Wet voorschriften bestrijdingsmiddelen BES
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
Deze wet en de ter uitvoering daarvan te geven voorschriften verstaan onder:
- bestrijdingsmiddelen: elke stof of elk mengsel van stoffen, alsmede micro-organismen, bestemd om als zodanig of met andere stoffen gemengd, te worden gebruikt bij:
- a. de bestrijding van onkruid en van ongewenste groei bij planten of delen van planten dan wel bij het doden van loof;
- b. de bestrijding van de verwekkers van plantenziekten;
- c. de bestrijding en afweer van dieren, welke schade kunnen aanrichten aan gewassen in land-, tuin- en bosbouw in de ruimste zin;
- d. de bestrijding en afweer van ander gedierte;
- e. de wering van bederf van de voortbrengselen van land-, tuin- en bosbouw in de ruimste zin;
- Onze Minister: Onze Minister, bedoeld in artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;
- bevoegde instantie: door Onze Minister aangewezen dienst, autoriteit of instantie.
Artikel 2
De handel in enig bestrijdingsmiddel is toegestaan, mits door de fabrikant of de importeur tenminste drie maanden te voren van het voornemen daartoe aan de bevoegde instantie schriftelijk kennis is gegeven.
Deze kennisgeving moet zijn vergezeld:
- a. van een monster van het betreffende middel, van voldoende grootte om de nodige onderzoekingen te kunnen verrichten;
- b. van een zodanige beschrijving van aard en samenstelling van het middel, alsmede van een opgave van de te garanderen gehalten aan waardegevende bestanddelen en van zodanige verdere gegevens omtrent deze bestanddelen, dat deze de grondslag kunnen vormen voor een onderzoek van de chemische samenstelling en fysische toestand;
- c. van een opgave van alle bestanddelen, welke giftig zijn voor mensen en warmbloedige dieren;
- d. van een opgave van het doel, waarvoor het bestrijdingsmiddel bestemd is, van de toepassingsmogelijkheden en van een nauwkeurige gebruiksaanwijzing, alsmede van de naam of aanduiding, waaronder het middel in de handel zal worden gebracht.
Artikel 3
Onze Minister kan bepalen, dat op de verpakking van met name of op grond van hun samenstelling algemeen aan te duiden bestrijdingsmiddelen duidelijk moeten worden aangeduid:
- a. de juiste in de scheikunde gebruikelijke naam van het vergif of van het vergiftige bestanddeel, onderscheidenlijk van de vergiftige bestanddelen;
- b. de wijze, waarop nadeel voor de gezondheid van de gebruikers en van anderen kan worden voorkomen;
- c. de voornaamste vergiftigingsverschijnselen.
De verpakking van bestrijdingsmiddelen moet deugdelijk zijn.
Artikel 4
Onze Minister kan in het belang van de volksgezondheid de invoer in het vrije verkeer verbieden van met name of op grond van hun samenstelling algemeen aan te duiden bestrijdingsmiddelen.
Artikel 5
Onze Minister kan in het belang van de volksgezondheid de openlijke aankondiging verbieden van met name of op grond van hun samenstelling algemeen aan te duiden bestrijdingsmiddelen, indien de invoer daarvan in het vrije verkeer ingevolge het vorige artikel verboden is of indien deze aankondiging een valse of misleidende aanprijzing bevat.
Artikel 6
Bij ministeriële regeling, kunnen bestrijdingsmiddelen worden aangewezen, waarvan de aankoop en de aanwending door de gebruiker uitsluitend is toegestaan op grond van een door of vanwege het bestuurscollege verleende vergunning.
Aan de in het eerste lid bedoelde vergunning kunnen in het belang van de volksgezondheid de voorwaarden worden verbonden, dat de aanwending geschiedt:
- a. met inachtneming van noodzakelijke maatregelen ter bescherming van mens en dier;
- b. door of onder het toezicht van de door of vanwege het bestuurscollege aan te wijzen personen.
Artikel 7
Door of vanwege het bestuurscollege kan de in het vorige artikel bedoelde vergunning op met redenen omklede gronden worden geweigerd, gewijzigd en ingetrokken.
De belanghebbende kan bij Onze Minister beroep instellen tegen de weigering, wijziging of intrekking van een vergunning.
Ingeval beroep wordt ingesteld tegen een beslissing, inhoudende de weigering, wijziging of intrekking van een vergunning, kan de aangevochten beslissing in beroep worden gewijzigd. De gewijzigde beslissing treedt in de plaats van die, waartegen beroep werd ingesteld.
Hoofdstuk 2. Toezicht en handhaving
Artikel 8
Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de door Onze Minister aangewezen ambtenaren. Een zodanige aanwijzing wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.
De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn, uitsluitend voor zover dat voor de vervulling van hun taak redelijkerwijze noodzakelijk is, bevoegd:
- a. alle inlichtingen te vragen;
- b. inzage te verlangen van alle boeken, bescheiden en andere informatiedragers en daarvan afschrift te nemen of deze daartoe tijdelijk mee te nemen;
- c. goederen aan opneming en onderzoek te onderwerpen, deze daartoe tijdelijk mee te nemen en daarvan monsters te nemen;
- d. alle plaatsen, met uitzondering van woningen zonder de uitdrukkelijke toestemming van de bewoner, te betreden, vergezeld van door hen aangewezen personen;
- e. vaartuigen, stilstaande voertuigen en de lading daarvan te onderzoeken.
Zo nodig, wordt de toegang tot een plaats als bedoeld in het tweede lid, onderdeel d, verschaft met behulp van de sterke arm.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de wijze van taakuitoefening van de in het eerste lid bedoelde ambtenaren.
Een ieder is verplicht aan de in het eerste lid bedoelde ambtenaren alle medewerking te verlenen die op grond van het tweede lid wordt gevorderd.
Artikel 9
Overtreding van de bij of krachtens de artikelen 2 tot en met 6 gestelde voorschriften of voorwaarden wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste veertien dagen of een geldboete van de eerste categorie.
Indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige wegens gelijke overtreding onherroepelijk is geworden, kunnen de in het eerste lid genoemde straffen worden verdubbeld. Met een vroegere veroordeling wordt gelijkgesteld de vrijwillige voldoening aan de voorwaarde door de bevoegde ambtenaar van het openbaar ministerie krachtens artikel 76, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht BES gesteld.
De in dit artikel strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen.
Artikel 10
Op het binnentreden van woningen of van als woning bestemde gedeelten van vaartuigen als bedoeld in artikel 8 is Titel X van het Derde Boek van het Wetboek van Strafvordering BES van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de artikelen 155, vierde lid, 156, tweede lid, 157, tweede en derde lid, 158, eerste lid, voor zover het betreft de zinsnede die aanvangt met «en» en eindigt met «verdenking», en 160, eerste lid, en met dien verstande dat de machtiging wordt verleend door de procureur-generaal.
Zij die uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift verplicht zijn tot geheimhouding, kunnen het verlenen van medewerking aan de toezichthoudend ambtenaar weigeren, voor zover dit uit hun geheimhoudingsplicht voortvloeit.
Artikel 11
Bij de uitoefening van hun taak dragen de toezichthouders een door Onze Minister te verstrekken legitimatiebewijs bij zich.
Desgevraagd tonen zij hun legitimatiebewijs aanstonds.
Het legitimatiebewijs bevat een foto van de toezichthouder en vermeldt in ieder geval diens naam en hoedanigheid.
Bestuursdwang
Artikel 12
Onze Minister is bevoegd tot het doen wegnemen, ontruimen, beletten, in de vorige toestand herstellen of verrichten van hetgeen in strijd met in deze wet of de daarop berustende bepalingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.
Artikel 13
Een beslissing tot toepassing van bestuursdwang als bedoeld in artikel 12 wordt op schrift gesteld en geldt als een beschikking.
De bekendmaking ervan geschiedt aan de overtreder en eventuele andere rechthebbenden.
In de beschikking wordt een termijn gesteld waarbinnen de overtreder en eventueel andere rechthebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf de in de beschikking vermelde maatregelen te treffen.
Indien de situatie dermate spoedeisend is dat de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan worden gesteld, wordt alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en de bekendmaking ervan gezorgd.
Artikel 14
De overtreder is de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd,tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.
De beschikking vermeldt dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder plaatsvindt.
Indien echter de kosten geheel of gedeeltelijk niet ten laste van de overtreder zullen worden gebracht, wordt dat in de beschikking vermeld.
Onder de kosten worden begrepen de kosten verbonden aan de voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze kosten zijn gemaakt na het tijdstip waarop de termijn, bedoeld in artikel 13, derde lid, is verstreken.
De kosten zijn ook verschuldigd indien de bestuursdwang door opheffing van de onrechtmatige situatie niet of niet volledig is uitgevoerd.
Artikel 15
Onze Minister kan van de overtreder bij dwangbevel de verschuldigde kosten, verhoogd met de op de invordering vallende kosten, invorderen.
Het dwangbevel wordt op kosten van de overtreder bij deurwaardersexploot betekend en levert een executoriale titel op in de zin van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering BES.
Gedurende zes weken na de dag van betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de Staat der Nederlanden.
Het verzet schorst de tenuitvoerlegging. Op verzoek van de Staat kan het gerecht in eerste aanleg de schorsing van de tenuitvoerlegging opheffen.
Artikel 16
De kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang zijn bevoorrecht op de zaak ten aanzien waarvan zij zijn besteed en worden na de kosten, bedoeld in artikel 284 van het Burgerlijk Wetboek BES, uit de opbrengst van de zaak betaald.
Artikel 17
Om aan een beslissing van bestuursdwang uitvoering te geven, komen de personen die daartoe door de bevoegde instantie zijn aangewezen, de bevoegdheden toe, genoemd in artikel 8, tweede en derde lid. Artikel 10, eerste lid, is van toepassing.
Artikel 18
Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort het verzegelen van gebouwen, terreinen en hetgeen zich daarin of daarop bevindt.
Artikel 19
Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort het meevoeren en opslaan van daarvoor vatbare zaken voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vereist. Indien zaken zijn meegevoerd en opgeslagen, doet de bevoegde instantie daarvan proces-verbaal opmaken, waarvan afschrift wordt verstrekt aan de rechthebbende. De bevoegde instantie draagt zorg voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft deze zaken terug aan de rechthebbende, zodra dat redelijkerwijs nodig is. De bevoegde instantie is bevoegd de afgifte op te schorten totdat de verschuldigde kosten zijn voldaan. De Staat is niet aansprakelijk voor afgifte van het opgeslagene aan een onbevoegde.
Artikel 20
Onze Minister is bevoegd, indien een opgeslagen zaak niet binnen dertien weken na de opslag kan worden teruggegeven aan de rechthebbende, deze te doen verkopen of, indien verkoop naar zijn oordeel niet mogelijk is, de zaak om niet aan een derde in eigendom over te dragen of te laten vernietigen.
Gelijke bevoegdheid heeft Onze Minister ook binnen die termijn zodra de aan de toepassing van bestuursdwang verbonden kosten vermeerderd met de voor de verkoop, de eigendomsoverdracht om niet of de vernietiging geraamde kosten, in verhouding tot de waarde van de zaak onevenredig hoog worden.
Verkoop, eigendomsoverdracht of vernietiging vindt niet plaats binnen twee weken na de verstrekking van het afschrift van het proces-verbaal betreffende het meevoeren en opslaan, tenzij het gevaarlijke stoffen of eerder aan bederf onderhevige stoffen betreft.
Gedurende drie jaren na het tijdstip van verkoop heeft degene die op dat tijdstip rechthebbende was, recht op de opbrengst van het goed onder aftrek van de aan de toepassing van bestuursdwang verbonden kosten en de kosten van de verkoop. Indien de rechthebbende niet tevens de overtreder is, worden van de opbrengst de kosten van bestuursdwang niet in mindering gebracht.
De Staat is niet aansprakelijk voor afgifte van de opbrengst uit de verkoop aan een onbevoegde.
Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ter zake van het in het eerste lid bedoelde in eigendom overdragen aan een derde.
Last onder dwangsom
Artikel 21
Onze Minister kan in plaats van het uitoefenen van bestuursdwang aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen, die ertoe strekt de overtreding ongedaan te maken dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.