Besluit van 24 juli 2010, houdende tijdelijke voorzieningen voor de samenwerking bij en de waarborging van de uitvoering van de plannen van aanpak door de landen Curaçao en Sint Maarten (Samenwerkingsregeling waarborging plannen van aanpak landstaken Curaçao en Sint Maarten)
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 12 maart 2010, nr. 2010-0000160250, CZW, in overeenstemming met de regering van de Nederlandse Antillen en de bestuurscolleges van de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten;
Gelet op artikel 38, eerste en tweede lid, van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden;
De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 29 april 2010, nr. W04.10.0085/I/K);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 2 juli 2010, nr. 2010-0000473843, CZW, in overeenstemming met de regering van de Nederlandse Antillen en de bestuurscolleges van de eilandgebieden Curaçao en Sint Maarten;
De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in acht genomen zijnde;
Overwegende, dat het wenselijk is dat er in samenwerking tussen Curaçao, Sint Maarten en Nederland, met toepassing van Paragraaf 3 van het Statuut voor het Koninkrijk (Onderlinge bijstand, overleg en samenwerking) voorzieningen worden getroffen die waarborgen dat landstaken die op de datum dat Curaçao en Sint Maarten land worden binnen het Koninkrijk nog niet door Curaçao dan wel Sint Maarten kunnen worden uitgevoerd overeenkomstig de overeengekomen toetsingscriteria, vanaf de datum van transitie op een voldoende niveau worden uitgevoerd en dat Curaçao dan wel Sint Maarten op termijn deze taken wel overeenkomstig de criteria kunnen uitvoeren;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk.
Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen
Artikel 1. Begripsbepalingen
In dit besluit wordt verstaan onder:
- a. Land: het land Curaçao of het land Sint Maarten;
- b. ministerieel overleg: het ministerieel overleg plannen van aanpak Curaçao of het ministerieel overleg plannen van aanpak Sint Maarten, bedoeld in artikel 10;
- c. Onze Minister: Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties;
- d. Onze Minister-President van het Land: Onze Minister-President van het land Curaçao of Onze Minister-President van het land Sint Maarten;
- e. Onze Minister van het Land: Onze Minister van het Land die verantwoordelijk is voor de uitoefening van een taak waarvoor een plan van aanpak is opgesteld;
- f. plan van aanpak: een plan van aanpak als bedoeld in artikel 2 zoals bekrachtigd door de Slot Ronde Tafel Conferentie of zoals nadien gewijzigd en bekrachtigd door het ministerieel overleg;
- g. toetsingscriteria: de criteria zoals deze zijn neergelegd in de brief d.d. 7 maart 2006 van de voorbereidingscommissie Ronde Tafel Conferentie aan de Voorzitter van de Ronde Tafel Conferentie waarover overeenstemming bestaat, de Slotverklaring van 2 november 2006 en de overige vervolgafspraken hierover;
- h. voortgangscommissie: de voortgangscommissie Curaçao of de voortgangscommissie Sint Maarten, bedoeld in artikel 3.
Hoofdstuk 2. Plannen van aanpak
Artikel 2. Plannen van aanpak
Indien het Land op grond van de toetsingscriteria niet of onvoldoende in staat is met ingang van de datum van transitie een taak uit te oefenen, is er voor deze taak een plan van aanpak.
In een plan van aanpak wordt aangegeven:
- a. op welke wijze een taak uiterlijk binnen twee jaar na de transitiedatum in overeenstemming met de toetsingscriteria kan worden verricht en
- b. op welke wijze de taak gedurende de looptijd van het plan van aanpak wordt verricht.
Een plan van aanpak bevat specifieke, meetbare en tijdgebonden resultaten alsmede een tijdschema.
Een plan van aanpak is bekrachtigd door de Slot Ronde Tafel Conferentie.
Een plan van aanpak heeft uitsluitend betrekking op een van de organisaties en taken genoemd in de bijlage bij dit besluit.
Onze Minister van het Land kan een plan van aanpak zoals bekrachtigd door de Slot Ronde Tafel Conferentie wijzigen, mits deze wijziging wordt bekrachtigd door het ministerieel overleg.
Hoofdstuk 3. De instelling en inrichting van de voortgangscommissies
Artikel 3. De instelling van de voortgangscommissie
Indien voor een Land een of meer plannen van aanpak zijn vastgesteld, dan wordt bij koninklijk besluit een voortgangscommissie ingesteld, indien het Curaçao betreft, onder de naam «voortgangscommissie Curaçao» en, indien het Sint Maarten betreft, onder de naam «voortgangscommissie Sint Maarten».
Elke voortgangscommissie bestaat uit drie leden, waaronder een voorzitter.
De leden van de voortgangscommissie oefenen hun functie uit zonder last of ruggespraak.
De voortgangscommissie heeft haar zetel in het desbetreffende Land.
Artikel 4. De benoeming en het ontslag van de leden van de voortgangscommissie
De voorzitter en de andere leden worden benoemd op grond van deskundigheid en ervaring op het gebied van overheidsorganisaties.
De raad van ministers van het Koninkrijk beslist over de benoeming van de voorzitter en de andere leden volgens de volgende procedure:
- a. een lid in overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers van het Land op aanbeveling van Onze Minister-President van het Land;
- b. een lid in overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers van Nederland op aanbeveling van Onze Minister-President van Nederland, en
- c. een lid, tevens voorzitter, in overeenstemming met het gevoelen van de raad van ministers van het Land en met het gevoelen van de raad van ministers van Nederland.
De benoeming geschiedt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister.
De leden worden benoemd voor de periode gedurende welke dit besluit van kracht is. Indien de periode gedurende welke dit besluit van kracht is bij koninklijk besluit op grond van artikel 42 wordt verlengd, wordt de benoeming van rechtswege verlengd voor de duur van de verlenging.
Een lid wordt op eigen verzoek ontslagen.
Een lid wordt ontslagen wegens het aanvaarden van een ambt, betrekking of functie als bedoeld in artikel 5, eerste lid. Voorts kan een lid worden geschorst of ontslagen wegens ongeschiktheid voor de vervulde functie, dan wel wegens andere zwaarwegende in zijn persoon gelegen redenen, dan wel wegens het aanvaarden van een nevenfunctie of andere betrekking als bedoeld in artikel 5, tweede lid.
De raad van ministers van het Koninkrijk beslist over schorsing en ontslag met overeenkomstige toepassing van de procedure van het tweede lid. Schorsing en ontslag geschiedt bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister.
Voorafgaande aan een ontslag of een schorsing wordt de voortgangscommissie gehoord, tenzij de omstandigheden met betrekking tot het ontslag of de schorsing dat belemmeren.
Onze Minister stelt de vaste vergoeding van de leden van de voortgangscommissie vast. Hierbij wordt de toepasselijke salarisschaal van bijlage B van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren en de toepasselijke deeltijdfactor aangegeven. De leden hebben voorts overeenkomstig het Reisbesluit binnenland en het Reisbesluit buitenland recht op vergoeding van reis- en verblijfskosten. Daarnaast hebben de leden op declaratiebasis recht op vergoeding van kosten van internationale telefoongesprekken die zij maken in het kader van de werkzaamheden voor de voortgangscommissie.
Artikel 5. Incompatibiliteiten en verboden nevenfuncties
Een lid van de voortgangscommissie kan niet tevens zijn:
- a. Gouverneur;
- b. minister of staatssecretaris van het Land of van Nederland;
- c. lid van de Staten van het Land of van de Staten-Generaal;
- d. lid van de Raad van Advies van het Land;
- e. lid van de Raad van State van het Koninkrijk of staatsraad in buitengewone dienst bij de Raad van State van het Koninkrijk;
- f. lid van de Algemene Rekenkamer van het Land of van Nederland;
- g. nationale ombudsman of substituut-ombudsman van het Land of van Nederland;
- h. ambtenaar bij een ministerie, alsmede de daaronder ressorterende instellingen, diensten en bedrijven van het Land of van Nederland;
- i. lid van de rechterlijke macht;
- j. procureur-generaal of advocaat-generaal bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Een lid vervult overigens ook geen nevenfunctie of andere betrekking die ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn functie of de handhaving van zijn onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin.
Een lid meldt het voornemen tot het aanvaarden van een nevenfunctie of andere betrekking aan de voortgangscommissie. De voortgangscommissie informeert de raad van ministers van het Koninkrijk door tussenkomst van Onze Minister en de raad van ministers van het Land.
De voortgangscommissie maakt de nevenfuncties en andere betrekkingen van een lid openbaar. Openbaarmaking geschiedt bij zijn benoeming en voorts door jaarlijkse publicatie van een opgave van deze nevenfuncties en betrekkingen in de Staatscourant en een in het Land algemeen verkrijgbaar publicatieblad.
Artikel 6. Uitvoeringsapparaat
De voortgangscommissie heeft een secretaris.
Aan de secretaris kunnen medewerkers worden toegevoegd.
De secretaris en de medewerkers worden op voordracht van de voortgangscommissie vanwege Onze Minister aan de voortgangscommissie ter beschikking gesteld.
De secretaris en de medewerkers staan onder gezag van de voortgangscommissie en leggen uitsluitend aan de voortgangscommissie verantwoording af.
De secretaris en de medewerkers zijn geen lid van de voortgangscommissie.
Artikel 7. Besluitvorming
De voortgangscommissie streeft bij het nemen van besluiten naar consensus.
Zo nodig besluit de commissie bij meerderheid van stemmen. Indien de stemmen staken, heeft de voorzitter een doorslaggevende stem.
Een lid kan zich doen vertegenwoordigen door een ander lid, mits hij daartoe schriftelijk volmacht heeft verleend aan dat lid. De voorzitter beoordeelt de deugdelijkheid van de volmacht. Een lid kan slechts voor één ander lid als gevolmachtigde optreden.
De voorzitter en de secretaris van de voortgangscommissie bevorderen een doelmatige en voorspoedige uitvoering van de taken van de voortgangscommissie.
Artikel 8. Toelating
De leden, de secretaris en de medewerkers van de voortgangscommissie alsmede hun echtgenoten of geregistreerde partners en minderjarige kinderen voor zover zij met hen een gemeenschappelijke huishouding voeren, zijn van rechtswege toegelaten tot het desbetreffende Land. Aan de leden, de secretaris en de medewerkers van de voortgangscommissie alsmede hun echtgenoten of geregistreerde partners worden geen nadere voorwaarden gesteld voor de uitoefening van een beroep of het verrichten van arbeid.
Artikel 9. Bekostiging
De vergoeding van de leden, de secretaris en de medewerkers van de voortgangscommissie, alsmede de bekostiging van de overige apparaatsuitgaven komen voor de helft ten laste van de begroting van Onze Minister en voor de helft ten laste van de begroting van het Land.
Hoofdstuk 4. Het ministerieel overleg
Artikel 10. Instelling ministerieel overleg
Indien voor een Land een of meer plannen van aanpak zijn vastgesteld, is er, indien het Curaçao betreft, een ministerieel overleg plannen van aanpak Curaçao en, indien het Sint Maarten betreft, een ministerieel overleg plannen van aanpak Sint Maarten.
Het ministerieel overleg bestaat uit de volgende twee leden:
- a. Onze Minister-President van het Land en
- b. Onze Minister.
Onze Minister-President van het Land treedt op als voorzitter van het ministerieel overleg.
Artikel 11. De ondersteuning
Het ministerieel overleg heeft een secretaris.
De secretaris wordt op voordracht van het ministerieel overleg vanwege Onze Minister-President van het Land aan het ministerieel overleg ter beschikking gesteld.
De secretaris is geen lid van het ministerieel overleg.
Artikel 12. De wijze van besluitvorming
Het ministerieel overleg besluit bij eenparigheid van stemmen na Onze Minister van het Land te hebben gehoord.
Indien het ministerieel overleg bij de uitvoering van zijn taken niet tot overeenstemming kan komen, stelt Onze Minister zo spoedig mogelijk de raad van ministers van het Koninkrijk hiervan in kennis.
Artikel 13. De bijeenkomsten
Het ministerieel overleg vergadert zo vaak als een lid van dat overleg dat nodig acht.
Hoofdstuk 5. De taken van en medewerking door Onze Minister van het Land
Artikel 14. De taken van Onze Minister van het Land
Onze Minister van het Land heeft tot taak:
- a. het plan van aanpak waarvoor hij verantwoordelijk is uit te voeren overeenkomstig het tijdschema in het plan;
- b. overeenkomstig artikel 15 te rapporteren aan de voortgangscommissie over de voortgang en de uitvoering van de plannen van aanpak;
- c. overeenkomstig de hoofdstukken 8 en 10 zo nodig het plan van aanpak waarvoor hij verantwoordelijk is te wijzigen;
- d. overeenkomstig de hoofdstukken 9 en 10 zo nodig de uitvoering van het plan van aanpak waarvoor hij verantwoordelijk is, te wijzigen.
Artikel 15. De uitvoeringsrapportage
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.