Regeling van de Minister voor Jeugd en Gezin van 17 december 2009, nr. JZ/LJ-2977004, houdende vaststelling van regels voor de rechtstreekse subsidiëring van het huisvesten, verzorgen en opvoeden van kinderen of pleegkinderen van binnenschippers, kermisexploitanten en circusartiesten (Subsidieregeling opvang kinderen van ouders met trekkend/varend bestaan)

Type Ministeriële regeling
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Gelet op de artikelen 3, 5 en 7 van de Kaderwet VWS-subsidies;

Besluit:

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1
1.

In deze regeling wordt verstaan onder:

2.

De minister kan voor de toepassing van deze regeling een persoon die in vergelijkbare omstandigheden verkeert, gelijk stellen met een binnenschipper, kermisexploitant of circusexploitant.

Artikel 2

De artikelen 8.2, eerste lid, en 10.1, eerste lid, van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS zijn niet van toepassing op een instellingssubsidie.

Artikel 3
1.

Een instellingssubsidie wordt uitsluitend verstrekt ten behoeve van een kind:

2.

In afwijking van het eerste lid,onderdeel a, wordt de subsidie bij wijze van uitzondering ook verstrekt ten behoeve van een kind waarvan de ouders vóór 1 januari 2010 in Nederland woonachtig zijn, maar buitenlands belastingplichtig zijn.

3.

In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt de subsidie bij wijze van uitzondering ook verstrekt ten behoeve van een kind voor wie:

3.

De subsidieontvanger meldt de plaatsing van een kind als bedoeld in het tweede lid aan de minister.

Paragraaf 2. Instellingssubsidie

Artikel 4

De minister kan aan een exploitant een instellingssubsidie verstrekken:

Artikel 5
1.

Bij de verlening van de instellingssubsidie wordt het bedrag van de instellingssubsidie ten behoeve van het kalenderjaar 2026 berekend met de formule Σ(A x B)n+Σ(A x C)n+(D x E) – F, waarbij wordt verstaan onder de letter:

2.

Indien een internaat bestaat uit een samenstel van gebouwen en deze gebouwen onder meer dan één categorie vallen, zoals omschreven in het eerste lid, letter B, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van het gebouw waarin het kind overnacht.

3.

Indien een exploitant voor de eerste maal een instellingssubsidie aanvraagt, wordt de subsidie eenmalig verstrekt voor het tijdvak van 1 september tot en met 31 december van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft. De subsidie wordt alsdan overeenkomstig het eerste lid berekend met dien verstande dat voor de berekening onder de letters A, C en D van de in aanhef van het eerste lid vermelde formule het aantal kinderen wordt verstaan dat hij voornemens is in een internaat dan wel pleeggezin te huisvesten, verzorgen en opvoeden. De subsidie wordt voorts naar evenredigheid berekend voor vier maanden.

Paragraaf 3. Aanvraag

Artikel 6

Voor de aanvraag van een instellingssubsidie wordt een door de minister vastgesteld formulier gebruikt.

Artikel 7

De aanvraag van een instellingssubsidie bevat een opgave van het aantal kinderen, genoemd in artikel 5, eerste lid onder de letters A en D. Deze opgave gaat vergezeld van een assurancerapport van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek overeenkomstig een door de minister vastgesteld modelassurancerapport met inachtneming van een door de minister vastgesteld accountantsprotocol.

Artikel 8
1.

De aanvraag van een instellingssubsidie wordt ingediend voor 1 november van het kalenderjaar voorafgaand aan het boekjaar waarvoor de instellingssubsidie wordt aangevraagd.

2.

Indien een exploitant voor de eerste maal een aanvraag om instellingssubsidie indient, wordt de aanvraag ingediend vóór 1 juli van enig kalenderjaar. Bij de aanvraag wordt opgave gedaan van het aantal kinderen dat hij voornemens is in een internaat dan wel pleeggezin te huisvesten, verzorgen en opvoeden. Artikel 7 is op een dergelijke aanvraag niet van toepassing.

Paragraaf 4. Subsidieverplichtingen

Artikel 9
1.

De exploitant komt schriftelijk met de binnenschipper, kermisexploitant of circusartiest overeen dat ten behoeve van de huisvesting, verzorging en opvoeding van diens kind in het internaat een ouderbijdrage is verschuldigd aan de exploitant.

2.

De ouderbijdrage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt voor het boekjaar 2026:

Artikel 10
1.

De exploitant komt schriftelijk met de binnenschipper, kermisexploitant of circusartiest overeen dat ten behoeve van de huisvesting, verzorging en opvoeding van diens kind in het pleeggezin een ouderbijdrage is verschuldigd aan de exploitant.

2.

De ouderbijdrage, bedoeld in het eerste lid, bedraagt voor het boekjaar 2026:

Artikel 11

Het belastbare inkomen, bedoeld in de artikelen 9, tweede lid, en 10, tweede lid, is het belastbare inkomen dat is vermeld op de belastingaanslag over het tweede jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor de instellingssubsidie wordt verstrekt.

Artikel 12

De ouderbijdrage, bedoeld in de artikelen 9 en 10, is verschuldigd naar evenredigheid van het aantal schoolweken van het jaar dat het kind is geplaatst in een internaat of een pleeggezin.

Artikel 13

De exploitant int de ouderbijdrage, bedoeld in de artikelen 9 en 10.

Artikel 14
1.

De exploitant draagt er aantoonbaar zorg voor dat de huisvesting, verzorging en opvoeding van verantwoorde kwaliteit is en dat daartoe waarborgen worden getroffen die onder meer betrekking hebben op de medezeggenschap van zijn cliënten, op het behandelen van klachten van zijn cliënten, op de personele en materiële voorzieningen en op de systematische bewaking van de kwaliteit.

2.

Ter uitvoering van het eerste lid vergewist de exploitant zich ervan dat de personen die werkzaam zijn voor de huisvesting, verzorging en opvoeding in het bezit zijn van een voldoende recente verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

Artikel 15
1.

De exploitant doet binnen dertien weken na afloop van het boekjaar verslag over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de verplichtingen die zijn opgenomen in artikel 14.

2.

Het verslag, bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan overeenkomstig een door de minister vastgesteld model.

3.

De exploitant zendt het verslag aan de minister en in afschrift aan de inspectie jeugdzorg, bedoeld in artikel 9.1 van de Jeugdwet.

Artikel 16

Met het toezicht op de naleving van de artikelen 14 en 15 zijn belast de ambtenaren van de inspectie jeugdzorg, bedoeld in artikel 9.1 van de Jeugdwet.

Artikel 17

Vervallen

Artikel 18
1.

De vergoeding die de instelling betaalt aan een organisatie die zich de ondersteuning van één of meer gesubsidieerde instellingen ten doel stelt, voor door die organisatie aan de instelling ter beschikking gestelde goederen, is niet hoger dan het bedrag dat op grond van de verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs verminderd met de ontvangen investeringssubsidies en bestemmingsgiften berekend wordt, rekening houdend met de geldende afschrijvingspercentages.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.