← Geldende tekst · Geschiedenis

Wet van 17 mei 2010 tot invoering van de regelgeving met betrekking tot de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba)

Geldende tekst a fecha 2021-07-01

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat met de eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba overeengekomen is dat zij als openbare lichamen een staatsrechtelijke positie krijgen binnen het Nederlandse staatsbestel en het in verband hiermee wenselijk is wettelijke regels te stellen over het in deze openbare lichamen toepasselijke recht, alsmede enkele andere voorzieningen te treffen van overgangsrechtelijke aard;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Treedt in werking om 00.00 uur in Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van Nederland.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder

Hoofdstuk 2. Het toepasselijke recht

Artikel 2
1.

In de openbare lichamen zijn de doorlopende teksten van de in de bijlage bij deze wet genoemde Nederlands-Antilliaanse regelingen, zoals deze bij besluit van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 6 oktober 2010 zijn vastgesteld en ter inzage zijn gelegd bij het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, als wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling van toepassing overeenkomstig de status die de bijlage vermeldt. De regelingen worden in hun aldus verkregen status aangehaald op de wijze die de bijlage vermeldt.

2.

Andere wettelijke regelingen dan die, bedoeld in het eerste lid, zijn in de openbare lichamen alleen van toepassing voor zover:

3.

Het tweede lid laat onverlet de toepasselijkheid in de openbare lichamen van wettelijke regelingen die buiten het Europese deel van Nederland werking kunnen hebben.

4.

Voorzieningen van overgangsrechtelijke aard die zijn vastgesteld ten aanzien van de in de bijlage genoemde regelingen blijven van toepassing, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald.

Artikel 3
1.

De Algemene wet bestuursrecht, met uitzondering van hoofdstuk 9, is niet van toepassing op besluiten en handelingen van bestuursorganen die hun zetel hebben in het Europese deel van Nederland, ter uitvoering van:

2.

De hoofdstukken 6 tot en met 8 van de Algemene wet bestuursrecht zijn niet van toepassing op besluiten en handelingen van bestuursorganen die hun zetel hebben in het Europese deel van Nederland, ter uitvoering van een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 2, derde lid, voor zover het desbetreffende besluit of de handeling gericht is tot een natuurlijk persoon of een rechtspersoon die ten tijde van het nemen van het besluit of het verrichten van de handeling ingezetene is van onderscheidenlijk gevestigd is in de openbare lichamen.

3.

Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht is tevens van toepassing op gedragingen van in artikel 1a, eerste lid, onder d en e, van de Wet Nationale ombudsman bedoelde bestuursorganen met een zetel in de openbare lichamen.

4.

In de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, is de Wet administratieve rechtspraak BES van toepassing voor zover sprake is van een beschikking in de zin van die wet.

5.

Indien een beroepschrift tegen een beschikking op grond van een wettelijke regeling als bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend bij een onbevoegde administratieve rechter, wordt het, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. Artikel 6:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is van overeenkomstige toepassing.

6.

Het tweede lid is niet van toepassing op besluiten en handelingen ten aanzien van personen op wie artikel 3, onderdeel b, c, d of f, van de Ambtenarenwet 2017 van toepassing is die hun werkzaamheden verrichten in de openbare lichamen.

7.

Het eerste en tweede lid zijn evenmin van toepassing op de heffing en inning van belastingen of van rechten bij invoer.

Artikel 4

Indien in een wettelijk voorschrift dat niet ingevolge artikel 2, eerste of tweede lid, van toepassing is in de openbare lichamen, onderscheid wordt gemaakt tussen het land Nederland en de andere landen van het Koninkrijk, wordt, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald, onder «Nederland» verstaan het Europese deel van Nederland en worden de openbare lichamen gelijkgesteld met andere landen van het Koninkrijk.

Hoofdstuk 2a. Publiekrechtelijke rechtsgevolgen huwelijk en geregistreerd partnerschap

Artikel 5

Vonnissen, door de rechter in het Europese deel van Nederland of in de openbare lichamen gewezen, en bevelen door hem uitgevaardigd, alsmede grossen van authentieke akten, aldaar verleden, kunnen overal in Nederland worden ten uitvoer gelegd, met inachtneming van de wettelijke bepalingen die van kracht zijn op de plaats waar de tenuitvoerlegging plaatsvindt. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen dienaangaande en over de erkenning van vonnissen, bevelen en authentieke akten van andere landen nadere regels worden gegeven.

Hoofdstuk 2b. De taal in het bestuurlijk verkeer

Artikel 6
1.

Indien de bevoegdheid van een Nederlands-Antilliaans bestuursorgaan tot het nemen van beslissingen in verband met de overgang van de eilandgebieden naar de status van openbaar lichaam binnen het Nederlandse staatsbestel is overgegaan op een Nederlands bestuursorgaan, worden beslissingen die op grond van die bevoegdheid vóór het tijdstip van transitie zijn genomen, gelijkgesteld met beslissingen die zijn genomen door het vanaf het tijdstip van transitie bevoegde Nederlandse bestuursorgaan.

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op besluiten, houdende vaststelling van een eilandsverordening of eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen.

3.

Meldingen en kennisgevingen aan bestuursorganen, die vóór het tijdstip van transitie zijn gedaan ter voldoening aan een Nederlands-Antilliaans wettelijk voorschrift, worden, voor zover zodanige melding of kennisgeving ook is vereist op grond van een ingevolge artikel 2, eerste lid, in de openbare lichamen geldend wettelijk voorschrift, gelijkgesteld met een melding of kennisgeving ter voldoening aan dat in de openbare lichamen geldende voorschrift

4.

Indien tot het nemen van een beschikking vóór het tijdstip van transitie een Nederlands-Antilliaans bestuursorgaan bevoegd is en vanaf dat tijdstip een Nederlands bestuursorgaan, wordt

5.

Met ingang van het tijdstip van transitie zijn de ambtenaren en werklieden die tot dat tijdstip in dienst waren van de onderscheiden eilandgebieden van rechtswege aangesteld als ambtenaar onderscheidenlijk werkman in dienst van de onderscheiden openbare lichamen met een rechtspositie die gelijkwaardig is aan die welke voor elk van hen gold bij het eilandgebied.

Artikel 7

Onverminderd de artikelen 215 en 216 van de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, worden eilandsverordeningen en eilandsbesluiten, houdende algemene maatregelen, die door de eilandsraad, onderscheidenlijk het bestuurscollege van een eilandgebied zijn vastgesteld ten behoeve van een openbaar lichaam, met ingang van het tijdstip van transitie aangemerkt als door de eilandsraad onderscheidenlijk het bestuurscollege van het desbetreffende openbaar lichaam vastgestelde eilandsverordeningen onderscheidenlijk eilandsbesluiten, houdende algemene maatregelen.

Artikel 8
1.

Indien een strafbaar feit vóór het tijdstip van transitie is begaan, worden de strafbepalingen toegepast die gelden op het tijdstip van transitie, tenzij de strafbepalingen die golden op het tijdstip waarop het feit is begaan, voor de verdachte gunstiger zijn.

2.

Bepalingen over strafverzwaring, ingeval van herhaling van strafbare feiten, worden toegepast ook indien de vroegere veroordeling wegens een soortgelijk feit of de vrijwillige betaling van de geldboete vóór het tijdstip van transitie heeft plaatsgevonden.

Artikel 9
1.

Indien voor het tijdstip van transitie in een strafzaak een dagvaarding in eerste aanleg is uitgebracht, wordt het strafprocesrecht toegepast dat gold op het tijdstip van het uitbrengen van die dagvaarding.

2.

Indien voor het tijdstip van transitie strafrechtelijk onderzoek heeft plaatsgevonden en vóór het tijdstip van transitie geen dagvaarding in eerste aanleg is uitgebracht, wordt dit onderzoek geacht te hebben plaatsgevonden op basis van het strafprocesrecht dat geldt op het tijdstip van transitie.

Artikel 10

Op vragen van overgangsrecht waartoe, als gevolg van invoering van deze wet en de Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, de aanpassing van wetgeving van Nederlands-Antilliaanse oorsprong op het terrein van het privaatrecht aanleiding geeft, zijn de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek BES en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek BES, tweede gedeelte, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11
1.

Ten aanzien van rechten en verplichtingen naar burgerlijk recht van de eilandgebieden treden de openbare lichamen op het tijdstip van transitie voor de eilandgebieden in de plaats.

2.

Wettelijke procedures en rechtsgedingen waarbij een eilandgebied betrokken was, worden met ingang van het tijdstip van transitie voortgezet door of tegen het desbetreffende openbaar lichaam, voor zover dat openbaar lichaam op grond van het eerste lid in de plaats treedt voor dat eilandgebied. Ten aanzien van de rechtsgedingen is de elfde afdeling van titel 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12

Op de dag voor het tijdstip van transitie bestaande rechten, gebaseerd op wettelijke regelingen die op het tijdstip van transitie hun rechtskracht verliezen, kunnen daarna geldend worden gemaakt, indien de redelijkheid en billijkheid dit vorderen.

Artikel 13

Indien in regelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, sprake is van een bevoegdheid tot het vaststellen van een eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen, komt deze bevoegdheid toe aan de bestuurscolleges van de openbare lichamen.

Hoofdstuk 5. Toepassing noodbevoegdheden buiten een noodtoestand in Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Artikel 14

De bepalingen die voorkomen op de bij de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden behorende lijst A zijn van overeenkomstige toepassing in de openbare lichamen, voor zover deze bepalingen niet reeds van toepassing zijn in de openbare lichamen, met dien verstande dat telkens in die bepalingen wordt gelezen voor:

Artikel 15
1.

Onverminderd de artikelen 7, eerste lid, en 8, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden, kunnen, indien buitengewone omstandigheden dit noodzakelijk maken, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, bepalingen die voorkomen op de bij de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden behorende lijst A voor de openbare lichamen gezamenlijk of ieder afzonderlijk in werking worden gesteld.

2.

Indien een koninklijk besluit als bedoeld in het eerste lid is vastgesteld, wordt onverwijld een voorstel van wet aan de Tweede Kamer gezonden omtrent het voortduren van de werking van de bij dat besluit in werking gestelde bepalingen.

3.

Wordt het voorstel van wet door de Staten-Generaal verworpen, dan worden bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, de bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, onverwijld buiten werking gesteld.

4.

Bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister-President, worden bepalingen die ingevolge het eerste lid in werking zijn gesteld, buiten werking gesteld, zodra de omstandigheden dit naar Ons oordeel toelaten.

5.

Een koninklijk besluit als bedoeld in het eerste, tweede en vierde lid, wordt op de daarin te bepalen wijze bekendgemaakt. Het treedt in werking terstond na de bekendmaking. Het besluit wordt in ieder geval geplaatst in het Staatsblad.

Artikel 16

Indien in een koninklijk besluit als bedoeld in artikel 15 voor de openbare lichamen gezamenlijk of ieder afzonderlijk één of meerdere bepalingen in werking worden gesteld, kunnen hiermee samenhangende in een koninklijk besluit aan te wijzen bepalingen bij dat besluit van overeenkomstige toepassing worden verklaard in de openbare lichamen.

Artikel 17

Onze Minister wie het aangaat kan aan de gezaghebber of de Rijksvertegenwoordiger voor de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba mandaat verlenen tot het uitoefenen in de openbare lichamen van de bevoegdheden die zijn opgenomen in op grond van artikel 15 in werking gestelde artikelen.

Hoofdstuk 3. Vonnissen en akten

§ 1. Minister voor Jeugd en Gezin

Artikel 18.1

Vervallen

§ 1. Minister voor Jeugd en Gezin

Artikel 18.2.1
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het voorkomen en bestrijden van een besmettelijke dierziekte.

2.

De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op:

Artikel 18.2.2
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het invoeren en doorvoeren van dieren, producten van dierlijke oorsprong, alsmede van andere producten en voorwerpen die dragers van smetstof kunnen zijn.

2.

De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op:

Artikel 18.2.3
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de identificatie en registratie van dieren behorende tot bij die maatregel aangewezen diersoorten of diercategorieën.

2.

De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op:

Artikel 18.2.4
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over het doden van dieren en de productie van vlees na het slachten van dieren.

2.

De regels, bedoeld in het eerste lid, kunnen betrekking hebben op:

Artikel 18.2.4a

Voor de toepassing van de artikelen 18.2.4b, 18.2.4c, 18.2.4d en 18.2.4e wordt verstaan onder:

Artikel 18.2.4b
1.

Ter voorkoming van het optreden en van de verbreiding van schadelijke organismen, kan Onze Minister de in- en uitvoer van schadelijke organismen, van planten of plantaardige producten, van grond of andere cultuurmedia en van voor planten of plantaardige producten gebruikt verpakkingsmateriaal verbieden of regels stellen waaraan voor, bij of na de invoer, onderscheidenlijk voor of bij de uitvoer moet worden voldaan.

2.

De in het eerste lid bedoelde regels kunnen onder meer betrekking hebben op:

3.

De directeur is bevoegd, ter voorkoming van het optreden en van de verbreiding van schadelijke organismen, de in- en uitvoer van een zending, geheel of ten dele bestaande uit schadelijke organismen, planten, plantaardige producten, grond of andere cultuurmedia, of uit voor planten of plantaardige producten gebruikt verpakkingsmateriaal, te verbieden of voorschriften te geven waaraan voor, bij of na de invoer, onderscheidenlijk voor of bij de uitvoer van die zending moet worden voldaan.

4.

Een ieder wie zulks aangaat is verplicht planten, plantaardige producten, grond of andere cultuurmedia en schadelijke organismen, die op grond van het krachtens de voorgaande leden bepaalde niet hadden mogen worden ingevoerd, overeenkomstig een hem door de directeur gegeven bevel binnen de daarin gestelde termijn uit te voeren dan wel te behandelen of te vernietigen en zo nodig daartoe op de in het bevel aangegeven wijze naar een daarin bepaalde plaats te brengen.

Artikel 18.2.4c
1.

Ter voorkoming van het optreden en van de verbreiding van schadelijke organismen en ter bestrijding daarvan kunnen door Onze Minister regels worden gesteld omtrent:

2.

Indien een onmiddellijke voorziening geboden is, is Onze Minister bevoegd om, voor een termijn van ten hoogste vier maanden, ten aanzien van individuele gevallen voorschriften te geven betreffende hetgeen in het eerste lid is vermeld.

Artikel 18.2.4d

Onze Minister is bevoegd in gevallen waarin de schade, welke het gevolg is van het toepassen van krachtens artikel 18.3.4c gegeven voorschriften, onevenredig zwaar op een of meer personen zou drukken, uit ’s Rijks schatkist een tegemoetkoming te verlenen in de geleden schade.

Artikel 18.2.4e

Onze Minister kan, wanneer de toepassing van 18.2.4c tot onbillijkheden aanleiding zou geven door of vanwege de directeur op ’s Rijks kosten bepaalde maatregelen tot wering en bestrijding van schadelijke organismen doen nemen.

Artikel 18.2.5
1.

De voordracht voor een krachtens de artikelen 18.2.1 tot en met 18.2.4 vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt gedaan door Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

2.

Voor de toepassing van de artikelen in deze paragraaf wordt onder Onze Minister verstaan: Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Artikel 18.2.6
1.

Onze Minister kan, voor zover het belang van de gezondheid van de mens, dieren of planten, het belang van het welzijn van dieren of het belang van het milieu zich daartegen niet verzetten, van het bepaalde krachtens deze wet vrijstelling of ontheffing verlenen.

2.

Aan een vrijstelling en een ontheffing kunnen voorschriften of voorwaarden worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend.

Artikel 18.2.7
1.

Gedragingen in strijd met de voorschriften, gesteld krachtens de artikelen 18.2.1, 18.2.2 en 18.2.3, zijn overtredingen.

2.

Gedragingen in strijd met de voorschriften, gesteld krachtens de artikelen 18.2.1, 18.2.2 en 18.2.3, worden gestraft met een hechtenis van ten hoogste een maand of een geldboete van de tweede categorie.

Artikel 18.2.8
1.

Gedragingen in strijd met de voorschriften, gesteld krachtens artikel 18.2.4 zijn misdrijven.

2.

Gedragingen in strijd met de voorschriften, gesteld krachtens artikel 18.2.4, worden gestraft met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of een geldboete van de tweede categorie.

Artikel 18.2.9
1.

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze paragraaf zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.

2.

Onze Minister wijst ambtenaren aan die zijn belast met onderzoek naar de aanwezigheid van besmettelijke dierziekten.

3.

Met de opsporing van de bij de artikelen 18.2.7 en 18.2.8, strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd artikel 184 Wetboek van Strafvordering BES, belast de daartoe aangewezen buitengewone opsporingsambtenaren.

4.

Van een besluit als bedoeld in dit artikel wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

Artikel 18.2.10
1.

Toezichthouders zijn, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd:

2.

Zo nodig wordt de toegang tot een plaats als bedoeld in het eerste lid, onderdeel d, verschaft met behulp van de sterke arm.

3.

Een ieder is verplicht aan de toezichthouder alle medewerking te verlenen die op grond van het tweede lid wordt gevorderd.

Artikel 18.2.10a
1.

Onze Minister kan bepalen dat vergoeding van kosten wordt geheven volgens een door Onze Minister vastgesteld tarief voor in het kader van de haar opgedragen taak door de bij of krachtens artikel 18.2.9 aangewezen ambtenaren gedane onderzoekingen of verrichtingen.

2.

Onze Minister kan regelen stellen met betrekking tot het heffen en betalen van de vergoeding. Daarbij kan worden bepaald dat de vergoeding wordt geheven door de instelling die de onderzoekingen of verrichtingen uitvoert.

Artikel 18.2.11

De artikelen 12 tot en met 35 van de Wet voorschriften bestrijdingsmiddelen BES zijn van overeenkomstige toepassing.

§ 3. Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Artikel 18.3
1.

Personen die rechtmatig woonachtig zijn in de openbare lichamen en die niet kunnen voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan hebben onder bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te stellen voorwaarden recht op algemene of bijzondere onderstand van overheidswege.

2.

Het recht op algemene en bijzondere onderstand bestaat jegens Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Bij algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kan worden bepaald dat, in afwijking van de eerste zin, het recht op bijzondere onderstand bestaat jegens een bestuursorgaan van een openbaar lichaam.

3.

De algemene en bijzondere onderstand en de daaraan te verbinden verplichtingen worden afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende, alsmede op het betoonde besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, rekening houdend met het niveau van de noodzakelijke kosten van het bestaan ter plaatse.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur op voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het derde lid.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen op voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid regels worden gesteld betreffende:

6.

Een besluit van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, of een krachtens het tweede lid aangewezen bestuursorgaan, tot terugvordering van kosten van onderstand levert een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES.

7.

Terugvordering van kosten van onderstand door Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, of een krachtens het tweede lid aangewezen bestuursorgaan, is bevoorrecht en volgt onmiddellijk na de vorderingen, bedoeld in artikel 288 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek BES.

8.

De eilandbesturen van de openbare lichamen kunnen Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voorstellen doen betreffende het beleid met betrekking tot de uitvoering van dit artikel.

9.

Het ontwerp van een op grond van het eerste, tweede, vierde of vijfde lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De voordracht voor de vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan worden gedaan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen worden gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend.

§ 3. Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Artikel 18.4.1
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld op grond waarvan bij die maatregel aan te wijzen personen op de openbare lichamen tegen een daarbij te bepalen premie van rechtswege verzekerd zijn tegen de behoefte aan bij of krachtens die maatregel te bepalen zorg.

2.

De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt gedaan door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

3.

Ter zake van de kosten verbonden aan de geneeskundige verzorging als bedoeld in voornoemde algemene maatregel van bestuur is de werkgever een premie verschuldigd.

4.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden op voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport regels gesteld betreffende het verwerken van gegevens over iemands gezondheid ten behoeve van de verzekeringsadministratie en het heffen van premies.

5.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de verrekening van aanspraken krachtens dit artikel bij de vaststelling van schadevergoeding, waarop de verzekerde naar burgerlijk recht aanspraak kan maken ter zake van een feit, dat aanleiding geeft tot het verlenen van zorg, bedoeld in dit artikel.

6.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan bepaald worden dat Onze Minister recht heeft op verhaal van kosten die zijn veroorzaakt door degene die in verband met het in lid 5 bedoelde feit jegens de verzekerde naar burgerlijk recht tot schadevergoeding is verplicht, overeenkomstig daarbij te stellen regels.

Artikel 18.4.2
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:

2.

De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt gedaan door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Artikel 18.4.3
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent het in rekening brengen door zorgaanbieders van tarieven voor door die zorgaanbieders geleverde zorg. Tot die regels kan onder meer behoren het verbod om een tarief in rekening te brengen dat niet op een bij de maatregel omschreven wijze is vastgesteld, alsmede het toezicht op de naleving van de gestelde tariefsvoorschriften.

2.

Voor de toepassing van het eerste lid wordt verstaan onder:

3.

De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt gedaan door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Artikel 18.4.4
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:

2.

De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt gedaan door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

3.

Een ieder die is betrokken bij de uitvoering van de krachtens het eerste lid gestelde regels en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit.

4.

Gedragingen in strijd met de voorschriften, gesteld krachtens het eerste lid, onder c en d, worden gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren, hetzij met een geldboete van de vijfde categorie, hetzij met beide straffen.

5.

Degene die opzettelijk de verplichting tot geheimhouding, bedoeld in het derde lid, schendt, wordt gestraft met hetzij gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden, hetzij een geldboete van de vierde categorie, hetzij met beide straffen.

6.

Degene aan wiens schuld schending van de verplichting tot geheimhouding, bedoeld in het derde lid, is te wijten, wordt gestraft met hetzij hechtenis van ten hoogste drie maanden hetzij een geldboete van de derde categorie hetzij met beide straffen.

7.

De in het vierde en vijfde lid strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als misdrijven en het in het zesde lid strafbaar gestelde feit als overtreding.

8.

Geen vervolging van een in het vijfde of zesde lid bedoeld strafbaar feit heeft plaats dan op klacht van degene, tegen wie het feit is gepleegd, of, indien het tegen een rechtspersoon, vennootschap zonder rechtspersoonlijkheid, een maatschap, enige andere vereniging van personen of een doelvermogen is gepleegd, op klacht van de bestuurder en indien er meer bestuurders zijn, van één van hen.

Artikel 18.4.5
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot:

2.

Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot een eigen bijdrage voor de verleende ondersteuning, voor zover die bestaat uit het verlenen van een individuele voorziening in natura of een persoonsgebonden budget.

3.

De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt gedaan door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Artikel 18.4.6
1.

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de publieke gezondheidszorg.

2.

Onder publieke gezondheidszorg wordt verstaan: de gezondheidsbeschermende en gezondheidsbevorderende maatregelen voor de bevolking of specifieke groepen daaruit, waaronder begrepen het voorkómen en het vroegtijdig opsporen van ziekten.

Artikel 18.4.7

Ter zake van de infectieziektebestrijding kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over:

Artikel 18.4.8

De voordracht voor een krachtens de artikelen 18.4.6, 18.4.7 en 18.4.7i vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt gedaan door Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

Artikel 18.4.9
1.

Gedragingen in strijd met de voorschriften, gesteld krachtens artikel 18.4.7, onder b, worden bestraft met een hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.

2.

Gedragingen in strijd met de voorschriften, gesteld krachtens artikel 18.4.7, onder c en d, worden bestraft met een hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie.

3.

Gedragingen in strijd met de voorschriften, gesteld krachtens artikel 18.4.7, onder b, c en d, zijn overtredingen.

Artikel 18.4.10
1.

Gedragingen in strijd met de voorschriften, gesteld krachtens artikel 18.4.7, onder e en f, worden bestraft met een gevangenisstraf van vier jaar of geldboete van de vijfde categorie.

2.

Gedragingen in strijd met de voorschriften, gesteld krachtens artikel 18.4.7, onder e en f, zijn misdrijven.

Artikel 18.4.11
2.

De artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van ambtenaren, bedoeld in artikel 18.4.7e, eerste lid, voor zover die ambtenaren zijn belast met het verrichten van de in dat lid bedoelde onderzoeken.

3.

Onze Minister die het aangaat is bevoegd tot overeenkomstige toepassing van artikel 5:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht ten aanzien van de in het tweede lid bedoelde onderzoek.

Artikel 18.4.12
1.

Met het toezicht op de naleving van de krachtens de artikelen 18.4.4, 18.4.6 en 18.4.7 gestelde regels zijn belast de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd.

2.

Artikel 16.3.10 en de artikelen 155 tot en met 163 van het Wetboek van Strafvordering BES zijn van overeenkomstige toepassing.

3.

Met het opsporen van de bij artikel 18.4.4strafbaar gestelde feiten zijn, naast de bij artikel 184 van het Wetboek van Strafvordering BES aangewezen personen, belast de daartoe bij ministeriële regeling aangewezen medewerkers van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

Artikel 18.4.13

Bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt een rechtspersoon aangewezen die tot taak heeft laboratoriumonderzoeken te verrichten op het terrein van volksgezondheid en justitie en worden regels gesteld over welke instanties met een publiekrechtelijke taak een beroep op deze rechtspersoon kunnen doen.

Artikel 18.4.14

Het ontwerp van een krachtens de artikelen 18.4.1, eerste lid, 18.4.3, eerste lid, 18.4.5, eerste lid, of 18.4.6, eerste lid, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De voordracht voor de vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan worden gedaan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen worden gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 19
1.

De bijlage kan worden gewijzigd bij regeling van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat, die in werking treedt op dezelfde dag waarop deze wet in werking treedt, met dien verstande dat toevoeging aan of verwijdering uit de bijlage van regelingen die de status van wet of algemene maatregel van bestuur verkrijgen of zouden verkrijgen slechts geschiedt, indien het ontbreken of vóórkomen van die regelingen in de bijlage zal leiden tot onaanvaardbare gevolgen.

2.

Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het eerste lid, worden de doorlopende teksten vastgesteld van de regelingen die worden toegevoegd aan de bijlage.

Artikel 20
1.

Regelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, die de status van wet hebben verkregen, kunnen tot een jaar na het tijdstip van transitie bij regeling van Onze Minister wie het aangaat worden gewijzigd voor zover dit noodzakelijk is voor de toepassing van die regelingen of ter voorkoming van onaanvaardbare gevolgen.

2.

Regelingen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, die de status van algemene maatregel van bestuur hebben verkregen, kunnen tot een jaar na het tijdstip van transitie bij regeling van Onze Minister wie het aangaat worden gewijzigd voor zover dit noodzakelijk is voor de toepassing van die regelingen of ter voorkoming van onaanvaardbare gevolgen.

3.

Wijzigingen van regelingen die ingevolge artikel 19 uit de bijlage zijn verwijderd, vervallen op het tijdstip van transitie van rechtswege.

4.

Bij regeling van Onze Minister wie het aangaat kunnen wetten tot een jaar na het tijdstip van transitie worden gewijzigd voor zover dit noodzakelijk is in verband met de verwijdering uit of toevoeging aan de bijlage van regelingen op grond van artikel 19 of in verband met wijziging van regelingen op grond van het eerste lid.

5.

Bij regeling van Onze Minister wie het aangaat kunnen algemene maatregelen van bestuur tot een jaar na het tijdstip van transitie worden gewijzigd voor zover dit noodzakelijk is in verband met de verwijdering uit of toevoeging aan de bijlage van regelingen op grond van artikel 19 of in verband met wijziging van regelingen op grond van het tweede lid.

Artikel 21
1.

Na de inwerkingtreding van een krachtens artikel 19 of artikel 20, eerste of vierde lid, vastgestelde ministeriële regeling wordt zo spoedig mogelijk een voorstel van wet tot goedkeuring van de ministeriële regeling bij de Staten-Generaal ingediend. Indien het voorstel wordt ingetrokken of indien een van de Kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de wijziging van de bijlage onderscheidenlijk van de betreffende regeling onverwijld bij ministeriële regeling ongedaan gemaakt.

2.

Na de inwerkingtreding van een krachtens artikel 20, tweede of vijfde lid, vastgestelde ministeriële regeling wordt zo spoedig mogelijk een algemene maatregel van bestuur tot goedkeuring van de ministeriële regeling vastgesteld. Indien een zodanige algemene maatregel van bestuur niet wordt vastgesteld, wordt de wijziging van de betreffende regeling onverwijld bij ministeriële regeling ongedaan gemaakt.

Artikel 22
1.

Bij regeling van Onze Minister wie het aangaat kunnen tot een jaar na het tijdstip van transitie met het oog op een goede invoering van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde regelingen, die de status van wet of algemene maatregel van bestuur hebben verkregen, of ter voorkoming van onaanvaardbare gevolgen voorzieningen worden getroffen, waarbij zo nodig kan worden afgeweken van de desbetreffende wet of algemene maatregel van bestuur.

2.

Indien een voorziening die bij ministeriële regeling is getroffen een structurele afwijking van de wet betreft, wordt zo spoedig mogelijk een wetsvoorstel ingediend dat ertoe strekt de wet zodanig te wijzigen dat de voorziening bij ministeriële regeling niet langer noodzakelijk is. Indien een voorziening die bij ministeriële regeling is getroffen een structurele afwijking van een algemene maatregel van bestuur betreft, wordt zo spoedig mogelijk een ontwerpbesluit in procedure gebracht die ertoe strekt de algemene maatregel van bestuur zodanig te wijzigen dat de voorziening bij ministeriële regeling niet langer noodzakelijk is.

Artikel 22a
1.

Dit artikel is van toepassing indien het tijdstip van transitie niet valt op 1 januari van enig kalenderjaar.

2.

Bij regeling van Onze Minister wie het aangaat kunnen aanvullende regels van overgangsrechtelijke aard worden gesteld die uitsluitend zien op de periode van het tijdstip van transitie tot 1 januari van het daarop volgende kalenderjaar.

3.

De regels, bedoeld in het tweede lid, kunnen inhouden:

4.

Bij de ministeriële regeling, bedoeld in het tweede lid, kan zo nodig worden afgeweken van de wet of algemene maatregel van bestuur.

5.

Indien op grond van het derde lid, onder a, bij ministeriële regeling een Nederlands-Antilliaanse regeling als wet, algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling van toepassing wordt verklaard, wordt de doorlopende tekst van die Nederlands-Antilliaanse regeling als bijlage aan deze ministeriële regeling gevoegd.

Artikel 23

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan en voor de verschillende in de bijlage genoemde regelingen verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 24
1.

De teksten van de in de bijlage genoemde regelingen, zoals deze op het tijdstip van transitie bij wet of algemene maatregel van bestuur worden gewijzigd, worden in het Staatsblad geplaatst voor zover zij de status hebben van wet onderscheidenlijk algemene maatregel van bestuur.

2.

De teksten van de in de bijlage genoemde regelingen, zoals deze op het tijdstip van transitie worden gewijzigd, worden in de Staatscourant geplaatst voor zover zij de status hebben van ministeriële regeling.

Artikel 25

Deze wet wordt aangehaald als: Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

Bijlage. bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Minister van Algemene Zaken

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

C Regelingen die de status van ministeriële regeling verkrijgen

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

Minister van Buitenlandse Zaken

C Regelingen die de status van ministeriële regeling verkrijgen

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

Minister van Defensie

C Regelingen die de status van ministeriële regeling verkrijgen

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

Minister van Algemene Zaken

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

Minister van Buitenlandse Zaken

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

Minister van Defensie

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

Minister van Economische Zaken

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

Minister van Financiën

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

Minister voor Jeugd en Gezin

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

Minister van Justitie

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Hoofdstuk 2b. De taal in het bestuurlijk verkeer

Hoofdstuk 4. Algemeen overgangsrecht

Hoofdstuk 5. Toepassing noodbevoegdheden buiten een noodtoestand in Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Hoofdstuk 4. Algemeen overgangsrecht

§ 2. Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

§ 4. Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Bijlage. bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Minister van Algemene Zaken

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

Minister van Buitenlandse Zaken

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

Minister van Defensie

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

Minister van Economische Zaken

C Regelingen die de status van ministeriële regeling verkrijgen

Minister van Financiën

C Regelingen die de status van ministeriële regeling verkrijgen

Minister voor Jeugd en Gezin

C Regelingen die de status van ministeriële regeling verkrijgen

Minister van Justitie

C Regelingen die de status van ministeriële regeling verkrijgen

Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

C Regelingen die de status van ministeriële regeling verkrijgen

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

C Regelingen die de status van ministeriële regeling verkrijgen

Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

C Regelingen die de status van ministeriële regeling verkrijgen

Minister van Verkeer en Waterstaat

C Regelingen die de status van ministeriële regeling verkrijgen

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

C Regelingen die de status van ministeriële regeling verkrijgen

Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

C Regelingen die de status van ministeriële regeling verkrijgen

Minister voor Wonen, Wijken en Integratie

C Regelingen die de status van ministeriële regeling verkrijgen

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 4a

In wettelijke regelingen en voorschriften zoals deze van toepassing zijn in de openbare lichamen wordt geen onderscheid gemaakt ten aanzien van de publiekrechtelijke rechtsgevolgen van huwelijken of geregistreerd partnerschappen voltrokken op grond van het in het Europese deel van Nederland geldende Burgerlijk Wetboek, en huwelijken, gesloten op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek BES in een van de openbare lichamen.

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 4b
1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op:

2.

In dit hoofdstuk worden onder «de organen van de openbare lichamen» en «de Rijksvertegenwoordiger» mede begrepen de onder hun onderscheidenlijk zijn verantwoordelijkheid werkzame personen.

Artikel 4c
1.

De in artikel 4b, eerste lid, bedoelde organen en personen gebruiken de Nederlandse taal, tenzij bij of krachtens dit hoofdstuk anders is bepaald.

2.

Zij kunnen een andere taal gebruiken dan bij of krachtens dit hoofdstuk is bepaald, indien het gebruik daarvan doelmatiger is en de belangen van derden daardoor niet onevenredig worden geschaad.

§ 2. Het bestuurlijk verkeer tussen de overheid en particulieren

Artikel 4d
1.

Een ieder kan de Nederlandse taal gebruiken in het verkeer met de in artikel 4b, eerste lid, bedoelde organen en personen.

2.

Een ieder kan:

3.

Een ieder kan het Papiaments ofwel het Engels gebruiken in het verkeer met de Rijksvertegenwoordiger en met personen die in de openbare lichamen werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van de centrale overheid.

4.

Het tweede en derde lid gelden niet, indien het orgaan of de persoon heeft verzocht de Nederlandse taal te gebruiken op de grond, dat het gebruik van het Papiaments of het Engels tot een onevenredige belasting van het bestuurlijk verkeer zou leiden.

Artikel 4e
1.

De organen van het openbaar lichaam Bonaire kunnen in het mondeling verkeer met een ieder het Papiaments gebruiken.

2.

De organen van het openbaar lichaam Sint Eustatius of Saba kunnen in het mondeling verkeer met een ieder het Engels gebruiken.

3.

De Rijksvertegenwoordiger en personen die in de openbare lichamen werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van de centrale overheid kunnen in het mondeling verkeer met een ieder het Papiaments en het Engels gebruiken indien de wederpartij hierom heeft verzocht.

4.

Het eerste en tweede lid gelden niet, indien de wederpartij heeft verzocht de Nederlandse taal te gebruiken op de grond, dat het gebruik van het Papiaments of het Engels tot een onbevredigend verloop van het mondeling verkeer zou leiden.

§ 3. Het bestuurlijk verkeer bij de overheden en tussen hen onderling

Artikel 4f
1.

De in artikel 4b, eerste lid, bedoelde organen en personen maken in hun onderling schriftelijk verkeer en in het schriftelijke verkeer met in het Europese deel van Nederland gevestigde organen alleen gebruik van het Nederlands.

2.

Indien het gebruik daarvan doelmatiger is en de belangen van derden daardoor niet onevenredig worden geschaad kunnen in afwijking van het eerste lid:

3.

De in artikel 4b, eerste lid, bedoelde organen en personen kunnen in hun onderling mondeling verkeer alleen gebruik van het Papiaments ofwel het Engels maken indien het gebruik daarvan doelmatiger is en de belangen van derden daardoor niet onevenredig worden geschaad.

Artikel 4g
1.

Een ieder kan in vergaderingen van de eilandsraad van het openbaar lichaam Bonaire dan wel van het openbaar lichaam Sint Eustatius of Saba het Papiaments onderscheidenlijk het Engels gebruiken.

2.

Hetgeen in het Papiaments dan wel in het Engels is gezegd, wordt in het Papiaments onderscheidenlijk het Engels genotuleerd.

§ 4. Bijzondere bepalingen inzake schriftelijke stukken van de overheid

Artikel 4h

Onverminderd artikel 4f kan:

Artikel 4i
1.

Indien een schriftelijk stuk in het Papiaments ofwel het Engels is opgesteld, verstrekken de in artikel 4b, eerste lid, bedoelde organen en personen daarvan op verzoek van een natuurlijk persoon of rechtspersoon die ingezetene is van of gevestigd is in de openbare lichamen een vertaling in de Nederlandse taal, tenzij het verstrekken tot een onevenredige belasting van het bestuurlijk verkeer zou leiden.

2.

Het orgaan of de persoon kan voor het vertalen een vergoeding van ten hoogste de kosten verlangen.

3.

Voor het vertalen kan geen vergoeding worden verlangd, indien het schriftelijk stuk:

Artikel 4j
1.

Een schriftelijk stuk in het Papiaments of in het Engels wordt tevens in de Nederlandse taal opgesteld, indien het:

2.

De bekendmaking, mededeling of terinzagelegging van een schriftelijk stuk als bedoeld in het eerste lid geschiedt in ieder geval ook in de Nederlandse taal, tenzij redelijkerwijs kan worden aangenomen dat daaraan geen behoefte bestaat.

Hoofdstuk 5. Toepassing noodbevoegdheden buiten een noodtoestand in Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Hoofdstuk 6. Delegatiegrondslagen

§ 1. Minister voor Jeugd en Gezin

§ 2. Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

§ 3. Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

§ 4. Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Bijlage. , bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Minister van Verkeer en Waterstaat

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

Minister voor Wonen, Wijken en Integratie

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 18.4.7a

Voor de toepassing van de artikelen 18.4.7b, 18.4.7c, 18.4.7d, 18.4.7e, 18.4.7f, 18.4.7g, 18.4.7h en 18.4.7i wordt verstaan onder:

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Bijlage. , bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Minister van Algemene Zaken

Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Minister van Algemene Zaken

Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

Minister van Buitenlandse Zaken

Minister van Defensie

Minister van Economische Zaken

Minister van Financiën

Minister voor Jeugd en Gezin

Minister van Justitie

Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

C Regelingen die de status van ministeriële regeling verkrijgen

Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

C Regelingen die de status van ministeriële regeling verkrijgen

Minister van Verkeer en Waterstaat

C Regelingen die de status van ministeriële regeling verkrijgen

Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

C Regelingen die de status van ministeriële regeling verkrijgen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Artikel 18.4.7b
1.

Een aanbieder van jeugdzorg verleent verantwoorde jeugdzorg. Onder verantwoorde jeugdzorg wordt verstaan: jeugdzorg van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige.

2.

De verlening van verantwoorde jeugdzorg omvat mede de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van jeugdzorg.

Artikel 18.4.7c
1.

De (gezins)voogdij-instelling voert verantwoorde gezinsvoogdij uit en oefent verantwoorde voogdij uit. Onder verantwoorde (gezins)voogdij wordt verstaan: (gezins)voogdij van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige.

2.

De verlening van verantwoorde (gezins)voogdij omvat mede de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van (gezins)voogdij.

Artikel 18.4.7d
1.

De aanbieder van jeugdzorg en de (gezins)voogdij-instelling doen aan de ambtenaren, bedoeld in artikel 18.4.7e, eerste lid, onverwijld melding van:

2.

De aanbieder van jeugdzorg en de (gezins)voogdij-instelling verstrekken bij en naar aanleiding van een melding als bedoeld in het eerste lid aan de ambtenaren, bedoeld in artikel 18.4.7e, eerste lid, de gegevens, daaronder begrepen persoonsgegevens, gegevens betreffende de gezondheid en andere bijzondere persoonsgegevens, die voor het onderzoeken van de melding en voor het onderzoeken van de kwaliteit van de jeugdzorg of (gezins)voogdij, verleend voor, tijdens en na de gemelde calamiteit of het gemelde geweld noodzakelijk zijn.

3.

Voor zover bij het onderzoeken van een melding gegevens van een jeugdige ter beschikking van de ambtenaren, bedoeld in artikel 18.4.7e, eerste lid, zijn gekomen, ter zake waarvan de betrokken beroepsbeoefenaar uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is, geldt gelijke verplichting voor de betrokken ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd.

Artikel 18.4.7e
1.

De ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd zijn belast:

2.

De ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd houden, in afwijking van het eerste lid, geen toezicht op de naleving van de taak, genoemd in artikel 1:240, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek BES.

3.

De ambtenaren, genoemd in het eerste lid, nemen bij de vervulling van hun taak de instructies van Onze Ministers in acht.

4.

De Inspectie gezondheidszorg en jeugd verricht haar taak uit eigen beweging of op verzoek van een van Onze Ministers.

Artikel 18.4.7f
1.

Indien een van Onze Ministers van oordeel is dat artikel 18.4.7b, artikel 18.4.7c, artikel 18.4.7d of de krachtens artikel 18.4.7i gestelde regels niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze worden nageleefd, kan hij de aanbieder van jeugdzorg, dan wel de (gezins)voogdij-instelling een aanwijzing geven.

2.

In de aanwijzing geeft de Minister die het aangaat met redenen omkleed aan welke maatregelen de aanbieder van jeugdzorg of de (gezins)voogdij-instelling moet nemen met het oog op de naleving van artikel 18.4.7b, artikel 18.4.7c, artikel 18.4.7d of de krachtens artikel 18.4.7i gestelde regels.

3.

De aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de aanbieder van jeugdzorg of de (gezins)voogdij-instelling aan de aanwijzing moet voldoen.

4.

Indien het nemen van maatregelen in verband met gevaar voor de veiligheid, gevaar voor de gezondheid of gevaar voor ernstige aantasting van overige belangen van de jeugdigen redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kunnen de ambtenaren, bedoeld in artikel 18.4.7e, eerste lid, een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door een van Onze Ministers kan worden verlengd.

5.

De aanbieder van jeugdzorg en de (gezins)voogdij-instelling zijn verplicht binnen de daarbij gestelde termijn aan de aanwijzing, onderscheidenlijk onmiddellijk aan het bevel te voldoen.

6.

Mandaat tot het verlengen van de geldigheidsduur van een bevel wordt niet verleend aan de ambtenaren, bedoeld in artikel 18.4.7e, eerste lid.

Artikel 18.4.7g

De Minister die het aangaat is bevoegd een last onder bestuursdwang op te leggen ter zake van een gedraging die in strijd is met een krachtens artikel 18.4.7f gegeven aanwijzing of bevel.

Artikel 18.4.7h
1.

De ambtenaren, bedoeld in artikel 18.4.7e, eerste lid, verwerken gegevens ten behoeve van de taken bedoeld in artikel 18.4.7d en 18.4.7e, eerste lid.

2.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, kunnen persoonsgegevens zijn, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de taken van de ambtenaren, bedoeld in artikel 18.4.7d en 18.4.7e, eerste lid.

3.

Tot de persoonsgegevens kunnen gegevens behoren betreffende iemands etnische of culturele achtergrond, seksuele leven of gezondheid, alsmede strafrechtelijke gegevens.

4.

De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden niet verwerkt voor andere doeleinden dan genoemd in het tweede lid of daarmee verenigbare doeleinden en worden daar waar mogelijk verwerkt op een wijze die waarborgt dat zij niet tot een persoon herleidbaar zijn.

5.

De ambtenaren, bedoeld in artikel 18.4.7e, eerste lid, zijn, voor zover dat voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is en in afwijking van artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot inzage van dossiers. Voor zover de betrokken beroepsbeoefenaar uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding van het dossier verplicht is, geldt gelijke verplichting voor de betrokken ambtenaar.

Artikel 18.4.7i

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent jeugdzorg in de openbare lichamen, met inbegrip van de toegang, het aanbod, de kwaliteit, de bekostiging en een bijdrage in de kosten van de jeugdzorg.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Bijlage. , bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Invoeringswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba

Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

C Regelingen die de status van ministeriële regeling verkrijgen

Minister voor Wonen, Wijken en Integratie

A Regelingen die de status van wet verkrijgen

B Regelingen die de status van algemene maatregel van bestuur verkrijgen

C Regelingen die de status van ministeriële regeling verkrijgen

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.