Arbeidswet 2000 BES
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1
Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn van toepassing op het verrichten en het laten verrichten van arbeid.
Deze wet en de daarop berustende bepalingen zijn niet van toepassing op arbeid, verricht:
- a. door het hoofd of de bestuurder van de onderneming en zijn echtgenoot of bloedverwant in de eerste graad, dan wel verricht door personen, niet zijnde hoofd of bestuurder, die dezelfde bevoegdheden hebben als het hoofd of de bestuurder;
- b. door straatventers, vissers, kleine handelslieden en land- en tuinbouwers, die geen vergunning nodig hebben op grond van de Wet vestiging bedrijven BES;
- c. met een wetenschappelijk doeleinde;
- d. door geneeskundigen en verloskundigen, alsmede door personen die werkzaam zijn in een zieken- of verzorgingsinrichting anders dan op basis van een arbeidsovereenkomst of een publiekrechtelijke aanstelling;
- e. door personen van 18 jaar of ouder ten behoeve van luchtvaartondernemingen en direct verband houdende met de aankomst of het vertrek van luchtvaartuigen en de daarmee vervoerde personen of goederen;
- f. door personen van 18 jaar of ouder als bemanning ten behoeve van het luchtvaartuig waarop zij dienst doen;
- g. door personen van 18 jaar of ouder ten behoeve van scheepvaartondernemingen en direct verband houdende met de aankomst of het vertrek van schepen en de daarmee vervoerde personen of goederen;
- h. door personen van 18 jaar of ouder als opvarende van het schip waarop zij dienst doen;
- i. door havenarbeiders van 18 jaar of ouder, waarop de Stuwadoorswet 1946 BES van toepassing is;
- j. door personen van 18 jaar of ouder, die ambtenaar zijn in de zin van de Ambtenarenwet BES of van wie de arbeidsvoorwaarden bij of krachtens wettelijke regeling door Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dienen te worden goedgekeurd.
Artikel 2
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. werknemer: de arbeider, bedoeld in artikel 1613a van het Burgerlijk Wetboek BES;
- b. werkgever: de werkgever, bedoeld in artikel 1613a van het Burgerlijk Wetboek BES, met uitzondering van degene die beroepsmatig arbeidskrachten ter beschikking stelt aan een derde als bedoeld in de Wet op het ter beschikking stellen van arbeidskrachten BES, doch met inbegrip van degene aan wie arbeidskrachten ter beschikking worden gesteld als bedoeld in die wet;
- c. kinderen: personen die de leeftijd van vijftien jaar nog niet hebben bereikt;
- d. jeugdigen: personen die de leeftijd van vijftien jaar, maar nog niet de leeftijd van achttien jaar, hebben bereikt;
- e. Onze Minister: Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a. arbeidsduur: het aantal uren dat de werknemer per week of per dag werkt met uitzondering van overwerk;
- b. arbeidstijd: de tijdstippen waarbinnen de werknemer arbeid verricht;
- c. werktijden: de tijdstippen van aanvang en beëindiging van de arbeid;
- d. rusttijd: de tijd gedurende welke het verboden is arbeid te laten verrichten, anders dan bij wijze van overwerk;
- e. schemawerk: arbeid, niet zijnde overwerk, verricht volgens een periodiek werkrooster op verschillende, met het oog op de aard van de onderneming noodzakelijke, tijdstippen waardoor de arbeidstijd geheel of gedeeltelijk valt binnen de in artikel 9, eerste lid, bedoelde rusttijd;
- f. overwerk: arbeid, verricht gedurende de voor de werknemer geldende rusttijd, alsmede arbeid welke ten aanzien van de werknemer de op grond van deze wet of de daarop berustende bepalingen maximaal toegestane arbeidsduur per dag of per week overschrijdt;
- g. week: een periode van zeven opeenvolgende dagen;
- h. rustdag: de zondag dan wel de dag die voor de werknemer, die op zondag schemawerk verricht, volgens zijn werkrooster voor de zondag in de plaats komt. Onze Minister is bevoegd desverzocht te bepalen, dat voor de belijder van een godsdienst, die een andere wekelijkse rustdag voorschrijft dan de zondag, de voorgeschreven dag voor de toepassing van deze wet in de plaats treedt van de zondag.
Artikel 3
Deze wet is niet van toepassing op werknemers van wie het bruto jaarinkomen meer bedraagt dan 260 maal het dagloon, bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de Wet ziekteverzekering BES.
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt onder inkomen verstaan: alle inkomsten uit arbeid in één onderneming, waaronder mede begrepen het naar tijdruimte vastgestelde loon, het vakantiegeld, provisie en winstbonussen en dergelijke, die als grondslag dienen voor de inkomstenbelasting, met uitzondering van de vergoeding voor overwerk en de toeslag, bedoeld in artikel 11, negende lid.
Artikel 4
Het is verboden arbeid te laten verrichten in strijd met de bepalingen van deze wet of de daarop berustende bepalingen.
Artikel 5
De ouder of de voogd van het kind dat of de jeugdige die onder zijn ouderlijke macht respectievelijk voogdij staat, dan wel het hoofd van het gezin, waarin het kind of de jeugdige wordt opgevoed, zorgt ervoor dat het betreffende kind of de betreffende jeugdige geen arbeid verricht die bij of krachtens deze wet wordt verboden.
Artikel 6
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen kunnen meerdere werkgevers jegens de werknemer als één werkgever worden aangemerkt door Onze Minister, indien de eigendom van de ondernemingen grotendeels in handen is van dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon, dan wel indien de feitelijke bestuursbevoegdheid of enige vorm van leiding in handen is van dezelfde natuurlijke persoon of rechtspersoon.
Artikel 7
Van het bepaalde bij of krachtens deze wet kan niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken, tenzij dit uitdrukkelijk in de wet bepaald is.
Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen ten aanzien van de arbeidsduur, werktijden en rusttijden
Artikel 8
De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 40 uur per week, berekend over een periode van vier weken, met dien verstande dat de arbeidsduur per dag niet meer dan tien uur bedraagt.
De arbeidsduur voor de werknemer, die schemawerk verricht, bedraagt ten hoogste 45 uur per week, berekend over een periode van vier weken, met dien verstande dat de arbeidsduur per dag niet meer dan tien uur bedraagt.
Het is verboden een werknemer arbeid te laten verrichten, waardoor de arbeidsduur genoemd in het eerste en tweede lid, wordt overschreden, anders dan bij wijze van overwerk.
Bij collectieve arbeidsovereenkomst kan van het eerste en tweede lid worden afgeweken.
Artikel 9
Als rusttijd geldt:
- a. dagelijks de tijd voor 7.00 uur en de tijd na 20.00 uur, met dien verstande dat voor de werknemer in een onderneming, die krachtens enige wettelijke regeling een voorgeschreven sluitingstijd heeft, de laatst bedoelde rusttijd ten hoogste een half uur na die sluitingstijd valt, waarbij het tijdstip van aanvang van de arbeid op de volgende dag zodanig moet zijn dat voor die werknemer een aaneengesloten rusttijd van tenminste 11 uren geldt;
- b. de wekelijkse rustdag;
- c. wekelijks tenminste twee maal het gedeelte van een dag, anders dan de rustdag bedoeld onder b, voorafgaand aan of volgend op 13.00 uur;
- d. feestdagen, als bedoeld in artikel 23.
In afwijking van het eerste lid geldt als rusttijd voor de werknemer, die schemawerk verricht:
- a. dagelijks de tijd buiten de tijdstippen van aanvang en afloop van zijn arbeidstijd, met dien verstande dat zijn rusttijd in een aaneengesloten tijdruimte van 24 uren tenminste 11 uren aaneengesloten is, zij het dat de aaneengesloten rusttijd éénmaal in een aaneengesloten tijdruimte van zeven maal 24 uren, aanvangende op het tijdstip van de dag waarop de werknemer arbeid verricht, mag worden ingekort tot tenminste acht uren;
- b. de voor de werknemer volgens zijn werkrooster geldende wekelijkse rustdag;
- c. wekelijks tenminste eenmaal het gedeelte van een dag, anders dan de rustdag bedoeld onder b, voorafgaand aan of volgend op 13.00 uur;
- d. feestdagen, als bedoeld in artikel 23, voor zover de werknemer op die feestdagen niet conform zijn werkrooster arbeid verricht, met dien verstande dat de werknemer per kalenderjaar tenminste op vijf feestdagen is vrijgesteld van arbeid.
De werkgever organiseert de arbeid zodanig dat de rustdag van de werknemer, die schemawerk verricht, tenminste éénmaal per zeven weken op een zondag valt, een en ander met inachtneming van artikel 2, tweede lid, onder h, tweede volzin. Bij collectieve arbeidsovereenkomst kan van het bepaalde in de eerste volzin worden afgeweken.
Het is verboden de werknemer arbeid te laten verrichten gedurende de voor hem geldende rusttijd, anders dan bij wijze van overwerk.
Artikel 10
De arbeidstijd van een werknemer moet op elke dag waarop hij, al dan niet bij wijze van overwerk, meer dan zes uren arbeid verricht, na ten hoogste vijf uren arbeid worden onderbroken door een pauze van tenminste een half uur.
Het is verboden de werknemer gedurende diens pauze arbeid te laten verrichten, anders dan bij wijze van overwerk.
Een onderbreking van de arbeidstijd van minder dan 15 minuten geldt niet als pauze.
Artikel 11
Onder consignatie wordt voor de toepassing van deze wet verstaan: een tijdruimte tussen twee elkaar opeenvolgende diensten of tijdens een pauze, waarin de werknemer verplicht is bereikbaar te zijn om in geval van onvoorziene omstandigheden op oproep zo spoedig mogelijk de bedongen arbeid te verrichten.
Het is verboden consignatie op te leggen aan werknemers jonger dan 18 jaar.
De werkgever deelt de arbeid zo in, dat:
- a. per vier weken gedurende tenminste 14 aaneengesloten dagen geen consignatie aan de werknemer wordt opgelegd;
- b. geen consignatie wordt opgelegd op de dag of dagen waarop arbeid in nachtdienst wordt verricht.
In afwijking van artikel 8, tweede en vierde lid, bedraagt de arbeidsduur over een periode van 13 weken berekend niet meer dan 40 uur per week, indien de consignatie ook de periode tussen 0.00 uur en 6.00 uur bestrijkt.
Als arbeidstijd geldt tijdens de consignatie de werkelijk als gevolg van een oproep gewerkte tijd, met dien verstande dat de arbeid als gevolg van één oproep of meerdere oproepen binnen een half uur geacht wordt tenminste een half uur te duren. Indien na beëindiging van de arbeid als gevolg van een oproep binnen een half uur weer een oproep volgt, geldt die tussenliggende periode ook als arbeidstijd.
De arbeid, die voortvloeit uit de consignatie, telt niet mee voor de berekening van de totale arbeidsduur, bedoeld in artikel 8.
Op de arbeid, die voortvloeit uit de consignatie, zijn de artikelen 9 en 10 niet van toepassing.
De arbeid, die gedurende consignatie wordt verricht, is overwerk, waarvan de beloning geschiedt conform artikel 15.
Tenzij anders overeengekomen bij schriftelijke overeenkomst, betaalt de werkgever de werknemer aan wie consignatie is opgelegd, onverminderd het achtste lid en ongeacht of er daadwerkelijk oproepen zijn gedaan of arbeid als gevolg van een oproep is verricht, per dag, waarop die consignatie wordt opgelegd, een toeslag van één percent van zijn bruto-maandloon.
Onze Minister is bevoegd het opleggen van consignatiedienst aan een of meer werknemers in een onderneming te verbieden, dan wel daaraan nadere voorwaarden te verbinden of beperkingen te stellen indien hem dat met het oog op de gezondheid of het welzijn van de betrokken werknemer of werknemers wenselijk voorkomt.
Artikel 12
Er is sprake van nachtdienst, indien de werknemer, die schemawerk verricht, volgens zijn werkrooster arbeid verricht op of na 0.00 uur of voor 6.00 uur, anders dan bij wijze van overwerk.
De arbeidsduur per nachtdienst, exclusief pauze, bedraagt ten hoogste acht uren.
In afwijking van artikel 8, tweede lid, bedraagt de arbeidsduur van de werknemer, die arbeid in nachtdienst verricht, over een periode van 13 weken berekend niet meer dan 40 uur per week.
De werkgever deelt de arbeid zo in, dat:
- a. de werknemer in elke periode van vier aaneengesloten weken ten hoogste 14 maal arbeid in nachtdienst verricht;
- b. de werknemer na het verrichten van arbeid in nachtdienst een onafgebroken rusttijd heeft van tenminste 12 uren indien de nachtdienst voor of op 2.00 uur eindigt dan wel van 14 uren indien de nachtdienst na 2.00 uur eindigt, met dien verstande dat de rusttijd in een aaneengesloten periode van zeven maal 24 uren éénmaal kan worden bekort tot tenminste 8 uren;
- c. de werknemer na ten hoogste 6 maal achtereen arbeid in nachtdienst te hebben verricht een onafgebroken rusttijd heeft van tenminste 48 uren.
Het bepaalde in het vierde lid, onder a, is niet van toepassing op de werknemer, wiens werkzaamheden naar de aard ervan hoofdzakelijk of uitsluitend en geheel of gedeeltelijk worden verricht tussen de in het eerste lid bedoelde tijdstippen.
Bij collectieve arbeidsovereenkomst kan van het tweede en derde lid worden afgeweken.
Artikel 13
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.