Besluit van 24 juli 2010 houdende regeling van de materiele rechtspositie van de Rijksvertegenwoordiger van de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES)

Type Amvb Bes
Publication 2026-01-01
State In force
Source BWB
Wijzigingsgeschiedenis JSON API

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 10 juni 2010;

Gelet op artikel 193, eerste en tweede lid, 201 en 203 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba;

De Raad van State gehoord (advies van 30 juni 2010, nr. W04.10.0218/1);

Gezien het nader rapport van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 16 juli 2010, nr. 2010-0000486014;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking treedt.

Artikel 1. Begripsbepalingen

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Artikel 2. Bezoldiging en vergoeding voor ambtskosten
1.

De bezoldiging van de Rijksvertegenwoordiger bedraagt € 12.875,98.

2.

De Rijksvertegenwoordiger ontvangt een vergoeding ten bedrage van € 498,53 per maand voor de aan zijn ambt verbonden kosten.

3.

Het bedrag genoemd in het tweede lid wordt met ingang van 1 januari 2020 per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd aan de hand van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het tweede daaraan voorafgaande kalenderjaar.

4.

De kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde scholing in verband met de vervulling van de functie van Rijksvertegenwoordiger komen ten laste van het Rijk.

5.

Onze Minister kan over de in het vierde lid bedoelde scholing nadere regels stellen.

6.

De aanspraak op de bezoldiging en op de vergoeding voor ambtskosten, bedoeld in het tweede lid, begint met ingang van de dag waarop de benoeming ingaat en eindigt met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat of de dag, volgende op die van het overlijden.

7.

Indien voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt het in het eerste lid genoemde bedrag bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd.

8.

Indien voor de ambtenaren, bedoeld in het zevende lid, in een collectieve arbeidsovereenkomst een eenmalige uitkering is overeengekomen, ontvangt de Rijksvertegenwoordiger deze op gelijke voet.

9.

Wanneer Onze Minister de Rijksvertegenwoordiger toestemming verleent langer dan zes weken buiten de openbare lichamen te verblijven, kan hij daarbij bepalen dat gedurende die langere periode de bezoldiging en de vergoeding voor ambtskosten geheel of gedeeltelijk worden ingehouden.

Artikel 3. Vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering
1.

De Rijksvertegenwoordiger ontvangt een vakantie-uitkering van 8% van de door hem genoten bezoldiging. De vakantie-uitkering wordt eenmaal per jaar uitbetaald over de periode van twaalf maanden, die is aangevangen met de maand juni van het voorgaande kalenderjaar. Bij ontslag of overlijden van de Rijksvertegenwoordiger vindt betaling plaats over het tijdvak, gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode, waarover de vakantie-uitkering is betaald en de datum van het ontslag of overlijden.

2.

De Rijksvertegenwoordiger ontvangt een eindejaarsuitkering van 8,3% van de door hem genoten bezoldiging. De eindejaarsuitkering wordt jaarlijks uitbetaald in de maand november en wordt berekend over de periode van twaalf maanden die is aangevangen met de maand december van het voorgaande kalenderjaar. Bij ontslag of overlijden van de Rijksvertegenwoordiger vindt betaling plaats over het tijdvak gelegen tussen het einde van de laatst verstreken periode waarover de eindejaarsuitkering is betaald en de datum van het ontslag of overlijden.

Artikel 4. Vergoeding bij waarneming
1.

De waarnemend Rijksvertegenwoordiger die krachtens artikel 200 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba als zodanig optreedt, geniet gedurende de waarnemingsperiode per maand een beloning van twintig procent van de bezoldiging, bedoeld in artikel 2, eerste lid. De artikelen 3 en 7 zijn van overeenkomstige toepassing.

2.

Bij aantoonbare inkomstenderving als gevolg van de waarneming kan het bedrag van de beloning door Onze Minister worden verhoogd, echter tot maximaal de bezoldiging, bedoeld in artikel 2, eerste lid.

Artikel 5. Vergoeding tijdens sollicitatieprocedure

Aan een kandidaat voor het ambt van Rijksvertegenwoordiger worden de noodzakelijke reis- en verblijfkosten vergoed die zijn gemaakt in verband met de sollicitatieprocedure.

Artikel 6. Vergoeding bij ambtsaanvaarding
1.

Uit hoofde van de ambtsaanvaarding wordt aan de Rijksvertegenwoordiger eenmalig een verhuiskostenvergoeding toegekend, bestaande uit:

2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder gezinsleden verstaan de echtgenoot of geregistreerde partner of degene met wie betrokkene ongehuwd samenleeft en een gezamenlijke huishouding voert als bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet en de kinderen, stief- en pleegkinderen van hemzelf en/of van zijn echtgenoot of geregistreerde partner of degene met wie betrokkene ongehuwd samenleeft en een gezamenlijke huishouding voert, voor zover zij met hem samenwonen.

3.

Indien de Rijksvertegenwoordiger na benoeming de ambtswoning nog niet kan betrekken heeft hij aanspraak op een vergoeding voor tijdelijke huisvesting. Ook heeft hij dan aanspraak op een verhuiskostenvergoeding als bedoeld in het eerste lid.

4.

Indien de Rijksvertegenwoordiger in verband met zijn benoeming is verhuisd, op zijn nieuwe adres is ingeschreven in een basisadministratie als bedoeld in artikel 2 van de Wet basisadministraties persoonsgegevens BES en zijn verhuizing leidt tot dubbele woonlasten, heeft hij gedurende ten hoogste drie jaar na zijn benoeming aanspraak op een tegemoetkoming in de kosten van dubbele woonlasten.

5.

De Rijksvertegenwoordiger heeft ten laste van het Rijk, wegens niet herbenoeming of eervol ontslag, aanspraak op een verhuiskostenvergoeding als bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat het bedrag onder c, zes procent van de jaarlijkse bezoldiging bedraagt.

6.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de hoogte van de bedragen, bedoeld in het eerste lid, onder a en b, de vergoeding voor tijdelijke huisvesting, bedoeld in het derde lid, en de tegemoetkoming in de kosten van dubbele woonlasten, bedoeld in het vierde lid, en de voorwaarden voor de aanspraak op deze bedragen, de vergoeding en de tegemoetkoming.

Artikel 7. Reis- en verblijfkosten
1.

De Rijksvertegenwoordiger heeft aanspraak op een vergoeding van reis- en verblijfkosten voor reizen gemaakt voor de uitoefening van het ambt.

2.

De Rijksvertegenwoordiger heeft aanspraak op een vergoeding van kosten voor woon-werkverkeer.

3.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over de hoogte van de vergoeding en de voorwaarden voor de aanspraak.

Artikel 8. Ter beschikking gestelde woning
1.

De Rijksvertegenwoordiger betaalt voor het bewonen van een door het Rijk aan hem in verband met de uitoefening van zijn ambt ter beschikking gestelde woning een maandelijkse bijdrage aan het Rijk.

2.

Indien de Rijksvertegenwoordiger voor het gebruik van een woning, bedoeld in het eerste lid, loon- of inkomstenbelasting verschuldigd is, wordt deze belastingheffing ten laste van het Rijk aan hem vergoed.

3.

Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de hoogte van de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, en kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het gebruik van een ter beschikking gestelde woning.

Artikel 9. Kennisgeving bij afwezigheid

Indien de Rijksvertegenwoordiger langer dan acht dagen wegens ziekte of om andere redenen zijn ambt niet kan vervullen, geeft hij daarvan kennis aan Onze Minister.

Artikel 10. Voorzieningen in verband met ziekte

In het geval van ziekte van de Rijksvertegenwoordiger, behoudt hij het recht op een bezoldiging als bedoeld in artikel 2, eerste lid.

Artikel 11. Buitengewoon verlof

Vervallen

Artikel 12
1.

Indien er sprake is van een dringende reden van dienstbelang en de Rijksvertegenwoordiger die buiten de openbare lichamen verblijft, zou schade lijden als hij direct terugkeert naar de openbare lichamen, legt hij zijn voornemen om vanwege deze reden terug te keren naar de openbare lichamen voor aan Onze Minister.

2.

Indien Onze Minister het in het eerste lid genoemde voornemen redelijk acht, wordt aan de Rijksvertegenwoordiger een schadeloosstelling toegekend ten laste van het Rijk.

3.

De schadeloosstelling betreft uitsluitend de direct uit de terugkeer voortvloeiende kosten van de Rijksvertegenwoordiger. Onze Minister stelt de hoogte van de schadeloosstelling vast.

Artikel 13. Ontslag
1.

De Rijksvertegenwoordiger wordt op zijn aanvraag ontslag verleend of wordt op zijn verzoek na afloop van de benoemingstermijn niet herbenoemd.

2.

Het ontslag, bedoeld in het eerste lid, wordt eervol verleend, tenzij naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten.

3.

Aan de Rijksvertegenwoordiger wordt met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 70 jaar heeft bereikt, eervol ontslag verleend.

Artikel 14
1.

Anders dan op eigen aanvraag kan aan de Rijksvertegenwoordiger ontslag worden verleend op grond van:

2.

Het ontslag op grond van het eerste lid, onder a en b, van dit artikel wordt eervol verleend. Het ontslag op grond van het eerste lid, onder c, wordt eervol verleend, tenzij naar het oordeel van Onze Minister zwaarwichtige redenen zich daartegen verzetten.

3.

Een ontslag als bedoeld in onder a van het eerste lid, kan slechts plaatsvinden indien herstel van zijn ziekte of gebreken niet binnen een periode van zes maanden te verwachten is.

4.

Niet-herbenoeming vindt, behoudens in bijzondere omstandigheden, niet plaats dan nadat de Rijksvertegenwoordiger in de gelegenheid is gesteld door Onze Minister te worden gehoord.

Artikel 15. Uitkering bij overlijden
1.

Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de Rijksvertegenwoordiger wordt aan de weduwe of weduwnaar van wie de Rijksvertegenwoordiger niet duurzaam gescheiden leefde een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging, vermeerderd met de vakantie-uitkering, over drie maanden, berekend naar het tijdstip van overlijden. Indien de overledene geen weduwe of weduwnaar nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen, of minderjarige kinderen waarover de overledene de pleegouderlijke zorg droeg. Onder pleegouderlijke zorg wordt verstaan de zorg voor het onderhoud en de opvoeding van het kind als was het een eigen kind, onafhankelijk van enige verplichting daartoe of van het genieten van een vergoeding daarvoor. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering aan degenen die geheel of grotendeels afhankelijk waren van de overledene.

2.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weduwe of weduwnaar mede verstaan de achtergebleven geregistreerde partner alsmede degene met wie de overleden Rijksvertegenwoordiger ongehuwd samenleefde en een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in artikel 3, derde en vierde lid, van de Algemene nabestaandenwet.

Artikel 16
1.

Voor de Rijksvertegenwoordiger, die niet op het openbare lichaam waar de Rijksvertegenwoordiging zetelt woonachtig is, geldt voor zover dit besluit geen voorziening bevat hetgeen in de laatstelijk gesloten collectieve arbeidsovereenkomst voor ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat woonachtig zijn is overeengekomen omtrent de terbeschikkingstelling van deze ambtenaren aan Aruba, Curacao en Sint Maarten.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op hetgeen in de dat lid bedoelde collectieve arbeidsovereenkomst is overeengekomen omtrent:

Artikel 17. Overgangs- en slotbepalingen

Vervallen

Artikel 18

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba in werking treedt.

Artikel 19

Dit besluit wordt aangehaald als: Rechtspositiebesluit Rijksvertegenwoordiger BES.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Artikel 2a
1.

Zo spoedig mogelijk na afloop van het kalenderjaar, verstrekt de Rijksvertegenwoordiger aan Onze Minister, dan wel aan een door hem aangewezen instantie:

De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.