Regeling houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterregeling)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op artikel 7.5, eerste en vierde lid, van de Waterwet en de artikelen 2.3, tweede lid, 3.1, eerste en tweede lid, 3.3, 3.4, derde en zevende lid, 4.13, 4.18, 6.2, 6.7, eerste lid, 6.11, eerste en derde lid, 6.12, tweede lid, onderdeel f, en derde lid, 6.13, tweede lid, 6.15, tweede en derde lid, 6.16, tweede lid, 6.17, 6.19, 6.21, eerste lid, 6.22, derde lid, en 6.23, eerste lid, van het Waterbesluit;

Besluiten:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.1

Vervallen

Hoofdstuk 2. Doelstellingen en normen

Artikel 2.1

Vervallen

Hoofdstuk 3. Organisatie van het waterbeheer

§ 1. Beheer van oppervlaktewaterlichamen en aanwijzing drogere oevergebieden

Artikel 3.1

Vervallen

Artikel 3.2

Vervallen

Artikel 3.3

Vervallen

Artikel 3.4

Vervallen

Artikel 3.5

Vervallen

Artikel 3.6

Vervallen

Artikel 3.7

Vervallen

§ 2. Regels met betrekking tot het verstrekken van informatie

Artikel 3.8

Vervallen

Hoofdstuk 4. Plannen

Artikel 4.1

Vervallen

Hoofdstuk 4. Plannen

Hoofdstuk 5

§ 1. Algemene bepalingen over het lozen van stoffen

Artikel 6.1

Vervallen

Artikel 6.2

Vervallen

§ 1. Algemene bepalingen over het lozen van stoffen

Artikel 6.3

Vervallen

§ 2. Het brengen van stedelijk afvalwater in oppervlaktewaterlichamen

Artikel 6.4

Vervallen

Artikel 6.5

Vervallen

§ 3. Het onttrekken van grondwater en infiltreren van water

Artikel 6.6

Vervallen

Artikel 6.7

Vervallen

§ 4.1. Algemene regels

Artikel 6.8

Vervallen

Artikel 6.9

Vervallen

Artikel 6.10

Vervallen

§ 4.1. Algemene regels

Artikel 6.11

Vervallen

Artikel 6.12

Vervallen

Artikel 6.13

Vervallen

§ 4.2. Activiteiten van ondergeschikt belang

Artikel 6.14

Vervallen

Artikel 6.15

Vervallen

§ 5. Het brengen en onttrekken van water aan oppervlaktewaterlichamen

Artikel 6.16

Vervallen

Artikel 6.17

Vervallen

§ 4a. Windparken op zee

Artikel 6.18

Vervallen

Artikel 6.19

Vervallen

Artikel 6.20

Vervallen

Artikel 6.21

Vervallen

Artikel 6.22

Vervallen

Artikel 6.23

Vervallen

Artikel 6.24

Vervallen

Artikel 6.25

Vervallen

Artikel 6.26

Vervallen

Artikel 6.27

Vervallen

Artikel 6.28

Vervallen

Artikel 6.29

Vervallen

Artikel 6.30

Vervallen

Hoofdstuk 7. Verontreinigingsheffing

Artikel 7.1

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

Artikel 7.2
1.

Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik, VeO, wordt berekend door de som van het aantal gedurende elk etmaal van het heffingsjaar afgevoerde hoeveelheden zuurstofverbruik, uitgedrukt in kilogrammen, te delen door 54,8 kilogram.

2.

De gedurende een etmaal geloosde hoeveelheid zuurstofverbruik, uitgedrukt in kilogrammen, wordt berekend volgens de formule:

(Q × (3 × TOC + 4,57 × (TNb – TON)) [kg/etm]
1000 [kg/etm]

waarbij:

Q: afvalwaterhoeveelheid (m3/d)

TOC: totaal organisch koolstof (mg/l)

TNb: totaal gebonden stikstof (mg/l)

TON: totaal oxideerbare stikstof (mg/l) = (NO2+NO3)

NO2: nitriet stikstof (mg/l)

NO3: nitraat stikstof (mg/l)

3.

Indien het zuurstofverbruik, zoals berekend volgens het tweede lid, voor tenminste 25% afkomstig is van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het afvalwater, wordt op die waarde een correctie toegepast door deze te vermenigvuldigen met de correctiefactor f:

f = (100 – T)
f = 75

waarbij:

f = correctiefactor

T = het percentage van het zuurstofverbruik, zoals berekend volgens het tweede lid, dat afkomstig is van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.

T wordt berekend bij:

4.

Voor het bepalen van de correctie, bedoeld in het derde lid, wordt door de heffingplichtige een aanvraag ingediend. De aanvraag bevat in ieder geval:

5.

De heffingsambtenaar beslist op de aanvraag, bedoeld in het vierde lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking waaraan voorschriften kunnen worden verbonden. Daarbij kan het in ieder geval gaan om voorschriften over de frequentie van meten, bemonsteren en analyseren.

Artikel 7.3

Vervallen

Artikel 7.4

Voor de berekening van de frequentie van meting, bemonstering en analyse, bedoeld in artikel 7.5, eerste en tweede lid, van de Waterwet wordt gebruik gemaakt van de volgende formule:

waarbij:

n = het berekende aantal meetdagen

tso = toelaatbare statische onnauwkeurigheid =

35/e ^0,000175*VeO, waarbij VeO = vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik in een jaar van de in de oppervlaktelichamen geloosde stoffen.

N = het aantal dagen per jaar dat stoffen in oppervlaktewaterlichamen worden geloosd;

σ = spreidingspercentage in de meetwaarden, uitgedrukt ten opzichte van het gemiddelde van de hoeveelheden zuurstofverbruik van de geloosde stoffen in de etmalen waarop gedurende het heffingsjaar onderzoek heeft plaatsgehad.

Artikel 7.5
1.

De meting, bemonstering en analyse, bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, van de Waterwet geschiedt zodanig dat:

2.

De heffingsambtenaar:

3.

De beslissing van de heffingsambtenaar, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, bevat in elk geval:

4.

De beslissing van de heffingsambtenaar op een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bevat in elk geval:

5.

De heffingsambtenaar kan twee of meer van de op basis van het tweede lid genomen besluiten, die betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift verenigen.

6.

In zijn besluit geeft de heffingsambtenaar in ieder geval voorschriften met betrekking tot:

7.

De heffingsambtenaar kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de stoffen, die vanuit een bedrijf of een bedrijfsonderdeel in oppervlaktewaterlichamen worden geloosd:

Artikel 7.6
1.

De debietmeet- en bemonsteringsvoorzieningen:

2.

De bemonsteringsvoorzieningen zijn ondergebracht in een afsluitbare ruimte of kast.

3.

De heffingplichtige brengt de wijze van debietmeting en bemonstering met een beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur, voor aanvang van het heffingsjaar, ter kennis aan de heffingsambtenaar.

Artikel 7.7
1.

Het debiet wordt in de afvalwaterstroom gemeten.

2.

In afwijking van het eerste lid kan het debiet worden bepaald op basis van meting van de hoeveelheid water in het watertoevoersysteem van het bedrijf of van de bedrijfsonderdelen. De per etmaal geloosde hoeveelheid afvalwater is niet groter dan de in dezelfde periode toegevoerde hoeveelheid water.

Artikel 7.8
1.

Bij open meetsystemen wordt een meetput of een meetgoot toegepast.

2.

Bij toepassing van een meetput geldt dat:

3.

Bij toepassing van een meetgoot bedragen de momentane debieten in het etmaal, van minder dan 16,4% van het maximaal mogelijk momentane debiet, gesommeerd, minder dan 10% van het gemeten debiet.

4.

De apparatuur voor de hoogtemeting wordt ten minste éénmaal per jaar bij overstorthoogten van 5, 10, 15, 20 en 25 centimeter droog gekalibreerd.

5.

In het kalibratierapport wordt voor elke overstorthoogte een vergelijking gemaakt tussen de gemeten hoeveelheid afvalwater gedurende de periode van het kalibreren, en de bij de desbetreffende overstorthoogte met behulp van de afvoerrelatie van de meetvoorziening berekende hoeveelheid afvalwater over de periode van het kalibreren. Zowel het absolute als het procentuele verschil wordt hierbij aangegeven.

6.

Bij ultrasone hoogtemeting wordt ook de temperatuurmeting en de temperatuurcorrectie gecontroleerd en gecorrigeerd bij afwijking.

Artikel 7.9
1.

De momentane debieten in het etmaal, van minder dan 10% van het maximaal mogelijk momentaan debiet, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten debiet.

2.

Meetapparatuur voor debietmetingen in gesloten meetsystemen wordt ten minste éénmaal per jaar droog gekalibreerd.

3.

Het droog kalibreren bestaat minimaal uit:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.