Besluit van 4 februari 2010 tot vaststelling van de rechtspositie van de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de zittingsvoorzitters van de huurcommissie (Rechtspositiebesluit voorzitters huurcommissie 2010)

Type AMvB
Publication 2010-04-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 14 december 2009, nr. BJZ2009064960, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

Gelet op artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet en artikel 3b, vierde lid, van de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte;

De Raad van State gehoord (advies van 6 januari 2010, W08.09.0534/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister voor Wonen, Wijken en Integratie van 1 februari 2010, nr. BJZ2010002164, Directie Bestuurlijke en Juridische Zaken, uitgebracht na overleg met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 2. Benoeming en herbenoeming

Artikel 2
1.

In het kader van de selectie en de benoeming van de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of de zittingsvoorzitter kan een psychologisch onderzoek deel uitmaken van de procedure.

2.

Artikel 11 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement is van overeenkomstige toepassing op het psychologisch onderzoek, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3
1.

Onze Minister verstrekt aan de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of de zittingsvoorzitter het besluit tot zijn benoeming, waarin in ieder geval worden vermeld:

2.

Voor zover deze gegevens op hem betrekking hebben en niet reeds in het benoemingsbesluit zijn vermeld, worden aan de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of de zittingsvoorzitter zo spoedig mogelijk schriftelijk medegedeeld:

3.

Artikel 12c van het Algemeen Rijksambtenarenreglement is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat in dat artikel voor «aanstelling» wordt gelezen: benoeming.

Artikel 4
1.

Bij zijn benoeming legt de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of de zittingsvoorzitter de eed of de belofte af met gebruikmaking van het formulier dat is opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

2.

De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of de zittingsvoorzitter legt de eed of de belofte af ten overstaan van Onze Minister.

3.

Het formulier, bedoeld in het eerste lid, wordt na het afleggen van de eed of de belofte ondertekend door de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of de zittingsvoorzitter en Onze Minister.

4.

Het eerste lid is niet van toepassing op de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of de zittingsvoorzitter die wordt herbenoemd.

Artikel 5
1.

Uiterlijk negen maanden voor het verstrijken van de benoemingstermijn verzoekt Onze Minister de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of de zittingsvoorzitter schriftelijk aan te geven of hij voor herbenoeming in aanmerking wil komen.

2.

Uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de benoemingstermijn deelt Onze Minister de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of de zittingsvoorzitter schriftelijk mede of hij voor herbenoeming in aanmerking komt.

3.

Indien de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of de zittingsvoorzitter schriftelijk heeft aangegeven voor herbenoeming in aanmerking te willen komen en Onze Minister voornemens is hem niet te herbenoemen, stelt hij hem in de gelegenheid zienswijzen in te dienen.

4.

Indien de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of de zittingsvoorzitter niet wordt herbenoemd, wordt het ontslag geacht eervol te zijn verleend zodra zijn benoemingstermijn is verstreken.

Hoofdstuk 3. Arbeidsduur, werktijden, verhindering, vakantie en verlof

Artikel 6
1.

Bij benoeming in voltijd van de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of de zittingsvoorzitter bedraagt de arbeidsduur gemiddeld ten hoogste 36 uur per week.

2.

De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of de zittingsvoorzitter kan Onze Minister verzoeken de arbeidsduur te wijzigen, met dien verstande dat de arbeidsduur gemiddeld ten hoogste veertig uur per week bedraagt.

3.

De artikelen 21, met uitzondering van het eerste lid en het tweede lid, eerste, derde en vierde volzin, en artikel 21a van het Algemeen Rijksambtenarenreglement zijn van overeenkomstige toepassing op de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de zittingsvoorzitter.

Artikel 7

De voorzitter maakt zo spoedig mogelijk melding van de verhindering, anders dan wegens ziekte, bij Onze Minister, onder opgave van redenen. De plaatsvervangend voorzitter en de zittingsvoorzitter maken van de in de eerste volzin bedoelde verhindering melding bij de voorzitter.

Artikel 8

De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of de zittingsvoorzitter ontvangt over de tijd, gedurende welke hij in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn ambt te vervullen, geen bezoldiging.

Artikel 9

De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de zittingsvoorzitter hebben jaarlijks aanspraak op vakantie met behoud van hun volle bezoldiging. De artikelen 22, tweede tot en met zeventiende lid, 23 tot en met 26 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10

De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de zittingsvoorzitter hebben aanspraak op buitengewoon verlof van korte dan wel van lange duur overeenkomstig de artikelen 33 tot en met 34f van het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

Artikel 11

De Levensloopregeling rijkspersoneel en de Spaarloonregeling rijkspersoneel zijn van overeenkomstige toepassing op het sparen voor en het opnemen van levensloopverlof dan wel spaarloon door de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de zittingsvoorzitter.

Artikel 12

Hoofdstuk VI van het Algemeen Rijksambtenarenreglement is van overeenkomstige toepassing op de bedrijfsgeneeskundige begeleiding, rechten en verplichtingen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid van de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de zittingsvoorzitter.

Artikel 13

De melding van de ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte, bedoeld in artikel 36, derde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, wordt gedaan:

Hoofdstuk 4. Scholing, voortgang en beoordeling

Artikel 14

De artikelen 59 en 60 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement van zijn van overeenkomstige toepassing op scholing in het dienstbelang of in het persoonlijk belang van de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de zittingsvoorzitter, met dien verstande dat in artikel 60, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement voor «belang van de Rijksdienst» wordt gelezen: belang van de huurcommissie.

Artikel 15

De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter hebben eenmaal per jaar een voortgangsgesprek met Onze Minister.

Artikel 16
1.

De voorzitter houdt eenmaal per jaar een functioneringsgesprek met de zittingsvoorzitter, waarbij de onafhankelijkheid van de zittingsvoorzitter in acht wordt genomen.

2.

In het functioneringsgesprek wordt aandacht besteed aan het functioneren van de zittingsvoorzitter en de voortzetting van zijn loopbaan, waarbij aandacht kan worden besteed aan zijn persoonlijke ontwikkeling.

3.

In het kader van zijn persoonlijke ontwikkeling kan de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of de zittingsvoorzitter die het ambt ten minste drie jaar heeft vervuld op kosten van Onze Minister een loopbaanscan laten maken.

Artikel 17
1.

De voorzitter kan uit eigen beweging of op verzoek van de zittingsvoorzitter, met inachtneming van diens onafhankelijkheid, een beoordeling van het functioneren van die zittingsvoorzitter maken.

2.

Het Beoordelingsvoorschrift Burgerlijk Rijkspersoneel 1985 is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 5. Schorsing en ontslag

Artikel 18

Artikel 92 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement is van overeenkomstige toepassing op de schorsing van de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of de zittingsvoorzitter.

Artikel 19
1.

Het ontslag op eigen verzoek, bedoeld in artikel 12, tweede lid, van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, wordt niet eerder verleend dan een maand en niet later dan drie maanden na de dag waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.

2.

Van het eerste lid kan worden afgeweken:

3.

Het ontslag op verzoek van de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of de zittingsvoorzitter, het ontslag wegens ongeschiktheid tot het vervullen van het ambt wegens ziekte, het ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken en het ontslag wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 3e van de wet, wordt eervol verleend.

4.

Artikel 98, derde tot en met twaalfde lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement is van overeenkomstige toepassing op het ontslag van de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of de zittingsvoorzitter wegens ongeschiktheid tot het vervullen van het ambt wegens ziekte.

Artikel 20

Het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk is van overeenkomstige toepassing in geval van werkloosheid van de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of de zittingsvoorzitter.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 21

Wijzigt het Algemeen Rijksambtenarenreglement.

Artikel 22

Het Rechtspositiebesluit voorzitters huurcommissies wordt ingetrokken.

Artikel 23

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 24

Dit besluit wordt aangehaald als: Rechtspositiebesluit voorzitters huurcommissie 2010.

Bijlage als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van het Rechtspositiebesluit voorzitters huurcommissie 2010

Formulier voor het afleggen van de eed of belofte door de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter of de zittingsvoorzitter van de huurcommissie

Ik zweer/beloof dat ik trouw zal zijn aan de Koning, en dat ik de Grondwet en alle overige wetten zal onderhouden en nakomen.

Ik zweer/verklaar dat ik middellijk noch onmiddellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, tot het verkrijgen van een benoeming aan iemand iets heb gegeven of beloofd, noch zal geven of beloven.

Ik zweer/verklaar dat ik nimmer enige giften of geschenken hoegenaamd zal aannemen of ontvangen van enig persoon van wie ik weet of vermoed dat hij betrokken is of zal zijn bij enige aangelegenheid welke aanhangig is of zou kunnen worden bij de huurcommissie waarbij ik als voorzitter/plaatsvervangend voorzitter/zittingsvoorzitter betrokken zou kunnen zijn.

Ik zweer/beloof dat ik gegevens waarover ik bij de uitoefening van mijn ambt de beschikking krijg en waarvan ik het vertrouwelijke karakter ken of redelijkerwijs moet vermoeden, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift mij tot mededeling verplicht of uit mijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit, geheim zal houden.

Ik zweer/beloof dat ik mijn ambt met eerlijkheid, nauwgezetheid en onzijdigheid, zonder aanzien des persoons, zal uitoefenen en mij in deze uitoefening zal gedragen zoals een voorzitter/plaatsvervangend voorzitter/zittingsvoorzitter betaamt.

Zo waarlijk helpe mij God almachtig!/Dat verklaar en beloof ik!

Op ........................, werd te .....................

ten overstaan van (1) ..............................

door (2) .............................

de bovenvermelde eed/belofte afgelegd.

(1) .............................

(2) .............................

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.