Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 15 december 2009, nr. 3086451, houdende vaststelling van Aanwijzingen voor subsidieverstrekking

Type Ministeriële regeling
Publication 2012-07-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Handelende in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad,

Besluit:

Artikel 1

Vastgesteld worden de als bijlage bij deze regeling gevoegde Aanwijzingen voor subsidieverstrekking.

Artikel 2

Deze regeling is niet van toepassing op:

Artikel 3

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2010.

Bijlage

Aanwijzingen voor subsidieverstrekking

Hoofdstuk 1. Toepassingsbereik en begrippen

Aanwijzing 1. Toepassingsbereik: subsidieverstrekking door het Rijk

Toelichting:

Deze aanwijzingen vloeien voort uit het uniforme kader voor een eenvoudiger uitvoering en beheer van subsidies (Kamerstukken II 2008/09, 31 865, nr. 5).

Aangezien de aanwijzingen betrekking hebben op ‘het verstrekken van subsidies’, hebben deze betekenis zowel voor de regelingen op grond waarvan de subsidies worden verstrekt (en voor de daarop gebaseerde beschikkingen), als voor het financieel beheer en de uitvoering van verstrekte subsidies. Onder ‘regelingen’ vallen in dit kader, conform de betekenis die daaraan wordt toegekend op grond van de Aanwijzingen voor de regelgeving1Regeling van de minister-president, Minister van Algemene Zaken, van 18 november 1992, nr. 92M008337, houdende vaststelling van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Stcrt. 1992, 230), laatstelijk gewijzigd bij Regeling van de Minister-President, Minister van Algemene Zaken, van 21 augustus 2008, nr. 068336, houdende vaststelling van de achtste wijziging Aanwijzingen voor de regelgeving, zoals opnieuw integraal gepubliceerd in Staatscourant 22 september 2008, nr. 183, pag. 2. , niet alleen alle algemeen verbindende voorschriften inzake subsidieverstrekking (wetten, algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen), maar eveneens beleidsregels en interne regels die betrekking hebben op subsidieverstrekking. Daarnaast gelden de aanwijzingen voor de totstandkoming en de inhoud van afzonderlijke subsidiebeschikkingen in geval een wettelijk voorschrift inzake het verstrekken van de subsidie ontbreekt. Als voorbeeld kunnen genoemd worden subsidies die worden verstrekt in afwachting van een wettelijk voorschrift (zie artikel 4:23, derde lid, onder a, Algemene wet bestuursrecht, hierna: Awb) en zogeheten ‘incidentele’ subsidies (zie artikel 4:23, derde lid, onder d, Awb). Tot slot hebben de aanwijzingen ook betekenis voor de uitvoeringspraktijk inzake en het financieel beheer van subsidieverstrekking, o.a. op het terrein van het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik.

Door de beperking tot subsidies die onder ministeriële verantwoordelijkheid worden verstrekt, met andere woorden subsidies van de centrale overheid (de rijkssubsidies), geldt de verplichting tot het volgen van deze aanwijzingen niet voor de subsidies van de decentrale overheden en zelfstandige bestuursorganen. Zie echter ook de aanwijzingen 2 en 3.

Om zo helder mogelijk aan te geven in hoeverre de aanwijzingen voor subsidieverstrekking dienen te worden toegepast in relatie tot de in artikel 4:21, tweede, derde en vierde lid, Awb opgenomen bepalingen inzake het niet dan wel van overeenkomstige toepassing zijn van de subsidietitel van de Awb op bepaalde subsidies, is gekozen voor zelfstandig uitgeschreven bepalingen in plaats van verwijzingen naar de in genoemd artikel van de Awb opgenomen bepalingen ter zake. Met betrekking tot de in onderdeel a genoemde aanspraken of verplichtingen ingevolge de belastingwetten, de Wet financiering sociale verzekeringen en de Zorgverzekeringswet is bepaald dat deze niet onder de reikwijdte van deze aanwijzingen vallen. Wat betreft de in onderdeel b genoemde uitkeringen op grond van een wettelijk voorschrift dat voorziet in verstrekking aan publiekrechtelijke rechtspersonen (zogenoemde specifieke uitkeringen), geldt eveneens dat deze aanwijzingen daarop niet van toepassing zijn. Met betrekking tot de bekostiging van het onderwijs en onderzoek geldt op grond van onderdeel c dat de aanwijzingen niet van toepassing zijn op de reguliere bekostiging van onderwijs en onderzoek op grond van de onderwijswetgeving. Aanvullende subsidies voor specifiek omschreven doelen die naast de reguliere bekostiging worden toegekend aan onderwijs- en onderzoeksinstellingen, vallen wel onder de reikwijdte van de aanwijzingen.

Aanwijzing 2. Toepassing op subsidieverstrekking door zelfstandige bestuursorganen

Deze aanwijzingen zijn van toepassing op subsidieverstrekking door een zelfstandig bestuursorgaan, indien de minister wie dat aangaat dat op grond van een wettelijke bevoegdheid heeft bepaald.

Toelichting:

Als zelfstandige bestuursorganen subsidies verstrekken op grond van een aan hen opgedragen taak of toegekende bevoegdheid van de rijksoverheid, zijn de aanwijzingen ook van toepassing op subsidieverstrekking door die bestuursorganen indien de betreffende minister dat heeft voorgeschreven op grond van een hem toekomende wettelijke bevoegdheid. Daar waar momenteel een dergelijk voorschrift en/of de wettelijke bevoegdheid daartoe ontbreekt, zal daarin in principe alsnog worden voorzien. Overigens wordt opgemerkt dat ook indien een verplichte toepassing voor een zelfstandig bestuursorgaan nog niet geldt, het uit een oogpunt van uniformiteit en vereenvoudiging aanbeveling verdient om deze aanwijzingen na te leven. Zie ook aanwijzing 3.

Aanwijzing 3. Normadressaten

Deze aanwijzingen worden in acht genomen door de ministers en staatssecretarissen en de onder hen ressorterende dienstonderdelen en personen die bij de voorbereiding, vaststelling en uitvoering van subsidieverstrekking zijn betrokken, alsmede door de zelfstandige bestuursorganen en de daaronder ressorterende personen die bij de voorbereiding, vaststelling en uitvoering van subsidieverstrekking zijn betrokken ten aanzien van wie de minister wie dat aangaat dat op grond van een wettelijke bevoegdheid heeft bepaald.

Toelichting:

Deze aanwijzingen kunnen andere participanten in het proces van totstandkoming en verstrekken van subsidies (zoals decentrale overheden, adviescolleges, zelfstandige bestuursorganen die geen voorschrift inzake het naleven van deze aanwijzingen van de minister hebben, organen van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie en ook de Tweede Kamer) niet binden. De lasten van subsidies worden echter niet alleen veroorzaakt door het Rijk, maar ook door medeoverheden. Toepassing van het subsidiekader op alle subsidies, dus ook op die van de medeoverheden kan mogelijk tot aanzienlijke extra lastenbesparingen leiden vanwege de grote aantallen subsidieverleningen. Daarom verdient het aanbeveling dat ook die participanten met de aanwijzingen rekening houden. Daarbij wordt er op gewezen dat overleg met decentrale overheden over een gezamenlijke aanpak bij de vereenvoudiging van subsidieverstrekking door de centrale overheid en van decentrale overheden nuttig kan zijn. Inmiddels heeft overleg met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) er al toe geleid dat een model Algemene subsidieverordening is ontwikkeld, gebaseerd op het rijksbrede uniform subsidiekader.

Aanwijzing 4. Europese subsidies

Ten aanzien van subsidies die worden verstrekt

zijn deze aanwijzingen van toepassing voor zover zij niet strijdig zijn met de voor de bedoelde subsidies geldende Europese voorschriften.

Toelichting:

Bij subsidies vanuit Europese fondsen zullen de daarvoor geldende Europese voorschriften moeten worden nageleefd. Uiteraard moet dan worden uitgegaan van de voorschriften die voor de subsidie en met name inzake de verantwoording door de subsidieontvanger, zijn opgesteld door de Europese instantie die de gelden (mede) ter beschikking heeft gesteld. Voor zover geen van de aanwijzingen afwijkende Europese voorschriften gelden en de aanwijzingen dus zonder conflict met en aanvullend op Europese voorschriften kunnen worden toegepast, dient dat ook te gebeuren.

Aanwijzing 5. Subsidies waarbij sprake is van staatssteun

Ten aanzien van subsidies die als staatssteun als bedoeld in artikel 87 EG-Verdrag zijn aan te merken, zijn deze aanwijzingen van toepassing voor zover zij niet strijdig zijn met Europeesrechtelijke regels.

Toelichting:

In gevallen waarin sprake is van een subsidie die is aan te merken als staatssteun zijn er drie wegen om de subsidie toch met inachtneming van de Europeesrechtelijke verplichtingen te kunnen verlenen. De subsidie kan ten eerste worden gemeld aan Brussel met verzoek om deze aan te merken als goedgekeurde staatssteun. De andere twee mogelijkheden zijn het verstrekken van de subsidie met inachtneming van hetzij een vrijstellingsverordening of -beschikking hetzij een de-minimisverordening (zie ook aanwijzing 11). Uiteraard zal dan de vormgeving van de subsidie zodanig moeten zijn dat deze in overeenstemming is met de ter zake geldende Europese voorschriften. Onder omstandigheden zou het volgen van een of meer aanwijzingen in de weg kunnen staan aan het verkrijgen van goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor die staatssteun, dan wel aan het verstrekken van die staatssteun met toepassing van een vrijstellingsverordening of -beschikking of een de-minimisverordening. Alsdan blijft toepassing van dergelijke aanwijzingen achterwege zodat de subsidie in overeenstemming met de Europese vereisten verstrekt kan worden.

Aanwijzing 6. Afwijking

Afwijking van deze aanwijzingen is slechts toegestaan, indien in overleg met de Minister van Financiën wordt vastgesteld dat onverkorte toepassing daarvan uit een oogpunt van goede regelgeving of goed bestuur niet tot aanvaardbare resultaten zou leiden. Indien het overleg niet tot overeenstemming leidt, legt de eerstverantwoordelijke bewindspersoon dit voor aan de ministerraad. Na bespreking in de ministerraad neemt de eerstverantwoordelijke bewindspersoon een beslissing met inachtneming van het gevoelen van de ministerraad.

Toelichting:

De aanwijzingen hebben voor de in aanwijzing 3 genoemde personen en diensten bindende kracht. Er kunnen zich echter uitzonderlijke gevallen voordoen waarin toepassing van een aanwijzing uit een oogpunt van goede regelgeving of goed bestuur niet tot aanvaardbare resultaten leidt. Daartoe is in de onderhavige aanwijzing een geclausuleerde afwijkingsmogelijkheid opgenomen.

De Minister van Financiën heeft, als verantwoordelijke voor het rijksbrede uniforme subsidiekader, de taak om erop toe te zien dat van deze mogelijkheid zeer terughoudend en gemotiveerd gebruik wordt gemaakt. Voor zelfstandige bestuursorganen waarvoor de betrokken minister op grond van een wettelijke bevoegdheid heeft bepaald dat deze aanwijzingen ook door hen dienen te worden nageleefd, geldt dat over een eventuele afwijking eerst wordt overlegd met de desbetreffende bewindspersoon en dat vervolgens door deze laatste zonodig wordt overlegd met de minister van Financiën.

Indien in het overleg met de Minister van Financiën over de noodzaak tot afwijking verschil van inzicht bestaat, wordt dit besproken in de ministerraad, waarna de desbetreffende bewindspersoon een beslissing neemt met inachtneming van het gevoelen van de ministerraad. Afwijkingen zullen overigens centraal worden verzameld, zodat bij de toekomstige evaluatie van de werking van de aanwijzingen een overzicht beschikbaar is.

Een afwijking van de aanwijzingen waarmee de Minister van Financiën kan instemmen, geldt de uitzondering op de ingevolge aanwijzing 11 verplichte toepassing van een de minimisverordening bij als staatsteun te kwalificeren subsidies aan visserij- en primaire landbouwondernemingen. Gelet op het lage steunplafond dat voor aan dergelijke ondernemingen verstrekte subsidies wordt gehanteerd (€ 30 000 respectievelijk € 7 500 in plaats van het algemene plafond van € 200 000), wordt voor dergelijke subsidies, indien de aanvrager van de subsidie dat verzoekt, niet de eis gesteld dat deze met toepassing van de minimisverordeningen worden verleend.

Hoofdstuk 1a. Beperking duur subsidieregelingen

Aanwijzing 6a. Vervaldatum subsidieregelingen

Toelichting:

De aanwijzing inzake de beperking van de duur van een subsidieregeling geldt alleen voor algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen die rechtstreeks de basis vormen voor de bevoegdheid van de vakminister een concrete subsidiebeschikking te nemen (eerste lid). Op grond van de reikwijdte van het begrip "subsidie" in aanwijzing 1 (subsidies door of namens een minister waarop ingevolge de Algemene wet bestuursrecht titel 4.2 van die wet van toepassing is) vallen o.a. regelingen inzake bekostiging van onderwijs en onderzoek, bekostiging van rechtspersonen die naar publiekrecht zijn ingesteld, en toeslagen, hier niet onder. Verder vallen de algemene regelingen (Kaderwetten en andere regelingen met uitsluitend voorschriften van procedurele aard) hier niet onder. Evenmin vallen hieronder subsidies die niet op een regeling zijn gebaseerd. Onder deze categorieën vallen bijvoorbeeld individuele subsidies die het karakter hebben van bekostiging van een instelling evenals de ingevolge de Awb in de begroting vermelde subsidies en incidentele subsidies.

Een subsidieregeling dient voorzien te zijn van een datum waarop de regeling eindigt en deze datum dient te liggen vóór het tijdstip waarop na inwerkingtreding van de regeling vijf jaren zijn verlopen (tweede lid).

Indien de inhoud van een nieuwe regeling in belangrijke mate overeenkomt met de inhoud van een vervallen regeling en er dus in wezen voortzetting van de vervallen regeling plaatsvindt wordt een ontwerp van deze regeling aan de Tweede Kamer overlegd. In dat ontwerp wordt gemotiveerd waarom een nieuwe regeling met in belangrijke mate dezelfde inhoud nodig is (derde lid).

Ook is het mogelijk om een subsidieregeling te verlengen voordat deze vervalt, maar ook dan vindt overlegging van een ontwerp van de wijzigingsregeling aan Tweede Kamer plaats voordat tot vaststelling wordt overgegaan. Ook hier wordt in de toelichting op de regeling gemotiveerd waarom verlenging nodig wordt geacht (vierde lid).

Tot slot is het mogelijk om een subsidieregeling al bij de totstandkoming te voorzien van een langere geldingsduur, met daarbij uiteraard een motivering waarom die langere geldingsduur nodig is. Ook een dergelijke regeling wordt echter niet vastgesteld dan nadat de Kamer de gelegenheid heeft gehad zich hierover uit te spreken (vijfde lid).

Indien vanuit de Kamer niet binnen vier weken wordt gereageerd op het overgelegde voorstel kan de vakminister overgaan tot het uitvoeren van zijn voornemen via het doorlopen van de noodzakelijke procedure voor het tot stand brengen van (een aanpassing van) de regeling.

Indien vanuit de Kamer behoefte bestaat aan overleg over het overgelegde ontwerp van een regeling, zal de vakminister niet overgaan tot het uitvoeren van zijn voornemen via de daarvoor gebruikelijke procedure dan nadat dit overleg heeft plaatsgevonden.

Hoofdstuk 2. Voorschriften voor subsidieverstrekking tot € 25 000

Bij het verstrekken van een subsidie als bedoeld in aanwijzing 7, tweede lid, onder b, wordt aan de subsidie de verplichting voor de subsidieontvanger verbonden om:

Toelichting:

Kenmerkend voor subsidies van minder dan € 25 000 is dat een vast bedrag (lump sum) wordt verstrekt en dat de subsidieontvanger achteraf in beginsel geen verantwoording hoeft af te leggen aan de subsidieverstrekker (zie aanwijzing 9, onderdeel b).

Het bedrag van € 25 000 moet worden gerelateerd aan de subsidiebeschikking (de direct gegeven vaststellingsbeschikking dan wel de verleningsbeschikking). Indien een beschikking voorziet in vier jaarlijkse betalingen van € 20 000, dan bedraagt de subsidie € 80 000 en is toepassing van aanwijzing 7 daarop niet verplicht. Wordt er echter gedurende vier jaar elk jaar een afzonderlijke beschikking gegeven van € 20 000, dan is toepassing van aanwijzing 7 wel verplicht.

Een subsidie kan worden verstrekt na afloop van of voorafgaand aan de subsidiabele activiteiten. Indien de subsidie na afloop van de subsidiabele activiteiten worden verstrekt moet rekening gehouden worden met het stimulerend effect van de subsidieregeling. In verband met subsidies waarop EU-regelgeving van toepassing is van belang te vermelden dat op grond van Europese jurisprudentie slechts sprake is van een stimulerend effect indien er vooraf contact is geweest tussen subsidieontvanger en subsidieverlener en er volledige zekerheid bij de subsidieontvanger bestaat dat ze de subsidie daadwerkelijk achteraf zal ontvangen. Dan kan onderdeel a worden toegepast en worden de bewijsstukken van de activiteiten direct met de aanvraag meegestuurd. In dit geval kan ook gevraagd worden om opgave van het totaal van de kosten. Dit kan van belang zijn voor subsidies waarvoor maximaal toegestane EU-steunpercentages gelden die niet overschreden mogen worden.

Aanwijzing 9. Niet aan een subsidie te verbinden verplichtingen

Toelichting:

Uiteraard laten deze aanwijzingen onverlet, dat (ingevolge artikel 4:47 Awb) een ambtshalve beschikking ook rechtstreeks op een subsidieregeling (dus zonder dat daartoe een aanvraag hoeft te worden gedaan) kan berusten.

In het derde lid is voor alle duidelijkheid expliciet verwoord dat onder omstandigheden ook voor hogere subsidies dan die tot € 25 000 het meest eenvoudige arrangement kan worden toegepast. Het zal daarbij gaan om subsidies waarbij, gelet op de geringe risico’s (bij voorbeeld vanwege de bekendheid van of ervaring met de subsidieontvanger in het verleden), volstaan kan worden met een directe vaststelling van de subsidie dan wel met het verlenen, gevolgd door een ambtshalve vaststelling.

In het tweede lid wordt uitgesloten dat er bij subsidies tot € 25 000 tussentijdse voortgangsverslagen kunnen worden verlangd.

Aanwijzing 10. Uitsluiting van toepasselijkheid van afdeling 4.2.8 Awb

Bij het verstrekken van een subsidie lager dan € 25 000 wordt afdeling 4.2.8 van de Algemene wet bestuursrecht niet toegepast.

Toelichting:

Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat de meldingsplicht uiteraard niet geldt voor wijzigingen waarmee de subsidieverlener op verzoek van de ontvanger eerder heeft ingestemd.

Aanwijzing 11. Toepassing de-minimisverordeningen als sprake is van staatssteun

Aanwijzing 9. Niet aan een subsidie te verbinden verplichtingen

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.