Besluit van 17 juni 2010, houdende vaststelling van referentieniveaus Nederlandse taal en referentieniveaus rekenen (Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen)

Type AMvB
Publication 2022-08-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 8 april 2010, nr. WJZ/199346 (2702), directie Wetgeving en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Gelet op artikel 2, eerste lid, van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen;

De Raad van State gehoord (advies van 28 april 2010, nr. W05.10.0122/I);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 14 juni 2010, nr. WJZ/211307 (2702), directie Wetgeving en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 2 van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen in werking treedt.

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit wordt verstaan onder:

Artikel 2. Referentieniveaus Nederlandse taal

Voor de hierna genoemde onderwijssoorten worden de volgende referentieniveaus Nederlandse taal, zoals opgenomen in bijlage 1 van dit besluit, vastgesteld:

Artikel 3. Referentieniveaus rekenen

Voor de hierna genoemde onderwijssoorten worden de volgende referentieniveaus rekenen, zoals opgenomen in bijlagen 2 en 3 van dit besluit, vastgesteld:

Artikel 4. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop artikel 2 van de Wet referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen in werking treedt.

Artikel 5. Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen.

Bijlage 1. bij artikel 2 van het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen

Referentieniveaus Nederlandse taal

1. Mondelinge Taalvaardigheid

1.1. Gesprekken

1. Mondelinge Taalvaardigheid

1.1. vervolg Gesprekken

1. Mondelinge Taalvaardigheid

1.2. Luisteren

1. Mondelinge Taalvaardigheid

1.2. vervolg Luisteren

1. Mondelinge Taalvaardigheid

1.2. vervolg Luisteren

1. Mondelinge Taalvaardigheid

1.3. Spreken

1. Mondelinge Taalvaardigheid

1.3. vervolg Spreken

2. Lezen

2.1. Zakelijke teksten

2. Lezen

2.1. vervolg Zakelijke teksten

2. Lezen

2.1. vervolg Zakelijke teksten

2. Lezen

2.2. Fictionele, narratieve en literaire teksten

2. Lezen

2.2. vervolg Fictionele, narratieve en literaire teksten

3. Schrijven

3. vervolg Schrijven

3. vervolg Schrijven

4. Begrippenlijst en Taalverzorging

4.1. Begrippenlijst

Om te spreken over taal en taalverschijnselen is een beperkt aantal begrippen noodzakelijk. De meeste daarvan zijn aan het einde van het basisonderwijs wel aan de orde geweest (1F).

Kennis van deze begrippen bevordert het gesprek binnen en buiten het taalonderwijs over taal en taalverschijnselen: het gaat erom dat docenten (en leerlingen) bepaalde verschijnselen kunnen benoemen in contextrijke taalsituaties. Dat wil zeggen dat docenten deze termen moeten kunnen gebruiken in hun onderwijs in de vaardigheidsdomeinen.

Regel voor overeenkomst in getal (onderwerp-persoonsvorm; referent-verwijswoord) en geslacht (referent-verwijswoord).

4.2. Taalverzorging

De vereiste kwaliteit van productief taalgebruik (spreken, schrijven) wordt steeds aangeduid bij de kenmerken van de taakuitvoering in die domeinen.

In dit domein van taalverzorging gaat het alleen om kennis van regels en begrippen die ten dienste staan van correct taalgebruik. Bij de niveaubepaling is steeds uitgegaan van volledige beheersing, dat wil zeggen, vrijwel automatische beheersing en bij uitzondering terugvallend op regelkennis in taalproductie, zoals in de domeinen schrijven en spreken beschreven. Regelkennis en toepassing in oefentaken gaat aan die beheersing vooraf. De niveaus geven een eindpunt aan: het verwerven van de regels tot een vrijwel automatische beheersing vergt veel leertijd. Het geleerde moet voortdurend in onderhoud zijn. Dat kan betekenen dat van tijd tot tijd nieuwe instructie en oefening gegeven moeten worden (opfrissen) en dat er zorgvuldig feedback gegeven dient te worden op schrijf- en spreekproducten door alle bij het onderwijs betrokkenen, docenten Nederlands en docenten van andere vakken.

4.3. Niveaubeschrijvingen

4.3.1. Spelling

Deze paragraaf bevat de categorieën van spellingsproblemen en -regels. De basis voor de spelling is kennis van de beschaafde uitspraak van het Nederlands («klankzuiver»):

4.3.2. Leestekens

4.4. Moeilijkheid

De moeilijkheid van spelling is op twee manieren te ordenen. Er zijn empirische gegevens over wat leerlingen einde BO kunnen (PPON) en toetsgegevens van brugklasleerlingen.1G.M. Schijf (2009), Lees- en spellingsvaardigheden van brugklassers, diss. Universiteit van Amsterdam. Dat levert een overzicht van itemmoeilijkheden op, zoals gepresenteerd in het eerste rapport van de Expertgroep (2008). Spellingsproblemen kunnen ook in grotere klassen worden ondergebracht, zoals Schijf (2009) laat zien. Naast een zekere logische opeenvolging van klassen van problemen, speelt ook de frequentie waarin het te spellen woord verschijnt een rol. De «stomme e» bijvoorbeeld, in «stomme» wordt in het algemeen pas beheerst na groep 4, maar zeer frequente woorden met een stomme «e» worden al in groep 3 goed gespeld. Als ordening voor de spellingsproblemen gebruiken we een indeling in vijf klassen. Deze indeling wordt gebruikt bij het diagnosticeren van spellingvaardigheid.

In schema: zie tabel 2 op de volgende pagina

Bijlage 2. bij artikel 3 van het Besluit referentieniveaus Nederlandse taal en rekenen

Referentieniveaus rekenen 1F, 1S, 2F en 3F

1. Getallen

1.1. Getallen niveau 1F en 1S

1. Getallen

1.1. vervolg Getallen niveau 1F en 1S

1. Getallen

1.1. vervolg Getallen niveau 1F en 1S

In deze opsomming is geen verschil gemaakt tussen memoriseren en vlot (binnen enkele seconden) kunnen berekenen.

Een deel van de bewerkingen met breuken, zoals «deel van» kunnen bepalen, is beschreven in het subdomein verhoudingen.

1. Getallen

1.2. Getallen niveau 2F en 3F

1. Getallen

1.2. vervolg Getallen niveau 2F en 3F

1. Getallen

1.2. vervolg Getallen niveau 2F en 3F

2. Verhoudingen

2.1. Verhoudingen niveau 1F en 1S

2. Verhoudingen

2.1. vervolg Verhoudingen niveau 1F en 1S

2. Verhoudingen

2.2. Verhoudingen niveau 2F en 3F

2. Verhoudingen

2.2. vervolg Verhoudingen niveau 2F en 3F

3. Meten en Meetkunde

3.1. Meten en Meetkunde niveau 1F en 1S

3. Meten en Meetkunde

3.1. vervolg Meten en Meetkunde niveau 1F en 1S

3. Meten en Meetkunde

3.1. vervolg Meten en Meetkunde niveau 1F en 1S

3. Meten en Meetkunde

3.2. Meten en Meetkunde niveau 2F en 3F

3. Meten en Meetkunde

3.2. vervolg Meten en Meetkunde niveau 2F en 3F

3. Meten en Meetkunde

3.2. vervolg Meten en Meetkunde niveau 2F en 3F

4. Verbanden

4.1. Verbanden niveau 1F en 1S

4. Verbanden

4.1. vervolg Verbanden niveau 1F en 1S

4. Verbanden

4.2. Verbanden niveau 2F en 3F

4. Verbanden

4.2. vervolg Verbanden niveau 2F en 3F

4. Verbanden

4.2. vervolg Verbanden niveau 2F en 3F

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Bijlage 3. bij artikel 3

Mbo-rekenniveaus 2, 3 en 4

1. Grootheden en eenheden

1.1. Karakteristiek van het domein

1.1.1. Inhoud

Heel veel getallen in het dagelijks leven komen voort uit het gebruik van grootheden en eenheden. Grootheden hebben een kwantitatieve waarde en die waarde zegt iets over een ding of een verschijnsel. Als iemand bijvoorbeeld 1,78 m lang is, dan is 1,78 m de waarde van de grootheid lichaamslengte van die persoon. De waarde van een grootheid wordt weergegeven met een getal met vaak een eenheid, zoals meter, uur, graad. Een eenheid kan op zijn beurt een (metriek) voorvoegsel hebben, zoals giga-, mega-, kilo-, centi- of milli-. Ook kan een eenheid samengesteld zijn, zoals km per uur voor snelheid of Mb per sec voor downloadsnelheid. De waarde van een grootheid kun je bepalen door een meting te doen met een meetinstrument, door te tellen of door hem te berekenen uit de waarden van andere grootheden. Een referentiemaat ten slotte is een globale waarde van een grootheid voor soortgelijke dingen of verschijnselen. Zo is 1,80 m een referentiemaat voor de lengte van een volwassen man.

In dit domein blijven grootheden als omtrek, oppervlakte en inhoud voor twee- en driedimensionale objecten buiten beschouwing. Die komen aan bod in het domein Oriëntatie in de twee- en driedimensionale wereld. Statistische grootheden komen aan bod in het domein Omgaan met kwantitatieve informatie.

1.1.2. Wat moeten studenten met de inhoud doen?

De studenten leren grootheden gebruiken en ermee rekenen. Het rekenen met grootheden is geen doel op zich, maar komt alleen aan de orde als dat functioneel is. Minstens zo belangrijk is het om in een situatie een passende grootheid en eenheid te kiezen en daarbij een geschikt meetinstrument om de waarde van deze grootheid te bepalen. Soms liggen grootheid, eenheid en meetinstrument voor de hand, bijvoorbeeld als je moet bepalen hoe zwaar iemand is. Maar soms heb je specifieke grootheden, eenheden of meetinstrumenten nodig, bijvoorbeeld als je moet bepalen hoe zwaar een vrachtwagen is. Verder leren studenten eenvoudige formules te gebruiken die het verband beschrijven tussen twee of meer grootheden. Hieronder valt niet het herleiden van formules.

1.1.3. Niveauverschillen

De verschillen tussen de niveaus spitsen zich in dit domein toe op de aard van de getallen die in situaties voorkomen. Verder kunnen de drie niveaus zich op andere aspecten onderscheiden, zoals:

1.2. Descriptoren

1.3. Ondersteunende vaardigheden

2. Oriëntatie in de twee- en driedimensionale wereld

2.1. Karakteristiek van het domein

2.1.1. Inhoud

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.