker van de luchthaven zijn gemaakt over het veilig gebruik van de luchthaven.

2.

De afspraken, bedoeld in het eerste lid, hebben in ieder geval betrekking op:

Afdeling 4. Helikopterluchthavens

§ 2. Aanleg, inrichting, uitrusting en gebruik van de luchthaven

Hoofdstuk 3. Regels veilig gebruik overige burgerluchthavens en andere terreinen

§ 2. Algemene aanleg-, inrichtings-, uitrustings- en gebruiksvoorschriften

§ 3. Helikopters

§ 8. Zweefvliegtuigen

§ 12. Gyrokopters

Hoofdstuk 4. Procedurebepalingen

Hoofdstuk 5. Wijziging andere regelingen

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

§ 13. Luchtvaartuigen die een nood- of voorzorgslanding hebben gemaakt

Artikel 34a
1.

De gezagvoerder van een luchtvaartuig dat op een terrein een nood- of voorzorgslanding heeft gemaakt, meldt dit onverwijld aan de Minister.

2.

Het is verboden om met een luchtvaartuig op te stijgen vanaf een terrein als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel d, zonder voorafgaande toestemming van de Minister.

3.

Handelen in strijd met dit artikel is een strafbaar feit.

Hoofdstuk 5. Wijziging andere regelingen

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.