Regeling houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterregeling)
Gelet op artikel 7.5, eerste en vierde lid, van de Waterwet en de artikelen 2.3, tweede lid, 3.1, eerste en tweede lid, 3.3, 3.4, derde en zevende lid, 4.13, 4.18, 6.2, 6.7, eerste lid, 6.11, eerste en derde lid, 6.12, tweede lid, onderdeel f, en derde lid, 6.13, tweede lid, 6.15, tweede en derde lid, 6.16, tweede lid, 6.17, 6.19, 6.21, eerste lid, 6.22, derde lid, en 6.23, eerste lid, van het Waterbesluit;
Besluiten:
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1.1
Vervallen
Hoofdstuk 2. Doelstellingen en normen
Artikel 2.1
Vervallen
Hoofdstuk 3. Organisatie van het waterbeheer
§ 1. Beheer van oppervlaktewaterlichamen en aanwijzing drogere oevergebieden
Artikel 3.1
Vervallen
Artikel 3.2
Vervallen
Artikel 3.3
Vervallen
Artikel 3.4
Vervallen
Artikel 3.5
Vervallen
Artikel 3.6
Vervallen
Artikel 3.7
Vervallen
§ 2. Regels met betrekking tot het verstrekken van informatie
Artikel 3.8
Vervallen
Hoofdstuk 4. Plannen
Artikel 4.1
Vervallen
Hoofdstuk 4. Plannen
Hoofdstuk 5
§ 1. Algemene bepalingen over het lozen van stoffen
Artikel 6.1
Vervallen
Artikel 6.2
Vervallen
§ 1. Algemene bepalingen over het lozen van stoffen
Artikel 6.3
Vervallen
§ 2. Het brengen van stedelijk afvalwater in oppervlaktewaterlichamen
Artikel 6.4
Vervallen
Artikel 6.5
Vervallen
§ 3. Het onttrekken van grondwater en infiltreren van water
Artikel 6.6
Vervallen
Artikel 6.7
Vervallen
§ 4.1. Algemene regels
Artikel 6.8
Vervallen
Artikel 6.9
Vervallen
Artikel 6.10
Vervallen
§ 4.1. Algemene regels
Artikel 6.11
Vervallen
Artikel 6.12
Vervallen
Artikel 6.13
Vervallen
§ 4.2. Activiteiten van ondergeschikt belang
Artikel 6.14
Vervallen
Artikel 6.15
Vervallen
§ 5. Het brengen en onttrekken van water aan oppervlaktewaterlichamen
Artikel 6.16
Vervallen
Artikel 6.17
Vervallen
§ 4a. Windparken op zee
Artikel 6.18
Vervallen
Artikel 6.19
Vervallen
Artikel 6.20
Vervallen
Artikel 6.21
Vervallen
Artikel 6.22
Vervallen
Artikel 6.23
Vervallen
Artikel 6.24
Vervallen
Artikel 6.25
Vervallen
Artikel 6.26
Vervallen
Artikel 6.27
Vervallen
Artikel 6.28
Vervallen
Artikel 6.29
Vervallen
Artikel 6.30
Vervallen
Hoofdstuk 7. Verontreinigingsheffing
Artikel 7.1
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
- aantoonbaarheidsgrens: laagste concentratie van de component in het monster waarvan de aanwezigheid nog met een bepaalde betrouwbaarheid kan worden vastgesteld;
- debiet: hoeveelheid geloosd afvalwater gedurende het etmaal; momentaan debiet: hoeveelheid geloosd afvalwater gedurende een moment van meting; etmaal: aaneengesloten periode van 24 uur waarover een etmaalverzamelmonster wordt samengesteld;
- kalibreren: bepalen van de waarde van de afwijkingen ten opzichte van een van toepassing zijnde standaard;
- droog kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij een doorstroming van een hoeveelheid water door de debietmeter wordt gesimuleerd;
- nat kalibreren: kalibreren van een debietmeter waarbij daadwerkelijk een nauwkeurig bekende hoeveelheid vloeistof door de debietmeter wordt geleid;
- gesloten meetsysteem: meetsysteem dat het debiet meet in een gesloten leiding of in een gesloten drukleiding, waarbij het afvalwater niet in contact staat met de buitenlucht;
- open meetsysteem: meetsysteem waarbij het oppervlak van het stromende afvalwater in contact staat met de buitenlucht.
Artikel 7.2
Het aantal vervuilingseenheden met betrekking tot het zuurstofverbruik, VeO, wordt berekend door de som van het aantal gedurende elk etmaal van het heffingsjaar afgevoerde hoeveelheden zuurstofverbruik, uitgedrukt in kilogrammen, te delen door 54,8 kilogram.
De gedurende een etmaal geloosde hoeveelheid zuurstofverbruik, uitgedrukt in kilogrammen, wordt berekend volgens de formule:
| (Q × (3 × TOC + 4,57 × (TNb – TON)) | [kg/etm] |
|---|---|
| 1000 | [kg/etm] |
waarbij:
Q: afvalwaterhoeveelheid (m3/d)
TOC: totaal organisch koolstof (mg/l)
TNb: totaal gebonden stikstof (mg/l)
TON: totaal oxideerbare stikstof (mg/l) = (NO2+NO3)
NO2: nitriet stikstof (mg/l)
NO3: nitraat stikstof (mg/l)
Indien het zuurstofverbruik, zoals berekend volgens het tweede lid, voor tenminste 25% afkomstig is van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen in het afvalwater, wordt op die waarde een correctie toegepast door deze te vermenigvuldigen met de correctiefactor f:
| f = | (100 – T) | |
|---|---|---|
| f = | 75 |
waarbij:
f = correctiefactor
T = het percentage van het zuurstofverbruik, zoals berekend volgens het tweede lid, dat afkomstig is van biologisch niet of nagenoeg niet afbreekbare stoffen.
T wordt berekend bij:
- a. het lozen in een oppervlaktewaterlichaam van zuurstofbindende stoffen, vanuit een inrichting, in gebruik bij een provincie, een gemeente, een waterschap of een ander openbaar lichaam of het brengen van zuurstofbindende stoffen met biochemisch zuurstofverbruik van niet meer dan 20 mg/l vanuit een bedrijfsruimte met behulp van de methode van het biochemisch zuurstofverbruik na vijf dagen, volgens de in artikel 7.15 vermelde analysevoorschriften, in mg/l;
- b. het lozen in een oppervlaktewaterlichaam van zuurstofbindende stoffen in andere dan de onder a bedoelde gevallen met behulp van een andere toereikende bepalingsmethode.
Voor het bepalen van de correctie, bedoeld in het derde lid, wordt door de heffingplichtige een aanvraag ingediend. De aanvraag bevat in ieder geval:
- a. een omschrijving van de afvalwaterstromen waarvoor de correctie wordt aangevraagd;
- b. de wijze en frequentie van meten, bemonsteren en analyseren;
- c. het type, aantal en te volgen methodieken van de uit te voeren toxiciteitstesten en biodegradatieonderzoeken.
De heffingsambtenaar beslist op de aanvraag, bedoeld in het vierde lid, bij voor bezwaar vatbare beschikking waaraan voorschriften kunnen worden verbonden. Daarbij kan het in ieder geval gaan om voorschriften over de frequentie van meten, bemonsteren en analyseren.
Artikel 7.3
Vervallen
Artikel 7.4
Voor de berekening van de frequentie van meting, bemonstering en analyse, bedoeld in artikel 7.5, eerste en tweede lid, van de Waterwet wordt gebruik gemaakt van de volgende formule:
waarbij:
n = het berekende aantal meetdagen
tso = toelaatbare statische onnauwkeurigheid =
35/e ^0,000175*VeO, waarbij VeO = vervuilingswaarde met betrekking tot het zuurstofverbruik in een jaar van de in de oppervlaktelichamen geloosde stoffen.
N = het aantal dagen per jaar dat stoffen in oppervlaktewaterlichamen worden geloosd;
σ = spreidingspercentage in de meetwaarden, uitgedrukt ten opzichte van het gemiddelde van de hoeveelheden zuurstofverbruik van de geloosde stoffen in de etmalen waarop gedurende het heffingsjaar onderzoek heeft plaatsgehad.
Artikel 7.5
De meting, bemonstering en analyse, bedoeld in artikel 7.5, eerste lid, van de Waterwet geschiedt zodanig dat:
- a. de gemeten hoeveelheid afvalwater niet meer dan 5% afwijkt van de werkelijke hoeveelheid afvalwater;
- b. het verkregen monster representatief is voor de totale hoeveelheid afvalstoffen die gedurende de bemonsteringsperiode in oppervlaktewaterlichamen wordt geloosd;
- c. de in deze regeling opgenomen voorschriften of de door de heffingsambtenaar gestelde voorschriften in acht genomen worden.
De heffingsambtenaar:
- a. kan, voor zover noodzakelijk ter voldoening aan het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b, ambtshalve bepalen dat debietmeting en bemonstering geschieden in afwijking van één of meer van de in deze regeling opgenomen voorschriften en kan daaromtrent nadere voorschriften geven;
- b. beslist op aanvraag van de heffingplichtige, die aannemelijk maakt dat daardoor voldaan wordt aan het bepaalde in het eerste lid, onderdelen a en b, en de uitkomsten van de analyse daardoor niet worden beïnvloed, dat van één of meer van de in deze regeling opgenomen voorschriften kan worden afgeweken en kan daaromtrent nadere voorschriften geven.
De beslissing van de heffingsambtenaar, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, bevat in elk geval:
- a. de voorschriften uit deze regeling waarvan wordt afgeweken;
- b. de voorgeschreven afwijkingen van de in deze regeling opgenomen voorschriften;
- c. nadere voorschriften van de heffingsambtenaar.
De beslissing van de heffingsambtenaar op een aanvraag als bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, bevat in elk geval:
- a. de voorschriften van deze regeling waarvan mag worden afgeweken;
- b. de toegestane afwijkingen van de in deze regeling opgenomen voorschriften;
- c. nadere voorschriften van de heffingsambtenaar.
De heffingsambtenaar kan twee of meer van de op basis van het tweede lid genomen besluiten, die betrekking hebben op hetzelfde bedrijf of hetzelfde bedrijfsonderdeel, in één geschrift verenigen.
In zijn besluit geeft de heffingsambtenaar in ieder geval voorschriften met betrekking tot:
- a. de afvalwaterstromen en de stoffen waarop het besluit betrekking heeft;
- b. het aantal in het heffingsjaar gelegen, daartoe aangewezen tijdvakken waarin meting, bemonstering en analyse dienen te geschieden, hetzij ieder etmaal van dat aantal tijdvakken, hetzij een of meer daartoe aangewezen etmalen daarvan;
- c. de wijze waarop de op de voet van de onderdelen a en b verkregen uitkomsten worden herleid tot het aantal vervuilingseenheden over een aldaar bedoeld tijdvak, onderscheidenlijk over het heffingsjaar;
- d. het heffingsjaar of de heffingsjaren, ten aanzien waarvan dat besluit van toepassing is.
De heffingsambtenaar kan bij veranderingen of te verwachten veranderingen in de hoeveelheid of hoedanigheid van de stoffen, die vanuit een bedrijf of een bedrijfsonderdeel in oppervlaktewaterlichamen worden geloosd:
- a. de besluiten, bedoeld in het tweede en zesde lid, wijzigen of intrekken, in verband met het bepaalde in het eerste lid;
- b. het besluit, bedoeld in het tweede en zesde lid, wijzigen indien toepassing van het berekeningsvoorschrift uit artikel 7.4 leidt tot een ander aantal etmalen, bedoeld het zesde lid, onderdeel b, dan in dat besluit is opgenomen.
Artikel 7.6
De debietmeet- en bemonsteringsvoorzieningen:
- a. verkeren in een goede staat;
- b. zijn overeenkomstig de voorschriften van de leverancier geïnstalleerd en onderhouden;
- c. worden regelmatig schoongemaakt, en
- d. zijn altijd veilig toegankelijk.
De bemonsteringsvoorzieningen zijn ondergebracht in een afsluitbare ruimte of kast.
De heffingplichtige brengt de wijze van debietmeting en bemonstering met een beschrijving van de daarvoor te gebruiken apparatuur, voor aanvang van het heffingsjaar, ter kennis aan de heffingsambtenaar.
Artikel 7.7
Het debiet wordt in de afvalwaterstroom gemeten.
In afwijking van het eerste lid kan het debiet worden bepaald op basis van meting van de hoeveelheid water in het watertoevoersysteem van het bedrijf of van de bedrijfsonderdelen. De per etmaal geloosde hoeveelheid afvalwater is niet groter dan de in dezelfde periode toegevoerde hoeveelheid water.
Artikel 7.8
Bij open meetsystemen wordt een meetput of een meetgoot toegepast.
Bij toepassing van een meetput geldt dat:
- a. momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van minder dan 0,05 meter, gesommeerd minder bedragen dan 5% van het gemeten debiet;
- b. momentane debieten in het etmaal, gemeten bij overstorthoogten van minder dan 0,125 meter, gesommeerd minder bedragen dan 10% van het gemeten debiet.
Bij toepassing van een meetgoot bedragen de momentane debieten in het etmaal, van minder dan 16,4% van het maximaal mogelijk momentane debiet, gesommeerd, minder dan 10% van het gemeten debiet.
De apparatuur voor de hoogtemeting wordt ten minste éénmaal per jaar bij overstorthoogten van 5, 10, 15, 20 en 25 centimeter droog gekalibreerd.
In het kalibratierapport wordt voor elke overstorthoogte een vergelijking gemaakt tussen de gemeten hoeveelheid afvalwater gedurende de periode van het kalibreren, en de bij de desbetreffende overstorthoogte met behulp van de afvoerrelatie van de meetvoorziening berekende hoeveelheid afvalwater over de periode van het kalibreren. Zowel het absolute als het procentuele verschil wordt hierbij aangegeven.
Bij ultrasone hoogtemeting wordt ook de temperatuurmeting en de temperatuurcorrectie gecontroleerd en gecorrigeerd bij afwijking.
Artikel 7.9
De momentane debieten in het etmaal, van minder dan 10% van het maximaal mogelijk momentaan debiet, bedragen gesommeerd minder dan 5% van het gemeten debiet.
Meetapparatuur voor debietmetingen in gesloten meetsystemen wordt ten minste éénmaal per jaar droog gekalibreerd.
Het droog kalibreren bestaat minimaal uit:
- a. het controleren van de meetversterker en het registeren en corrigeren van afwijkingen waarbij de meetversterker wordt gecontroleerd op lineariteit, versterkingsfactor en nulpuntsinstelling, en
- b. het uitbouwen van de flowmeter en het controleren van de binnenkant van de meetbuis op vervuiling waarbij de in de meetbuis aanwezige vervuiling wordt verwijderd.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.