Wet grondslagen ruimtelijke ontwikkelingsplanning BES
Hoofdstuk I. Definities
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- Bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;
- Bezwaar: het indienen van een zienswijze;
- Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu.
In deze wet wordt onder «grond» mede verstaan: de onder- en bovengrond op verschillende niveaus alsmede water en de territoriale zee.
Hoofdstuk II. Ontwikkelingsbeleid van het Rijk
Artikel 2
Onze Minister doet het nodige ter voorbereiding van een samenhangend en duurzaam rijksbeleid voor de ontwikkeling van het gebied van de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. Daartoe doet hij een geregeld onderzoek verrichten. De uitkomsten hiervan worden, voorzover het algemeen belang zulks toelaat, gepubliceerd.
Onze Minister pleegt terzake bij voortduring overleg met de bestuurscolleges van de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba.
Artikel 3
Het in artikel 2 bedoelde rijksbeleid richt zich op de volgende algemene doelstellingen:
- a. er dient een zo gunstig mogelijk evenwicht te worden bewaard tussen de beschikbare ruimte en de daarop te bevorderen ontwikkeling, mede in het licht van de bevolkingsgroei waartoe deze zal leiden;
- b. de ruimtelijke voorwaarden dienen te worden geschapen voor het behoud van een gezond leefmilieu, onder meer door het veiligstellen van natuur- en recreatieruimte in overeenstemming met de toekomstige omvang van de bevolking, alsmede door het zuiver houden van water, bodem en lucht;
- c. het beschikbaar komen van woonruimte en van de bijbehorende sociale en culturele voorzieningen dient zoveel mogelijk gelijke tred te houden met de groei van de bevolking en de uitvoering van de ontwikkelingsprojecten;
- d. er dienen tijdig maatregelen te worden genomen voor het aanpassen van de bestaande bebouwingskernen aan de nieuwe ontwikkeling en voor het verbeteren van onvoldoende woningtoestanden.
Artikel 4
Het rijksbeleid wordt, telkens voor een termijn van ten hoogste 10 jaren, samengevat in een na overleg met de bestuurscolleges van de eilandgebieden bij besluit van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat vast te stellen ontwikkelingsprogramma.
Dit programma geeft een beeld van de op langere termijn na te streven economische en sociaal-culturele ontwikkeling, voor zover van belang voor en passend in het kader van de ruimtelijke ontwikkeling, alsmede van de maatregelen waarmede de regering zich voorstelt deze doeleinden te bevorderen.
Het ontwikkelingsprogramma dient als algemeen kader voor meerjarenplannen en andere uitvoeringsprojecten. Het geeft voor zover mogelijk de fasen aan, waarin de uitvoering bij voorkeur dient te geschieden.
Artikel 5
Onze Minister bereidt het ontwikkelingsprogramma voor.
Alvorens het ontwikkelingsprogramma wordt vastgesteld, wordt het voorgelegd aan de bestuurscolleges van de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba en de Sociaal-Economische Raad voor het uitbrengen van advies.
Het vastgestelde ontwikkelingsprogramma en de ingevolge het tweede lid uitgebrachte adviezen worden overlegd aan de Staten-Generaal en de bestuurscolleges. Het programma wordt zo spoedig mogelijk in zijn geheel in de Staatscourant, in één of meer plaatselijke dagbladen en op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze bekendgemaakt.
Artikel 6
Het ontwikkelingsprogramma wordt naar behoefte, doch in ieder geval tenminste eenmaal in de 5 jaren herzien.
Ten aanzien van deze herziening zijn de vorenstaande artikelen van overeenkomstige toepassing.
Hoofdstuk III. Ontwikkelingsplannen van de openbare lichamen Bonaire, Sint-Eustatius en Saba
Artikel 7
Met inachtneming van bij eilandsverordening te stellen regelen stellen de eilandsraden voor hun openbaar lichaam een of meer ontwikkelingsplannen vast, waarin de op langere termijn na te streven ontwikkeling van het daarin begrepen gebied wordt aangegeven. Bij deze plannen houden zij rekening met de algemene doelstellingen, vermeld in artikel 3, en, indien een ontwikkelingsprogramma als bedoeld in artikel 4 is vastgesteld, met het ontwikkelingsprogramma.
Een ontwikkelingsplan wordt bij eilandsverordening vastgesteld en bestaat uit:
- a. een samenvattend programma in hoofdlijnen, daaronder begrepen een toelichting van de doelstellingen, beleidsaspecten en richtlijnen waarop het ontwikkelingsplan steunt;
- b. een of meer kaarten (tekeningen) waarop de ontwikkeling wordt uitgebeeld, of welke de doeleinden, beleidsaspecten of richtlijnen van het ontwikkelingsplan toont;
- c. zo nodig, bestemmingsvoorschriften als bedoeld in artikel 9;
- d. een toelichting, tevens inhoudend een verslag van het aan het plan ten grondslag liggende onderzoek.
Een ontwikkelingsplan kan langs elektronische weg worden vastgelegd en in die vorm worden vastgesteld. Een volledige verbeelding daarvan op papier wordt gelijktijdig vastgesteld.
Indien na vaststelling de inhoud van het langs elektronische weg vastgelegde plan en die van de verbeelding daarvan op papier tot een verschillende uitleg aanleiding geeft, is de verbeelding op papier beslissend.
Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de vormgeving, de inrichting en het waarborgen van de authenticiteit van de digitale ontwikkelingsplannen evenals omtrent de methoden en technieken van het beschikbaar stellen daarvan.
Artikel 8
Het ontwikkelingsplan dient als algemeen kader voor de meerjarenplannen en andere uitvoeringsprojecten.
Het geeft voor zover mogelijk de fasen aan, waarin de uitvoering bij voorkeur dient te geschieden.
Telkens als de omstandigheden zulks vereisen, en tenminste eenmaal in de 5 jaren, wordt het ontwikkelingsplan herzien, en stelt de eilandsraad een verslag vast betreffende de algemene vooruitgang welke is gemaakt ten aanzien van de verwezenlijking van de doelstellingen, beleidsaspecten en richtlijnen van het plan, de gedeelten van het plan welke nog geldig en van kracht zijn, alsmede de gedeelten welke herziening behoeven, tezamen met de aanbevolen herziening daarvan.
Ten aanzien van deze herziening zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.
Artikel 9
De eilandsraad kan in het ontwikkelingsplan bestemmingsvoorschriften opnemen voor in het plan begrepen grond.
Deze voorschriften worden vervat in een of meer afzonderlijke bestemmingskaarten met bijbehorende bepalingen.
Met inachtneming van de bij de in artikel 7, eerste lid, bedoelde eilandsverordening te stellen regelen, kunnen de bestemmingsvoorschriften beperkingen inhouden ten aanzien van het bouwen, het uitvoeren van deze werken of werkzaamheden in, op of boven de daarin begrepen grond en van het gebruik van die grond en de zich daarop bevindende opstallen.
Artikel 10
Ten aanzien van beschermde stads- en dorpsgezichten als bedoeld in artikel 1 van de Monumentenwet BES kunnen de bestemmingsvoorschriften volgens regelen bij de in artikel 7, eerste lid, bedoelde eilandsverordening te stellen, beperkingen inhouden ten aanzien van het bouwen en slopen en het uitvoeren van andere wijzigingen in het uiterlijk aanzien van de daarin begrepen stads- en dorpsgedeelten.
Artikel 11
In het belang van een goede uitvoering van het ontwikkelingsplan kan de eilandsraad in de bestemmingsvoorschriften bindende regelen opnemen omtrent de volgorde, waarin met de verwerkelijking van bepaaldelijk aangeduide onderdelen van het plan een aanvang mag worden gemaakt.
Artikel 12
Met inachtneming van de bij de in artikel 7, eerste lid, bedoelde eilandsverordening te stellen regelen, kan het bestuurscollege verklaren, dat een ontwikkelingsplan met bestemmingsvoorschriften in voorbereiding is. Een zodanig besluit van het bestuurscollege, hierna aan te duiden als voorbereidingsbesluit, wordt na de vaststelling onverwijld medegedeeld aan de eilandsraad.
Het bepaalde in artikel 9, derde lid, en in artikel 10, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op het voorbereidingsbesluit.
Artikel 13
Onder de regelen, bedoeld in de artikelen 9 en 10, mogen niet ontbreken voorschriften met betrekking tot:
- a. tijdige bekendmaking in een of meer ter plaatse verspreid wordende nieuwsbladen of op de voor publicatie van officiële mededelingen gebruikelijke wijze en terinzagelegging van het ontwerp van het plan, tijdige kennisgeving van die bekendmaking en terinzagelegging aan de belanghebbenden in persoon en gelegenheid voor belanghebbenden tot het indienen van bezwaren bij de eilandsraad;
- b. mogelijkheid voor het bestuurscollege tot het verlenen van vrijstelling van bepaaldelijk aangeduide bestemmingsvoorschriften in bij het plan te bepalen gevallen en onder daarbij te bepalen voorwaarden;
- c. bevoegdheid van belanghebbenden tot het behouden van aanwezige opstallen en het voortzetten van bestaand gebruik van grond of de opstallen in strijd met de bestemmingsvoorschriften, een en ander naar de toestand op het tijdstip waarop het ontwerp van het plan, onderscheidenlijk het voorbereidingsbesluit ter inzage werd gelegd.
Indien belanghebbenden tengevolge van de bestemmingsvoorschriften werkelijk schade lijden, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te hunnen lasten behoort te komen, en een minnelijke regeling terzake de verschuldigde schadevergoeding niet kan worden bereikt, wordt uit eilandskas een door de rechter naar billijkheid te bepalen vergoeding aan de belanghebbenden betaald. Voor de toepassing van dit artikellid worden niet onder bestemmingsvoorschriften begrepen:
- a. de volgorde van verwerkelijking van het ontwikkelingsplan;
- b. de indeling van het wegennet of de kavelindeling;
- c. het aantal, de plaatsing, de afmetingen of het uiterlijk van de op te richten gebouwen.
Voor belanghebbenden die bij de eilandsraad tijdig bezwaren hebben ingediend tegen het ontwerp van de bestemmingsvoorschriften, staat tegen de beschikking van de eilandsraad binnen zes weken na de dag waarop deze is gegeven, beroep open bij het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint-Eustatius en Saba.
Artikel 14
Bij eilandsverordening kunnen regelen worden vastgesteld omtrent de medewerking van het openbaar lichaam bij het bouwrijp maken van grond.
Deze regelen kunnen de medewerking onder meer afhankelijk stellen van:
- a. kosteloze overdracht aan het openbaar lichaam van de nodige gronden voor de aanleg van wegen en andere openbare voorzieningen;
- b. betaling van het aandeel in de kosten van wegaanleg en van andere openbare voorzieningen, dat op het daardoor ontsloten bouwterrein behoort te drukken.
Hoofdstuk IV. Toezicht en aanwijzingsbevoegdheid
Artikel 15
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van het bestuurscollege aangewezen ambtenaren.
De aangewezen ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, beschikken over de bevoegdheden van titel 5.2 van de Algemene wet bestuursrecht, met dien verstande dat in artikel 5.16a van die wet voor «identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht» wordt gelezen: identiteitsdocument als bedoeld in artikel 2 van de Wet identificatieplicht BES.
Artikel 16
Met het toezicht op de uitvoering en handhaving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.
De aangewezen ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, beschikken over de bevoegdheden van de artikelen 5:15 tot en met 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, met dien verstande dat in artikel 5.16a van die wet voor «identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht» wordt gelezen: identiteitsdocument als bedoeld in artikel 2 van de Wet identificatieplicht BES. De artikelen 5:12, 5:13 en 5:20, eerste en tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 17
De raadpleging van dit document komt niet in de plaats van het lezen van het oorspronkelijke Staatsblad of de Staatscourant. Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid voor eventuele onnauwkeurigheden die voortvloeien uit de omzetting van het origineel naar dit formaat.