Besluit van 8 maart 2010, houdende regels over het strafvorderlijk onderzoek naar besmetting met een ernstige besmettelijke ziekte en fylogenetisch onderzoek (Besluit bloedtest in strafzaken in geval van een ernstige besmettelijke ziekte)

Type AMvB
Publication 2020-04-24
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 15 december 2009, directie Wetgeving, nr. 5634096/09/6;

Gelet op de artikelen 151e, eerste en zesde lid, 151f, vierde en vijfde lid, 151h, derde en vierde lid, 151i, tweede en derde lid, en 177b, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering;

De Raad van State gehoord (advies van 18 februari 2010, nr. W03.09.0536/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 2 maart 2010, directie Wetgeving, nr. 5643491/10/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wijzigingswet Wetboek van Strafvordering (verplichte medewerking aan bloedtest in strafzaken) (Stb. 2009/475) in werking treedt.

§ 1. Begripsomschrijvingen

Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

§ 2. Aanwijzing ernstige besmettelijke ziekten

Artikel 2

Als ernstige besmettelijke ziekten in het kader waarvan een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, eerste lid, 151e, vijfde lid, artikel 151h, eerste lid, of artikel 151i, eerste lid, van de wet, kan worden verricht, worden aangewezen:

§ 3. Aanwijzing van het te onderzoeken celmateriaal

Artikel 3

Als celmateriaal waaraan een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, eerste lid, 151e, vijfde lid, artikel 151h, eerste lid, of artikel 151i, eerste lid, van de wet, kan worden verricht, wordt aangewezen:

Artikel 4
1.

Degene die gevraagd wordt schriftelijk toe te stemmen in het afnemen van celmateriaal ten behoeve van het uitvoeren van een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, eerste lid, of artikel 151h, eerste lid, van de wet, kan zich bij het nemen van zijn beslissing door een raadsman doen bijstaan. De officier van justitie of de rechter-commissaris wijst hem op deze mogelijkheid.

2.

In geval van artikel 3, onder a, worden twee buisjes die geen heparinebuisjes zijn, met 4 milliliter bloed afgenomen waarvan één buisje bloed is bestemd voor een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, eerste lid, of artikel 151h, eerste lid, van de wet en één buisje bloed voor een onderzoek als bedoeld in artikel 151i, eerste lid, van de wet.

3.

In geval van artikel 3, onder b, worden aan de binnenkant van de neus- of keelholte zoveel slijmvlies afgenomen als voor het uitvoeren een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, eerste lid, of artikel 151h, eerste lid, van de wet en voor een onderzoek als bedoeld in artikel 151i, eerste lid, van de wet nodig is of wordt betrokkene gevraagd voldoende sputum op te hoesten.

4.

Het celmateriaal wordt afgenomen door een arts of een verpleegkundige. Indien de arts of de verpleegkundige bij de behandeling van de desbetreffende persoon betrokken is of is geweest, neemt hij bij hem geen celmateriaal af, tenzij de persoon daarin schriftelijk toestemt.

Artikel 5
1.

Het afnemen van celmateriaal ten behoeve van een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, eerste lid, of artikel 151h, eerste lid, van de wet bij degene aan wie een bevel als bedoeld in artikel 151e, tweede lid, of artikel 151h, derde lid, van de wet is gegeven, geschiedt op de wijze als omschreven in artikel 4, tweede lid. Artikel 4, derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

2.

Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval van het afnemen van celmateriaal ten behoeve van een tegenonderzoek.

Artikel 6
1.

Bij het afnemen van celmateriaal als bedoeld in artikel 4 of 5 is een opsporingsambtenaar aanwezig die:

2.

Het identiteitszegel, bedoeld in het eerste lid, is een zelfklevend zegel dat bedrukt is met een eenmalig te gebruiken combinatie van letters en cijfers. Deze combinatie is aangebracht in schrift en barcode.

3.

Het sluitzegel, bedoeld in het eerste lid, is een zelfklevend, elastisch en fraudebestendig zegel met de opdruk «onderzoek justitie».

§ 4. Onderzoek naar besmetting met een ernstige besmettelijke ziekte

Artikel 7
1.

In geval van een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, vijfde lid, van de wet voorziet de opsporingsambtenaar de verpakking van een in beslag genomen voorwerp waarop mogelijkerwijs celmateriaal van de verdachte aanwezig is, dan wel van celmateriaal dat niet is afgenomen op de wijze als voorzien in artikel 4 of artikel 5, van een identiteitszegel zo spoedig mogelijk nadat het voorwerp of celmateriaal in beslag is genomen.

2.

De opsporingsambtenaar voorziet het proces-verbaal van de inbeslagneming van het voorwerp of het celmateriaal, bedoeld in het eerste lid, van een identiteitszegel dat gelijk is aan het identiteitszegel, bedoeld in het eerste lid. Hij vermeldt in het proces-verbaal de naam, de geboortedatum en -plaats en het geboorteland van de verdachte alsmede het parketnummer van de strafzaak waarin het voorwerp of celmateriaal in beslag is genomen, of, indien de identificerende persoonsgegevens van betrokkene onbekend zijn, het parketnummer van de strafzaak.

3.

De opsporingsambtenaar zorgt ervoor dat het voorwerp of het celmateriaal, bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk nadat de officier van justitie of de rechter-commissaris opdracht heeft gegeven tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, vijfde lid, van de wet, in een verpakking die hij heeft voorzien van een of meer sluitzegels als bedoeld in artikel 6, derde lid, wordt bezorgd bij een gemeentelijke gezondheidsdienst.

Artikel 8
1.

Een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, eerste of vijfde lid, of artikel 151h, eerste lid, van de wet of een tegenonderzoek als bedoeld in artikel 151f, derde lid, of artikel 151h, derde lid, van de wet wordt verricht in het laboratorium van de gemeentelijke gezondheidsdienst waarbij het celmateriaal, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, of artikel 7, derde lid, of het voorwerp, bedoeld in artikel 7, derde lid, is bezorgd, of het laboratorium van een ziekenhuis dat binnen het grondgebied van die gemeentelijke gezondheidsdienst valt.

2.

Indien het onderzoek, bedoeld in artikel 151e, eerste of vijfde lid, of artikel 151h, eerste lid, van de wet wordt verricht in het laboratorium van een ziekenhuis, zorgt de gemeentelijke gezondheidsdienst dat het celmateriaal of het voorwerp, dat voor het verrichten van het onderzoek nodig is, zo spoedig mogelijk in de verpakking, bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder c, of artikel 7, derde lid, bij dat laboratorium wordt bezorgd.

Artikel 9
1.

De deskundige die is verbonden aan het laboratorium van de gemeentelijke gezondheidsdienst of het ziekenhuis, bedoeld in artikel 8, en is aangewezen voor het verrichten van het onderzoek, bedoeld in artikel 151e, eerste of vijfde lid, of artikel 151h, eerste lid, van de wet, of een tegenonderzoek als bedoeld in artikel 151f, derde lid, of artikel 151h, derde lid, van de wet, verricht het onderzoek binnen de termijn die de officier van justitie of de rechter-commissaris die de opdracht tot het verrichten van het onderzoek heeft gegeven, heeft gesteld. De termijn wordt na overleg met de deskundige die het onderzoek verricht, vastgesteld.

2.

De deskundige verricht het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, volgens de daarvoor geldende methoden.

3.

De deskundige stelt een verslag op van de resultaten van het onderzoek en ondertekent het verslag.

4.

Het verslag bevat in ieder geval:

5.

De deskundige doet terstond na dagtekening van het verslag het verslag toekomen aan de officier van justitie of de rechter-commissaris.

6.

De deskundige die een onderzoek als bedoeld in artikel 151h, eerste lid, van de wet verricht, is een andere deskundige dan de deskundige die een onderzoek als bedoeld in artikel 151e, eerste of vijfde lid, van de wet heeft verricht. De deskundige die een tegenonderzoek als bedoeld in artikel 151f, derde lid, of artikel 151h, derde lid, van de wet verricht, is verbonden aan een andere gemeentelijke gezondheidsdienst of een ander ziekenhuis dan de gemeentelijke gezondheidsdienst of het ziekenhuis die het onderzoek, bedoeld in artikel 151e, eerste of vijfde lid, of artikel 151h, eerste lid, van de wet heeft verricht.

§ 5. Fylogenetisch onderzoek

Artikel 10

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.